Inhoudstafel van Brug 92 ( juni 2016)
De twee Jezuskinderen - geboortedata De twee Jezuskinderen – schema Wilhelm Rath, zijn weg tot de Jugendkreis – deel 3 Johannes Tauler - Wilhelm Rath Waarom kan de antroposoof niet politiek-correct zijn ? Voorwaarden voor een geestelijke scholing L. Debrouwere over onbewust christendom
* * * * * * * * * * * * * * * Beste Lezer,
Op de laatste dag van mei wandelde ik naar de Steinerschool van Aalst waar om de veertien dagen de antroposofische studiegroep bijeenkomt. Dat is een klein half uurtje stappen. Het was bewolkt maar warm, een mooie avond in de lente. Opeens zie ik daar op het voetpad een briefje van 5 euro liggen. Ik raap het op en denk : sommige mensen zijn toch werkelijk voor het geluk geboren ! If you don't keep your head down you will miss all the pennies that cross your path! Als je het hoofd niet buigt, dan mis je alle centen die voor je voeten liggen. Ik had niet gedacht dat deze uitspraak zo vlug en zo letterlijk van toepassing ging zijn …
Het hoofd buigen, in alle nederigheid, het is een houding die in onze tijd en in het Westen, weinig populair is. De katholieke kerk heeft deze houding eeuwenlang aangeprezen als de manier om de hemel te verdienen. De mens in het tijdperk van de bewustzijnsziel heeft er geen boodschap meer aan. Als U zich afvraagt wat ik met die 5 euro gedaan heb : ik heb er 70 euro bijgelegd en een kistje Quintero Nacionales gekocht, lekkere Havana’s waar men op een zomeravond rustig kan van genieten, mijmerend over koopgeld, schenkgeld enz. Als we de opstijgende rookwolkjes volgen, dan kunnen we even dat slijk der aarde vergeten en hopen dat ons rookoffer aanvaard wordt, ergens hierboven …
François De Wit * * * * * * * * * * * * * * * De twee Jezuskinderen - geboortedataIn het weekblad ’t Pallieterke van 7 april 2016 werd een boek besproken van een zekere Fik Meijer over Jezus van Nazareth. Zowel het boek als de bespreking getuigen van een compleet onvermogen om de figuur van Jezus te begrijpen. De katholieke lezers van ’t Pallieterke reageerden massaal en tamelijk furieus, zodanig dat de redactie zich genoodzaakt zag om haar redacteur te verontschuldigen. Wij maakten van deze gelegenheid gebruik om “De Rubens-code” van Jos Verhulst bij een ruimer publiek bekend te maken. Onze lezersbrief werd opgenomen : ![]() “De Rubens Code” van Jos Verhulst verscheen dus in 2011, bij Via Libra. Uit deze studie blijkt dat Rubens op een merkwaardige manier geboortehoroschopen verwerkt heeft in zijn doeken. Volgens de gegevens waar Rubens over beschikte zouden er twee Jezuskinderen hebben bestaan. Voor antroposofen is dat niets nieuws natuurlijk, u kon er al over lezen in De Brug 37 en 40. Maar waar Rudolf Steiner zegt dat deze Jezuskinderen met slechts enkele maanden verschil geboren werden, zou dat verschil volgens de esoterische traditie waar Rubens uit putte meer dan zes jaar hebben bedragen .
De Jezus uit de Salomonische lijn zou geboren zijn op 15 september -7 en de Nathanische op 14 januari van het jaar 1.
“Te noteren valt dat het door Steiner geschetste beeld in 1909 drastisch werd gewijzigd.
Op basis hiervan zouden we kunnen concluderen, dat Steiner voortdurend bezig was deze zaak verder uit te diepen, en dat hij eventueel later nog wel die precieze data zou gegeven hebben. Dat is nu eenmaal de praktijk van het wetenschappelijk onderzoek, ook van het geesteswetenschappelijk onderzoek.
Het is natuurlijk altijd mogelijk dat Rudolf Steiner tijdens de maanden die tussen deze twee voordrachten liggen (juli en september 1909) nieuwe inzichten uit de Akasha-kroniek heeft gehaald. Maar ons lijkt het waarschijnlijker dat hij ook al in juli 1909 wist van de twee Jezuskinderen, maar het nog niet opportuun achtte om erover te spreken. De toehoorders moesten eerst beter voorbereid worden. “Ik heb dat reeds aangeduid in mijn boek “Het Christendom als mystieke gebeurtenis”, maar wel slechts in die mate dat men dat kan voor een publiek dat niet voorbereid is. Want het werd geschreven in het begin van onze geesteswetenschappelijke ontwikkeling. Er werd daar rekening gehouden met het gebrek aan inzicht van onze tijd t.o.v. de eigenlijke occulte feiten.” Op dezelfde manier heeft hij in deze voordracht iets nog niet gezegd maar wel al aangeduid, nl. de twee Jezuskinderen, omdat de toehoorders nog niet voldoende voorbereid waren. Want bij het bespreken van de verschillen tussen de evangelies van Lukas en Mattheüs noemt hij nu alles al op wat hij dan in september volledig uitwerkt in de voordrachtenreeks over het Lukas-evangelie. Zo legt hij uit waarom Mattheüs schrijft over de vlucht naar Egypte. En dan zegt hij over Lukas : “Hij spreekt niet over een Egyptische reis “aus guten Gründen” – om welbepaalde redenen, waarover we het hier wegens tijdsgebrek niet kunnen hebben.” Een goede verstaander begrijpt : Lukas spreekt niet van een vlucht naar Egypte omdat het Lukas-Jezuskind nooit naar Egypte is geweest ! En wat zegt hij dan in september over zijn juli-voordrachten ? Dat hij gaat spreken
“over de gebeurtenissen vóór de doop in de Jordaan want bij de bespreking van het Johannes-evangelie was er geen aanknopingspunt om het daarover uitvoerig te hebben.”
En zelfs dan lijkt hij nog te twijfelen of de geesten wel rijp zijn om de inzichten omtrent de twee Jezuskinderen op te nemen. In de vierde voordracht horen we helemaal aan het begin van zijn betoog : “Hier komen we bij een geheime zaak, waar het iedereen vrij staat om het te geloven of niet te geloven, maar wat vandaag kan bekend gemaakt worden aan de voorbereide antroposoof en wat ook kan gecontroleerd worden.”
Aldus beschouwd lijkt het beeld dat Rudolf Steiner schetst in juli 1909 niet zo drastisch gewijzigd in september. “Het tijdstip van de geboorte viel niet helemaal samen” en “Enkele maanden na elkaar lagen dus de geboortes van de twee Jezusknapen” en
“de geboorte van de nathanische Jezus valt niet meer in de tijd van de kindermoord te Bethlehem. Hoewel er maar maanden tussen lagen …. “
“De Akasha-kroniek zegt ons dat in de tijd zoals die ongeveer in de bijbel vastgesteld wordt – op enkele jaren komt het niet aan – de Jezus van Nazareth geboren is … “ Vreemd dat hij hier wel over jaren spreekt. Het is helemaal niet Steiners gewoonte om nonchalant te zijn, het feit dat hij hier spreekt over enkele jaren, kan ook een aanwijzing zijn dat hij dacht in jaren i.p.v. maanden.
