Inhoudstafel van De Brug 45 ( september 2004)

Waarom Brussel, waarom BelgiŽ - nawoord

Het geweten

De Kerk als beheerster van het geweten

Dr. Hauschka




Beste Lezer,

Door FranÁois De Wit.

De twaalfde jaargang van dit tijdschrift begint met een poging om een stukje geschiedenis te begrijpen aan de hand van symptomen die wijzen op de werking van verborgen krachten. Bij Rudolf Steiner heet dat "geschichtliche Symptomatologie". Daarover zei hij zelf dat men met die methode niet restloos alles kan verklaren, men moet altijd een stuk openlaten. Maar zelfs dan kan men volledig de bal misslaan wanneer men niet Rudolf Steiner is of Sergej Prokofjef. We laten het aan de lezer over om te oordelen over onze interpretatie. Wat er ook van zij, door zich te verdiepen in de werking van de moderne staten wordt men geconfronteerd met een gebied van weinig schoonheid, om het zacht uit te drukken, en dat kan ons soms zwaarmoedig maken. Maar het kwade en het lelijke heeft nu eenmaal een plaats in deze wereld gekregen, en het heeft geen zin om dat te bestrijden. Voor ons is het belangrijker om initiatieven in de wereld te stellen die een tegengewicht vormen voor al het ogenschijnlijk negatieve. En terwijl we daar mee bezig zijn is het goed om af en toe eens wat schoonheid te zoeken bij een medemens die daarvoor een talent heeft, zoals bvb.
Erich Fried :

Het is onzin,
zegt de rede.
Het is wat het is,
zegt de liefde.
Het is ongeluk,
zegt de berekening
. Het is niets anders dan pijn,
zegt de angst.
Het is uitzichtloos,
zegt het inzicht.
Het is wat het is,
zegt de liefde.
Het is belachelijk,
zegt de trots.
Het is lichtzinnig,
zegt de voorzichtigheid.
Het is onmogelijk,
zegt de ervaring.
Het is wat het is,
zegt de liefde.

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Waarom Brussel, waarom BelgiŽ ? - nawoord

Door FranÁois De Wit

Drie maand geleden publiceerden we het artikel van Fjodor Koezmitsj over BelgiŽ. Het nawoord dat we voorzien hadden, was te lang geworden om het ook nog in Brug 44 af te drukken en daarom krijgt het nu een plaats in deze Brug.

Volgens Koezmitsj moeten we de oprichting van de Belgische staat zien als een zet van duistere Westerse (Angelsaksische) broederschappen die hun eigen machtspositie willen behouden ten koste van de voorziene reguliere ontwikkeling van de mensheid.
Onze voornaamste kritiek op het artikel is dat de vlag de lading niet dekt. De auteur gaat niet systematisch na waarom Brussel uitgekozen werd, waarom BelgiŽ opgericht werd. Hij brengt natuurlijk wel interessante feiten aan, maar in de eerste plaats is zijn artikel een poging om de gebeurtenissen rond de persoon van Leopold III - die hij als mens zeer waardeerde - te kunnen plaatsen.
Deze passage uit het begin van Koezmitsj' artikel toont al direct waar het mank loopt.

" We mogen hier grandioze schaakzetten vermoeden van groeperingen die voor het oog van het publiek mekaar bestrijden, maar die gestuurd worden door een duistere broederschap.
Waarom dus BelgiŽ ?
Daarvoor moeten we teruggaan tot de Spaanse tijd. Willem De Zwijger gelukte het om een einde te maken aan de materiŽle en spirituele bezetting door de JezuÔeten van het noordelijk deel van de Nederlanden. Daardoor ontstond het cultureel vacuŁm tussen Holland, Duitsland en Frankrijk, dat men Vlaanderen en WalloniŽ kan noemen.
Men zou kunnen vermoeden dat de wit-magische vormgevers van het Europese organisme in een spirituele pioniergeest deze geografische vrije ruimte overlieten aan haar eigen ferment.
De Vlaming ontving als schilder en dichter impulsen van scheppingskracht uit Holland en Duitsland, en impulsen van Helleense cultuur uit Frankrijk.
Maar andere "pioniergeesten" streefden naar een zwartmagische vormgeving van het Europese continent, namelijk de vernietiging van het individuele karakter van de Europese mensheid en hun naties. Het eens vruchtbare vrije geestesleven werd gestuit door de gedwongen nivellering. Meer en meer zien we dat iedere individueel-autonome toekomst door het EU-kollektief onmogelijk wordt gemaakt.

Het gelukte Willem De Zwijger inderdaad om het noordelijk deel van de Nederlanden vrij te maken van de materiŽle en spirituele bezetting door de JezuÔeten, maar ontstond daardoor een cultureel vacuŁm tussen Holland, Duitsland en Frankrijk ? Helemaal niet. De Zuidelijke Nederlanden bleven onder Spaans-katholieke knoet.
Ten tweede botst Koezmitsj al direct op een typisch Belgische paradox : " het cultureel vacuŁm dat men Vlaanderen en WalloniŽ kan noemen" zegt hij, en hij gaat verder : "De Vlaming ontving ...." Hij zegt niet "De Belg ...", maar "De Vlaming ..." Daardoor ontkracht hij in feite zijn eerste bewering als zouden Vlaanderen en WalloniŽ een gezamenlijk vacuŁm hebben gevormd.
Ten derde : "Het eens vruchtbare vrije geestesleven werd gestuit door de gedwongen nivellering ..." Dit geldt niet alleen voor Europa, we zien dat hetzelfde zich voordoet in de Verenigde Staten en Canada. Om dit te kunnen verklaren moeten we dus ook wijzen op de werking van Lucifer en Ahriman.

Wij gaan dus achtereenvolgens Brussel, BelgiŽ en de tegenmachten bekijken.

Waarom Brussel ?

Steden worden meestal gesticht op plaatsen waar een bijzondere bodemconfiguratie aanwezig is. In de oerbossen van Europa bouwden monniken hun kluis of een kapel op een dergelijke plaats. Mettertijd kwamen zich daarrond andere mensen vestigen, er ontstond een dorpskern met daarrond de akkers en daar achter het onontgonnen woud. Op andere plaatsen was er eerst een versterkte vesting, en kwam het geestelijke element pas later. Rome bijvoorbeeld groeide op zeven heuvels en werd een zeer aards machtscentrum. Brussel ligt eveneens op zeven heuvels en is flink op weg om een zelfde machtscentrum te worden.

" Er hing steeds een waas van geheimzinnigheid rond Brussel, de stad op het moeras ... Er is die merkwaardige samenloop van omstandigheden waardoor Brussel al haar mededingsters naar de titel van hoofdstad voorbijstak : hoofdplaats van het hertogdom, hoofdstad van de Nederlanden, hoofdstad van BelgiŽ, en nu hoofdstad van Europa.
Vlamingen, Walen en buitenlandse toeristen zijn het er roerend over eens dat Brussel een stad zonder ziel is, maar zelfs geboren Brusselaars hebben last met deze stad en haar paradoxen: de hoofdstad van Europa, waar dorpspolitiek zegeviert; een financieel wereldcentrum, belangrijker dan Tokio of Milaan, dat verdeeld is in 19 meierijen en tientallen dorpen en wijken; een Nederlands-Brabantse stad, die in hoofdzaak Frans spreekt."

Aldus begint Andrť Monteyne zijn boek over de Brusselaars. Andrť Monteyne schrijft met veel liefde over Brussel en kan absoluut niet als in negatieve zin bevooroordeeld worden beschouwd. Daarom is het zo interessant wanneer we bij hem uitlatingen vinden die onze stelling onderbouwen.

