Inhoudstafel van Brug 68 (juni 2010)

Christian Lazarides in Namen 2010

Een beetje astrosofie

De zaak Krishnamoerti

Alice Bailey

Judith von Halle

Eliant

Oude en jonge zielen


+ Groter lettertype
+ Kleiner lettertype


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*



Beste Lezer,

Het grootste deel van deze Brug - het laatste nummer van de 17de jaargang – is een tekst die begon als een verslag van enkele voordrachten van Christian Lazarides, maar die gaandeweg uitgewerkt werd met eigen bijdragen zodat de tekst zowel een verslag als een artikel is geworden. Of noch het een noch het ander, als u wil. U zult zien dat in de tekst een groot aantal citaten en uittreksels uit verschillende boeken zijn opgenomen. We hebben dat gedaan wanneer we dachten het standpunt van de spreker te kunnen verduidelijken. Bij de uittreksels hebben we soms eigen commentaar geplaatst en het is misschien niet altijd duidelijk waar Lazarides aan het woord is en waar ondergetekende. Maar we bleven altijd binnen de perken van het betoog van de spreker. U moet ons deze werkwijze niet al te kwalijk nemen : Lazarides overstelpt de toehoorder met een lawine aan feiten en namen, het was voor hem onmogelijk om alle aspecten even breed uit te werken tijdens de voordrachten, net zoals het voor ons even onmogelijk was om dat te doen ná de voordrachten. Daarnaast zijn wij natuurlijk enigszins gehandicapt doordat het Frans niet onze moedertaal is. Dat maakt dat een mens zich soms afvraagt over welk spel Lazarides het in feite heeft wanneer hij iets uitlegt over ‘le jeu’. Tot het je even later te binnen schiet dat wat wij ‘het Ik’ noemen, in het Frans vaak ‘le Je’ is ! Dus, wat u hierna gaat lezen, om het met de woorden van de spreker te zeggen : “Alors là, vous savez, c’est peut-être tout faux, quoi !”


*

*

*

François De Wit


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Hoe zit het met de nieuwe helderziendheid ?

Door François De Wit

Een goede gelegenheid om onze kennis van het Frans bij te schaven werd ons geboden op 27 en 28 maart 2010 in Namen. Daar organiseerde toen het Institut Rudolf Steiner een weekend met als thema :
“1910-2010 : Steiner en de aankondiging van de etherische parousie van de Christus.” Parousie wordt in Van Dale uitgelegd als de glorieuze verschijning van een vorst of godheid. In het Grieks van het Nieuwe Testament betekent het de verwachte terugkeer van Christus op aarde.

Er waren twee sprekers voorzien, Ian Bass en Christian Lazarides. Van Ian Bass kon u in De Brug 36 al een verslag van een voordracht lezen dat ons ooit toegestuurd was door Lucie Spranghers zaliger. Hij was het die de spits afbeet met een voordracht over “Christus en vrijheid”.
Christian Lazarides is de antroposoof die samen met Sergej Prokofjef een boek schreef waarin de pseudo-antroposofie van Valentin Tomberg aan de kaak werd gesteld. Hij is ook de auteur van een boek dat komaf maakt met het idee als zouden wij nu in het begin van het Waterman-tijdperk leven. Een aantal elementen uit dat boek kwam ook aan bod in zijn drie voordrachten.

De titels van die voordrachten van Lazarides klonken nogal sensationeel en hadden, naar wij opvingen tijdens het weekend, de wenkbrauwen hier en daar doen fronsen. Het zou namelijk gaan over de occulte verdringing (substitution) van de etherische Christus en ’s zondags zelfs over de occulte verdringing van de antroposofie. Deze laatste voordracht werd als volgt aangekondigd op het foldertje :

Het herkennen van en de spirituele strijd tegen de pseudo-Christussen en pseudoprofeten (deze termen komen letterlijk uit de evangeliën – pseudochristoï, pseudoprofetaï in Matteus 24:23-24 en Markus 13:21-22), natuurlijk tegen die van de antichristelijke esoterismen (Arcane School, pseudo-Rozenkruisers, Aquarius-esoterismen, allerhande occulte loges, Lasallebeweging, Petri-Aïssel, Fontalba, enz. enz. enz.), maar ook tegen die van een bepaald soort “antichristelijke antroposofie”. Want, na een eeuw gedurende dewelke de antroposofie weliswaar verder strompelde maar toch relatief trouw bleef aan het gedachtegoed van Steiner, beleven we nu sinds enkele jaren een werkelijke omkeer, een reële occulte verdringing.
En 2010 zou wel eens kunnen de komst meemaken van een echt antichristelijke antroposofie, gezien bepaalde symptomen die zich de jongste tijd manifesteren en die geweldig significant zijn voor deze gigantische ontsporing; ik zeg niet dat gans de antroposofie opeens antichristelijk is geworden, maar wel een beginnend deel (troebele Powell, troebele Tomberg, troebele Von Halle-Tradowsky-Morel, een groepering die zich sinds 1 oktober 2009 aan de voet van het Goetheanum heeft genesteld in een gebouw dat eveneens ‘Schreinerei’ wordt genoemd – troebele Tournant, troebele Emberson, dwalende astrosofieën, zogezegd biografisch werk enz. enz. enz.), een fractie die niet te onderschatten is qua efficiëntie en voor dewelke de andere fractie - door niet te reageren- als het ware borg staat ! (troebel Goetheanum, troebele Antroposofische Vereniging, troebele zogezegde antroposofische kranten en tijdschriften, de ‘zwijgende meerderheid’ enz. enz. enz.) Een antroposofie die werkelijk “soratisch” is (die de overduidelijke tekenen draagt van het hoogtepunt van het 666 x 3 waarvan de gevolgen zich nu beginnen te incarneren) en die nochtans van zichzelf denkt dat ze michaëlisch is en zich zo voordoet ! In feite – of wij het nu willen of niet, of we het weten of niet – zijn wij nu allen deelnemers aan dit drama en aan deze oorlog op leven en dood die nog maar in zijn beginfase staat : Shamballa (van de Christus) tegen Shamballah (van de Sorat).
Helderziendheid, gestuurd door de rede en de wetenschap in tegenstelling tot allerlei visionaire, chaotische, verwrongen helderziendheden.
“Het vijfde na-Atlantische tijdvak, het tijdperk van de Vissen, dat begonnen is in 1413 moet alleen maar de moed vinden om de geldwisselaars uit de tempel te jagen.”
Rudolf Steiner op 8 januari 1918 in Dornach –GA 180)

Dit tekstje is van Lazarides zelf en geeft meteen ook een beeld van zijn manier van voordragen. De toehoorder die hem wil volgen wordt meegenomen langs een hobbelig parcours vol omwegen, maar komt uiteindelijk, zij het dan ook met de nodige vertraging – op zijn Frans zouden we zeggen – tot zijn bestemming. Zoals uit de tekst van het foldertje blijkt, deinst Lazarides er niet voor terug om man en paard te noemen. Een aantal van die namen waren ons totaal onbekend en een deel ervan bleven ook na de voordracht nog altijd onbekend. De mensen die hij vernoemt worden niet gespaard van kritiek. In antroposofische kringen is dat niet gebruikelijk. Dat heeft waarschijnlijk te maken met wat Steiner zegt o.m. in “Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden”, namelijk dat kritiek geven een vorm van haat is en dat het een grote belemmering is op de geestelijke ontwikkelingsweg. Iedereen kent het voorbeeld waar hij in dat verband naar verwijst, de legende van Christus die met zijn apostelen voorbij een dode hond wandelt en alleen oog heeft voor het positieve aspect van het weerzinwekkend beeld (Jan Hendrik Leopold maakte er een mooi gedicht van, zie De Brug 22)
Vermoedelijk heeft Lazarides al menig keer moeten horen dat hij te veel persoonlijke kritiek geeft en hij begon zijn voordracht dan ook met zijn handelwijze enigszins te verschonen : Steiner zelf deed het ook ! Het is een feit dat Steiner vermeed om kritiek te spuien, en als hij zich genoodzaakt zag om op iets negatief te wijzen, dan voegt hij daar direct aan toe : ik zeg dit niet om kritiek uit te oefenen, ik karakteriseer alleen maar. De grens tussen karakteriseren en kritikeren is soms wel onduidelijk. Vooral wanneer hij het heeft over Wilson en zijn onzalig 14-puntenplan, krijgt men de indruk dat het meer het tweede wordt.
In ieder geval zijn de meeste antroposofen zo voorzichtig om toch maar geen kritiek uit te oefenen dat ze dan maar alle beweringen quasi kritiekloos hun gang laten gaan, zegt Lazarides. Ergens moet er toch een poging gedaan worden om voor de waarheid op te komen en tegen de leugen te ageren. Dat was dus wat hij in zijn drie voordrachten probeerde.
We gaan nu proberen om enkele belangrijke aspecten daaruit weer te geven.

De eerste voordracht ging over de merkwaardige reis van Rudolf Steiner in de eerste helft van 1910. Volgens Lazarides heeft Steiner alleen in die periode voordrachten gehouden over de wederkomst van de Christus in de etherische wereld ( een stuk of dertig, niet allemaal bewaard). Later heeft hij er nog wel over gesproken, maar altijd verwijzend naar de voordrachten van 1910 en nooit meer als exclusief thema van een voordracht.
Wanneer we de steden waar Steiner sprak aanduiden op een kaart dan kunnen we daar met een beetje fantasie een vijfster in zien met Berlijn als bovenste punt. We nemen op de volgende bladzijde het kaartje over zoals dat te vinden is in de Steinerbiografie van Christoph Lindenberg en tekenden daarin de vijfster na.

Waarom Rudolf Steiner zo plots over dit onderwerp begon te spreken, leest u in het artikel van Thomas Meyer op blz. 9. Wat daar uitgelegd wordt vormde in feite het uitgangspunt voor de drie voordrachten van Lazarides. Kort samengevat zou je kunnen zeggen dat het een tegenzet was in een soort occult schaakspel. Blijkbaar is het nodig dat als de tegenmachten een zet doen, dat er dan een tegenzet moet gedaan worden door hen die aan de kant staan van de machten die het goddelijk plan volgen. Volgens Lazarides, die dus verder bouwt op Thomas Meyer, heeft Steiner in 1910 de gepaste tegenzet gedaan, maar schiet de Antroposofische Vereniging tekort in 2010 en slaagt zij er niet in om de verdoken strategie van de tegenmachten te pareren met een gepaste tactiek of strategie, in die mate zelfs dat men zich moet afvragen of Dornach en grote delen van de antroposofische beweging al niet onder de invloed van de tegenmachten zijn geraakt.

Steiner begon op 12 januari 1910 in Stockholm, daar sprak hij voor het eerst over de wederkomst van de Christus in de etherische wereld. Het laatst was dat terug in het Noorden, in Oslo (dat toen Kristiania heette) op 9 juli 1910, in de elfde en laatste voordracht van de “Volkszielen”-cyclus, waar hij het heeft over Widar die de Fenriswolf overwint (het nieuwe helderzien overwint het oude, atavistische). In april was hij in Palermo, het zuidelijkste punt van zijn reis, waar hij ook over de komeet van Halley sprak, de komeet die telkens ze verschijnt een versterking van het materialisme meebrengt.
Verbind je deze drie steden op de kaart, dan kun je daar een kompasnaald in zien of, zoals een toehoorder opmerkte, de vorm van een zwaard waarvan de punt rust op Sicilië, de verblijfplaats van Klingsor, de bekende zwartmagiër die de Graal bestreed.

Vanaf hier begon Lazarides zijn uiteenzetting van wat hij een chronosofie noemde : het proberen achterhalen welke diepere betekenis er schuilt in de keuze en het moment van de thema’s die Steiner behandelt in de loop van deze zes maanden. Het is duidelijk dat Lazarides hier zijn werk van gemaakt heeft. Het tableau dat hij daar voor de luisteraars schetste over deze periode in het leven van Rudolf Steiner staat in een schril contrast met de behandeling van dit halfjaar in de bekende Steinerbiografie van Lindenberg waar hieraan juistgeteld één bladzijde gewijd wordt (blz. 472) en dan nog als intermezzo tussen de voorbereiding en de opvoering van het eerste mysteriedrama.