Jos Verhulst geeft de volgende uitleg voor dit probleem : het Salomonisch kind was 18 jaar op het moment van de zielsverhuizing naar de Nathanische Jezus. Zijn astraal lichaam als dusdanig bleef achter, maar het was volledig ontwikkeld en al wat het zich aan vaardigheden, inzichten enz. had eigen gemaakt, dat werd samen met het Ik overgedragen naar het astraal lichaam van de Nathanische Jezus. De Zarathoestra-individualiteit herbegon dus met de ontwikkeling van een astraal lichaam, maar nu in het fysiek lichaam van het Nathanische kind, stond m.a.w. terug op het standpunt van een twaalfjarige. Dat zou een reden kunnen zijn waarom Rudolf Steiner spreekt van een verschil van maanden.
Waarom is Steiner later nooit meer op teruggekomen op dat verschil in de geboortedata ? “Eens tijdens W.O.I vroeg men aan Rudolf Steiner of hij de beschouwingen over het Vijfde Evangelie niet kon verder zetten. Hij zou geantwoord hebben dat door de oorlog de geestelijke atmosfeer veel te onrustig was voor dergelijke opzoekingen. Toen men hem na de oorlog hetzelfde vroeg was het antwoord dat nu andere opdrachten voorrang hadden.”
. Rechts de Nathanische lijn (in hoofdletters), links de salomonische :
* * * * * * * * * * * * * * * De Akasha-kroniekMoeilijkheden bij het occult onderzoek
“Zo zien we, dat er aan het begin van onze jaartelling iets bijzonders en belangrijks is voorgevallen. Als de mensen de waarheid graag op een „eenvoudige manier' willen horen, dan berust dat op menselijke gemakzucht; men wil niet te veel moeten denken; maar de grootste en diepste waarheden zijn slechts ten koste van de uiterste geestelijke inspanning te begrijpen. Als een mens zich al zo moet inspannen om een machine duidelijk te beschrijven, moet hij werkelijk niet verlangen, dat de diepste waarheden zonder moeite te vatten zijn! De waarheid is groots en daarom ingewikkeld en we moeten al onze geestelijke krachten gebruiken om geleidelijk aan achter de waarheden te komen, die samenhangen met wat in Palestina voorviel. Niemand mag ook de tegenwerping maken, dat alles zo gecompliceerd medegedeeld wordt; het wordt verteld, zoals het is en het is zo, omdat het te maken heeft met de belangrijkste feiten van de aarde-ontwikkeling !” We zien dat het voor een helderziende geen kwestie is van zo maar eventjes op het juiste kanaal af te stemmen en hop, daar verschijnt de hele Akasha-kroniek voor hem op de manier zoals een middeleeuwer het zich voorstelde : ![]()
Wat kan er gebeuren als een helderziende spreekt over iets waar het publiek niet rijp voor is ? Wanneer we op een bepaald niveau van de geestelijke wereld komen als helderziende, dan verandert ons denken:
“Gedachten in de zin zoals we die hier in de fysieke wereld hebben, die hebben we dan niet meer. Iedere gedachte neemt in deze wereld de vorm van een elementenwezen aan, wordt een wezen.
Als men als fysieke mens zijn gedachten uitspreekt en er zit onder de toehoorders ergens in een hoek iemand die denkt : ik moet van de zever niets weten, ik haat die vent – dan zal een fysieke persoon daar niet zoveel last van hebben. Wellicht heeft hij voorbereid wat hij gaat zeggen en dan zegt hij dat, onverschillig of daar nu in een hoek iemand zit met goede of met slechte gedachten.
Vandaar dus het belang dat Rudolf Steiner eraan hechtte dat zijn toehoorders voorbereid waren op hetgeen ze gingen horen. Anders moest hij te veel strijd leveren met hun afwijzende gedachten.
“De mensen, ook de antroposofen, stellen zich de geheimen van de reïncarnatie gewoonlijk te simpel voor. De meeste antroposofen weten dat in Johannes de Doper de individualiteit leefde die daarvoor ook in Elias geïncarneerd was. Zo zegt Steiner bvb. in GA 139 “Het Markus-Evangelie”. Maar in GA 124 “Exkurse in das Gebiet des Markus-Evangeliums” horen we dat er eigenlijk een engel woonde in de Doper :
“ … Toen de individualiteit die in de oude Elias geleefd had, wedergeboren werd in Johannes de Doper en toen in de ziel van Johannes de Doper in zijn toenmalige incarnatie een engel indaalde, en de lichamelijkheid en ook het zielewezen van Johannes de Doper gebruikte om te bewerkstelligen wat geen mens ooit had kunnen bereiken …. En in de cyclus over het Lukas-evangelie horen we dat het een ziel was uit de moederloge :
“Johannes de Doper wil de mensen weer brengen tot het vasthouden aan wetten, die in de loop der cultuur verouderd zijn en die ze vergeten zijn — die evenwel van groot belang zijn en wat de mensen niet meer naar waarde schatten. Hij moet dus vóór alles de kracht bezitten van een rijpe, zelfs overrijpe ziel. Hij wordt geboren uit een oud echtpaar; daardoor is zijn astraallichaam van de aanvang af rein en zuiver ten opzichte van alle krachten, die de mens omlaagtrekken, omdat bij oudere mensen hartstocht en begeerte zo'n rol niet meer spelen. Dat is ook alweer zo'n diepe waarheid, die het Lukas-Evangelie ons aanduidt (Lukas l, 18).
Voor zulk een individualiteit wordt ook vanuit de Moeder-Loge der mensheid gezorgd. — Daar, waar de Manoe de gebeurtenissen in het geestelijke leidt en bestuurt, worden de stromen daarheen gezonden, waar ze nodig zijn. Zulk een Ik als dat van Johannes de Doper wordt onder directe leiding van de grote Moeder-Loge, het centrale punt van het aardse geestesleven, in een bepaald lichaam geboren. Dit Ik stamde van dezelfde plaats als het zielewezen van het Jezuskind uit het Lukas-Evangelie ….”
Een ander voorbeeld van een onduidelijkheid. “We zeiden : diegene die het Johannes-evangelie geschreven heeft, is door de Christus Jezus zelf ingewijd geworden. Daardoor kon hij iets geven wat om zo te zeggen de kiem bevat niet alleen van de tegenwoordige werkzaamheid van de Christus-impuls, maar voor de werkzaamheid van de Christus-impuls tot in de verste toekomst. Hij verkondigt iets wat in een zeer verre toekomst nog geldig zal zijn. Hij is één van de ingewijden in de adelaar-mysteriën die het normale punt overschreden heeft. Het normale voor de toenmalige tijd geeft de Markus-schrijver. Wat verder gaat dan die tijd, wat ons toont hoe de Christus in de allerverste toekomst werkt, wat over alles heenvliegt wat aan de aarde hangt, dat vinden we bij Johannes. Vandaar dat de traditie Johannes het symbool van de adelaar geeft.”
