Inhoudstafel van Brug 116 ( juni 2022)


De drie fasen van het christendom :

De filosofie der openbaring, 37ste voorlezing



De tijdgenoten van Christus

Tertullianus en demonen

Over fantomen, spoken en demonen

Over de Staat

Rudolf Steiner in de Engelssprekende wereld

Nog wat over straling



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

Beste Lezer,




"Vandaar ook dat in ons vijfde na-atlantische tijdvak aan deze Engelssprekende bevolking op een bepaalde manier ook toebedeeld is het element van het geweld. ...
Wat het politiek gezien in de wereld uitvoert, zal het kunnen uitvoeren omdat het enigszins tot zijn aangeboren eigenschappen behoort om door het geweld te werken. En door het geweld iets bereiken, dat wordt in het vijfde na-atlantische tijdvak aanvaard als iets vanzelfsprekends. De Engels-Amerikaanse politiek wordt over de hele wereld aanvaard - natuurlijk zal men scherpe kritiek hebben op de schade die er op het fysieke plan altijd zal bij zijn, dat kunnen zelfs de eigen onderdanen kritiseren - maar het wordt aanvaard. Het ligt nu eenmaal in de geest van de tijd dat dit geaccepteerd wordt, en wel zonder dat men daarbij nadenkt, zonder dat men daarvoor op een of andere manier redenen zoekt."


Aldus Rudolf Steiner in GA 186, "Die soziale Grundforderung unserer Zeit - In geänderter Zeitlage".


Iedereen neemt kennis van wat de V.S. deden in Joegoslavië, Libië, Irak, Afghanistan, Syrië, en we krijgen daarover neutrale berichtgeving, absoluut geen anti-Amerika propaganda.
Nu doet Rusland exact hetzelfde en dan ineens is het kot te klein : verontwaardiging en afschuw!
We worden overspoeld met anti-Russische propaganda, op alle kanalen, 24u per dag.

Nu wonen er hier bij ons in Aalst vele Russen, en ik vroeg mij af hoe het hun te moede zou zijn.
Om hen wat te steunen in deze moeilijke tijd besloot ik om de Vlaamse Leeuw die altijd aan mijn voorgevel hangt, te vervangen door de Russische vlag.
Familie en vrienden verwachtten dat mijn ruiten zouden worden ingegooid.
Niets daarvan : de meeste voorbijgangers weten niet eens hoe de Russische vlag er nu uitziet en ze denken dat het de Nederlandse vlag is.
Maar op een mooie avond zie ik een jonge man blijven staan en opkijken, en foto's maken met zijn smartphone. Hij twijfelt even maar klopt toch aan. Ik was wat op mijn hoede, het kon wel eens een fanatieke anti-Rus zijn.
Maar de man begint mij in het Russisch hartelijk te bedanken en geeft mij de hand !

Waarschijnlijk circuleren zijn foto’s nu al op Russische sociale media
en word ik binnenkort uitgenodigd door Vladimir Poetin !




François De Wit


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

De drie fasen van het christendom

.


Hieronder volgt de 37ste voorlezing uit Schellings “Filosofie der Openbaring”. De 36ste verscheen in de vorige Brug. We hebben twee lange voetnoten niet vertaald omdat ze niet echt nodig waren voor het hoofddoel van Schellings betoog, namelijk dat in het christendom drie periodes te onderscheiden zijn : het Petrinisch tijdvak, dan het Paulinisch sinds de Reformatie, en voor de toekomst het Johanneïsche. Waar Schelling spreekt van de algemene Kerk moeten we altijd bedenken dat wij meestal onder katholieke (= algemene) Kerk de Rooms-katholieke Kerk verstaan terwijl de protestanten zichzelf ook als leden van de algemene, dus katholieke kerk beschouwen, maar niet Rooms-katholiek.


Ondanks het feit dat Petrus drie keer zijn Heer verloochend had, wordt hij door Christus tot zijn rechtstreekse opvolger benoemd, in het gesprek dat in het laatste hoofdstuk van het Johannes-evangelie beschreven is. Hier zegt Hij tot hem : volg gij mij. Ik versta deze uitspraak niet alleen als een verwijzing naar de toekomstige kruisdood van Petrus maar ik denk dat dit algemeen moet begrepen worden in de zin van deze laatste toch wel profetische scène. Ook reeds het driemaal herhaalde “weid mijn lammeren” maakt van hem de aanvoerder niet alleen van de gelovigen maar ook van de andere apostelen aangezien die daar aanwezig waren. Het is dus niet de gewone eerste plaats (protostasia) zonder autoriteit, maar het is de eigenlijke protostasia mét autoriteit die aan Petrus verleend wordt, niet als de lieveling van de Heer (want dat was hij niet) maar omdat zijn eigenschappen hem daartoe geschikt maakten; want de zwaarste opdracht bij iedere onderneming is die van het beginnen en grondvesten. De klaarblijkelijke bedoeling van Christus was dat alle autoriteit bij Petrus zou berusten en zou uitgaan van hem.
Daartegenover staat nu de uitzonderlijke roeping van Paulus die zijn apostelambt rechtstreeks van de Heer ontvangt en daardoor onafhankelijk van Petrus verklaard werd. De openlijke en opzettelijke manier waarop Paulus iedere afhankelijkheid van Petrus afwijst, toont duidelijk dat hij er zich bewust van was dat hij een Petrusvrij principe vertegenwoordigde, dat hij een onafhankelijke autoriteit moest zijn. Dat verhinderde niet dat de Kerk, naarmate ze in de geschiedenis vaste grond kreeg, zich altijd meer beriep op de exclusieve autoriteit van Petrus.
Als het de bedoeling is dat iets groeit en zich ontwikkelt, dan moet boven al het fundament streng gevestigd zijn. Dat was wat de autoriteit voor de Kerk deed en nog altijd doet, terwijl de Kerk van Paulus meer een Kerk in het verborgene was die weliswaar nooit ophield in de zichtbare Kerk opgenomen te zijn en binnen haar stand hield, maar lange tijd als dusdanig niet op het voorplan kon treden. Het Paulinisch principe roerde zich altijd en zelfs behoorlijk sterk - hoewel zonder gevolg - in de Middeleeuwen. Want hoe strenger het realistische principe zich afsloot, des te beslister moest het het idealistische principe uitsluiten. Vandaar dat iemand die de ware relatie tussen de twee begrepen had ook al lang kon voorspellen dat er een tijd zou komen dat dit laatste principe zou doorbreken, in een vrije tegenstelling tot de Kerk van Petrus zou komen te staan, zich zou uiten als een specifiek principe, het principe van een tweede en nieuwe tijd.

Laat diegenen die niet iets hogers en goddelijks in de geschiedenis willen erkennen een gebeurtenis als de Reformatie toeschrijven aan de onwaardigste oorzaken, voor mijn part dat de Reformatie er kwam door de smerige hebzucht van rivaliserende bedelordes; maar ze moeten wel bedenken dat men deze manier van verklaren niet partijdig hier kan aanwenden en daar niet. Als men wil dan kan men voor iedere grote gebeurtenis toevallige en nietszeggende oorzaken vinden. Maar de zaken der mensen worden niet door zulke toevalligheden bestuurd. Zelfs bij het eerste begin van het christendom kunnen we dergelijke toevallige en bijkomstige oorzaken niet uitsluiten, maar de werkelijke oorzaken liggen niet daar maar wel in de hogere wetten die een goddelijke wil voorschreef voor iedere ontwikkeling.
Al wat in de wereld treedt, zich ontwikkelt in en voor de wereld, heeft een basis nodig, een begin dat ver af kan staan van het uiteindelijk doel van de ontwikkeling. Dat wordt niet direct herkend. Om vast te kunnen wortelen moet dit begin zichzelf beschouwen als de definitieve zaak. Er is dan een hogere instantie nodig die later dit begin, deze basis die de neiging heeft zich als het eindproduct te beschouwen, los te maken van de verdere ontwikkeling. Als datgene wat alleen maar basis, fundament is een belemmering begint te vormen voor een verdere ontwikkeling, dan verliest het daarom niet zijn recht om als basis, als fundament blijven verder te bestaan. Meer zelfs, het voortschrijdend inzicht moet willen dat deze basis blijft verder bestaan opdat er in ieder geval iets zou zijn waarop eventueel kan teruggevallen worden.
Vóór de tijd van de Reformatie was er in de christenheid een algemeen verlangen en een zucht naar een verbetering in hoofd en ledematen van de Kerk. Maar door alle vroegere conflicten waren de toestanden in de Kerk zo gecompliceerd geworden dat ze zelf deze crisissituatie niet kon oplossen. Er moest dus een breuk optreden, en het principe dat de Kerk niet in zich kon behouden, niet kon huisvesten, niet kon opnemen, moest onafhankelijk van de Kerk tevoorschijn komen, op eigen kracht. Niet om de Kerk als fundament te vernietigen ( Luther noemt de Roomse Kerk zelf nog zijn lieve moeder ) maar om ze op de weg naar volledige degeneratie tegen te houden, en haar zelf tot een zuivering, tot een bevrijding te brengen.
De Kerk van Petrus is het streng wetgevende. Met strenge wetgeving moet alles beginnen. Maar een Kerk die vrij en onafhankelijk zou zijn van de monolithisch geworden Petrinische Kerk, was al voorzien door de opdracht van een van Petrus onafhankelijke en vrije apostel. De onafhankelijkheid die de nieuwe gemeenschap wel moest aannemen t.o.v. de te bekrompen Kerk was daarom geen afscheiding van de ware Kerk die door deze tegenstelling niet afgeschaft werd maar veeleer slechts op een hoger niveau gebracht werd; want wat zich voorheen de enige Kerk noemde is even weinig als de nieuwe gemeenschap op zich de ware Kerk. Beide zijn slechts elk een fase in het bestaan van de ware Kerk die nog moet komen. Alleen de prioriteit blijft altijd bij de Kerk van Petrus, ja ze is zelfs door haar uitsluitend principe de noodzakelijke voorwaarde voor de andere.

De vrije, van het exclusieve principe onafhankelijke Kerk moest in Duitsland ontstaan en zich vooral onder de Germaanse naties verspreiden. Want klaarblijkelijk is de verhouding van de Romaanse naties tot het christendom helemaal anders. Bij hen schijnt het bijna als iets dat van buitenaf tot hen is gekomen, bij de Duitsers schijnt het in hun natuur te liggen. Duitsland is de woestijn waar de vrouw uit de Openbaring naartoe vlucht als de Draak haar zoon die ze met veel pijn gebaard heeft, achterna zit (Openb. 12).
Hoe heeft zich niet in de plaats van het christendom in het land van de hiërarchie een totaal andere, een moderne mythologie vastgezet ! Voor de Napolitaan, ook al voor de inwoner van Padua ligt Christus veel te ver in het verleden, zo ver dat zijn geest er geen moeite voor doet, voor hem is de H. Antonius een veel dichterbij gelegen, tegenwoordige troost.
De Griekse Kerk kan men niet tegenover de Roomse stellen want ze koestert dezelfde aanspraken die ze evenwel niet kon doorvoeren omdat de stroom van het mohammedanisme haar overweldigde en een verdere ontwikkeling verhinderde hoewel ze daardoor ook beschermd was tegen de Roomse Kerk en haar in stand hield als een levend argument tegen de zogezegde algemeenheid (katholiciteit) van de laatste.
Net zoals de Griekse kerkvaders al heel vroeg hun best gedaan hadden om de persoonlijke interpretatie van de woorden “Gij zijt Petrus enz.” te weerleggen wat hun niet gelukt is. Deze Grieken hielden staande dat dat men onder “de rots waarop Christus Zijn kerk wilde bouwen” niet de persoon van Petrus maar alleen zijn belijdenis moest verstaan worden. Vooral zo Origenes en Chrysostomus. Zo zegt Origenes o.m. : “Als ge denkt dat alleen op hem (Petrus) de ganse Kerk van God gebouwd is, wat zegt ge dan van de donderzoon Johannes en ieder andere apostel ? Of gaan we misschien beweren dat de poorten van de hel alleen tegen Petrus niets vermogen maar wel tegen de andere apostelen en hen zouden kunnen overweldigen ?” (Matth. 16)
Ten opzichte van ons standpunt dat zich uitspreekt voor een persoonlijke opdracht voor Petrus bewijst deze argumentatie niets want ook als men de opdracht van Petrus persoonlijk begrijpt dan ligt daarin niet de bedoeling om Johannes en Paulus uit te sluiten, wij geven hun alleen een andere functie dan de taak die Petrus bij het uitspreken van de woorden “Gij zijt Petrus enz.” toegewezen kreeg, volgens dewelke hij alleen maar de rots, de basis, dus een bepaalde maar beperkte fase zou moeten zijn waarin het christendom voor een tijd zou moeten bestaan.

