Over het geweten

Door Jan Vermeir


Over het algemeen neemt men aan dat de mens, sedert zijn ontstaan, altijd een geweten gehad heeft, maar volgens het onderstaande citaat van Rudolf Steiner berust dit idee op een illusie. Het begrip “geweten” is slechts relatief laat in de geschiedenis van de mensheid ontstaan, zo rond het jaar 450 vóór Christus. En wanneer de cultuurperiode waarin wij nu leven zal afgelopen zijn (over ongeveer 1.500 jaar), dan zal ook het geweten, in de vorm zoals wij het nu kennen, niet meer bestaan.

“Het menselijk geweten is iets wat ons in het diepst van onze ziel moet beroeren. Men kan zich gemakkelijk over zulk een fenomeen als het geweten aan een illusie overgeven: de illusie dat men gelooft dat alles wat nu in de menselijke ziel aanwezig is, daar altijd al geweest is. Maar de meest verscheidene zielsvermogens en processen, die zich in de mensheid gedurende duizenden jaren ontwikkeld hebben, waren in de oertijd gans andere dan tegenwoordig. En veel van hetgeen wij tegenwoordig als het kostbaarste, als het bijzonderste bezitten in ons zielsleven, hadden onze zielen niet toen zij duizenden jaren geleden in andere belichamingen op aarde waren. Het door verschillende belichamingen heengaan heeft namelijk een zin. Het heeft die zin, dat de ziel, terwijl zij zich door de belichamingen heen ontwikkelt, zich steeds nieuwe vaardigheden en krachten kan toeëigenen, zodat de ziel werkelijk een geschiedenis doormaakt, dat haar aardebestaan een leertijd is, dat zij iets anders geweest is toen onze incarnaties begonnen, en nog iets anders zal zijn in een verdere toekomst. Ook het menselijk geweten, dit kostbaar goed van de mensenziel, dat als een godsstem roept tegenover het goede en het kwade in ieder individueel mens, ook deze kostbare gave van het menselijk innerlijk is er niet altijd geweest. En het bestaat verhoudingsgewijs zelfs nog niet lang, sedert dit menselijk geweten zich aangekondigd heeft en zich sedertdien steeds verder ontwikkeld heeft. En ook al is het een kostbaar goed, dan is het er nog niet voor voorbestemd, in de volgende incarnaties altijd op dezelfde manier te leven zoals nu. Het zal zich verder ontwikkelen, het zal andere vormen aannemen, het zal zich vertonen als iets, wat de mens zich moet verwerven, wat hem vruchten zal verschaffen, en wat later, wanneer hij deze vruchten zal plukken, iets zal zijn waarop hij kan terugblikken en kan zeggen: ooit is er een tijdperk geweest, waarin het mij mogelijk was, doorheen mijn incarnaties mij datgene eigen te maken, wat het geweten is, en nu draag ik daarvan de vruchten, van wat ik mij ooit eigen gemaakt heb. - Zoals wij tegenwoordig terugschouwen op een tijd, toen onze zielen in andere lichamen leefden en nog niet hadden wat wij nu het geweten noemen, zo zullen onze zielen later terugblikken op onze huidige incarnatie en zullen ze zeggen: Heil het verleden! Dank aan die gaven, die ons in het verleden geworden zijn als menselijk geweten! Hadden wij toen niet het menselijk geweten kunnen ontwikkelen in onze zielen, dan zouden wij nu moeten missen wat wij nu in dit leven nodig hebben! Zo zien wij, dat het geweten tot de psychische kwaliteiten van tegenwoordig behoort.” (GA 116, 02/05/1910).

Men kan zich nu afvragen: maar als het geweten, die stem in onze ziel die ons zegt wat goed en wat kwaad is, in het verleden niet bestaan heeft en in de toekomst zal verdwijnen, hoe kon de mens dan vroeger een besef van goed en kwaad hebben, en hoe zal hij daartoe later in staat zijn?

De "gewetensgeesten" als voorgangers van het geweten

In een ver verleden bezaten de mensen als natuurlijk vermogen een soort instinctieve maar schemerachtige helderziendheid, waardoor zij in de geestelijke werelden konden schouwen. Voor die mensen van toen was de godenwereld een realiteit; ’s nachts leefden zij samen met de goden, en overdag hadden zij een droomachtige herinnering aan hun nachtelijke ervaringen. Nu hadden die mensen nog niet zulk een klaar Ik-bewustzijn zoals wij dat tegenwoordig hebben; in de plaats daarvan rezen er in het innerlijk van hun ziel beelden op van wat er in hun omgeving gebeurde. Instinctief handelden zij zoals dat hun door de goden ingegeven werd. Maar dat betekent nog niet dat die mensen van toen niet aan dwaling onderhevig waren, want er bestaan ook goden, zoals de Luciferische wezens, die de mensheid in een ontwikkelingsbaan willen leiden die tegen de normale gang ingaat en in wier netten men al te gemakkelijk kan verstrikt geraken. En wanneer iemand dan een verkeerde daad stelde, dan kon hem dat welbeschouwd niet als een zonde aangerekend worden, want wie een zonde begaat, is daar met zijn volle bewustzijn bij, en dat bewustzijn had men dus toen nog niet. Deed een mens iets slechts, dan gebeurde dat eerder omdat hij niet kon weerstaan aan de verzoeking van Lucifer; daarom kan men eerder spreken van een verzoeking, van een verleiding in de plaats van een zonde. Niettemin volgde uit die slechte daad dat de normale wereldorde verstoord werd, en daarin kon een bepaald soort goden niet zomaar berusten. Integendeel, die goden schoten dan in actie en vertoonden zich dreigend en belust op wraak aan de geestelijke blik van de boosdoener; zij toonden hem welke schade hij door die daad had aangericht aan de wereld, en die slechte daad en haar desastreuze gevolgen stonden als het ware als een objectieve werkelijkheid voor de ziel van de misdadiger. Zulk een aanblik was natuurlijk iets verschrikkelijks voor die mens, maar in feite was het een heilzame werking die de goden hadden uitgelokt, want zo kon hij tot het besef komen dat hij zulk een daad in de toekomst beter niet meer zou stellen. In die tijden kwam het besef van goed en kwaad dus niet van binnenuit de ziel van de mens maar het werd hem van buitenaf door de goden getoond. Die goden, dat waren wel bijzondere wezens, het waren de “gewetensgeesten” of de "wraakgodinnen" die er op uit waren om vooral meineed en moord op bloedverwanten te bestraffen door de misdadigers dermate te achtervolgen dat dezen dikwijls tot waanzin gebracht werden. Door de oude Grieken werden zij de "Erinyen" genoemd; de Romeinen noemden hen de "Furiën". Na het plegen van een misdrijf nam men die wezens waar in een geestelijk-astrale gestalte.