Brussel (Broek-sele) ontstond in een moerassig gebied. Moerassen werden van oudsher beschouwd als plaatsen met een negatieve energie. Niet in de mate om mensen lichamelijk ziek te maken - als dat het geval was kon er geen stad ontstaan -, maar voldoende om de fijnere geestelijke energieŽn af te houden. Wie weet voelden de vroegere bewoners niet aan dat ze op de Draak woonden en kozen ze daarom MichaŽl als patroonheilige. De stad is in ieder geval een bolwerk van materialisme. Waar Leuven een universiteit heeft en Mechelen een aartsbisschop, kunnen we Brussel niet anders zien dan een machtscentrum, dat als een geestelijk moeras de beste krachten uit Vlaanderen en WalloniŽ aanzoog en nog aanzuigt. En net zoals helder stromend water in een moeras tot stilstand komt en ziekmakend werkt, zo zouden we ook nu Brussel kunnen zien als een poel die de aardse intelligentie van gans Europa aanzuigt en ten dienste stelt van zeer materialistische doelen. En omdat een parasiet niet kan leven zonder een sterke gastheer, werden in 1830-31 Vlaanderen en WalloniŽ toegevoegd aan Brussel.

Kunnen we in de geschiedenis van de stad Brussel iets vinden dat wijst op een impuls van een tegenmacht ? Die de stad voorbestemt om een antidemocratisch machtscentrum te worden ? We lezen bij Andrť Monteyne over enkele symptomen :

" Typisch is dat deze eerste burgemeester (in 1225), zoals trouwens ook de burggraaf, niet door de burgerij of het volk, maar door de graaf aangesteld was. De traditionele geschiedenis wil dat ook de zeven schepenen in die tijd door de graaf benoemd werden. Hoe dan ook, alles wijst erop dat, van bij het begin, deze stad in wording van handelaars en bemiddelaars instinctmatig haar welvaart nastreeft door zich op te trekken aan de politiek machtigen." (blz. 42)

- Er was reeds vroeg een boekdrukker actief, Thomas Van der Noot, en het eerste boek dat te Brussel uitgegeven werd was ... een kookboek ! (blz. 125)

" De JezuÔeten hadden onmiddellijk na de overgave van Brussel de contrareformatie in handen genomen. Het onderwijs werd krachtig aangepakt en er werden twee colleges gesticht : dat van de JezuÔeten (1597) en dat van de Augustijnen (1601) die bijna twee eeuwen lang de Brusselse intelligentsia zouden opleiden. " (blz. 123)

" De wederopbouw van de Grote Markt (na het bombardement door het Franse leger van Lodewijk XIV in 1695 -fdw) heeft dus een dubbele bodem, wat met name tot uiting komt in de eigenaardige benamingen van de ambachtshuizen, even zovele vlaggen die helemaal niet de inhoud dekken. Wat heeft b.v. het huis 'Den Sack' te maken met het ambacht der meubelmakers ? Of de 'Gulden Boom' met de brouwers ? Of nog 'De Kruiwagen' met de 'vettewaeriŽrs' ?
Voor een paar jaar heeft dr. Leo Peene evenwel het raadsel ontsluierd : de nieuwe Grote Markt zou, vertrekkend van de Boterstraat, de chronologische afbeelding zijn van de zeven bewerkingen van de goudtransmutatie. In hoeverre De Bruyn en zijn opdrachtgevers zich hebben laten leiden door het boek van onze oude bekende Puteanus, die klaarblijkelijk eveneens een adept was van de 'witte wetenschap' , dan wel of zij gewoon voortgebouwd hebben op vroegere thema's is onduidelijk; de tweede veronderstelling wordt nochtans aannemelijk als men weet dat het symbool van de culminerende bewerking, Sint-Michiel (kwikzilver) reeds eeuwen tevoren, in 1454, op de torenspits was gehesen.
Hoe dan ook, de symbolische waarde van de grote Markt is niet volledig onbelangrijk. De alchemie heeft als doelstelling het zoeken naar goud. Voor onbevoegden of onwetenden betekent dit rijkdom en macht, voor de ware adept betekent het echter kennis en wijsheid.
Het is alsof de Brusselaars onbewust door de aanleg van de Grote Markt op een schitterende visuele wijze aan hun diepste wensen uitdrukking hebben gegeven.
De Spaanse bezetting had het streven naar onafhankelijkheid definitief onderdrukt. De Brusselse politici zouden zich voortaan beperken tot het zoeken naar rijkdom en het vechten voor het behoud van voorrechten; zeer zeldzaam zijn voortaan Brusselaars in de lijn van een 'T Serclaes of Locquenghien, die meer waarde hechten aan kennis en vooruitgang; nog zeldzamer zijn politici die hiervoor de steun van de bevolking zouden krijgen." (blz. 133)

"Voor onbevoegden of onwetenden betekent dit rijkdom en macht ..."
Het lijkt erop dat toen al een ontwikkeling in gang gezet werd. Of geschiedde dat al vroeger, zoals de legende verhaalt ? Werd de ziel van de stad al vroeger verkocht ?

In de tijd toen Jan van Ruysbroeck dag en nacht bezig was met de bouw van de toren van het Stadhuis, raakte hij eens door voortdurende geldzorgen zo ontmoedigd, dat hij uitriep dat hij nog liever zijn ziel aan de duivel zou verkopen dan de bouw op te geven. En zie, op hetzelfde moment bood zich een monnik aan, die zei: "Je hebt geld nodig, en dat kan ik je bezorgen, en ik heb een man nodig die mij toegewijd dient. Onderteken dus dit contract en je zult nooit meer geldzorgen kennen. " Jan van Ruysbroeck had natuurlijk door wie hem zo'n aanbod deed, maar hij vond de kwestie zo aanlokkelijk dat hij zei:
" Jij bezorgt me dus de middelen om mijn toren af te werken? Akkoord. Maar er is een bijkomende voorwaarde: ik wil dat hij in het midden van het stadhuis staat." - "Je mag niet het onmogelijke eisen" antwoordde de monnik, " Wat nu al gebouwd is, blijft gebouwd, daar kan zelfs al mijn goud niets aan verhelpen. Maar ik beloof je dat je toren nog hoger zal verrijzen dan in je droom en dat je naam voor eeuwig voort zal blijven leven.
Jan van Ruysbroeck heeft toen het contract ondertekend en zie, de werken aan de toren schoten zo goed op dat er als het ware toverij mee gemoeid was. Toen wilde Jan van Ruysbroeck ook nog de funderingen voor de tweede stadsvleugel aanleggen, hoewel de monnik hem had gewaarschuwd dat de moerassige grond het niet toeliet. De bouwmeester ging er echter koppig mee door, liet zand en ossenhuiden gebruiken om het moeras te dempen, maar hij slaagde er niet in een kolk van modder te overwinnen. Ten einde raad riep hij de hulp van de monnik in, maar die kwam niet meer opdagen. Toen liet Jan van Ruysbroeck alle hoop varen en hij verhing zich aan zijn huisdeur.