Dus hier is het Markus-evangelie het normale. Heeft de stenograaf zich vergist ? Heeft hij/zij Markus gehoord waar het Mattheüs moest zijn ? Die mogelijkheid is reëel. Als dat niet het geval is, dan moeten we goed op het woordgebruik letten. Zou dan Markus het normale kunnen zijn voor de 4de cultuurperiode en inspirerend voor de 5de ? Als Steiner op vele plaatsen het Johannes-evangelie aanbeveelt als oefenboek voor onze tijd, dan is dat misschien in de eerste plaats omdat wij daardoor krachten voor de toekomst ontwikkelen, krachten die ons van pas komen in de zevende cultuurperiode. Het Johannes-evangelie is op die manier niet het normale voor onze tijd. Op dezelfde manier kan men zeggen : het Markus-evangelie was het normale voor de vierde cultuurperiode omdat men er krachten kon mee ontwikkelen die we in onze tijd (vijfde cultuurperiode) nodig hebben. Een evangelie kan inspirerend voor een bepaalde tijd zijn en tegelijk een soort oefenboek voor een toekomende tijd. We zouden zeer goede antroposofen zijn als we dit soort tegenstrijdigheden op eigen kracht konden oplossen, door ons werkelijk intensief in de evangelies te verdiepen. Maar in een hyperactieve tijd als de onze is dat niet voor de hand liggend. Daar moet het karma je een beetje helpen door te zorgen voor een rustige oude dag of een leven in de marge van de maatschappij … * * * * * * * * * * * * * * *
Mijn weg tot de antroposofie – deel 3
Deze “jeugdcursus” zou over vier weken beginnen.
Dit nieuws ervoer ik als een geschenk uit de hemel. Ik zal nooit de weg vergeten die ik samen met Ernst Lehrs aflegde van zijn woning in Charlottenburg tot Willmersdorf waar ikzelf woonde. Wilhelm Rath gaat verder :
Dat deze ontmoeting van de jeugd met Dr. Steiner een blijvend gevolg moest hebben, dat was ook mijn overtuiging. Nu zag ik het ogenblik gekomen dat ik van het idee kon spreken dat mij voor ogen stond, nl. dat het blijvend gevolg erin zou bestaan om tot een gemeenschap te komen die niet een bepaalde beroepsgroep zou bevatten maar die er zou zijn voor iedere jonge mens die de antroposofische weg wilde gaan. En ook dat deze gemeenschap niet beperkt zou zijn tot één plaats maar dat er tussen de leden een band zou moeten ontstaan die hen verbond op dezelfde manier als lang geleden de Godsvriend van het Oberland verbonden was met zijn broeders in Straatsburg.
Lehrs van zijn kant zou ons vertellen over zijn bezoek bij Dr. Steiner en de uitnodiging aan de jeugd om naar Stuttgart te komen voor een “jeugdcursus”. De ontmoeting met Ernst Lehrs vervulde mij met geluk en dankbaarheid. Ondanks onze tegengestelde karakters verbond ons een hartelijke vriendschap omdat wij allebei een vaag gevoel hadden van het karma dat ons verbond en ons een taak toewees die zo noodzakelijk was voor de jongere generatie antroposofen, juist omdat wij zagen dat het voor de oudere generatie bijna onmogelijk was om de diepe tegenstellingen tussen de mensen te overbruggen. Het was als een eerste voorvoelen van de opgave die aan de mens van nu gesteld wordt : alles te overwinnen wat ons door ons karma scheidt, door de wil om het gemeenschappelijke in ons karma, dat ons tot de antroposofie bracht, op te nemen en vorm te geven. Wij jonge mensen kenden elkaar nog helemaal niet en toch hadden wij al een diep vertrouwen tot elkaar omdat wij ons door dezelfde impuls bezield wisten : ons geestelijk streven te verbinden met broederlijkheid.
Vanaf dit ogenblik stond voor mij de vraag : hoe moet zo’n geestelijke bond eruit zien, die ons over de ruimte heen, op welke levenswegen wij ons ook begeven, met elkaar verbindt ?
Daar kwam nog iets anders bij : zoals de priester zich dagelijks met Christus verbindt door zijn brevier, zo moesten wij jonge antroposofen ons met Michaël verbinden van wie ik wist dat hij tegenwoordig in dienst van de Christus het tijdperk van de geest in gang zet. Ik had een exemplaar van de “Waldorf-mededelingen” in handen gekregen, en op de omslag stond een reproductie van een Leonardo da Vinci-schilderij waarop Johannes te zien is die naar de hemel wijst. En ook een spreuk van Dr. Steiner over de Duitse geest had mij diep aangegrepen : “Er lebt in Zukunftsorgen hoffnungsvoll …. “
Ik wist toen nog niet dat Michaël niet mag vereenzelvigd worden met de Duitse volksgeest.
(Berlijn, 14 januari 1915; te vinden in GA 40, blz. 100, maar werd uitgesproken in de 5de voordracht van GA 64 “In schicksaltragender Zeit”)
Deze reis naar Stuttgart was voor mij iets heel anders dan de reizen naar de Hogeschoolcursussen en congressen met hun, voor de jeugd, vaak overladen programma’s. Deze keer zouden wij immers Rudolf Steiner zelf ontmoeten; hij had ons zelf uitgenodigd om voor ons in deze cursus die hij zelf ging geven, onze vragen te beantwoorden. Hij hechtte er veel belang aan om de vragen te horen die van ons zouden komen.
“Een pedagogische cursus vindt in het voorjaar plaats zodat diegenen die alleen voor de pedagogie willen komen, zeer wel tot het voorjaar kunnen wachten.”
Ja, was het nu nog mogelijk om de zuiver pedagogisch geïnteresseerden dat nu nog te laten weten ? Anderzijds wist ik zeker dat Dr. Steiner in deze cursus geen specifieke beroepsvragen ging behandelen maar het meer ging hebben over de algemeen menselijke problemen van de jeugd. En dit gaf mij hoop dat Dr. Steiner ook op de vraag zou willen ingaan die mij zo nauw aan het hart lag. Die vraag hing toch ook samen met de bereidheid om ons allemaal te verbinden met de grote mensheidsperspectieven van de antroposofische beweging.
Op zondag 1 oktober begonnen wij met ongeveer 70 deelnemers aan de voorbereidende besprekingen over welke vraag wij aan Dr. Steiner zouden voorleggen. Rudolf Steiner zelf kwam pas op 3 oktober in Stuttgart aan. Ik mocht beginnen en dat deed ik met de spreuk over de Duitse geest die ik zoals gezegd opgevat had als een appél van Michaël. Toen ik dan samen met Lehrs, Maikowski en Strohschein over de impuls sprak die ons sinds het Weense congres en de avonden in Berlijn verenigd had - dus de vraag naar een geestelijke gemeenschap in een broederlijke gezindheid - toen bleek dat een groot deel van de aanwezigen met totaal andere verwachtingen naar Stuttgart was gekomen.