Wat nu de overige apostelen betreft is het in ieder geval merkwaardig dat met uitzondering van de kleine brief van Judas en de brief van Jacobus van geen enkele andere apostel ergens een leerschrift bestaat.

De brief van Judas is relatief onbeduidend te meer omdat de kerngedachtes ook al in de tweede brief van Petrus voorkomen; de brief van Jacobus stamt wellicht niet van de apostel Jacobus maar van de toezichter van de gemeente in Jeruzalem, de broer van de Heer, en werd blijkbaar geschreven naar aanleiding van brieven van Paulus.

Leerschriften hebben we alleen van de drie grote apostelen Petrus, Paulus en Johannes, van wie door dit feit alleen al aangeduid is dat hun werking zich tot de laatste tijden van de hoogste ontwikkeling van het christendom moet uitstrekken.
Van Petrus zijn overigens slechts twee korte brieven voorhanden en tot deze heeft klaarblijkelijk Paulus de aanleiding gegeven. Paulus schijnt dus de eerste te zijn geweest die het plan had om ook door geschrift op zijn tijdgenoten te werken en die daardoor tegelijk ook zijn bestemming voor een latere werking documenteerde.

Intermezzo

Het lijkt mij hier de geschikte gelegenheid om in te gaan op een kritiek die men zou kunnen uiten op onze uiteenzetting tot hiertoe. Ik bedoel het feit dat wij alle geschriften gebruiken die tot het Nieuwe Testament gerekend worden, die door de Kerk goedgekeurd zijn en daarom canoniek genoemd worden. Wij gebruiken deze allemaal zonder onderscheid of als men wil zonder kritisch te zijn wat betreft de echtheid of de apostolische oorsprong van sommige van deze geschriften, zoals bvb. de tweede brief van Petrus.
Het in vraag stellen van deze geschriften breidt zich steeds verder uit en op den duur is men van geen enkel nieuwtestamentisch boek meer 100% zeker.
Hierop wil ik het volgende antwoorden :
1) Als wij in onze uiteenzetting gebruik maken van nieuwtestamentische geschriften, dan is dat omdat wij die beschouwen als oorkonden wier schrijvers in de geest van het christendom schreven, bij wie we inspiratie door de christelijke geest herkennen. De vraag naar de echte schrijvers is hier bij volledig bijkomstig. Het zuiver historische doel waarvoor wij ze gebruikt hebben wordt ook dan bereikt als de identiteit van de auteurs werkelijk betwijfelbaar is en het misschien wel anderen zijn die het geschreven hebben dan diegenen aan wie ze door de traditie toegeschreven worden. De absolute zekerheid over de werkelijke schrijvers is alleen belangrijk voor die dogmatische methode die de kernpunten van de christelijke leer niet op zich voor waar houdt maar alleen in zoverre ze in boeken staan die aanzien worden als door God gegeven, apostolisch. Wij hebben de vraag over de theopneustie2 van de nieuwtestamentische boeken nooit, tenminste nooit uitdrukkelijk behandeld, want het is niet omdat deze of gene leerstelling in een bepaald document voorkomt dat wij die voor waar houden, maar omgekeerd, omdat wij de leerstelling voor waar houden, meer bepaald als noodzakelijk in het grote verband waaruit alleen het christendom te begrijpen is, houden wij die boeken voor echt en geïnspireerd door de geest van het christendom, en alleen in deze zin beroepen wij ons op hen.

theopneustos : door de godheid ingeblazen, ingegeven, dus hier de vraag naar de goddelijke geïnspireerdheid van het Nieuwe Testament – fdw

Juist daarom nu en ten tweede omdat eigenlijk niet de uiterlijke getuigenissen maar de inhoud van een bepaald geschrift het tot een christelijk en in het bijzonder tot een apostolisch schrift maakt, zouden zij die de echtheid van een schrift betwijfelen dat tot dan toe als authentiek werd beschouwd, eerst moeten aantonen dat hun het ware begrip van de inhoud van dat geschrift duidelijk is. Tot een ware kritiek van het Nieuwe Testament behoort dus nog wat meer dan uiterlijke geleerdheid en een frivool spel met onhistorische mogelijkheden; want om bvb. te beweren dat een bepaalde brief niet van de apostel Paulus stamt, - wiens brieven allemaal zo’n specifieke en persoonlijke stempel dragen – dan moet tenminste de historische mogelijkheid van een andere persoon als schrijver kunnen aangetoond worden. Mij schijnt het echter dat een man uit de tijd na de apostelen die bvb. een brief die beschouwd wordt als paulinisch had kunnen schrijven, een zeer uitzonderlijk en bewonderenswaardige man had moeten zijn die onmogelijk een volledig onbekende in de geschiedenis had kunnen blijven, en juist de hierboven genoemde grote afstand tussen de apostolische en de na-apostolische geschriften schijnt mij het grootste bewijs te zijn voor de echtheid van de eerste.

Over het grote verschil tussen de geschriften van de apostolische tijd en de na-apostolische tijd sprak Schelling in de vorige voorlezing, zie Brug 115.
De reden van dit verschil legt Rudolf Steiner uit, zie verder in deze Brug .

En zelfs als men een schrijver uit de aposteltijd zou kunnen vinden, iemand die in verbinding stond met de apostelen zoals bvb. gebeurde met de brief aan de Hebreeën die men nu eens aan een geestverwant van Paulus, nl. Apollos, dan weer aan Barnabas toeschreef, dan zou dit voor ons standpunt niet het minste verschil uitmaken. ( .... )

Ten derde wil ik tenslotte nog opmerken dat het met die genoemde kritiek die op den duur geen enkel nieuwtestamentisch boek meer wil laten gelden, bijlange niet zo gevaarlijk uitziet als men wel denkt. Ik neem bvb. de vrijheid om deze of gene criticus te vragen of hij het boek waarvan hij spreekt begrepen heeft, niet oppervlakkig, filologisch of grammaticaal, maar volgens de geest. Ik vraag hem bvb. of hij de brief aan de Filippenzen heeft verstaan, wat ik zeer betwijfel, want een belangrijke plaats die ons zo’n groot licht bracht, die heeft hij hoogst waarschijnlijk niet begrepen. Of heeft hij de brief aan de Hebreeën in die zin begrepen ? Bij de oppervlakkige uitleg die men gewoonlijk leest, aangezien meestal iedereen in een bepaalde passage slechts het weinige vindt wat hij er toevallig van begrijpt, durf ik volhouden dat hij in de brief aan de Hebreeën de specifiek paulinische ideeën die aan niemand anders dan Paulus laten denken, helemaal niet ontdekt of gevonden heeft.
Ziet men dan verder hoe mensen zich vergissen over de oorzaak van gebeurtenissen die zich afspelen vóór hun ogen maar waarvan ze de achtergrond niet kennen, hoe ze allerlei combinaties veronderstellen; wat moet men dan denken van combinaties over gebeurtenissen die zo ver af liggen dat de grootste vergissingen quasi onvermijdelijk zijn; wat te denken van deze zich zo slim dunkende kritiek wanneer dan nog wat combinatorisch talent verwisseld wordt met een compilatorisch talent
Na dit intermezzo keer ik terug tot mijn laatste punt : alleen van de drie grote apostelen zijn schriftelijke oorkonden, didactische geschriften voorhanden, die aantonen dat de bestemming van deze drie tegelijk zich tot de toekomst richtte en zich niet beperkte tot hun eigen tijd, dat hun werking zich zelfs tot de laatste ontwikkeling van het christendom zich moest uitstrekken. Het is in Duitsland dat zal beslist worden over het lot van het christendom; het Duitse volk wordt erkend als het universeelste; lange tijd gold het ook als het waarheidlievendste dat alles, zelfs zijn politieke betekenis, opofferde ter wille van de waarheid. In het Duitse Rijk bestonden de oude Kerk en de nieuwe (protestantse) naast elkaar met dezelfde politieke rechten. Een latere verandering heeft gemaakt dat de twee godsdiensten niet alleen binnen het Rijk maar ook in de afzonderlijke staten met volledig gelijke rechten naast elkaar bestonden. Dat is niet zomaar gebeurd, het was op zich al een voorteken van een nieuwe, hogere ontwikkeling. ( ... ) Deze grote religieuze vernieuwing is geboren uit het wezen van de Duitse geest en het Duitse gemoed. ( ... )

Ik ga hier niet de rol van verdediger van het protestantisme spelen, mijn standpunt is het zuiver christelijke zoals dat in zijn historische ontwikkeling verloopt; mijn doel is die waarlijk algemene Kerk ( als kerk hier nog het juiste woord is ) die alleen in de Geest kan gebouwd worden en die alleen kan bestaan in het volmaakte begrijpen van het christendom, in zijn werkelijke versmelting met de algemene wetenschap en inzichten.
Zolang Christus iets geheimzinnigs is – niet alleen voor de individuele leden van de Kerk, maar ook voor de Kerk zelf, zolang een Kerk het tot haar opdracht rekent om Hem als in een gesloten schrijn waarvan niemand de sleutel heeft, alleen maar van op afstand, te tonen – zo lang heeft het protestantisme zijn ware vrucht niet gedragen.
Gaat men terug tot de oorsprong, dan ligt reeds in het woord ‘ekklesia’ iets beperkends. Zij is de gemeenschap van de ‘ekkaloumenoon’, zij die uit de wereld geroepen zijn, waardoor zij zich tegenover en buiten de wereld plaatste. Daarom moeten de protestanten er geen probleem van maken als de mensen die het christendom alleen maar als Kerk bezitten, hun verwijten dat ze geen Kerk zijn. Ze kunnen op zichzelf toepassen wat Paulus, die men niet als apostel wilde laten gelden, van zichzelf zei : door Gods genade ben ik wat ik ben, en Zijn genade aan mij is niet tevergeefs geweest, want ik heb veel meer gewerkt dan zij allen (1 Kor. 15,10).
Het protestantisme kan zich ook laten verwijten dat het een principe van vernietiging is door te antwoorden : dat is nu juist de werking van de verbindende potentie die het exclusieve Zijn van een eerste potentie overwint, die echter daardoor in de hoogste mate positief werkt omdat ze in plaats van het eerste, blinde, onbeweeglijke Zijn een vrij en zelfbewust leven laat ontstaan. Het protestantisme moet inzien dat het slechts overgang is, verbindingselement, omdat het alleen maar bestaat met het oog op een nog hogere ontwikkeling waarvoor het protestantisme het middenstuk is. En juist daarom alleen heeft het protestantisme een toekomst die voor de verstarde Petrinische Kerk afgesloten is, die zelf ten slotte alleen door hulp van het protestantisme de toekomst kan bereiken. Vandaar dat het dwaas is om te hopen dat de protestanten zullen terugkeren onder het juk dat ze afgeworpen hebben.

