Inhoudstafel van Brug 61 (september 2008)

Een leven na de dood : Robert Blum
Nawoord : over Jakob Lorber
Oude en jonge zielen
Luciferisch verleden, Ahrimanische toekomst


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


Beste Lezer,

Het moet voor een dichter frustrerend zijn dat hij woorden moet gebruiken om subtiele en etherische impressies weer te geven. Als hij eerlijk is zou hij bijna gewoon een leeg blad moeten publiceren om rust en sereniteit over te brengen. Des te meer bewondering verdient deze dichter wanneer hij dan met succes woorden kan vinden en schikken die ondanks hun olifantkwaliteit toch behoedzaam door de porseleinwinkel van de fijnere intuïties kunnen wandelen.

Hetzelfde probleem ondervindt de ingewijde helderziende wanneer hij zijn ervaringen uit een hogere wereld wil meedelen. Rudolf Steiner heeft geprobeerd om in 52 weekspreuken de verandering van sfeer weer te geven die de gang der seizoenen begeleidt. We mogen van u als goede antroposoof verwachten dat u weet welke stemming er op dit ogenblik in de weekspreuken te vinden is. Volgens ons heeft Johan Daisne (1912-1978) dezelfde sfeer goed kunnen vastleggen in onderstaand gedicht.

.


Oogst

De zon reeds niet meer op zijn hoogst,
Maar altijd is augustus mij
Biezonder lief geweest : de oogst
Wordt binnengehaald van velerlei

Van wat geborgen in de klei
Begon als een midwinterdroom,
En toen een bloem en een bij,
En vruchten, van hun rijkdom loom.

Maar ook van wat komen zal :
De zachte zon, de droge val
Van het vergulde groene blad

Al wat een mens nog mag verwachten,
Ondanks de steeds langere nachten
Als bron voor alles wat

Hij heeft gedaan en niet gehad.

François De Wit.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Een leven na de dood

Door François De Wit

In “Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden” (het hoofdstuk over de praktische gezichtspunten), raadt Rudolf Steiner ons aan om regelmatig de natuur op te zoeken, en wanneer dat voor een stadsmens moeilijk is, tenminste verheffende lectuur te lezen zoals de Bhagavad Gita of de Navolging van Christus. Voor vele mensen schijnen de werken van Jakob Lorber een goede ondersteuning van hun antroposofische scholing te zijn. Het was in ieder geval een antroposoof die ons opmerkzaam maakte op de figuur van Jakob Lorber, en daarom willen we er in deze Brug eens wat aandacht aan besteden.

“Jakob Lorber (1800-1864) had aanleg voor muziek en verdiende daarmee zijn brood, niettegenstaande hij ook een diploma van onderwijzer behaalde. Het grootste deel van zijn leven woonde hij in Graz (Oostenrijk). Hij was een niet onverdienstelijk musicus. Zo gaf hij niet alleen zang- en pianolessen, maar componeerde ook enkele muziekwerken en trad zelfs op als violist in de Scala van Milaan. Niettegenstaande dat verwierf hij slechts een bescheiden inkomen en was zelfs regelmatig aangewezen op een toegestoken hand van rijke of invloedrijke medemensen zoals de componist Anselm Hüttenbrenner en de dichter Karl Gottfried Ritter von Leitner. Deze laatste schreef een vrij beknopte maar boeiende biografie die ook in het Nederlands vertaald is. De reden voor Lorbers relatieve armoede was echter dat hij het weinige dat hij had, deelde met nog armere mensen. Deze vrijgevigheid en zijn bescheidenheid, alsook zijn drang naar God, maakte hem tot een geschikt instrument in Gods hand. God had grootse plannen met hem… Toen hij op zijn veertigste levensjaar eindelijk een aantrekkelijke job aangeboden kreeg als kapelmeester in Triest, leek zijn leven een andere wending te nemen. Dat gebeurde ook, maar niet zoals met zou verwachten! ’s Morgens op 15 maart 1840 staat hij klaar om te vertrekken naar Triest waar een nieuw leven hem toelacht. Tot hij plots een inwendige stem in zijn hart hoort: “Sta op, neem je pen en schrijf!” Hij gaf onmiddellijk gehoor aan deze ongewone opdracht, niet vermoedend dat hij op dat moment geroepen werd tot een taak die zijn hele verdere leven in beslag zou nemen. Hij verzaakte zelfs aan de aanlokkelijke aanbieding in Triest en bleef verder in Graz wonen als eenvoudige musicus. In de 24 jaren die volgden, tot zijn dood, werden hem meer dan 10.000 pagina’s gedicteerd.”
(Uit de biografische schets op www.lorber.be)

Vele werken van Lorber zijn in het Nederlands vertaald en worden uitgegeven door de Jakob Lorber Stichting. Op de webstek www.lorber.nl wordt de vraag gesteld : Wie sprak er tegen Lorber?

“In het jaar 1858 schreef Lorber aan een vriend over de in hem sprekende geestelijke bron, dat hij deze ervoer als de stem van Jezus Christus, het levende Woord van God. Bij het schrijfproces was er geen sprake van zogenaamd automatisch schrift. Lorber schreef bij vol bewustzijn woord voor woord op wat hem werd gedicteerd. Zelf noemde hij zich, eenvoudig en bescheiden als hij was, 'schrijfknecht van God'. Daarmee bracht hij tot uitdrukking dat hij een schrijfopdracht uitvoerde en dat het geschrevene niet van hemzelf stamde. Maar belangrijker dan het zoeken naar bewijsvoeringen omtrent de authenticiteit van de boodschappen, is het intuïtief aanvoelen van de lezer zelf. Wie zich openstelt voor de inhoud van dit werk, zal ervan overtuigd worden dat hij te maken heeft met iets heel bijzonders, ja, met een werkelijk goddelijke openbaring …”

In de werken van Lorber is het dus Jezus die spreekt. Veel van wat daar aan inzichten bekend gemaakt wordt vinden we 50 jaar later terug in de antroposofie. Het is ons nog altijd een raadsel waarom deze inzichten, relatief kort voor Rudolf Steiners optreden, in Midden-Europa openbaar gemaakt moesten worden. Vooral de grote nadruk op vrijheid en liefde spreekt de antroposoof sterk aan. Over karma en reïncarnatie daarentegen vind je zeer weinig. Merkwaardig genoeg wordt de duivel meestal in zijn twee facetten opgevoerd : ofwel als mooie verleidelijke vrouw (waarin wij Lucifer herkennen), ofwel als draakachtig, afschuwelijk monster (Ahriman). In deze Brug willen we een passage uit een werk van Lorber afdrukken die het verschil met de antroposofie duidelijk maakt. Het gaat om het wedervaren van een materialistische ziel na de dood. Wat de antroposofie daarover zegt kon u ook al lezen in Brug 44, in een artikel van Jan Vermeir. Het komt erop neer dat de materialist gelijk heeft als hij zegt dat er na de dood niets is : voor hem is er niets.

Rudolf Steiner legt dat bvb. uit in GA 140, de voordracht in Straatsburg van 13 mei 1913. Wat men tijdens het leven aan spirituele interesses ontwikkeld heeft, dat wordt na de dood hetzelfde wat licht hier op de aarde is : het laat ons toe om de omgeving te zien. Twee verstokte materialisten bevinden zich na hun dood in dezelfde ruimte als het ware, maar ze kunnen mekaar onmogelijk ontmoeten. Ze bevinden zich boven “een gapende afgrond”. Voor de radicale atheïst is de wereld na de dood leeg, zonder mensenzielen, hij heeft alleen de herinnering aan zijn eigen aardse leven. Wat Steiner in enkele alinea’s uitlegt, lezen we bij Jakob Lorber in enkele honderden bladzijden. In “Van de hel naar de hemel – hoe Robert Blum in het hiernamaals geleid werd - door het innerlijk woord ontvangen door Jakob Lorber”, wordt verhaald hoe het de ziel verging van Robert Blum. Omdat deze man blijkbaar niet zo’n radicale atheïst was, kwam het uiteindelijk toch nog goed met hem. Maar kort na zijn gewelddadige dood ervoer hij tot zijn ontzetting juist wat Rudolf Steiner beschreef : zich boven een afgrond bevinden, in volledige duisternis, en zonder enig gezelschap. Na een soort louteringstijd – er wordt niet aangegeven hoe lang die tijd duurde – wordt hij benaderd door een wezen dat het goed met hem voor heeft.

Wie was Robert Blum ?

Robert Blum (1804 – 1848) was een Duits politicus die naar Wenen reisde toen het volk daar in opstand kwam tegen de keizer. Hij wilde meehelpen de bestaande orde omver te werpen. Spijtig voor hem stuurde de keizer een leger naar de opstandelingen die Wenen bezet hielden. Veldmaarschalk Alfred Windischgrätz liet Blum executeren.

Jezus schetst het levensverhaal van Blum en vertelt hoe het met zijn ziel verder ging.

Ter wille van de overzichtelijkheid werd het lange verhaal ingedeeld in hoofdstukken met als titel een samenvatting van wat volgt. Wij vertaalden de eerste 10 hoofdstukken en hebben hier en daar wat ingekort. Vanaf nu spreekt een zeer menselijke Jezus, niet gespeend van een milde humor :

Robert Blum

1. Het aardse leven van Robert Blum

Robert Blum kwam in de armoedigste omstandigheden in dit leven terecht en moest tot zijn laatste levensjaren steeds om zijn levensonderhoud te worstelen, een lot dat hem met goede reden ten deel viel, reden die voor deze wereld evenwel onbekend zijn. Deze mens die door de wereld wegens zijn doldriestheid veroordeeld werd, toonde reeds in zijn kindertijd wat voor een koppige geest hij was. Ofschoon Ikzelf hem overal waar hij zich wilde verheffen, voor zijn eigen bestwil de grootste hindernissen op zijn weg legde, toch hielp dat niet veel. Want het koppige streven van zijn geest brak uiteindelijk toch uit de onbeduidendheid los en baande zich een weg van waarop hij tot groter invloed geraakte. Onmiddellijk maakte hij duizend grote plannen en voerde ze voor zover dat mogelijk was ook uit. Wat hem vooral aan het hart lag was het welzijn van het volk. Om dat te verbeteren schuwde hij noch offer noch moeite. Had hij alle schatten van de wereld bezeten, dan had hij die samen met zijn leven, voor dat doel aangewend. Zijn overtuiging was zo sterk dat hij daarover tot geen rustig overleg in staat was. Ook al maande Ik hem innerlijk bij al te gewaagde ondernemingen, toch kon Ik hem er niet van weerhouden iets uit te voeren wat hij zich eenmaal voorgenomen had. Het was een soort motto voor hem dat een echte Duitser eerder alles moest offeren dan af te wijken van een idee dat hij eenmaal opgevat had.

Hij werkt versterkt in die levenshouding doordat er dikwijls een dergelijke onderneming schitterend lukte. En zo waagde hij zich nu aan een Himalajagebergte omdat hem het effenen van enkele politieke heuvels gelukt was. Vertrouwend op de macht van zijn redenaarstalent, begaf hij zich naar een grote oostelijk gelegen Duitse stad waar het volk begonnen was met de sociaal-democratische ideeën in de praktijk om te zetten. Daar wilde hij met een slag dertig vorstenvliegen doodslagen, zonder te bedenken dat achter deze vliegen ook Ik een woordje mee te praten had. Onze man ging hoofdzakelijk van een idee uit dat hij uit Mijn Woord haalde, namelijk dat men “volmaakt” moet zijn als de Vader in de hemel, en, dat daar slechts 1 de Heer is en alle anderen “broeders” zonder onderscheid van rang of stand. Maar ten eerste geloofde hij niet aan Hem, op wie de mensen in hun volmaaktheid zouden moeten gelijken. Hijzelf hield zich voor de Heer – door de macht van zijn redekunst. Daarbij verloor hij helemaal uit het oog dat ook de vorsten mensen zijn, in bezit van de macht door Mij; en vergat ook de schrifttekst :”Geef de keizer wat de keizer toekomt, en God wat van God is !”

Deze man werd in de betreffende stad waar hij zijn volkszaligmakende ideeën met wapen- en woordgeweld wilde invoeren, gevangengenomen als een staatsgevaarlijk individu en na een kort proces van deze naar de andere wereld bevorderd. En daarmee was zijn aards volkszaligmakend project afgelopen. Het fysieke einde van Robert Blum

2. Eerste indrukken van een terdoodgebrachte in het hiernamaals. Bewustworden van het levensgevoel.

Hoe kwam nu zijn ziel en geest in de eeuwige geestenwereld aan ? Hier moet opgemerkt worden dat de meesten die hun aards leven gewelddadig beëindigd zien door een gerechtelijke doodstraf, in de geestenwereld aankomen met de grootste toorn- en wraakgevoelens t.o.v. hun rechters en een tijdlang als complete razenden rondtollen. Om deze reden worden dergelijke nieuwelingen, zoals ook de echte misdadigers die Gods geboden overtreden hebben en dus in de grond slecht zijn, onmiddellijk naar hun eigenlijk element, naar de hel gedreven, om daar hun wraak te koelen. Zodra hun wraakneiging enigszins bekoeld is keren zij terug naar de eigenlijke geestenwereld en beginnen daar opnieuw, evenwel op zeer beperkte wegen, hun vrijheidsproef door te maken.

Geesten echter, zoals die van onze man, die alleen als politieke overtreder van de wereldse wetten, ginder aankomen, worden om te beginnen alleen maar in een lichtloze toestand geplaatst. Daarin bevinden ze zich als blinden en ze nemen daardoor ook geen wezens waar waarop zij hun blinde wraak zouden kunnen bekoelen. Grote toorn en grote wraakgevoelens maken ook hier op aarde al dat mensen er letterlijk door verblind worden. Des te meer veroorzaken deze gevoelens in het hiernamaals in de ziel en de geest een toestand van volledige blindheid. In deze toestand worden dergelijke geesten gelaten tot hun wraakgevoel plaats maakt voor een gevoel van onmacht.