We lezen verder bij Andrť Monteyne :

- Karel van Lorreinen trok in 1749 Brussel binnen, toegejuicht als bevrijder. In 1762 stichtte hij de loge 'Saint-Charles', die merkwaardig genoeg, katholiek was. Zijn minister Cobenzl was antiklerikaal, zoals de meeste leidende kringen in Wenen. (blz. 149)

" Cobenzl en Lorreinen hebben ongetwijfeld oprecht getracht Brussel uit zijn intellectuele onderontwikkeling te halen, maar het is zeer de vraag of zij daarin geslaagd zijn.
De stad was immers een culturele woestenij gebleven. De literaire en artistieke bedrijvigheid beperkte zich tot een kleine kring van verfranste Zuidnederlanders, of van buitenlanders, en speelde zich af in een volksvreemde wereld.
Typisch is dat voortaan de voornaamste officiŽle gebeurtenissen van Brussel op het koningsplein plaatsvinden en niet langer meer op de Grote Markt. De 'hoogstad' was aldus plastisch afgescheiden van de 'benedenstad' met de stadsmagistratuur, de handelaars, de industrie, de burgerij en de ambachten, kortom van het echte Brussel.
Er was geen nationale elite, de Arenbergs-, de d'Ursels-, de de Mťrodes waren al even volksvreemd als de Oostenrijkers." (blz. 153)

Dit alles geeft ons het beeld van een stad die bij uitstek geschikt is om als bruggehoofd te dienen voor de plannen van Angelsaksische occulte groeperingen bij het begin van de 19de eeuw :
- qua geestesleven stelt ze niets voor,
- er is geen democratische traditie
- ze is sterk economisch gericht.

De plannen van die groeperingen werden waarschijnlijk doorkruist door een impuls uit Midden-Europa want op het Congres van Wenen in 1815 werd beslist dat de Lage Landen ťťn Nederlandse staat zouden vormen. Dat kwam slecht uit : Brussel kon zijn toekomstige rol niet spelen wanneer de JezuÔeten geen vrij spel hadden, wat onder Hollands bewind onmogelijk was. Slechts 15 jaar waren er nodig om de impuls uit Midden-Europa te neutraliseren en toen werd rond Brussel een schijnbaar onafhankelijke pseudostaat ingericht : BelgiŽ, een gebied bewoond door twee volkeren, Vlamingen en Walen, die niets met elkaar gemeen hadden.

Dit geeft natuurlijk een beeld van BelgiŽ en Brussel waar vele "Belgen" het emotioneel moeilijk mee hebben, ook de Belgische antroposofen. Maar als ze op afstand de ontwikkeling van de antroposofie in BelgiŽ bekijken, wat zien ze dan ? De (eentalig Franse) "Sociťtť Anthroposophique Belge" werd gesticht in Brussel ... op het eerste gezicht Belgisch, maar in feite was het een groepje buitenlanders dat buiten de stad niemand kon bereiken. Toen de antroposofische impuls jaren later vanuit Nederland Vlaanderen bereikte, werd de Vereniging tweetalig. Merkwaardig genoeg is haar naam in 't Nederlands "Antroposofische Vereniging in BelgiŽ" en niet "Belgische Antroposofische Vereniging", m.a.w. de Vlamingen voelden instinctief dat zij een groep vormen in BelgiŽ maar dat ze geen Belgische groep zijn : ze zijn namelijk de Vlaamse groep. Door de tweetaligheid van de Vlamingen blijft de illusie voortleven dat er iets Belgisch bestaat. Maar die illusie verdampt stilaan.

Waarom BelgiŽ ?

" Toen BelgiŽ in 1830-31 ontstond gaf de internationale gemeenschap geen cent voor het overleven van de nieuwe staat. Talleyrand noemde BelgiŽ ' een artificiŽle constructie bestaande uit verschillende volkeren'. Zijn Oostenrijkse collega Dietrichstein zei dat de Belgische nationaliteit 'een politieke poging eerder dan een waarneembare politieke realiteit' was.
Het feit dat deze poging om uit het niets een land te creŽren slaagde, dankte dit artificiŽle land aan de diplomatieke kwaliteiten en politieke handigheden van een enkele man : de Duitser Leopold van Saksen-Coburg.
Metternich zou twee decennia later schrijven dat BelgiŽ weliswaar een miskraam was, maar dat met een vorst als Leopold elk land kan overleven. Hij noemde de Coburger een van de beste diplomaten die hij ooit ontmoet had, zeer gereserveerd, zeer voorzichtig en uitzonderlijk sluw.
Geld bleef een levenslange obsessie.

"Zijn zelfvoldaanheid maakt je moe en zijn hebzucht doet je walgen' zei de liberale leider Lord Charles Greville. De hertog van Wellington, die zich als eerste minister verplicht voelde Leopold soms uit te nodigen, bekende dat hij oervervelend was. We zaten daar met een groep zageventen, schreef prinses Lieven, de vrouw van de Russische ambassadeur in Londen, aan prins Metternich over een van Wellingtons feestjes : 'Leopold werkte mij op de zenuwen met zijn trage manier van spreken en zijn slechte manier van redeneren. Hij is een JezuÔet en een zeur.'

Veel liefde voor zijn nieuwe vaderland had de koning niet ... " BelgiŽ heeft geen nationaliteit en, gezien het karakter van zijn inwoners, kan het er ook nooit een hebben. In feite heeft BelgiŽ geen politieke reden van bestaan", zo vertrouwde Leopold I in 1859 toe aan zijn kabinetschef Jules Van Praet. Aan zijn jongste zoon Filip, graaf van Vlaanderen, zei hij : " Niets houdt het land bij elkaar en het kan niet blijven duren". Leopold haatte de Belgen. " Zij zijn", zo schreef hij aan zijn nichtje, de Britse koningin Victoria, " de meest onuitstaanbare creaturen die er bestaan."

" BelgiŽ bestaat als staat enkel en alleen omwille van zijn koning; het is uitsluitend zijn dynastie die het behoedt voor een onmiddellijk uiteenvallen of misschien zelfs een burgeroorlog", vermaande hij minister van Buitenlandse Zaken, baron d'Anethan. En aan eerste minister Jean-Baptiste Nothomb zei hij : " De dynastie is de rots waarop het politieke bestaan van dit land exclusief is gebaseerd."

Bovenstaande passages ( uit : 'Hoe Coburg de wereld veroverde' van Paul Belien in Secessie van januari/maart 2004) laten ons zien hoe de Belgische staat destijds bekeken werd als een totaal onnatuurlijk maaksel, en welk type mens er aangetrokken werd om over deze "natie" te regeren. Dit zou ook al een bevestiging kunnen zijn van Koezmitsj zijn stelling, namelijk dat BelgiŽ gecreŽerd werd met een langetermijnbedoeling die voor de meeste stervelingen totaal verborgen blijft, zelfs voor diegenen die zich op de hoogste politieke niveaus bewegen, zoals Metternich of Leopold I zelf.

We weten dat het streven van die occulte loges erop gericht is om iedere spirituele impuls van het Midden-Europese geestesleven te onderdrukken. Van daar alleen kan immers het enige maatschappijmodel komen dat beantwoordt aan de noden van de mens in het tijdperk van de bewustzijnsziel. Maar dit model, de sociale driegeleding, zou een einde maken aan de machtspositie van Westerse elites. Een vrij geestesleven is een gruwel voor de JezuÔeten (en tegenwoordig Opus Dei) en een ander, menselijker, economisch bestel is evenzeer een gruwel voor de Westerse elites.