De geschiedenis is de meest onweerstaanbare autoriteit. Ik wil niet de bekende uitspraak van Schiller herhalen : ‘de wereldgeschiedenis is het wereldgerecht’, toch niet in de zin waar die tegenwoordig zo vaak gebruikt wordt, maar : de oordelen van de geschiedenis zijn Gods oordelen. terugdraaien wat gebeurd is, is even onmogelijk als een machtige stroom naar zijn bron te doen vloeien of een boom in de kruin waarvan zich de vogelen des hemels nestelen terug naar zijn kiemtoestand te brengen.
Van het katholicisme moeten we toegeven : het had de zaak en heeft ze nu nog; zijn verdienste is dat het de historische verbinding met Christus bewaard heeft. Anderzijds moeten we zeggen : de Roomse Kerk heeft wel de zaak maar niet het begrip ervan. De eenheid die ze had en waarin ze een deel van de christenheid vasthield was slechts een uiterlijke, blinde, niet een innerlijke, begrepen en ingeziene.
Dit is geen verwijt; want altijd komt het uiterlijke vóór het innerlijke.
Heeft ze nu haar tegenstelling gevonden, dan kan de betekenis van deze tegenstelling niet zijn om de eenheid teniet te doen, maar alleen de blinde eenheid, en kan de bedoeling van de tegenstelling alleen maar zijn om de overgang mogelijk te maken van de blinde, uiterlijke eenheid tot een begrepen, verstane en juist daarom vrije eenheid. Indien in deze zin het doel van het christendom beschouwd kan worden als bereikt, dan zou het protestantisme rustig ook de laatste vormen die het van de Petrinische Kerk heeft overgenomen laten vallen, vertrouwend op de kennis en inzicht dat nu voorgoed gewonnen is en die natuurlijk in zichzelf het karakter niet van een toevallige maar een noodzakelijke kennis zou moeten hebben. En ook de hekken waarmee het zich in deze middeltoestand moest omheinen wegnemen; dan pas zou de Reformatie voleindigd zijn.
Het katholicisme zou haar niet meer kunnen verwijten van inconsequent te zijn, niet meer kunnen zeggen dat ze tegenover het naturalisme, rationalisme enz. alleen maar menselijke opinie kan stellen. Alles wat de Petrinische Kerk alleen maar kon afwijzen en onderdrukken, heeft zij in een strijd met open vizier overwonnen; en zelfs op de lievelingsspreuk van haar tegenstanders “Of katholicisme, of deïsme” (wat zoals bekend gelijkgesteld werd met atheïsme)

Deïsme = opvatting dat een God bestaat als oergrond van de wereld maar deze God zou niet ingrijpen in de loop der gebeurtenissen in de natuur, die zich mechanisch laten begrijpen en verklaren.
Gelovigen en antroposofen zijn theïsten, ze erkennen een goddelijk wezen dat van de wereld onderscheiden is, haar heeft geschapen en op haar blijft inwerken. - fdw

zou ze kunnen antwoorden : ja, ook atheïsme, ook dit uiterste kon niet vermeden worden, maar aangezien nu juist de vrije geest vanop dit uiterste de terugweg gevonden heeft, niet in de richting van zomaar een onbepaalde religie, maar tot het christendom met volle overtuiging, en zo dat het mensengeslacht juist in dit christendom van nu af aan tegelijk zijn hoogste wetenschap bezit : zo is het waarlijke, namelijk innerlijk algemene, dus het ware katholische nu precies het resultaat en de winst van deze Reformatie waarvan men zegt dat ze het katholicisme vernietigd heeft.


Hier volgt in de tekst een lange voetnoot waarin Schelling ingaat op de polemiek tussen Franse katholieken en het protestantisme, met citaten van d’Alembert en Bossuet.
Wij van onze kant verwijzen hier liever naar Ernest Renan (1823-1892) die een “Leven van Jezus” schreef waar Rudolf Steiner geen goed woord voor over had (5) . Deze Renan vroeg zich af hoe die Duitsers toch hun geloof konden bewaren nadat ze zo kritisch de evangelies bestudeerden; hij als katholiek was op die manier zijn geloof verloren. Dit wijst ons op een verschil in volksaard. Voor de Franse katholiek was het : of de rede, of het geloof; de Duitser kan zowel rede als geloof tegelijk hebben.
Een voorbeeld : bij het bestuderen van de bijbel zagen de Duitsers dat Cyrus daar vernoemd werd 200 jaar vóór hij geboren werd; hun conclusie was dat het betreffende bijbelboek veel later moest geschreven zijn dan werd aangenomen. Bossuet (1627-1704) beschouwde dit wonder als een bevestiging van de onfeilbaarheid van het boek ! (6)

(5) Zie bvb. GA 148 “Het vijfde evangelie”, blz. 49 :” Het merkwaardige aan dit boek is dat het mengsel is van een verheven beschrijving en een schelmenroman. Renan maakt van de Christus die voor hem vooral Jezus is, een held die eerst goede bedoelingen had, een grote weldoener der mensheid is, maar dan als het ware door de begeestering van het volk meegesleept, meer en meer vertelt en doet wat het volk van Hem verwacht.”

(6 )Voorbeeld van Stefan Zweig in het voorwoord van de Duitse uitgave van Renans jeugdherinneringen (1925).


De op de autoriteit van Petrus gebouwde Kerk bracht het slechts tot een uiterlijke eenheid. In Paulus leefde het principe waardoor de Kerk niet van haar eenheid ging beroofd worden maar wel van haar blinde eenheid. Dit principe werd openbaar met de Reformatie die daardoor slechts tussenstap en overgang is naar een derde periode waarin een eenheid gevestigd wordt, maar wel een eenheid die in vrijheid bestaat, die uit overtuiging gewild is en daarom pas eeuwig en blijvend. Deze zonder enige uiterlijke dwang bestaande eenheid valt in een derde periode die door de H. Johannes, de derde van de grote apostelen gepersonifieerd wordt.

Als men de drie apostelen met elkaar vergelijkt, dan moet men denken aan het visioen van de profeet waar de Heer hem naderde en eerst een stormwind opstak die rotsen en bergen uiteenreet, dan een aardbeving en een vuur, en ten slotte een stil, zacht briesje waarin de Heer kwam. Johannes heeft niet het heftige, voorwaarts stormende van Petrus, wat altijd het karakter van het beginnende is; niet het schokkende van Paulus wiens brieven uitmunten door de donderslagen van het genie dat een heel gebied van samenhangende begrippen tegelijk dooreenschudt en bevrucht. In Johannes waait een zachte hemelse geest. Hij werd door Christus de donderzoon genoemd : als dusdanig wellicht heeft hij in zijn jonge tijd de Apocalyps geschreven waarin men de nieuwigheid van de omstandigheden aanvoelt, alsook hoeveel van het christendom nog toekomst is. In zijn evangelie en in zijn brieven is hij de reeds verlichte, in Christus opgenomene die tot ons spreekt als een geest die al boven de aardse zaken staat. De donder die ook hier nog hoorbaar is, hoort men als het ware boven in de hemel rommelen zonder dat hij op aarde neerslaat. Johannes heeft de eenvoud van Petrus en daarmee verenigd de dialectische scherpte van Paulus. Het meest opvallende is steeds het contrast geweest tussen de eerste drie evangelies en dat van Johannes hoewel er hier en daar overeenkomsten zijn tussen het Paulinische evangelie van Lucas en dat van Johannes. Men heeft het onmogelijk gevonden dat beide verhalen tegelijk zouden waar zijn. In recentere tijden heeft men hetzelfde opgemerkt bij Socrates : want de Christus bij de evangelist Marcus verschilt even veel van de Christus van Johannes als Socrates bij Xenofoon verschilt van de Socrates bij Plato. En toch zijn beide versies even waar hoewel ze zoveel van elkaar verschillen. Het betekent alleen dat Socrates groot genoeg was om het hele spectrum tussen Xenofoon en Plato in te vullen. Ware grootheid bestaat in het vermogen om af te dalen tot de eenvoudigste standpunten zonder de grootheid te verliezen. Het geheim van deze schijnbare eenvoud van Socrates die wij in Xenofoons Memorabilia bemerken ligt in de door en door zedelijke betekenis van zijn hoogste en meest speculatieve begrippen wat tot gevolg had wat Alkibiades van hem roemt dat geen van zijn leerlingen ooit van hem wegging zonder zich niet tegelijk zedelijk beter en hoger te hebben gevoeld. Alleen het zedelijke reikt van het ingewikkeldste en tot het eenvoudigste.

Het is onmiskenbaar dat in het evangelie van Johannes een heel andere geest waait; reeds in de Oudheid heette het ‘to pneumatikon toon euangelioon’. Merkwaardig is overigens dat de drie evangelies Marcus, Lucas, Johannes overeenkomen met de drie grote apostelen. Het evangelie van Marcus heeft volgens de oudste traditie een bijzondere relatie met Petrus: het is mijn overtuiging dat het ook het oudste is. Mattheus is duidelijk diegene die dit evangelie qua uitdrukkingen en gebeurtenissen verbeterd en uitgewerkt heeft maar daardoor ook de originaliteit van Marcus mist.
Het Paulinisch evangelie van Lucas vormt reeds een overgang, het evangelie van Johannes is duidelijk geschreven voor een verre toekomst. Waarschijnlijk om tegenover dit evangelie dat als enige van een apostel stamt een ander apostolisch evangelie te stellen is doelbewust een kunstmatige compositie onder de naam van Mattheus ontstaan.
Dat er een verband is tussen beide zien we al door het feit dat in de Latijnse handschriften na Mattheus Johannes volgt en dan pas Marcus en Lucas. Het is al lang bekend hoe gelijklopend Paulus en Johannes klinken wat betreft christologie. De overeenstemming ligt niet, zoals men zich gewoonlijk voorstelt in het feit dat ze alle twee de goddelijke waardigheid van Christus benadrukken maar veeleer daarin dat ze beide zo precies die tussentoestand van Christus kennen die alleen al Zijn persoon onthult.

Dat is wat ik over de apostel Johannes in ’t algemeen wilde onder de aandacht brengen. Maar nu moeten we nog aantonen waarom wij hem de bijzondere plaats toewijzen die we hem voorlopig hebben toegeschreven.

Net zoals in God drie onderscheidingen zijn, zo zijn in het christendom de drie belangrijkste apostelen. Net zo min als God slechts één Persoon is, net zo min is de Kerk alles in één apostel. Petrus is meer de apostel van de Vader. Hij blikt het verst in het verleden. Paulus is de eigenlijke apostel van de Zoon, Johannes de apostel van de Geest – hij alleen heeft de woorden die noch het Petrinische evangelie van Marcus, noch het Paulinische kent, de heerlijke woorden van de Geest die de Zoon door de Vader laat zenden, de Geest van de Waarheid die van de Vader uitgaat en die het is die zal leiden tot alle Waarheid, d.i. tot de hele, volmaakte Waarheid.