Die astrale gestalten zijn er nu nog, dat kan de ziener waarnemen, maar nu worden zij overdekt door de innerlijke stem van het geweten. Rudolf Steiner had het hierover op 25/08/1909 (GA 113):

“Degene nu die innerlijk gewetenswroeging heeft, wordt volgens de geestesonderzoeker omringd door merkwaardige astrale gestalten, die er anders niet zijn, wanneer er geen gewetenswroeging in de ziel leeft. Alles wat om zo te zeggen in het geweten rumoert en door de ziel, die in de fysieke wereld leeft, gevoeld wordt, dat toont zich in de geestelijke waarneming als bepaalde gestalten die rond de mens gonzen, die in zijn omgeving leven. En wanneer wij ons afvragen hoe de geestesonderzoeker het ontstaan van deze gestalten waarneemt, dan vertoont zich het volgende: nemen wij aan dat iemand een onrecht begaan heeft, dan vormen er zich uit de gedachten waardoor het onrecht ontstaan is, andere gedachtevormen, die metamorfosen van de eerste zijn. Alles wat de mens denkt, gewaarwordt en voelt, leeft in zijn astrale aura als een vorm, als een gedachte- of gevoelsvorm. Een gedachte die, laat ons zeggen, klaar is, tekent zich in scherpe contouren af rond de mens; evenzo een wilde, woeste gedachte, ontstaan door een of andere drift, in verwarde vormen. Dit zijn allemaal gestalten die de mens omgeven. Terwijl de mens nu een onrecht begaat tegenover een ander mens, denkt en voelt hij dit of dat. Deze gedachte- of gevoelsvormen treden dan buiten hem, zij bevinden zich in zijn omgeving; maar zij blijven niet puur gedachtevormen, en dat is het wezenlijke. Zij blijven niet iets wat zich van de mens heeft afgezonderd, maar zij vinden voedsel uit bepaalde werelden. Als het ware bruisen er, zoals de wind in een holte ruist, in deze gedachtevormen, die uitgescheiden worden door de gewetenswroeging, zekere wezens uit zeer bepaalde werelden binnen, en de eigen gedachtevormen van de mens worden dan opgevuld met een wezenssubstantie uit deze werelden. De mens heeft er door zijn gedachtevormen aanleiding toe gegeven dat er nu in zijn omgeving andere wezens leven. Deze wezens zijn in werkelijkheid het kwellende van de gewetenswroeging. Waren zij er niet, dan kwelde de gewetenswroeging niet. Pas op het ogenblik dat de mens onbewust deze wezens voelt, begint het knagende en het verterende van het slechte geweten.”

De voorbereidende rol van Skythianos bij het ontstaan van het geweten

Een ingewijde uit de begintijd van de na-Atlantische periode die wist dat de oude helderziendheid zou verdwijnen, en die vooruitzag dat er in de mensheid een nieuw vermogen moest ontwikkeld worden dat de rol van de gewetensgeesten moest overnemen, was Skythianos. Hij lag mee aan de oorsprong van het ontstaan van het menselijk geweten. *
* Over deze ingewijde, wiens naam door de tijden heen altijd in een waas van geheimzinnigheid gehuld geweest is, heeft Rudolf Steiner slechts enkele keren, en dan nog zeer summier, iets gezegd. Eén van deze keren was in München op 31/08/1909 (opgenomen in GA 113): "Er moest een mysteriewijsheid in het leven geroepen worden. De mensen die vanuit het oude Atlantis naar Europa en verder gelegen gebieden getrokken waren, hadden een grote schat aan wijsheid meegebracht. In het oude Atlantis waren de meeste mensen instinctief helderziend, zij konden binnenschouwen in de gebieden van het geestelijke. Deze helderziendheid kon zich niet verder ontwikkelen, zij moest zich terugtrekken bij enkele persoonlijkheden uit het Westen. Zij werd daar geleid door een wezen dat ondertussen in diepe verborgenheid leefde… [dit wezen] bewaarde wat uit het oude Atlantis kon meegebracht worden, het bewaarde dit voor latere tijden. Deze hoge geïnitieerde, deze behoeder van de oeroude Atlantische wijsheid, …kan men Skythianos noemen, zoals dat in de vroege middeleeuwen gebruikelijk was. En degene die het wezen van de Europese mysteriën kent, blikt omhoog naar één van de hoogste ingewijden op aarde, wanneer de naam Skythianos genoemd wordt."

De belangrijkste opdracht van Skythianos bestond erin om het helderziend vermogen evenals de oeroude Atlantische wijsheid te bewaren voor de toekomst – dat wil zeggen voor de vijfde en de zesde cultuurperiode. Na de Atlantische catastrofe richtte Skythianos - en met hem degenen die hij had ingewijd – eerst in Ierland en daarna op tal van plaatsen in Noord-Europa mysteriescholen op: deze worden de Hibernische mysteriescholen genoemd.
* Dat de bakermat van deze Hibernische inwijdingsscholen precies in Ierland ligt is niet toevallig. Enerzijds ligt het eiland dichtbij het verzonken continent Atlantis, en anderzijds, wat belangrijker is, zouden de Ierse bewoners van destijds een bijzonder rein gemoed gehad hebben. Rudolf Steiner vertelt over een esoterische legende die gaat over het vroegere Ierse grondgebied, en wat legenden betreft: deze houden dikwijls veel meer waarheid in dan de gewone geschiedschrijving (uit GA 178, 19/11/1917): "Met betrekking tot Ierland is het zo, dat de mensen die daar in vroegere tijden leefden, de zeer bijzondere karakteristiek van Ierland in een fabel, in een legende uitgedrukt hebben. Ik wil zeggen, dat er een esoterische legende bestaan heeft die het wezenlijke van Ierland in het aardeorganisme kenmerkt. Men heeft gezegd: de mensheid is ooit uit het Paradijs verdreven, omdat in het Paradijs Lucifer de mensheid in verzoeking gebracht heeft; en zij is dan over de rest van de wereld verstrooid geworden. Maar deze rest van de wereld was er al toen de mensheid uit het Paradijs verdreven werd. Men maakt dus een onderscheid – zo zei men in de legende – tussen het Paradijs met daarin Lucifer en de rest van de aarde, waarnaar de mensheid verstoten werd. Maar zo is het niet met Ierland, dat behoort niet op dezelfde wijze tot de rest van de aarde, omdat, vóórdat Lucifer het Paradijs betreden had, er zich op aarde een afspiegeling van het Paradijs gevormd heeft, en deze afspiegeling is Ierland geworden." Deze legende wil aantonen dat Ierland nooit iets met Lucifer uitstaande gehad heeft. Lucifer heeft nooit aan de Ierse mensen kunnen raken omdat de zondeval aan hen is voorbijgegaan. Zo heeft Lucifer nooit vat kunnen krijgen op de ziel – en dan in het bijzonder haar diepste kern, de gewaarwordingsziel – van de vroegere bewoners van Ierland, wat betekent dat de ziel van deze mensen altijd bijzonder zuiver en rein gebleven is.

Het ontstaan van het geweten

De instinctieve helderziendheid ging geleidelijk aan teloor en moest de plaats ruimen voor een heldere bewustzijnstoestand, die meer naar de fysieke aarde gericht was. Daarmee nam ook de mogelijkheid af om nog langer in verbinding te staan met de goden, hoewel dit slechts geleidelijk aan gebeurde. Dat impliceert echter ook dat de mensheid steeds minder en minder de mogelijkheid kreeg om zich door de goden te laten inspireren over wat goed en kwaad is. En opdat het wereldbestel verder in de juiste banen zou kunnen geleid worden, moest er dus iets nieuws zijn intrede doen in de mensheidsontwikkeling, en dat is het geweten geworden.