Met veel moeite konden we dan uiteindelijk tot een formulering komen waar iedereen min of meer achter stond. Voor mij was dit een vraag van jonge mensen die weliswaar vertrouwen hadden tot Rudolf Steiner maar in feite nog niets van antroposofie af wisten. Het klonk zo :
Het enige positieve was dat Dr. Steiner niet direct bij zijn aankomst de diepe kloof zou opmerken die deze groep jonge mensen verdeelde.
Toen de Herr Doktor dan binnenkwam stonden wij allemaal recht. Hij kwam juist aan uit Dornach en de reis scheen hem zeer vermoeid te hebben. Hij zette zich aan de ronde tafel in de voorkamer en vroeg : “Goed, waarover heeft u overlegd ? Welke vragen hebt u voor mij ?”
Ik kon mij niet meer houden en zei : “Herr Doktor, er zijn er ook nog enkele onder ons die een andere vraag hadden.” En dan begon ik over het idee van een naar de geest strevende gemeenschap die wij ons voorstelden als verbonden door een gemeenschappelijke meditatie - die wij van hem hoopten te krijgen. Die gemeenschap zou ook moeten kunnen bestaan als de leden niet op dezelfde plaats waren. En die gemeenschap zou zich in dienst van de antroposofische zaak stellen en wilde drager zijn van een wezenlijk-geestelijk element. En daarbij vormde ik met mijn handen een schaal en toen ik dat deed, was het alsof ik de blik van Dr. Steiner op mijn handen voelde rusten.
En toen we dan allen opstonden, nam hij mijn hand, drukte ze krachtig als wilde hij mij bij voorbaat sterkte geven voor wat nog ging komen. Hij bekeek mij met een blik die mij volledig vertrouwen gaf. Mijn inleidende woorden waren woorden van dank aan Dr. Steiner die, na wat ik zojuist beleefd had, nog meer recht uit het hart kwamen, zozeer was ik onder de indruk van zijn grote liefde tot ons en het bemoedigende dat van hem uitstraalde. In korte bewoordingen schetste ik hoe wij jonge mensen ons een nieuw zieleleven trachtten eigen te maken, een nieuwe verhouding van mens tot mens en tot alle wezens van de natuur, en hoe wij ingezien hadden dat alleen de antroposofie ons een nieuwe verhouding tot alles in de wereld kon mogelijk maken. Daarom waren wij zo dankbaar dat Dr. Steiner ons voor deze cursus uitgenodigd had en ons beloofd had om alle vragen die wij als mens in ons droegen te beantwoorden. Deze dank is eigenlijk niet onder woorden te brengen, maar Herr Doktor moet hem vooral zien in onze bereidheid om mee te werken aan de opbouw van een nieuwe spirituele cultuur zoals die door Herr Doktor uiteengezet werd; deze cultuur wilden wij in een broederlijke gezindheid dienen. Daarom vragen wij van hem dat hij ons de wegen zou wijzen om tot een dergelijke geest-broederlijkheid te komen en dat hij ons zou helpen zodat de geest tot in onze handen zou doorwerken opdat alle arbeid die wij in de toekomst in dienst van de antroposofische zaak zouden verrichten, tot een cultus zou worden.
Toen ik deze laatste woorden uitsprak – die een ingeving van het moment waren – stond voor mij het beeld van een landman die liefdevol zijn akker bewerkt ( Ik kon toen nog niet vermoeden dat Dr. Steiner mij later aan de Landbouwcursus in Koberwitz ging laten deelnemen). Op dit ogenblik had misschien een woord van Tauler meegewerkt dat ik uit één van zijn preken kende en waar hij spreekt over een Godsvriend die hij kende die heel zijn leven een landman was geweest.
Het licht van de geest schijnt al, voor ons echter gaat het erom “de rolluiken op te trekken”.
Onmiddellijk na de stichting van de esoterische jeugdkring, in de vroege ochtend van 16 oktober 1922 mochten wij nog vragen stellen aan Rudolf Steiner. Ik had drie vragen die over de Godsvriend van het Oberland gingen.
Dan vroeg ik of het niet mogelijk was om nog iets te vinden – ik dacht aan een of ander manuscript dat nog niet ontdekt was – waardoor de wetenschap verplicht zou zijn om zowel het bestaan van de Godsvriend als de echtheid van zijn schriften te erkennen.
Rudolf Steiner dacht even na en antwoordde dan : “Dat wat u zoekt, zult u vinden.” – en hij gaf mij een meditatie waardoor ik mij met die periode kon verbinden.
“De wetenschappelijk polemiek die met deze kwestie te maken heeft, doet niets ter zake … Het is niet mijn taak om met opdringerig onderzoek iets te weten te komen over een menselijke aangelegenheid waarvan eenieder die deze schriften weet te lezen, zeer goed weet dat het een geheim moet blijven.”
Het was mij ineens duidelijk : de antroposofie maakt het ons mogelijk om deze schriften te lezen en met antroposofisch inzicht weet men direct dat deze schriften authentiek zijn.
De derde vraag die ik aan Dr. Steiner stelde, ging over de betekenis van de samenkomst van de 12 Godsvrienden met de reeds hoogbejaarde Godsvriend van het Oberland rond Pasen van het jaar 1380. Over deze samenkomst spreekt hij in zijn laatste brief. Daarover zei Dr. Steiner :
“Ziet u, daar hebt u de overgang naar het Rozenkruiserdom. Het gaat hier over hetzelfde waar Goethe naar verwijst in zijn gedicht “De Geheimenissen”. Sindsdien is Christian Rosenkreuz de leidende wezenheid in het geestesleven van het Avondland.
Hij is sinds dan ook elke eeuw geïncarneerd, net zoals Meester Jezus ( de Godsvriend van het Oberland). Beide lossen elkaar af en Meester Jezus werkt sindsdien ook in de zin van Christian Rosenkreuz.” * * * * * * * * * * * * * * *
Karma en reïncarnatieWaarom was Wilhelm Rath zo gefascineerd door de figuur van Johannes Tauler ?
Door de musicus Jürgen Schriefer werd mondeling overgeleverd : Standbeeld van Tauler in de protestantse kerk Saint-Pierre-le-Jeune te Straatsburg.
Johannes Tauler en de Gottesfreunde
GOTTESFREUNDE noemden zich de leden, geestelijken en vooral leken, van een mystieke beweging in de 14e eeuw die haar centra had aan de Rijn (Keulen, Straatsburg, en tijdelijk Bazel), en tot in de Nederlanden en Italië sympathie genoot. Onder de indruk van de slechte tijdsomstandigheden schaarde men zich rond beproefde leiders om aldus gezamenlijk, zij het niet georganiseerd, te komen tot de volmaaktheid van de „vriendschap met God": de verloochening van zichzelf, de “Gelassenheit” d.i.
de overgave aan God, „de geboorte van God in de ziel", de geestelijke vrijheid, het apostolaat en de werken van barmhartigheid. Onder hen traden naar voren de geestelijke leiders Johannes Tauler en Henricus van Nördlingen; de dominikanes Margaretha Ebner; en de koopman-schrijver Rulman Merswin. Deze laatste is waarschijnlijk ook de schrijver van een aantal geestelijke tractaten en brieven, die onder de auteursnaam van de „grosse Gottesfreund aus dem Oberlande" verspreid werden. Deze geschriften zijn kenmerkend voor de zwakke zijden van de overigens voorbeeldige beweging : een zeker verlangen naar visioenen, profetieën en andere mystieke verschijnselen, alsmede een overdrijving van de tegenstelling tussen een bloeiende lekenspiritualiteit en de achteruitgang der seculiere clerus.
