Inhoudstafel van Brug 77 (september 2012)
Licht op de weg – Duits en Engels Licht op de weg – Nederlandse versie Christopher H. Budd in Brussel op 18 juni 2012 Christopher H. Budd in Brussel op 19 juni 2012 Denis de Rougemont over Europa Markus Osterrieder in Brussel (maart 2012)
* * * * * * * * * * * * * * *
"In 1981 ontstond paniek in de Verenigde Staten omdat de staatsschuld het niveau van 1 biljoen dollar had bereikt. Dat leek toen ontzagwekkend veel.
Bankieren en financieren, het wezen van het geld, dat zijn de moderne openbare Mysteriën. Maar ondanks de openbaarheid zijn er nog altijd hogepriesters en tempeldienaars die deze kennis versluieren en ondoorzichtig maken.
François De Wit
* * * * * * * * * * * * * * *
Vergeet die occulte scholing
Om ’t even op welke manier men tot de antroposofie komt, het duurt niet lang vooraleer men één van Rudolf Steiners basiswerken leert kennen : “Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden ?” dat, zoals de titel het zegt, aanwijzingen bevat voor een occulte scholing. Ook in het andere basiswerk “De geheimen van de wetenschap der ziel” is een groot hoofdstuk gewijd aan de occulte scholing. Men leest er over meditatie- en concentratieoefeningen, ook over de onontbeerlijke nevenoefeningen. Het lijkt vanzelfsprekend te zijn dat men als antroposoof zijn best doet om een esoterische scholingsweg te volgen. Hoe eenvoudig de aanwijzingen ook mogen klinken, ze omzetten in de praktijk van het dagelijks leven, dat is een ander paar mouwen. En zo kan men jarenlang met een kleiner of groter schuldgevoel lopen omdat men er niet in slaagt voldoende wilskracht op te brengen om deze oefeningen op te nemen en vol te houden. Uit GA 264, “Zur Geschichte und aus den Inhalten der ersten Abteilung der Esoterischen Schule 1904 bis 1914”, blz. 39, brief aan Martha Langen uit Eisenach over basisprincipes van de esoterische scholing. Steiner gebruikte toen nog het woord ‚theosofie‘ in plaats van antroposofie.
Geachte Mevrouw Langen,
Vandaag pas kan ik uw brief beantwoorden. Een volledig antwoord is natuurlijk alleen maar mondeling mogelijk, maar toch wil ik u al schriftelijk enkele bemerkingen toesturen zodat u kunt uitmaken of het op dit ogenblik voor u wenselijk is om bvb. de reis naar Hannover te ondernemen.
Theosofie is in onze tijd noodzakelijk; en de mensheid zou op het huidig punt van haar ontwikkeling tot een absolute desolaatheid en algemene onvruchtbaarheid vervallen als de theosofie niet als een machtige krachtstroom tot haar zou komen. Maar het zou erg zijn als iedere theosoof ook voor een occulte scholing zou gaan. Dat zou net hetzelfde zijn – vergeef mij de triviale vergelijking – als wanneer alle mensen zouden kleermaker worden omdat de mensheid nu eenmaal kleren nodig heeft. Theosofie hebben alle mensen nodig onder bepaalde omstandigheden, esoterische scholing weinigen.
Van de andere kant kan deze scholing aan niemand geweigerd worden als hij er geschikt voor is. Want, hoevelen die ook zoeken, tegenwoordig zullen het er voorlopig niet al te veel zijn. Dus staat er in bepaald opzicht voor niemand iets in de weg om te kiezen voor een occulte scholing. Aangezien onder dergelijke omstandigheden tegenwoordig velen streven naar een occulte scholing, zo kunnen misverstanden, zelfs onder deze scholieren niet uitblijven. Tegenwoordig denkt ieder dat wat goed is voor hem, ook goed is voor anderen. Zo ontstaan algemene opvattingen over de scholing die in de grond zo verkeerd als maar mogelijk zijn. De occulte leraar moet natuurlijk toegeven dat de weg die een mens gaat die seksueel gezien asketisch is, anders is dan de weg die een mens gaat die zich niet onttrekt aan de opdracht om de mensheid op dit gebied dienstbaar te zijn. Wat de occulte leraar hierover zegt wordt dan spoedig omgedraaid : de askese zou een voorwaarde tot occulte ontwikkeling zijn. Waar is echter iets heel anders. De askese op seksueel gebied vergemakkelijkt het occulte pad, maakt dit pad op een bepaalde manier comfortabeler. Wie dus vanuit een zuiver egoïstisch inzicht vooral wil “schouwen” die kan spoedig tot een bepaald resultaat komen door een bepaalde askese op dit gebied in acht te nemen. Maar er kan zeker geen verplichting tot een dergelijke askese bestaan, alleen maar een recht daartoe, dat men eerst nog moet verwerven. Dat kan alleen maar als men ervoor zorgt dat de mensheid een volledige schadeloosstelling verkrijgt voor het feit dat men zich persoonlijk onttrekt aan de normale verplichting om zielen de gelegenheid te geven dat ze zich kunnen belichamen.
U ziet dus dat askese in deze richting niet de regel mag zijn, maar slechts onder bepaalde voorwaarden kan toegestaan worden aan een occultist.
Daarmee is het grootste deel van de vragen in uw brief beantwoord. De occulte scholing kan niemand van zijn levensopgaven afbrengen als hij geen verkeerde weg opgaat. Zeker, u zou vele zogezegde occulte leerlingen kunnen vinden die u onbruikbaar vinden voor een nuttige arbeid. Maar men vormt zich een verkeerd oordeel als men deze ‘leerlingen’ vergelijkt met diegenen die, zonder iets te willen weten van theosofie, hun levensopgaven opnemen. Men zou de eersten niet met de laatsten moet vergelijken maar de vraag stellen : hoe nutteloos zouden de eersten niet zijn zonder theosofie ? En wat betreft de laatsten zou de juiste vraag luiden: hoe zeer zou niet de inhoud van hun leven en werk verrijkt worden als ze de theosofie zouden aannemen of zelfs een scholing zouden beginnen ?
Oefeningen doen zonder aanwijzingen, dat zou ik u niet kunnen aanbevelen. U overhalen om u toe te vertrouwen aan een scholing, dat wil ik niet. Bij ieder moet het zijn eigen vrij besluit zijn. * * * * * * * * * * * * * * *
Licht op de wegEén van de basiswerken in de Theosofische Vereniging was “Light on the Path” van Mabel Collins (1851 – 1927). Deze Mabel Collins was in haar tijd een tamelijk bekend schrijfster, auteur van minstens 46 boeken. Ze kwam in contact met spiritisme en stelde vast dat ze kwaliteiten als medium bezat. In latere jaren keerde ze zich tegen ieder vorm van spiritisme omdat ze uit eigen en andermans ervaring wist dat het een zeer gevaarlijke weg was.
In 1878 beschrijft ze hoe haar als een inspiratie een processie van priesters verscheen aan de deur van haar huis, de trap opkwam tot aan haar kamer. Dit gebeurde zo vaak dat ze het als een normale zaak begon te beschouwen. Haar schoonzuster was eens bij haar toen ze aan het schrijven was en die zag hoe Mabels uiterlijk opeens veranderde, ze verstijfde en met gesloten ogen begon ze te schrijven. Toen ze opnieuw haar ogen opende had ze het voorwoord en zeven hoofdstukken van “ The Idyll of the White Lotus” geschreven. (In het Nederlands uitgegeven door Ankh-Hermes met als ondertitel : “Drie mediamiek ontvangen mystieke verhalen”)
Het betreffende boekje werd door Rudolf Steiner gelezen. Reeds in GA 53 „Ursprung und Ziel des Menschen. Grundbegriffe der Geisteswissenschaft“, voordrachten uit 1904 en 1905, klinkt het zo :
“Zeer betekenisvol zijn ook de spreuken in “Licht op de Weg”, volgens hoge aanwijzingen neergeschreven door Mabel Collins.”