Toen na het reeds genoemde besluit tijdens de bijeenkomst in Jeruzalem joden en heidenen verdeeld werden tussen Petrus en Paulus, zo schijnt Johannes – van wiens werking als bisschop van een reeds bestaande gemeente te Efese wij iets weten maar van zijn eigenlijke werking als apostel wij zo goed als niets weten – aangewezen te zijn geweest om de apostel te zijn van de uit heidenen en joden volledig één geworden Kerk. Deze Kerk is echter nog altijd toekomstig want nog tot op de dag van vandaag zijn beide elementen te onderscheiden. Slechts één bewijs daarvan !
De heidenchristenen konden zich natuurlijk niet beroepen op hun werken, zij worden zalig zonder werken, “chooris ergoon’, uit louter Genade, zoals ook juist daarom de apostel der heidenen hun dat ijverig en herhaaldelijk inprent. De joden konden zich tenminste beroepen op het streng in acht nemen van een door God gegeven wet, en waren daarom minder geneigd een vrije, van werken onafhankelijke Genade aan te nemen. In deze twee meningen zoals ze, de eerste in de brieven van Paulus uitgesproken is, de andere in de brief van Jacobus – die overduidelijk met een antithetische bedoeling is geschreven (dat ook al is opmerkelijk in het Nieuw Testament dat het zelf ook al alle latere divergenties bevat) – in deze twee standpunten, die ten tijde van de Reformatie terug tegenover elkaar stonden, en nu nog tegenover elkaar staan, herkent men in de ene het heidense, in de andere het joodse element. Johannes was dus ( dat schijnt zijn levensloop zelf al aan te tonen als we die vergelijken met het dadenrijke leven van Paulus) aangewezen om de apostel van de toekomstige, dan pas waarlijk algemene Kerk te zijn, de Kerk die zich een tweede keer openstelt om naast diegenen die vroeger maar op joodse wijze in haar waren, nu ook in zich op te nemen zij die tot dan buiten haar stonden en in deze zin heidenen waren ( = de protestanten), zoals ook vandaag nog vele christelijk gedoopten door orthodoxe joden heidenen genoemd worden. En zeer goed mogelijk dat door deze heidenen de Kerk meer verheerlijkt wordt dan door de eng-joods-denkenden.

Johannes is de apostel van de toekomstige, waarlijk algemene Kerk van dat tweede Jeruzalem dat hijzelf zag neerdalen uit de hemel als een getooide bruid tot haar man, die niets meer uitsluitende stad van God waarin heidenen en joden gelijk binnengaan, waarin heidendom en jodendom even gelijk inbegrepen zijn, die zonder beperkende dwang, zonder uiterlijke autoriteit van welke aard ook, door zichzelf bestaat omdat ieder vrijwillig intreedt, ieder door zijn eigen overtuiging doordat zijn geest in deze stad zijn thuis gevonden heeft, tot haar behoort.
En juist daarom was Johannes ook de lieveling van de Heer die Hem altijd het nauwst aan het hart lag; want aan hen die de Heer graag ziet geeft Hij het werk van volleindiger.
Zelfs indien Johannes in de opsomming van de apostelen niet altijd als derde zou genoemd zijn, dan zou hij uit zichzelf, door zijn levensloop en zijn geschriften de derde apostel, de apostel van de toekomst zijn, die van de laatste tijden, wanneer het christendom voorwerp van een algemeen inzicht is geworden, wanneer het drie dingen niet meer zal zijn :
het enge, verwrongen, verkommerde, verarmde van de dogmatische scholen;
nog minder het in armzalige, het licht schuwende formuleringen armoedige ingeslotene; even min het tot een op maat gemaakt privé-christendom;
Het zal dan pas het waarlijk openbare godsdienst zijn – niet als staatsgodsdienst, niet als staatskerk, maar als de godsdienst van het mensengeslacht dat met deze godsdienst tegelijk de hoogste wetenschap bezit.

Ook Rudolf Steiner spreekt zich in die zin uit :
“De Kerk kan, als zij zichzelf op de juiste manier verstaat, alleen maar de bedoeling hebben om zichzelf op het fysieke vlak overbodig te maken, doordat het hele leven als een uitdrukking van het bovenzinnelijke wordt gemaakt.”
Dat lezen we in GA 182, in de bekende voordracht “Wat doet de engel in ons astraal lichaam ?”
“Alle vrije religiositeit die zich in de toekomst binnen de mensheid zal ontwikkelen, zal daarop berusten dat in iedere mens het evenbeeld van de Godheid werkelijk in directe levenspraktijk, niet alleen in theorie, zal herkend worden.”
Dus, dat we iedere mens tegemoet treden alsof we met de Christus zelf zouden te maken hebben.

Anders als zo kan het christendom niet meer een zaak van de Duitsers zijn. Na de Reformatie kunnen wij het slechts zo of helemaal niet meer als het onze beschouwen.

Dat Christus Johannes voor de toekomst bestemde wordt overtuigend getoond in het laatste hoofdstuk van het Johannes-evangelie, hoe raadselachtig heel deze passage ook mag schijnen. Hier openbaart Christus zich aan zijn volgelingen voor de derde keer na Zijn opwekking en vraagt aan Petrus : Simon, zoon van Jona, bemint gij Mij meer dan dezen (de andere volgelingen) ? Dat is duidelijk een verwijzing naar de uitspraak van Petrus : ook als allen U verloochenen, ik zal U niet verloochenen. De diep voelende Petrus antwoordt op deze vraag slechts : ja Heer, Gij weet dat ik U liefheb. Een tweede maal maakt de Heer de smadelijke herinnering wakker en vraagt gewoon : Simon, zoon van Jona, bemint gij Mij ? Petrus antwoordt hetzelfde. Een derde maal vraagt de Heer. Nu wordt Petrus bedroefd en antwoordt : Heer, Gij weet alles, Gij weet dat ik U lief heb. Na ieder antwoord van Petrus zegt Christus : weid mijn lammeren. De derde keer voegt Hij aan dit bevel woorden toe die aangeven hoe Petrus later zal sterven en zegt dan : volg mij. Als Petrus zich omdraait ziet hij de leerling die de Heer liefhad en vraagt : Heer, wat met hem ? – Petrus begrijpt niet dat Christus hem uitkiest en niet de leerling die Hij lief had; hij weet zelf dat hij niet de lieveling van de Heer is en had verwacht dat, zoals altijd daarvoor, Johannes samen met hem zou moeten gaan (ze waren ook samen uitgestuurd om het Paasmaal voor te bereiden). Jezus echter antwoordt hem : als Ik wil dat hij blijft tot Ik kom, wat gaat het u aan ? Volg gij Mij. – In het evangelie zelf wordt opgemerkt dat uit deze woorden de mening ontstond dat Johannes niet zou sterven, een mening die lang bleef leven, op verschillende tijdstippen weer opdook en tegelijk ook de waarheid van het feit bezegelde dat namelijk Christus werkelijk gezegd heeft : als Ik wil dat hij blijft tot Ik kom.
Tegelijk weerlegt dit feit de ongelukkigste van alle verklaringen, nl. dat Christus Petrus zou gevraagd hebben om zich met Hem te verwijderen en dat Petrus dan vroeg of Johannes niet moest meekomen. En dan zou Jezus geantwoord hebben: als Ik wil dat hij blijft ( namelijk hier blijven staan) tot Ik terugkom van mijn bespreking met u enz.
Zo’n trivialiteit zou toch nooit opgetekend zijn geweest en daarbij ‘eoos erchomai’ betekent niet ‘tot ik terugkom’ maar ‘tot ik kom’, en we weten uit andere passages wat Christus onder Zijn komen verstaat.

Begrijpt men echter dit komen werkelijk als het komen van Christus bij het einde van de wereld en het blijven van Johannes als een niet-sterven , als een blijven-leven, dan is de uitlegging dat Johannes überhaupt niet zou sterven (want als Christus gekomen is, dan is er geen sterven meer) in ieder geval de enig mogelijke.

En toch is Johannes gestorven. Ook wordt deze uitlegging door het evangelie zelf tegengesproken. Welke middelen men aangewend heeft om deze moeilijkheid op te lossen zou ons te ver voeren. Laat ons dus de vraag stellen waarop het berust dat men het ‘blijven’ (Grieks : menein) in de uitspraak van Christus heeft opgevat als ‘blijven leven’. Te meer dat ‘menein’-blijven ook op andere plaatsen zo gebruikt wordt,

zie : 1Kor. 15,6 “van wie de meesten tot op dit ogenblik in leven zijn (menein) maar sommigen zijn ontslapen”

en dat juist voordien eerst sprake is van de dood van Petrus. Men heeft alleen uit het oog verloren dat de vraag van Petrus : wat met hem ? – niet direct op de woorden volgt waarmee de toekomstige dood van Petrus aangeduid wordt. Uitdrukkelijk wordt gezegd : nadat Hij dit gezegd had sprak Jezus tot Petrus : volg mij. Met het oog op het vervolg van het relaas moet men zich hier voorstellen dat Christus werkelijk weggaat, zich verwijdert, het bevel aan Petrus om Hem te volgen is een werkelijke, als het ware symbolisch afzondering (segregatie van Petrus t.o.v. de andere apostelen). Johannes echter, die zich tot hiertoe nooit uitgesloten zag, volgt ook nu, waarop Petrus zegt : wat met hem ? – De zin is dus : moet deze U ook niet volgen ?
Het zou een totaal onzinnig antwoord zijn als ‘blijven’ hier ‘blijven leven’ zou betekenen.
Zo’n antwoord kan men zich slechts voorstellen als Petrus had gevraagd : moet deze ook als ik sterven ? – Alleen als er juist daarvoor sprake was geweest van ’sterven’ dan zou ‘blijven’ kunnen betekenen ‘niet sterven’. Maar nu er eerst staat ‘volgen’ dan kan ‘blijven’ niets anders betekenen dan ‘niet volgen’.

De zin is dus : als Ik wil dat deze Mij niet volgt, wat gaat het u aan ? Gij, volg gij Mij.
Petrus is dus rechtstreeks de opvolger van Christus, Johannes pas Zijn opvolger tegen de tijd dat Hij komt; want zo mogen die woorden wel verklaard worden. Niet dat Johannes pas optreedt op het ogenblik van het werkelijke komen van Christus ( want dan is er geen plaatsvervanger meer nodig) maar dat de functie van de H. Johannes begint met de tijd dat de Heer komt, dus in de laatste dagen van de Kerk.

Vooraleer ik de bespreking van dit evangeliehoofdstuk afsluit wil ik erop wijzen dat dit hoofdstuk als sinds Grotius beschouwd wordt als een latere toevoeging.