Onze man toonde bij zijn terechtstelling vastberadenheid en doodsverachting, maar in waarheid voelde hij wel degelijk angst voor de dood, temeer daar hij als overtuigde nieuw-katholiek niet meer geloofde aan een leven na de dood.

Robert Blum was aanhanger van Ronge, een van de velen die het katholicisme probeerden te vernieuwen - fdw

Ongeveer 7 uur na zijn terechtstelling vond zijn ziel min of meer een nieuw evenwicht en hij stelde vlug vast dat zijn aardse ongeloof niet gegrond was, dat hij effectief verder leefde. Maar toen veranderde zijn overtuiging van het verder bestaan na de dood in een nieuw ongeloof. Hij dacht nu dat hij wel degelijk naar de executieplaats was gebracht, maar slechts schijnbaar geëxecuteerd was om hem de volledige doodsangst te laten uitstaan. Ja, de officier had hem een blinddoek voorgebonden opdat hij niet zou merken dat er in de lucht geschoten werd, en hij was gewoon van angst bewusteloos geraakt. In zijn bewusteloosheid hadden ze hem in een donkere kerker gegooid, zo dacht hij, maar daar zou hij spoedig uit vrijgelaten worden, eens dat Duitse burgers zijn wedervaren vernomen zouden hebben en hun stem zouden laten horen.

Alleen die volkomen duisternis ergert hem toch. Zijn verblijfplaats schijnt hem een donker gat te zijn, en toch ... het is niet vochtig of het stinkt niet. Hij tast naar zijn handen en voeten en kan nergens boeien vinden. Hij probeert de wanden van de kerker te vinden en uit te vissen wat soort bodem er is. Hij is niet weinig verwonderd als hij helemaal geen bodem gewaar wordt, net zo min als een wand. En daarenboven ook geen hangmat kan vinden waarin hij misschien hoog boven de bodem zou liggen.

3. Robert denkt dat hij onder narcose is.

Hij spreekt tot zichzelf : “Maar waar ben ik nu verdorie dan toch ? Wat hebben die bloedhonden met mij gedaan ? Doodgeschoten ben ik niet, anders zou ik niet meer leven ! Opgesloten hebben ze mij ook niet, want ik vind noch een muur noch een bodem en geen ketens aan mijn benen. Mijn gevoel heb ik nog volledig, mijn ogen ook, ze zijn mij niet uitgestoken en toch zie ik niets ! Waarlijk, dat is huiveringwekkend merkwaardig ! Deze mensenvijand die mij pro forma liet executeren, heeft mij waarschijnlijk door een onbekend verdovend middel laten inslapen, waardoor ik mij nu in deze toestand bevind. Maar wacht, gij smeerlap, gij verkrachter van het volkerrecht, als ik uit deze narcose ontwaak, verheug je dan maar, dan kook ik je een verdomd heet soepje ! Deze toestand kan niet eeuwig duren. Men zal mij in Frankfurt en in gans Sachsen zoeken. Ik moet daarheen geraken ! En eens ik daar ben, dan zult ge wel ondervinden wat een heiligschennis het is om een vooraanstaand parlementslid zo te mishandelen. Dat zal vereffend worden op zodanige wijze dat daar in de ganse wereldgeschiedenis geen voorbeeld van te vinden is ! Dat ik nu maar vlug gewekt word uit deze zonderlinge narcose ! Ik brand van wraak, en deze lastige toestand blijft maar aanhouden ! Dat is toch een echt duivelse uitvinding ! Maar geduld, het zal, het moet beter worden.”

4. Hulpkreet tot God – hij beroept zich op Jezus.

Na deze woorden houdt hij zich een tamelijk lange tijd rustig en wrijft alleen af en toe in de ogen om van die narcotische verdoving af te raken. Maar wanneer het ondanks alle geduld niet klaarder wil worden, begint hij te twijfelen of hij het licht van zijn ogen zal herwinnen en daardoor wordt hij terug bozer. Wanneer dan ondanks zijn steeds aanzwellende toorn het licht toch niet komt, roept hij luid uit : “Wat is er dan toch met mij gebeurd ? Wat is dat voor een vervloekte toestand ? Is er dan geen God meer die machtig is en rechtvaardiger dan de machthebbers van deze aarde ? God – als je er een bent, reik uit je arm ! Wreek mij, die voor de goede zaak van Jouw kinderen geijverd heb, zoals ook Jezus, de hoogvereerde, onbegrepen leraar der volkeren het wilde. Maar gearresteerd door gemene konkelfoezers werd ook hij als dank voor de inspanningen en offers die Hij voor gans de mensheid bracht, aan de paal gehangen, tot grote smaad der mensheid ! Zoals Hij ben ik ook een zoon van en uit Jou, als Je tenminste bestaat. Of besta Je echter niet en nergens tenzij in het bewustzijn van de mensen ? Is Je kracht niet meer dan die waar zich ook de mens van bewust is, dan praat ik jammer genoeg maar vruchteloos en ben ik voor eeuwig bedrogen geweest ! Waarom moest ik toch een levend, zelfbewust wezen worden ? Vervloekt toeval dat mij in zo’n ellendig bestaan terecht deed komen. Als er erge en kwade duivels bestonden, dan mochten ze direct de oorzaak die mij liet ontstaan voor altijd vernietigen. O mensen, jullie arme bedrogen mensen, hou op met jullie voort te planten. Mensen, die nu nog leeft, vermoordt jullie kinderen zodat de aarde leeg wordt. O jullie machthebbers, moordt alle mensen uit en verdeel dan de aarde onder jullie, dan zullen jullie eindelijk genoeg hebben ... Maar mijn moeite is voor niets, wat kan een druppel uithalen tegen het oergeweld van de zee ? IJdele woorden, het is beter om te verstommen, alleen jullie, handen, probeer een einde te maken aan dit ellendig bestaan !”

Na deze woorden probeert hij zichzelf te wurgen. Hij grijpt zich woest bij de keel, maar natuurlijk zonder enig resultaat. Want hij grijpt in het ijle, en voelt niet de minste weerstand. Dat slaat hem terug met verstomming, hij weet niet wat hij van deze toestand moet denken. Omdat het met de wurging niet lukt besluit hij om zich voort te bewegen. Vertoornd spreekt hij tegen zichzelf : “Donkerder en verlatener dan hier zal het wel nergens in de eindeloze ruimte kunnen zijn. Daarom moet ik geen schrik hebben van een afgrond of een verborgen valluik. Dus, voorwaarts dan maar, misschien bereik ik toch ergens een lichtsprankje of, wat mijn nog het meest zou bevallen, verlies ik er het leven bij. O hoe gelukkig moet de toestand van de volkomen dood zijn. Hoe gelukkig moet ik geweest zijn toen ik geen bestaan gewaar werd en geen vrij bewustzijn. Als ik toch maar terug compleet onbestaand kon worden ... Wat er ook van zij, nu ik toch smacht naar de dood, is er ook geen reden meer om van iets bang te zijn, daarom dus, voorwaarts!”

5. Hij probeert zich voort te bewegen in de lege ruimte. Gesprekken met zichzelf over het niets en het verder leven. Vloek tegen God, die de oorzaak is van alle lijden.

Nu begint hij met zijn voeten de gewone stapbewegingen te maken. Maar omdat hij geen bodem voelt onder zijn voeten, zijn het in feite niet meer dan pendelbewegingen die hem geen stap verder brengen. Hij denkt na over een alternatief en spreekt : “Ik moet met handen en voeten door deze lichtloze lucht als het ware zwemmend vooruit komen.” Hij begint zwembewegingen te maken met handen en voeten, maar hij merkt geen vooruitgang of zelfs maar een luchtverplaatsing. Toch houdt hij vol. Hoe meer hij zich inspant, hoe meer het begint door te dringen dat zijn moeite vergeefs is. Hij geeft het op: “Ik ezel en zot, wat maak ik mij hier moe ? Ik bevind mij blijkbaar in het Niets, waar wil ik dan naartoe? Naar een ander Niets ? Ik wil ook de rust van het Niets bereiken om zelf tot Niets te worden. Als ik nu maar zeker wist dat ik werkelijk doodgeschoten ben geweest ? Maar dan moest ik volkomen dood zijn geweest en dat is bij mij duidelijk niet het geval. Of zou er na de dood toch een voortbestaan van de ziel zijn ? Maar ik word mijzelf gewaar met huid en haar en zelfs met mijn kleding. Heeft een ziel dan ook benen, een huid, haar en kledij ? Als dat zo is, dan heeft een kostuum ook een ziel ! Nee, dat is al te belachelijk, wat een grap : de onsterfelijkheid van het kostuum ! Nog een groter wonder dan de wonderkracht van het gewaad van Christus in Trier ! Maar toch, als ik nu een ziel ben, dan is het kostuum samen met mij naar hier gekomen .... Nee en duizend keer nee ! Ik ben geen ziel, ik ben Robert Blum, volksvertegenwoordiger in Frankfurt. Wat Oostenrijk wil, dat heb ik hier in Wenen leren kennen. Ik weet dat deze staat zijn uiterste best doet om het oude absolutisme weer te installeren. Ik heb als een reus gestreden. Maar de kanonnen van mijn tegenstander waren sterker dan mijn goede wil en daarom moest ik mij samen met mijn goede zaak terug trekken en mij zelfs tot slot laten dood schieten ! Een mooie beloning voor een hart dat zo trouw aan het vaderland toegewijd was ! O vervloekt leven ! Als er al een God is, wat plezier schept Hij er dan toch in wanneer mensen elkaar gruwelijk vermoorden omwille van een troon of van meningsverschillen ? Maar aangezien dergelijke erge zaken altijd en voortdurend op aarde geschieden en zoiets toch niet van God kan stammen – die logisch en fysisch toch niet anders dan de zuiverste liefde kan zijn, bijgevolg kan er geen God bestaan. Of, als er dan toch een bestaat, dan is hij slechts een vervloekenswaard noodlot dat alle wezens als speeltuigen van zijn grillen beschouwt. Daarom vervloek ik nogmaals ieder wezen dat mensen schept alleen maar om ze ten gronde te kunnen laten gaan.

Maar nu : rust ! Want als ik in dit Niets de volledige vernietiging die ik zo wens wil vinden, maar altijd met mijzelf spreek, dan wek ik mij daarmee telkens opnieuw tot leven door de levenskrachten te prikkelen. Daarom dus nu de strengste rust zodat het totale Niets kan komen.

6. Uiterlijke rust, innerlijke onrust. Wat is het leven ? Een verlangen naar geloof leidt naar het gebed. Gedachten aan vrouw en kinderen.

Na deze woorden wordt Robert volledig stil en houdt de mond dicht. Maar in zijn hart komt geen rust. Dat maakt in hem opnieuw ergernis wakker, want hij voelt meer leven en groter bewustzijn. Hoe rustiger hij wordt, hoe groter de innerlijke activiteit. En hoe meer hij die wil onderdrukken, hoe krachtiger ze wordt.

Dat drijft hem weer op een andere manier tot vertwijfeling en woedende toorn. Want het begint hem stilaan te dagen dat hij ook op deze manier niet van dit leven dat hij nu al lang beu is, vanaf zal geraken. Hij begint terug te praten :

“Nu zou ik toch, in de naam van de duivel, eens willen weten wat dat oerdomme zwijneleven waar men niet eens kan van af geraken, nu in feite is ! Ik heb er toch duizenden zien sterven : ze stierven en niet het geringste teken van leven bleef er over ! Ik zag ze verrotten en dat was het, het totale einde van hun bestaan. Die konden toch onmogelijk nog ergens een bewustzijn hebben. Of zouden ze buiten het lichaam toch ook nog een leven hebben zoals ik hier ?

Het is een feit dat ik niet dood kan worden. Wat houdt mij dit lastige leven in stand ? O gij, die mij hebt willen doden, gij hebt mij niet dood- maar levend gemaakt ! Als je handlangers met je vijanden hetzelfde resultaat bereiken als met mij, dan kunt ge u rustig de moeite sparen. Want gij wou mij ontnemen wat ge mij in eeuwigheid niet kunt weergeven. Maar hoezeer lach ik u nu uit. Want ik, die gij wou doodmaken, ik leef. Gij echter, die denkt dat ge leeft, zijt zeker tien keer doder dan ik , uw slachtoffer !

Het zou allemaal nog niet zo erg zijn indien ik maar het kleinste lichtschijntje kon waarnemen. Maar deze totale duisternis, dat is werkelijk des duivels. Stel je voor dat ik voor eeuwig in deze situatie zou moeten verblijven ! O vervloekt ! Wie weet ben ik al een geest. Dat zou pas fraai zijn ! Nee, dat geloof ik niet, een eeuwig leven, dat is toch onmogelijk. Al moet ik zeggen dat het al een eeuwigheid lijkt die ik in deze duisternis doorgebracht heb. Waarschijnlijk zijn er toch al enkele jaartjes verlopen. Was er maar licht ! Licht, en dan is alles okee.

Ik moet toegeven dat ik nu liever zo een domme boer was die gelooft in de Zoon van God, aan de hemel, tussendoor ook nog aan de eeuwige dood, aan de d uivel en aan de hel, en die met dergelijke waanbeelden maar met een rustig geweten sterft. Ja liever dat, dan hier zo met al mijn verstand en slimmigheid in totale lichtloosheid te zweven. Maar wat kan ik eraan doen ? Ik zocht steeds de waarheid en geloofde ze ook gevonden te hebben. Maar wat ben je ermee als ze geen licht geeft ? Het beste in mij is en blijft mijn standvastigheid en het feit dat ik nooit schrik heb. Want indien ik een angstig wezen was geweest, dan zou ik in deze toestand in de diepste vertwijfeling geraakt zijn. Maar nu laat het mij koud. Anderzijds beginnen mijn vrouw en mijn kinderen in mijn hart voor onrust te zorgen. De arme sukkelaars zullen wel treuren en rouwen om mij. Maar wat kan ik in deze situatie voor hen doen ? Niets, helemaal niets ! Bidden, dat zou ik kunnen, maar tot wie en met welk nut ? De beste wensen voor hen zijn in mijn hart sowieso een waar gebed dat hun zeker niet zal schaden, al helpt het hen dan ook niet. Een ander gebed ken ik niet, behalve het welbekende roomse Onzevader, het Weesgegroet en hoe al die andere tongoefeningen mogen heten ! Daarvoor zou mijn progressieve familie zeker verbaasd bedanken. Maar wat ik hier doe, dat kan ze op geen enkele manier achterhalen.”