Sergej Prokofjef wijst in dit verband op de rol van BelgiŽ als voorpost van de werking van die geheime broederschappen (in "Die geistigen Quellen Osteuropas"): het bolsjewisme is in Brussel ontstaan : de tweede partijdag van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij werd door Lenin voorbereid in 1903, begon in Brussel en eindigde in Londen. Door een interne breuk ontstond toen het bolsjewisme als onafhankelijke ideologische stroming. De derde en vijfde partijdag gingen door in Londen.
Op dezelfde plaats herinnert hij aan de uitlating van Rudolf Steiner over BelgiŽ Het gaat om de passage in GA 167, blz. 104, die we in de vorige Brug al aanhaalden :

"Bedenkt u eens wat men kan bewerkstelligen wanneer men beschikt over een dergelijk apparaat. Op een bijzonder efficiŽnte wijze is daarmee gewerkt, door terzelfdertijd zowel JezuÔeten als Vrijmetselaars in beweging te zetten, zonder dat noch de JezuÔeten, noch de Vrijmetselaars het zelf in de gaten hadden, in een bepaald land dat zo ongeveer in het Noordwesten van Europa ligt, tussen Holland en Frankrijk. Van daar waren bijzonder sterke werkingen uitgegaan, niet in de allerlaatste tijd, maar doorheen lange periodes, die zich zowel van de ene als van de andere stroming bedienden en die velerlei hebben kunnen bewerkstelligen."

Een klein voorbeeld uit de Belgische na-oorlogse geschiedenis. Een auteur waarvan we mogen aannemen dat hij nooit een letter van Rudolf Steiners inzichten heeft gelezen, merkt op :

" Maar om Leopold III te doen toegeven en hem ertoe aan te zetten zijn bevoegdheden aan zijn zoon over te dragen, waren alle middelen goed.
Als men ze niet in ťťn klap gebruikte was dit omdat het groot-kapitaal, door de koningskwestie soms op een laag pitje te laten aanslepen, dan weer zeer fel te doen opflakkeren, over een vervolgroman beschikte die een enorme uitwerking had op de massa.
Die dacht er geen ogenblik aan om, zoals in Frankrijk, de nationalisatie van de ondernemingen te eisen. Wat de linkse partijen nodig achtten was eerst en alleen de troonsafstand van Leopold III.
Onschatbaar waren de diensten die de koningskwestie aan de geldaristocratie leverde ...
Dat is zo waar zelfs dat toen de koningskwestie nog maar nauwelijks opgelost was, men iets anders moest vinden om de linksen af te leiden van hun economische doelstellingen.
En men vond de schoolstrijd uit, die, op een voor de geldaristocratie eens te meer onschuldig terrein, de driften, de passies en de eisen van de marxisten verplaatste.
Dezen vielen zo zwaar in de valstrikken van de koningskwestie en de schoolstrijd dat men uiteindelijk in geheime samenzweringen zou gaan geloven tussen zekere linkse leiders en enkele Macchiavelli-achtige figuren van de geldaristocratie.
Ik ben er niet bang voor gelogenstraft te worden als ik schrijf dat de relaties uitstekend waren tussen de meest verwoede anti-leopoldisten (= links) en de rijkste trust-magnaten."
( Jo Gerard in "Leopold III zweeg, wij spreken", All-Books, 1983, blz. 34)

In 'De Wetenschap van de geheimen der ziel' legt Rudolf Steiner uit hoe de verschillende hiŽrarchieŽn samenwerken om de ontwikkeling van en op de aarde te sturen. We mogen aannemen dat de tegenmachten eveneens op verschillende niveaus samenwerken om hun doelen te bereiken. En er zijn mensen genoeg die vanuit hun aanleg of karakter graag meewerken aan het bereiken van die doelen.
Een zeer kleine minderheid maakt een bewuste keuze en heeft ook weet van de doelstellingen op lange termijn. Voor het overgrote deel van de handlangers geldt zeker wat George Orwell schrijft (in "The Road to Wigan Pier" - 1937) :

"Men hoort soms zeggen dat dit alles een uitgekiend complot is van de heersende klasse om de mensen in toom te houden. Wat ik gezien heb van onze heersende klasse laat mij niet toe om te besluiten dat die zo intelligent zou zijn."

Rudolf Steiner wees er al op dat er tegenwoordig in de politiek een selectie van de slechtsten plaatsvindt. Een man met karakter en beginselvastheid wordt al heel laag in de hiŽrarchie ontdekt en uitgeschakeld (meestal stapt hij er zelf al vroeg uit).
Daardoor vinden we op de belangrijkste posten mensen die open staan voor de invloed van een wezen dat het niet goed voor heeft met de mensheid. Dit gegeven kunnen we maar begrijpen en verklaren wanneer we ons perspectief wat ruimer nemen. Dan komen we terecht bij een geschiedkundige realiteit waar vroeger al in De Brug over geschreven werd :

.

Luciferisch verleden, Ahrimanische toekomst

Luciferisch verleden


De bedoeling van het menselijk bestaan op aarde is o.m. het verwerven van vrijheid, dus de mogelijkheid hebben om te kunnen kiezen tussen goed en kwaad. Dit zou een heel geleidelijk proces zijn geweest had Lucifer niet ingegrepen in de normale ontwikkeling. Door de tussenkomst van Lucifer werd de mens zich bewust van zijn Ik-kracht, maar tegelijk kreeg hij de Ik-zucht of egoÔsme mee.
Vanaf dat ogenblik zien we een wisselwerking tussen de wezens die de mens zijn uiteindelijk goddelijk doel willen laten bereiken (MichaŽl) en de wezens die de mens voor zichzelf willen inpalmen : Lucifer en Ahriman.

Het verleden van de mens is Luciferisch gekleurd, d.w.z. dat de loop der gebeurtenissen beÔnvloed werd doordat mensen toegaven aan Luciferische karaktertrekken als eerzucht, ijdelheid, zelfzucht, hoogmoed.

De mens maakt zich geleidelijk los uit de grote verbanden waarin zijn ontwikkeling plaatsvond : ras, volk, familie. In het verleden bestond er een grote volksverbondenheid. In de oude beschavingen zagen we aan de top een ingewijde, die in contact stond met de geestelijke wereld. Van daar kreeg die bepaalde impulsen die doorheen de verschillende sociale geledingen (bvb. priesterkaste) hun weg vonden tot de 'gewone' bevolking. Die had een natuurlijke eerbied en ontzag voor de hogergeplaatsten omdat die effectief betere individuen waren dan zijzelf.
Naarmate de mensheid verwijderd geraakte van de geestelijke wereld (toen de mens ook niet meer in zijn dromen een glimp van het geestelijke kon opvangen) verstarde die maatschappijvorm en werd erfelijk : er kwamen individuen aan het hoofd van de natie te staan dikwijls zonder enige kwaliteit, alleen omdat ze de zoon van hun vader waren.
De Europese geschiedenis zien we dus beginnen met verschillende volkeren, van nature gehecht aan hun eigen koningshuis en aristocratie.

Het luciferisch mensentype

wordt de laatste 2000 jaar langzamerhand verdrongen door het ahrimanische type. We lezen bij Caesar met welk een bezieling de NerviŽrs tot de laatste man vochten tegen de Romeinen. Qua individuele moed stonden ze hoger dan de gemiddelde Romein, maar de Romeinen vochten met meer techniek, in bepaalde tactische opstellingen, dus meer met het koude berekende verstand. En ze wonnen. Nog in de laatste wereldoorlog valt het op hoe ridderlijk de Duitsers streden, vergeleken met de Amerikanen ( Dat de propaganda erin geslaagd is dit beeld om te keren illustreert nog maar eens de geweldige mogelijkheden van de occulte groeperingen). Om wat dichter bij BelgiŽ te blijven illustreren we het luciferische mensentype aan de hand van wat een Amerikaans hartchirurg schrijft over zijn ontmoeting met Leopold III :