Om zich in de tijd te kunnen situeren, sommen wij hier eerst de zeven na-Atlantische cultuurperioden op, die elk 2160 jaar duren

- de Oer-Indische: -7227 tot 5067
- de Oer-Perzische: -5067 tot 2907
- de Egyptisch-Chaldese: -2907 tot 747
- de Grieks-Romeinse: -747 tot 1413
- onze cultuurperiode: 1413 tot 3573
- de Russische: 3573 tot 5733
- de Amerikaanse: 5733 tot 7893

Wat het ontstaan van het gewetensbegrip betreft, moeten wij ons concentreren op de derde en de vierde cultuurperiode. De eerste twee laten wij buiten beschouwing, omdat er toen nog in het geheel geen spoor te bekennen viel van wat wij onder het begrip “geweten” verstaan. De zevende, een overgangsperiode, zullen wij evenmin behandelen omdat die te ver in de toekomst ligt om er nu al iets concreets over te kunnen vertellen. De vijfde en de zesde cultuurperiode zullen verderop aan bod komen.

Wanneer wij willen begrijpen hoe het geweten is ontstaan, dan is het van belang om te weten hoe de ontwikkeling van de ziel in de tijd verloopt: in de derde cultuurperiode heeft zich de gewaarwordingsziel ontwikkeld, in de vierde de verstands- of gemoedsziel, en in onze periode zijn wij bezig aan de vorming van de bewustzijnsziel. Wat die drie componenten van de ziel eigenlijk inhouden, laten wij ons uitleggen door Rudolf Steiner (uit GA 59 blz. 162):

“Wij moeten het zielsleven van de mens bezien in drie gebieden, die zich van elkaar onderscheiden - let wel: ik zeg niet drie gebieden die 'van elkaar gescheiden zijn'! Als laagste onderdeel van het zielsleven hebben we de gewaarwordingsziel gevonden. Van een mens, die nog helemaal opgaat in zijn driften, begeerten en hartstochten, die nog niet zo ver is dat hij zijn aandoeningen en hartstochten kan louteren en zuiveren en vanuit zijn Ik erover kan heersen, zeggen wij dat zijn gewaarwordingsziel de overhand heeft.Wanneer de mens zijn driften, begeerten en hartstochten dan steeds meer meester wordt, wordt een hoger zieledeel voor ons zichtbaar: de verstands- of gemoedsziel. Daarin doet zich gelden wat in de mens leeft als waarheidszin, als medegevoel met andere mensen e.d. De verstandsziel ontwikkelt zich vanuit de gewaarwordingsziel. En het hoogste zieledeel waartoe de mens kan opklimmen (in de toekomst zal hij nog hogere ontwikkelen), hebben wij de bewustzijnsziel genoemd. Waar de mens in de gewaarwordingsziel dat wat als uiterlijke indrukken van buitenaf op hem inwerkt, beantwoordt met zijn driften en hartstochten, stijgt hij in zijn gemoedsziel op om antwoord te geven op de indrukken van de wereld zonder daarbij uitsluitend zijn driften en hartstochten te gehoorzamen. Wanneer hij zijn driften, begeerten en hartstochten loutert, ontwikkelt zich de verstandsziel. Wanneer hij dan met dat wat hij zich in zijn innerlijk veroverd heeft de buitenwereld weer tegemoet treedt, wanneer hij zich innerlijk voorstellingen heeft veroverd om de wereld te begrijpen en tot zichzelf zegt: mijn voorstellingen en begrippen zijn er om de wereld voor mij belangrijk te maken, - wanneer hij als het ware weer uit zichzelf naar buiten komt om zich bewust te worden wat daar buiten allemaal in de wereld is, dan klimt hij op naar de bewustzijnsziel.”

En geleidelijk aan komt vanuit de ziel het Ik te voorschijn, maar dat gebeurt niet overal op aarde op dezelfde manier en in een gelijk tempo. In Egypte en in de gebieden errond bijvoorbeeld, bestond er in de laatste millennia vóór Christus een zeer hoogstaande cultuur met een indrukwekkende wetenschap, maar al die wijsheid bleef als het ware hangen in de gewaarwordingsziel van de mens, zonder dat zijn Ik-bewustzijn er eigenlijk bij betrokken was. Bij de Egyptisch-Chaldese volkeren wordt er in de gewaarwordingsziel een hoge cultuur opgenomen, terwijl het Ik met zijn ontwikkeling wacht tot latere tijden. Maar in die tijden leefden er ook in Noord-Europa mensen. Dezen hadden zich op hun trektocht na de Atlantische catastrofe daar gevestigd, en in tegenstelling tot Egypte ontwikkelden zij geen hoge cultuur. In feite waren de mensen die dat deel van Europa bevolkten eerder ongecultiveerd, maar anderzijds ervoor gedisponeerd om iets geheel nieuws in de mensheidsontwikkeling binnen te brengen. In de voordracht van 13/08/1908 (GA 105) lezen wij een zin die toch om enige verduidelijking vraagt: “Nu vermengden zich op een merkwaardige manier gezindheid én overgebleven helderziendheid én inwijdingsprincipe zodanig, dat het resultaat van deze vermenging in het Germaanse bewustzijn bewaard bleef.” Wij hebben hier drie begrippen: gezindheid – helderziendheid – inwijding, die bewerken dat er, wanneer zij gelijktijdig optreden, een bepaalde eigenschap in de ziel tot stand komt. De gezindheid van de Germanen was: ernst, degelijkheid, dapperheid, en bovendien waren zij niet besmet met uitwassen van vreemde culturen; het zijn allemaal eigenschappen van een gewaarwordingsziel die kan weerstaan aan slechte invloeden. Ten tweede benadrukt Rudolf Steiner dat juist de Europeanen, en hij bedoelt daarmee de bewoners van de noordelijke gebieden “… met een naar verhouding sterke gave aan helderziende vermogens bleven. Onder haast alle volkeren, die van het Atlantische continent weggetrokken waren, was het de Europese bevolking, die begaafd was met de sterkste helderziende vermogens." (GA 105, 13/08/1909) En ten derde is er het inwijdingsprincipe. Op vele plaatsen in Noord-Europa kwam de bevolking in aanraking met de ingewijden en de priesters van de reeds eerder genoemde Hibernische mysteriën, en degenen die de gave van de oude helderziendheid nog bezaten, begrepen ten volle wat die ingewijden hun kwamen verkondigen:

“En in die tijd, toen in Europa nog de mysteriën waren, was het zo: wanneer de ingewijden, die met hun volle bewustzijn [tot in de geestelijke regionen] konden opstijgen, erover spraken dat er geestelijke werelden bestaan, wanneer zij over een of andere [geestelijke] gestalte vertelden of over het wedervaren dat de mens na de dood te wachten staat, en wanneer zij dat in mythen en sagen, in legenden en in geweldige beelden verkondigden, dan vonden zij mensen die dat verstonden, want die hadden dat voor een deel zelf nog gezien. De bijzondere levens- en woonomstandigheden lieten het volstrekt toe, dat ook de niet-ingewijden, weliswaar niet de hoge goden, dan toch de geestelijke werelden konden beleven, en daardoor hadden zij geloof in deze geestelijke werelden. Deze werelden waren hun werkelijk nog meer dan half vertrouwd, en daarom ook ervoeren zij hun mens-zijn nog op een heel andere manier dan andere bevolkingen op aarde.” (GA 105, 13/08/1909)