7. Eerbiedige gedachten aan Jezus veroorzaken een sterke bliksem. Schrik en blijde verwondering van Robert.

Robert spreekt verder : “Het zogenaamde Onzevader is onder alle gebedsvormen wel het beste ! Want zo heeft de wijze leraar Jezus zijn leerlingen leren bidden. Spijtig genoeg is dit gebed nog nooit volledig begrepen geworden, aangezien men het meestal blindweg, voor alle gevallen en noden, pleegt te bidden. Maar de rooms-katholieken schrijven aan deze gebedsvorm in plaats van de waarheid, alleen een soort kinderachtig magische kracht toe en gebruiken die als wondermiddel tegen alle kwalen, zelfs tegen dierziekten ! En dat gaat mij nu toch wat te ver. Het Onzevader op zich is zeker een waardevol gebed, maar alleen op de juiste manier gebeden en alleen maar voor wat het is. Op de manier echter hoe de katholieken en protestanten ermee omgaan, dat is je reinste onzin.

O gij goede leraar en meester Jezus ! Als Uw lot gelijkaardig is met het mijne, dan zult Ge in zo’n toestand na Uw terechtstelling het ook wel al vaak berouwd hebben om zo veel goed voor die vreselijke mensheid gedaan te hebben. Bijna 2000 jaar in zo’n nacht ! O edelst wezen, dat moet zeer hard zijn !

Als onze man de naam Jezus zo medelevend en lovend uitspreekt, licht er een bliksem op van oost naar west. Daarvan schrikt onze vrijheidsapostel geweldig, maar toch is hij zeer blij omdat hij tegelijkertijd ervaart dat hij niet blind is. Tezelfdertijd begint hij te overleggen wat toch de oorzaak van die bliksem kan geweest zijn. Hij overloopt alle hem bekende oorzaken waardoor elektriciteit opgewekt wordt, maar hij vindt geen afdoende verklaring voor deze eerste lichtschijn in zijn hem nog altijd onbegrijpelijke toestand. “Maar nu gaat mij een nieuw licht op !” roept hij, “Ja, ja, zo is het. Gij heerlijke Filosofie, gij onuitputtelijke bron van ware wijsheid ! Gij brengt ieder het juiste licht die u, zoals ik, met alle gloed en liefde omarmt en u in alle levensomstandigheden als de enige en betrouwbaarste raadgever en wegwijzer gebruikt. Kijk, hoe vlug ik met jouw hulp deze Gordiaanse knoop heb ontward. Waar in het rijk van het Niets een individueel bestaan voorkomt, daar kunnen natuurlijk nog een massa andere gelijkaardige, of andersoortige individuen bestaan. En zo kunnen hier behalve ikzelf nog een massa van de meest verscheidene wezens hier bestaan die in staat zijn om elektriciteit voort te brengen; zonder dat het ons allen omvattende Niets daar in het minst door beïnvloed wordt. Zo is het goed. Ik weet nu dat er buiten mij in deze nacht toch nog ergens buren zijn, hoe ze er dan ook mogen uitzien. Dat betekent dat ik helemaal niet zo alleen ben als ik het mij geruime tijd voorgesteld heb. Oh dat is goed, dat is zeer goed. Had ik maar wat vroeger in alle ernst de Duitse filosofie ter harte genomen, dan stond ik nu vast en zeker al op een heel andere bodem. Maar nee, ik domkop, ik moest mij zo nodig met flauwe kritiek op gebeden bezig houden en met een nutteloos beklagen van de grote, wijze en edelste volksleraar Jezus en ver....”

Hier bliksemt het opnieuw en deze keer nog sterker dan voordien. Robert is buiten zichzelf van schrik en verwondering en kan totaal niet vatten wat dit voor hem onbegrijpelijk intensieve, evenwel maar kort durende licht betekent. Daarbij had hij nog de indruk dat hij op grote afstand omtrekken van allerhande hem bekende voorwerpen gezien had. Maar ze waren te kort belicht opdat hij ze preciezer kon thuisbrengen.

Pas na een lange rustpauze kon hij zijn gedachten terug wat ordenen. Zijn eerste gedachte was ongeveer zo : “Aha, nu weet ik eindelijk wat er aan de hand is. Dat bliksemen wijst op een groot onweer dat in de loop van de nacht over Wenen zal losbarsten ! Ik word nu geleidelijk aan wakker uit mijn grote verdoving en keer volledig terug in ’t leven. Waarschijnlijk helpt deze geladen lucht mij daarbij en keer ik met donder en bliksem en hagel terug ! Donderen hoor ik het wel nog niet, maar het onweer kan nog zeer ver van hier zijn. Maar zou het niet kunnen dat ik ook doof ben ? Mijn gedachten hoor ik weliswaar als woorden maar dat is nog geen bewijs dat ik volledig beschik over mijn gehoorzintuig. Misschien kom ik bij deze gelegenheid ook terug tot het bezit van mijn gehoororgaan. Dat merkwaardige gevoel van het mij omgevende Niets kan ik weliswaar niet op een natuurlijke manier verklaren, maar wat maakt dat uit ? Ik ben er nu eenmaal en heb al twee maal een bliksem gezien : het bewijs dat ik niet blind ben. Wie weet of dat niet allemaal de werking van het aankomende onweer is. Daarom wacht ik rustig af of het losbarst en overtrekt. We zullen dan wel zien of ik daarna nog in dezelfde toestand ben als nu. Eigenlijk houdt deze situatie nu toch al behoorlijk lang aan. Naar mijn gevoel zouden het al honderd jaar kunnen zijn; maar misschien is dat een gevoelsbegoocheling. Ja ja, als men zo in een soort verdoving sluimert dan is het normaal dat een minuut een jaar lijkt. Ja, zo zal het zijn ! Laat het nu maar eens opnieuw bliksemen en daarna wat donderen . . . Maar die bliksem laat lang op zich wachten . . . . . “

8. Vernieuwde liefde tot het leven. Wraakzucht verandert in vergevingsgezindheid. Nieuwe bliksem en blijvende klaarte.

Robert spreekt verder : ( ... )

“Het is merkwaardig, maar ik schijn niet in staat te zijn om mijn wraakgevoelens en mijn toch wel gerechtvaardigde toorn vol te houden. Dikwijls veranderen ze in een soort grootmoedige vergiffenis, wat mij zeer ergert. Maar anderzijds, als ik de zaak wat nader beschouw, dan is toch weer echt Duits ! Alleen de Duitser kan vergeven. En dat is een heerlijke deugd, slechts een eigenschap van de edelste zielen. Wie kan tot zijn moordenaar zeggen : vriend, ge hebt mij slecht behandeld, maar ik vergeef het je uit de grond van mijn hart ! Hewel, Robert kan het. Jawel, hij kan het niet slechts, hij doet het ook ! Broeder Alfred, gij die mij schandelijk hebt laten vermoorden, ik vergeef het je en ik zal in alle eeuwigheid geen wraak op jou nemen, al had ik er duizend maal de gelegenheid toe. Ja, gans Duitsland mag het horen : Robert Blum heeft zijn en daarmee ook jouw vijand de wandaad vergeven !

Aah, mijn gemoed is opeens veel lichter. Hmm, ik bewonder zelf mijn grootmoedigheid, dat is een echte verkwikking voor mij. De mythe zegt dat nochtans ook van de grote volksleraar die aan het kruis zijn vijanden al hun wandaden vergaf. Maar in hem woonde zeker ook een echt Duitse ziel, anders had hij nooit zo’n grootsheid van karakter kunnen tonen. Want een dergelijke grootmoedigheid kan nauwelijks een eigenschap van de oosterling zijn. Ja, ja, de grote leraar Jezus was ook een Duitser !”

Bij het noemen van de naam Jezus flitst terug een machtige bliksem van oost naar west en die laat achteraf een lichte blijvende schemering van een eigenaardige grijze klaarte achter. Dat bevreemdt onze Robert zeer omdat hij ondertussen al murw gewacht is op dat maar niet komende onweer.

9. Alle wereldwijsheid is ijdel

Opmerkzaam beschouwt hij de schemerige klaarte en weet niet wat hij ervan moet denken. Na een poosje bezint hij zich, probeert nuchter na te denken en zegt : “Dan zal het toch een onweer geweest zijn; nu, na de derde bliksem beginnen de wolken een beetje klaarder te worden. Maar wat ik niet begrijp : ik zweef hier in de lucht als een vogel zonder iets van steun. Toen het nog donker was kon ik dat als een zinsbegoocheling verklaren, maar nu zie ik dat ik effectief in de ruimte zweef.

Het is duidelijk dat ik nu echt gestorven ben, tenminste in het fysiek lichaam. Want het kan niet zijn dat een fysiek lichaam zo lang vrij in de lucht of de etherruimte kan rondzweven. Maar buiten mij, noch onder noch boven is er niet het minste voorwerp te bekennen. Ik moet mij dus zeer ver van welk hemellichaam dan ook bevinden. Hmm, dat is toch wel eigenaardig.

Ooh Hegel, Strauß, Ronge ! Jullie wijsheid laat mij hier nu geweldig schipbreuk lijden. Waar is nu jullie algemene wereldziel waarin de ziel van de mens zou overgaan na zijn dood ? Waar is nu jullie god die zich in de mens manifesteert en zichzelf bewust wordt ? Ik ben gestorven en ben hier nu in de meest machteloze alleenheid die zich maar laat indenken. Ooh jullie ingebeelde wereldwijzen die het zo goed voor hebben met de mensheid ! Dat het er na de dood zo uitziet, daar hebben jullie niet het minste gedacht van. Kort en goed : jullie hebben mij bedrogen en jullie zullen er nog veel bedriegen. Maar het is jullie vergeven, omdat jullie Duitsers zijt ! Hadden jullie beter geweten, dan zouden jullie het voor ons niet verborgen hebben gehouden. Maar aangezien jullie ’t zelf niet wisten, hebben jullie gegeven wat jullie hadden en dat is op zijn minst redelijk gehandeld ! Spijtig genoeg kan een mens hier niet veel aanvangen met jullie redelijkheid. ( … ) Zelfs al bezat ik nu de wijsheid van een Salomo of de kracht van een Goliath, wat kon ik ermee aanvangen ? Daarom zou het waarlijk nog beter zijn te sterven in het donkerste roomse bijgeloof dat de ziel voortleeft na de dood. Beter dat dan als puriteinse Ronge-aanhanger te geloven dat met de dood alles voorgoed gedaan is. Want daardoor krijgt men natuurlijk geweldige schrik voor de dood. O hemel, liever in deze godverlaten leegte te verkommeren dan nog een keer die verschrikkelijke doodsangst te moeten uitstaan. Nu wordt mij ook duidelijk waarom de grote Meester-leraar Jezus bij zijn leerlingen altijd zoveel nadruk legde op het geloof.”

10. Goede gedachten over Jezus. Het geloof aan de onsterfelijkheid en aan een God der Liefde groeit.

Robert gaat verder : “Deze zo wijze leraar der volkeren werd net zoals ik uit armoedige ouders geboren. Hij moet zichzelf hoogstwaarschijnlijk slechts met veel moeite en ondanks alle mogelijke ontberingen tot op het niveau van de hoogste morele wijsheid gebracht hebben waarbij hij zich nog van de kant van de verstarde Joodse priesterkaste talrijke vervolgingen moest laten welgevallen. Het moet voor Hem enorm zwaar geweest zijn om zich tussen die hardnekkige aanhangers van Mozes en Aäron in wier harten en koppen de grootste duisternis heerste, tot een dergelijke wijsheid op te werken.

Waarschijnlijk is hij ooit als arme sukkelaar met zijn ouders of met een of andere karavaan naar Egypte geraakt en heeft hij daar door Zijn aangeboren talenten de aandacht getrokken van een grote ingewijde. Die zal Hem dan in zijn school opgenomen hebben en ingewijd hebben in de diepste geheimen. Natuurlijk moest dat bij zijn landgenoten de grootste sensatie veroorzaken. Of misschien ging Hij naar de school van de Essenen die toentertijd beschikten over de quintessens van alle wijsheid. Waardoor hij natuurlijk bijna een halve god was in de ogen van die achterlijke Joden, een troost voor de arme mensen, een ergernis voor de hoogmoedige priesterkaste ! Uiteindelijk was hij het slachtoffer van deze met goud en edelstenen versierde tempelbeesten …

Maar, verging het mij misschien beter ? O nee ! Ook ik ben martelaar geworden voor mijn edelste ambities. Ik wilde de mensheid bevrijden van alle slavenketens en mijn loon daarvoor was een snode dood. Er is echt iets duivels met de ganse mensheid : haar grootse weldoeners doodt ze en haar verbetenste vijanden haalt ze in met fakkels en muziek en triomfantelijke optochten. Maar nu ben ik van alles verlost, en wel in de overtuigende wetenschap dat het alle grote volksweldoeners niet beter vergaan is dan mij, die, ondanks mijn goede wil, nog lang geen Jezus ben.”

Bij het noemen van deze naam flitst er terug een machtige bliksem en deze keer zeer rakelings langs Robert. Hij laat nu een soort avondschemering na, zodat in het westen een soort nevelige streek zichtbaar wordt. Onze man kan al een vorm onderscheiden, zonder evenwel zijn vrij zweven in de lucht te zien veranderen.