" Toen ik in BelgiŽ verbleef, was ik de speciale gast van Prinses Liliane en Koning Leopold in hun elegante woning, het kasteel van Argenteuil, in de buurt van Waterloo.
De koning was een aantrekkelijke man, zeer ontwikkeld, en een goede golfspeler. Op een dag speelde ik een partijtje tegen hem. Het golfterrein lag tegen het slagveld van Waterloo en daardoor kreeg ik een persoonlijk begeleide rondleiding met de Koning als gids. Op de nabijgelegen heuvel bevonden zich nog verschillende kastelen waar de stafofficieren van de Engelse, Pruisische en Franse legers verzameld waren.
Volgens de uitleg van de Koning brachten de officieren de avond voor de slag door met dineren, kaartspel, cognac drinken. Er werd aangekondigd dat de slag de volgende ochtend zou plaatsgrijpen om 10u. Op die manier hadden de wapenknechten en ordonnansen tijd en gelegenheid om de paarden te borstelen en te zadelen voor de officieren, hun laarzen te poetsen en uniformen in orde te brengen. Toen de tijd gekomen was, bestegen de officieren hun paarden en volgden de slag van op de heuvel. Ik herinner mij dat ik toen dacht :
" How civilized !"
( http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=140282 )

Als we zien hoe er tegenwoordig oorlog gevoerd wordt, is dat wel het laatste dat in ons zou opkomen : "Hoe beschaafd !"

De overgang


Bij het ontwaken van de bewustzijnsziel, rond 1400, bleek de traditionele regeer- en maatschappijvorm minder en minder te passen bij de noden van de moderne mens. Het respect voor de hogere klassen verdween, men had ook geen reden meer om die klassen te respecteren : de traditionele koningen waren niet meer de betere mensenexemplaren, dikwijls zelfs het tegendeel.

De mens wendt nu ten volle zijn verstandskracht aan om de natuur, waarvan hij eeuwenlang afhankelijk was geweest, onder zijn heerschappij te brengen.
Het keerpunt is wellicht de uitvinding van de stoommachine. Tot dan was de Europese bevolking aangewezen op hout voor haar energievoorziening. Zonder de ontginning van de steenkoolmijnen zou er een natuurlijk evenwicht ontstaan zijn tussen bevolking en energiebronnen, en zou Europa, net als China, periodieke hongersnoden gekend hebben. Te weinig hout in onze winters betekende een gewisse dood voor de armsten. Met stoompompen kon men het water weghouden uit de diepere en rijkere koolmijnen. Het transport van de steenkool op modderige winterse wegen maakte de ontwikkeling van een spoorwegnet noodzakelijk, de industriŽle revolutie was begonnen ...

Dat was een positieve stap op weg naar de vrijheid : alle mensen kunnen onmogelijk hun zelfontwikkelings-doel bereiken wanneer 98 % verplicht zijn om dagelijks op hun akkers te zwoegen. Hoe zouden we ook broederlijkheid kunnen ontwikkelen wanneer er constant gebrek of de vrees voor gebrek heerst ? Dus op zich is er niets verkeerd om ons los te maken van de tirannie van de natuur door allerlei uitvindingen en technologieŽn.

De sterkere economieŽn konden vlugger en meer behoeften bevredigen met minder menselijke inspanning. Dat was het positieve aan de Ahrimanische invloed :
- de machines (die eigenlijk gematerialiseerde menselijke denkkracht zijn) nemen het vervelende werk over;
- de maatschappelijke ongelijkheid tussen mensen verdwijnt samen met de standenmaatschappij;
- de mens heeft tijd en gelegenheid om zich te wijden aan hogere doelen dan aan zuivere fysieke behoeftenbevrediging.

Ahrimanische toekomst


Maar Ahriman vraagt zijn prijs : hij wil niet dat de mens zich wijdt aan hogere doelen. Hij wil integendeel in de mens ieder bewustzijn van een hogere wereld uitdoven. Om dat doel te bereiken inspireert hij personen die zich door hun karma geschikt hebben gemaakt om in zijn dienst te werken.
Er trad een nieuw mensentype op de voorgrond : het economische mensentype, dus de mens die het doel van zijn bestaan uitsluitend ziet in het bereiken van materiŽle doelen.

Wat nu in onze wereld lijkt op een grote samenzwering is volgens ons geen bewust menselijk complot maar het zich-vinden in de Ahrimanische geest van bepaalde individuen. Die ijveren niet alleen in de richting van Ahrimanische doelen, maar zij houden ook de elementen uit het Luciferisch verleden in stand die nu zouden moeten verdwijnen, zoals bvb. het vertrouwen in en opkijken naar een hogere autoriteit.
Zo werken in feite Lucifer en Ahriman samen aan de oprichting van een soort termietenstaat, met een grote massa werkmieren, een klasse van helpers (het industrieel-militair-academisch complex) en een zeer kleine top die de zaak stuurt.
Het is de superstaat die vele geÔnspireerde kunstenaars al lang zien aankomen, niet alleen George Orwell ("1984") en Aldous Huxley ("Brave New World"), maar eveneens ontelbare science-fiction schrijvers, striptekenaars en filmmakers.

Om dit kwade ideaal te bereiken was inderdaad een planning op lange termijn nodig, die in verschillende stappen gerealiseerd wordt :
1) Het verbreken van de band tussen een volk en zijn natuurlijke leiders (revoluties in Frankrijk en Rusland)
2) Het vestigen van de Angelsaksische wereldmacht door andere sterke naties uit te schakelen (uitlokken van twee wereldoorlogen in Europa)
3) De greep van de staat op de maatschappij versterken (bevorderen van zgz. sociaal-democratische politiek)
4) De verschillen tussen culturen doen vervagen (creŽren van vluchtelingenstromen)

.

Het ahrimanische mensentype


Een mooie beschrijving daarvan vonden we in een artikel in De Morgen van 24 april 2004.

De Londense financiŽle wereld daverde deze week op haar grondvesten. Na 261 opeenvolgende jaren besliste Rothschild & Sons, een van de invloedrijkste banken uit de City, zich terug te trekken uit de stagnerende goudhandel. Daarmee trad een familie voor het voetlicht die het huidige Europa rijk maakte. Ze financierde Wellingtons overwinning in de slag van Waterloo, hielp Frankrijk aan winst in WO I en bekostigde IsraŽls project voor een atoombom. (door Maarten Rabaey)

Hun roots gaan terug tot 1743, toen een joodse goudsmid, Meyer Amschel (1744-1812), een wisselkantoor opende in het joodse getto van Frankfurt-am-Main. Hij plaatste een Romeinse arend op een 'rood schild', in het Duits 'Rothschild'. Zoon Meyer Amschel jr. (1773-1855) nam later die naam aan om stapje voor stapje een bankierspatrimonium uit te bouwen. Geheimhouding is van bij het begin het handelsmerk geweest van de familie. Amschel specialiseerde zich niet alleen in een boekhouding die voor die tijd vooruitstrevend was, maar hield ook zwarte kluizen verborgen voor de belastinginspecteurs. Via de keurvorst van Hessen-Kassel konden de Rothschilds relaties aanknopen met de elite uit die tijd. Het gat in de markt dat ze vonden was dat ze geld leenden aan Europese vorstenhuizen en soevereine staten, die door hun weelderige levensstijl dikwijls krap bij kas zaten. Nathan & co. veralgemeenden later het principe van die 'staatsobligatie', door grote en kleine investeerders er in te laten beleggen. Regeringen hielden van het idee omdat ze er kolossale geldsommen mee konden verzamelen voor hun industriŽle revolutie; investeerders hielden ervan omdat ze konden handelen met prijzen die fluctueerden naargelang het optreden van de staat. Over oprichter Amschel werd toen geschreven "dat hij de enige Europeaan was voor wie de keizers nederig knielden".
Hoe meer succes de pater familias boekte, hoe vertakter zijn bank werd. Amschel jr. bleef thuis maar vier van zijn vijf zonen werden naar verschillende Europese hoofdsteden gestuurd om voordeel te halen uit de opkomst van het kapitalisme en de groei van de internationale handel. Nathan stuurde hij naar Londen, James naar Parijs, Salomon naar Wenen en Carl naar Napels. Niet allemaal hadden ze geluk; de Italiaanse tak verdween al in 1861, de Duitse tak stierf in 1901 uit; de Oostenrijkse moest voor het antisemitisme in 1938 vluchten uit Wenen; maar een multinational was geboren.