Grotius = Hugo de Groot (Delft 1583 -1645), geniale Nederlander, rechtsgeleerde en schrijver, ook van theologische verhandelingen – fdw

Zelfs als dat zo is, dan blijft toch als een onbetwistbaar feit bestaan dat onder de christenen als gevolg van woorden die de Heer gesproken heeft, de mening ontstond dat Johannes niet zou sterven. Aangezien dit dus niet de betekenis van die woorden kon zijn, zoals het evangelie zelf opmerkt, dan kunnen die woorden alleen maar betekenen dat Johannes bewaard zou blijven tot de tijd van de toekomst van Christus, en als die woorden geen betrekking hadden op het fysieke bestaan van Johannes, dan kunnen ze alleen maar slaan op zijn werking, zijn ambt, en uit heel het verband begrijpen we dat hij niet zoals Petrus de directe opvolger van Christus moest zijn maar dat hij het werkend principe van de Kerk pas in de laatste tijden moest zijn.
De functie van Johannes kan natuurlijk niet eerder beginnen dan wanneer de exclusiviteit van Petrus volledig overwonnen is en de Kerk haar laatste eenheid heeft bereikt waar er werkelijk Eén Herder en één kudde zal zijn. Dit woord vinden wij alleen bij Johannes.
Wellicht is een aanvoelen van deze bestemming van Johannes voor een veel latere tijd de reden waarom zo vele kerken gewijd zijn aan de andere apostelen en heiligen, vooral ook aan Johannes de Doper, maar zeer weinige aan de apostel Johannes. De kerk van de H. Johannes van Lateranen in Rome, die in rang de eerste kerk van Rome en de katholieke wereld is, zoals het Latijnse opschrift zegt :
“Sacrosancta Lateranensis ecclesia, omnium urbis et orbis ecclesiarum mater et caput”
is in haar oudste gedeelte een doopplek (baptisterium) hoewel één kapel ervan gewijd is aan de evangelist Johannes. De prachtvolle tempel van de H. Petrus waarvan de bouw één van de aanleidingen was tot de Reformatie, staat in het midden van de stad Rome. De kerk van de H. Paulus die onder de regering van Pius VII afgebrand is en nu nog niet volledig heropgebouwd is, staat in een voorstad.
Indien ik zelf een kerk te bouwen had, ik zou ze wijden aan de H. Johannes. Maar vroeg of laat zal er een gebouwd worden die de drie apostelvorsten verenigt omdat de laatste potentie de vroegere niet opheft of uitsluit maar ze verlicht en in zich opneemt. Dit zou dan het ware Pantheon van de christelijke kerkgeschiedenis zijn.



Hiermee is Schelling aan het einde van zijn betoog gekomen. Hij laat nog enkele algemene opmerkingen volgen over deze voordrachtenreeks ‘De Filosofie der Openbaring” en bedankt dan zijn toehoorders omdat ze in staat waren hun volhardende en voortdurende aandacht te richten op voordrachten van zo’n ernstige en diepe inhoud.
Wij van onze kant willen onze lezers bedanken met dezelfde woorden ....


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

De tijdgenoten van Christus


We lazen bij Schelling in de 36ste voorlezing (in Brug 115 ) :

“Is er iets dat ons meer verbaasd doet staan dan de ongemene zwakte van de vrije christelijke kennis vlak na de tijden der apostelen ? Er bestaat toch geen grotere afstand dan die tussen de geschriften van de apostelen en die van de eerste na-apostolische tijd ! Wat dus het overduidelijk bewijs is dat het iets anders was dan vrije menselijke kennis die uit de apostelen sprak, dat zij nog onder de invloed en inspiratie stonden van het proces dat door het christendom in gang werd gezet. Welk een zwak christelijk bewustzijn bij de meeste zgn. apostolische vaderen; wat duidelijk laat zien hoe na de kracht van de grote en goddelijke impuls onmiddellijk een grote inzinking volgde.”


Rudolf Steiner verklaart dit verschil in de voordracht van 16 oktober 1918 te Zürich (GA 182).


Met de krachten die wij in onszelf ontwikkelen tussen geboorte en dood kunnen we het Mysterie van Golgotha niet verstaan ....

“Dat is ook de reden waarom ook de tijdgenoten van de Christus Jezus, zij die Hem toegenegen waren, de apostelen, alleen maar konden verstaan hoe het in feite zat met het wezen van de Christus Jezus die in hun midden was, omdat ze beschikten over een atavistische helderziendheid en door dit atavistisch helderzien voelden ze aan wie het was die zich onder hen bevond. Maar door hun eigen menselijke krachten konden ze dat niet.
En dan schreven ze ook de evangeliën met behulp van oude mysterieboeken. Ze schreven die, deze machtige evangelieboeken, vanuit de oude atavistische helderziende kracht, niet vanuit de krachten die zich tot dan op natuurlijke wijze in de mens hadden ontwikkeld.

Maar de mensenziel ontwikkelt zich verder, ook nadat ze door de poort van de dood is gegaan. Zij groeit, zijn neemt toe in krachten om te begrijpen, ze leert altijd meer en meer zaken verstaan.
Het merkwaardige is nu dat de tijdgenoten van Christus die zich door hun liefde tot de Christus voorbereid hadden voor een leven in Christus na de dood, dat deze uit eigen menselijke krachten het Mysterie van Golgotha pas begrepen in de derde eeuw na het plaatsvinden van dit Mysterie. Dus diegenen die in dezelfde tijd geleefd hadden als Christus en de apostelen, die stierven dan, leefden verder in de geestelijke wereld, en, door in de geestelijke wereld te leven, groeiden hun krachten, net zoals ze hier op aarde in de loop van het leven toenemen. Op het ogenblik van de dood staan we nog niet zo ver om iets te begrijpen als twee eeuwen later. Deze tijdgenoten waren eigenlijk pas in de tweede eeuw, tegen de derde eeuw zo ver dat ze dan in het geestelijk element waarin de mens leeft tussen dood en een nieuwe geboorte, uit zichzelf tot een begrijpen kwamen van wat ze twee of drie eeuwen daarvoor op aarde hadden meegemaakt. En dan inspireerden ze vanuit de geestelijke wereld de mensen die hier beneden op aarde liepen.

. Leest u eens vanuit dit gezichtspunt wat de zogenaamde kerkvaders in de tweede, derde eeuw toen de inspiratie pas goed begon, geschreven hebben, dan zult u een idee hebben van hoe men kan begrijpen wat door de kerkvaders over Christus Jezus geschreven is. Al wat door de dode tijdgenoten van de Christus Jezus geïnspireerd is, dat is men in de derde eeuw beginnen schrijven. Een merkwaardig taalgebruik vindt men bij deze mensen uit de derde eeuw als ze het hebben over de Christus Jezus, een taalgebruik dat voor de mens van nu quasi niet te begrijpen is, we zullen het er straks over hebben.

Ik wil nu spreken over een mens – ik kon ook een andere nemen – maar ik wil nu spreken over iemand die voor de huidige materialistische cultuur zo’n echt abominabele persoon is, de man van wie deze materialistische cultuur zegt dat hij de afgrijselijke uitspraak deed : credo quia absurdum est – ik geloof omdat het absurd is; over Tertullianus wil ik spreken.

Deze Tertullianus leefde ongeveer in de tijd toen de inspiratie van bovenaf door de dode tijdgenoten van de Christus Jezus begon en hij stond onder deze inspiratie. Als men deze Tertullianus aandachtig leest, dan krijgt men een merkwaardige indruk. Natuurlijk kon hij niet anders schrijven dan volgens zijn eigen menselijke aard. Iemand kan zeer wel inspiraties hebben maar die tonen zich altijd op een manier dat men ze kan opnemen. Zo gaf ook Tertullianus de inspiratie niet heel zuiver weer; hij gaf ze weer zoals hij ze in zijn menselijke hersenen kon uitdrukken, ten eerste omdat hij in een sterfelijk lichaam woonde en ten tweede omdat hij in een bepaald opzicht vurig en fanatiek was. Hij schreef zoals hij er uitsdrukking kon aan geven, maar dan op een hoogst merkwaardige wijze, wanneer we het beschouwen van een waar en juist standpunt.

Deze Tertullianus zien we vanuit dat standpunt als een Romein die niet eens over een bijzonder hoge literaire vorming beschikte, maar wel als schrijver met een indrukwekkend taalvermogen. Zodat men kan zeggen : Tertullianus is de man die de Latijnse taal geschikt heeft gemaakt voor het christendom. Hij was het die de mogelijkheid heeft gevonden om deze totaal prozaïsche, totaal onpoëtische taal, deze zuiver rhetorische taal, de Latijnse taal te doorgloeien met zo’n temperament en met zo’n heilige passie dat werkelijk rechtstreeks zieleleven in het werk van Tertullianus steekt, vooral in “De Carne Christi” bvb. of ook in het werk waarin hij alles poogt te weerleggen waarvan men de christenen beschuldigt. Die werken zijn met een heilig temperament geschreven en met een indrukwekkende kracht. En deze Tertullianus was als Romein zonder vooroordelen t.o.v. zijn eigen Romein zijn. Hij vond indrukwekkende woorden waarmee hij de christenen verdedigde tegen de vervolgingen door de Romeinen. De mishandelingen die de christenen moesten verduren opdat ze zich zouden afkeren van de Christus Jezus, veroordeelde hij heftig met de woorden : bewijst niet jullie houding als rechters t.o.v. de christenen niet al genoeg dat jullie onrechtvaardig zijn ? Heel jullie rechterlijke procedure moeten jullie omkeren als jullie met christenen te maken hebben. In andere gevallen dwingen jullie door foltering dat een getuige niet meer ontkent, jullie willen bereiken dat hij de waarheid spreekt, dat hij zegt wat hij werkelijk meent. Bij de christenmens doen jullie het omgekeerde : jullie folteren hem opdat hij loochent wat hij meent. Bij hem doen jullie als rechters net het omgekeerde van wat jullie bij een ander doen. Gewoonlijk willen jullie door foltering de waarheid te weten komen, bij de christenmens wilt ge een leugen horen. En op dergelijke wijze sprak Tertullianus over veel, met woorden die werkelijk spijkers met koppen slaan.”


En dan gaat Steiner verder over deze Tertullianus en laat hem bevestigen wat in december 2021 in Brug 114 stond in het interview met Father Savvas over de demonen die de waarheid spreken in verband met de vaccinaties. Voor de huidige “wetenschappelijke” cultuur baarlijke nonsens natuurlijk.


“En deze woorden bewijzen ook een andere ervaring van een andere priester-monnik die duiveluitdrijvingen doet. De demon die in verdrukking kwam sprak de waarheid tegen zijn wil : “Waarom zeg ik u dat ? Ik wil het niet zeggen, maar ik word ertoe verplicht.”
De priester-monnik antwoordde : ik zet je niet onder druk.
De demon antwoordde : ik word gedwongen het u te zeggen.
En de demon vertelde hem : we deden een ceremonie voor de vaccins in een loge in Amerika.’ –
De satanisten voltrokken een ceremonie voor de vaccins. De demon ging verder :
al wie het vaccin neemt zal het nooit meer kunnen berouwen ( to repent, in het Grieks metanoéoo, tot andere gedachten komen, tot inkeer komen, vandaar : berouw hebben, boete doen - fdw) –
Dat lijkt hardvochtig te zijn (vanwege de geestelijke wereld – fdw).
De priester vroeg dan : waarom zullen ze niet kunnen berouwen ? – De demon antwoordde : omdat ik binnen in hen zal zitten. – “


Rudolf Steiner gaat dus verder :


“Daarbij kan men zeggen dat naast het feit dat hij een moedige, krachtdadige man was die de holheid van de Romeinse afgoderij volledig doorzag en beschreef, hij daarenboven een mens was die in al zijn geschriften bewees dat hij contact had met de bovenzinnelijke wereld. Hij spreekt van de bovenzinnelijke wereld op zo’n manier dat men ziet : de man weet wat het betekent om over de bovenzinnelijke wereld te spreken. Hij spreekt van demonen alsof hij over zijn menselijke kennissen spreekt. En hij spreekt bvb. over demonen zo dat hij zegt : vraag aan de demonen of de Christus, Hij van wie de christenen beweren dat Hij een echte God is, of die werkelijk een ware God is ! Zet eens een echte christenmens tegenover een bezetene uit wie een demon spreekt, dan zult ge zien : als hij hem werkelijk tot spreken brengt, dan zal hij toegeven dat hij zelf een demon is, want hij zegt de waarheid, – dat wist Tertullianus, dat de demonen niet liegen als men ze bevraagt, - Maar de demonen zeggen jullie ook, als de christenmens ze op de juiste manier vanuit zijn bewustzijn bevraagt, dat de Christus de ware God is. Alleen haten ze Hem omdat ze Hem bestrijden. Jullie zult van de demon horen dat Hij de ware God is. –
En zo beroept Tertullianus zich niet alleen op de getuigenis van mensen maar ook op de getuigenis van demonen. En zo spreekt hij van demonen als getuigen, die niet zo maar praten, maar die ook bekennen dat Christus de ware God is.”