In de loop van zijn uiteenzetting liet Lazarides zich enkele keren zeer kritisch uit t.o.v. Lindenberg die nu als zo’n geweldige autoriteit beschouwd wordt, vooral wegens die Steinerbiografie in twee delen met in totaal meer dan 1000 bladzijden. Maar ochgot zegt Lazarides, zo moeilijk is dat nu ook weer niet, zo’n biografie schrijven, je zoekt de gegevens, je zet ze in een chronologische volgorde, en klaar is kees. Wat hij bedenkelijk vindt is dat Lindenberg zo hoog aangeschreven staat terwijl hij de persoon van Rudolf Steiner op slinkse wijze onderuit haalt. Lindenberg beweert bvb. dat Rudolf Steiner niet vrij te pleiten is van nationalisme, dat de occulte loges waar Steiner over sprak na 1922 hun werkzaamheid gestopt zijn, dat men ten andere ook al niet te serieus moet nemen wat Steiner erover gezegd heeft; ook dat Steiner tijdens de eerste wereldoorlog niet meer ingewijd zou zijn geweest, wat dan impliceert dat alles wat hij tijdens de oorlog gezegd heeft rustig mag gerelativeerd worden ….
Wat daar allemaal van aan is, kan de modale antroposoof natuurlijk niet direct controleren, maar wijzelf herinneren ons dat ooit Oscar Hansen een voordracht gaf in Lier in 2002 (zie De Brug 36) waar hij vertelde dat we bij Steiner volgens Lindenberg ook kunnen spreken van een zeker chauvinisme of nationalisme, een bewering die Oscar Hanssen aannemelijk scheen te vinden, maar die ons toen ook al de wenkbrauwen deed fronsen. Ten tweede kunnen wij Lazarides niet anders dan gelijk geven wanneer die over Lindenbergs boekje “De techniek van het kwaad” zegt : is daar echt niet méér over te vertellen dan wat Lindenberg in dit dunne boekje neerschrijft ?
Volgens Lazarides faalt Lindenberg compleet wat geschiedkundige symptomatologie betreft en qua historische visie, en dat is nu juist de antroposofie dixit Lazarides, “la vision historique”. Maar wat ziet men als men de honderden antroposofische titels bekijkt die op dit ogenblik te koop zijn : allemaal beschrijvende en compilerende literatuur, allemaal ongevaarlijk, maakt niemand wakker voor de geestesstrijd die nu gaande is.

Daarmee zijn we wat vooruitgelopen op wat pas in de volgende voordrachten aan bod kwam, maar zo hebben we tegelijk een beetje de werkwijze van Lazarides geïmiteerd : hij schetst eerst een groot overzicht, maar de invulling gebeurt niet strak en systematisch, door de beperkingen of mogelijkheden van het ogenblik laat hij stukken weg uit zijn betoog of geeft hij een kleine resumé van een detail dat dan vlug een kwartier in beslag neemt.

Een eerste thema uit de zaterdagvoormiddagvoordracht was de occulte wetmatigheid dat een impuls in een 33-jaarsritme verder werkt zodat hij 99/100 jaar later een nieuw elan kan vertonen.
Deze wetmatigheid heeft te maken met de wijsheid van de sterrenhemel die door de vóór-Christelijke magiërs aan het firmament, dus boven de aarde, kon gelezen worden. Met de geboorte van Jezus en het Mysterie van Golgotha 33 jaar later is er een kosmische wetmatigheid op de aarde werkzaam geworden.
Bij Rudolf Steiner lezen we dat zo (in GA 180 “Mysterienwahrheiten und Weihnachtsimpulse”) :

“Want zoals de sterrenhemel ooit sprak tot de oude wijzen in het Oosten, als ze hem vroegen, wanneer ze iets in het sociale leven van de mensen wilden tot stand brengen, zo moet hij die vandaag iets tot stand wil brengen in het sociale leven der mensen, kijken naar de sterren die als het ware op en ondergaan in de geschiedenis. En zoals men de omloopstijd van de sterren rond de zon heeft geregeld, zo is ook de omloopstijd van de historische gebeurtenissen geregeld. En deze omloopstijd is van een Kerstmis tot de Pasen die 33 jaar later ligt. Zo regelen de Geesten der Omloopstijden het element waarin de mensenziel leeft en weeft.”

( … ) “Op een dergelijke waarheid heb ik reeds de aandacht gevestigd : wat de mens onderneemt, niet wat betreft zijn individueel, persoonlijk karma, maar wat hij onderneemt in een sociale, zedelijke, historische context, daar ligt een bepaalde wetmatigheid in de ontwikkeling van de geschiedenis aan de basis; wat in een bepaald jaar gebeurt, wanneer het omzeggens als een gedachte uit de mens voortkomt, zo’n gebeurtenis heeft Kerstmis-karakter en na 33 jaar een Paaskarakter. Dit geldt alleen voor onze handelingen in een sociaal verband; zoals gezegd, niet voor die van ons persoonlijk karma. Wanneer ik een paar schoenen maak, dan is het produceren van dit paar schoenen vanzelfsprekend iets dat op een bepaalde manier terugstraalt op mijn persoonlijk karma. Dat is een stroming op zich. Maar als ik een paar schoenen maak voor iemand anders, dan werk ik al sociaal. Dat is nu een zeer eenvoudig voorbeeld. En van deze simpele activiteit tot aan de grote politieke en sociale maatregelen, dat is natuurlijk een lange weg, maar toch : alles wat op deze weg ligt zit in het gebied van al wat na 33 jaar effectief werkzaam wordt. En dan, wanneer enigszins een dergelijke kiem die gelegd werd, rijp is geworden, dan werkt hij verder. Een mensengeneratie van 33 jaar rijpt een gedachtekiem, en daad-kiem. Is hij dan rijp dan werkt hij nog 66 jaar in de loop van de geschiedenis. Men kent de intensiteit van een impuls die de mens in het verloop van de geschiedenis inbrengt ook in zijn werkzaamheid nog na drie generaties, een ganse eeuw lang.”

“Dat wat ongeveer rond dit ogenblik gebeurt, dat wijst in historische context terug naar een geboortepunt van 33 jaar geleden, en het is zelf het geboortepunt voor wat zich in de loop van de volgende 33 jaar zal afspelen.”

Nemen we het einde van het Kali Joega, rond 1899, dan geeft dat als cruciale jaren 1933 en 1999. We kunnen dan rond 1899 het begin zien van Rudolf Steiners geesteswetenschappelijke impuls; in het jaar 1933 zouden de eerste waarnemingen van de etherische Christus zich moeten hebben voorgedaan maar daar heeft niemand wat van gemerkt en Lazarides volgt hier de klassieke antroposofische interpretatie : in plaats van in de etherische sfeer uit te kijken naar een goddelijk wezen is de mensheid – en dan vooral de Duitse mensheid – een opperwezen op het fysieke vlak beginnen aanbidden, namelijk Hitler.
Op dit punt ging hij verder in op de occulte bewegingen die achter het fenomeen Hitler zaten, Thule Genootschap, figuren als Haushofer en von Sebottendorf. Hier volgen wij persoonlijk liever Lindenberg die deze invloed minimaal acht (in “De techniek van het Kwaad”). Anderzijds geeft Lindenberg toe dat Hitler immense geldbedragen ontving via Zwitserse rekeningen. Maar verder onderzoek daaromtrent beschouwt hij als verloren moeite wegens het Zwitserse bankgeheim. Lazarides neemt hem dat kwalijk omdat je juist langs die Zwitserse banken op het spoor kunt komen van de werking van de Angelsaksische broederschappen. In dit verband wees hij op een verhelderend boek van Guido Preparata “Conjuring Hitler - How Britain And America Made the Third Reich”, dat ook in het Duits verkrijgbaar is. De titel is duidelijk genoeg : hoe Groot-Britannië en Amerika het Derde Rijk (mogelijk) maakten. Vele vragen over de geschiedenis van de tweede wereldoorlog die nooit gesteld worden krijgen een antwoord wanneer men weet dat de nationaal-socialistische beweging actief gesteund werd vanuit het Westen, bvb. :

Engeland verklaarde de oorlog aan Duitsland omdat het Polen binnengevallen was. Even later viel de Sovjet-Unie eveneens Polen binnen. Waarom verklaarde Engeland toen niet de oorlog aan de Sovjet-Unie ? Duitsland was zogezegd de grote agressieve natie, maar de Luftwaffe had geen viermotorige bommenwerpers waarmee je landen kunt aanvallen. Zowel de V.S. als Engeland waren al in 1936 bezig met dit soort bommenwerpers te ontwikkelen. Zelfverdediging ?
Engeland begon de oorlog zogezegd voor de vrijheid van Polen, maar waarom was die vrijheid in 1945 dan niet meer belangrijk ?
Allemaal vragen die wijzen in de richting van een uitgelokte oorlog vanwege de Westerse broederschappen.
Lazarides stelde deze vragen niet, hij ging verder met zijn verhaal.

Na de reeks 1900 – 1933 – 1999 stelde Lazarides voor om 1910 te nemen als beginpunt voor een impuls, het jaar dus dat Steiner de terugkeer van de etherische Christus openbaar maakte.
Dat geeft dan 1943 en 2010 als impulsjaren.

In 1942 -1943 ziet hij als een kernpunt de Wannsee-conferentie, de vergadering van topnazi’s waar naar verluidt het besluit genomen werd om over te gaan tot de Endlösung van het jodenprobleem. Endlösung wordt dan geïnterpreteerd als “de totale fysieke vernietiging van alle joden in Europa”.

. Lazarides tovert terug een vijfster tevoorschijn, met veel fantasie en de nodige weglatingen, door alle plaatsen op de kaart te verbinden waar vernietigingskampen gelegen waren. Dat presenteert natuurlijk mooi : de Steiner-vijfster van het goede en dan 33 jaar later de Hitler-vijfster van het absolute Kwaad. Lazarides geeft zelf toe dat dit maar een ideetje van hemzelf is, niet van Steiner, en relativeert ook meteen zijn eigen vondst, hij geeft ruiterlijk toe dat hij hiermee volledig de bal kan misslaan. En volgens ons is dat ook het geval.

.


Om het geheel nog dramatischer te maken wijst Lazarides op wat Steiner gezegd heeft over de werking van kaliumcyanide (meestal cyaankali genoemd, gebruikt onder de handelsnaam Zyklon B – fdw ), in GA 351 “Mensch und Welt”, een voordrachtenreeks voor de arbeiders aan het Goetheanum. Daar zegt Steiner op 10 oktober 1923 :

( … ) “Wanneer wij cyaankali in ons lichaam brengen, dan vernietigt dat in ons lichaam alle bewegingen en levenskrachten. En het erge is dat wanneer iemand met cyaankali zelfmoord pleegt, dat dan altijd het gevaar bestaat dat het cyaankali de ziel meeneemt, en dat de mens, in plaats dat hij in de ziel zou kunnen verder leven, verdeeld wordt over gans de wereld en vooral in het zonlicht verdeeld wordt.
Indien antroposofische inzichten meer verspreid zouden zijn, dan zou geen mens meer op het idee komen om zichzelf te vergiftigen met cyaankali. Hij zou er wel voor oppassen ! Dat er zelfvergiftigingen met cyaankali gebeuren, dat is alleen maar een gevolg van de materialistische wereldbeschouwing, omdat de mensen geloven : dood is dood, of dat nu door cyaankali is of als een natuurlijk einde. Maar dat is een groot verschil ! Wanneer men een natuurlijke dood sterft, dan gaan ziel en geest de gewone weg richting geestelijke wereld, ze leven verder. Als u nu zelfmoord pleegt met cyaankali, dan krijgt de ziel de neiging om met ieder lichaamsdeeltje mee te gaan, en meer bepaald zich te verspreiden in de stikstof en zich op te lossen in het heelal. Dat is de reële dood van ziel en geest. Indien de mensen zouden weten dat ziel en geest de eigenlijke mens uitmaken, dan zouden ze zeggen : dat kunnen wij niet doen, deze vreselijke explosies veroorzaken die dan in het ganse heelal veroorzaakt worden, op het fijnste niveau, wanneer iemand zichzelf vergiftigt met cyaankali. Want iedere mens die zelfmoord pleegt met cyaankali, die voegt zich op een onjuiste manier in in de stroom die van de aarde naar de zon gaat. En indien men de gepaste instrumenten daartoe had, dan zou men iedere keer dat een mens zichzelf vergiftigt met cyaankali in de zon een kleine explosie zien. En de zon wordt daardoor slechter. De mens bederft het universum en de kracht die van de zon naar de aarde stroomt als hij zich vergiftigt met cyaankali. De mens heeft werkelijk invloed op het heelal. Als hij zichzelf vergiftigt met cyaankali, dan komt dat erop neer dat hij de zon ruïneert.” ( … )

Bon, zegt Lazarides, het gaat hier wel over zelfmoord, mais quand-même ….
Hij heeft deze constructie nodig om dan verder tot een ander beeld te komen : de Midden-Europese impuls, gesymboliseerd door de eerste vijfster, die geprangd zit tussen het Soratisch kwaad in het Oosten (de vernietigingskampen in Polen) en in het Westen door de politieke vierhoek Londen-Parijs-Brussel-Straatsburg, de Ahrimanische Europese constructie. Waardoor de kompasnaald uit de eerste kaart vervormd wordt tot onder- en bovenkaak van het monster van het Kwaad.