Vooral Nathan (1776-1836) slaagde erin om zijn stempel te drukken op de toenmalige Europese politiek. Hij steunde in woord en daad de Britse militaire acties tegen Napoleon door over het Kanaal goud te laten smokkelen om het offensief te financieren van de hertog van Wellington, die uiteindelijk in Waterloo definitief de Franse keizer op de knieŽn kreeg. Nathan beschikte over een fijnmazige eigen inlichtingendienst - zijn agenten gebruikten snelle boten, gecodeerde brieven en postduiven - waardoor hij als eerste te weten kwam dat Napoleon verslagen was. Nathan speculeerde na dat nieuws op transacties in staatsfondsen en kon door die zet het familiefortuin verruimen, volgens sommige bronnen zelfs in twintigvoud.
Legendarisch is dat hij via zijn agenten wel eerst het gerucht lanceerde dat Wellington verslagen was, waardoor zijn tegenstanders op de markt op het verkeerde been werden gezet. Saillant detail: pas later werd bekend dat de Franse tak van de familie ook Napoleon geld had geleend.
Nathan zou later nog dikwijls knipogen naar het familiemotto Concordia, Integritas, Industria (Eenheid, Integriteit, Industrie), als hij nieuwe geruchten lanceerde waardoor beursmakelaren in paniek verkochten en hij alles tegen dumpingprijzen opkocht, om daarna te genieten als de koers zich herstelde. De Britse romanschrijver Thackeray zei over Nathan dat hij "niet de koning van de joden was, maar de jood van de koningen".
Hoe machtiger de familie werd, hoe minder ontzag ze kreeg voor de gevestigde macht. Een pompeuze aristocraat die ooit binnenstormde bij Nathan vond hem lezend aan zijn bureau. Zonder op te kijken zei de bankier: 'Neem een stoel'. Verontwaardigd zei de man daarop: 'U spreekt met de Prins van Thurn & Taxis'. Waarop Rothschild - zonder op te kijken - droogjes repliceerde: 'Neem dan twee stoelen'. "Het kan me niet schelen welke marionet op Engelands troon gaat zitten om een keizerrijk te regeren waar de zon nooit ondergaat", liet Nathan zich ooit ontvallen. "De man die de Britse geldstroom controleert, controleert het Britse keizerrijk. En ik controleer de Britse geldstromen." De Londense aristocratie besefte dat pas toen hij de Bank of England behoedde voor het bankroet nadat door een rush op de goudvoorraden 145 banken failliet gingen. In 1885 gaf ze Nathan de erfelijke titel van baron.
In Frankrijk ging het ondertussen ook James (1792-1868) voor de wind. Na de nederlaag van Napoleon in juni 1815 had hij in Parijs de 'Banque Rothschild'. Aanvankelijk heette die 'Rothschild frŤres' maar de eeuwige rivaliteit tussen Fransen en Engelsen zorgde er ook voor dat de broers aan elke zijde van het Kanaal een gezonde concurrentie onderhielden. De Engelse tak legde zich vanaf dan louter toe op de bancaire wereld, de Franse ook op filantropie, kunst en productie van exquise wijnen: Nathans jongste dochter Philippine lag mee ten grondslag aan het fameuze huis Mouton-Rothschild. James kleinzoon Eric is een van de drijvende krachten achter het wijnhuis Ch‚teau Lafite.

Ook in BelgiŽ liet de familie kurken knallen. Meteen na de revolutie van 1830 kwam haar ter ore dat het jonge koninkrijk weinig reserves had. Ze leverde de nodige financiŽle middelen aan de natie, via de directeur van de nieuwe 'Banque de Belgique', Charles de BrouckŤre - naar wie het gelijknamige plein in Brussel werd vernoemd. De revolutionair De BrouckŤre wist als eerste minister van FinanciŽn dankzij de Rothschilds een tegengewicht te vormen voor de toen al machtige Sociťtť Gťnťrale. Door investeringen in het, overigens bloedige, Kongo-project van koning Leopold II en goede banden met de bankiersfamilie Lambert groeide hun invloed in de Brusselse coulissen gestaag. Maar de bankiers kregen vooral een enorme greep op de Franse staat doordat de regering daar in geldnood kwam na enkele grote infrastructuurwerken zoals spoorwegen en kanalen. De Franse tak kreeg daardoor het beheer over het belangrijkste deel van het familievermogen, liefst 20 van haar 34,3 miljoen gekende Britse ponden.
Haar invloed op het internationale toneel bleef maar groeien. In 1871 speelde de Franse tak een belangrijke rol bij de vredesonderhandelingen tussen Frankrijk en Duitsland door de garanties van Parijs' oorlogsschulden te verlenen. De Britse tak zorgde in 1875 voor flink wat ophef door een lening te verschaffen aan de regering-Disraeli om de helft van de aandelen van het Suez-kanaal op te kopen. Dat gebeurde zonder goedkeuring van het parlement, maar zorgde er wel voor dat Londen zijn invloed in Noord-Afrika bewaarde.