Uit de voordracht van 9 juni 1908 in Keulen, opgenomen in “Natuurwezens” : .


Over fantomen, spoken en demonen


“Overzien we de materiële werkelijkheid, dan weten we dat ons leven doorspekt is met allerlei onwaarachtigheden. Wanneer de mensen iets zeggen wat ze niet echt menen, dan is dat net als met de afdruk van een stempel in zegellak. Die afdruk is blijvend. Alle huichelarij, onwaarheid en laster blijft als een afdruk in het fysieke lichaam aanwezig. Wanneer de mens 's nachts zijn fysieke lichaam en zijn etherlichaam verlaat, dan kan men zulke afdrukken zien. Nu komen de wezens uit de hogere werelden en vinden die afdrukken. Dat is niet met de hogere werelden te verenigen. Daardoor treedt iets nieuws op, er wordt iets volkomen nieuws geschapen. Nu worden er door het fysieke lichaam wezens afgesnoerd van de hogere wezens, die dan een zelfstandig bestaan gaan leiden, tussen onze werelden in. Men noemt ze in de occulte wetenschap fantomen. Men noemt ze zo omdat ze het dichtst bij het fysieke waarnemen staan. Verder zijn het ook wezens die aan fysieke wetmatigheden beantwoorden. Ze zwermen door onze ruimte. Ze vertragen de menselijke ontwikkeling. Ze maken dat wat in de wereld leeft slechter dan wanneer ze er niet zouden zijn. Deze fantomen zijn wezens die de mensen voortbrengen door leugens, huichelarij enz. en die de ontwikkeling tegenhouden. ( ... )
Fantomen zijn ook een soort natuurwezens, en wel natuurwezens die hun bestaan aan de werkzaamheid van de mensen te danken hebben. 's Avonds verlaat de mens zijn fysieke lichaam en laat daarin de zegelafdrukken van leugens, huichelarij, enz. achter. Als de mens er dan 's ochtends weer intrekt, stromen eerst deze fantomen uit het fysieke lichaam naar buiten.

Ook het etherlichaam kan zo worden beïnvloed dat het afgesnoerde wezens voortbrengt. Opnieuw zijn het bepaalde processen in de mensenwereld die maken dat zulke afsnoeringen door het etherlichaam ontstaan. Alle dingen in de sfeer van onrechtvaardige, slechte wetten, die op een onjuiste wijze bestraffen, slechte organisatorische vormen in een sociale gemeenschap, hebben hun terugslag op het etherlichaam, zodat zich daarin wezens afsnoeren. Deze wezens zijn spoken. De mensen zouden zich moeite moeten geven hun organisatievormen zo goed mogelijk te kiezen, om te voorkomen dat ze zulke wezens in het leven roepen.

Nu richten we onze blik op het ik en het astrale lichaam tijdens de nacht. Naar het astrale lichaam en het ik stromen in de nacht ook hogere krachten uit een hogere wereld neer. En als de mens uit zijn leven overdag bepaalde dingen meeneemt, dan vindt er weer een afsnoeringsproces plaats. Het zijn weer dingen uit het zieleleven die het afsnoeringsproces teweegbrengen. Laten we ons eens voorstellen dat er twee mensen zijn met twee verschillende meningen. De een probeert de ander te overreden en heeft het verlangen hem te overtuigen. Dit verlangen is tegenwoordig bij zeer veel mensen aanwezig. Wat de mensen zouden moeten doen is de ander hun mening voorleggen en afwachten of er in de ander krachten worden opgewekt waardoor hij die mening aanneemt. Veel mensen hangen fanatiek hun eigen mening aan en zijn beslist met tevreden als ze niet in staat zijn de ander onder dwang hun mening bij te brengen. Als zoiets gebeurt lijden beide astrale lichamen schade. Ze nemen dat overreden en die onjuiste adviezen in zich op. En wat in de astrale lichamen is binnengedrongen, heeft tot gevolg dat zich 's nachts uit het astrale lichaam wezens afsnoeren die men demonen noemt.
Vooral deze demonische wezens hebben een uiterst ongunstige invloed op onze menselijke ontwikkeling. Ze zwermen door de geestelijke ruimte en weerhouden de mensen ervan hun persoonlijke zienswijze te ontwikkelen. Denkt u zich maar eens in hoeveel er op dit gebied in menig café, bij menig glas bier wordt gezondigd. Daar worden voortdurend krachten opgenomen die tot demonenvorming leiden. Deze sluipen de menselijke ziel binnen. Men zou zich af moeten vragen wat zich in dit opzicht niet afspeelt bij rechtszittingen, waar mensen moeten getuigen. Ze zijn overtuigd van hun gelijk, leggen in de grond van de zaak ook geen valse getuigenis af, omdat ze immers overtuigd zijn. ( ... )
Er bestaat voor de mens geen ander middel om zich te bevrijden van de invloeden van deze schadelijke geestelijke wezens, dan deze dingen te doorzien, dan te weten wat hij bewerkstelligt. Overal waar er gelegenheid is voor deze wezens om hun verwoestende invloeden uit te oefenen, zijn ze aanwezig. In de rechtszaal kan de occulte waarnemer dat zien. Deze wezens werken altijd in dezelfde richting als waaruit ze zijn ontstaan. Wezens die door slechte wetten zijn ontstaan, werken weer zo dat ze de mensen tot slechte wetten verleiden.”


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Oekraïne


Terwijl we wat meer orde probeerden te scheppen in ons digitaal archief, vonden we een artikel dat al lang in De Brug had moeten staan maar om één of andere reden nooit gepubliceerd werd. Het bleek nog altijd actueel te zijn. Onze inleiding van toen laten we erbij staan.


In De Brug 72 lieten we Franz Oppenheimer aan het woord over het ontstaan van de staat.
Om de sociale driegeleding begrijpelijk te maken is het nodig dat we ons grondig verdiepen in het wezen van de Staat. Rudolf Steiner wees ons in dat verband altijd naar een klein boekje van Wilhelm von Humboldt uit 1792.

Het boekje heet “Ideen zu einem Versuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen“ – ideeën bij een poging om de grenzen van het werkingsgebied van de Staat af te bakenen.
Zoals de titel laat vermoeden is het geen gemakkelijke literatuur. Het boek werd door de censuur in Berlijn verboden, het was te revolutionair :
“Het principe dat de regering voor het geluk en het welzijn, zowel het fysieke als het morele van de natie moet zorgen, is de ergste en teneerdrukkendste vorm van despotisme.”
Pas in 1851 kon het gepubliceerd worden. Duitse tekst op :
http://www.dreigliederung.de/gliederung/humboldtsideen.html

We zijn nu 200 jaar verder. Ook onze tijdgenoten hebben interessante ervaringen opgedaan i.v.m. de staat en hun ideeën neergepend. Op de website van Lew Rockwell kun je veel vinden in dat verband, het is een anti-staat website, anti-oorlog en pro-vrijemarkt. Het is dus een libertarisch gedachtegoed dat hier uitgedragen wordt. Libertariërs zijn in Europa minder graag gezien dan in de V.S. omdat ze in een compleet vrije markt de oplossing voor alle maatschappelijke problemen zien. Ook zij maken geen onderscheid tussen de drie maatschappelijke gebieden en het is in feite aan ons antroposofen om hun duidelijk te maken tot waar het gebied van de economische mens mag reiken. Wat betreft hun ideeën over de staat kunnen we hen een groot stuk volgen, in de zin dat de staat zo klein mogelijk moet zijn, hij moet alleen zorgen dat er referenda kunnen plaatsvinden zodat het volk zijn keuzes kan maken over de samenlevingsproblematieken.
Stel je voor dat er in Amerika in plaats van een regering alleen en klein administratief apparaat zou functioneren dat alleen maar zorgt dat referenda en verkiezingen kunnen plaatsvinden. Zou er dan een oorlog tegen Irak begonnen zijn ? Niet eens de WTC-torens zouden dan gedynamiteerd zijn geweest.
Stel je voor dat er 100 jaar geleden geen regeringen waren geweest, zou dan het conflict van 1914 uitgegroeid zijn tot een Eerste Wereldoorlog ?
We willen daarmee niet zeggen dat een wereld zonder regeringen toen mogelijk was, en in feite is dat nu ook niet mogelijk, gezien de stand van de menselijke ontwikkeling. Maar wij moeten naar de toekomst kijken. Een regeringloze tijd is nog niet voor binnenkort. Eerst zal er een grote superregering geïnstalleerd worden. Ahriman heeft daartoe de vrijheid gekregen en het is een test voor de wakkerheid van de aardemens. Wie te weinig bewust leeft is automatisch een onbewuste medestander van Ahriman. Wij antroposofen kunnen daar niet veel aan veranderen, het is een noodzakelijke ontwikkeling. Maar dat belet ons niet om nu al de ideeën uit te werken die latere generaties kunnen gebruiken. Eén van de verouderde ideeën waar we zeker van af moeten is het “heidens geloof” in de Staat, zoals LeFevre het noemt in onderstaand artikel.


Robert Lefevre (1911 – 1986) was een zakenman en radio-persoonlijkheid, stichter van de Freedom School in Colorado. Hij schreef zijn autobiografie “A Way To Be Free” op het eind van zijn leven, wat je voelt aan de rustige en gelaten toon van zijn betoog. We vertaalden een uittreksel uit het nawoord.


Wat hebben mijn ervaringen mij geleerd ?

Ik heb geleerd dat een regering de grootste vijand van de mens is en dat een regering niet eens nodig is. Met mijn school aan de voet van de Rampartheuvels in Colorado leefden wij zonder “bescherming” of “diensten” van de regering, voor zover dat toen mogelijk was.


Wat sterk leeft in de Amerikaanse traditie is de pionier die altijd op de grens van de beschaving leefde, een beetje zoals de Kozakkengemeenschappen ten tijde van de tsaar. Naarmate de “beschaving” opschoof naar het Westen, schoven deze pioniers mee op, samen met de zgn. frontier. Toen de Westkust bereikt werd was er geen frontier meer. Lefevre verwijst hiernaar :


De grens vandaag is niet meer geografisch, het is een grens van de geest. Het is absurd om te verwachten dat iedereen dit gaat inzien of daar zal willen mee leven. Geen enkele grens heeft ook gevraagd dat iedereen erover trekt. Evenmin is er een garantie dat zij die de grens overschrijden het paradijs zullen vinden. Die garantie is er niet. Ongetwijfeld zullen er veel verkeerde richtingen ingeslagen worden. Het is zelfs voorspelbaar dat sommigen zullen falen en zelfs zullen sterven terwijl ze de poging doen.