“U zult merken dat deze vier spreuken
oneindig veel bevatten, en dat de belangrijkste theosofische wereld- en zelfkennis-leringen langzamerhand intuïtief voor uw ziel zullen treden wanneer u volledig in deze spreuken leeft. Deze regels zijn namelijk niet gewoon spreuken, maar krachten die waarheid en leven wekken wanneer men zich eraan overgeeft.”
Bij de lectuur van het werk maakte Rudolf Steiner ook aantekeningen in een notitieboekje. Deze notities uit het jaar 1906 zijn terug te vinden in GA 264 (op blz. 180).
“De fijnheid van de vibratie bepaalt de hogere gevoeligheid tegenover de buitenwereld. Een drinker is immuun voor de vibraties van een andere drinker. Vandaar dat een drinker in de eerste plaats voor een niet-drinker onaangenaam wordt. Zo gaat het met alles. De ontwikkeling ontsluit door de fijnheid van de vibraties alle onreinheid, laagheid enz. van de omgevende wereld en op deze weg is alleen een grotere kruisiging in de materie te bereiken. Het vermogen om te lijden onder de omgeving wordt vergroot samen met de ontwikkeling. Pas wanneer men daarna zichzelf overwonnen heeft, dwz boven de fijnheid van de vibraties uitgestegen is, dan komt de vrede. Dan echter heeft men niet fijnere, maar integendeel eenvoudigere vibraties in zich. Niet verfijning maar vereenvoudiging van de vibraties, daar komt het op aan.
A. Twee onontwikkelde mensen.
![]()
De vibraties komen overeen, ze overlappen elkaar; de ene neemt de andere niet waar. B. Een onontwikkelde en een ontwikkelde mens ![]()
Iedere afzonderlijke uitstulping van de tweede wordt die van de eerste gewaar maar kan ze niet neutraliseren. C. Een onontwikkelde en een hoger ontwikkelde mens ![]()
De eenvoudige vibraties van de tweede merken de afwijkingen van de eerste op maar zijn sterk genoeg om ze te paralyseren. Ad 27. Dat is juist in het licht van de voorgaande wetmatigheid te beschouwen. Groter wordt de mens naarmate hij eenvoudiger wordt.
Ad 29. Om dit laatste beter te kunnen begrijpen geven we hierna de Engelse en de Duitse tekst van deze regels. Die staan helemaal in het begin van het boekje. Maar eerst nog iets uit GA 267 ( op blz. 205) :
“Het was in de Theosofische Vereniging algemeen bekend dat Meester Hilarion, de inspirator van de Griekse tijd, ook de inspirator was van Mabel Collins’ werk “Light on the Path”. Een nieuwe tweetalige uitgave (Engels-Duits) van dit werk werd verzorgd door Thomas Meyer van de uitgeverij Perseus in Basel. De volledige Duitse, Engelse en Nederlandse tekst is gemakkelijk te vinden op het internet.
LIGHT ON THE PATH
THESE rules are written for all disciples: Attend you to them. 1. Kill out ambition. 2. Kill out desire of life. 3. Kill out desire of comfort. 4. Work as those work who are ambitious. Respect life as those do who desire it. Be happy as those are who live for happiness. Seek in the heart the source of evil and expunge it. It lives fruitfully in the heart of the devoted disciple as well as in the heart of the man of desire. Only the strong can kill it out. The weak must wait for its growth, its fruition, its death. And it is a plant that lives and increases throughout the ages. It flowers when the man has accumulated unto himself innumerable existences. He who will enter upon the path of power must tear this thing out of his heart. And then the heart will bleed, and the whole life of the man seem to be utterly dissolved. This ordeal must be endured; it may come at the first step of the perilous ladder which leads to the path of life: it may not come until the last. But, O disciple, remember that it has to be endured: and fasten the energies of your soul upon the task.
Licht auf dem Weg.Der vorliegende Text folgt der Ausgabe von 1904, ins Deutsche übertragen von Oskar von Hoffmann.
Geschrieben wurden diese Lehren für jeden, der die Wahrheit sucht. Beachte sie! 1. Ertöte den Ehrgeiz. 2. Ertöte die Liebe zum Leben. 3. Ertöte den Wunsch nach Behagen. 4. Wirke gleich denen, die ehrgeizig sind. Achte das Leben gleich denen, die's lieben. Sei glücklich gleich dem, der dem Glücke nur lebt. Such in dem Herzen die Wurzel des Bösen und reiße sie aus. Denn es treibt und es wuchert im Herzen des eifrigen Jüngers gleichwie in den Herzen der Kindern der Welt. Nur der Starke vermag es zu töten. Der Schwache jedoch muß sein Wachstum erwarten, sein Reifen, sein Sterben. Durch Weltenalter wächst dies Kraut im Menschen. Es wuchert, doch in Blüte tritt es erst, wenn vieler Leben Unzahl er durchlaufen. Wer der Beherrschung Weg betreten will, muß dieses Kraut aus seinem Herzen reißen. Wohl wird alsdann das Herzblut reichlich fließen, das ganze Leben wird vernichtet scheinen. Die Prüfung aber muß bestanden werden. Vielleicht tritt sie an dich heran schon bei dem ersten Schritt des wagnisvollen Klimmens hinauf zum Lebensweg, vielleicht beim letzten. Bedenke wohl: Sie muß bestanden werden, - und setze alle Kräfte ans Vollbringen. .
Licht op de wegDeze regels zijn geschreven voor alle leerlingen : Schenk er aandacht aan.
Voordat het oog kan zien, moet het niet meer tot tranen zijn te bewegen.
Voordat het oor kan horen, moet het niet langer gevoelig zijn. 1. Dood alle eerzucht. 2. Dood het verlangen naar leven. 3. Dood het verlangen naar een geriefelijk bestaan. 4. Werk zoals zij werken die eerzuchtig zijn.
Eerbiedig het leven zoals zij die ernaar verlangen. * * * * * * * *
Bron : http://www.theosofie.net/onlineliteratuur/licht/lichtophetpad.pdf Daar is ook de volledige Nederlandse vertaling te vinden
* * * * * * * * * * * * * * *
De twaalf deugdenWie zich ondanks alles toch wil wagen op het pad van de occulte scholing kan rustig beginnen met een eenvoudige oefening. Men moet gewoon ongeveer 40 dagen aan een stuk mediteren over één van de 12 deugden. Het toewijzen van iedere deugd aan een dierenriemteken komt van H.P. Blavatsky. Rudolf Steiner gaf de Duitse vertaling en zette er telkens bij “wordt tot”. In GA 267 “Seelenübungen - Band I” vinden we het schema op blz. 74, samen met de gebruiks-aanwijzing. Je begint op de 21ste van een maand en je gaat ermee door tot het einde van de volgend maand. Vanaf de 21ste van die maand begin je met de volgende spreuk. Er is dus een overlapping van twee spreuken van de 21ste tot het einde van de maand.
Wat is er zo interessant aan Rudolf Steiners toevoeging ? Bekijk bvb. “Volharding wordt tot trouw”. Wat is het verschil tussen volharding en trouw ? Vergelijk met de andere “wordt tot”-koppelingen.