Een paar decennia later bezorgden de Franse Rothschilds hun regering de nodige financiŽle middelen om in de Eerste Wereldoorlog de Duitse keizer te bestrijden. Maurice de Rothschild werd na het krijgsgewoel verkozen in het Franse parlement voor het centrumrechtse Nationaal Blok maar financieel verging het zijn imperium toen veel minder goed. Door de depressie van eind jaren twintig en jaren dertig werden zware verliezen geleden. Bovendien ondergroef niet alleen het antisemitisme van de Duitse nazi's maar ook dat van Frans extreem-rechts en de communisten het vertrouwen in hun bank. Zo schreef in 1937 partijkrant l'Humanitť dat de half miljoen Franse joodse families de schuld hadden aan de sociaal-economische ellende. Hun vermogen kreeg nog een klap toen de linkse regering-Blum begon te nationaliseren.
Dat was evenwel klein bier in vergelijking met de Tweede Wereldoorlog, toen Hitler zich tot doel stelde het jodendom uit te roeien. Tijdens WO II zag de familie zich dan ook vooral genoodzaakt om de schade te beperken. Hoewel ze zware persoonlijke, materiŽle en financiŽle verliezen leed, slaagde de Franse tak erin om zijn vermogen naar veiliger oorden over te boeken, onder meer naar Canada en de Verenigde Staten - waarvoor ze visa kregen dankzij hun vriendschap met president Roosevelt. Ze investeerden ook veel in de emigratie van Duitse joden. De Britse tak steunde volop de regering en leden werkten zelfs actief mee met de inlichtingendienst MI5.
Tijdens en na de oorlog speelden de Londense Rothschilds een belangrijke rol in de oprichting van IsraŽl. Tot op vandaag blijft de joodse staat hun steun krijgen. Ze zijn zelfs indirect mee schatplichtig aan de nieuwe heisa omtrent IsraŽls nucleaire arsenaal, deze week in het nieuws door de vrijlating van Mordechai Vanunu, de IsraŽlische atoomgeleerde die in 1985 de plannen van het geheime IsraŽlische programma onthulde. Het waren immers de Rothschilds die in 1960 positief reageerden op een vraag van IsraŽl om een 'programma voor speciale wapens' te financieren.
De joodse solidariteit in de familie was niet volledig. In 1938 shockeerde Nathans achterkleinzoon Victor zijn Londense toehoorders door te stellen "dat ondanks de trage moord op 600.000 mensen op het continent we het wellicht eens moeten zijn dat zoveel vluchtelingen de privacy van ons land schenden". Niet alle familieleden waren het ook eens met de noodzaak van een joodse staat. Sommige vreesden dat het antisemitisme zou groeien tegenover joden die zich elders assimileerden. Die nuances konden niet beletten dat de familie door antisemieten altijd is belaagd als onderdeel van een joods complot 'om de wereld over te nemen'.
Veel karakteristieken van de familie zijn terug te voeren op het 'eeuwig geldende' testament van stichter Myer Amschel. Daarin werd vastgelegd dat het fortuin van de familie nooit bekend mocht worden gemaakt; dat sleutelposities in het huis voorbestemd waren voor familieleden; dat de oudste zoon alles moet erven en dat huwelijken binnen de familie moesten worden gehouden. Er moest worden getrouwd met neven en nichten uit eerste of tweede lijn om het fortuin samen te houden. Wie het niet eens was met die voorwaarden moest uit het testament worden geschrapt.
In de negentiende eeuw ondervond Nathans tweede dochter Hannah dat aan den lijve. Ze verzaakte het judaÔsme door een christen te trouwen. De familie verbande haar. Haar huwelijk leek vervloekt: Hannahs jongste zoon stierf na een val van een pony, haar man werd levenslang belet carriŤre te maken. Het was niet de enige catastrofe die de familie trof. In 1996 pleegde Amschel Rothschild, genoemd naar zijn beroemde voorvader en voorbestemd om de Britse tak over te nemen, op 41-jarige leeftijd zelfmoord. Toen eerder dit jaar de voorzitter van de Britse bank, Sir Evelyn de Rothschild, op pensioen ging, werd de bank geŽrfd door baron David de Rothschild, de beheerder van het huidige Franse imperium. David paste het imperium aan de tijdgeest aan. Nadat zijn bank was genationaliseerd door de socialistische president FranÁois Mitterrand specialiseerde hij zich in de fusie- en acquisitiemarkt. Door de stagnerende goudhandel af te stoten, leidt hij nu zijn familie binnen in de 21ste eeuw. Want verdwijnen van het toneel doet de familie niet. In Zwitserland worden in de schoot van de familieholding nieuwe plannen gesmeed voor investeringen in het nieuwe, uitgebreide Europa. Dat bedrijf heet niet voor niets: Rothschild Continuation.

***

In deze milieus moeten we de occulte broederschappen gaan zoeken. Dat daar misschien overwegend Joden bij zijn is in deze tijd niet meer relevant. Als dat voor hun doeleinden uitkomt verloochenen ze evengoed hun rasgenoten (Er bestaan verschillende interessante studies over welke kringen Hitler financierden). Zoals men uit bovenstaand artikel kan afleiden zijn zelfs de eigen familieleden niet veilig wanneer ze zich niet willen openstellen voor de ahrimanische inspiraties.

We zeiden al dat het streven van die occulte loges erop gericht is om iedere spirituele impuls van het Midden-Europese geestesleven te onderdrukken. Van daar alleen kan immers het enige maatschappijmodel komen dat beantwoordt aan de noden van de mens in het tijdperk van de bewustzijnsziel. Maar dit model, de sociale driegeleding, zou een einde maken aan de machtspositie van bepaalde elites. Deze elites kunnen hun macht maar handhaven wanneer de mensen geen vruchtbare ideeŽn aangereikt krijgen over een andere omgang met geld, over directe democratie, over geesteswetenschap. En dat is nu precies wat alleen vanuit Midden-Europa kan komen.
Vanuit de Belgisch-Brusselse voorpost werd de Europese moloch ingericht, waardoor het Westers economisch denken gans Midden-Europa ingepalmd heeft. De oostelijke gebieden liggen er voorlopig krachteloos bij, ook zij wachten op een impuls vanuit Midden-Europa.
Het is vanuit ťťn zelfde centrum dat gezorgd werd dat zowel Lenin als Hitler aan de macht konden komen. Het nazisme en bolsjevisme zijn intussen van het wereldtoneel verdwenen, maar de totalitaire systemen die toen uitgeprobeerd werden, worden nu opnieuw ingericht, zowel in Europa als in Noord-Amerika. Aan het inrichten van die systemen werken vele ahrimanische mensentypes mee.
Hoe worden die geselecteerd ?
Sergej Prokofjef legt dat uit (in "Die geistigen Quellen Osteuropas und die kŁnftigen Mysterien des Heiligen Gral, Verlag am Goetheanum,tweede oplage, 1995"):

" We stellen ons voor dat een groep die, laat ons zeggen, tot de onderste laag van het partijkader behoort, van boven, van de hogere functionarissen, een opgave krijgt in de vorm van een algemeen programma. Daarmee is het doel gegeven, maar de concrete verwezenlijking is nog niet vastgelegd, die moet door de leden van de groep zelf gevonden worden. Dat is echter maar mogelijk wanneer daar een bepaalde ingeving of inspiratie plaatsvindt. Hoe preciezer en directer die is, des te vlugger kan er een "bevredigende" oplossing van het probleem gevonden worden. Maar aangezien het doel of de opgave door hogerhand al van aanvang een ahrimanisch karakter heeft, zal ook de inspiratie die nodig is om de geschikte oplossing te vinden in hoge mate ahrimanisch zijn. De leden van de groep moeten nu een tijd lang hun eigen varianten of programma's om de opgave te vervullen, voorleggen. Daarbij zal vanzelfsprekend de 'beste' oplossing diegene zijn die het snelst tot het gestelde doel leidt, dat wil zeggen, die zelf voorvloeit uit de sterkste en door niets menselijks 'vertroebelde' ahrimanische inspiratie. Wie over dergelijke inspiraties beschikt en bij de oplossing van een of ander probleem de grootste 'geschiktheid' bewijst, die zal, wanneer hij een tijdlang gelijkaardige problemen oplost in de zin zoals de leiding dat wenst, in rang verhoogd worden.. In dat geval wordt de betreffende in een hoger kader van de partij opgenomen. Op dat niveau krijgt hij van hogerop terug maar nu moeilijker problemen op te lossen, en dat gaat zo maar verder.
Als gevolg van de interne opbouw van de partij- en staatshiŽrarchie stijgen diegenen die het best ahrimanische inspiraties kunnen opnemen op de hiŽrarchische ladder altijd hoger, terwijl ze in hun onderbewustzijn het centrale Ahrimanische wezen dat het systeem leidt, altijd meer naderen, doordat dit wezen de 'geschikten' voorziet van inspiraties en de 'ongeschikten' van zijn menselijke werktuigen afstoot.
Terwijl aldus in het bewustzijn van die mensen het extreemste materialisme en atheÔsme heerst, staan ze daardoor open voor bijzonder sterke demonische inspiraties waarvan het uiteindelijk doel (in bolsjevistische terminologie) is : het ontstaan van de zgn. "nieuwe mens, d.i.. een menselijk wezen dat geschikt is om in zijn onderbewustzijn de drager van de sterkste Ahrimanische inspiraties te zijn, terwijl hij tegelijk ieder bestaan van een geestelijke wereld of geestelijke wezens ontkent.
Als men daarbij bedenkt dat ditzelfde systeem van 'demonische selectie' zich uitstrekt tot alle sociale, pedagogische, culturele en wetenschappelijke inrichtingen, aangezien deze zich allemaal in handen van de staat bevinden en voortdurend aan de onvermoeibare staatscontrole onderworpen zijn, die zich uitstrekt tot alle crŤches, scholen, universiteiten enz. tot de hoogste wetgevende en uitvoerende organen, dan kan men de kracht van de werking en de perspectieven van een dergelijke inwijding niet meer onderschatten. " (blz 288)

Wat Sergej Prokofjef hier als selectiemechanisme van de bolsjevistische partij beschrijft is evenzeer realiteit in het Westen, zowel in de economie als in de politiek. Hoe wordt iemand die begint als rekkenvuller of kassier grote baas van een keten als Carrefour ? Niet door collegiaal te zijn of solidair met zijn lotgenoten maar door de waarden van de eigenaars tot de zijne te maken. Door voortdurend suggesties aan te brengen om de productiviteit en de winst te verhogen, meestal ten koste van de werknemers en/of consumenten.