Zoals hij het voorstelt zou de impuls die vanuit Midden-Europa de Westerse beschaving op het juiste spoor moet zetten in de tang gehouden worden door een realiteit in het heden (de leugen van de Europese Unie als een politieke constructie die beantwoordt aan de eisen van deze tijd) en door een realiteit in het verleden (de holocaust). Dat kan eigenlijk niet kloppen, we gaan daar in een volgende aflevering van De Brug dieper op in. .

Een tweede punt van de zaterdagvoormiddagvoordracht waar we willen op in gaan is het begrip Shamballa. Lezers van een oudere generatie zullen zich wellicht nog de popklassieker met die naam herinneren uit 1973, gezongen door B.W. Stevenson.

Wash away my troubles, wash away my pain, with the rain in Shambala,
Wash away my sorrow, wash away my shame, with the rain in Shambala

De kans dat de auteur van dit lied zich door Rudolf Steiner liet inspireren is eerder klein; Shamballa is een echt New-Age-begrip dat men in alle werken van Alice Bailey terugvindt ( zie verder).
Rudolf Steiner heeft er alleen maar over gesproken in de voordrachten over de wederkomst van de etherische Christus en hij benadrukt dat het een geestelijk rijk is. Voorzag hij misschien dat talloze hippies ergens in de Himalaya zouden gaan zoeken naar dit hemelse rijk ?
De eerste keer horen we van Shamballa in de voordracht in Stuttgart op 6 maart 1910. Lazarides wijst op iets raadselachtigs : Steiner sprak op 5 en 6 maart in Stuttgart. Op 5 maart heeft hij het over tegenstellingen in het menselijk wezen die hun evenbeeld hebben in de kosmos :
Zo is er een tegenstelling tussen hoofd en ledematen die overeenkomt met de tegenstelling tussen zon en aarde. Dan is er de tegenstelling mannelijk-vrouwelijk : in de kosmos komt dat overeen met de tegenstelling tussen maan en komeet. In 1910 was de komeet van Halley zeer goed waarneembaar aan de nachtelijke hemel. Steiner legt dan uit dat deze komeet als taak heeft om telkens ze verschijnt het Ik van de mens te versterken, t.t.z. zo in te werken op fysiek en etherlichaam dat die het meer ontwikkelde Ik kunnen opnemen, dat ze de dragers kunnen worden van de meer materialistische gedachten die het Ik ondertussen ontwikkeld heeft. Maar nu het Kali-Joega afgelopen is, moet de mensheid terug de weg omhoog naar het spirituele vinden, en zich dus te weer stellen tegen de invloed van de komeet van Halley, die hem juist meer ‘aardser’ maakt. In die zin moet deze komeet voor ons een ‘Wahrzeichen’ zijn, een alarmsignaal als het ware, dat het met ons de slechte kant uitgaat.

En op het einde van de voordracht stelt Steiner de vraag : is er nu ook in de kosmos een evenbeeld te vinden voor dit opstijgen naar een nieuw spiritueel leven ? – Daar gaan we morgen verder op in, zegt hij. Maar hij doet het niet ! Op 6 maart legt hij uit welke spiegeling er bestaat tussen de 3000 jaren vóór Christus en de 3000 jaar erna, hij spreekt over Paulus in Damascus, over de terugkeer van de etherische Christus en over het geestelijk land van Shamballa, maar hij geeft geen antwoord op de vraag die hij de dag voordien zelf stelde.
Dat is toch merkwaardig. Als je er zelf over nadenkt : wat kan in de kosmos een evenbeeld zijn van het terug opstijgen naar het spirituele ? – dan zijn er niet zoveel mogelijkheden. En misschien geeft Steiner toch een antwoord, maar dan wel zeven jaar later : de tegenstelling tussen het sterrenbeeld van de Vissen en het teken dat er tegenover staat : Maagd .
Lazarides schreef enkele jaren geleden een boek over de kwestie tijdperk Waterman (New-Age) tegenover tijdperk Vissen (antroposofische astrologie). Hij nam ons mee op een tocht langs de sterrenhemel waarvan we onthouden : de mensheid is nu in het tijdperk van de Vissen aangekomen, maar van het tegenoverliggende sterrenteken Maagd straalt er nog een geestelijke onvruchtbaarheid. Op 30 december 1917 zegt Steiner : “dit tijdperk moet echter de weg vinden om uit de geestelijke onvruchtbaarheid te geraken”.
Of gaat het om de tegenstelling tussen Ram en Vissen, zoals Steiner uitlegt op 8 januari 1918 :
In het midden van Atlantis stond het lentepunt van de Zon in het teken van de Weegschaal, het menselijk etherlichaam begint zich meer en meer terug te trekken tot binnen de grenzen van het fysieke lichaam. Daardoor gaat de oude helderziendheid verloren. Het na-Atlantische tijdperk begint in Kreeft, wat in de mens mikrokosmisch overeenkomt met de borstkas. Meer en meer vormt de mens zijn eigen gedachten over de wereld rond hem. In de loop van de cultuurperiodes gingen we de dierenriem af van Kreeft naar Tweelingen (Oud-Perzië), Stier (Assyrisch-Babylonisch-Egyptisch). In het tijdperk van de Ram zitten die gedachten in het hoofd, maar als realiteitsvreemde begrippen. Met de Vissen, die bij de mens staan voor de voeten, is er een groot omslagpunt : de gedachten die in het hoofd lege hulzen zijn geworden, komen nu langs de voeten, langs de aarde. Wat de mens vroeger uit de hemel kreeg, krijgt hij nu uit de aarde, vandaar de materialistische inslag, maar anderzijds zien we dat boven de Vissen het teken van Pegasus staat, het gevleugeld paard, dat in de tijd van zijn geboorte ( uit het afgeslagen hoofd van de Medusa - de oude helderziendheid ) de personificatie van de fantasie was, een overblijfsel van de oude imaginaties, en in feite staat voor de Ik-cultuur waarmee het nieuwe helderzien nagestreefd moet worden (in GA 61, blz. 336).

Niet voor niets beeldt een visionair schilder als Salvador Dali
een gevleugeld paard af in een werk met de titel “The second coming of Christ”
zegt Lazarides



. Overal in onze tijd zien we echter een tendens om de oude helderziendheid levend te houden, dus een helderziendheid waarbij geen plaats is voor het heldere en logische denken. Over deze dwaalwegen had Lazarides het dan in zijn volgende voordrachten.

De voordracht van zaterdagavond begon met het geval Krishnamoerti. Enkele nieuwe aspecten omtrent deze zaak lezen we in “Der Europäer”, jaargang 14 nr. 2/3, dec 09 / jan 2010. We vertaalden het eerste deel van dit artikel omdat Lazarides ook uitdrukkelijk hiernaar verwees.
Thomas Meyer :

“Op 12 januari 2010 was het precies 100 jaar geleden dat Rudolf Steiner voor het eerst sprak over het spoedige wederverschijnen van de Christus in het etherische. Hij deed dat voor de leden van de toenmalige Theosopische Vereniging in Stockholm, tijdens de voordrachtreeks over het Johannes-evangelie. Het was duidelijk niet voorzien in de planning, vandaar het ongewone uur : 17u30 (volgens de kroniek van Christoph Lindenberg). ( … ) Het is dus in Stockholm dat Rudolf Steiner drie keer op het jaar 1933 wijst als het tijdstip van de terugkeer van de Christus. In latere voordrachten (gebundeld in GA 118) worden ook de jaren 1930 tot 1934 genoemd.
Na Stockholm spreekt hij gedurende de eerste helft van het jaar 1910 meer dan 30 keer over dit thema. In augustus komt het zelfs als toneel op de planken : in het eerste mysteriedrama “De poort van de inwijding” spreekt de zieneres Theodora over de aanstaande terugkeer van Christus in het etherische en wijst daarbij op een leraar-verkondiger van die gebeurtenis die onafhankelijk werkt van Benedictus, de geestelijke leider van de personages in het drama.

Waarom bracht Rudolf Steiner toen, als generaal-secretaris van de Duitse afdeling van de Theosophische Vereniging, totaal onverwacht het feit van de wederkeer van de Christus in etherische gestalte ter sprake, juist vóór het begin van de 8ste avondvoordracht van de cyclus over het Johannes-evangelie ?

Het antwoord op deze vraag vinden we slechts indirect. We moeten de blik richten op de situatie van de ganse Theosophische Vereniging van die tijd.
Na een aanvankelijk harmonische samenwerking gingen de geestelijke wegen van Steiner en Annie Besant na 1907 steeds meer uiteen. De reden daarvan was het verschil in inzicht omtrent het wezen en de betekenis van Christus en het mysterie van Golgotha. Terwijl Steiner er geen probleem mee had om de wereldhistorische betekenis van de Boeddha en de 12 Boddhisattva’s te erkennen, kon Besant het niet opbrengen –onder invloed van Oosterse stromingen – om de missie van de Christus naar waarde te schatten. Erger, de begrippen Christus, Boddhisattva, zelfs de te verwachten Boeddha (de Maitreya-Boeddha) liepen stilaan in elkaar over. Daarbij kwam de steeds sterker wordende tendens om een fysieke wederbelichaming van het – ook Christus genoemde – Boeddha-wezen aan te nemen en te verwachten. Deze tendens werd na het congres van Boedapest in 1909 steeds sterker ( Rudolf Steiner sprak daar op 31 mei 1909 over het thema “Van Boeddha tot Christus” –fdw).
Doorslaggevend voor deze ontwikkeling was Charles Leadbeater, een man met occult-mediale capaciteiten uit de naaste omgeving van Besant.
Nog in de eerste oplage van zijn boek “De Theosophie” laat Rudolf Steiner zich positief uit over de schriften van Besant en ook van Leadbeater. Hij raadde Annie Besant wel aan om haar mentale vermogens en het zuivere denken te ontwikkelen.
In het jaar 1909 ontdekte Leadbeater in Indië de toen ongeveer 14-jarige Krishnamoerti. Aan diens aura meende hij te kunnen zien dat het hier om een individualiteit van uitzonderlijk formaat ging. Het duurde niet lang of het stond voor hem vast dat deze Hindoe jongen door Heer Maitreya uitgekozen was als zijn aardse drager.

Op 10 januari 1910 begon Leadbeater met de inwijding van Krishnamoerti. Hij liet zich met de jongen opsluiten in de slaapkamer van Besant in Adyar, terwijl Annie Besant zelf de ceremonie “astraliter”, vanop afstand zou meevolgen. Leadbeater ging op de grond liggen terwijl Krishnamoerti op het bed lag. Zo begon de astrale reis naar het ‘Huis van de Meester’ (Koet Hoemi genaamd) die dan de inwijding overnam en hem naar het huis van de Heer Maitreya bracht waar zich nog vele andere Meesters bevonden. Volgens Krishnamoerti’s eigen aantekeningen “keerde de Maitreya zich in de richting van Shamballah en riep : Doe ik dit, o Heer, van het leven en van het licht, in uw naam en voor u ? – En onmiddellijk ging de grote zilveren ster boven zijn hoofd omhoog ( … ) en de Heer Maitreya riep mij en noemde mij bij de ware naam van mijn Ik en legde zijn hand op mijn hoofd en sprak : In de naam van de Ene Initiator, wiens ster over ons straalt, neem ik je op in de broederschap van het eeuwige leven. Zorg ervoor dat je een waardig en nuttig lid bent. Je bent nu voor altijd in zekerheid want je hebt de stroom betreden; dat je spoedig de andere oever moge bereiken.”

De inwijdingsceremonie duurde 3 dagen en eindigde op 12 januari. Dezelfde dag schreef Besant aan Leadbeater als een soort samenvatting van wat zij zogezegd op afstand had meegevolgd :
“Het staat dus onomstotelijk vast dat de Heer Maitreya het lichaam van dit lieve kind zal in bezit nemen.”