In de natuurverschijnselen zagen zij de goden aan het werk, en dat bootsten zij zelfs na in hun taal: “Wodan Waait in de Wind, Donar Dreunt in de Donder”. En juist doordat zij in hun gemoed als het ware nog in dezelfde wereld leefden als de goden, doemde er vanuit de diepte van hun ziel een krachtig persoonlijkheidsgevoel op: ook zij, al waren het maar wezens die ver onder hun goden stonden, hadden hun eigenwaarde. Terwijl de Egyptenaren nog lange tijd moesten wachten voor zij een zeker Ik-gevoel hadden ontwikkeld, sloeg dit bij de Europeanen rechtstreeks in hun gewaarwordingsziel in. Rudolf Steiner hierover:

“Naar Azië en Afrika zijn die mensen getrokken die met hun Ik wachtten totdat in de gewaarwordingsziel al vooraf ontwikkeld was, wat door de Egyptische en Chaldese heiligdommen kon ontwikkeld worden. In de gebieden van de Egyptisch-Chaldese cultuur waren er zielen geïncarneerd, die zonder een duidelijk Ik-gevoel hoge leringen, een hoge cultuur opnamen. In het oude Chaldea drong die oude cultuur binnen in de zich nog niet van een Ik bewuste gewaarwordingsziel. Hier in het noorden kwam er niet zo een hoge cultuur tot stand. Daar blijft de ziel min of meer ongecultiveerd, maar in die on-cultuur, in de niet door hoge openbaringen doorgloeide gewaarwordingsziel ontwikkelt zij een Ik-bewustzijn. We kunnen zeggen: bij de Egyptisch-Chaldese volkeren komt het Ik-bewustzijn achterop, het laat de gewaarwordingsziel eerst een bepaalde cultuur opnemen, tot de hogere zielegeledingen zich ontplooid hebben. In Europa wacht het Ik niet, maar ontwikkelt het zich al in de gewaarwordingsziel. Het wacht echter om een cultuur op te nemen totdat de hogere zielegeledingen zich ontwikkeld hebben.” (GA 116, 02/05/1910)

“Verplaatsen wij ons eens in de gemoedstoestand van deze oude Europeanen. Allen zegden zij bij zichzelf: ja, ik zie, dat ik verbonden ben met de goden, ik reik omhoog tot in het rijk der goden. – En daardoor ontwikkelde zich juist op de bodem van Europa een sterk persoonlijkheidsbewustzijn, een bewustzijn van de eigenlijke goddelijke waarde van de menselijke persoonlijkheid, een groot vrijheidsgevoel voor alle dingen.” ( GA 105, 13/08/1908)

En doordat dit persoonlijkheidsbewustzijn was doorgedrongen tot in de nog reine gewaarwordingsziel, waarbij die twee elementen dan nog wezenlijk versterkt werden door de invloeden van de Hibernische mysteriewijsheid, is er in het diepste van de ziel iets ontstaan wat wij het geweten noemen!

“Wat was daardoor geschied, dat zich bij de Europese volkeren het Ik-bewustzijn vastgezet heeft in de gewaarwordingsziel, voordat Christus in de mensheidsontwikkeling binnengetreden was, en voor zij opgenomen hadden, wat zich in Azië ontwikkeld had? Daardoor was met de gewaarwordingsziel een kracht van de menselijke ziel ontwikkeld geworden, die zich slechts daardoor had kunnen ontwikkelen, dat de gewaarwordingsziel, die nog gans maagdelijk was en niet beïnvloed door andere culturen, zich doordrongen had met het Ik-gevoel. En deze zielskracht is het geweten geworden: de doordringing van het Ik-gevoel met de gewaarwordingsziel. Daardoor dat merkwaardig onschuldige van het geweten! Hoe spreekt het geweten? Het spreekt zowel in de eenvoudigste, naïefste mens als in de meest gecompliceerde ziel. Het zegt direct: dat is waar! Dat is onwaar! - Zonder een theorie, zonder een leer. Met de kracht van een drift, van een instinct, werkt dat wat ons zegt: Dat is waar! Dat is onwaar! Nergens anders vinden wij dat, wat zich zo in het Westen ontwikkelde, op de wijze zoals wij het uiteengezet hebben… Dat is de invloed van die cultuurstroom, die daardoor ontstaan is, dat de gewaarwordingsziel en het Ik-gevoel elkaar doordrongen hebben, dat het Ik-gevoel, dat de mensen naar boven hijst van het lagere naar het hogere, reeds in de gewaarwordingsziel als een goddelijke stem spreekt, waar anders slechts driften, begeerten en hartstochten in de gewaarwordingsziel spreken, en daar zo spreekt met de drang het juiste te doen, om opwaarts te dringen naar het hogere Ik.” (GA 116, 02/05/1910)

Er is nog meer om aan te nemen dat het innerlijk geweten vroeger niet bestaan heeft.

“Zoekt u in het Oude Testament een woord voor dat wat wij nu het geweten noemen: u zult het niet vinden”, zegt Rudolf Steiner. Wij hebben er naar gezocht: tevergeefs. Verder beweert hij dat men, uiterlijk historisch, bijna exact het tijdstip kan aanduiden waarop de overgang heeft plaatsgevonden van het schouwen der gewetensgeesten naar het aan de oppervlakte komen van de innerlijke stem van het geweten. Hiervoor baseert hij zich op een Griekse tragedie, de “Oresteia”. De Griekse dramaturg Aischulos (525 – 456 V.C.) schreef dit werk rond 458 V.C., en Euripides (eveneens een Grieks dramaturg, 480 – 406 V.C.) deed hem dat 50 jaar later na, zij het in een grondig gewijzigde versie; de hoofdlijnen van het verhaal blijven nochtans dezelfde in de beide versies. In het drama gaat het om het volgende: Agamemnon, de koning van Mykene (een vroegere stad in de Peloponnesos), wordt opperbevelhebber van de Grieken in de Trojaanse oorlog (12de eeuw V.C.), die tien jaar zal duren. Kort na zijn vertrek wordt zijn vrouw Klytaimnestra verleid door zijn erfvijand Aigisthos. Orestes, het tienjarig zoontje van Agamemnon, wordt door een familielid ondergebracht bij een oom om buiten het bereik van Aigisthos te blijven. Tien jaar later, wanneer de oorlog afgelopen is, keert Agamemnon naar zijn paleis terug en wordt er vermoord door zijn vrouw Klytaimnestra en haar handlanger Aigisthos, zodat voor deze beiden de weg vrij ligt om de heerschappij in handen te nemen. Orestes, dan al een jongeman, verneemt wat er gebeurd is, gaat naar Mykene en vermoordt er in opdracht van de zonnegod Apollo zijn moeder Klytaimnestra en haar minnaar Aigisthos. In de Oresteia van Aischulos is er geen woord te vinden dat ook maar enigszins in verband kan gebracht worden met het geweten. Orestes betreurt zelfs zijn daad niet; hij lijdt wel, maar dat is enkel omdat hij achtervolgd wordt door de wraakzuchtige Erinyen. Nauwelijks vijftig jaar later klinkt het bij Euripides heel anders. Orestes wordt nog wel achtervolgd door de wraakgodinnen, maar dat is het ergste van zijn kwelling niet. Op de vraag vaarom hij zo lijdt, antwoordt hij: "Inzicht: het besef wat ik heb aangericht… Het is vooral de wroeging die mij sloopt”. (Uit de Oresteia van Euripides, tweede akte).