Is het niet alsof het oefenen van een deugd telkens weer gebeurt vanuit het Ik ? In iedere situatie treedt de neiging van het astrale lichaam op om voor het gemakkelijkste, voor het meest lustvolle te kiezen. Het Ik neemt zijn heerschappij op en stuurt actief het astraal lichaam in de richting van de deugd en weg van de on-deugd. Zo moet je in een moeilijke situatie iedere dag of ieder uur het besluit nemen om te volharden. Het Ik werkt aldus telkens weer op het astrale lichaam en na verloop van tijd is de afdruk in het astrale lichaam sterk genoeg zodat dit op zijn beurt zijn stempel kan drukken op het etherlichaam : de volharding wordt trouw, het is vastgelegd in ons gewoontelichaam, in ons karakter.
* * * * * * * * * * * * * * *
De economische cursusdoor François De Wit.
Sedert maart 2012 komen acht mensen iedere maand samen ten huize van Jos Verhulst en proberen samen Rudolf Steiners “Economische Cursus” te doorgronden.
“Dit meest occulte van ‘Steiners boeken” - aldus een insider op het gebied niet alleen van de antroposofie, doch ook van de sociale driegeleding, sprekend over de “Nationalökonomischer Kurs”. Wat schuilt er voor occults in? Zoals vrijwel steeds in Steiners werken, iets totaal anders dan men verwacht. Occult betekent : bedekt, verborgen. Men denkt dan al gauw aan goede of kwade
geesten, aan geheimzinnige krachten of aan buitenaardse invloeden. In “Wereldeconomie” zal men die vergeefs zoeken. Het gaat daar om onze meest alledaagse gedragingen : productie, distributie, consumptie. Dat is de bovenste werkelijkheidslaag. Die blijkt, ook voor niet-economen, nogal moeilijk verteerbaar. Telkens weer strookt de inhoud van de voordrachten niet met datgene waarop wij sinds Adam Smith (en eerder) geprogrammeerd werden En als wij met een zucht van verlichting ergens “thuis” -zijn, dan blijkt de conclusie tot onze wanhoop de tegenovergestelde te zijn van wat ons is bijgebracht.
Zoals in het gehele werk van Steiner, is ook hier het inhoudelijke slechts een deel van het beoogde. Het gaat niet alleen om het begrijpen van een gedachte, maar vooral om aan de hand van de inhoud en de begripsvorming anders te leren denken. Daarom is “Wereldeconomie” in de eerste plaats een methodologisch boek : hoe kan ik de economische verschijnselen benaderen? Het inhoudelijke,
de bovenste laag, wordt tot oefenstof. En al oefenend leert men verborgen ( occulte) kanten kennen van wat in ogen van de meeste mensen toch maar een platvloerse aangelegenheid is : huishoudkunde.
Dit boek is er dan ook niet voor snel-lezers. Het is er om oefenend bestudeerd, studerend beoefend te worden. Daarvoor is een eerste vereiste, dat de tekst helder voor ogen staat. Zinnen die alleen al wazig worden door de sluier van de vreemde taal - en dan nog een taal van meer dan zestig- jaar geleden - zijn daar niet voor geschikt. Wie ervaren heeft, dat reeds in de eigen taal een ongebruikelijke gedachte niet begrepen pleegt te worden (lees : direct in het gebruikelijke wordt omgezet), zal dit gevaar bij een “occult” boek niet gering achten.
Juist bij een boek als “Wereldeconomie” is echter een vertaling alléén niet voldoende. De poging van Steiner om het ongebruikelijke, het nog niet verwoorde, de nieuwe wijze van omgang met de stof, tot uitdrukking te brengen, vereiste een taal die - ook in het Duits - nog geschapen moest worden. Deze worsteling, waarvan de vertaler in zijn verantwoording terecht zegt, dat wij de helpende klanken
en gebaren moeten missen, valt niet te vertolken. Maar wel kan de vreemde taal, in dit geval het Nederlands, waar de vertaling raak is, nuances van de inhoud naar voren brengen die er in de oorspronkelijke taal niet zijn, en kan een misgreep tot confrontaties leiden die het niet onderkende probleem vaak juist extra duidelijk maken.
Is het nodig om bij zo’n uitgave ook nog in te gaan op haar maatschappelijke actualiteit ? Haar te verdedigen tegen het kortademige modernisme dat een economieboek van meer dan een halve
eeuw oud “natuurlijk” -volstrekt verouderd acht? Men zou dan op een interessant fenomeen kunnen wijzen, namelijk dat de zich telkens met een schijnbaar natuurgeweld ontladende depressies tot een
volstrekte hulpeloosheid op economisch gebied leiden. Zoals men na de misère van de jaren ‘30 de psychologiserende theorie van Keynes als heilsboodschap binnenhaalde, een theorie die in wezen voortbouwde op voor-klassieke elementen, zo keert men in de ellende van de jaren ‘80 tot de meest platvloerse, twee eeuwen oude, kwantiteitstheorie terug, gelardeerd met een vleugje cameralisme, de wijsheid van het absolutisme. De economische theorie, voor zover zij meer doet dan constateren en extrapoleren, heeft gefaald. Haar basis, l’homme machine en homo oeconomicus, is door de praktijk weerlegd. Zouden wij ons dan niet af moeten vragen, hoe de werkelijke mens zijn huishouden kan inrichten? Dat wil zeggen, hoe de homo faber voor de behoeften van de mensheid kan zorgen? In vele landen is men thans zo ver, dat men inziet, dat men een medeburger niet kan laten verhongeren. Wie op de hoogte van zijn tijd staat weet, dat dit gelijkerwijze geldt voor iedere mens op aarde, niet alleen voor de dichtbij zijnde. Het s o c i a l e uitgangspunt voor een andere aanpak is daarmee gegeven. Het vereist op e c o n o m i s c h gebied echter een nieuwe begripsvorming. Natuur, arbeid en kapitaal krijgen een totaal ander gezicht, wanneer men ze bekijkt onder het aspect van het, individuele genotsstreven, dan wel vanuit mondiaal gezichtspunt. “Wereldeconomie” ging in 1922 al van het laatste uit.”
“Wat wij nodig hebben zijn andere koppen op onze schouders”, zo sprak Rudolf Steiner in het eerste na-oorlogse jaar 1919. Hij bedoelde daarmee dat de economie die door de wereldoorlog totaal aan de grond zat, niet te redden was met een blind pragmatisme, niet door halve hervormingen aan de oppervlakte, maar dat het er op aan kwam de bestaande ideeën en begrippen in vraag te stellen en een nieuwe vorm te geven. Eerste concrete aanwijzingen gaf hij in zijn boek “De kernpunten van het sociale vraagstuk” dat in april 1919 verscheen. Daarna in talrijke voordrachten en bijeenkomsten, vooral met arbeiders en bedienden van de meest verscheiden bedrijven ( te vinden in GA 331 “Betriebsräte und Sozialisierung”)
In de loop van deze voordrachten en de aansluitende seminaries worden de omgang met kapitaal, prijs- en loonvorming, en ook de verhouding tussen politiek en economie onder de loep genomen, ter discussie gesteld, ontleed en de actuele toepasbaarheid bekeken. ( … )
Daar gaan wij ons dus twintig voormiddagen mee bezig houden. In juni was het zoals gezegd de vierde keer.
Het is natuurlijk moeilijk om een voordracht afzonderlijk weer te geven omdat die telkens voortbouwt op de voorgaande. We nemen enkele elementen uit de derde voordracht. Daar gaat het over de prijs en dat wordt in de vierde verder uitgewerkt.
1) Rudolf Steiner gaat uit van de economische toestand van zijn tijd, dwz een groot deel van de bevolking werkt in de landbouw en haalt zijn inkomen uit de verkoop van landbouwproducten; het inkomen van de fabrieksarbeiders hing toen rechtstreeks af van de afzet van wat geproduceerd werd. Dit gegeven is vandaag, bijna 100 jaar later volledig gewijzigd.