“Waarlijk hoogst merkwaardig ! Nu passeerde die bliksem rakelings langs mij en toch voelde ik niets tenzij voor de eerste keer een weldoend briesje, ik voel mij buitengewoon versterkt. De sterkere lichtschijn doet mijn hart en ogen des te meer deugd. Ook zie ik daar een landschap en stel ik onmiskenbaar vast dat ik vrij in de lucht zweef. Ik kan goed mijn voeten en handen en mijn kledij, dezelfde die ik droeg toen ik geëxecuteerd werd, onderscheiden. Ooh, wie op aarde zou niet in lachen uitbarsten als men hem vertelde dat de ziel niet alleen met de vroegere mensengestalte, maar zelfs samen met de kleding onsterfelijk is ! De grote Shakespeare had waarlijk gelijk toen hij zei : “Tussen zon en maan gebeuren dingen waarvan de menselijke wijsheid nog niet eens kan dromen.” De onsterfelijkheid van de aardse lichaams-bekleding hoort daar zeker bij. Ik vind het wel eigenaardig dat het telkens bliksemde toen ik de naam van de grote Nazarener noemde ! Zou er dan toch misschien iets waar van zijn, van Zijn goddelijkheid ? Als overjassen onsterfelijk zijn, dan kan er met Jezus – kijk, het bliksemt terug, en nog sterker dan daarvoor ! Zonderling !”


Na nog meer eerbiedige gevoelens t.o.v. Jezus wordt het altijd klaarder en uiteindelijk komt Jezus zelf bij hem, geeft hem uitleg over het hoe en waarom van zijn situatie, en leidt hem op zijn verdere tocht door de geestelijke wereld. Hij ontmoet mensen die kortere of langere tijd in de geestelijke wereld verblijven en één van zijn opdrachten is om minder geëvolueerde zielen verder te helpen om tot de juiste inzichten te komen omtrent de geestelijke oorsprong van de wereld, het doel van de menselijke ontwikkeling, de rol van Jezus Christus. De verdere lectuur van dit tweedelig relaas van het wedervaren van Robert Blum in de geestelijke wereld roept vele vragen op bij de antroposoof. Daar gaan we in het nawoord dieper op in.

Heeft Rudolf Steiner ooit iets over Jakob Lorber gezegd ? Bij ons weten niet. Nochtans heeft hij dit werk over Robert Blum gelezen. Hij vertelt het zelf in GA 236 op blz. 35 :

“Het zal ooit onontbeerlijk worden wanneer men zich wil verdiepen in de menselijke geschiedenis, dat men de mensen die op aarde leven, niet alleen volgt tot hun dood, maar ook hun werkzaamheid na hun dood. Want, wanneer ze op geestelijk gebied iets van belang gepresteerd hebben, dan werken ze na hun dood verder voor de zielen die na hen afdalen naar de aarde. Dergelijke zaken kunnen natuurlijk wat choquerend zijn voor de mensen van nu. Zo herinner ik mij bvb. dat ik eens voor het station van een kleine Duitse universiteitsstad stond in gezelschap van een arts die zich intensief met occultisme bezig hield. Rond ons stonden vele mensen. Tijdens ons gesprek was hij goed op dreef geraakt en in zijn enthousiasme sprak hij op een eerder luide toon zodat vele omstaanders het konden horen : Ik ga u de biografie van Robert Blum schenken, maar die begint pas met zijn dood ! – Men zag aan de omstaanders die het gehoord hadden dat er een kleine consternatie was. Vandaag de dag kan je niet zomaar zonder meer tegen de mensen zeggen : ik schenk je een biografie van een mens die pas met zijn dood begint. Maar behalve deze tweedelige biografie van Robert Blum, die niet met de geboorte maar met zijn dood begint, is er nog maar weinig gebeurd op dit gebied.”

Uit deze passage kunnen we afleiden dat Rudolf Steiner positief stond t.o.v. dit werk, zonder dat hij zich evenwel geroepen voelde om erover uit te wijden.

.

Nawoord – Jakob Lorber en antroposofie

Door François De Wit

Wat de ziel van Robert Blum ervaart in de eerste tijd na haar verblijf op aarde, staat niet in tegenspraak met wat de antroposofie zegt over de ervaring van een atheïstische ziel na de dood. Anderzijds zijn er vele elementen in het verhaal die bij de antroposoof de wenkbrauwen doen fronsen. Maar het is niet omdat iets niét gezegd wordt door de geesteswetenschap dat het daarom onwaar is. Het was Rudolf Steiners taak om de antroposofie uit te bouwen en dat heeft hij gedaan. Het kritisch evalueren van andere geestelijke stromingen beschouwde hij niet als behorende tot zijn opdracht. Daardoor liet hij ons de ruimte om zelf met ons denken aan de slag te gaan. We bekijken even wat Jakob Lorber ongeloofwaardig maakt, en proberen te nuanceren waar het mogelijk lijkt.

1) Het feit dat Jezus (Christus) persoonlijk optreedt als begeleider van de ziel.

Een duidelijk verschil tussen Jezus en Christus wordt er nergens gemaakt bij Lorber. We lezen nergens bij Steiner dat Jezus alle of bepaalde zielen tegemoet treedt. In de bijna-dood-ervaringen wordt evenwel regelmatig gesproken van de nabijheid van een wezen dat een en al liefde is.
Het is bijna onmogelijk om de aanschijn van een zo verheven wezen als de Christus te verdragen, daarvoor zou men zelf al een Serafijn moeten zijn. Het zou dus Meester Jezus kunnen zijn die daar optreedt. Want het meest waarschijnlijke is dat we hogere wezens die ons na de dood benaderen, zien in de voorstelling die we er ons op de aarde van gemaakt hebben. Zo zullen vrome moslims de profeet Mohammed ontmoeten, katholieken misschien Maria en antroposofen, wie weet : Rudolf Steiner ! In een brief aan een leerling schreef deze laatste :
“Het is niet nodig dat het één bepaalde voorstelling van het goddelijke is, waarin we ons verdiepen, het moet een voorstelling zijn waar we echt intiem mee verbonden zijn, dat is voor ieder subjectief. Voor de christen kan het Christus zijn, voor de Hindoe de “meester” (Koet Hoemi of Morya – fdw), voor de moslim kan het “Mohammed” zijn, ja de moderne wetenschapper kan zich zelfs devotioneel verdiepen in de “goddelijke natuur”. Het komt op het devotionele gevoel aan, niet op de voorstelling die men zich van het goddelijke maakt.”

Verduidelijking betreffende de oefening van het zich verdiepen in het eigen goddelijk ideaal (Berlijn, 12 augustus 1904, te lezen in GA 264).

2) Ondanks zijn atheïsme blijkt Robert Blum dan toch een relatief vergevorderde ziel te zijn, Jezus begeleidt hem persoonlijk en hij krijgt zelfs een leeropdracht.

Vele mensen die in hun kindertijd een religieuze opvoeding kregen, hebben zich later afgekeerd van het geloof en zijn zelfverklaarde atheïsten geworden. Uiteindelijk blijkt de atheïstische overtuiging maar een dun laagje te zijn en blijft de religieuze bagage de ziel voeden. We kunnen ons maar moeilijk voorstellen hoe het zieleleven van een echte atheïst eruit ziet, van iemand die nooit tijdens zijn leven ook maar de geringste spirituele begrippen heeft leren kennen, zoals de ongelukkige jongens die Daniel Defoe tegenkwam tijdens zijn grote rondreis door Groot-Brittannië in 1724. Die stonden de ganse dag te vijlen in de werkplaatsen en wisten niet te zeggen wie of wat God was.

“A tour thro' the Whole Island of Great Britain”

Eén dacht te hebben gehoord dat het een oude man met een baard was ! Hoevele zielen uit de laagste klassen hebben niet hun aardeleven doorgebracht, net boven het niveau van de dieren, als een kortdurende strijd om het bestaan, zonder ook maar één hoopgevend lichtstraaltje, zelfs niet fysiek te kunnen ervaren. Dat brengt ons op het volgende punt :

3)We ontmoeten zielen die nog niet eens beseffen dat ze hun aardse dood al achter de rug hebben en die in een soort spiegelwereld verder gaan met het routineleven dat ze ook op de aarde geleid hebben.

Het is goed mogelijk dat zielen die niet de minste geestelijke bagage bezitten in een sfeer zeer dicht bij de aarde blijven, samen met de enige voorstellingen die ze hebben : uitsluitend aardse. Wanneer hogerstaande zielen niet ter hulp komen, dan reïncarneren dergelijke zielen waarschijnlijk relatief vlug.

4) Zielen van roomskatholieke geestelijken worden bijna altijd als onverbeterlijke slechteriken afgeschilderd.

Het is een feit dat Rudolf Steiner dat niet zo expliciet deed, maar, zoals we al zeiden : het was Rudolf Steiners taak om de antroposofie uit te bouwen. Het kritisch evalueren van andere geestelijke stromingen beschouwde hij niet als behorende tot zijn opdracht. Veroordelen was hem al helemaal niet toegestaan. Daarom horen we hem weinig fulmineren tegen de gevestigde godsdiensten. Maar er kunnen gerust verschillende geestelijke stromingen naast elkaar bestaan. De ene stroming bouwt al iets nieuw op (de antroposofie), terwijl de andere stroming (bvb. de christelijke theosofie van Jakob Lorber) een vermolmd instituut nog een extra duwtje geeft, zodat het vlugger instort en plaats maakt voor het nieuwe.
Daarbij zijn er goede redenen om aan te nemen dat zeer vele zogezegd geestelijken in moreel opzicht lager staan en stonden dan de gemiddelde leek.

5) De overledene ontmoet relatief vlug zijn eveneens gestorven vrienden en kennissen.

Volgens wijlen Frans D’Herde (in het artikel in De Brug nr. 4) moet een ziel na de dood volgende stadia doorlopen vooraleer ze in contact komt met haar bekende zielen :
“Na het afleggen van het fysiek lichaam en ether- of levenslichaam, blijft het astraal of zielelichaam nog verenigd met ons hoger Ik. Beiden doorlopen de astrale wereld van de derde hiërarchie …
Pas als alle aardse bindingen uit ons zielelichaam zijn uitgewist, kan ons hoger Ik zich ervan vrijmaken om als zuiver geestelijk wezen op te gaan in de geestelijke wereld van de tweede en de eerste hiërarchie. Daar leven we dan heel lang als geest temidden van andere geestelijke wezens. We ontmoeten er de indrukwekkende goddelijke wezens van de hogere hiërarchieën en ook het niet-geïncarneerde Ik van mensen die we op aarde gekend hebben. Het zijn diegenen waarmee we een lotsverbondenheid hebben opgebouwd, zoals partner, ouders, schoonouders, kinderen en familie, vrienden en kennissen, die ons op aarde zijn voorgegaan. …”

Anderzijds lezen we in de bijna-dood-ervaringen dikwijls van een verwelkoming door reeds overleden familieleden.

6) Alle beschrijvingen zijn zeer aards : Robert Blum heeft kleren en een lichaam en krijgt een huis en een tuin toegewezen.

Het blijkt dan wel dat de kleren en de inrichting van het huis veranderen telkens wanneer de innerlijke ontwikkeling van Robert Blum een stap vooruit gaat. In feite zijn huis en kleren maar beelden van een realiteit. Wanneer het wezen dat Jakob Lorber deed schrijven met die geschriften een zo breed mogelijk publiek wilde bereiken, dan moesten de beschrijvingen noodzakelijkerwijze eenvoudig en aansluitend bij de voorstellingen van de meeste mensen gehouden worden.

7)We lezen niets over een kamalokatijd , het terugzien van het eigen vorige aardeleven.

Dat kan te maken hebben met het volgende. Net zoals het Christuswezen maar werkzaam kon worden binnen een volk en op een tijdstip dat daarvoor voorbereid was, zo zou het ook kunnen dat de antroposofie een voorbereiding nodig had. We zouden de Indisch-geïnspireerde theosofie als wegbereider kunnen zien, maar even goed de christelijke theosofie waar we de geschriften van Lorber mogen bijrekenen. Op een moment dat niemand nog ernstig geloofde aan de traditionele voorstellingen van het hiernamaals wegens de ongeloofwaardigheid van de vertegenwoordigers, het al te grote verschil tussen hun woorden en hun daden,werd met Lorber een overtuigend en aanschouwelijk perspectief geschapen dat wellicht de bodem voor de antroposofie klaarmaakte.

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

* .

Oude en jonge zielen

Door Lieven Debrouwere

In een vorig artikel – ‘Ratzinger: engel of duivel?’ (De Brug 59) – heb ik aan de hand van een concreet voorbeeld het thema van de oude en jonge zielen aangekaart. Ik wil nu een kort overzicht geven van wat Rudolf Steiner zegt over dit voor de antroposofische beweging zo cruciale onderscheid.

De mens is in meer dan één opzicht een tweeslachtig wezen. Hij is niet alleen man of vrouw, hij is ook een oude of een jonge ziel. Het eerste onderscheid is ons welbekend, van het tweede weten we nagenoeg niets, en dat is wel jammer want het gaat een heel stuk dieper. In onze incarnaties zijn we afwisselend man en vrouw, maar hoe vaak we ook incarneren, we blijven een oude of een jonge ziel. We nemen dat onderscheid mee doorheen al onze levens, als de onveranderlijke grondtoon van ons individuele bestaan. Die grondtoon is ‘gezet’ in oeroude tijden en hij is nog altijd niet uitgestorven, integendeel. Het onderscheid tussen oude en jonge zielen is actueler dan ooit. Iedereen die lang genoeg getrouwd is, weet: een man blijft altijd een man, en een vrouw blijft altijd een vrouw. Gelukkig maar. Want hoewel de scheiding der geslachten zorgt voor eindeloze misverstanden, ruzies en verdriet, is ze ook een onuitputtelijke bron van vreugde, vruchtbaarheid en liefde. Geen zinnig mens zou ze willen missen. Dat geldt ook voor ‘de scheiding der zielen’. Bij een eerste kennismaking wekt ze vaak weerstand op, want we willen ons niet in hokjes laten stoppen. Maar wanneer we dieper op de zaak ingaan, blijkt het zielenthema als een Russische roman te zijn: het duurt een tijdje voor je er ‘in’ komt, maar daarna laat het je niet meer los.