Enkele eeuwen later is bij de Romeinen het gewetensbegrip al stevig ingeburgerd.
* Zo lezen we bvb. bij Seneca (Brieven aan Lucilius - 97.16) rond het jaar 60 n.C. : " Daarom hebben mensen die hun misdaden verborgen weten te houden nooit de zekerheid dat die verborgen zullen blijven : hun geweten blijft hen beschuldigen en met zichzelf confronteren. Het is eigen aan mensen die zich schuldig voelen, bang te zijn. Het zou slecht met ons gesteld zijn, gezien het feit dat veel vergrijpen weten te ontkomen aan de wet, de rechter en een officiele veroordeling, als die vergrijpen niet op een natuurlijke manier onmiddellijk zwaar gestraft werden, en als de angst niet de plaats van het berouw innam."

Bij vele Romeinse schrijvers vinden wij het woord “conscientia”, maar inhoudelijk heeft dit woord toch nog een lichtelijk andere betekenis dan het Germaanse “Gewissen”. Door hun helderziend vermogen – dat bij sommige stammen zelfs nog tot enkele eeuwen na onze tijdrekening gehandhaafd bleef – zegden de Germanen: wij moeten ons leven op zulke wijze inrichten dat het in overeenstemming is met de wil van de goden: wat de goden willen, moeten wij doen, en wat zij niet willen, daarvan moeten wij ons onthouden; want dat er een geestelijke wereld is, dat er goden zijn, dat is zeker, dat is gewis, omdat wij de goden schouwen met onze geestesblik, omdat wij samenleven met de goden. Dit weten was bij de Germaan een rechtstreeks uit de oorsprong komende bron van kennis. Toen die helderziendheid tenslotte verdween, moest hij zeggen: wat ik van vroeger uit mijn voorgeboortelijk leven en uit mijn vorig aards leven geweten heb, ben ik nu vergeten, het is weggezonken naar de diepten van mijn ziel. Gewis was gewissen geworden. In tegenstelling tot de Germanen, is de godenwereld aan de Romeinen voorbijgegaan zonder dat zij er bewust getuigen van geweest zijn. De Romeinen leefden al volop in het tijdperk van de verstandsziel toen bij hen het Ik-bewustzijn opkwam; de inslag van het persoonlijkheidsgevoel ging niet meer tot in de gewaarwordingsziel, maar bleef steken in de verstandsziel, en zo ook het geweten. Het geweten komt bij de Romeinen niet echt meer voort uit een persoonlijke ervaring, maar het is eerder een gezamenlijk goed, het is niet meer afkomstig van een bovennatuurlijk weten, maar het is eerder aardse kennis, een algemeen zedelijk normbesef gebaseerd op het verstand. Vandaar con-scientia: gezamenlijke wetenschap. En ondanks het feit dat het in de ethymologische woordenboeken staat, is het woord “geweten” helemaal niet afgeleid van het Latijnse “conscientia”; de twee woorden hebben een verschillende oorsprong, ze staan los van elkaar.

De metamorfose van het geweten in de toekomst

De mens had vroeger de gave van de helderziendheid omdat de onderlinge verhouding van het etherlichaam en het fysieke lichaam toen anders georganiseerd was. Het etherlichaam lag niet helemaal binnen de grenzen van het fysieke lichaam, maar het stak er aan het hoofd een stuk bovenuit. Zo kon dat deel van het etherlichaam dat vrij was van het fysieke lichaam, bovenzinnelijke beelden uit de etherwereld opnemen. Tegen het einde van het Atlantisch tijdvak begon het etherlichaam zich terug te trekken in het fysieke lichaam totdat het tenslotte bijna volledig daarmee samenviel. Daardoor verdween ook het helderziende schouwen, en zo begon de mens zijn aandacht te richten op de dingen in de buitenwereld. Dit proces was noodzakelijk opdat de mens zijn Ik-bewustzijn zou kunnen verwerven. Want hoe komt het Ik-bewustzijn tot stand? Doordat men alles waarmee men in contact komt, voorwerpen, planten, dieren, andere mensen, als vreemd aan zichzelf ervaart, zodat men tot het besef komt: Ik ben een zelfstandig wezen, afgescheiden van alles rondom mij. Nu hebben wij ons Ik-bewustzijn verworven, maar ondertussen zijn wij diep in het materiële bestaan gezonken. De evolutie verloopt echter altijd cyclisch, en nu wij het midden van het na-Atlantische tijdvak overschreden hebben, moet er een omgekeerde beweging plaatsvinden: wij moeten terug naar omhoog, alleen op een hogere ontwikkelingstrap: met een wakker zelfbewustzijn in de plaats van met een droomachtige bewustzijnstoestand. Het merkwaardige wat er zich in de toekomst zal voordoen - en bij sommige mensen is dat nu al het geval - is dat het etherlichaam stilaan opnieuw losser, onafhankelijker van het fysieke lichaam gaat worden. Het zal terug boven het fysieke lichaam uitrijzen, zodat de mensen opnieuw, maar nu welbewust, bovenzinnelijke beelden uit de etherwereld zullen kunnen schouwen. Bijvoorbeeld zal zich één van de volgende verschijnselen voordoen: wanneer iemand iets verkeerd gedaan heeft, dan brengt dat een reactie teweeg in de etherwereld, en dan zal hij in zijn innerlijk een beeld zien van de toekomstige daad die hij moet stellen om de vereffening van die verkeerde daad tot stand te brengen. Wij laten het verder vertellen door Rudolf Steiner:

"De mensen zullen leren, wanneer zij een of andere daad in het leven gesteld hebben, om op te kijken van die daad. Zij zullen bedachtzamer worden, in hun innerlijk zal er een beeld ontstaan ten gevolge van die daad - aanvankelijk bij enkele, maar in de loop van de volgende twee- tot drieduizend jaar bij steeds meer mensen. Nadat de mensen iets zullen gedaan hebben, zal dat beeld er zijn. Eerst zullen zij niet weten wat dat betekent. Maar degenen die de geesteswetenschap hebben leren kennen, zullen weten: hier heb ik een beeld! Dat is geen droom, helemaal geen droom, dit beeld toont mij de karmische vervulling van de daad die ik zonet begaan heb. Dat zal eenmaal gebeuren als vervulling, als karmische vereffening van wat ik zojuist gedaan heb! - Dat zal in de twintigste eeuw beginnen. Dan zal de mens het vermogen ontwikkelen om een beeld te zien van een ver in de toekomst liggende, nog niet gebeurde daad. Die zal zich vertonen als een innerlijk tegenbeeld van zijn daad, als de karmische uitwerking die eenmaal zal geschieden. De mens zal dan weten: dit heb ik nu gedaan. En thans wordt mij getoond wat ik ter vereffening moet doen, en wat altijd een belemmering zou zijn voor mijn vervolmaking, wanneer ik de vereffening niet tot stand zou brengen. - Dan zal karma geen pure theorie meer zijn, maar door dit gekarakteriseerde innerlijke beeld ervaren worden. Zulke vermogens komen geleidelijk aan steeds meer voor. Nieuwe vermogens ontwikkelen zich, maar de oude gaven zijn de kiemen voor de nieuwe. Want waardoor zal aan de mensen deze karmische beelden getoond worden? Doordat de ziel gedurende een bepaalde tijd in het licht van het geweten gestaan heeft! Want het belangrijke voor de ziel is niet dat er iets uiterlijk fysisch beleefd wordt, maar dat zij daardoor volmaakter wordt. Door het geweten bereidt de ziel zich er op voor wat hier gekarakteriseerd geworden is. En hoe meer de mensen door incarnaties zullen gegaan zijn waarin zij het geweten in het bijzonder ontwikkeld hebben, hoe meer zorg zij zullen besteed hebben aan dit geweten, des te meer zullen zij dat hoger vermogen verwerven dat hun in geestesschouwen die stem van God opnieuw openbaart, die de mensen vroeger op een andere manier vernamen. Ayschulos beeldde nog iemand als Orestes uit, die voor zich zag, wat zijn slechte daden bewerkten. Orestes moest nog aanzien, hoe de werking van zijn daden in de wereld buiten hem waargenomen werd. Het nieuwe vermogen dat zich nu in de ziel ontwikkelt, is van die aard, dat de mens de werking van zijn daden in beelden zal zien voor de toekomst. Dat is het nieuwe. De ontwikkeling verloopt altijd cyclisch, altijd kringvormig, en het oude schouwen dat de mens vroeger had, dat verschijnt nu terug op een vernieuwde wijze." (GA 116, 08/05/1910)