Dus, in de derde voordracht, blz. 39 in de Duitse uitgave, zegt Steiner: In deze derde voordracht wijst Steiner ook op het feit dat economie en arbeid vóór de Romeinse tijd ingebed waren in het religieuze :
Een tweede belangrijk kenmerk van onze tijd is de arbeidsdeling. Die maakt dat niemand meer voor zichzelf kan werken, dat wij allemaal voor de ander werken. Die arbeidsdeling zorgt voor het goedkoper worden van de producten. En nu geeft Steiner een voorbeeld dat de zaak niet echt verduidelijkt. Het gaat zo : je hebt een kleermaker. In het systeem van arbeidsdeling maakt hij kleren voor een ander. Maar hij zou kunnen zeggen : nu heb ik zelf een kostuum nodig, ik ga het niet kopen maar zelf maken. Door de arbeidsdeling krijgt ieder product een bepaalde waarde en daardoor ook een bepaalde prijs. En nu komt de vraag : gaat het kostuum dat die kleermaker voor zichzelf maakt, economisch gezien evenveel waarde hebben, of is het misschien duurder of juist goedkoper ?
“Wat ik u wilde duidelijk maken is dat men niet van zo vreselijk dichtbij naar een zaak mag kijken als we tegenover een economisch proces staan dat uit een onmetelijk groot aantal in elkaar grijpende factoren bestaat. U komt natuurlijk onmiddellijk in een calamiteit van economisch denken als uw gedachten te dicht in de buurt blijven van één van de vele economische actoren. Zo komt u er niet. U moet leren de totaliteit van het sociale organisme in het oog houden. Het gaat erom dat men van dergelijke - ik zou zeggen - half absurde voorbeelden uitgaat om langzamerhand zijn denken, het denken dat men gewoon is, omschoolt tot een denken dat in de breedte gaat en juist doordat het in de breedte gaat, meer de scherpe contouren verliest en aldus uiteindelijk bij machte is om het fluctuerende te vatten.”
En dan gaat hij verder met het prijsprobleem. Hoe worden economische waarden geproduceerd ?
![]() “Wellicht één van de gezondste verhoudingen wanneer een geestelijk productieve voor een algemeenheid werkt, dat de algemeenheid hem daartoe de middelen geeft.”
Dit gegeven laat Steiner dan even liggen om te recapituleren. “We moeten het geld van de noemer niet beschouwen als het geld in onze kluizen, maar als datgene wat door de geest van de mens bewerkstelligd wordt.”
Hier is dus doorslaggevend of een dommerik aan de slag gaat met het geld en het verkwist, of dat het een slimmerik is met capaciteiten; de geest bepaalt de waarde van het geld. "Het Staatsblad, waarin alle wetten en besluiten verschijnen die de verschillende regeringen en parlementen aannemen, telt dit jaar 81.964 pagina's. Het gaat om de derde dikste editie van het Staatsblad ooit, ondanks het feit dat de federale regering bijna het hele jaar in lopende zaken bestuurde. Alleen in 2010 (83.678 pagina's) en 2004 (87.430 pagina's) waren er nog meer pagina's. De twee lijvigste bijdragen kwamen dit jaar van de Vlaamse overheid. Ze gingen over bekwaamheidsbewijzen voor het onderwijspersoneel, goed voor bijna 10.000 pagina's." (De Standaard van 31 december 2011)
Het staatsapparaat zou de transacties tussen mensen moeten bevorderen in plaats van belemmeren.
Hoeveel mensen zijn niet bezig geweest met het produceren van die 80.000 bladzijden ? Is dat een nuttige investering geweest die ons toelaat om in de toekomst efficiënter te werken ?
Volgens de oude Chinese wijsheid alvast niet. In de Tao te Ching lezen we :
Hoe meer regels er zijn, des te armer zijn de mensen (LVII)
Toen de oude heersers het Pad volgden waren de mensen vrij van al te veel regels, het land met de minste wetten is ook het meest vredige (LXV)
De meeste leden van dit economie-werkgroepje waren terug te vinden op de voordrachten van Christopher Houghton Buddin Brussel op 18 en 19 juni 2012. Deze voordrachten maakten deel uit van het Project 2014.
Na Thomas Meyer en Markus Osterrieder mocht deze keer C.H. Budd zijn bijdrage leveren. Volgens de uitnodiging mochten we ons verwachten aan volgende onderwerpen :
De onvredevolle vrede : commentaar door Keynes en Steiner over het verdrag van Versailles; U ziet dat het een zware boterham beloofde te worden. Het waren dan ook twee overweldigende voordrachten. Enerzijds door de hoeveelheid feiten en inzichten die je op die enkele uren moest verwerken en anderzijds door het besef dat zo langzamerhand begon te groeien dat voor de moderne mens de geestelijke inspanningen die hij moet opbrengen om de huidige economie en geldwereld te begrijpen, neerkomen op een soort inwijding. We denken bij een inwijding vaak aan een soort Egyptische tempel, met symbolen en rituelen die een geweldige indruk maken op de initiant. Welnu, de ideeën en inzichten die daar door C.H. Budd geschetst werden, lieten ons ahw een blik werpen achter de schermen van het economisch wereldgebeuren, er werd een sluier opgelicht en, hoewel we niet ter plekke doodvielen zoals de jongeling te Saïs indertijd ( Deze jongeling in het oude Egypte lichtte onvoorbereid de sluier van het beeld van Isis op en viel dood door de aanblik), toch maakte het geheel een zodanig overweldigende indruk dat je mond ervan openviel.
Zeker met wat Christopher Budd in de tweede voordracht zei over de volkszielen en meer bijzonder over de Angelsaksische volksziel. De spreker verwees zelf naar de mysteriën van Hibernia en door het feit dat hij Engels sprak en het over geld en economie had, wat nu juist de missie is van de Angelsaksische volksziel, zou men met een beetje fantasie kunnen denken dat daar een moderne hiërophant voor ons stond.
Wie is nu Christopher Houghton Budd ?
Het is geen gemakkelijke zaak om een verslag te maken van deze voordrachten. In april 2011 sprak Christopher Budd in Gent en het verslag van die voordrachten was pas een jaar later beschikbaar, en dan nog summier ( Verslag door Luuk Humblet en Johan De Schacht in de Nieuwsbrief van de Vereniging voor Associatieve Economie, maart 2012 ).
We gaan nu proberen weer te geven wat er geklonken heeft op die twee avonden. Onze eigen notities konden we achteraf aanvullen met de gegevens uit de nieuwsbrief van het ‘Centre for Associative Economics Ltd’ (juni 2012 - Zie ook www.cfae.biz ) en ook met de samenvatting die Christopher ons achteraf bezorgde. Daarnaast vonden we nog nuttige info op de folder van een conferentie aan het Emerson College en in Christophers hoofdwerk “Finance at the Treshold”.
![]()
![]() Tijdens de voordrachten gebruikt de spreker zwart bordpapier waarop hij in kleurkrijt tamelijk ingewikkelde constructies laat ontstaan, zoals u verder kunt zien.
Duitsland was een opkomende economische macht en vormde als dusdanig een bedreiging voor Engeland. De oorlog was voor niemand een verrassing, hij was voorspeld en werd onvermijdelijk geacht. In 1930 liet het V.K. de goudstandaard los, maar de V.S. nam hem op en hield eraan vast tot Nixon hem ook liet varen in 1971 o.m. om de oorlog in Vietnam te kunnen betalen. De dollar werd niet meer inwisselbaar voor 1/35 van een ounce goud. Maar : ook nu nog houdt het IMF een goudstandaard aan, de Special Drawing Rights worden uitgedrukt in goud.