Eén van de redenen waarom dit onderwerp op nogal wat verzet stuit, is het waardeoordeel dat er onwillekeurig mee verbonden wordt. Oude zielen worden beschouwd als wijze volwassenen en jonge zielen als domme piepkuikens, of omgekeerd, als respectievelijk ouwe sokken en frisse jongelingen. Deze gevoelsmatige associaties zijn niet helemaal van grond ontbloot, maar ze berusten toch vooral op onwetendheid. Oude en jonge zielen zijn namelijk … precies even oud. De aanduiding ‘oud en jong’ slaat alleen op het aantal aardelevens. Oude zielen hebben er heel wat meer doorgemaakt, want jonge zielen zijn lange tijd niet (op aarde) geïncarneerd geweest.

De oertijd

Hun wegen gingen uiteen in wat je de tijd van de Grote Scheidingen zou kunnen noemen: de scheiding van aarde en maan, de scheiding der geslachten, de scheiding van leven en dood, de scheiding van oude en jonge zielen. Het waren dramatische tijden, en de levensomstandigheden op aarde waren – ten gevolge van de toenemende verharding van onze planeet – zo moeilijk geworden dat slechts een relatief klein aantal zielen erin slaagde om nog te incarneren. Ze worden sindsdien ‘oude’ zielen genoemd. De grote meerderheid nam de wijk naar andere planeten van ons zonnestelsel en wachtte daar betere tijden af: de zogenaamde ‘jonge’ zielen.

Pas veel later – we spreken hier over kosmische tijdperioden – kwamen hun wegen weer samen en leefden beide zielengroepen op aarde. Het is moeilijk om ons een voorstelling te maken van de gebeurtenissen in die oeroude tijden, maar één ding is zeker: ze moeten een diepe en blijvende indruk gemaakt hebben, want ze speelden zich af in de prille kinderjaren van de mensheid. Ze hebben vooral een diepe stempel gedrukt op de oude zielen, want die hebben hun ‘kindertijd’ doorgebracht in dramatische, om niet te zeggen traumatiserende omstandigheden. De jonge zielen daarentegen bleven van al dat kosmische geweld gespaard, ze hadden er zelfs geen weet van.

De twee Jezuskinderen

Die zeer verschillende ervaringen vinden we, als in een notedop samengevat, in de geboorteverhalen uit het Nieuwe Testament. De Jezus waar het Mattheusevangelie over bericht was de oude ziel bij uitstek: hij droeg het hele verleden van de mensheid in gecondenseerde vorm – als wijsheid – met zich mee. De Jezus uit het Lucasevangelie was dan weer de allerjongste ziel van de mensheid, een ziel die nooit eerder geïncarneerd was geweest en nog helemaal omhuld werd door de betoverende sfeer van de hemel. Hij had zich nog geen Ik kunnen vormen, terwijl het Ik van de andere Jezus in de loop van vele levens volkomen rijp was geworden.

De oudere Jezus werd geboren in een voornaam huis en was bekleed met koninklijke waardigheid. Vele tekenen wezen erop dat hij de langverwachte Messias was, onder meer de hulde die hem werd gebracht door de ‘drie koningen’, de vertegenwoordigers van de grote culturen uit de oudheid. Herodes, de vertegenwoordiger van de grote Romeinse cultuur uit het heden, beschouwde het pasgeboren koningskind echter als een politieke rivaal en hij gaf opdracht tot de kindermoord. Jezus kon daar op het nippertje aan ontsnappen doordat het gezin vluchtte naar Egypte, waar het kind opgroeide tussen de resten van een roemrijk verleden.

Wat een verschil met de jonge Jezusziel! Ver weg van het rumoer en de pracht van de grote wereld, werd hij geboren in een donkere stal, omringd door dieren. Alles rond hem ademde diepe rust en eenvoud. Hoewel er nauwelijks een armoediger begin denkbaar is – in plaats van koningen waren het herders die hem eer kwamen bewijzen – stond de hemel met al zijn engelen peet bij de geboorte van de jonge Jezus. Daarna keerde het gezin in alle stilte terug naar Nazareth, waar het kind opgroeide in de paradijselijke natuur van Galilea. Het hoedde de schapen en hielp zijn vader bij het timmerwerk. Jezus werd een ambachtsman, iemand die zijn brood met zijn handen verdient.

Toen het gezin met de oudere Jezus terugkeerde uit Egypte, vestigde het zich eveneens in Nazareth. Het moet voor deze ontwikkelde en vooraanstaande mensen niet gemakkelijk zijn geweest om zich aan te passen aan het zeer eenvoudige bestaan in Galilea, ver weg van Jeruzalem en zijn tempel. Hun leven was danig door elkaar geschud: eerst werd de potentiële Messias bij hen geboren, dan ontsnapten ze op het nippertje aan de kindermoord, vervolgens leefden ze jaren in de vergane glorie van Egypte, om daarna te gaan wonen in een verafgelegen dorp. En alsof het allemaal nog niet genoeg was, stierf ten slotte ook nog eens het kind dat al hun verwachtingen belichaamde.

Bij het gezin van de jongere Jezus is van die heftige dramatiek niets te merken. Het waren eenvoudige en vrome mensen die geen luxe gewend waren en ver van de drukte van de stad leefden. Het feit dat ze hun kind in een stal ter wereld moesten brengen, zegt alles over hun nederige bestaan. Uiterlijk gezien gebeurde er – buiten de geboorte van hun kind – niet veel bijzonders in hun leven. Het volgde gewoon de gang der seizoenen. Daar kwam echter een eind aan toen de jongen twaalf jaar oud werd en het Ik van de andere Jezus op hem overging. Toen veranderde alles. De innige sfeer van de jonge ziel werd vermengd met de dramatiek van de oude ziel.

De joden en de Romeinen

Het zijn niet alleen de twee Jezuskinderen waarin we de tegenstelling tussen de oude en de jonge zielen herkennen. We herkennen ze ook in de twee volkeren die tegenover elkaar staan in dit mensheidsdrama: het joodse en het Romeinse volk. Alleen al de verhoudingen zijn sprekend: de joden (die meer dan enig ander volk de oude-zielensfeer belichamen) leefden ergens in een verre uithoek van het immense Romeinse Rijk (dat als geen ander de jonge zielensfeer vertegenwoordigde). Zo introvert en op zichzelf gericht als de joden leefden, zo extravert en expansief waren de Romeinen. Het is in dit extreme spanningsveld dat Christus zijn missie volbrengt.

Heel de bewogen geschiedenis van het jodendom was gericht op één enkel mens: de Messias. Het joodse volk was ‘uitverkoren’ om als baarmoeder te dienen voor deze ene godmens. Daartoe sloot het zich af van de rest van de wereld. Het weigerde de heidense goden te aanbidden en leefde strikt volgens zijn eigen wetten. Deze gerichtheid op één enkel wezen herkennen we in de oude zielen, die van oudsher verbonden waren met de Zonnemysteriën, waarin de ‘voorchristelijke’ Christus werd vereerd. De jonge ‘heidense’ zielen waren verbonden met de Mercuriusmysteriën, De Venusmysteriën, de Jupitermysteriën enzovoort, al naargelang van de planeet waar ze tijdens hun afwezigheid op aarde verbleven hadden.

Toen Christus de aarde naderde verloren de mysteriën hun glans, en dat werd door de oude zielen beleefd als een langzaam voortschrijdende zonsverduistering. Ze konden uiteindelijk nog maar één ding doen: verlangen naar de terugkeer van hun ‘geestelijke’ zon. De oude zielen waren er dan ook toe voorbestemd in Jezus de zonnegod te herkennen die ze altijd al vereerd hadden. Maar hoewel ze zich instinctief sterk aangetrokken voelden tot het christendom – ze waren ‘heidendom-moe’ geworden zoals Steiner het noemt – konden ze het verband niet leggen tussen hun kosmische zonnegod en de eenvoudige man uit Nazareth. Het Emmausgangerssyndroom zeg maar.

Dat onvermogen zien we voorafgespiegeld in het tragische lot van de joden, die hun langverwachte Messias niet herkenden en hem zelfs ter dood lieten brengen. De directe oorzaak van hun blindheid was het gebeuren in de tempel, toen het Ik van de oude Jezus overging op de jonge Jezus. Dat werd door de joden niet waargenomen. Het was voor hen trouwens ondenkbaar dat de Messias de erfopvolging zou doorbreken. En toch kwam met het offer van de oude Jezusziel een eind aan het Oude Verbond. De weg naar een Nieuw Verbond was vrijgemaakt. De Messias zou (naar afkomst) geen koninklijke jood zijn, maar een eenvoudige handarbeider uit een afgelegen dorp.

Het was Pilatus, een ‘jonge’ Romeinse ziel, die deed wat de ‘oude’ joodse zielen niet konden: hij erkende Christus als de koning der joden. Deze laatsten reageerden daarop door te verklaren dat zij geen andere koning erkenden dan de Romeinse keizer. Wat zich hier afspeelt in het paleis van Pilatus is een demonische karikatuur van wat er in de tempel van Jeruzalem gebeurde: de overgang van oud naar nieuw. De joden geven hun Messias op, de Romeinen erkennen een nieuwe koning. Geen van beiden geven ze zich rekenschap van hun woorden. Ze spreken de waarheid, maar ze doen het onbewust, als in trance, met als gevolg dat hun koning aan het kruis wordt geslagen.

De tragiek van de oude zielen staat hier tegenover de tragiek van de jonge zielen. De eersten beseffen niet dat ze spirituele zelfmoord plegen. Ze breken met hun verleden en verloochenen daardoor hun eigen zonnegod. De laatsten beseffen niet dat ze iemand als koning erkennen die hun hele wereldrijk van binnenuit zal hervormen, iemand wiens rijk ‘niet van deze wereld is’. De vervolgingen waaraan de christenen blootstaan in het oude Rome en die een reactie zijn van de nog heidense jonge-zielenwereld, kunnen de ‘installatie’ van deze vreemde nieuwe koning niet verhinderen: drie eeuwen later wordt het christendom door de Romeinse keizer tot staatsgodsdienst uitgeroepen.

Kerk en ketters

Hoe kwamen de heidense Romeinen ertoe om Christus als hun enige God te erkennen? Eenvoudig: uit politieke overwegingen. Terwijl bij de joden alles ondergeschikt was aan hun religie, was bij de Romeinen alles ondergeschikt aan hun machtsstreven. De nieuwe christelijke god bleek levenskrachtiger dan de oude heidense goden, en dus werd hij ingehaald. De jonge zielen zagen trouwens niet veel verschil tussen bijvoorbeeld Mithras en Christus: het waren in hun ogen allebei helden die hun vijanden overwonnen. Hun jeugdige enthousiasme voor de heidense goden ging gewoon over op de christelijke god: hij was immers de sterkste.

De oude en jonge zielen komen als christenen voor het eerst tegenover elkaar te staan tijdens de eerste grote kerkscheuring: de aanhangers van bisschop Arius raken slaags met de aanhangers van bisschop Athanasius. Arius maakt in zijn theologie een wezensonderscheid tussen Vader en Zoon, en beklemtoont de menselijkheid van Jezus. Daarmee spreekt hij vooral de jonge zielen aan. Athanasius beklemtoont de wezensgelijkheid tussen Vader en Zoon, en daarmee ook de goddelijkheid van Christus. Dat spreekt vooral de oude zielen aan, wier visie na een lange en hevige strijd het pleit wint en uitgeroepen wordt tot de officiële, kerkelijke leer.

In hun volgende – middeleeuwse – incarnatie raken de oude en jonge zielen opnieuw slaags. De kerk is rijk en machtig geworden, en daar komt verzet tegen, vooral van de zijde van de oude zielen, die als ketters openlijk botsen met het pauselijk gezag. Het bekendst zijn de katharen, wier invloed, met name in Zuid-Frankrijk, zo groot was dat ze een reële bedreiging vormden voor de kerk. Die greep dan ook drastisch in. De beruchte kruistocht tegen de Albigenzen was de militaire voortzetting van de geestelijke confrontatie tussen beide zielengroepen. De ketterbestrijders, met name de dominicanen en de franciscanen, waren immers vooral jonge zielen.

Nochtans waren de kloosterorden een poging om oude en jonge zielen met elkaar te verbinden. Ora et labora was het devies van hun stichter Benedictus: bid en werk! Op een geniale manier had hij de contemplatieve houding van de oude zielen verbonden met de actieve houding van de jonge zielen. Maar dat vergde een voortdurende geestelijke strijd, die helaas niet altijd geestelijk bleef, zoals de bloedige kettervervolgingen bewijzen. Die geestelijke strijd leverde echter ook prachtige vruchten op, want de kloosters waren een brandpunt van cultuur en speelden een cruciale rol bij het ontstaan van de Europese beschaving, die de wereld zou veroveren.

Het loont de moeite om even stil te staan bij de katharen, niet alleen omdat ze de grondstemming van de oude zielen zo duidelijk illustreren, maar ook omdat ze ons een idee geven van de diepe controverse tussen beide zielengroepen. De katharen – het woord ‘ketter’ is ervan afgeleid – waren de geestelijke erfgenamen van de ‘woestijnheiligen’, de asceten uit de eerste eeuwen van het christendom die uit weerzin voor de decadentie van het laat-Romeinse Rijk de eenzaamheid in trokken om hun leven te wijden aan de geest. Hoe extreem hun houding ook was – denken we maar aan de ‘pilaarheiligen’ – hun voorbeeld kon op ruime instemming rekenen.

De katharen – de parfaits noemde men hen – stonden hoog in aanzien bij de bevolking. Door hun wijsheid en onberispelijk gedrag waren ze een levend protest tegen de weelderige en soms liederlijke levenswandel van de kerk en haar bedienaars. Niets kon hun morele gezag aantasten, ook niet de bekeringspogingen van de – eveneens ascetische – bedelmonniken. Toch heeft de ‘zuivere’ levenshouding van de katharen in onze ogen iets ziekelijks, want in hun wereldafwijzing gingen ze behoorlijk ver. Ze waren helemaal vervuld van de strijd tussen goed en kwaad: alles wat van deze wereld is vonden ze zondig en het goede zochten ze alleen in de andere wereld.