Wij keren nog even terug naar de ingewijde Skythianos. Hij was het die de oeroude wijsheid en de oude helderziendheid moest "bewaren" voor latere tijden. Door de eeuwen heen heeft hij, direct en indirect, zijn kennis meegedeeld en doorgegeven aan andere ingewijden. Mede dank zij hem kunnen wij nu, nu er een aantal occulte zaken mogen ontsluierd worden, door middel van de geesteswetenschap dingen vernemen zoals het feit dat het etherlichaam zich opnieuw begint los te maken van het fysieke lichaam, waardoor de mens bovenzinnelijke beelden kan waarnemen. Want wat zou er gebeuren moesten wij hiervan niet op de hoogte zijn? Mettertijd zullen wij die beelden toch gaan waarnemen - dat is een natuurlijk fenomeen dat iedereen vroeg of laat zal meemaken, en wij zouden ze voor een illusie, voor inbeelding houden; de ware toedracht zou aan ons voorbijgaan. Hetzelfde kan gebeuren bij iemand die louter materialistische voorstellingen over het leven en over de wereld heeft, die geen enkel geloof hecht aan een geestelijke wereld: wanneer die visionaire beelden op hem afkomen, zal hij die eerst als verbeelding, als zinsbegoocheling opvatten, maar die beelden zullen blijven komen, en tenslotte zal hij alle grond onder de voeten verliezen en naar de waanzin gedreven worden.

Om dit onderwerp af te sluiten volgt hier nog een passage waarin beschreven wordt hoe twee verschillende mensennaturen op deze beelden zullen reageren:

"Nu leven wij in een tijd waarin bepaalde dingen zich laten onthullen, die zich enkel door de geesteswetenschap laten verklaren. Bepaalde dingen zijn bestand tegen iedere andere verklaring. En tegenover zulke dingen staan de mensen zeer verschillend. In onze tijd moeten wij ongetwijfeld vele mensenkarakters van elkaar onderscheiden, maar toch zullen er onder al die verschillende karakternuances hoofdzakelijk twee naturen naar voren treden. Wij kunnen de enen als fijngevoelige naturen, als in gedachten verdiept geneigd zijnde naturen typeren, die overal verwondering kunnen voelen opkomen en bij wie overal het geweten kan beginnen te spreken. Hoe menig leed, hoe menige onverklaarbare trieste, melancholische stemming kan neerslaan in de ziel. Een gevoelig geweten kan het leven zeer bezwaren. Maar ook een ander soort mensen bestaat er tegenwoordig. Dit soort wil niets weten van zulk een verklaring van de wereld. Voor zulke mensen is het verschrikkelijk vervelend, wat daar vanuit geestelijk onderzoek allemaal aangevoerd wordt als verklaringen van de dingen, en zij leven er liever op een robuuste manier op los, dan dat ze naar verklaringen verlangen, en wanneer men hun dan begint te spreken over verklaringen, beginnen zij dan ook al gauw te geeuwen. En het is beslist waar, dat bij dergelijk geaarde naturen het geweten zich minder roert dan bij anderen. Maar hoe komt het, dat er zulk een tegenovergestelde karakters bestaan? Geesteswetenschap wil erop ingaan hoe het komt dat de ene karaktertrek door zijn fijngevoeligheid zich onderscheidt in zijn verlangen naar kennis, terwijl de andere er op uit is alleen van het leven te genieten, zonder naar verklaringen te verlangen. Wanneer men met de middelen van het geestelijk onderzoek in de diepten van de menselijke ziel peilt - en men kan hier slechts enkele aanduidingen geven, omdat men vele uren nodig zou hebben om uitvoeriger op de zaak in te gaan -, dan bevindt men, dat vele fijngevoelige mensen, die in het geheel niet kunnen leven zonder opheldering te zoeken, in vroegere incarnaties zo geleefd hebben, dat zij rechtstreeks in hun ziel iets gevoeld hebben van het feit van de wederbelichaming. En ook nu nog leven er talrijke mensen op aarde, die daarover weet hebben en voor wie reïncarnatie een absoluut feit is. Men denkt maar aan de Aziaten. Dus zulke mensen, die in dit leven een fijngevoelige ziel hebben, sluiten hun huidig leven - alhoewel niet rechtstreeks - aan een ander leven uit een vorige belichaming aan, waarin zij iets wisten van reïncarnatie. Maar de andere, robuustere mensennaturen, komen over uit zulk een leven, waarin men niets geweten heeft van vroegere aardelevens. Bij hen is er geen drang aanwezig, hun geweten veel te belasten met de daden van hun leven, noch om zich veel om verklaringen te bekommeren. Bij ons in het Avondland zijn veel zulke mensen geaard, en het is inderdaad het kenmerk van de cultuur van het Avondland, dat de mensen om zo te zeggen hun vroegere incarnaties vergeten zijn. Ja, ze zijn ze vergeten; maar met de cultuur staan wij aan een keerpunt, waar de herinnering aan vorige aardelevens weer zal opleven. Daarom gaan de mensen die nu leven, zo een toekomst tegemoet, die men kan karakteriseren als het herstel van de samenhang met de geestelijke wereld. Nu komt het nog maar sporadisch voor... maar [in de toekomst] zal het zo zijn: nemen wij eens aan dat een mens iets gedaan heeft, en achteraf heeft hij last van een slecht geweten. Zo gaat het nu. Maar later, wanneer de geestelijke samenhang opnieuw hersteld zal zijn, zal de mens, wanneer hij iets gedaan heeft, de drang gevoelen, als het ware met toegeknepen ogen een beetje van op afstand terug te kijken op zijn daad. En bij de mens zal dan iets als een beeld, als een soort droombeeld opduiken, maar toch een zeer levendig droombeeld, iets, dat ten gevolge van zijn daad in de toekomst zal moeten geschieden. En de mensen zullen, wanneer zij dit beeld beleven, bij zichzelf zoiets zeggen als: ja, IK ben het die dit beleeft, maar dat heb ik toch nog niet meegemaakt, wat ik daar zie! Voor alle mensen, die niets over geesteswetenschap gehoord hebben, zal dat iets vreselijks zijn. Maar degenen, die zich erop voorbereid hebben wat iedereen zal meemaken, zullen zeggen: ja, weliswaar heb ik dit nog niet meegemaakt, maar in de toekomst zal ik het meemaken als een karmische vereffening voor dat, wat ik daarnet gedaan heb. Tegenwoordig staan wij als in de voorhof van de tijd, waarin de karmische vereffening in een profetisch droombeeld aan de mens zal verschijnen. En als men bedenkt dat dit beleven in de loop der tijd steeds meer zal toenemen, dan hebt u de mens van de toekomst, die zal schouwen hoe zijn daden karmisch zullen geoordeeld worden. Waardoor treedt er dan zoiets op, dat de mensen in staat zullen zijn, deze karmische vereffening te zien? Dat hangt samen met het feit, dat de mensen vroeger geen geweten gehad hebben, maar dat zij wegens hun slechte daden door de Furiën gekweld werden. Dat was de oude helderziendheid, die is verloren gegaan. Dan kwam de tijd, waarin men de Furiën niet meer kon zien, maar waarin dat, wat de Furiën vroeger verrichtten, innerlijk door het geweten vervangen werd. En nu komt stilaan de tijd eraan, waarin we weer iets zullen zien, en dat is de karmische vereffening. Dat de mens ooit het geweten verworven heeft, dat stelt hem in staat voortaan bewust in de geestelijke wereld te schouwen." (GA 143 03/02/1912)