Ook na de Eerste Wereldoorlog bleven de natiestaten zich beschouwen als aparte economische entiteiten. We kregen dan Wilsons briljant idee van “zelfbeschikkingsrecht der volkeren” maar wat daar gecreëerd werd aan naties, wat had dat te maken met volkeren ? Zoals bvb. het Midden-Oosten opgedeeld werd, dat had weinig te maken met volkeren maar veel met economische overwegingen.(Waarom kregen bvb. de Koerden geen eigen gebied ?) Er zijn nu nog altijd 184 muntsoorten, wat de illusie in stand houdt alsof er 184 soevereine economieën zijn.
Vanuit deze optiek zou je de Europese Unie als een stap vooruit kunnen beschouwen, maar Budd gelooft niet in een EU zoals die nu functioneert. Hij wees erop dat alle nationale munten op hun bankbiljetten een beroemde persoon zetten en een of ander monument. Wat zien we op de Euro-bankbiljetten ? Een kaart van Europa en een brug naar het Westen ! Hier kwam Keynes op de proppen. John Maynard Keynes (1883 – 1946), de bekende Britse econoom verliet de onderhandelingen in Versailles omdat hij zag dat dit de economische ruïnering van Midden-Europa betekende en dat dit ook voor Engeland desastreuze gevolgen moest hebben. Keynes heeft ondertussen niet meer zo’n goede naam omdat hij voorstander was van grote staatsuitgaven om de economie aan te zwengelen. Maar Christopher Budd is positief over hem, net zoals Steiner indertijd trouwens. Wat hij over hem vertelde komt ongeveer overeen met wat we lezen op Wikipedia :
“Vanaf het moment dat de geallieerde overwinning zeker leek, was Keynes, als leider van de Britse delegatie en voorzitter van de Wereldbank-commissie nauw betrokken bij onderhandelingen in de zomer van 1944 die uiteindelijk leidden tot het Bretton Woods-systeem. Het Keynes-plan pleitte wat betreft een internationale clearingunie voor een radicaal systeem voor het beheren van de diverse aangesloten valuta's. Hij stelde de instelling van een gemeenschappelijke wereldmunteenheid, de Bancor, voor en ook die van nieuwe globale instituties - een wereld centrale bank en de Internationale clearingunie. Keynes wilde dat deze instituties het internationale handels- en betalingsverkeer met sterke prikkels voor de landen zouden beheren. Op die wijze zouden aanzienlijke handelstekorten of handelsoverschotten moeten worden voorkomen. De grotere onderhandelingskracht van de Verenigde Staten betekende echter dat de eindresultaten beter aansloten bij de meer conservatieve plannen van Harry Dexter White, de Amerikaanse onderhandelaar. Volgens de Amerikaanse econoom Brad DeLong heeft Keynes op bijna elk punt, waar hij door de Amerikanen werd overruled, achteraf door de loop der gebeurtenissen gelijk gekregen.
Deze twee nieuwe instituties, later bekend geworden als de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) werden als een compromis opgericht dat in de eerste plaats tegemoet kwam aan de Amerikaanse visie. Er zouden geen prikkels voor staten komen om grote handelsoverschotten te voorkomen, in plaats daarvan zouden de lasten om onevenwichtigheden in het handelsverkeer te corrigeren alleen door de tekortlanden gedragen moeten worden. De tekortlanden waren volgens Keynes het minst in staat om de problemen op te lossen zonder economische deprivatie voor hun bevolking te veroorzaken. Toch was Keynes toen hij de definitieve overeenkomst aanvaardde nog steeds tevreden. Hij zei dat als de nieuwe instituties trouw zouden blijven aan hun fundamentele beginselen, "de broederschap aller mensen meer zal worden dan alleen een frase."
Als men afstapt van een goudstandaard die de liquiditeit van kapitaal belemmert en ook van het idee dat naties aparte economische entiteiten zijn, dan moet er ook een instantie zijn die de monetaire maatregelen kan nemen en deze instantie moet onafhankelijk zijn, zowel van de regering als van de markt. Zo komen we uit bij een Centrale Bank, in de V.S. de Fed(eral Reserve Bank).
Monetary Policy, een monetair beleid Exchange Rates, wisselkoersen.
Op het gebied van globale financiën hebben we een Handel en Kapitaalbewegingen. als ruilmiddel als een middel om kapitaal te stockeren. Income- Expenditure Accounts, inkomsten en uitgavenrekeningen Balance Sheet (Assets min Debts = Equity), de balans.
Wat de voordrachten van Christopher Budd zo interessant maakt is dat hij geen klassiek driegeledingsjargon gebruikt. Ik geloof niet dat hij één keer het woord broederlijkheid uitgesproken heeft. En toch is die broederlijkheid in het economische de rode draad in zijn betoog. Wellicht is dit een betere didactische aanpak voor driegeleders als we willen gehoord worden door niet-antroposofen. Waarschijnlijk is dit iets dat we alleen van de Angelsaksen kunnen leren. Lezen we bvb. hoe een medewerker van het Centre for Associative Economics het verwoordt ( een beschouwing uit de juni-nieuwsbrief van dit Centre) :
Iemand wil zijn zaak uitbreiden en neemt daarom andere bedrijven over. Als hij een buurtwinkel heeft kan hij een gelijkaardige winkel in een naburige stad opkopen en daarna nog meer winkels in andere steden. Dit proces kan eindeloos doorgaan, maar op onze ronde wereldbol komt hij dan op de duur zichzelf tegen op zijn vertrekpunt. De enige optie is dan om hetzelfde procédé te herhalen in een andere economische sector. Dit verschuift natuurlijk alleen maar het probleem tot hij ook die sector over gans de wereld in handen heeft. Uiteindelijk zou er niemand meer overblijven waarmee hij handel kan drijven, alle economische transacties zouden een kwestie van boekhouding binnen de eigen reuzegrote organisatie zijn.
Op dit punt wordt het niet meer belangrijk hoe veel meer extra winst en vermogen je kan verwerven, maar wel om te kijken naar de feitelijke acties (inkomsten en uitgaven). Want wat het ene departement aan kapitaaloverschot verwerft, is noodzakelijkerwijze een deficit in een of meer andere departementen. Voor de onderneming als geheel blijft het eindresultaat hetzelfde.
Als we de volkeren/naties beschouwen als departementen van één groot wereldbedrijf, de wereldeconomie, dan is het een kwestie van samenwerking tussen de departementen om de zaak te laten floreren. Wat dan heel belangrijk wordt is een uniform en transparant boekhoudsysteem zodat de transacties tussen de departementen correct kunnen weergegeven worden.
Verlichte heersers ? Voor de toehoorder terug een vreemd idee. Wij associëren deze lieden al vlug met de Bilderberg-elite. Het bestaan van dergelijke groeperingen ergert ons vanuit een democratische reflex. Maar misschien moeten we deze negatieve opstelling afzwakken. Uiteindelijk lezen we bij Steiner dat het “een idioot idee is om de geldeconomie te willen afschaffen” (GA 334, blz. 205).
Die tweede voordracht,alleen voor antroposofen, ging door in de Troonstraat. Waar er de eerste avond een 25-tal mensen opgedaagd waren, dan vond je er nauwelijks zeven op de tweede. Nochtans kwamen daar geesteswetenschappelijke aspecten aan bod met een geweldig toekomstperspectief.
Christopher Budd is met zijn Centre for Associative Economics lid van de Economics Conference bij de Sociale Sectie aan het Goetheanum. Hij heeft dus regelmatig contact met Dornach.