Hoe vreemd het ons vandaag ook in de oren moge klinken, onze moderne sexuele vrijheid hebben we te danken aan de kerk en haar vechtlustige jonge zielen. Als de katharen het pleit hadden gewonnen, dan zou alles wat het lichaam aangaat vandaag aan de strengste wetten zijn onderworpen. En daar mogen we ook de hersenen toe rekenen. Onze op intellectueel hersendenken gebaseerde cultuur zou er zonder de fanatieke strijd van de kerk tegen de katharen nooit zijn gekomen. De ontwikkeling van de bewustzijnsziel, de Verlichting, de hoge vlucht van de wetenschappen: het zou allemaal geblokkeerd zijn geworden door het strenge ascetisme van de oude zielen en hun volgelingen.

Michaël verzamelt de zijnen

Beide zielengroepen, die elkaar in hun middeleeuwse incarnatie vaak zo heftig bestreden hadden, scharen zich voor het eerst rond een gemeenschappelijk ideaal in het leven na de dood. Ze treffen elkaar in de bovenzinnelijke Michaëlschool waar ze – gedurende drie eeuwen – onderwezen worden in het mysterieverleden van de mensheid. Alle losse puzzelstukjes worden nu samengevoegd tot een groots en omvattend beeld. Vooral voor de oude zielen die het spoor compleet bijster waren, betekent deze geestelijke scholing een immense opluchting. Ze begrijpen nu waarom de mysteriën moesten uitdoven en waar ze hun zonnegod kunnen terugvinden.

Want niet alleen het centrale wezen dat in de mysteriën werd vereerd – Christus – moest sterven en verrijzen, ook het mysterieweten moest door de dood heen gaan. Dit weten – de door Michaël beheerde kosmische intelligentie – moest afdalen naar de aarde en tot het persoonlijke bezit van de mens worden. Dat wil zeggen, het moest verankerd worden in de materie, in de hersenen. Het moest ‘sterven’ tot rationeel denken. Met behulp van dit ‘geïncarneerde’ kosmische denken, moet het Ik van de mens – dat hij door de menswording van Christus verworven heeft – zich bewust worden van zichzelf én van het grote mensheids-Ik, Christus zelf.

Dat is de grote, wereldhistorische ‘omkering’ die in de Michaëlschool onderwezen werd: niet alleen Christus zelf is mens geworden, maar ook het weten omtrent Christus. Anders gezegd: de mens is – ongeveer vanaf de middeleeuwen – zelf beginnen denken. Voordien dacht de kosmos nog in hem, maar nu geeft Michaël dat kosmische denken in handen van de mens, die het herleidt tot dode abstracte begrippen. We zien dat gebeuren in de middeleeuwse scholastiek: een schitterend denken, maar ‘droog als stro’, zoals Thomas van Aquino het zelf uitdrukte. Met dit droog stro kan de mens nu echter het vuur van het individuele denken aansteken.

Voor de oude zielen is dit een tegelijk schokkend en verlossend inzicht, want ze hebben zich altijd tot het uiterste verzet tegen dit sterven van de kosmische intelligentie. Als geen ander zagen ze hoe doods en schraal het verstandelijke denken van de jonge zielen was. Vergeleken bij hun eigen, nog relatief levende, waarneming van de komische intelligentie was het niet meer dan een leeg schijn-denken, waar ze de grootste afkeer voor voelden. Met al zijn theologische theorieën tastte het in het duister over het ware wezen van de geest. Maar nu zagen ze in dat de toekomst – als een zaadje – verscholen lag in dat dorre denken waar de jonge zielen zo enthousiast over waren.

Hoe dat zaadje een boom werd, kregen ze te zien in het tweede luik van de Michaëlschool: de Michaëlcultus die zich aan het begin van de 19e eeuw voltrok. In grootse imaginaties beleefden beide zielengroepen hoe de toekomst er zou uitzien. Dit keer waren het vooral de jonge zielen die aan hun trekken kwamen. Het grootse panorama van het verleden zoals het hen in de Michaëlschool werd voorgehouden, had hen wel geboeid, maar omdat ze veel van dat verleden niet zelf meegemaakt hadden – wegens afwezig op aarde – raakte het hen niet zo diep als de oude zielen. Wat hen echter des te dieper raakte was de blik in de toekomst: die deed het vuur van de wil hoog in hen oplaaien.

De antroposofische beweging

Toen beide zielengroepen daarna weer incarneerden, vonden ze elkaar mondjesmaat in de antroposofie. Aanvankelijk waren het vooral de oude zielen bij wie Rudolf Steiner gehoor vond. Wat hij vertelde, riep bij hen diepe maar vage herinneringen wakker. Later, toen de tijd van de grote initiatieven aanbrak en er vernieuwingen werden doorgevoerd op het gebied van onderwijs, geneeskunde, landbouw, economie en maatschappij, verschenen de jonge zielen op het toneel met de hun eigen geestdrift en daadkracht. De introverte, esoterische sfeer die de antroposofische beweging in de begintijd gekenmerkt had, veranderde nu drastisch en werd naar buiten gericht, op de wereld.

De spanningen tussen beide zielengroepen – die voor het eerst in hun bestaan echt moesten samenwerken – liepen opnieuw hoog op. De oude zielen ervoeren de intocht van de jonge gladiatoren als een olifant die een porseleinwinkel binnenstapt. De jonge zielen begrepen dan weer niet waar die oude zielen zich zo druk over maakten. De oude zielen waren vaak ook letterlijk oud en verkeerden niet zelden in goeden doen. De jonge zielen daarentegen kwamen van de slagvelden van de eerste wereldoorlog en werden gedreven door bittere (innerlijke) noodzaak. Ze brachten een heel andere stemming mee dan het vurige maar onbestemde verlangen van de oude zielen.

Hoe groot de harmoniserende kracht was waarmee Rudolf Steiner optrad als bemiddelaar tussen beide zielengroepen bleek onmiddellijk na zijn dood. Er brak toen namelijk een felle ruzie uit tussen Marie von Sivers en Ita Wegman, de boegbeelden van respectievelijk de oude en de jonge zielen. De aanleiding was banaal – de plaats die de urne met de assen van Steiner moest krijgen – maar de twist breidde zich stap voor stap uit over de hele beweging, die uiteindelijk lam werd gelegd. Eén en ander leidde tot de uitsluitingen van 1935 waarbij vooraanstaande antroposofen – waaronder Ita Wegman – als ketters werden aangeklaagd en uit de vereniging gezet.

De wonde die de antroposofische beweging toen opliep, was weliswaar niet bloederig, en het waren dit keer vooral jonge zielen (of hun leiders) die als ketters werden gebrandmerkt, maar de hele zaak roept toch herinneringen op aan de eerste kerkscheuring en aan de kruistocht tegen de katharen. Ze vormt in zekere zin een herhaling van wat beide zielengroepen in hun vorige incarnaties hadden meegemaakt. De dramatische gebeurtenissen – die weldra overschaduwd werden door het uitbreken van de tweede wereldoorlog – maken duidelijk dat de nieuwe samenwerking tussen oude en jonge zielen er niet zonder slag of stoot zou komen.

De platonici en de aristotelici

Toch is die samenwerking uitermate belangrijk. Volgens Steiner hangt niets minder dan het voortbestaan van de beschaving ervan af. Het is natuurlijk niet realistisch om te verwachten dat de oeroude tegenstelling op zo korte termijn zou kunnen overbrugd worden. Steiner spreekt hier dan ook over de samenwerking tussen de platonici en de aristotelici, de elitetroepen van beide zielenstromingen zeg maar. Reeds in de middeleeuwen waren ze tot een vorm van samenwerking gekomen, zij het over de grens tussen dood en leven heen. Pas op het eind van de twintigste eeuw zijn ze samen op aarde om daar een beslissende doorbraak te forceren.

Deze twee groepen zijn genoemd naar Plato en Aristoteles, de Griekse filosofen die het hele Westerse denken beheersen. De eerste – een oude ziel – was bepalend tot ongeveer 1000 jaar na Christus, de tweede – een jonge ziel – inspireerde het volgende millennium. De laatste (na)bloei van het platonisme vinden we in de school van Chartres, met Alanus ab Insulis als bekendste naam. Toen de leraren van deze school het leven na de dood betraden, gaven ze de fakkel door aan de aristotelici die, met Thomas van Aquino als leider, klaar stonden om het nog kosmische denken naar de aarde te brengen en aan de menselijke hersenen te binden.

Pas toen die opdracht volbracht was, konden de platonici weer afdalen om samen met de aristotelici de spiritualisering van het aards geworden denken ter hand nemen. Ofschoon beide zielengroepen in de geest reeds samengewerkt hadden, moesten dat nu voor het eerst op aarde doen. Daarvoor moesten ze elkaar vinden in de schoot van de antroposofische beweging. Aan het begin van de twintigste eeuw was die beweging overwegend aristotelisch en had ze tot taak de komst van de platonici aan het eind van die zelfde eeuw voor te bereiden en mogelijk te maken. Hun ontmoeting moest een nieuwe wind door de antroposofische wereld doen waaien.

Deze nieuwe ‘wind’ is het Michaëlische streven om het denken uit handen van Ahriman te redden. Michaël wil de menselijke intelligentie weer verbinden met de geest. Maar dat kan hij niet zonder de mens, die immers meester is geworden over het denken en wiens vrijheid hij moet respecteren. Dus moet hij de mens ertoe bewegen het kille abstracte denken weer te doordringen met de warmte van het hart. De vrome overgave aan de geest (van de oude zielen) moet gecombineerd worden met het rationele doordringen in de materie (van de jonge zielen). Stap voor stap moet de mens weer leren denken met zijn hart, zonder er evenwel zijn hoofd bij te verliezen.

Die ommekeer kan alleen bewerkstelligd worden wanneer platonici en aristotelici hun krachten bundelen en een brug slaan tussen het geïnspireerde denken in beelden van de eersten en het logische denken in begrippen van de laatsten. De kloof is echter diep. Zonder strijd kan hij niet overbrugd worden. Toen Michaël aan het eind van de 19e eeuw tijdgeest werd, brak de strijd met de draak los. Sindsdien wordt de hele wereld meegesleurd in een enorme maalstroom. Maar hoe gewelddadig de uiterlijke gebeurtenissen ook zijn, het centrum van al die beroering is een geestelijke strijd: de strijd om het menselijke denken.

De strijd om het denken

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw treedt die geestelijke strijd duidelijker dan ooit aan het licht: het denken zelf wordt nu aangevallen. Dat gebeurt door middel van abstracte begrippen die eerst worden losgemaakt van de aardse werkelijkheid en vervolgens verbonden met sterke emoties. Het is niet moeilijk om daarin een karikatuur te zien van de spiritualisering van het denken. Ahriman maakt zich met andere woorden meester van het Michaëlische streven van de moderne mens. Hij roept iedereen op tot de strijd met het kwaad, maar projecteert die – geestelijke – strijd in de materie en maakt er aldus een strijd tussen mensen van.

Als gevolg van deze ‘omgekeerde’ strijd tegen de draak staan overal mensen en groepen van mensen tegen elkaar op en beschouwen elkaar als het vleesgeworden kwaad. Wie aandachtig kijkt, ziet daarbij telkens weer hetzelfde patroon opduiken: een oude-zielenwereld staat tegenover een jonge-zielenwereld. Ahriman doet er alles aan opdat deze oer-tegenstelling niet tot het bewustzijn van de moderne mens zou doordringen en op geestelijk vlak uitgevochten worden. Want die strijd zou hem ontmaskeren. Zolang hij echter op materieel vlak – dat wil zeggen onbewust – uitgevochten wordt, hoeft Ahriman zich geen zorgen te maken.

Tegen de achtergrond van de huidige gebeurtenissen krijgt de kwestie van de oude en de jonge zielen wel een heel dringende bijklank. Moeten wij ons dan werkelijk gaan afvragen bij welke groep we behoren, vroeg Rudolf Steiner in 1924. Hij gaf daar een heel duidelijk antwoord op: we moeten vanzelfsprekend, in ieder geval over deze dingen nadenken, ook al doet het pijn. Want, voegde hij eraan toe, we kunnen wel veel over karma en reïncarnatie praten, maar pas als het in het eigen vlees snijdt, als we moeten bepalen tot welke groep we behoren, komen we dichter bij ons eigen wezen. We passen de theorie dan op het leven toe, en dat is waar het in de antroposofie om gaat.

Onderscheid maken tussen oude en jonge zielen is inderdaad geen academische kwestie. Het is ‘een intensieve toepassing op het leven’ die de inzet vergt van de hele mens en niet alleen een beroep doet op zijn denkvermogen, maar ook – en vooral – op zijn moed. Wie deze weg inslaat – en volgens Steiner hoort iedere antroposoof dat te doen – gaat de confrontatie aan met zichzelf en komt stap voor stap dichter bij de ‘wonde’ waar hij in het diepst van zijn wezen aan lijdt. Want we zijn allemaal oude of jonge zielen, ‘halve’ zielen dus, die pas geheeld zullen worden wanneer we erin slagen de brug te slaan naar onze wederhelft.

Nergens wellicht wordt deze Michaëlische opgave duidelijker verbeeld dan in de ontmoeting tussen Parsifal (de jonge ziel) en de Visserkoning (de oude ziel). De zieke koning kan alleen genezen worden door de jonge Parsifal, maar voor één keer volgt die keurig de hofetiquette en verzuimt daardoor zijn hart te laten spreken en de vraag te stellen die de koning moet verlossen uit zijn lijden. Vandaag herhaalt deze geschiedenis zich. Wij antroposofen bevinden ons in de graalburcht, en net als Parsifal verzuimen we de verlossende vraag te stellen naar de ‘wonde’ van de antroposofische beweging: de kloof tussen oude en jonge zielen.

In bovenstaande beschouwingen heb ik geprobeerd de geesteswetenschappelijke achtergronden van het onderscheid tussen oude en jonge zielen zo bondig mogelijk samen te vatten. Wie er meer over wil lezen, verwijs ik naar de karmavoordrachten van Rudolf Steiner, vooral dan naar de 33ste (uit Karmaonderzoek 3), en naar het standaardwerk van Hans Peter van Manen ‘Christussucher und Michaeldiener’, aan de vertaling waarvan ik momenteel de laatste hand leg. In een derde luik wil ik volgende keer een poging wagen om een antwoord te geven op de vraag: ‘hoe kom ik erachter of ik een oude dan wel een jonge ziel ben?’