Mensen zullen moeten leren leven in een maatschappij die niet door een regering bestuurd wordt. Dit was niet altijd zo, maar nu is het wel zo. Gewoon op een andere locatie gaan leven met dezelfde oude ideeën zal dezelfde fouten opleveren waarmee we nu af te rekenen hebben.
Op dit punt komt altijd het argument van diegenen die niet nadenken :
“Ieder mens is in staat om het slechte te doen”, zeggen ze dan. En dat is waar. “We kunnen niet toelaten dat mensen kwaad doen aan hun medemens.” Ook dat is waar. “Dus”, zegt men, “moeten we een regering hebben die de mogelijkheid heeft om de boosdoeners tegen te houden.”
En, omdat ze het goed met mij menen, roepen ze uit : “Je zou gelijk hebben LeFevre, indien mensen zich zouden gedragen. Maar dat doen ze niet. Natuurlijk, indien alle mensen goed waren, dan hebben we geen regering nodig. Maar de menselijke natuur verandert niet. En daarom moeten we een regering hebben die de macht heeft om boosdoeners te vangen en te straffen, lokaal of op wereldschaal.”

Ik denk dat ik daarmee tamelijk correct het standpunt van mijn tegenstanders heb weergegeven. Maar keer op keer wordt hetzelfde niét opgemerkt. Als we een regering hebben, dan zullen het ook mensen zijn die het kwaad van anderen moeten beletten. Maar deze mensen zijn even menselijk en vertonen evenveel neiging tot het kwaad als diegenen die ze verondersteld worden in te tomen. Als mensen in staat zijn om het kwade te doen, dan zijn ook de mensen die de burelen van de regering bevolken uit hetzelfde hout gesneden. Zij zijn even zeer potentiële boosdoeners. Er is geen enkele morzel van bewijs dat zij anders zouden zijn. Als mensen in staat zijn om het kwade te doen en je geeft sommigen macht over anderen, dan komen daar onvermijdelijk kwade daden van. Maar er is een verschil. Wanneer mensen in een staatsapparaat een kwade daad begaan, dan zijn ze wettelijk beschermd tegen de gevolgen van die daad.
Indien gewone mensen, zonder rechten of macht over hun medemens, dagelijks hetzelfde zouden doen wat de mensen in het staatsapparaat doen, dan stond de wereld in vuur en vlam. We zouden een terreur kennen waarbij gewone mensen van huis tot huis zouden gaan om te nemen wat ze willen en uitroepen dat hun “behoefte” op zich al een voldoende reden is voor hun roof.
Eigenlijk is het dat wat we nu overal beginnen zien, en we noemen het terrorisme. Kleine groepjes mensen doen gewoon na wat ze van regeringen afgekeken hebben.

De grens van de geest is een grens die tegen terrorisme is, van welke instantie dat terrorisme ook uitgaat.
Als een bende gewapende mannen met de laatste snufjes op moordgebied beginnen te doden in een of ander land, dan wachten we tot we weten wie hen gezonden heeft. Als ze onderdanen zijn van een staat, dan prijzen we hen voor hun moed. Als ze het doen zonder de opdracht van een regering, dan noemen we ze terroristen.
Maar als we iets geven om eerlijkheid dan is het de daad zelf die bepaalt of het terreur is, niet de naam van de sponsor.
Ooit in de geschiedenis van de mensheid zijn dergelijke daden misschien noodzakelijk geweest of zelfs vruchtbaar. Toen mensen in een toestand van barbarij leefden, waren regeringen het barbaarse antwoord op ieder probleem. Doden of gedood worden was de regel.
Dat was een tijd de beste moordtechnieken voorbehouden waren voor de atleet. Wie was in het voordeel ? De man die sterk genoeg was om een zwaard te hanteren en handig genoeg om een pijl of een kogel te richten. Het aantal mensen dat lijf en leden riskeerde in deze vechtpartijen was gelimiteerd door de grootte van de legers van de twee partijen.
Maar die tijd is voorbij. Onze technologie ging in de richting van de vrede, terwijl onze politici maar blijven denken in oorlogstermen.
Vandaag de dag trainen atleten voor voetbal, basketbal en andere spektakelsporten. En gemene kleine mannetjes (en vrouwtjes) zitten diep onder de grond in bunkers en duwen op knopjes. Ze zijn even gemotiveerd als Dzjenghis Khan of Torquemada.

( … )

En er is nog iets dat ik geleerd heb : vrijheid kan niet opgelegd worden, ze moet verworven worden. Ze komt niet met het geschal van trompetten en het gedreun van soldatenlaarzen. Ik kan jou niet vrij maken hoe zeer we dat allebei zouden willen. Echte vrijheid zal stilletjes komen wanneer de idee van vrijheid in de geest van het geïnformeerde individu zo sterk wordt dat hij begint te handelen volgens het principe “leven en laten leven”.
De verdienste van het menselijk bestaan moet gezocht worden in variatie en niet in het klonen. Het opwekkend gevoel van iets bereikt te hebben komt wanneer een individu leert om uit te blinken, niet omdat hij zijn individualiteit zelf uitvlakt en zichzelf een deel van de groep maakt.

Dat betekent dat we nooit een volledig vrije maatschappij zullen kennen. We zullen alleen vrije individuen zien die bestaan binnen een cultuur waar non-vrijheid blijft om de hoek gluren. Het is onze eigen natuur, als mens, die we moeten veroveren, niet de natuur van anderen. Dat werk zal één per één gebeuren.
Waarom denk ik dat een volledig vrije maatschappij een onmogelijkheid is ? Omdat we niet allemaal op hetzelfde moment geboren worden en omdat we niet allemaal op dezelfde manier en met dezelfde waarden leven. Sommige van ons zijn jonger, anderen zijn ouder. Sommigen hebben meer ervaring. We beschikken niet allemaal over hetzelfde potentieel om wijsheid of terughouding te ontwikkelen.
Vrijheid is geen doel dat kan bereikt worden : het is de noodzakelijke voorwaarde voor alle andere doelen.

Per slot van rekening bestaan alle regeringen uit mensen. Wij hebben niets anders dan mensen om mee te werken. Als je denkt dat de mensen die zichzelf regering noemen beschikken over capaciteiten om zaken te realiseren die mensen buiten de regering niet kunnen realiseren, dan bekleed je de regering met mystieke of goddelijke krachten. Waar is het bewijs dat een regering over zulke krachten zou beschikken?

Men zegt mij dat een regering nodig is opdat wij wegen zouden hebben. Maar : regeringen leggen geen wegen aan, ze brengen het materiaal daartoe niet bijeen, grondstoffen, werktuigen, organisatie. De regering doet niets van dat alles. Men zegt mij dat de regering het geld geeft om de mensen te betalen en het materiaal aan te kopen. Maar : de regering heeft geen geld van zichzelf. Al wat ze heeft, heeft ze afgenomen van mensen die geld verdienen door productieve arbeid. Als dat niét het geval zou zijn, dan zou de regering geen belastingen innen. Maar als ze geen belastingen int, dan houdt ze direct op te bestaan.
Kortom, het zijn mensen die wegen aanleggen. Rechtvaardigheid en billijkheid vereisen dat diegenen die de wegen gebruiken daarvoor betalen en dat zij die deze wegen niet gebruiken, daar ook niet zouden voor hoeven te betalen.

Men zegt mij dat we een regering moeten hebben opdat er rechtspraak zou zijn. De regering spreekt geen recht. Mensen doen dat. Voor iedere betwisting zijn er maar vier mogelijke oplossingen. Je wint; je verliest, je bereikt een compromis, of je blijft twisten. Andere mogelijkheden zijn er niet. Er is geen zwarte toga of een balie nodig om klaar te zien in betwistingen en oplossingen te zoeken. Betwistingen moeten opgelost worden. Daar is geen regering voor nodig, alleen mensen. Een oordeel is goed als er wijsheid in zit. Een zwarte toga verbergt dikwijls het gebrek aan wijsheid.

Men zegt mij dat we een regering nodig hebben om de maatschappij te beschermen. Geweldige bescherming ! Er is nauwelijks een plaats op aarde te vinden die niet door oorlog geteisterd wordt, een exclusieve bevoegdheid van regeringen, - of door groepen terroristen die hun eigen oorlog voeren en daarmee de regering imiteren of zelf een regering willen inrichten.
Ik zie nergens bescherming vanwege regeringen. Ze veranderen hun deel van de wereld in een bewapend kamp, waar mensen op uitkijk staan om te beletten dat anderen zullen aanvallen. Maar de enige reden voor anderen om aan te vallen is precies het bestaan van een regering. Als ze dan een oorlog in gang gezet hebben, dan moeten mensen zich laten afslachten ter wille van de regering die de oorlog gecreëerd heeft.

De staat kan zelfs niet zijn eigen politici beschermen.
Twee presidenten uit de jongste geschiedenis ontsnapten aan een moordaanslag, niet omdat ze zo goed beschermd waren, maar omdat de daders te stuntelig waren. De laatste keer dat een president vermoord werd, gebeurde het in volle daglicht op een drukke straat. Een onderzoek vanwege de regering slaagde er niet in om vast te stellen hoeveel mensen Kennedy wilden vermoorden, wie het precies was die hem vermoordde en waarom die dat deed. Er werd een man gearresteerd. Terwijl hij in een politiegebouw was, omringd door staatsdienaren, werd hij vermoord, voor de ogen van het tv-kijkend publiek. Noemen we dat bescherming ?
Kortom, welke bescherming er ook nodig is, dat kunnen alleen mensen doen. De regering zorgt alleen voor de mystificatie. Ze wil ons doen geloven dat de maatschappij zal beschermd zijn als men een groep mensen de toelating geeft om te stelen, geweld te plegen en te doden.

Het ultieme argument is dat als de wetten streng genoeg zijn – als de politie alle macht krijgt, bewapend is en op iedere hoek van de straat te zien is – dat dan de misdaad ophoudt te bestaan. Vooral als de rechtbanken eveneens dit spoor volgen.
Indien dat al mogelijk was, dan zou het gedaan zijn met de vrijheid en iedere stad zou niet meer dan een gevangenis zijn. Maar zelfs dan zou er nog misdaad zijn. Kijk maar naar de gevangenissen. Bewapende cipiers overal, een kleine ruimte, en toch worden er dagelijks verschillende misdaden gepleegd.

Ik kan voorbeelden blijven aanhalen maar het is niet nodig om te catalogeren waar de regeringen tekort schieten. De realiteit die we onder ogen moeten zien als resultaat van de menselijke natuur is al te duidelijk voor iedereen.

Bron : https://www.lewrockwell.com/1970/01/robert-lefevre/a-way-to-be-free/



Het feit dat de Staat bestaat is natuurlijk niet het resultaat van de boze bedoelingen van enkele slechteriken. Het is een gevolg van de onvolmaakte menselijke natuur, en de mens moet leren inzien dat hij enkele karaktertrekken moet overwinnen als hij wil dat de Staat zich terugtrekt tot binnen zijn natuurlijke grenzen.
Lefevre ziet drie belangrijke eigenschappen of liever ondeugden die moeten overwonnen worden :

1) de menselijke lichtgelovigheid : we geloven politici als ze iets beloven, ondanks voortdurende bewijzen van het tegendeel en we geloven in een centraal gezag, uit gemakzucht. Want als er een misdaad gebeurt, dan is nu niet langer onze zaak, anderen zullen het wel oplossen en wij zijn tegelijkertijd verlost van onze verantwoordelijkheid.