Op Wikipedia vindt men volgende biografische gegevens :
Johannes Tauler (Straatsburg, ca. 1300 – Straatsburg, 15 of 16 juni 1361) was een Duits mysticus en dominicaan.
Heel zijn leven gaf Tauler geestelijke leiding aan verschillende conventen. Zo is bekend dat hij het convent van Medingen begeleidde. Hier verbleef toen Margaretha Ebner. Het enige originele handschrift dat van Tauler bewaard bleef, is een brief aan Margaretha Ebner en Elisabeth Schoeppels, een medezuster. Deze brief is geen religieuze brief, maar handelt over een lading kaas.
Tauler wordt vaak samen genoemd met Suso. Beiden werden geïnspireerd door Eckhart, maar er is geen enkele aanwijzing dat Tauler en Suso elkaar ooit ontmoet hebben.
Zijn mystiek was eerder ethisch en pastoraal gericht dan speculatief. Men vindt bij hem dan ook sterke nadruk op de noodzaak van ascese en zelfverloochening. Mystieke vereniging met God in het ‘Seelenfünklein’ is volledige identificatie met Gods wil. Huwelijk, arbeid en beroep worden door hem hoog gewaardeerd.
Hoewel hij geen landbouwer was mocht hij in de zomer van 1924 toch deelnemen aan de “Landwirtschaftlichen Kurs” (GA 327) in Koberwitz. Tot het einde van de jaren 20 stond hij in voor het secretariaat van de Freie Anthroposophische Gesellschaft en leidde op vele plaatsen antroposofische studiegroepen, uiteindelijk ook in het Ruhrgebiet. Samen met Maria Röschl was hij in 1924 verantwoordelijk voor het verdelen van de tweede oplage van de Jugendkurs, die toentertijd maar beschikbaar was voor een beperkte groep mensen.
Na de dood van Rudolf Steiner was er bij de leden onzekerheid over hoe het nu verder moest met de meditatieve oefeningsweg. Ettelijke leden zochten naar snellere en veelbelovende manieren om toegang tot de geestelijke wereld te krijgen en geraakten onder de invloed van personen die vooruitgang op deze manier schenen mogelijk te maken. Wilhelm Raths manier van werken en zijn geestelijke houding namen door de ontmoeting met Erna Benthien, een mediumistisch aangelegde vrouw, op het einde van de jaren 20 een stijl aan die zijn collega’s in het Komitee der Freien Anthroposophischen Gesellschaft als onverenigbaar met de antroposofie ervoeren. Ook het bestuur in Dornach vroeg om een verduidelijking. En zo besloot Wilhelm Rath op aandringen van zijn collega’s om in de zomer van 1930, al zijn taken binnen de Freien Anthroposophischen Gesellschaft neer te leggen en zowel uit de Hogeschool als de Antroposofische Vereniging uit te treden.
In 1930 kon Rath in Leipzig zijn eerste werk over de „Gottesfreund vom Oberland“ laten verschijnen. Hij verhuisde naar Urfahrn aan de Chiemsee in Bayern, waar Erna Benthien woonde. De breuk met de Antroposofische Vereniging bracht ook mee dat op beroepsvlak een belangrijke wending intrad. Hij was 33 jaar toen hij besloot om boer te worden en samen met zijn vrouw Maria, geb. Spira, nam hij vanaf 1935 het landgoed Farrach in Maria Rojach, Karinthië, in beheer.
In 1947 werd Wilhelm Rath terug lid van de Antroposofische Vereniging.
Hij maakte voordrachtreizen, ook in de buurlanden en sprak in antroposofische kringen over zijn werk. Kenmerkend voor hem was een grote vriendenkring en een altijd luisterend oor voor andere mensen die hij met een broederlijke hartelijkheid tegemoet trad.
Hij overleed op 13 januari 1973 in Wolfsberg/Karinthië, na een ziekte. Hij was toen 76 jaar.
* * * * * * * * * * * * * * * Waarom kan een antroposoof niet politiek-correct zijn ?
- de mens klimaatopwarming, of tenminste klimaatverandering veroorzaakt; Wat je zeker niet mag geloven is
- dat familie belangrijker is dan de overheid;
Ieder weldenkend mens veegt zijn voeten aan deze moderne denkvoorschriften, en zeker de antroposoof kan niet Politiek-Correct zijn, als hij Rudolf Steiner ter harte neemt.
“Nu hangt de Wachter op de Drempel nog met iets anders samen.
In volle waarheid kan men zeggen dat bvb. een volksziel gebruik maakt van individuen die tot haar behoren om bepaalde taken uit te voeren. De volksziel daalt niet af tot het zintuiglijk-waarneembaar niveau. Zij verblijft in hogere werelden. En om in de fysiek-zintuiglijke wereld te werken, maakt ze gebruik van de fysieke organen van een individuele mens. In een hogere zin zou men kunnen vergelijken met een ingenieur die gebruik maakt van de vaardigheden van een arbeider om bepaalde onderdelen van zijn plan uit te voeren. Ieder mens krijgt in de waarste zin van het woord zijn taak van de familie-, volks- of rasziel toebedeeld. Dat betekent niet dat de fysieke mens ingewijd is in de hogere bedoeling van wat hij doet. Hij werkt onbewust aan de plannen van de volks-, rasziel enz. mee.
Vele mensen zullen wel zeggen : “Oh, ik heb mij helemaal vrijgemaakt van stam- en rasverbanden, ik wil alleen maar “mens” zijn en “niets dan mens” zijn. Op blz. 102, bij “De voorwaarden voor de innerlijke scholing”, lezen we zeven voorwaarden. Vooral de tweede is voor ons onderwerp interessant. We maakten het hoofdstuk wat korter :
“De eerste voorwaarde bestaat in het streven naar gezondheid van lichaam en geest.
( … )
In onze tijd zien we een trend om misdadigers goed te praten, net zoals Rudolf Steiner het hierboven uitlegt. Op die manier wordt de individuele verantwoordelijkheid voor je eigen daden van je afgenomen, maar tegelijk word je ook niet meer als mens au serieux genomen. Als een Belg in het zwembad jonge meisjes lastig valt, dan krijgt hij de zware arm van de wet en de media op zijn kop, hij kan zijn werk, zijn vermogen, zijn reputatie vaarwel zeggen. Migranten die zich onzedelijk gedragen : twee weken zwembadverbod. Wat dus openlijk racisme is want de achterliggende boodschap is : jij als migrant bent niet volledig toerekeningsvatbaar. En dat hebben de overtreders ook door. En dan is men verbaasd als migranten ondanks alle sociale voorzieningen en tegemoetkomingen, amok maken en rebelleren.