In Dornach wil men ook iets doen voor de 100-jarige herdenking van het begin van de Eerste Wereldoorlog. Maar wat heeft een gewone viering voor zin ? Tenzij men dit moment beschouwt als een tweede kans voor bvb. de driegeleding. Rekening houdend met het occulte ritme van 100 jaar dat een geestelijke impuls een nieuw elan kan krijgen 100 jaar na zijn introductie, ligt daar een taak voor ons mensen van deze tijd. Zo ziet Budd het althans, getuige daarvan ook de conferentie die georganiseerd werd in het Emerson College in augustus 2012 onder de titel “A Second Chance for Threefolding ?”
(zie de folder hogerop)
De Eerste Wereldoorlog kunnen we zien als een zet van de tegenmachten om de impuls van Rudolf Steiner - Christian Rosencreutz te neutraliseren. Het lijkt erop alsof een middel moest gevonden worden om een volledige generatie Europeanen uit te roeien die drager van deze nieuwe impuls hadden kunnen worden. Dat middel was W.O. I. Het geestelijk vacuüm dat daardoor geschapen werd, waarmee is dat opgevuld ? Om de stroom van Rudolf Steiner – Christian Rosencreutz een nieuwe impuls te kunnen geven moeten de antroposofen hun houding t.o.v. geld herzien. Hun geliefkoosde verenigingsvorm is de Vereniging zonder Winstoogmerk, de non-profit-organisatie, alsof het een schande zou zijn als een antroposofisch initiatief winst zou maken. Het is natuurlijk een feit dat financiën het element zijn van het Angelsaksendom. Wellicht heeft Rudolf Steiner beseft dat er meer wakkerheid of interesse hiervoor moest komen bij de Europese antroposofen. Na het verwateren van de driegeledingsimpuls heeft hij de Economische Cursus gegeven. Die wordt door vele, ook academisch geschoolde antroposofen (Smit, Leinhas) als zijn moeilijkste cursus beschouwd. Budd heeft de indruk dat Steiner het bij de 14de voordracht opgeeft omdat hij voelt dat zijn toehoorders hem niet meer kunnen volgen. Dat was op het moment dat hij over geld als een boekhoudsysteem van economische transacties begon te spreken. Hij heeft het daarna niet meer opgenomen, enerzijds omdat hij zo vroeg gestorven is, anderzijds omdat het in feite ook zijn missie niet was. Waarschijnlijk had deze impuls in Engeland moeten verdergezet worden door J.W. Stein en D.N. Dunlop. Het is nu eenmaal de missie van de Angelsaksische volksgeest om in de mensheid bewustzijn te brengen voor het economisch-financiële. Ondanks de materialistische inslag kunnen we daar ook aanzetten tot de driegeleding vinden. Net zoals we in het menselijk organisme van nature drie verschillende aspecten kunnen onderscheiden, het is niet Steiner die ze daar ingevoerd heeft; zo zit het ook met de maatschappelijke driegeleding : die is er gewoon. Rudolf Steiner heeft niet gezegd : we moeten die invoeren. Het komt erop aan ons van dat gegeven bewust te worden en ernaar te handelen. We vinden een driegeleding in het principe van de centrale banken dat we al zagen :
Mobiliteit van Kapitaal (Capital Mobility) Men noemt dit de on-Heilige Drievuldigheid omdat het als een dogma beschouwd wordt dat men de drie principes niet tegelijk kan realiseren. Twee van hen tesamen sluiten de derde uit.
Daarom noemt men het ook wel : trilemma (afgeleid van “dilemma).
![]()
De rechtse pijler is het zwakke element. In de economische theorie worden vraag en aanbod als gegeven verondersteld. Maar dat is niet de realiteit, toch niet voor de financiële markten. We zien dat prijzen daar niet naar een evenwicht evolueren, nee, ze fluctueren in functie van de verwachtingen van kopers en verkopers. Dat maakt deze markten onvermijdelijk instabiel zijn. Zo ongeveer zegt George Soros het (geciteerd door Budd op blz. 64 van “Metamorphosis of Capitalism).
De ondernemer staat vóór zijn bedrijfsrekeningen zoals destijds de neofiet of inwijdeling vóór de twee zuilen in het heiligdom van de Hybernische mysteriën:
Het eigen vermogen is gestolde creativiteit – geest – en komt niet toe aan een individu, maar aan de gemeenschap (vb kinderen/cultuur). De ondernemer kan zich opstellen als ‘bezitter’ en zich de vraag stellen: wat moet ik met dat geld doen? Maar hij kan zijn wil ook voegen naar wat de wereld nu nodig heeft; dan zoekt hij hoe hij dit geld kan gebruiken om nieuwe ontwikkelingen op gang te brengen. Schenkgeld.
Het bovenstaande namen we over uit de Ledenbrief van de Vereniging voor Associatieve Economie, maart 2012. Blijkbaar heeft Christopher het hierover ook gehad toen hij in 2011 in Gent was. Hier worden we gewezen op onze eigen persoonlijke (levens)boekhouding.
De huidige crisis bewijst dat het Angelsaksische systeem niet werkt. Tot vóór Versailles heeft Rudolf Steiner nadruk gelegd op de impuls van Midden-Europa. Na Versailles heeft hij gezien dat er iets fundamenteels veranderd was. Het verdrag van Versailles maakte een einde aan de missie van het Duitse volk. De opdracht ging over op de Angelsaksische volksgeest. Maar nu, na bijna 100 jaar blijkt dat ook het Angelsaksendom niet bij machte was/is om deze missie tot een goed einde te brengen. Volgens Christopher Budd moeten nu alle volkszielen samen deze taak overnemen.
Na W.O. I deed Rudolf Steiner een oproep aan de beschaafde wereld. Nu moeten wij een oproep doen aan de “civilised mind” in plaats van aan de “civilised world”. Zelfs een monetair econoom als Milton Friedman voelt ergens intuïtief een spiritueel aspect wanneer hij zegt dat ieder land een monetaire politiek kan voeren “in its own LIGHT”
Als men de Angelsaksische geldwereld wil overtuigen dan moet men daar niet Steiner of Goethe citeren. De enige reactie die je dan krijgt is : spreken die kerels geen Duits ? – Daarmee is voor de Angelsaks alles gezegd. Zeker als je dan zou vernoemen dat volgens Steiner Adam Smith er compleet naast zit !
Adam Smith, het boegbeeld van het Westers economisch denken ! Van hem stamt de klassieke opvatting dat de prijs een functie is van vraag en aanbod. Verkeerd, zegt Steiner (in de 8ste voordracht van de Economische Cursus), ttz voor de handelaar kan het nog in beperkte mate opgaan maar niet voor de consument. Op het eerste zicht lijkt Adam Smith gelijk te hebben. We zien bvb. in het begin van het seizoen dat de primeurgroenten een hoge prijs halen : er is weinig aanbod en veel vraag. In het volle seizoen daalt de prijs omdat het aanbod overweldigend is. Maar als je bvb. in tropisch Afrika airco-systemen zou aanbieden, dan zou je ondanks de grote vraag, geen hoge prijs kunnen krijgen omdat er gewoon geen geld is ! Zelfs voor een prijs die lager ligt dan de productiekost geraak je je airco’s niet kwijt. Daarmee heeft Steiner gelijk : tegenover de vraag van de consument naar goederen staat niet het aanbod van de producent maar de vraag naar geld van deze producent.
Om uit de economisch-financiële impasse te geraken is het nodig dat iedereen een minimum aan inzicht in financieel-boekhoudkundige technieken verwerft, financieel niet langer analfabeet blijft.