2) het idee dat alles zal goed gaan als we samenwerken. Maar we zien dat mensen over alles een ander idee hebben. Er zijn een half dozijn grote godsdiensten en enkele tientallen verschillende interpretaties van die godsdiensten. Hoe wil je die allemaal tot een samenwerken brengen ? dat is tegen de menselijke natuur.

3) onze neiging tot wraak en vergelding. Lefevre verwoordt het niet zo maar het is de oudtestamentische “oog om oog, tand om tand”-ingesteldheid.

Zonder dat hij het weet komt Lefevre in de buurt van drie principes uit de antroposofie :

voor het eerste punt : zelfkennis en bewustwording;
voor het tweede punt : leven en laten leven, zoals dat in de “Filosofie der Vrijheid” beschreven werd;
voor het derde punt : de christelijke moraal om de vergelding over te laten aan God (= het karma)




125 jaar geleden had je geen toelating van de overheid nodig om :

- regenwater op te vangen
- te vissen
- een eigendom te hebben
- een zaak te beginnen
- een huis te bouwen
- te trouwen
- te jagen
- een wapen te bezitten
- kapper te worden
- een product te verkopen
- te protesteren
- voedsel te verkopen

Je kunt zo goed als niets doen zonder eerst de overheid te betalen voor een toelating. Als je nog altijd denkt dat je vrij bent, dan begoochel je jezelf. Je bent slechts een mens die mag rondlopen op een belastingboerderij.

----------- ----------

Vijfstappenplan om de Staat terug te dringen :

- Geen wet mag langer zijn dan 10 bladzijden;

- iedere wet moet verwijzen naar het artikel van de Grondwet dat de betreffende wet toelaat;

- Er mag niets in de wet staan dat niet overeenkomt met de titel van die wet;

- Alle wetten moeten geschreven zijn in bewoordingen die een leek kan begrijpen en 7 dagen online te bekijken zijn vooraleer ze ter stemming worden ingediend;

- Wetten die uitgaven voorzien moeten aangeven : de totale kost, hoe de wet gaat gefinancierd worden, wie de begunstigden zijn, wie er gaat betalen, einddatum.

“Het Parlement heeft geen ervaren politici nodig, het heeft mensen nodig die geleden hebben onder de lasten die gecreëerd werden door deze ervaren politici !”


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Rudolf Steiner in de Engelssprekende wereld


Het is altijd verheugend als we over Rudolf Steiner lezen op websites met duizenden lezers.
Het onderstaande stond op de website van de Canadese Henry Makow ( henrymakow.com )
en werd overgenomen op de site van het Engelse thetruthseeker.co.uk
Twee voorspellingen van Steiner worden uitgelegd, nl. dat Satan een greep naar de macht doet, en dat er een vaccin zal uitgevonden worden om al het spirituele in de mens uit te roeien.




Ook op de Amerikaanse site zerohedge.com vonden we in de commentaren een verwijzing naar Steiner :



Tijdens de discussie kwam de platte-aarde-theorie ter sprake. De aanhangers van deze theorie beweren dat de aarde plat is en dat er een complot bestaat om de mensheid niet tot een inzicht in deze “kennis” te laten komen. Waarschijnlijk werd deze theorie gelanceerd met de bedoeling om alle complotdenkers te kunnen wegzetten als idioten. Het is een feit dat de CIA de term “complotdenker” geïntroduceerd heeft toen al te veel mensen begonnen door te hebben dat de officiële versie van de moord op John Kennedy niet klopte.

Bovenstaande commentator reageerde daarop :


“Het echte complot is materialisme. De hele kosmos is een denken dat zich manifesteert in de materie. Je bent eerst en voor al geest, dan pas mens. Er is geen dood. Je reïncarneert om je geest te ontwikkelen.
Stel je voor dat iedereen zou beseffen dat er geen dood van het bewustzijn bestaat, denk je dat we dan met zo’n angst zouden leven ? Er zou ook geen zelfmoord zijn. Het is een grote verrassing voor zelfmoordenaars als ze hun lichaam vernietigen en toch nog de zielepijn voelen en ervaren die hen deed besluiten tot die stap. En daarbij voelen ze nog de pijn van de mensen die ze achterlieten. Dat is hun hel.
Kijk eens op RudolfSteinerAudio.com voor wat realiteit.”


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Nogmaals over straling


Uit de laatste nieuwsbrief van Arthur Firstenberg :


Het bestralen van hemel en aarde blijft maar toenemen met SpaceX dat steeds sneller naar zijn doel van 42.000 satellieten toewerkt. Ze lanceerden er 53 op 13 mei en nog eens 53 de 14de, en nog maar eens 53 op de 18de. En ze sloten een overeenkomst met het Engelse OneWeb dat zelf een vloot van 7.088 satellieten in de planning heeft over hoe ze de zaken zullen verdelen : OneWeb zal zijn diensten verkopen aan telecommunicatiefirma’s, regeringen, luchtvaartmaatschappijen en schepen, terwijl SpaceX aan particulieren zal verkopen.

OneWeb, dat tot hiertoe lanceerde vanuit de Russische Baikonoer kosmodroom in Kazakhstan, is daar tijdelijk mee gestopt wegens de oorlog in Oekraïne, maar verwacht binnenkort de lanceringen te kunnen hernemen. Maar ze zijn ook al overeengekomen met SpaceX om te lanceren vanuit de V.S. met de Falcon 9-raketten van SpaceX.

Honingbijen, vogels, walvissen en bomen over heel de wereld zijn in gevaar en hangen volledig af van de mens om het gebruik in te tomen van satellieten, hun antennes en de apparaten die de vraag deden ontstaan, de gsm’s. Over heel de wereld beginnen mensen zich te organiseren om de boodschap te verspreiden.

Elektromagnetische straling veroorzaakt osteoporose.

Een studie in Turkije in 2016 door Kunt e.a. stelde vast dat elektriciens een duidelijk lagere beenderdensiteit hadden, evenals een grotere kans op erge osteoporose dan een controlegroep. De gemiddelde leeftijd van beide groepen was 38 jaar.

In Polen hield men 10 jonge ratten 28 dagen in een plastiek kooi en plaatste daar een Nokia 5110 onder. De gsm werd ieder half uur 15 seconden lang aangezet van 9u tot 13u en van 14u tot 18u, dus in totaal 4 minuten per dag. Tien controle-ratten zaten in een kooi zonder gsm.
Na afloop van het experiment onderzocht men de ratten : de wervels van de gsm-ratten wogen gemiddeld 12,5% minder dan die van de controlegroep. De beenderen in de poten van de gsm-ratten bevatten gemiddeld 12,44% minder calcium en braken gemakkelijker. Het grootste calciumverlies gebeurde in de eerste week van de blootstelling aan de straling. Bloedanalyse liet zien dat collageen van de beenderen verdween.


In 2013 in Turkije stelden Ahmet Aslan et al. 30 ratten van 5 maand oud, waarvan de beenderen gebroken waren, bloot aan straling van een gsm, 30 minuten per dag, 5 dagen per week, en dat 8 weken lang. Na die 8 weken zag men dat de genezing veel later gebeurde dan bij de controlegroep die niet bestraald was. Een studie in 2011 door Fernando Saravi in Argentinië, toonde aan dat het dragen van een gsm op de heup osteopenia in die heup veroorzaakt. Manne die hun gsm op de rechterheup droeg hadden in die heup een lagere beenderdensiteit dan in de linker en vice versa.

Wifi-modems en microgolfovens

Don, in Idaho, schrijft ons : “Dit jaar plaatsten we onze bakken met zaailingen naast de wifi-verbinding omdat het beter uitkwam : complete ramp, tengere, opgeschoten plantjes, sommige dood, ook bij de tomatenplantjes. Jouw nieuwsbrief bracht ons op een spoor. Dank u.”

Carolyn, in Frankrijk : “ Nu heb ik voor het eerst van iemand anders gehoord dat ze maagpijn kregen als ze in een restaurant aten waar het eten uit de magnetron kwam. Ik had dit zelf al langer ondervonden.
Voedsel dit ik normaal zonder problemen kan eten, bezorgt mij ineens erge maagpijn als ik het eet in een restaurant waar het hoogstwaarschijnlijk klaargemaakt of opgewarmd werd in de microgolfoven. Meestal weet ik het al bij de eerste hap. Ik vraag daarom altijd op voorhand dat ze mij niets voorzetten dat uit de microgolfoven komt.”

Slimme vogels

Voor biologen is het de normaalste zaak van de wereld om de bewegingen van dieren op te volgen door ze te voorzien van een zender of zendertje. Vogels, zoogdieren, slangen, vissen, walvissen, vlinders, bijen, alles wat beweegt wordt op die manier gekweld hoewel er vele studies bestaan die aantonen dat de straling van die zenders de oorzaak is van gewichtsvermindering, voortplantingsstoornissen, hogere sterfte en zelfs een ongelijke verdeling bij het geslacht van de nakomelingen.
Swenson e.a. deden een experiment met de kalveren van rendieren in Zweden. Bij kalveren met oormerken en kalveren zonder oormerken was er geen verschil in de sterftegraad, ongeveer 10%. Maar kalveren met een oormerk waar een zender in zat hadden een sterftegraad van 68% !

Sommige vogelsoorten laten zich niet doen. In Australië zag men hoe een groep eksters, gekweld door hun GPS-zenders, een manier vonden om elkanders zendapparaat los te maken.
De wetenschappers hadden 5 eksters gevangen – een volwassen mannetje, twee volwassen vrouwtjes en twee jonge vogels – en ze voorzien van GPS-zenders om hun verplaatsingen te bestuderen. De apparaten konden alleen maar losgemaakt worden – dachten ze – wanneer de eksters dicht bij een magneet kwamen die op een voederplaats geïnstalleerd was. Toen de vogels losgelaten werden zag men een van de jonge vogels zonder succes pikken naar de zender op zijn rug. Toen kwam er opeens een volwassen vrouwtje aangevlogen dat niet bij de groep hoorde. Dat begon op verschillende plaatsen te pikken in het gareel dat de zender op zijn plaats hield. Na 10 minuten had ze de enige zwakke plek gevonden, een onderdeel van 1 mm groot, en maakte het los. Een uur nadat die ekster gevangen was en voorzien van een zender, was hij ervan af. Andere eksters kwamen ook ter hulp en twee dagen later was er geen enkele vogel meer met een zender op zijn rug
De vogels werden niet meer opnieuw belast met een zender. De ornitholoog Dominique Potvin, verantwoordelijke voor de studie, zei : “Het is duidelijk dat ze niet van die zenders houden, we hebben dus besloten dat het niet echt ethisch verantwoord is om iets te volgen dat overduidelijk niet wil gevolgd worden.”


Het ethisch niveau van dit soort wetenschappers ! Alsof al die andere diersoorten dat wel zo leuk vinden om met die foltertuigen op hun rug rond te lopen of te zwemmen of te vliegen .....


Bron :
https://www.cellphonetaskforce.org/newsletters



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*




Terug naar het thuisblad