Bronnen:
Aischulos: Oresteia
Euripides: Oresteia
Steiner, R.: Metamorfosen van het zieleleven (GA 59)
Steiner, R.: Welt, Erde und Mensch (GA 105)
Steiner, R.: Der Orient im Lichte des Okzidentz (GA 113)
Steiner, R.: Der Christus-Impuls und die Entwickelung des Ich-Bewusstseins (GA 116)
Steiner, R.: Erfahrungen des Übersinnlichen (GA 143)
Steiner, R.: Individuelle Geistwesen und ihr Wirken in der Seele des Menschen (GA 178)


*****

.

De Kerk als beheerster van het geweten

Door Jan Vermeir

Dat het geweten een erfenis is van het vooraardse leven en van vroegere incarnaties, dat bestempelt de Kerk als onzinnig, ja zelfs als ketters. Want de Kerk pretendeert dat de ziel samen met het lichaam geboren wordt, en aangezien het geweten bij de ziel hoort, ontstaat het geweten dus ook bij de lichamelijke geboorte. Hoewel er toch een zaak is die de Kerk altijd al een beetje heeft dwars gezeten. Hoe komt het dat sommige mensen reeds van kindsbeen af blijk geven van een laagstaande natuur, terwijl anderen al vanaf zeer jonge leeftijd een edel en goed karakter hebben? Met andere woorden, de ene wordt boosaardig geboren en de andere goedaardig, en dat geeft de Kerk ook grif toe. Voor een antroposoof is het duidelijk dat dit te maken heeft met vorige incarnaties, maar de Kerk is nu eenmaal een product van haar tijd, van het tijdperk van de verstandsziel, en daarin is de reïncarnatiegedachte dan ook uit den boze. Maar de vraag bleef, totdat de kerkvader Augustinus (354 - 430), voor de dag gekomen is met de predestinatieleer of de leer van de voorbeschikking van de mens. En die leer houdt niets anders in dan dat God, die almachtig is, vooraf reeds bepaalt wie de eeuwige zaligheid zal verwerven en wie voor eeuwig zal verdoemd worden, omdat God, die tevens alwetend is, reeds vooraf weet wie er goed en wie slecht zal leven. Die leer heeft binnenin de Kerk gedurende eeuwen heel wat controverses uitgelokt: sommigen waren er radicaal voor, anderen radicaal tegen, en nog anderen wilden de leer hier en daar gewijzigd zien, maar tenslotte heeft het oorspronkelijke predestinatie-idee van Augustinus het gehaald. Hierna volgt een lange passage over een zekere Smetana, die deze leer niet met zijn geweten in overeenstemming kon brengen. Het is een ware gebeurtenis die zich afgespeeld heeft in de negentiende eeuw; en hoewel dit nu al een tijdje geleden is en de Kerk ondertussen al veel van haar autoriteit verloren heeft, gebeuren dergelijke zaken zoals in het hiernavolgend verhaal verteld wordt nog altijd, niet meer zo brutaal, maar op een geraffineerde en sluwe manier. Rudolf Steiner in de zgn. Arbeidersvoordrachten (voor de mensen die aan het Goetheanum werkten), vandaar de ongedwongen toon :