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

* .

Luciferisch verleden, ahrimanische toekomst

Door François De Wit

De leesgroep antroposofie te Oostende nodigde ons uit om op 15 juni 2008 een voordracht te houden.
Over dit onderwerp kon u vroeger al lezen in Brug 5 (een artikel door wijlen Frans D’Herde) en Brug 45 (in het artikel over België). Omdat we spraken voor mensen die de basisbegrippen van de antroposofie al kenden, was het niet nodig om het wezen van Lucifer en Ahriman te karakteriseren. Over deze twee tegenmachten kon u ook al lezen in De Brug nr. 4.
Onderstaande tekst werd achteraf geschreven en is geen exacte weergave van de voordracht. De grote lijnen hebben we behouden maar bepaalde aspecten zijn beter uitgewerkt.

Voor ons onderwerp is het niet nodig om de ontwikkeling van de mens en de wereld te overlopen vanaf de oude Saturnus. Daarvoor kunnen we verwijzen naar “De Wetenschap van de Geheimen der Ziel”.
We laten ons verhaal niet al te ver in het verleden beginnen, op de Aarde ten tijde van Hyperborea, toen de mens nog leefde in het tijdperk dat in de mythologieën het Gouden Tijdperk of het Paradijs genoemd wordt. Het gaat hier om

het verleden van de mens vóór het optreden van Lucifer
De mens had toen niet hetzelfde bewustzijn als nu, zijn waarneming van de hem omringende wereld verschilde zeer veel van de wakkerheid waarmee hij nu in de wereld kijkt. Zijn bewustzijn verschilde niet veel van dat van de (zoog)dieren van nu. Proberen we ons daar eens een voorstelling van te vormen. We nemen als voorbeeld een hond. Wat neemt de hond waar en welk bewustzijn heeft hij daarbij ?
We weten dat de meeste dieren slecht zien. Ten eerste hebben ze geen dieptezicht wanneer hun ogen opzij van hun kop staan zoals bij een paard of een konijn. Ten tweede zien ze geen kleur. Daardoor is bvb. een antiloop met zijn vlekjes en strepen tussen de struiken zo goed als onzichtbaar voor een leeuw. Dan hebben ze in vergelijking met de mens een overontwikkeld reukzintuig. Stellen we ons nu even een mens voor die in een school werkt. Hij heeft een hond, het beest ontsnapt en gaat op zoek naar zijn baas, hij komt aan de schoolpoort. Op de speelplaats bevinden zich een honderdtal kinderen samen met enkele volwassenen, waaronder zijn baas. De hond kan niet de gezichten onderscheiden, het verschil tussen kinderen en volwassenen “ziet” hij ook niet. Voor zijn geestesoog, beter gezegd zijn zieleoog, verschijnt een groot reukpanorama van misschien 200 reuklijnen in allerlei grijstinten, en één daarvan ervaart hij als lichtend en warm : het reukspoor van zijn baas. Aan het eind van dat spoor ervaart hij een wezen dat hem zo sympathiek is dat hij er volledig in opgaat.

Een mooie illustratie hiervan vinden we bij Maurice Maeterlinck (1862-1949). In het toneel “De Blauwe Vogel”, een sprookjestoneel uit 1909, krijgen dieren en voorwerpen plots het vermogen om te spreken. In de tekenfilms van Walt Disney zien we dat ook, maar daar worden de personages gewoon karikaturen van mensen, terwijl Maeterlinck zeer goed het innerlijk beleven van ieder wezen kan typeren in slechts enkele regels :

(Het personage van) de Hond springt dadelijk op Tyltyl toe, die hij heftig omhelst en met luidruchtige en onstuimige liefkozingen overstelpt.

HOND (huilend, springend, tegen alles aanstotend, onverdraaglijk) : “Mijn kleine god ! Dag ! Dag, mijn kleine god ! Eindelijk, eindelijk kan ik spreken ! Ik had je zoveel te zeggen ! Wat ik ook blafte en met de staart kwispelde, je begreep me niet ! Maar nu! Dag ! Dag ! Ik hou van je ! Ik hou van je ! Wil je dat ik iets verbazends doe ? Wil je dat ik opzit ? Wil je dat ik op de voorpoten loop of touwtje spring ?”

Op dezelfde manier “zag” de mens in een ver verleden zijn omgeving wazig en vaag, maar als hem een wezen tegemoet kwam voelde hij in zijn innerlijk direct of het vijandig of welwillend was. Dat soort direct contact tussen wezens zien we nu nog bij de dieren. In natuurdocumentaires laat men soms een kudde zebra’s zien, er loopt een leeuw tussen en de dieren blijven grazen, ze weten ergens dat de leeuw niet hongerig is. Op een ander moment nadert dezelfde leeuw de kudde en alle dieren slaan op de vlucht. Ergens vangen ze signalen op.

Voor een deel kunnen we dat toeschrijven aan de gevoeligere zintuigen, ze zouden bvb. de reuk van de hongerige leeuw opvangen, maar dan nog : zintuigen kunnen zo gevoelig zijn dat ze informatie uit een hogere sfeer opvangen. In feite is het volgen van een geestelijke scholing niet meer dan dat : het ontwikkelen van de geestelijke zintuigen.

Wanneer dieren op de vlucht slaan in een gebied waar een aardbeving op komst is, dan is dat voor een deel te verklaren omdat ze misschien beter dan wij bepaalde trillingen al aanvoelen. Maar hoe verklaar je dan het onrustig gedrag van een hond op dag dat zijn baas, na een afwezigheid van drie weken, naar huis gaat komen ? Die hond kan onmogelijk een fysieke trilling waarnemen van een auto die zich op 300 km van het huis bevindt.

Dit vermogen om op een boven-fysiek niveau waar te nemen bezitten sommige mensenwezens ook nu nog. In De Brug 15 publiceerden we een verhaal van Maurits Sabbe, over een moeder die op een bepaalde dag zeker weet dat haar zoon, die in de vreemde dienst doet in het leger, omgekomen is. In noodsituaties schijnen moeders nu nog het signaal van hun kinderen op te vangen. Net zoals ze in noodsituaties ook over ongekende fysieke krachten kunnen beschikken. Er zijn gevallen bekend dat een moeder haar kind dat levensgevaarlijk geklemd zit onder een auto, bevrijdt door de wagen op te lichten!

Zo moeten we ons dus de algemene bewustzijnstoestand van de mens in het Paradijs voorstellen : er is geen duidelijke grens tussen hemzelf en de wereld, noch fysiek, noch mentaal. In het begin leefde hij daar fysiek als een soort kwalachtig wezen in een gelachtige zee. Later kwam er een meer fysieke begrenzing, maar de mentale symbiotische toestand met andere mensen en geestelijke wezens bleef nog lang bestaan. Zo begrijpen we dus het beeld van Adam en Eva die in het Paradijs met God (en later ook met de slang) konden praten.

Dat deze paradijselijke toestand niet eeuwig kon blijven bestaan, heeft te maken met het ontwikkelingsplan dat voor de mens uitgetekend was. De wezens van de hoogste hiërarchieën staan zo dicht bij God dat ze niet anders kunnen dan de plannen van de goddelijke voorzienigheid uitvoeren. Ze kennen geen liefde omdat ze geen vrijheid hebben om anders te handelen dan in overeenstemming met de goddelijke wil. Om bewust in vrijheid de keuze voor liefde te kunnen maken is er (mentale) afstand nodig van het goddelijk wezen. De mens is voorbestemd om het wezen te worden dat ondanks de afstand, in vrijheid de liefde ontwikkelt.

Vergelijken we even met de mensenkinderen. Een kind ziet zijn moeder graag, dat is automatisch en vanzelfsprekend en dat is een zalig gevoel voor beiden. Maar welke ontwikkelingsmogelijkheden zitten daar in voor het kind ? Leert het omgaan met de tekortkomingen van de ander ? Nee, want het neemt die gewoon niet waar : mama is perfect ! Mama regelt zijn leven, mama zorgt voor alles, mama vangt op wat hij fout mocht doen.
Het leven is zo ingericht dat aan deze toestand geleidelijk aan een einde komt, ter wille van de ontwikkeling van het kind. Zo moest het ook met de mensheid gebeuren : de mens moest uit de schoot der goden losgemaakt worden. Dat had een geleidelijke ontwikkeling moeten worden, zodat de mens samen met zijn nieuwe vaardigheden ook een rijpheid zou verkrijgen om met die vaardigheden om te gaan.
Door de tussenkomst van het wezen dat we Lucifer noemen kreeg de mens een bepaald vermogen terwijl hij er nog niet rijp voor was. Lucifer plantte hem een stuk zelfbewustzijn in, een stuk egoïteit, waardoor de mens al kon kiezen tussen goed en kwaad terwijl hij daar nog niet rijp voor was.
Lucifer plantte een soort innerlijk vuur in de mens, waardoor die zich bewust werd van zijn belang en zijn waarde in het kosmisch bestel. Het vermogen dat de mens toen kreeg vinden we in het beeld van de toren van Babel : de mens voelt zich sterk genoeg om de hemel te bestormen. Het Luciferische in de mens is dus alles wat hem innerlijk aanwakkert, enthousiasme, eergevoel, ambitie, hoogmoed, zelfoverschatting.

Luciferisch verleden Het ingrijpen van de Luciferische impuls ( het bijten in de appel) maakte dat de mens bewuster werd van zichzelf (“zij zagen dat ze naakt waren”) en dat zijn communicatie met God veranderde, ze bleef niet meer zo direct. God praatte nog met Adam en Eva, ook nog met Kaïn, daarna werd het zeldzamer. Tegelijk stellen we vast dat er al spoedig een differentiatie optrad tussen de mensen. Enerzijds mensen met grotere geestkracht, die nog een directer contact met God en de engelen konden onderhouden en daardoor ook meer open stonden voor Luciferische inspiraties, anderzijds mensen met minder geestkracht, die enerzijds instinctief leefden zoals ten tijde van het Paradijs, maar anderzijds ook stilaan wakkerder werden en met heimwee terugdachten aan de tijd dat ze geleid werden en het leven moeiteloos verliep. Daardoor zien we nu overal op de bewoonde aarde een bepaalde maatschappijvorm optreden, piramidaal ingericht, met een kleine top van mensen die het minst verwijderd zijn van het goddelijke, wat dus in die tijd neerkomt op : het meest openstaan voor de impulsen van Lucifer, die de menselijke zielen verleid heeft om zijn doelen te volgen.

Wat is nu het doel van Lucifer : de mensen naar een bepaald geestelijk niveau leiden. Op zich is dat een edel doel, maar door Lucifer te volgen zouden we ook nooit verder kunnen komen dan het niveau van Lucifer, omdat Lucifer niet wil dat wij ons verbinden met de aarde. Lucifer vindt de aarde, de materie, de andere mens onbelangrijk. “Omhoog, naar het licht, ieder voor zich, dat de beste er eerst moge zijn”, dat is zowat zijn leuze.

Deze impuls vinden we terug in de vroegste maatschappijvormen. Dus als hoogste klasse een soort geestelijke stand, in Indië bvb. de Brahmanen. Daar vinden we al een neiging tot ascetisme, het zich niet willen verbinden met de aarde. Onder de kaste van de geestelijke leiders vinden we de leiders van de fysieke gemeenschap, die de betreffende gemeenschap een plaats moeten garanderen onder de andere volkeren, de kaste der krijgers zouden we kunnen zeggen.
We zien in de manier van oorlogvoeren het geweldig belang van de persoonlijke moed, van de eer en oneer, liever dood dan in gevangenschap. Nog maar 2000 jaar geleden vochten in het gebied van de Lage Landen vele Germaanse stammen tot de laatste man tegen de Romeinse belagers. Leonidas die met zijn 300 Spartanen de Perzen staande hield, dat was voor de kleine Spartaanse gemeenschap een verlies dat hun bestaan als groep bedreigde, maar liever dat dan de schande van het hazepad te kiezen.

Wat hiermee samenhangt is een levendig ontstaan en vergaan van volkeren. Nemen we een atlas van de klassieke oudheid dan vinden we daar honderden volkeren die ondertussen al lang uitgestorven zijn. Het lijkt erop alsof, telkens een groep mensen in een of andere vallei een tijdje samenleeft, er zich een engelwezen als volksziel mee verbindt en deze groep een eigen gezicht geeft. Even gemakkelijk verlaat die groepsziel die mensengemeenschap waardoor die in een andere groep opgaat of, na een conflict, uitgeroeid wordt.
De wereld is nog groot genoeg, niemand is verplicht om overeen te komen met zijn medemens. Gaat het te moeilijk : schud het stof van je voeten en zoek andere oorden op. Gemeenschappen splitsen zich even gemakkelijk als ze gevormd worden.

( ... ) Wij (moeten) bedenken, dat bij elke stichting Lucifer meewerkt.
'Lucifer put nieuwe hoop uit elke nieuwe stichting' (GA 130/1962/311), en ware het slechts, omdat mensen aan het werk zijn, die het beter willen doen dan anderen.
'Overal waar mensen zich afscheiden,
Is de akker voor mijn macht geploegd.
(Lucifer in “Die Prüfung der Seele”, GA 14).
Voor het enthousiasme en de kracht, die de Lichtdrager verleent, behoeft men niet terug te schrikken. Anders zou niets van de grond komen en zou men ten prooi vallen aan de verstarring van Ahriman.
( in : Dieter Brüll, “De sociale impuls van de antroposofie”, voetnoot op blz. 210)

Er zijn uitwijkmogelijkheden genoeg en scrupules t.o.v. van andere groepen bestaan niet. De eigen groep primeert en discrimineert zonder moeite, ook binnen de eigen groep : de betere, sterkere, bekwamere t.o.v. de fysiek of mentaal zwakkere.
De sterkere hecht niet al te veel waarde aan zijn eigen leven, en dat maakt dat hij ook aan het leven van de ander niet te veel waarde toeschrijft. Er is nog het sterk geloof in een hiernamaals, het eigen wezen wordt als onsterfelijk ervaren, waarom zou men ook bang moeten zijn voor het fysieke (schijn)einde ?