“Niet dat zulk een gedachte aanstonds in agitatorische daden moet worden omgezet. Stil in het gemoed moet zij worden gekoesterd; dan zal zij allengs op de uiterlijke gedragingen van de mens haar stempel drukken. Immers, wat dit aangaat kan ieder een hervorming slechts bij zichzelf beginnen. Het heeft geen nut in de geest van zulke gedachten algemene eisen aan de mensheid te stellen.
* * * * * * * * * * * * * * * Voorwaarden voor een geestelijke scholingDe verdere voorwaarden zijn nog altijd interessant, ook voor wie geen scholing volgt :
“En in rechtstreeks verband hiermede staat de derde voorwaarde voor de innerlijke scholing. De leerling moet zich kunnen opwerken tot het inzicht dat zijn gedachten en gevoelens voor de wereld evenzeer van betekenis zijn als zijn daden. Wij moeten inzien dat het even verderfelijk is onze medemens te haten als hem te slaan.
Hiermede is eigenlijk reeds de vierde voorwaarde uitgesproken: het inzicht dat 's mensen ware wezen niet in het uiterlijke maar in het innerlijke ligt.
De vijfde voorwaarde: doorzettingsvermogen ten aanzien van een eenmaal gevat besluit. Niets dan alleen het inzicht dat hij in dwaling verkeert, mag de leerling ertoe bewegen op een genomen beslissing terug te komen. Elk besluit is een kracht. En al heeft deze kracht niet het aanvankelijk beoogde resultaat, toch werkt ze op haar wijze. Het resultaat is slechts een beslissende factor bij een handeling die uit begeerte is volbracht. Doch al dergelijke handelingen zijn tegenover de hogere wereld van geen waarde. De liefde tot een daad alleen is hier beslissend. In deze liefde moet zich uitleven alles wat de leerling der geestesscholing tot handelen noopt. Dan wordt hij ook niet moede een besluit telkens en telkens weer in daden om te zetten, hoe vaak hem dit ook mislukt moge zijn. Zo komt hij er niet toe eerst het tastbaar gevolg van hetgeen hij doet af te wachten, doch bevrediging te vinden in de handeling zelve. Zijn daden, ja heel zijn wezen zal hij aan de wereld ten offer leren brengen, om het even hoe de wereld zijn offer moge opnemen. Hij, die leerling der geestesscholing worden wil, moet tonen tot zulk een offerdienst bereid te zijn.
Een zesde voorwaarde is het aankweken van een gevoel van dankbaarheid voor alles wat ons als mens ten deel valt. Wij moeten ons bewust zijn dat ons eigen leven een geschenk is van het ganse heelal. Hoe veel is er niet toe nodig, opdat ieder onzer zijn bestaan ontvangen en in stand houden kan ! Wat hebben wij niet aan de natuur en aan andere mensen te danken ! Tot zulke gedachten moeten zij, die zich innerlijk willen scholen, geneigd zijn.
De genoemde voorwaarden moeten zich alle verenigen in een zevende, n.l.: het leven gestadig in de geest dezer voorwaarden op te vatten. Daardoor verschaft de kwekeling zich de mogelijkheid eenheid in zijn leven te brengen. Zijn verschillende levensuitingen zullen onderling in harmonie zijn en niet met elkander in tegenspraak. Dit is hem een voorbereiding voor de innerlijke rust, die gedurende zijn eerste schreden in de geestesscholing moet worden bereikt.
( … )
De leerling moet zover komen dat hij nooit iets vernietigt om te vernietigen, niet in handelingen, maar ook niet in woorden, gevoelens en gedachten. Hij moet vreugde scheppen in alle ontstaan en worden en alleen daar medewerken tot vernietiging, waar hij ook in staat is nieuw leven uit en door de vernietiging te doen opbloeien. Dit wil niet zeggen dat de leerling der geestesscholing rustig moet aanzien hoe het kwade voortwoekert; maar ook van het kwade moet hij die zijde opzoeken, door welke hij het ten goede kan keren. Het wordt hem steeds duidelijker dat de beste bestrijding van het slechte en onvolmaakte bestaat in het scheppen van wat goed en volkomen is. De geestesleerling weet dat men niet iets scheppen kan uit het Niet, wel echter het onvolkomene in het volkomene kan doen verkeren. Wie de neiging tot opbouwen in zichzelf tot ontwikkeling brengt, vindt al spoedig de juiste houding ten opzichte van het kwade. Op blz. 67 van hetzelfde boek lezen we de gouden regel van iedere geestesscholing : “Als je probeert om één stap vooruit te geraken bij het verwerven van kennis van geheime waarheden, zet dan tegelijk drie stappen op de weg tot verbetering van je karakter.”
Als dit zedelijk leven zo belangrijk is, dan zou je kunnen denken dat Rudolf Steiner voor iedere bladzijde inzichten, misschien drie bladzijden aanwijzingen voor een moreel leven heeft geschreven? Maar dat heeft hij niet gedaan. In feite is hij zeer summier op dit punt. Vele van die zedelijke voorwaarden waren in zijn tijd, dankzij de invloed van de traditionele kerken, nog vanzelfsprekend.
Waar vinden we nog de stemming die uitgedrukt is in dit schilderij ?
“Een bepaalde stemming moet het begin vormen. De geestesvorser noemt deze: het Pad der verering, der devotie tegenover waarheid en kennis. Slechts hij, wiens ziel zo gestemd is, kan leerling der geestelijke scholing worden.
Tot geesteshoogten stijgt men niet tenzij men door de poort der deemoed is gegaan.
( … ) In het geestelijke leven heersen wetten evenals in het stoffelijke. Wrijf een glazen staaf met een bepaalde stof en hij wordt elektrisch, d.w.z. krijgt het vermogen om kleine lichamen aan te trekken. Dit geschiedt volgens een natuurwet. Ieder die een weinig natuurkunde heeft geleerd, weet dit. Evenzo weet degene die de beginselen van de occulte wetenschap kent dat elk gevoel van ware devotie, in de ziel ontwikkeld, een kracht doet kiemen, die ons vroeg of laat in hogere kennis verder voeren kan.
Wie van nature zulke gevoelens van eerbied en devotie kent of wie ze tot zijn geluk door een juiste opvoeding werden ingeplant, brengt veel mede, wanneer hij in zijn later leven de toegang tot hogere kennis zoekt. Wie zulk een voorbereiding niet meebrengt, stuit reeds op hindernissen bij de eerste schreden op het Pad van kennis, indien hij niet het aankweken van een devote stemming met al zijn kracht onderneemt.