"En dan kwam de Kerk, die ging nu dat geweten beheren. Niet waar, zij nam de zaak in handen en zei: jullie weten niet, wat jullie moeten doen. De schapen weten dat niet, dat weten de herders! - En zij begon voorschriften te maken en ging het geweten beheren. Ziet u, dat kon men nu goed gebruiken, dat men op een concilie de geest afschafte, want dan kon men het geweten, dat deel dat van de geest overgebleven was bij de mensen, nu juist gaan beheren. En zo heeft de Kerk gezegd: neen, de mens heeft nooit bestaan voor hij op aarde was. De ziel wordt tezamen met het lichaam geboren. Wie dat niet gelooft, is des duivels. Maar wij, als Kerk, wij weten hoe het er in de geestelijke wereld aan toe gaat en wat de mens op aarde te doen heeft. - Daardoor heeft de Kerk zich het geweten toegeëigend. In de jaren dertig, veertig van de negentiende eeuw leefde er in Praag een man, Smetana heette hij. Deze man was de zoon van een katholieke kerkdienaar, die uiteraard een vrome katholiek was. Deze was de overtuiging toegedaan, dat men moest geloven wat de Kerk voorschrijft; van de geestelijke wereld kan men [enkel] datgene weten wat de Kerk voorschrijft. Nu had die man dus een zoon. De mensen waren toen nogal eerzuchtig en deden hun kinderen op school in het gymnasium. Maar in de gymnasiums die er vorige eeuw (19de eeuw) in Praag waren, daar leerde men eigenlijk niet zeer veel. In de grond van de zaak leerde men er bitter weinig. Zo werd dan de jonge Smetana in het gymnasium opgekweekt. En het was nu eenmaal zo, dat degene die ook maar iets moest leren, priester zou worden. Zo werd ook de jonge Smetana priester. In Praag en ook elders in Oostenrijk was het destijds normaal, dat men ook in de hogescholen de priesters als leraar aanstelde. En zo kwam hij er nu toe dat hij, toen hij zelf moest les geven, eigenlijk andere boeken begon te lezen dan deze die hem als priester door de Kerk waren voorgeschreven. En ja, daardoor begon hij gaandeweg in twijfel te geraken, namelijk omtrent een dogma. Hij begon bij zichzelf te denken: wat is dat eigenlijk toch voor iets verschrikkelijks, dat een mens geboren wordt, zijn leven doorbrengt, en dat hij, wanneer hij een slechte kerel geweest is, na zijn dood voor eeuwig moet aanschouwen - de Kerk beeldde dat immers nog uit met de nodige prenten - wat hij als slechte kerel op aarde gedaan heeft en nooit de mogelijkheid kan krijgen om zich te beteren! Nu, ziet u, deze man, Smetana, heeft in een kloostergebouw gewoond. Maar toen hij leraar was, werd het hem een beetje te eng in dat kloosterhuis; daarom nam hij zijn intrek in een burgerwoning, en begon hij steeds meer en meer - er was toen immers nog geen antroposofische lectuur voorhanden - de boeken te lezen van Hegel, Schelling en zo verder; die hielden tenminste iets, een begin van vernuft in. Daardoor begon hij steeds meer te twijfelen aan de zogenaamde eeuwigheid van de hellestraf, want een slechte kerel moet na zijn dood volgens Aristoteles voor eeuwig in zijn verdorvenheid leven. Daaruit is immers de eeuwigheid van de hellestraf ontstaan, die dan door de Kerk in een concilie werd vastgelegd. Deze leer is natuurlijk geen christelijke leer, maar die van Aristoteles. Het is helemaal niet waar dat dit een christelijke leer is, deze leer van de hellestraf: die is van Aristoteles. Maar dat was immers niet duidelijk voor de mensen. Maar voor Smetana werd het wèl duidelijk. Daarom begon hij iets te onderwijzen dat niet helemaal overeenkwam met de leer van de Kerk. In 1848 was het, dat hij iets onderwezen heeft dat niet helemaal overeenstemde. Daarom kreeg hij eerst een verschrikkelijke vermaning, een uiterst strenge in het Latijn geschreven brief, waarin hem aangemaand werd dat hij nu maar rustig moest terugkeren in de schoot van de Kerk, daar hij een enorme ergernis bij de herders gewekt had, omdat hij de schapen iets leerde, wat niet door de herders voorgeschreven is. Op deze eerste in het Latijn geschreven brief had hij nog geantwoord, dat hij het als huichelarij beschouwde, iets anders te zeggen dan dat waar men van overtuigd is. Toen kwam er een tweede Latijnse brief, met een nog ernstiger waarschuwing. En toen hij deze niet meer beantwoordde, want dat zou toch geen nut gehad hebben, werd er op een dag in alle kerken in Praag afgekondigd, dat er een zeer belangrijke plechtigheid zou plaatsvinden, waarop één der verloren schapen, die zelfs een herder was geworden, uit de Kerk moest verbannen worden. Tot degenen, die toen overal de brieven moesten uitdelen waarin stond dat deze belangrijke plechtigheid zou plaatsvinden, behoorde ook de kerkdienaar, de oude Smetana, de vader. Deze was nu een vroom katholiek gebleven. Men kan zich nu inbeelden wat het betekent, dat gans Praag samengeroepen werd om de zoon van Smetana te verdoemen, dat hij voor eeuwig zou uitgesloten worden uit de Kerk en zo verder, om hem naar de eeuwige verdoemenis te sturen, en de vader moest zelf de brieven ronddragen! Nog nooit waren de kerken in Praag zo volgelopen als op die dag. Alle kerken in Praag zaten stampvol. En daar werd vanop alle spreekstoelen verkondigd, dat de afvallige Smetana door de Kerk uitgestoten werd. Het gevolg ervan was - natuurlijk lag de kiem van longziekte in de familie Smetana -, dat eerst de zuster stierf, verteerd van verdriet, daarna stierf de oude vader van verdriet, en tenslotte stierf Smetana zelf na korte tijd van verdriet, uit leed. Maar daarop kwam het immers niet aan, nietwaar, het kwam erop aan dat Smetana niet meer zijn eigen opvatting over de eeuwigdurende hellestraf verkondigde. Dat hangt allemaal samen met de ontwikkeling van het gewetensidee van de mensheid. Want dat wat de mens nu juist behoudt van het leven vóór het aardeleven, dat leeft in hem en spreekt in hem als geweten. En van het geweten uit kan gezegd worden: het geweten, dat kan niet uit de stof der aarde komen. - Want bedenk eens, iemand heeft, laat ons zeggen, een ontzettende begeerte naar iets. Zoiets gebeurt wel vaker. Dan zijn het de stoffen in zijn lichaam, de aardestoffen, die hem doen hunkeren naar het voorwerp van zijn begeerte. Dan zegt het geweten hem: maar ge moet die begeerte bestrijden. - Ja, heren, dat zou toch net hetzelfde zijn, indien ook het geweten uit het lichaam zou komen, als wanneer er ergens iemand tegelijkertijd voorwaarts en achterwaarts zou gaan. Het is toch onzinnig om te zeggen dat het geweten uit het lichaam komt. Het geweten is juist verbonden met dat, wat wij meebrengen van het vooraardse leven uit de geestelijke wereld, wanneer wij op aarde komen. Maar zoals ik u uitgelegd heb, is juist dat bewustzijn, dat het geweten uit de geestelijke wereld stamt, voor de mens verloren gegaan, en bij zulke mensen als die Smetana uit de negentiende eeuw over wie ik u verteld heb, is dat [bewustzijn] door die vreselijke zaak van de hellestraf weer beginnen opdoemen. Het geweten behoort tot de mens zelf. De mens draagt het geweten in zich. Wat zou iemand al dat geweten dat men in zich draagt, helpen, wanneer men door de poort van de dood gaat en dan voor eeuwig zou moeten aanschouwen wat voor een slechte kerel men geweest is? Men zou zich dan nooit meer kunnen beteren. Dat men een geweten heeft, zou dan toch zinloos zijn!" (Uit GA 350, 25/07/1923)




*****

.

Antroposofie : niet alleen geestelijk !

Uit Het Laatste Nieuws van 5 mei 2004 :

Dr. Hauschka :

het favoriete merk van de vedetten

Brad Pitt, Jennifer Aniston, Madonna, Julia Roberts, Helena Christensen, Kate Moss en Jack Nicholson: allemaal sterren die dwepen met de natuurlijke cosmetica van Dr. Hauschka. Het bedrijf fabriceert crèmes, lotions en ampullen gemaakt volgens holistische principes en bereid als geneesmiddelen.

Dr. Hauschka is als cosmeticamerk bij ons niet echt bekend. Maar in het hippe Londen, Parijs en New York heeft het een cultstatus. De glamourbladen zijn er dol op, de beroemde internationale parfumerieketen Sephora heeft de volledige lijn in de rekken, en meer dan eens zijn bepaalde crèmes uitverkocht.

Heel bijzonder bij Hauschka is dat hij zijn kennis haalde bij Rudolf Steiner, die in de jaren twintig van vorige eeuw de grondlegger was van de antroposofie. «Bestudeer het ritme van de planten. Het ritme draagt het leven», is zijn motto.

De planten worden allemaal biodynamisch gekweekt. Hauschka heeft zeer grote velden in Duitsland, maar ook daarbuiten zijn boeren actief. Uniek is de oogst van de bloemen en de kruiden: met de hand geplukt bij zonsopgang en dan meteen naar labo's, waar ze 'ritmisch' behandeld worden.

In het Turkse Basmakci telen boeren de Damascener roos die onontbeerlijk is voor de kostbare rozenolie. In het beautysalon staat lymfestimulatie centraal. De schoonheidsspecialistes masseren met ritmische bewegingen die de lymfeklieren aan het werk zetten. Deze techniek werkt inwendige zuivering in de hand en versterkt het immuunsysteem, waardoor de huid een natuurlijke glans krijgt.

De producten van Hauschka worden niet getest op dieren, bevatten geen huidonvriendelijke ingrediënten, geen genetisch gemanipuleerde grondstoffen en geen synthetische geur- en kleurbestanddelen. De producten zijn niet bepaald goedkoop, maar ook niet echt duur.


*****




Terug naar de inhoudstafel.