Op deze manier, door zijn moed en eergevoel vervult de mens zijn rol in de ontwikkeling die door de geestelijke wereld gestuurd wordt. Oorlogvoeren is nog zinvol, zelfs een karmische kans. Duizenden krijgers hebben zich doodgevochten om Europa, dat de plek moest worden waar de individuele vrijheid zou kunnen ontwikkelen, vrij te houden van Oosterse strevingen en het Oosterse element dat het individuele gering acht en de groep, de clan, de familie op de eerste plaats stelt. We zien dat in Griekenland waar de Perzen tegengehouden worden; we zien dat in Poitiers waar de Moren een Waterloo beleefden; we zien dat bij Wenen en Lepanto, waar de Turken in het zand beten. Ook de Hunnen en Mongolen konden zich in Europa niet handhaven. In de Luciferische periode van de mensheidsgeschiedenis had ieder volk zijn eigen nationale godheden. Het waren in feite de engel- en aartsengelwezens die als volksziel fungeerden, die als opperwezen aanbeden werden. Alleen de ingewijden binnen iedere volk wisten dat er een soort universeel Zonnewezen stond aan te komen.
De kennis die vanuit de mysteriën gebruikt werd om het maatschappelijk leven te ordenen, werd mondeling doorgegeven. Aangezien men aanvoelde dat de mensheid zich altijd meer van het goddelijke verwijderde, stond men wantrouwig tegenover al wat het autonome menselijke denken voortbracht. Denk maar aan de weerstand die het plan van Oddysseus opriep toen hij Troje met een list (bedacht door het menselijk vernuft) wilde overwinnen in plaats van met de eerlijke strijd van leger tegen leger. Tradities en voorouders staan hoog in aanzien, juist omdat ze iets bewaren en doorgeven vanuit het Gouden Tijdperk toen de mens zo dicht bij de goden stond. In het Oosten overheerst deze denkwijze nog altijd en daarom mogen we het Oosten in deze tijd ook Luciferisch noemen.
De kennis van de tradities, van de cultuur, die mondeling doorgegeven werd, werd bewaard in het geheugen. In die oude tijden was het geheugen fenomenaal in vergelijking met onze tijd. Een laatkomer als Homeros schreef de Ilias en de Oddysea neer vanuit zijn geheugen. De Kalevala werd door ontelbare generaties volksbarden mondeling doorgegeven. Nu nog is het in het Oosten niet ongewoon dat gelovigen de volledige Koran uit het hoofd kennen.
Door het sterk ontwikkeld geheugen wordt het gebrek aan eigen denkkracht opgevangen : voor iedere nieuwe situatie zocht men naar een precedent : hoe hebben onze voorouders dit opgelost ?

Ahrimanische toekomst Maar de tijd gaat verder en de afstand tot de goddelijke wereld vergroot. Van het Gouden Tijdperk waar de mensheid nog leefde als het ware in de schoot der goden, kwam het zilveren, bronzen, en ten slotte ijzeren tijdperk.
De piramidale structuur van de maatschappij bleef bestaan, maar waar vroeger koningen-ingewijden aan de top stonden, kwamen aan die top nu mensen die niet méér inspiraties van de godenwereld kregen dan hun onderdanen, dikwijls zelfs minder. Het tijdperk van Ahriman breekt aan. Want de mensen aan de top waren niet zo eerlijk om toe te geven dat ze in feite niet meer bekwaam waren om een natie of een volk te leiden. Maar de bevolking begint het te vermoeden. Nu is het ogenblik aangebroken waarop er geregeerd wordt met misleiding en bedrog en leugen om een maatschappijstructuur in stand te houden die uit de tijd is. We zien nu enerzijds een openlijk streven naar republicanisme en democratie en anderzijds een reële macht die zich verbergt. Vele mensen geloven nu dat de hoogste elites van de vrijmetselaars erop uit zijn om onze wereld terug te brengen tot een kopie van het oude Egypte, waarvoor de piramide symbool staat : een zeer kleine elite aan de top, daaronder een sub-elite van handlangers en bestuurders, en daaronder het slavenvolk. Ze wijzen erop dat het symbool van een piramide met daarop het alziend oog (Big Brother) overal terug te vinden is in de moderne wereld. Wij zouden hierin de inspiratie van Ahriman kunnen herkennen.
Een nieuwe uitdaging voor de mens : bepaalde elites willen hem vastkluisteren in een structuur die voor de derde cultuurperiode geschikt was. Maar het ligt in de lijn van de ontwikkeling dat de mens zich meer en meer losmaakt uit de grotere verbanden waar hij tot hiertoe deel uitmaakte (wat in de antroposofie de sociologische basiswet genoemd wordt). Het is de bedoeling dat de mens vrij en bewust vorm geeft aan zijn leven en zelf kiest in welke verbanden hij op welke manier kan leven. Daarvoor kan hij nu niet meer een beroep doen op goddelijke vingerwijzingen, hij moet het zelf doen, met zijn combinerend verstand, met zijn eigen intelligentie, zijn denken.

En zoals Lucifer de mens voor zijn kar kan spannen door in te spelen op zijn eerzucht, zijn hoogmoed, zijn ambitie, zo kan Ahriman nu de mens in zijn macht krijgen door valse logica, door schijnargumenten, door leugens. De mens begon met zijn verstand religieuze documenten als de bijbel te bestuderen die geschreven zijn en begrepen moeten worden met een hogere wijsheid. Wanneer men ze benadert met “common sense”, dan staan ze vol tegenstrijdigheden en verliezen ze hun morele kracht. En waar de Luciferische mens nog een innerlijk vertrouwen bezat zoals een kind dat heeft dat zich veilig voelt in zijn gezin en familie en vanuit die zekerheid vlug overmoedig wordt, zo wordt de mens in de Ahrimanische tijd onzeker en bang : hij is alleen op aarde (denkt hij) en zijn denken is feilbaar.
En een derde punt : doordat Lucifer de Aarde en het aardse in feite minacht, is de Luciferische mens met weinig tevreden wat betreft materiële behoeften. Met Ahriman is dat anders : de mens voelt zich niet meer geborgen, hij weet niet meer van het bestaan van een geestelijke wereld, zijn levens-perspectief beperkt zich tot één leven en dat doet de materiële behoeften quasi tot in het oneindige stijgen.
Intelligentie, leugens, angst en materialisme, dat zijn de kernwoorden voor onze tijd en voor de toekomst.


Waarom dit symbool op de Amerikaanse dollar ?

Het is niet zo dat op een bepaald ogenblik de Luciferische impuls opdroogt en de Ahrimanische begint. We zien reeds in een ver verleden het werkzaam worden van Ahriman. Telkens de mens een beroep doet op zijn eigen snuggerheid, zoals in het geval van Odysseus, en telkens hij iets uitvindt dat hem vrij maakt van de wetmatigheden van de natuur, van het weer, van de seizoenen. Europa in de Middeleeuwen schijnt de eerste maatschappijvorm te hebben ontwikkeld waar de economie steunde op niet-menselijke kracht, waar deze daarvoor (en in het Oosten nog lange tijd daarna) steunde op de ruggen van slaven en koelies. In Engeland waren er in 1086 al 5624 watermolens (1 per 50 huishoudens) en die werden gebruikt zowel om graan te malen als water te pompen, om ijzer te walsen, om leer te bewerken en zijde te spinnen.

Zie bvb. : http://www.alanmacfarlane.com/TEXTS/ZIMAN.pdf

In het Oosten daarentegen had men een uitgesproken afkeer van machines. In Japan wilde men zelfs geen kruiwagens gebruiken : aarde werd door de mensen in manden getransporteerd. Bekend is de anekdote van de oude Chinees die zijn veld irrigeerde door telkens een emmer water uit een kanaal te putten en uit te gieten. Toen iemand hem erop wees dat men gemakkelijk een wiel met schepraderen kon construeren om dit werk voor hem te doen, antwoordde hij : “Eerst gebruik je een machine, daarna denk je als een machine, en op ’t einde word je een machine !”
Die man voelde goed aan welke gevaren de Ahrimanische impuls meebrengt : ons mens-zijn, of beter nog, ons menselijk-zijn, wordt inderdaad bedreigd op een manier zoals dat met Lucifer niet mogelijk was.

Technieken die in het Oosten bekend of zelfs ontdekt waren, werden in het Westen vanaf de Middeleeuwen effectief gebruikt. Op een korte tijd zijn er uitvindingen gedaan die een mechanisering van de arbeid mogelijk maakten. Daarin kunnen we niet anders dan Ahrimanische inspiraties in de goede zin zien want ze konden de mens vrij maken van moeizame arbeid. In theorie hadden de mensen hun arbeidsdag kunnen verkorten en meer tijd aan hun eigen spirituele ontwikkeling kunnen besteden naarmate de machines meer werk overnamen. Dat is om verschillende redenen niet gebeurd. We noemen er twee.
- Men bleef loon koppelen aan arbeid, terwijl het totaal onmogelijk is om af te lijnen welke opbrengst verwezenlijkt is met welke arbeid : in onze eigen prestaties zitten al vele voorbereidende prestaties van anderen of van vorige generaties. De mens blijft aldus schijnbaar werken voor zijn eigen inkomen, maar de opbrengst wordt voor het grootste deel door de staat ingepalmd. - Ahriman slaagde erin om de focus van de mens af te leiden naar de aarde, om de zin van het leven uitsluitend in de aardse sfeer te zoeken. Daardoor stegen de materiële behoeften en zo willen de meesten nu nog altijd evenveel blijven werken om ipods, gsm’s, laptops, SUV’s, jaccuzzi’s en andere zaken te produceren die levensnoodzakelijk geacht worden.

Een andere werking van Ahriman zien we in de geschiedenis telkens de mens probeert een orde te creëren. Aldus zouden we als eerste tekenen van de werkzaamheid van Ahriman de wetgeving van Hamoerabi kunnen zien, of de wet van de Joden, en zeker het Romeinse recht.
'In het menselijke samenleven haat Lucifer niets zozeer als alles, wat op enigerlei wijze naar wet ruikt' , lezen we in GA 184 (blz. 169). En zo verwondert het niet dat volgens de Tao Te Ching het streefdoel van een goede regering moet zijn om zo weinig mogelijk wetten uit te vaardigen.
Omgekeerd doet Ahriman niets liever dan controleren en beheersen. Sinds de 20ste eeuw zien we in het Westen een toenemende reglementering en een voortdurend streven om ook de kleinste details van het menselijk samenleven door wetten en decreten te beheersen. De totalitaire systemen van het bolsjevisme en het nationaal-socialisme schijnen slechts vingeroefeningen te zijn geweest, want tegenwoordig is het voormalige zgn. Vrije Westen compleet gebolsjeviseerd : de staat plundert de eigen burgers, bepaalt wat er in de scholen moet geleerd worden, verlamt een groot deel van de economie en laat de andere helft toe om de basis van ons fysiek bestaan te vernietigen.

Reeds in 1881 dichtte Guido Gezelle (op het einde van de fabel van de puit die zichzelf opblies) :
“Zo doet de staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,
hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij; het Recht, ’t is hij; ’t belangen,
van mens en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t al meteen, dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen,
zal wenden en doen gaan ! Dan, elk verwondert :
het springt een bliksem en … de god ligt afgedonderd !”

Dit zijn de eerste stappen in de richting van Ahrimans ideaal : het organiseren van de mensheid in één grote werkmierenstaat die alleen maar leeft om zijn fysiek bestaan zo comfortabel mogelijk in te richten en zo lang mogelijk te rekken. De aanzet tot deze ontwikkeling werd in het Westen het duidelijkst werkzaam sinds de Middeleeuwen, met het ontstaan van de steden, het einde van het feodalisme.
De landheer of ridder deelde met de agrarische gemeenschap die hij beschermde en door wiens arbeid hij leefde, nog grotendeels dezelfde waarden : gehechtheid aan de bodem, bloedsbanden hoog achten, eergevoel, afkeer van het intellectuele en van handel drijven. Sindsdien is het omgekeerde van deze waarden modern geworden, en dat zal nog toenemen.
Gemeenschappen worden systematisch afgebroken en ontwricht door een ongelimiteerde immigratie in de tot hiertoe cultuurdragende naties. Economieën en valuta worden ontwricht door speculanten , eigenaars en beheerders van immense kapitalen. Psychologen en sociologen helpen regeringen en bedrijven om het denken en voelen en willen van burgers en consumenten te sturen.

De volgende eeuwen zal deze ontwikkeling zich waarschijnlijk doorzetten totdat op het hoogtepunt van de totale chaos, Ahriman zelf incarneert en zich opwerpt als de grote redder der mensheid.
Tegen dan zouden voldoende mensen bewust de Christus-impuls moeten hebben opgenomen om de confrontatie aan te gaan. Daarom is de antroposofie in de wereld gekomen.
Dat klinkt misschien aanmatigend maar het is alleen de antroposofie die de ideeën kan aanreiken over hoe de maatschappij een vorm kan krijgen die aangepast is aan het ontwikkelingsniveau van de huidige mensheid. Want “het opnemen van de Christus-impuls” betekent niet dat men in iedere zin het woord Jezus of Christus in de mond neemt. Het betekent dat men zich bewust wordt van de asociale en antisociale krachten die nu van nature werken in de mens, en dat men vanuit dit inzicht aan de maatschappij probeert een vorm te geven die het uitleven van die krachten onmogelijk maakt.
Daarmee verlaten we de Ahrimanische toekomst en zijn we aanbeland bij de sociale driegeleding : het inzicht dat de drie grote gebieden van het maatschappelijk leven elk hun eigen werkingsgebied en principes hebben. Zeer kort samengevat zijn het de leuzen van de Franse revolutie : vrijheid , gelijkheid en broederlijkheid.
Daar moeten we het later nog eens over hebben.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*



Terug naar het thuisblad

*

*

*

*

*