Hoe wordt iemand lid van het Belgisch establishment ? Hij moet zich verdienstelijk maken in de ogen van de reŽle machthebbers. Hij mag dus nooit de belangen of de invloed van het Hof, van Belgacom of Electrabel in vraag stellen. Dat betekent ook dat hij zijn eigen geweten moet kunnen uitschakelen.

Op blz. 24 van deze Brug heeft Jan Vermeir het over de Kerk als beheerster van het geweten van de gelovigen. We zouden kunnen denken dat het geweten nu vrij is, vermits de Kerk in feite geen morele autoriteit meer heeft. Maar wat zien we ? De staat heeft de rol van beheerder van het geweten overgenomen. Niet alleen van de arrivisten die tot het establishment willen behoren, maar ook van de simpele "gelovigen" die bvb. in het onderwijs kritiekloos uitvoeren wat van hogerhand opgelegd wordt. Of die misschien kritiek hebben, maar zwijgen ter wille van hun inkomen. Zo werkt Ahriman in ieder van ons !

Net zoals de bolsjevieken geprobeerd hebben om een nieuwe sovjet-mens te creŽren, heeft men in BelgiŽ een nieuwe mens proberen te creŽren via het onderwijs

Ernest Claes werd ooit gestraft omdat hij op de vraag wat ons vaderland was antwoordde "Vlaanderen". Hij had van zijn vader altijd gehoord dat wij "onder den Belg" leefden. Zoals daarvoor "onder de Fransman" of "onder de Spanjaard".

en de media : de Belg, een karakterloos wezen waar overal in het buitenland de spot wordt mee gedreven.
En net zoals de Tsjechoslovaak op wonderbaarlijke wijze ineens ontdubbelde tot Tsjech of Slovaak, zo zal misschien ooit de "Belg" terug ontdubbelen tot Vlaming en Waal.

Wat kan de antroposoof doen ?

We hebben nogal vlug de neiging om moedeloos te worden wanneer we lezen over de formidabele mogelijkheden van de tegenmachten. Maar ook de antroposofen hebben ongekende mogelijkheden : Ooit zei Rudolf Steiner tegen Assja Toergenjef dat de bolsjevisten nooit aan de macht zouden gekomen zijn indien er op dat moment in Rusland maar 12 ware antroposofen waren geweest ! Slechts twaalf !

De ware antroposoof werkt op twee fronten:
1) De innerlijke arbeid, de geestesscholing door concentratie- en meditatieoefeningen.
Het ziet ernaar uit dat de uiterlijke vrijheid altijd meer gaat ingeperkt worden. Des te belangrijker wordt het om onze innerlijke vrijheid te vrijwaren. Door de leugens en halve waarheden waarmee we dagelijks overspoeld worden, is nu niet alleen "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" voor ons levensnoodzakelijk, maar ook hoe men bewustzijn op lagere gebieden verkrijgt : wat is realiteit, wat is waarheid, daarom is dus ook "De Filosofie der vrijheid" noodzakelijk, voor het tweede punt :
2) Het studiewerk om zelf tot klare begrippen te komen omtrent geld, gemeenschap, democratie.
We verwijzen naar de vorige Brug waar Koezmitsj schreef over de noodzaak om 's morgens de krant te lezen en in gedachten al de leugens en verdraaiingen te corrigeren.

Ahriman werkt door de traditionele autoritaire staatsvormen, we zagen dat bvb. de Rotschildts maar machtig konden worden doordat koningen schulden maakten die het volk moest terugbetalen. Ondanks de zgz. democratie heeft het volk nu ook nog altijd geen zeg wanneer de regering schulden maakt (behalve in Zwitserland), maar mag wel altijd blijven werken om de schulden terug te betalen. Ieder jaar werkt een inwoner van dit land bvb. tot in september voor de staat, pas dan begint hij voor zichzelf te werken. Niet dat het een ideaal moet zijn dat ieder voor zich werkt, maar de zeggenschap over het te besteden geld moet democratisch gebeuren.
Het zijn dus die ondemocratische maatschappijvormen die wij moeten bestrijden door te ijveren voor o.m. directe democratie en een vrij geestesleven
Stel je voor dat de Amerikaanse of Russische bevolking per referendum kon beslissen over oorlogvoering tegen Irak of TsjetsjeniŽ : we betwijfelen sterk of er dan oorlog zou geweest zijn.
Meer informatie daarover kunnen we hier niet geven, je vindt die bij
www.democratie.nu en www.vrijgeestesleven.be/directe democratie/

Tot slot rest ons nog de vraag te beantwoorden die we in de vorige Brug stelden : waarom noemt Rudolf Steiner BelgiŽ niet bij naam in het citaat uit GA167 (" in een bepaald land dat zo ongeveer in het Noordwesten van Europa ligt, tussen Holland en Frankrijk.") ?

Wanneer we spirituele gedachten door ons hoofd laten gaan, dan trekken we engelwezens aan. Omgekeerd trekken we lagere geesten aan wanneer we lage gedachten koesteren. En die versterken op hun beurt de lage gedachten en neigingen waarin zij zich thuis voelen.
Niet alleen trekken wij hun aandacht op ons door lage gedachten, maar zelfs alleen al door aan hen te denken. Dat nemen ze ongetwijfeld onmiddellijk waar. Zoals het spreekwoord zegt : " Als je van de duivel spreekt, zie je zijn staart" . Niet voor niets wijst de helderziende ingewijde ons erop dat we ons gedachtenleven totaal onder controle moeten hebben, willen we ons zonder gevaar in de geestelijke wereld begeven. Rudolf Steiner moet geweten hebben dat het negatieve krachtencentrum in dat deel van Europa een historische noodzakelijkheid was. Hij wilde wijzen op bepaalde samenhangen, maar hij wilde niet nodeloos slapende honden wakker maken, bij manier van spreken. Ook voor een ingewijde van het formaat van Rudolf Steiner is het niet ongevaarlijk om met zwartmagiŽrs in de clinch te gaan, denken we maar aan de occulte gevangenschap van H.P. Blavatsky.
Vermeed hij daarom het woord 'BelgiŽ' uit te spreken ?

In de volgende Brug gaan we onderzoeken of de naam "Bel-giŽ" niet zou kunnen verwijzen naar een gebied (niet noodzakelijk geografisch, het kan ook een geestelijk gebied zijn) waar Bašl of Belial of BeŽlzebub actief zijn, geestelijke wezens die tot de tegenmachten kunnen gerekend worden.




Terug naar de inhoudstafel.