Rougemont gaat niet uit van de natiestaten maar van de regio’s als basiselement van een federaal Europa. Hij gelooft niet dat men iets nieuws kan opbouwen vanuit de natiestaten. Want deze natiestaten willen levende, bewegende realiteiten opsluiten binnen een kunstmatige grens; de natiestaat is een Procrustesbed : hij is ofwel te groot ofwel te klein om de problemen van onze tijd aan te pakken. Hij hoort in feite in een andere tijd, die van het neolithicum of steentijdperk. Toen kozen nomadische gemeenschappen een vaste plek op de wereld en werden agrarisch. Maar nu is de economische, wetenschappelijke en technische realiteit vooral gebaseerd op de stad en op mobiliteit. De natiestaat willen democratisch maken, dat is net hetzelfde als het werk aan de lopende band willen menselijker maken. Dat is per definitie onmogelijk, het systeem laat dat niet toe, het moet gewoon afgeschaft worden. Anderzijds is de gemeente ook niet meer het geschikte niveau, het is nu de regio. Want we zien dat de steden quasi onbestuurbare agglomeraties worden en dat de plattelandsgemeenten te klein en te arm worden om alle diensten te kunnen leveren waarop een inwoner recht heeft. Het gemeentelijk niveau moet dus aangevuld worden met het regionaal niveau.
Dan zijn er nog enkele klippen te vermijden :
Volgens Rougemont zijn er drie categorieën van regio’s 2) Grensoverschrijdend : Er zijn er nu al tientallen in Europa. In feite zijn het de bewoners van die regio’s die foert zeggen tegen de kunstmatige afbakeningen, de “heilige” staatsgrenzen en samen naar oplossingen zoeken voor hun regio. Een voorbeeld : ![]() De Euregio Maas-Rijn (EMR), met circa 3,9 miljoen inwoners. 3) Regio’s als vrije ruimtes, “espaces de participation civique”, als lebensraum voor de wakkere burgers, een conglomeraat van gemeenten en steden die zelf hun eigen samenwerkingsverbanden opzetten. De kenmerken zijn : geografisch beperkt, autonoom, met grenzen die niet eeuwig onveranderlijk zijn, maar functioneel, ze kunnen wijzigen als de noodzaak zich voordoet. Hiermee komen we dicht in de buurt van de Zwitserse kantons en Zwitsers direct-democratisch model. * * * * * * * * * * * * * * *
Project 2014Overal in West-Europa zijn de voorbereidingen aan de gang voor de herdenking in 2014 van het begin van de Eerste Wereldoorlog. Dat was de eerste oorlog waarin bewust valse informatie onder het publiek verspreid werd : propaganda, de techniek van de leugen. Deze techniek om de mening van de bevolking te beïnvloeden en te sturen is sindsdien geperfectioneerd en wordt in het Westen door de heersende elites zo vaardig gehanteerd dat de overgrote meerderheid van de Westerse bevolking ervan overtuigd is dat propaganda uitgevonden werd door Goebbels en dat deze techniek alleen gebruikt werd in de dictaturen van de 20ste eeuw. Hoe slecht de nazi’s in feite waren op het gebied van propaganda blijkt uit Hitlers ‘Mein Kampf’ waar hij zonder omwegen stelt : “De opdracht van de propaganda is niet het afwegen van verschillende rechten, maar het uitsluitend benadrukken van wat men wil bereiken. Propaganda moet niet objectief ook de waarheid onderzoeken die voor de ander voordelig is om dan de resultaten van dit onderzoek vanuit een misplaatste objectiviteit aan de massa voor te stellen. Nee, propaganda moet ononderbroken de eigen waarheid dienen.” (uit het 6de hoofdstuk) Dit is natuurlijk een waarheid als een koe, maar wie echt verstand heeft van propaganda, die verzwijgt dat, die laat niet in zijn kaarten kijken. Hij laat de burger/kiezer in de waan dat de verkozen politici niets méér doen dan de wil van het volk uitvoeren, maar achter de schermen worden de scenario’s uitgeschreven en, naargelang de gelegenheid zich voordoet, geïmplementeerd, zoals men het tegenwoordig zo graag met een anglicisme uitdrukt. Met de herdenking van de Eerste Wereldoorlog zou men kunnen verwachten dat alle haatpropaganda tegen de Duitsers terug gaat opgerakeld worden. Het is algemeen geweten dat het de overwinnaars zijn die achteraf de geschiedenis schrijven. En zo leeft in de Westerse wereld de overtuiging dat Duitsland schuldig is aan het uitbreken van zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog. Of er aan deze perceptie op korte termijn iets te veranderen valt, daarover kan gediscussieerd worden. Kort na de Eerste W.O. was het nog mogelijk en Rudolf Steiner heeft daar zijn steentje toe bijgedragen. Hij heeft er uitvoerig over gesproken.
In een breed perspectief schetst Rudolf Steiner een reeks feiten en omstandigheden die de schuldvraag zeer nuanceren. Deze oorlog was al jaren voor het uitbreken ervan gepland en gewild door leidende kringen in de Angelsaksische wereld. Men heeft Steiner niet nodig om dit te bewijzen, daar zijn voldoende andere bronnen voor, die Steiner ook citeerde.
De bedoeling is om een aantal antroposofische sprekers uit te nodigen in aanloop naar het jaar 2014, en dan zou er getracht worden om een of ander evenement, symposium of zo op poten te zetten.
De gesprekken, aarzelingen en beslissingen in die laatste uren werden in boekvorm gegoten en gedrukt en dit boek zou aan de onderhandelaars in Parijs worden bezorgd voordat het definitieve verdrag (in Versailles) tot stand zou komen. Op die manier was er een kans dat de clausule over de alleenschuld van Duitsland aan het uitbreken van deze oorlog, niet zou opgenomen worden.
Volgens Thomas Meyer was dit een belangrijke kans die gemist werd om een betere wending aan de onderhandelingen in Versailles te geven. Volgens ons is dit niet zo : zelfs als het boekje aan de onderhandelaars van de Geallieerden bezorgd was geweest, dan zou het niet het minste effect gehad hebben. Na al wat Rudolf Steiner zelf uiteengezet had over de oorzaken van de oorlog, lijkt het naïef van hem om te geloven dat dit document enige invloed zou hebben gehad. Maar we weten hoe hij ineen zat : hij zou hemel en aarde hebben bewogen voor de goede zaak als hij dacht dat er ook maar 1 kans op 1000 was om te slagen. Zo heeft hij zich ingespannen voor de sociale driegeleding en zo heeft hij ook zijn best gedaan opdat dit boekje zou gedrukt en verspreid worden. In maart 2012 werd dan Dr. Markus Osterriederuitgenodigd, een Duitse filoloog en historicus ( Meer over deze man op zijn website : http://www.celtoslavica.de/). Net als bij Thomas Meyer ging het om een openbare voordracht op vrijdagavond, gevolgd door een bijeenkomst alleen voor antroposofen op zaterdagmorgen. Over deze aanpak is geen eenstemmigheid binnen de initiatiefgroep : als men overtuigd is van de kracht van de antroposofie, waarom dan zo oppassen om vooral de mensen niet te shockeren door bvb. het woord reïncarnatie te laten vallen ? Steiner heeft zelf al de houding gelaakt om de mensen als het ware te lokken met onschuldige zaken en te hopen dat ze daarna de weg zullen vinden tot de meer occulte inzichten van de antroposofie. Volgens ons is het vruchtbaarder om alle antroposofische begrippen openlijk als een vanzelfsprekendheid te hanteren (het bestaan van een geestelijke wereld bvb.).De spreker was dus gebriefd dat er op vrijdagavond een niet-antroposofisch publiek zou zijn en dat van hem verwacht werd dat hij daar rekening zou mee te houden. Uiteindelijk zaten er maar 2 niet-antroposofen onder het twintigtal toehoorders, maar voor hen sprak Markus Osterrieder, en dat was voor de aanwezige antroposofen een droevige zaak. Welke zin heeft het om een antroposoof-historicus uit te nodigen wanneer hij niet méér mag/kan vertellen dan wat om ’t even welke conformistisch historicus ons even goed kon vertellen ? Om organisatorische redenen (we konden maar twee uur over de ruimte beschikken) kon de spreker anderhalf uur spreken, dan bleef er nog een klein half uurtje over voor vragen en discussie. Hij richtte de aandacht op twee aspecten die een rol gespeeld hebben in de Eerste Wereldoorlog.