Met deze zin maakte de voorzitster van de Theosophische Vereniging de verkeerde opvatting van een fysieke terugkeer van een “Maitreya-Christus” tot een onwrikbaar dogma voor de gehele Theosophische Vereniging. In zekere zin was dit het dieptepunt van een spiritueel ontspoorde ontwikkeling zoals Steiner die jarenlang had kunnen waarnemen.
Op een of andere –waarschijnlijk occulte - manier moet Steiner op de hoogte geraakt zijn van deze “inwijding”. Zonder aarzelen ging hij over tot een geestelijk corrigerende daad en vertelde nog dezelfde dag aan de theosofen die zijn voordrachtenreeks over het Johannes-evangelie bezochten, de waarheid over de etherische terugkeer van de Christus.
Rudolf Steiner schijnt noch toen, noch later op de reden van zijn plotse, onaangekondigde verkondiging van dit etherisch gebeuren te hebben gewezen. Het zou natuurlijk onmiddellijk tot een heftige polemiek binnen de Theosophische Vereniging hebben geleid.
Zoals bekend werd dan eind 1909 de ‘Orde van de Ster van het Oosten’ opgericht met het doel deze valse Christus-incarnatie te propageren. De Duitse generaal-secretaris kon natuurlijk deze orde binnen zijn afdeling niet erkennen, wat dan uiteindelijk in 1912/1913 tot het uitsluiten van de Duitse afdeling van de Theosophische Vereniging leidde. ( … )

Tot zover Thomas Meyer.
Volgens Lazarides is met de Krishnamoerti-zaak een verdringing van de antroposofische impuls begonnen. Dat de mensheid terug wakker wordt voor de geestelijke wereld is een ontwikkeling die niet tegen te houden is, ook niet door de tegenmachten. Wat zij wel kunnen doen, is de ontwikkeling afleiden naar een ander spoor en iets anders in de plaats stellen, in ’t Frans : diversion en substitution .
Dit laatste wordt geïllustreerd in een fresco van Luca Signorelli “Het werk van de Antichrist” in de kathedraal van Orvieto in Italië :

In het grote tableau valt het nauwelijks op maar als je het detail bekijkt, dan zie je niet de twee handen van Christus. De linkerhand is die van de Antichrist. Het komt er op aan om altijd goed te onderscheiden : welke geest zit achter een bepaalde hand-eling ? Die van de Christus of die van de Antichrist ?

Vanuit dit gegeven gaat Lazarides verder. Door zijn tegenactie in 1910 heeft Rudolf Steiner een antichristelijke impuls geneutraliseerd. De Theosofische Vereniging viel uiteen toen Krishnamoerti in 1925 zijn rol van wedergekeerde Christus niet meer wilde spelen. Maar de geestelijke strijd ging verder. Als geestelijk wezen was Rudolf Steiner een te sterke tegenstander, maar als fysieke mens was hij kwetsbaar en het is dan ook de fysieke drager van zijn wezen die ondermijnd werd, zodat hij in 1925 het fysieke plan moest verlaten. Was hij ouder geworden, zoals hij zelf verwacht had, dan zou het de patriarchenleeftijd van 72 jaar bereikt hebben in … 1933. Maar hij was er niet meer en de tere bloempjes van de nieuwe helderziendheid werden vertrappeld :
“ … daß die Menschen die jungen Pflänzlein im Keim zertreten haben.”
(in GA 118, voordracht in Stuttgart op 6 maart 1910)

Een mooie gelegenheid voor de lezer om zich bewust te worden van de beïnvloeding waaraan hij blootstaat : Iedereen in het Westen, ook de antroposoof, associeert 1933 onmiddellijk met het jaar dat Hitler aan de macht kwam. Maar in datzelfde jaar werd ook Roosevelt verkozen. Met zijn New-Deal-programma beschikte hij over evenveel dictatoriale macht als Hitler en hij gebruikte die actief om aan te sturen op oorlog met Duitsland (zie bvb. David L. Hoggan “The forced War” en G. Wirsig “Der maßlose Kontinent-Roosevelts Kampf um die Weltherrschaft” of Benjamin Colby “‘t Was a famous Victory”).
In de Sovjet-Unie stierven in 1933 miljoenen Russen door de hongersnood die door de hersenloze ideologie van de bolsjewieken veroorzaakt was. De duizenden christelijke kerken, de miljoenen Russische boeren, die samen met deze kerken vernietigd werden, zielen met waarschijnlijk meer potentieel om de etherische Christus te schouwen dan de Westerse zielen, wie denkt aan hen bij het horen of lezen van ‘1933’ ? – fdw

. In die periode begon er een ander bloempje te bloeien : de antichristelijke impuls werd verder gezet door Alice Bailey (1880 – 1949).
Deze vrouw werd geboren in Engeland als Alice La Trobe Bateman, in een rijke familie. Toen ze 15 was ontmoette ze iemand van wie ze later zei dat het de Meester Koet Hoemi was. Die vertelde haar dat ze zich moest voorbereiden op een grote taak die hij voor haar had. In 1902 doet ze zendelingswerk in India en daar leert ze in 1907 haar eerste man kennen. Ze trouwt en gaat met hem naar Amerika. In 1915 scheidt ze van haar man, ze heeft ondertussen drie kinderen, en ze ontdekt de Theosofische Vereniging. Ze wordt lid en in 1919 wordt ze gecontacteerd door een andere Meester, Djwhal Khoel, ook de Tibetaan genoemd, die haar telepatisch dicteert tot aan haar dood in 1949. Ze hertrouwde in 1921 met de nationale secretaris van de Theosofische Vereniging, de vrijmetselaar van de 32ste graad, Foster Bailey. Het kwam tot een breuk met Annie Besant en in 1923 werd de Arcane School gesticht, die nu nog bestaat.Al wat in onze tijd aan New-Age-esoterieën leeft, is in meerdere of mindere mate gebaseerd op de ‘inzichten’ die te vinden zijn in de 24 boeken die deze vrouw schreef (en die Lazarides allemaal gelezen heeft!). Alles werd haar dus telepathisch gedicteerd door een Tibetaans Meester met de naam Djwhal Khoel.
We laten u kennis maken met enkele uittreksels uit “De stralen en de inwijdingen” waarin de terugkeer van de Christus in een fysieke gedaante verkondigd wordt ( vanaf blz. 484, de onderlijningen zijn van ons) :

Laat mij de feiten eens iets duidelijker stellen en wat dieper ingaan op deze drie manieren van Zijn verschijnen, van Zijn komst en van Zijn stoffelijke herkenning door de mensheid:

1. Door Zijn overschaduwing van alle ingewijden en discipelen die nu, of ten tijde van Zijn komst, in de drie werelden der menselijke evolutie werkzaam zijn. Dit houdt in, dat hun denkvermogen telepatisch door Hem zal worden beïnvloed. Dit overschaduwen of beïnvloeden zal Zijn voorbereidend werk zijn op het mentale gebied. Dit zal een van Zijn meest doelmatige werkwijzen zijn bij Zijn voorgenomen geestelijk ingrijpen in wereldlijke aangelegenheden. Door middel van deze leden van, of aangesloten bij de Hiërarchie zal Hij voorposten van Zijn bewustzijn in elk land hebben. Hierdoor kan Hij dan werken.

2. Door het Christusleven of -bewustzijn over de massa’s overal en in elk land uit te storten. Deze geestelijke instroming zal de heroriëntering der menselijke begeerte tot gevolg hebben en zal de emotionele reactie op Zijn Aanwezigheid opwekken. Dit brengt dan het astrale gebied binnen Zijn invloedssfeer. Dit brengt mee, dat de energie van goede wil de harten der mensen vrijelijk kan binnenstromen, die daardoor ontvankelijk worden voor juiste menselijke verhoudingen. Het is dit tot stand brengen van juiste verhoudingen, dat het voornaamste doel is van Zijn op komst zijnde drievoudige werkzaamheid. Overal zullen de massa’s ontvankelijk zijn voor de arbeid en de boodschap van de Christus, zoals die vanuit het mentale gebied wordt doorgegeven door de discipelen en ingewijden, die door het denkvermogen van Christus worden overschaduwd.

3. Door Zijn stoffelijk verschijnen onder de mensen.
Door zijn eigen rechtstreekse verschijnen kan Hij, op een wijze, die tot nu toe niet mogelijk was, een machtig brandpunt van hiërarchische energie op aarde vestigen. Hij heeft de mensheid nooit verlaten en altijd Zijn belofte gestand gedaan om al de dagen met ons te zijn, zelfs tot het einde van het tijdperk. In alle landen zullen de mensen weten waar zij Hem moeten zoeken. De plaats van dit brandpunt van Zijn drievoudige geestelijke werkzaamheid kan hier niet worden onthuld, daar die afhankelijk is van de resultaten der processen van overschaduwing en uitstorting. De eerste der werkwijzen, die zal leiden tot de uiteindelijke stoffelijke wederkomst van de Christus is reeds in beweging gezet; in alle landen zijn discipelen en ingewijden begonnen met het voorbereidende werk voor de uitstroming van de geestelijke Christuskracht, die moet leiden tot het opwekken van het Christus-bewustzijn (zoals het gewoonlijk wordt genoemd) in de harten der mensen. Deze uitstroming zal plaats hebben als gevolg van drie werkzaamheden: 1. Het werk en onderricht van de geoefende discipelen en ingewijden, daar ieder van hen op zijn eigen manier wijst op de zekerheid van de komst van Christus en zo de ingeboren verwachting van de massa’s voedt.
2. Het oproepen van een gezamenlijke reactie van de Hiërarchie door middel van de Grote Aanroep. U gelieve op te merken hoe deze aanroep kan worden geïnterpreteerd in verband met de drie manieren van wederkomst van Christus:

a. ‘Strome Licht in het denken van de mensen’. -De beïnvloeding van het denken der discipelen.
De verlichting van de intelligente mensheid. -Het mentale gebied. -Vers 1.

b. ‘Strome Liefde in de harten van de mensen’. -De beïnvloeding van de massa’s overal.
De uitstroming van de Christusgeest. -Het astrale gebied. -Vers II.

c. ‘Het Doel, dat de Meesters kennen en dienen’. -De Verankering van hiërarchische energie op aarde.
De stoffelijke verschijning van de Christus. -Het stoffelijk gebied. -Vers III.

Wat dit goddelijk doel kan zijn, zal de Christus Zelf bij Zijn aankomst openbaren; het brandpunt van Zijn werkzaamheden zal afhankelijk zijn van het middel of medium, dat Hij zal gebruiken, om dat doel te verwezenlijken, slechts aan Hem en de oudere leden der Hiërarchie bekend. Als politiek het medium zou zijn, waardoor Hij het beste zou kunnen dienen, dan zal die de plaats van het brandpunt bepalen; als het de kerkelijke organisaties van de wereld zouden zijn, zou het ergens anders kunnen liggen; zou het het gebied der economie of der sociale wetenschappen zijn, dan kan weer een andere plaats beter geschikt blijken. De beslissende factor in alle gevallen en die, welke aan Hem de juiste plaats voor dit brandpunt kenbaar zal maken, zal bepaald worden door het aantal, de kundigheid en status der discipelen, die in het gekozen gebied werkzaam zijn. Meer mag ik niet zeggen.
3. Het verzoek of gebed of uitgesproken verlangen van de massa’s naar de komst van een Bevrijder en de vestiging van juiste menselijke verhoudingen, plus het werk van alle geestelijk-ingestelde mensen in alle volkeren en alle godsdiensten. Al deze drie factoren zijn op het ogenblik aanwezig, maar hebben nog niet de nodige kracht om onmiddellijk resultaten te bewerkstelligen. Deze drievoudige kern van bepalende factoren is echter reeds stevig gegrondvest; in dit feit ligt zeker een reden tot een gerechtvaardigd optimisme.
Ik moet u er opmerkzaam op maken, dat het beginsel van conflict sterk wordt aangedreven door dezelfde factoren. De overschaduwing van alle discipelen en ingewijden en de daaruit volgende stimulatie van hun aard en hun omgeving moeten onvermijdelijk conflict veroorzaken. De instroming van de stimulerende liefde van God in de harten van de mensen moet evenzeer en even onvermijdelijk conflict veroorzaken. De scheidingslijn tussen de mensen van goede wil en de onverschillige geaardheid van degenen, die door deze hoedanigheid niet worden beïnvloed, zal overduidelijk, nuttig en opbouwend aan het licht komen. Het zal eveneens duidelijk
zijn dat, als Christus het ‘centrum of brandpunt van Goddelijk Doel’ op een bepaalde plaats op aarde vestigt, de uitstraling en het uitvoerend vermogen ervan ook de oorzaak zullen zijn van het conflict, dat vooraf gaat aan de verheldering en het verwerpen van belemmeringen. ( … )

We zijn nu op een punt aangeland, waar de onvermijdelijkheid van de wederkomst van Christus is vastgesteld, wetenschappelijk en wetmatig; dit betekent een roep, die Hij niet kan negeren en waaraan Hij gehoor moet geven. ( … ) Niets kan Zijn verschijning tegenhouden en volgens de wet mag Hij aan de geboden gelegenheid de rug niet toekeren. Zo moet tenslotte de Heer van liefde, in antwoord op de invocatieve roep der mensheid, die door het beginsel van conflict is opgewekt, ‘wederom naar de hoge plaats van opoffering komen en openlijk onder de mensen op aarde wandelen’. ( … )

We zien dat de Christus die hier aangekondigd wordt een totaal andere aard heeft dan de Christus die de antroposofische geesteswetenschap kent. Hij zal fysiek zijn, hij respecteert de vrijheid van de mensen niet en is zelf ook niet vrij ! De mens moet ook geen moeite doen om de Christus tegemoet te komen, het gaat allemaal wel vanzelf. Christian Lazarides wees ook op het contrast tussen wat Steiner zegt over de volkszielen en wat de Tibetaan zegt over naties. Bij Steiner leer je de wereld van de werkende aartsengelen begrijpen, hun taken en offers in de loop van de geschiedenis; bij Bailey gaat het over abstracte politieke indelingen, naties, en dubieuze principes als ‘harmonie door conflict’. Dit kan even goed een recept zijn voor een ‘goed’ huwelijk, als het uitgangspunt van de Amerikaanse buitenlandse politiek.