In onze tijd vooral is het van groot belang de volle aandacht op dit punt te vestigen. Onze beschaving neigt maar al te zeer tot kritiek, tot oordelen en afbreken en slechts weinig tot eerbied, tot vereren met hart en ziel. Onze kinderen reeds kritiseren veel meer dan dat zij zich aan gevoelens van eerbied overgeven. Maar elke kritiek, elk vernietigend oordeel verdrijft evenzeer de hogere kenvermogens der ziel, als eerbied en toewijding ze ontwikkelen. Hiermede is niets gezegd ten nadele van onze beschaving. Het is geenszins de bedoeling, hier kritiek op uit te oefenen. Juist aan de kritiek, het zelfbewust menselijk oordeel, het „onderzoekt alle dingen en behoudt het goede" hebben wij de grootheid van onze cultuur te danken. Nimmer hadden wetenschap, industrie, het verkeer, de rechtsverhoudingen van onze tijd zich ontwikkeld, als de mens niet op alles kritiek uitgeoefend en de maatstaf van zijn oordeel aangelegd had. Maar voor deze aanwinst op het gebied van uiterlijke beschaving moesten wij boeten met een overeenkomstig verlies aan hogere kennis, aan geestelijk leven. Er zij nog eens met nadruk op gewezen: in het hogere weten is geen sprake van verering voor mensen, maar alleen van verering voor kennis en waarheid.
Eén ding echter zij zich ieder bewust: dat het nl. voor degene, die geheel in de uiterlijkheden onzer hedendaagse beschaving opgaat, een zware taak is tot inzicht in hogere wereldgebieden door te dringen. Hij zal dit alleen kunnen volbrengen als hij krachtdadig aan zichzelf werkt. Vroeger, toen het materiële leven eenvoudiger van structuur was, was geestelijke ontplooiing ook gemakkelijker te bereiken. Het te vereren en heilig te houden ideaal tekende zich duidelijk af tegenover alle andere verhoudingen. In een tijdperk van kritiek worden de idealen naar omlaag getrokken. Andere gevoelens nemen de plaats in van verering, ontzag, aanbidding en bewondering. Onze tijd dringt deze gevoelens meer en meer op de achtergrond, zodat ze in het dagelijks leven de mens nog slechts in zeer geringe mate toevloeien. Wie
hogere kennis zoekt, moet deze gevoelens in zich wakker roepen; hij moet er zijn ziel van vervullen. Dat kan men niet door studie, alléén door het leven. Wie leerling der geestesscholing worden wil, moet zich door krachtige zelfopvoeding tot eerbied stemmen. Hij moet overal in zijn omgeving, in zijn ondervindingen datgene opzoeken wat hem bewondering en eerbied kan inboezemen. Ontmoet ik een mens en laak ik zijn zwakheden, dan beroof ik mijzelf van kracht tot hogere kennis; tracht ik mij
liefderijk in zijn goede eigenschappen te verdiepen, dan verzamel ik dergelijke krachten. Voortdurend moet de leerling indachtig zijn deze aanwijzing op te volgen. Ervaren geestesvorsers weten welk een kracht zij te danken hebben aan de omstandigheid, dat zij aldoor weer in alle dingen het goede zien en een afbrekend oordeel terughouden. Dit mag evenwel geen uiterlijke levensregel blijven. Het moet bezit nemen van ons innerlijkste wezen. De mens heeft het in zijn macht zichzelf te vervolmaken, zich mettertijd geheel om te vormen. Maar die omvorming moet in zijn binnenste, in zijn gedachteleven worden voltrokken. Het is niet voldoende dat ik enig wezen in mijn uiterlijke gedragingen achting betoon.
Ook in mijn denken moet die achting aanwezig zijn. Hiermede moet de leerling der geestesscholing beginnen: hij moet devotie in zijn gedachteleven opnemen. Hij moet opmerkzaam worden op alle gedachten van oneerbiedigheid, van afbrekende kritiek, die in zijn bewustzijn opstijgen en zijn streven richten op het aankweken van gedachten van devotie en eerbied. Telkenmale wanneer wij er ons toe zetten om gewaar te worden wat in ons bewustzijn leeft als afkeurende kritiek, als veroordeling van wereld en leven, worden wij nader gebracht tot hogere kennis.
En wij vorderen snel, wanneer wij in zulke ogenblikken in ons bewustzijn slechts gedachten opnemen die ons met bewondering, met achting en eerbied voor leven en wereld vervullen.
Het valt de mens in het eerst niet licht aan te nemen dat gevoelens als eerbied, achting enz. van betekenis zijn voor zijn kenvermogen. De reden daarvan ligt in 's mensen geneigdheid om zich dit laatste als een op zich zelf staand vermogen voor te stellen, dat geen verband houdt met het overige zielegebeuren. Men vergeet daarbij dat het de ziel is, die de gave van het kennen bezit. En voor de ziel zijn gevoelens hetzelfde wat voor het lichaam de voedingsstoffen zijn. Geeft men het lichaam stenen in plaats van brood, dan komt zijn werkzaamheid tot stilstand. Zo is het ook met de ziel. Voor haar zijn gevoelens van verering, van achting en devotie voedende stoffen die haar sterk en gezond maken, bovenal haar kracht geven om tot inzicht te komen. Gebrek aan achting, antipathie, onderschatting van het waardeerbare brengen het kennend vermogen tot verlamming en verval.”
Wie het schoentje past, trekke het aan ….
* * * * * * * * * * * * * * * Over luciferisch christendomLieven Debrouwere schreef op 27 maart 2016 ( op vijgennapasen )
‘Hij is geen Marokkaan, maar Orhan Pamuk schreef in ‘Sneeuw’ ooit dit: ‘Om te beginnen zijn die vrome mensen bescheiden, zachtaardig, begripvol. Ze halen niet meteen hun neus op voor het volk, waar die verwesterde types zo’n handje van hebben; ze zijn liefdevol en gekwetst. Je zult zien dat ze je mogen, van hen hoef je geen gemene streken te verwachten.’
Zo begint een artikel in De Morgen over de moslims van Molenbeek, “the hellhole” van België. Het begint zo stilaan walgelijk te worden, al die liefdesverklaringen in de media sinds de aanslagen in Brussel. Als je niet beter wist, zou je gaan denken dat we in het Land van de Liefde wonen, waar ieder stil en ongedwongen alles voor elkander doet. Maar ‘stil en ongedwongen’ is er natuurlijk niet bij. We toeteren onze liefde zo luid in het rond dat het pijn doet aan de oren. En wee degene die niet meetoetert, want dat is een heel, heel slecht mens. Daar willen wij-die-vol-van-liefde-zijn natuurlijk niks mee te maken hebben. Voor slechte mensen is er geen plaats in het Land van de Liefde. Zij worden veracht, bespuwd en uitgescholden. Zij worden opgesloten achter een cordon sanitaire en vervolgens aan het kruis genageld.