1) de nationaliteitenkwestie Maar in de politieke visie van de Angelsaksen paste dit concept en dus leende men het oor aan iemand als Thomas Masaryk, zoon van een rijke jood en een Slovaakse dienstmeid, die jaren in Engeland verbleef, betaald werd door de Engelse geheime dienst en erin slaagde om de juiste mensen ervan te overtuigen dat er zoiets bestond als een Tsjechoslowaaks volk, dat dus ook recht had op een eigen territorium. Hij werd er ook de eerste president van. Over de afkomst van Masaryk sprak Osterrieder natuurlijk niet in de openbare voordracht, dat deed hij zaterdagmorgen. Want het is voor een Duitser een zeer gevaarlijke zaak om iets over iemands afkomst te zeggen, zeker als het over een jood gaat. Maar er waren ook vele andere zaken die Osterrieder niet vermeldde, in feite alles wat op een of andere manier de Duitsers in een gunstiger licht zou stellen dan wat men uit de media gewoon is, dat vermeed hij. Wellicht is dat een tweede natuur geworden bij Duitsers. Het resultaat van de grondige heropvoeding door de Angelsaksen na de Tweede Wereldoorlog. Deze lamme houding deed ons aan het beruchte Morgenthau plan denken. Morgenthau, toevallig ook een jood, publiceerde tijdens de oorlog een boekje waarin hij voorstelde om met het eeuwige Duitse gevaar af te rekenen door alle Duitsers te steriliseren na de oorlog. Op fysiek vlak heeft men dit plan niet doorgevoerd, maar geestelijk gezien is het een feit : de na-oorlogse Duitsers zijn geestelijk gecastreerd, volledig heropgevoed volgens de inzichten van de Angelsaksen, alle Amerikaanse waarden hebben ze geïnterioriseerd, ze denken over zichzelf zoals de Geallieerden over hen dachten op het hoogtepunt van de oorlogspropaganda. ![]() Zoiets komt men alleen in Duitsland tegen
Niet alleen het woord jood in de mond nemen is gevoelig, zelfs het woord ‘volk’ is al zo geladen dat ze het liever vermijden, dat verklaarde de spreker uitdrukkelijk. Het tweede aspect waar Osterrieder het over had was in feite de hoofdoorzaak van de Eerste Wereldoorlog : het idee dat in de hoofden van bepaalde Angelsaksische invloedrijke figuren leefde dat het Brits imperium over zijn hoogtepunt was en dat alleen met de hulp van Amerika de Angelsaksische wereldmissie kon verdergezet worden. Alle intellectuele en financiële macht werd gebundeld om een toenadering tussen Engeland en Amerika te bewerkstelligen. Een grote oorlog in Europa was daartoe onontbeerlijk, en daar werd systematisch naartoe gewerkt. Reeds in 1902 sprak Brooks Adams over de noodzaak van een nieuwe 30-jarige oorlog in Europa.
Op dit punt bestond de spreker het om een vergelijking te maken met het Europa van nu. Dus ongeveer 100 jaar geleden waren er elites die hun plannen niet konden doorvoeren wegens de publieke opinie en dat is wat we nu ook in Europa zien : de plannen van de politici kunnen niet gerealiseerd worden omdat de bevolking niet mee wil. Je gelooft je oren niet als een antroposoof zoiets uitspreekt ! Wilde hij zijn vermeende Europees-gezind publiek naar de mond praten ? Hij wekte in ieder geval sterk de indruk dat hij het legitiem vond dat niet-verkozen invloedrijke personen de politiek sturen. Het Amerikaans isolationisme van na 1918 vond hij klaarblijkelijk een spijtige zaak. Hij vindt het dus niet nodig om te vernoemen dat de V.S. in 1900 nog een formele democratie waren, waarin de politici verondersteld worden de wil van het volk uit te voeren. Wilson was verkozen omdat hij uitdrukkelijk beloofd had dat er geen Amerikanen in Europa zouden vechten, dat Amerika zich niet ging mengen in de interne aangelegenheden van dat oude Europa. De machtige elites van de oostkust hebben hun mediamacht in werking gezet, en na enkele jaren leugens en haatpropaganda was de publieke opinie voldoende voorbereid om in te stemmen met het sturen van Amerikaanse soldaten naar een oorlog waar de modale Amerikaan niets mee te maken had. Voor de visionaire plannen van die elites zijn dus 116.000 Amerikanen gesneuveld.
Toen ik de volgende ochtend de kans had om even met Osterrieder te praten en hem hierop wees, scheen hij te beseffen dat hij al te voorzichtig geweest was. Maar ook zijn uiteenzetting op zaterdag bleef onbevredigend omdat hij ver uit de buurt bleef van de schuldvraag, de bepalingen van het verdrag van Versailles, de gevolgen daarvan. Zo zag Osterrieder het niet, hij vond/vindt dat Rudolf Steiner niet hoeft goedgepraat te worden. Maar goed, hij nam de opdracht aan en werd voor drie jaar betaald. Op het einde van deze periode was hij bijlange nog niet klaar, er was veel opzoekingswerk in archieven o.a. in Oxford aan te pas gekomen. Hij heeft dan nog 9 jaar verder gewerkt voor eigen rekening, hij moest dus zorgen voor zijn inkomen en dat doet hij als docent. Dat verklaart voor een groot deel het conformistische van zijn uiteenzetting : één misstap, één keer een feit of opinie onder de aandacht brengen die niet overeenkomt met de politiek-correcte interpretatie van de geschiedenis, en het is gedaan met je carrière. Zelfs als je jood bent kan je je het niet permitteren om machtige zionistische lobbys voor het hoofd te stoten, zoals Norman Finkelstein mocht ondervinden. Hoe veel meer moet een Duitser dan niet oppassen.
Zo is het dus gesteld met de vrije meningsuiting in het Westen. In de Antroposofische Vereniging is het niet veel beter. In Dornach zelf wordt geen initiatief genomen in verband met de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Bodo von Plato verwijst zelfs naar het werk van Osterrieder wanneer hij verkondigt dat Steiner ook maar een kind van zijn tijd is, dat zijn inzichten gekleurd zijn door het tijdsklimaat. Osterrieder heeft hem daar publiekelijk voor terechtgewezen. Over het algemeen willen antroposofische intellectuelen voor de collega’s van hun sociologische klasse bewijzen dat ze volwaardige gesprekspartners zijn. Alles van de antroposofie wat maatschappelijk ongevaarlijk is wordt in de verf gezet : steinerschool, BD-landbouw, cosmetica en geneesmiddelen; dit alles kan marginaal bestaan binnen de gevestigde orde. Wat niet kan bestaan binnen de gevestigde orde, dat is een vrij geestesleven. Maar weinig antroposofen zijn geneigd om daar hun nek voor uit te steken. We zien een verburgerlijking van de antroposofie. Voor Markus Osterrieders werk bestaat nauwelijks belangstelling en hij denkt dat er maar een kleine kans is dat zijn werk zal kunnen uitgegeven worden zoals hij het geschreven heeft. Maar weglatingen wil hij niet accepteren, dan zet hij het liever als pdf op het internet. Dat siert de mens. Maar ondanks dat blijft het gevoel dat hij wat verder had kunnen gaan. Geen woord over de sociale driegeleding of zelfs over het wezen van de democratie.
Terug naar het thuisblad
|