De Uitwerking van de Straal van Harmonie door Conflict in de moderne wereld der Volkeren
( … )
De factor, die het beginsel van conflict moet en ook zal verbinden met de uitdrukking van harmonie en de nieuwe wereldorde, de nieuwe beschaving en cultuur in het leven zal roepen, is de richting en stem der publieke opinie en de gelegenheid, die de mensen overal geboden wordt om sociale veiligheid en juiste menselijke verhoudingen tot stand te brengen. Niet de regering van het een of andere land zal dit bewerkstelligen, maar de ingeboren echtheid van de mensen zelf, wanneer zij zijn opgeleid tot het verkrijgen van een duidelijk inzicht in de kwesties waar het om gaat, in de verbindingen, die moeten worden gelegd en in de geweldige subjectieve eenheid der mensheid. Dit kan nooit bereikt worden zonder een intensieve periode van planmatige opleiding, van een waarlijk vrije pers en radio — zowel vrij om de zuivere waarheid te spreken als de feiten te vermelden zoals ze liggen, zonder de controle of beïnvloeding der regering, druk uitoefenende groeperingen, kerkelijke organisaties of aan de macht zijnde partijen of dictators. De zonde der Rooms Katholieke Kerk ligt in haar poging de mensen voor te schrijven wat zij moeten denken zowel theologisch als politiek, wat zij moeten doen, lezen en dragen; dit is, op nog veel grotere schaal, de misdaad van Rusland. De mensenmassa in de typisch katholieke landen is niet zo vrij in haar denken als degenen, die in de protestante landen wonen; het Russische volk kent geen vrijheid en heeft geen kans zijn eigen standpunt te vormen; handelsbelangen en politieke overwegingen leggen in andere landen beperkingen op. Door al deze bronnen tot controleuitoefening wordt de ontwikkeling van werkelijk begrip tegengehouden, verwrongen en gesmoord. Wonderlijk genoeg is de bedoeling van de dictatoriale instanties, zowel in de Katholieke kerk als in Rusland, oorspronkelijk goed; zij denken, dat de onontwikkelde massa’s niet capabel zijn zelf te beslissen wat zij moeten horen, denken of besluiten. Daarom moeten zij beschermd worden; in het ene geval door verordeningen en verboden van het Vaticaan (via het georganiseerde priesterschap), die de juiste houding in denken en handelen vastleggen zonder tegenspraak; en in het andere geval door de waarheid omtrent gebeurtenissen en voorvallen achter te houden. Maar overal worden de mensen wakker en zij kunnen, indien hun kundige leiding gegeven wordt, die op het ogenblik in geen enkel land ter wereld gevonden wordt, ongetwijfeld het getij doen keren naar een grote harmoniserende en eenheid brengende beweging. ( … )

Het leidinggevende principe schijnt heel belangrijk te zijn. De vraag is alleen : wie gaat er opleiden ? Wie gaat er leiding geven ? De regeringen zullen het blijkbaar niet zijn. Welke organisatie dan wel ?
Let op de tegenspraak : de dictatoriale staten denken dat de massa’s niet capabel zijn, zegt de Tibetaan, hij is blijkbaar overtuigd dat ze dat wel zijn … indien hun kundige leiding wordt gegeven !
Verder lezen we dat naties het pad van het discipelschap kunnen gaan, wat neerkomt op een ontkenning van het individu.

Wanneer de vierde straal van harmonie door conflict de energie is, die door de ziel tot uitdrukking wordt gebracht, kan men aannemen, dat het desbetreffende land op weg is naar het pad van discipelschap of het pad van beproeving. Oostenrijk en Duitsland naderen het pad van discipelschap; Brazilië bevindt zich op het pad van beproeving en zal snel vooruit komen; Oostenrijk is dichter genaderd tot waar discipelschap dan Duitsland en Oostenrijk heeft op den duur geestelijk veel te geven. Zodra er een waarborg bestaat voor een zekere mate van veiligheid en betere levensvoorwaarden, zal het dit land aan geestelijke leiding niet ontbreken. Duitsland heeft een dure prijs te betalen, omdat door zijn onrijpheid en kinderlijke interpretatie van wereldbelangen, door zijn gebrek aan denkend vermogen en door zijn wonderbaarlijke ingeboren wreedheid de machten van het kwaad (tijdelijk) de kans hebben gekregen door Duitsland hun werk te doen en het wereldconflict te verhaasten. Maar Duitsland zal zich herstellen, vooropgesteld, dat het zich niet weer tot een slagveld laat maken, gezien zijn strategische ligging in centraal Europa. Voor dit herstel moeten alle mensen van goede wil arbeiden.

Sovjet Rusland tracht eveneens vele verschillende volkeren en rassen, Europese en Aziatische, tot één groot nationaal project te verzamelen en te verenigen en deze poging is nog grotendeels embryonaal. In Rusland wordt een wereld-ideologie uitgewerkt, die (indien de juistheid daarvan bewezen wordt) de wereld kan worden aangeboden als een model-systeem; dit zal echter niet gebeuren als een gevolg van dictatorschap, noch kan het onder dwang aan de wereld worden opgelegd. In werkelijkheid is Rusland, of het het zich nu bewust is of niet, bezig met een groot experiment in opvoeding en tenslotte zal, ondanks slechte methoden en zondigen tegen de ziel der menselijke vrijheid, dit opvoedingsproces overtuiging wekken in de wereld en een wereldschema verschaffen.

Deze ‘inzichten’ werden telepathisch ontvangen in 1947 en schijnen sterk gekleurd te zijn door oorlogspropaganda als je ziet hoe Duitsland gekarakteriseerd wordt. Anderzijds is het wel waar dat het bolsjewistisch opvoedingsexperiment in het Westen overgenomen is, ondanks het verkrachten van de menselijke ziel. Dan nog enkele merkwaardige karakteriseringen van Polen, Ieren en joden :

( … )
De Polen en de Ieren zijn sterke ‘catalysatoren van conflict’ en zijn voortdurend aanstichters van moeilijkheden tussen mensen. Zo is hun geschiedenis altijd geweest. In de Middeleeuwen heeft de franse agressie ook moeilijkheden veroorzaakt en later werd Duitsland de aanstoker van conflicten. Heden zijn de Joden de veroorzakers van moeilijkheden en het is belangwekkend te zien, dat het voornaamste strijdpunt in het verleden van Polen, niet zolang geleden van de Ieren en nu van de Joden gaat over grondgebied, waarmee een zeer verwrongen gevoel van waarde aan de dag wordt gelegd. In laatste instantie is er maar één wereld en één mensheid en in korter tijd dan u wel denkt zullen grenzen en landgebieden nog maar weinig betekenis hebben. Dan zal wereldburgerschap de enige belangrijke factor zijn.
De Joden stonden gedurende de jaren vlak na de oorlog ook onder de invloed van een begoocheling, hen opgelegd door de Zionisten-dictators, die probeerden (vrijwel zonder succes) voor het Joodse volk te zijn wat Stalin en zijn groep en Hitler en zijn volgelingen voor hun mensen waren. Zij werkten met dezelfde methoden — terrorisatie, achterhouding van nieuws, intimidatie van hun tegenstanders, het maken van valse aanspraken, omkoperij en corruptie. Ze waren een minderheid en zijn dat nog, maar een machtige minderheid vanwege hun grote rijkdom en hoge machtsposities. Zij maken aanspraak op een land, waarop zij geen enkel recht hebben en dat de Joden twee duizend jaar lang genegeerd hebben. Hun houding is misschien de culminerende agressieve actie van dit tijdperk en betekent een hoogtepunt. Er is een ernstige wereldspanning uit voortgekomen, maar hieruit kan iets goeds komen en kan een ‘punt van naar buiten treden voor de mensheid’ bereikt worden. De kwestie van agressie kan duidelijker worden onderkend door hun activiteiten. Zeer weinig landen zijn op het ogenblik nog in het bezit van hun oorspronkelijke bewoners en als er een teruggave zou worden uitgevoerd van alle oorspronkelijke inwoners (wat niet mogelijk is) zou er een onmogelijke toestand worden geschapen, even gewettigd als de positie der Zionisten. Als de aanspraken der Zionisten in overweging moeten worden genomen (en dat is gebeurd) zouden zij op hun beurt moeten beseffen, dat zij (als men geloof wil hechten aan het Oude Testament) het land Palestina oorspronkelijk bijna drie duizend jaar geleden van de oorspronkelijke eigenaren met geweld van wapenen en met niet uitgelokte agressie hebben afgenomen.
Dit conflict, dat de Zionisten hebben verhaast, is fundamenteel en nuttig. Het vertegenwoordigt een testgeval, dat gebaseerd is op agressie op het stoffelijk gebied, die uitgevochten wordt met de heftigste emotionele beroering en gefundeerd is op volkomen onlogische stellingen. De Jood is altijd (het zou goed zijn als hij dat nu eens kon beseffen) het symbool geweest der mensheid, zich ontplooiend, zoekend, rusteloos, materialistisch, afscheidend en hebzuchtig. Hij is het symbool van het massabewustzijn, waarbij dat bewustzijn in een overdreven vorm wordt voorgesteld; hij is eeuwig zoekende naar een thuis en is de ware Verloren Zoon van het Nieuwe Testament.
Wonderlijk genoeg zijn de Joden nooit een krijgshaftig volk geweest sinds de treurige geschiedenis van de verovering der vroegere stammen in Palestina; zij zijn vervolgd en verstoten door de eeuwen heen, maar zij verweerden zich door eenvoudig verder te trekken, de wandelende Jood op zoek naar een woonstee, de dolende mensheid, die steeds zegt: ‘Ik moet opstaan en naar mijn Vader gaan’. Het motief, dat in het bijbelse verhaal van de Verloren Zoon gegeven wordt, is zuiver stoffelijk en hier hebben we een uitzonderlijk voorbeeld van de profetische kennis van de Christus. Het Joodse volk heeft niet alleen de Messias verloochend (die uit hun ras was voortgekomen), maar ook hebben zij hun bijzondere verhouding tot de mensheid vergeten. Zij vergeten, dat miljoenen in de wereld van vandaag hebben geleden zoals zij geleden hebben en dat bijvoorbeeld er tachtig procent andere mensen in de concentratiekampen van Europa waren en slechts twintig procent Joden. De Jood vocht echter slechts voor zichzelf en negeerde grotendeels het lijden van zijn medemensen in de concentratie- kampen.
Ik ben zo diep ingegaan op het joodse conflict omdat dit het symbool is van alle vroegere conflicten in de geschiedenis der mensheid, gebaseerd op algehele zelfzucht en hebzucht van een onvolgroeide mensheid èn omdat de vuurproef van de volkeren en van de Verenigde Naties zal bestaan in de besluiten die zij namen en zullen nemen aangaande Palestina.
De proef is, voor zover het de volkeren betreft, gelegen in hun bereidheid de Joden asiel te geven en dat asiel zou zijn aangeboden als de verdeling van Palestina zou zijn geweigerd. De onbereidheid der volkeren om de Joden toe te laten (hoewel velen het gaarne hebben aangeboden) en speciaal de weigering der Verenigde Staten om hen toegang te verlenen is afscheidend, verkeerd en gebaseerd op politieke opportuniteit. Voor zover het de Verenigde Naties betreft was het de test of zij de verdeling zouden steunen en zo de geest van agressie en hebzucht naar grondgebied, waartegen de krachten van het Licht in de laatste oorlog ten strijde trokken, zouden bestendigen. De Verenigde Naties hebben reeds een grote fout gemaakt door in het begin Rusland, een totalitaire macht zoals Duitsland was, tot hun raadsvergaderingen toe te laten. Nu hebben zij er nog een begaan. Bij de eerste fout lieten zij in de Verenigde Naties het element van conflict en die geest van ‘fanatiek opleggen van de wil’ ontstaan, die kenmerkend is voor de totalitaire ideologie; in dit tweede geval bestendigen zij, door de toestemming tot de verdeling, de oude techniek van (zo nodig met gewapende macht) de rechtmatige eigenaren te ontnemen wat men wil. Het was een proef voor de Verenigde Staten, want het zijn de Amerikaanse Joden, die de situatie hebben geschapen, met betrekkelijk weinig hulp of steun van de Joden van andere naties. De Verenigde Staten hebben, aangezet door eigenbelang, door het financiële gewicht der Zionisten en door de strategische ligging van Palestina, het gewicht van hun invloed in het conflict doen gelden aan de zijde van agressie en landdiefstal. Zij hadden kunnen werken voor het beginsel van harmonie en aan de tijd en de niet-afgescheidenheid der volkeren de gelegenheid kunnen geven het joodse probleem tot een oplossing te brengen. Meer wil ik niet zeggen; de symbolische aard van dit fundamentele wereld- probleem en het dynamische belang ervan voor de mensheid hebben mij ertoe gebracht er zo diep op in te gaan. De beslissing inzake de Joden is er een van hiërarchisch belang, als gevolg van de karmische verhouding van de Christus tot het. joodse ras, het feit, dat zij Hem als de Messias verloochenden en dat nog doen en vanwege het feit, dat het joodse probleem te beschouwen is als geldende voor de gehele mensheid.