Het is ronduit geniaal hoe de moslimterroristen van Pasen een lachwekkende schijnvertoning hebben gemaakt. De hele Lijdensweek lang moesten we in de media lezen dat de Belgen haat met liefde zouden beantwoorden, dat ze niet bang waren, dat ze “balls of steel” hadden. Als bekroning van al die moed zouden ze vandaag een grote Mars tegen de Angst houden om de terroristen te laten zien uit welk hout ze gesneden zijn. Maar toen de politie zei dat ze niet in staat was voldoende manschappen vrij te maken om de mars te beschermen, werd ze prompt afgelast. In één klap werd al die liefde en solidariteit ontmaskerd: ze was niets anders is dan een uitdrukking van angst, en die angst was op zijn beurt een vorm van haat. Want niet moed is het tegendeel van angst, maar liefde. Waar angst leeft, is geen liefde maar haat. We leven helemaal niet in het Land van de Liefde, we leven in het Land van de Angst, het Land van de Haat. Dát is de waarheid die we niet onder ogen durven zien, de waarheid waarmee de terroristen ons confronteren. Ze houden ons een spiegel voor en wat we daarin zien is onze eigen haat. Het was onze eigen haat die explodeerde in Brussel, de haat die we zorgvuldig verbergen in valiezen van liefde.
De islam is een maan-godsdienst. Hij heeft geen substantie, hij is louter weerspiegeling. De moslimterroristen zijn dan ook niet geniaal, ze weerspiegelen alleen onze eigen genialiteit. En die genialiteit ligt in het christendom: dát is het genie van Europa, dát is de geest die ons inspireert. Kunnen we daar nog naast kijken? Wanneer men ons op de linkerwang slaat, keren we de rechterwang toe. Wanneer men ons aan het kruis nagelt, prevelen we: vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen. Haat vergelden we met liefde. We zijn één en al verdraagzaamheid en we sluiten de hele wereld in onze armen. We zijn met andere woorden door en door christelijk, of beter: we zouden het zijn als we het wisten, als we het allemaal bewust en uit vrije wil deden. Maar dat is niet het geval. We worden geïnspireerd door het christendom zonder dat we er iets kunnen aan doen. We worden erdoor gedreven, we worden erdoor gedwongen. Het is een instinct waar we ons niet kunnen tegen verzetten, een tweede natuur die ons te sterk is en die we daarom haten. Die haat is het die we weerspiegeld zien in de moslimterroristen: lieve jongens met een hart van goud, net als wij.
Een instinctief christendom dat ons tot willoze wezens maakt die de harde realiteit niet onder ogen kunnen zien, is een luciferisch christendom. De ahrimanische haat die het opwekt, is uitdrukking van de wil om vrije en zelfstandige mensen te worden, mensen die zich niet langer als schapen laten meedrijven met de kudde. Het instinctieve, luciferische christendom dat we vandaag kennen onder de naam ‘politieke correctheid’ wekt haat op omdat het de mens berooft van zijn vrijheid en mondigheid. Het wekt niet alleen haat op onder de eigen bevolking omdat het die bevolking de mond snoert en behandelt als een verzameling wilde dieren (wat natuurlijk een projectie is), maar het wekt ook haat op onder de moslims, want zij zijn niet naar hier gekomen voor dat krachteloze schijn-christendom. Zij zijn naar hier gekomen om het echte, levende genie van Europa te leren kennen, om zich te spiegelen aan echte christenen. Maar in plaats daarvan treffen ze alleen maar makke schapen aan die net hetzelfde doen als zij, namelijk weerspiegelen. Dat hele Festival van de Liefde waarvan de media zo vol zijn, is niets anders dan een Spiegelfeest, een feest van de nabootsing, een schapenfeest.
Het is deze schaapachtige luciferische liefde die de ahrimanische haat van de moslims opwekt. Dat is de akelige waarheid achter het Feest van de Liefde dat tijdens deze Lijdensweek gevierd werd. Al die liefde zal alleen maar méér haat opwekken. Hoe meer we de moslimhaat beantwoorden met liefde, des te groter zal hij worden. Met al die kaarsjes, bloemetjes en knuffelbeertjes bereiden we volgende aanslag voor. De moslims ervaren die uitingen van ‘liefde’ en ‘solidariteit’ immers als een afwijzing. Want ze gelden alleen de schapen, degenen die tot de kudde behoren en blind de herder volgen. Wie vrij wil zijn en zelf zijn leven bepalen, ervaart die uitingen van liefde als uitingen van haat. En hij beantwoordt ze met haat, want er is niemand waarop hij zijn liefde kan richten, er zijn geen echte christenen die weerspiegelen wat diep in zijn ziel leeft. Want waarom zijn al die moslims naar Europa komen? Waarom blijven ze komen ook al worden ze hier zo verschrikkelijk ‘gedicrimineerd’? Om hier een kalifaat te stichten, dezelfde achterlijke moslimcultuur die ze ontvlucht zijn? Nee, ze komen zo massaal naar Europa omdat ze christenen willen worden. Ze weten het alleen niet, ze weten niet wat hen naar hier drijft.
In Europa staan momenteel twee groepen van mensen tegenover elkaar: Europeanen die niet weten dat ze christenen zijn, en moslims die niet weten dat ze christenen willen worden. En allebei haten ze het christendom. Twee bevolkingsgroepen botsen frontaal tegen elkaar, en samen botsen ze tegen het christelijke midden: de enen omdat ze niet weten dat ze dat midden belichamen, de anderen omdat ze niet weten dat ze dat midden zoeken. De Europeanen slapen en willen ontwaken: ze willen zich bewust worden van het christelijke genie dat in hen leeft. Maar ze beseffen dat niet. De moslims zijn klaarwakker en zich scherp bewust van het feit dat zij dat christelijke genie niet hebben. Maar ook zij beseffen dat niet. De Europeanen dromen en leven in een aangename wollige wereld waaruit ze zich niet los kunnen rukken. De moslims leven in een zeer onaangename, harde wereld en ze willen deel hebben aan de christelijke droom. Daarom proberen ze die slapende Europeanen wakker te schudden. Ze willen dus allebei hetzelfde: ze willen Christus. Maar ze weten het niet. De Europeanen weten niet dat Christus in hen leeft, en de moslims weten niet dat ze daarom zo hard schudden.
Wat ze allebei willen is de levende Christus, niet het luciferische schijnbeeld en niet het van haat vervulde ahrimanische bewustzijn, maar de realiteit van de bewuste liefde. Die realiteit is het die verborgen gaat achter de clash of civilisations. De botsing tussen het Westen en de islam is in wezen een herhaling van een zeer oude geschiedenis: de botsing tussen Kaïn en Abel, de eeuwige broederstrijd tussen de oude en de jonge zielen. Het is die strijd die momenteel in Europa wordt uitgevochten, en niet de strijd zelf is het grote kwaad, maar de blinde manier waarop hij gevoerd wordt. Waar we meer dan ooit behoefte aan hebben, is inzicht in die oerstrijd. Niemand wist dat beter dan Rudolf Steiner. Daarom heeft hij tijdens het laatste jaar van zijn leven zo gehamerd op het zielenthema. Hij wist wat er aan het begin van de 21ste eeuw zou gebeuren en hij wilde dat we erop voorbereid waren. Hij heeft ons daar niet alleen zijn inzicht voor gegeven, hij heeft daar zelfs zijn leven voor gegeven. Christus zou sowieso komen, dat wist hij, maar wat niet vanzelf zou komen dat was het bewustzijn van Christus. Daarvoor moesten we wakker worden, en als we dat niet uit onszelf konden, dan zou Ahriman het in onze plaats doen.
* * * * * * * * * * * * * * *
|