En zo gaat het maar verder. Het is inderdaad een waardige voortzetting van de leer van H.P. Blavatsky, waarvan Steiner zegt dat er waardevolle zaken in te vinden zijn, maar dat er ook een hoop rommel in staat.
(bvb. in GA 171, blz. 235 : “De werken van Blavatsky zijn chaotisch. Grote, belangrijke waarheden staan erin, vermengd met onzinnige kletspraat, en alleen wie het onderscheid daartussen kan maken, kan deze boeken zinvol gebruiken.”)

Alice Bailey

Waar het helemaal bedenkelijk wordt is wanneer de individuele ontwikkelingsweg ontkend wordt en de ontwikkeling in groep, als groep, verordend wordt.

( … )
Toch is een van de eerste eisen voor inwijding een heldere en beknopte erkenning van iemands eigen groep. ( … ) Houd daarom zeer zorgvuldig het feit van groepsinwijding in gedachten ( … ).
Sommige groepen worden voorbereid voor inwijding waarin de volgende factoren heersen, voor zover het de enkeling betreft:
1. Een groep mannen en vrouwen wier zielen zich op een zekere straal bevinden, worden voor groepstraining subjectief samengebundeld door een Meester op dezelfde straal.
2. De gelegenheid wordt aan zulke mensen geboden om contact te maken op het stoffelijk gebied met sommigen die aldus subjectief met elkaar verbonden zijn, waardoor zij wederzijds een begrip van groepssolidariteit verkrijgen. De subjectieve verhouding wordt verzekerd door een objectief contact. Herkenning is bijgevolg een allereerste proef van inwijding; dit dient men in gedachten te houden.
3. Zulke mensen, die op die wijze in opleiding en verbonden zijn staan, vanuit het gezichtspunt van de inwijding, die zij moeten ondergaan, op hetzelfde evolutiepunt. Zij ondergaan dezelfde inwijding en worden aan dezelfde beproevingen en moeilijkheden onderworpen. Deze beproevingen en moeilijkheden zijn toe te schrijven aan het feit van de persoonlijkheidsstraal die waarschijnlijk geheel verschillend van de zielestraal kan zijn (en ook gewoonlijk is). De persoonlijkheidsstraal werkt het contact tegen, misleidt het herkennen, belemmert de vooruitgang en legt de inlichtingen verkeerd uit. Zolang een discipel zich tijdens zijn opleiding in zijn persoonlijkheid concentreert, zal groepsinwijding niet mogelijk voor hem zijn; het herkennen van zijn mede-aspiranten zal vluchtig zijn en snel door het kritisch lager denkvermogen worden verstoord; een muur van gedachtenvormen, geschapen door de persoonlijkheid betreffende groepsleden, zal worden opgetrokken en een vereende beweging voorwaarts door de deur van inwijding verhinderen.
4. Groepsinwijding kan niet door een groep in opleiding worden bereikt totdat de leden, als een groep, hun speciale ‘geestelijke onderneming’ hebben ontwikkeld. Volgens de wet van de geest moet de discipel met lege handen voor de Inwijder verschijnen, doch in groepsverband moeten de groepsleden gezamenlijk iets bijdragen aan de verrijking van de ashram. Dit kan de vorm aannemen van een of ander in overweging genomen ontwerp in overeenstemming met het plan, waardoor zij getuigen van hun begrip van dat plan en hiervan blijk geven aan het ingewijde gezelschap waarin zij zich bevinden, alsook aan die oudere discipelen die hen toegestaan hebben contact met hen te maken, daar zij hun bekwaamheid voor toelating reeds hebben bewezen en wel langs de lijn van dienst. Het moet een groepsonderneming, een groepsdienst en een groepsbijdrage zijn. De speciale bijdrage van de enkeling doet hier niets ter zake.
Men moet deze gedachte van groepsinwijding in gedachten houden, daar dit alles zal kleuren wat ik zal trachten in uw denken over te brengen, en de dag zal verhaasten van uw eigen aanneming.

. Het is duidelijk dat hiermee de werkwijze van alle occulte broederschappen geschetst wordt, die de mensen opnemen in een hiërarchie, die hen voorspiegelen dat hij geestelijk (en vaak materieel, op carrièrevlak) kan verder geraken als hij maar afstand doet van zijn eigen oordeelsvermogen en geweten : hij moet zich richten naar de groep waar bepaalde hogerstaande leden weten waarom bepaalde zaken op een bepaald ogenblik moeten gedaan of gezegd worden.
Je kunt maar tot de hogere graden geraken wanneer je onvoorwaardelijk de suggesties opvolgt, dat is het selectiemechanisme om de geschikte mensen op de invloedrijke plaatsen te laten terecht komen. Stel je voor dat je als naïeve christelijke Amerikaan toetreedt tot zo’n broederschap. Jarenlang hoor je alleen maar over Christus en hoe je ten dienste staat van hoge morele idealen. Op een bepaald niveau van discipelschap word je tijdens een ceremonie bevolen om te spuwen op een kruisbeeld. De kandidaat deinst ontzet terug, hij weigert, hij wordt onder druk gezet, hij blijft standvastig en doet het niet. Dan wordt hem ‘geopenbaard’ dat dit een zware proef was om te zien hoe sterk hij in zijn geloof stond. Opgelucht haalt de kandidaat adem. Hij wordt toegelaten tot een hogere graad. Maar daar blijft het bij ! Voor de rest van zijn leven wordt hij met pseudo-occulte hocuspocus aan het lijntje gehouden. De kandidaat die het godlasterlijk bevel onmiddellijk opvolgt, die gaat verder in de hiërarchie en wordt aan nog ergere satanische rituelen onderworpen. Zo worden de moreel slechtste mensen geselecteerd, de meest ambitieuze, die hun denken, voelen en willen volledig ten dienste stellen van de machtsidealen van bepaalde broederschappen.
Wat is nu het verband tussen deze Angelsaksische broederschappen, hun machtsstreven en het weten omtrent de etherische Christus ?
Rudolf Steiner in GA 178, de voordracht van 18 november 1917 :

“U kunt wel begrijpen dat juist het bekend maken van het geheim van de etherische Christus ongenoegen en tegenkanting oproept bij de mensen, leden van bepaalde broederschappen, die deze gebeurtenis van het verschijnen van de etherische Christus willen gebruiken voor hun eigen doeleinden en het geen algemeen goed van de gehele mensheid willen laten worden.”
“Zij die deze dingen op een onjuiste manier behandelen, die zijn van het verschijnen van de etherische Christus even goed op de hoogte als ik.”

Voor deze broederschappen is het belangrijk dat de mensen een houding aannemen van : tussen geboorte en dood genieten wij van het leven alsof er alleen maar een materiële wereld is. Als we sterven, dan zullen we wel zien of er een geestelijke wereld is, tijdens ons leven moeten we ons daar niet mee bezig houden.
“Een dergelijke ingesteldheid is altijd al bedenkelijk geweest, maar vooral in dit vijfde na-Atlantische tijdvak wordt ze noodlottig.”

Want in onze tijd neemt de mens de bewustzijnsconfiguratie die hij tijdens zijn leven had, mee na zijn dood, alle voorstellingen, begrippen, gevoelens die hij tijdens zijn leven had. En wat er gebeurt is dat hij die geen geestelijke inhouden tijdens zijn leven opgenomen heeft “op een bepaalde manier na zijn dood in een aardse omgeving blijft, tot hij – en dat duurt een lange tijd – geleerd heeft om daarboven zo veel geestelijke begrippen op te nemen dat hij daardoor in de geestelijke wereld kan verder gedragen worden. Velen van hen die – men kan het alleen maar met medelijden uitspreken – geweigerd hebben of verhinderd waren om hier in het leven geestelijke begrippen op te nemen, die wandelen ook nog als doden op de aarde, blijven met de aardesfeer in verbinding.

Bij Jakob Lorber wordt dit verblijf in de aardesfeer zeer aanschouwelijk voorgesteld : doden die niet eens weten dat ze dood zijn en in een aardse routine blijven verder bestaan, tot een verder ontwikkelde ziel zich ontfermt over hun lot. Zie bvb. De Brug 61.

En dan wordt de ziel van de mens, wanneer ze niet meer door het lichaam afgeschermd is van de omgeving, nu het lichaam niet meer verhindert dat ze vernietigend werkt, dan wordt de ziel van de mens, als ze in de aardesfeer leeft, tot een vernietigend centrum. ( … )
Nogmaals : dat is iets wat niet alleen ik weet, dat weten anderen ook, dat dit in onze tijd zo is. Maar er zijn er vele die op een zeer verderfelijke manier deze waarheid gebruiken. Er zijn natuurlijke vele verstokte materialisten die geloven dat het materiële leven het enige is; maar er zijn ook ingewijden die materialisten zijn en door broederschappen materialistische theorieën laten verspreiden. Van deze ingewijden mag u niet geloven dat ze op het simplistisch standpunt staan dat er geen geest bestaat, of dat de mens geen ziel heeft die los van het fysieke lichaam kan bestaan. ( … )
Maar er zijn er vele die er belang bij hebben om het materialisme te laten verspreiden en die allerhande maatregelen treffen opdat een groot deel van de mensen alleen aan het materialisme gelooft en volledig onder de invloed van het materialisme staat.”

Deze ingewijden willen dat zoveel mogelijk zielen na hun dood in de aardesfeer blijven. En deze zielen gebruiken ze om hun eigen macht te versterken.
“Deze zielen, die hebben in zich krachten die op alle mogelijke manieren kunnen gestuurd worden, waarmee men allerlei kan bewerkstelligen, waarmee men macht kan ontplooien t.o.v. diegenen die in deze zaken niet ingewijd zijn. ( …)
Er bestaat geen ander middel tegen deze zaken dan : het weten ervan.”

Volgens Lazarides, die zich beroept op een getuigenis van de Franse politicus Raffarin, zijn er in alle gebouwen van internationale instellingen als de UNO, in New-York, in Genève, meditatieruimtes.
Ondanks het officiële atheïsme en de ‘wetenschappelijkheid’ is men op de hoogste niveaus goed op de hoogte van de geestelijke strijd die nu aan de gang is, en weet men zeer goed wat de kracht van meditatie is. De meditaties worden bij voorkeur gedaan in groep en overal ter wereld op hetzelfde tijdstip en in dezelfde bewoordingen, bij de leden van de Arcane School is dat bvb. de ‘Grote Aanroeping’

DE GROTE AANROEP
Vanuit het punt van Licht in ‘t Denken van God
Strome Licht in het denken van de mensen.
Dat Licht op Aarde nederdale!

Vanuit het punt van Liefde in het Hart van God
Strome Liefde in de harten van de mensen.
Moge Christus tot de Aarde wederkeren!

Vanuit het centrum waar Gods Wil gekend wordt
Richte Doel de kleine wil der mensen.
Het Doel dat de Meesters kennen en dienen.

Vanuit het centrum dat wij mensheid noemen
Verwezenlijke zich het Plan van Liefde en Licht,
En moge het de deur verzeeg’len waar het kwaad verblijft.
Laat Licht en Liefde en Macht het Plan op Aard’ herstellen.

Klinkt onschuldig genoeg, zult u zeggen. Je zou er zelfs een overeenkomst met de grondsteenspreuk kunnen in zien. Maar bij nadere beschouwing blijkt deze aanroep in al zijn nietszeggendheid een wereldbeeld te versterken waarin alle heil van een centrale instantie komt, een punt vanwaar licht of liefde stroomt, een centrum dat wij mensheid noemen !
Deze aanroep vraagt aan een instantie om licht en liefde te laten instromen in de mens, die bijgevolg als een leeg omhulsel opgevat wordt. Er moet doelgerichtheid komen (purpose) in de wil van de mensen, vanuit een bepaald centrum !
Het kwaad wordt beschouwd als iets dat volledig buiten de mens staat en dat hem kan overvallen van buitenaf, waarmee een katholiek denkbeeld van een absolute tegenstelling tussen goed en kwaad voortgezet wordt, en de toon wordt gezet voor een nieuwe moderne inquisitie.
De mens als actief verantwoordelijk individu wordt ontkend, want men bidt ervoor dat licht en liefde en (vooral) macht het plan op aarde zouden herstellen.
Legt men deze aanroep naast de grondsteenspreuk dan wordt het verschil onmiddellijk duidelijk tussen geesteswetenschap en nebuleuze pseudo-esoterie.

“Dat is gewoon iets wat door bepaalde broederschappen bewerkstelligd wordt. En in deze zaak ziet alleen hij klaar die zich geen troebele of schimmige zaken laat wijsmaken; die zich niet laat wijsmaken dat dergelijke broederschappen niet zouden bestaan of dat wat ze doen onschadelijk is. Ze zijn zeer zeker niet onschadelijk, ze zijn zeer schadelijk. Men wil de mensen nog dieper in het materialisme laten zakken. Volgens de plannen van dergelijke ingewijden moeten de mensen geloven dat er weliswaar geestelijke krachten zijn, maar dat deze geestelijke krachten in feite niets anders zijn dan een andere vorm van natuurkrachten ( … ): psychisme en zo, gewoon hogere natuurkrachten. Men ontneemt de mensen het echte begrip van de ziel en zegt : zoals er elektriciteit bestaat, of magnetisme, zo zijn er ook hogere krachten. Dat die krachten komen van zielen (van overledenen) dat verbergen zij die in die loges de leiding hebben. Maar daardoor worden de andere naïevere zielen volledig afhankelijk, mettertijd in hun ziel afhankelijk van die loge, zonder dat ze weten waar ze afhankelijk van zijn, van waaruit ze in feite gedirigeerd worden.”
( GA 178, blz. 178 )

. De antroposofische geesteswetenschap zou volgens Lazarides het weten omtrent deze groeperingen met veel meer ijver moeten verspreiden. En ook veel kritischer staan t.o.v. al wat in antroposofische kringen verder bouwt op de oude helderziendheid. Er moet natuurlijk geen censuurcommissie komen die bepaalt welk boek al dan niet geschikt is om verkocht te mogen worden in het Goetheanum, maar anderzijds alle esoterische rommel naast de antroposofische werken op stapels leggen om te tonen hoe breeddenkend we wel zijn, dat is toch ook niet nodig. Hij vindt dat een aantal als antroposofisch bekend staande auteurs veel te weinig weerwerk krijgen. Er zijn nu eenmaal in de antroposofische beweging mensen die gelden als zwaargewichten. Welnu, als men vaststelt dat die het niet nodig vinden om in publicaties, boeken of artikelen, dubieuze antroposofische literatuur kritisch te bespreken, of zelfs volledig meegaan met de teneur van die werken, dan kan men zich afvragen in hoeverre de Antroposofische Vereniging zelf al niet als het ware geïnfiltreerd is door de tegenmachten. Zeker als die antroposofische zwaargewichten zich actief inzetten om pseudo-antroposofie te verspreiden. Hier noemde hij de namen van Tradowsky en Morel. De eerste is bekend om zijn werken over Kaspar Hauser, de tweede heeft jarenlang de uitgeverij Verlag am Goetheanum geleid en in die hoedanigheid ook de werken van ene Judith von Halle uitgegeven.
Deze (volgens zijn zeggen joodse) vrouw werd geboren in 1972 in Berlijn. Ze leerde de antroposofie kennen in 1997, huwde in 2002 en werkte tot 2005 als architect en als medewerkster in het Rudolf Steiner Haus in Berlijn, waar ze ook voordrachten hield (o.m. over het esoterisch jodendom). Sinds 2004 zou ze gestigmatiseerd zijn. We zeggen zou want hoewel ze met verbonden handen verschijnt, zegt Lazarides, kun je daar nergens enig bewijs van vinden. Bovendien zou haar lichaam voedsel weigeren, waardoor ze sindsdien volledig zonder enige voedselopname leeft.
In 2005 werd ze uit de Duitse Vereniging gezet en in 2006 richtte zij samen met Peter Tradowsky en Edda von Lechner de Vrije Vereniging voor Antroposofie “Morgenstern” op. Eind 2009 verhuisde deze vereniging naar Dornach, waar ze niet ver van het Goetheanum een gebouw betrekken dat eveneens ‘Schreinerei’ genoemd wordt (het schijnt een voormalige schrijnwerkerij te zijn geweest). Wat is nu het probleem met Judith von Halle ? Veel van wat ze vertelt en wat ze uitdrukkelijk als geesteswetenschap presenteert, kunnen we niet anders dan mystieke onzin noemen, niet het resultaat van een geschoolde moderne helderziendheid, maar van wat uit het eigen innerlijk opstijgt.
We vatten samen wat Thomas Meyer in het bovenvernoemd artikel hierover nog zegt :
In de cyclus in Den Haag , de eerste voordrachtenreeks na de formele breuk met de Theosophische Vereniging, vestigt Rudolf Steiner de aandacht op voorbeeld-imaginaties die iedere eerlijke geestesleerling kan gebruiken om tot een onpersoonlijk-objectief inzicht te komen. Ze gaan altijd over algemeen-menselijke aangelegenheden. Steiner bouwt zorgvuldig telkens een imaginatie op over het wezen en de spirituele ontwikkelingsgeschiedenis van het fysiek lichaam, etherlichaam, astraal lichaam en Ik. ( In GA 145 “Innerlijke ontwikkeling door antroposofie.”)
Bij deze gelegenheid maakt hij er bij wijze van contrast attent op dat imaginaties die uit het persoonlijke komen twee werkingen uitoefenen :
1) ze werken besmettelijk
2) diegenen die erdoor besmet geraken worden slachtoffer van een verlamming van het gezonde mensenverstand.

Ondanks deze uiteenzettingen in het begin van de geschiedenis van de Antroposofische Vereniging zijn er toch weer binnen de A.V. dergelijke besmettende imaginaties ontstaan. Denken we maar aan het mystieke gedoe rond Valentin Tomberg en de speculatie over de reïncarnaties van leerlingen van Steiner of Steiner zelf.

Het onderscheid tussen geesteswetenschap en mystiek, deze twee radicaal verschillende wegen wordt duidelijk gemaakt in de voordracht van 8 augustus 1920 (in GA 199 “Geisteswissenschaft als Erkenntnis der grundimpulse sozialer Gestaltung”)

We kunnen imaginatie, inspiratie en intuïtie beschouwen als vergeestelijkte functies van bepaalde hogere van de in totaal 12 menselijke zintuigen. Er is een verband van
het gezichtszintuig met de imaginatie
hoorzintuig met de inspiratie
begrips- of Ik-zintuig met de intuïtie

Anderzijds stammen uit de vergeestelijking van de lagere zintuigen de ervaringen van de klassieke mystici en hun moderne opvolgers.
Het grote onderscheid tussen de twee bestaat erin dat men, als men via de zintuigen naar buiten gaat, in een hogere wereld terecht komt, een objectieve geestelijke wereld.
Wanneer men naar binnen gaat langs mystieke weg, dan komt men in de lichamelijkheid, in materialiteit. Bij het innerlijk beleven komt men altijd in lagere regionen terecht, lager dan diegene die men reeds in het gewone leven heeft. ( … )
Als voorbeeld voor wat uit lagere mystiek stamt noemt Steiner o.a. de beschrijvingen van de hogere werelden in de esoterie van de Islam, en de beschrijvingen van het devachaan door Leadbeater, die alleen maar “doubletten van de fysieke wereld” zijn. Hetzelfde kan men zeggen van talrijke beschrijvingen in de geschriften van Judith von Halle.

Ter verduidelijking nemen we hier een stukje over van een tekst van Judith von Halle die Mieke Mosmuller bespreekt in haar boek “Stigmata und Geist-Erkenntnis”. Dit boek begint met en citaat van Rudolf Steiner : “Als iets zich voordoet zoals in de fysieke wereld dan is dat gewoon een visioen.”
Wat Mieke Mosmuller betoogt komt volledig overeen met Lazarides’ visie over de geschoolde helderziendheid en de visionaire mystiek. Het is belangrijk om weten dat Judith von Halle beweert dat ze geïncarneerd was ten tijde van het Mysterie van Golgotha. Rudolf Steiner was dat niet, wat hij over het Mysterie van Golgotha zegt komt uit de Akasha-kroniek. Maar, zegt von Halle, daardoor kon hij een aantal details niet weergeven zoals zij dat kan. Zij beweert dat haar aanvullingen even geesteswetenschappelijk zijn als Steiners onderzoeksresultaten. U zult zien dat ze gewoon beelden uit de fysieke wereld presenteert als geestelijke imaginaties of intuïties. Dit soort inzichten is zeer materialistisch gekleurd.
Het volgende komt uit “Over de geheimen van de kruisiging en het Graalsbloed”, zoals geciteerd bij Mieke Mosmuller ( op blz. 57 e.v.). Het gaat over de nederdaling ter helle van Christus.

( … )
“Daar bevrijdt de Christus-geest de zielen die reeds vóór het Christusgebeuren gestorven waren uit de macht van de Ahrimanische verharding. Deze zielen beleefden door hun bevrijding voor de eerste maal het uitdeinen van hun Ik over de drempel en kwamen voor de eerste keer sinds het begin van de aardewereld tot het schouwen van karmische verbanden. Zij konden voor het eerst zelfstandig hun lot over de drempel ter hand nemen.
Met hun uitdeinen stegen ze trap na trap, aardelaag na aardelaag vanuit de onderwereld geleidelijk naar boven en breidden zich uit in de kosmische planetensferen. Op hun weg daarheen trokken ze echter doorheen de gebieden op de aardoppervlakte waar zich de geseling, de kruisweg en de kruisiging voltrokken hadden. Op het moment dat het wezen van iedere afgestorvene deze bloeddoordrenkte plaatsen van kwelling doordrong bij zijn uitbreiding, kwam het tot een rechtstreeks beleven van het lijden en daarmee het offer van Christus, ook wanneer dit wezen op het moment van het gebeuren niet geïncarneerd was. Deze doorgang door de passieplaatsen van Christus door de uit de onderwereld opstijgende zielen deed zich voor op het moment van de tweede aardbeving. Bij die tweede aardbeving, de schok waarbij de aarde openging en het lijk erin opgenomen werd, gebeurde nog iets wat men net zo min als de voorgaande taferelen in een zintuiglijk waarneembaar historisch verloop kan vinden, dat uitsluitend voor het innerlijk oog zichtbaar is, maar even goed een historisch bestanddeel – een occult historisch bestanddeel- van het gebeuren :
Geestelijke hiërarchieën kwamen de zielen tegemoet die door de Geest van Christus bevrijd waren en die nu uitdeinden doorheen de heilige plaatsen op het aardoppervlak. Op deze plaatsen daalden ze neder ter aarde. Men moet dat gelijktijdig opstijgen en neerdalen van geestelijke wezens in dezelfde samenhang zien met het ontijdig openen en sluiten van de rots.
( … )
Wat deden nu deze hiërarchieën ? Deze geestelijke wezens – ik zou ze benoemen als dienaren, als volgelingen van de Exousiai, van de Elohim- verzamelden als een heilige handeling al de verlorengegane substanties van het lichaam van Jezus, die door de folteringen en het struikelen, door al de zware kwetsuren aan de staties van zijn lijdensweg achtergebleven waren. Zij verzamelden niet het fysieke, maar het etherische van deze afscheidingen, dat wat in de flarden huid, in de bloed- en zweetdruppels zat en in alle fysieke substanties die op aarde waren gevallen en bij het lichaam van Jezus hadden behoord.
Op het ogenblik dat zich nu de aardschok voordeed en het gemartelde lichaam in de aarde werd opgenomen, voegden de hiërarchieën deze etherische substanties weer toe aan het lichaam. Deze toegevoegde substanties vulden de folterwonden terug op. Het heilige verzamelen van de verlorengegane etherische substanties van het lichaam van Jezus was voltooid op het moment dat de aardschok zich voordeed – het lijk kon nu in de aarde gaan want het was etherisch compleet.
( … )
Wanneer men deze occulte historische gebeurtenissen nu van naderbij bekijkt dan betreedt men een terrein dat uitsluitend middels de spirituele wetenschap kan doorgrond worden – en ook via een spontane intuïtie.
De resultaten echter – zelfs wanneer men de methoden om te onderzoeken niet zelf gebruikt – kunnen met het gezonde mensenverstand of met een bepaald niveau van kennis van de antroposofie logisch gevolgd worden. (können durchaus nachvollzogen werden)”.

Met deze laatste zin herhaalt von Halle een veel gebruikte aansporing van Rudolf Steiner. Spijtig genoeg voor haar valt zij door de mand wanneer men haar ‘inzichten’ met gezond verstand probeert te volgen of met antroposofische inzichten vergelijkt. Het enige dat nog ontbreekt is dat zij zou aangeven of die hiërarchieën gehurkt of horizontaal zwevend al die etherische substanties opraapten !
Dat is toch echte Cinema-Pathé, zoals men hier bij ons in Aalst zegt. De hel is blijkbaar een spelonk met één bepaalde uitgang, het lijkt wel de “Reis naar het middelpunt der aarde” van Jules Verne.
Katholieker dan de paus in feite want zelfs de katholieke kerk ziet hemel en hel nu als een toestand i.p.v. een plaats. Zie bvb. http://www.catholica.nl/archief/777 :

“Die nedergedaald is ter helle.” In het Credo van de H. Mis zijn deze woorden niet te vinden, echter wel in het korte Credo “der apostelen”. Wat betekenen zij?
Vooreerst moet een misverstand uit de weg geruimd worden. Met “hel” wordt in het Credo niet de plaats bedoeld waar de verdoemden eeuwig verblijf houden. Het Nederlandse woord “hel” is van Germaanse afkomst en betekent oorspronkelijk “de onderwereld”, het dodenrijk. Het woord is afgeleid van “helen”= verbergen (men denke ook aan “verhelen”), zodat “hel” oorspronkelijk “schuilplaats”, “bergplaats” betekende (Franck van Wijk’s Etymologisch Woordenboek).
In het Credo van de apostelen is het kennelijk de plaats waar de doden verzameld worden, zonder onderscheid; er staat “ad inferos”, van inferi, meervoud, “onderwereld”. Eerst later heeft het woord “hel” in onze taal de uitsluitende betekenis gekregen van de plaats der verdoemden.
Vóór de verlossing door Christus werden de zielen der vrome afgestorvenen nog niet tot de aanschouwing van God toegelaten. Men stelde zich voor dat zij, in afwachting van dat heuglijke ogenblik, in een deel van de “onderwereld” werden bijeen gehouden. Daar heeft Christus hen na zijn dood “bezocht” en hun de verlossing verkondigd die plaats vond bij de verrijzenis, toen Jezus’ ziel weer met zijn lichaam werd verenigd.
In verband met de oude wereldopvatting, die de aarde het centrum van het heelal deed zijn, met de hemel daarboven en het vagevuur en de hel daarbeneden, meende men te weten in welke richting men moest zoeken. Zo sprak men van een “nederdaling ter helle”. Wij kunnen er niet meer op dezelfde manier over spreken, maar hieruit volgt natuurlijk niet dat hemel, hel en vagevuur geen plaatsen zijn, resp. geen plaats hebben of niets met plaats te maken hebben. Het is echter moeilijk ons deze plaats voor te stellen of te begrijpen wat er mee wordt bedoeld.
In de dogmaverklaring van Maria’s Tenhemelopneming (1 november 1950) heeft paus Pius XII vermeden te spreken over de hemel als plaats. Hij zegt, dat Maria met lichaam en ziel is opgenomen «in de hemelse glorie», zoals dit ook met Christus het geval is. Met deze “hemelse glorie” wordt allereerst een staat bedoeld, een nieuwe toestand. Zo is het ook met hel en vagevuur."

Toevoeging op 19 december 2013 :
Isaac Bashevish Singer (1904- 1991) is een Joods schrijver die de verhalen van het Oosteuropese jodendom opgetekend heeft en daar een Nobelprijs voor gekregen heeft (in 1978). In die verhalen speelt het bovennatuurlijke, het occulte een grote rol. In een van die verhalen komt een passage voor die voor ons van belang kan zijn.
We lezen in "By the light of the memorial candles" (uit de bundel "Gimpel the Fool") een beschrijving van een winterse avond in een Joods studiehuis ergens in Polen. Daar zitten drie bedelaars die er beschutting zoeken voor de nacht. Ze hebben elk een verhaal te vertellen, terwijl de herdenkingskaarsen branden.
Volgens het joodse volksgeloof kan men zien aan de manier waarop de kaarsen branden hoe het gesteld is met de ziel van de persoon voor wiens nagedachtenis de kaars werd opgestoken : de vlam flikkert en sputtert als de ziel van de overledene geen rust heeft gevonden.
We leren nog een andere joodse traditie kennen : één van de landlopers is bezig zijn teennagels te knippen, of beter, af te snijden met een zakmes.

"De bedelaar met de rosse baard was klaar met het knippen van zijn nagels. Hij rolde de stukjes nagel samen met twee splinters van de houten bank in een stukje papier en gooide dat in het vuur. Op de Dag van het Oordeel zouden de twee splinters voor hem getuigen dat hij geen enkel deel van zijn lichaam had ontheiligd door het bij de vuilnis te gooien."

In de joodse godsdienst werd blijkbaar aan dergelijke zaken een zeer groot belang gehecht.
Maar ons lijkt het een naiëf verbinden van materiële en geestelijke zaken, m.a.w. bijgeloof.
De manier waarop Judith von Halle het verzamelen van fysieke materie beschrijft zou kunnen wijzen op een (wellicht onbewuste) invloed van deze typisch joodse - of misschien alleen chassidische- beeldenwereld.


. Een ander merkwaardig feit bij Judith von Halle is dat ze als gestigmatiseerde precies dezelfde zaken vertelt die andere gestigmatiseerden lang voor haar beschreven. Zij beweert dat ze daar pas achteraf kennis van genomen heeft en beschouwt dit als een bevestiging van de authenticiteit van haar ‘schouwen’. Nochtans kunnen wij bij Anna Katharina Emmerick (1774 - 1824) en bij Therese Neumann (1898 -1962) alleen maar spreken van visioenen, niet van bewuste helderziendheid.
We vergelijken even wat deze drie zieneressen over de kruisiging te vertellen hebben.

Anna Katharina Emmerick

De beulsknechten ( …) bevestigden de zijbalken links en rechts, nagelden de voetsteun vast, boorden de gaten voor de nagels en voor het opschrift van Pilatus, sloegen wiggen aan de onderkant van de zijbalken, maakten hier en daar kleine uithollingen in de middenstam, een uitsparing voor de doornenkroon en voor de rug zodat het lichaam meer zou staan dan hangen, meer pijn zou veroorzaken en beletten dat de handen uit de nagelen zouden scheuren. Toen de rechterhand van onze Heer vastgenageld was, stelden de kruisigers vast dat Zijn linkerhand, die ook vastgebonden was aan de zijbalk, niet tot aan de plaats van het voorgeboorde nagelgat kwam, dat was nog twee duim verwijderd van, de vingertoppen. Daarom bonden ze een lus rond Zijn linkerarm en trokken, met de voeten zich schrap zettend tegen het kruis, zo heftig aan deze arm tot die ver genoeg kwam (…). Ze trokken de arm volledig uit de kom.

Therese Neumann

De drie balken van het kruis worden samengevoegd. De taps toelopende uiteinden van de gelijkgekapte zijbalken worden in de passende gaten van de lange onbehouwen middenstam gezet, met spieën en wiggen vastgezet. Er zijn drie uitsparingen uitgekapt, een voor de doornenkroon, een voor het midden van het lichaam en een grote voor de hielen. Onder deze laatste is in ander hout een blok om de voeten te steunen vastgenageld. De beulsknechten gooien de Heiland op het kruis en binden hem rond de heupen stevig vast. Dan binden ze de rechterarm ter hoogte van de pols strak aan de zijbalk en kloppen de nagel door het voorgeboorde gat. Bij de linkerhand zien ze dat het gat te ver naar buiten zit. Ze binden een lus rond de pols, een knielt neer op de arm en de anderen trekken tot de hand ver genoeg is. Daarbij trekken ze de arm uit het schoudergewricht.

Judith von Halle

Christus werd niet alleen aan het kruis genageld maar ook gebonden (…). Vooraleer men de nagels in de handen en voeten sloeg en het kruis rechtzette had men Christus met touwen op het hout vastgebonden. Blijkbaar werd dit altijd zo gedaan want op die manier voorkwam men dat het vlees openscheurde. Ook werd, om het gewicht te ontlasten, om de duur van het lijden te verlengen, in de hoofdbalk drie uithollingen gekapt, aan het hoofd, achterste en voeten. Ook bracht men een voetsteun aan. Het kruis werd ter plaatse gemonteerd, men duidde de nagelplaatsen aan door de maat te nemen van Christus. De zijbalken stonden niet horizontaal aan de middenbalk, maar werden als een Y in de voorgekapte zijgaten bevestigd. Na het vastnagelen van de rechterhand bleek dat de linkerhandpalm van de Verlosser niet tot aan het voorgeboorde gat reikte. Om geen tweede gat te moeten boren, bond men een lus rond de linkerpols van Christus en trok er met zo’n geweld aan dat de arm ontwricht werd.

(Voor Emmerick en Neumann komen de citaten uit: Gisela Schinzel-Penth "Was geschah damals wirklich? Passion und Auferstehung von Jesus Christus in Bibelgeschichten, Visionen, Forschungen" St. Ottilien: EOS Verlag, 2007; voor Judith von Halle, uit "Und wäre Er nicht auferstanden".)

We lezen hier drie keer quasi hetzelfde :

(1) Het kruis was niet het traditionele kruis, maar een stam met twee schuine zijbalken, en het geheel werd pas in elkaar gezet op Golgotha.
(2) In het kruis werden op enkele plaatsen uithollingen gemaakt, en een soort voetbankje werd aangebracht. (3) Christus werd op het kruis niet enkel vastgenageld, doch ook vastgebonden.
(4) Bij de kruisiging werd een arm van Christus ontwricht

Wanneer men zo drie gelijkluidende beschrijvingen leest, zou men kunnen denken : ja, dan zal er toch wel iets van waar zijn, al zijn het dan visioenen. Maar bij visioenen gaat het net als bij dromen : een zelfde lichamelijke oorzaak geeft bij verschillende mensen een zelfde beeld. Wanneer men tijdens zijn slaap problemen heeft met de spijsvertering, dan kan de activiteit van de darmen in de droom verschijnen als een kluwen slangen.
Zeer vrome mensen die in hun slaap hoofdpijn krijgen zullen misschien dromen van een doornenkroon. En wanneer mensen visioenen krijgen, dan kunnen die zich ‘verkleden’ in beelden uit het dagelijks bewustzijn of uit de herinnering. Maar zelfs wanneer deze mensen, door een losser geworden verband tussen de wezensdelen, in de Akasha-kroniek kunnen schouwen, dan kunnen ze nog op een dwaalspoor gezet worden. Er sluipen namelijk zeer gemakkelijk fouten in het omzetten van beelden naar de voorstellingen van de fysieke wereld.
In GA 95 “Vor dem Tore der Theosophie”, de achtste voordracht, zegt Steiner over de Akasha-kroniek :

“De ingewijde kan zo het volledige menselijke verleden aflezen. Maar hij moet het eerst leren. De Akasha-beelden zijn een verwarrende taal omdat Akasha iets levends is. ( … )
Het verwisselen van een Akasha-beeld van een persoon met de individualiteit van die persoon gebeurt zeer gemakkelijk wanneer men door uiterlijke middelen toegang krijgt tot de Akasha-beelden. Wat vaak een rol speelt in spiritistische séances. De spiritist denkt dat hij een overledene ziet, maar het is slechts diens Akasha-beeld. Een Akasha-beeld van Goethe kan bvb. optreden zoals hij in het jaar 1796 op aarde was. De onervaren ziener verwisselt dit met de individualiteit van Goethe. Het is des te verwarrender omdat dit beeld leeft, op vragen antwoord geeft en niet alleen antwoorden die Goethe toen ook gegeven heeft, maar ook volledig nieuwe die nooit uitgesproken werden. Het zijn geen herhalingen van wat Goethe toen gezegd heeft, maar antwoorden die Goethe had kúnnen geven. Het is zeer goed mogelijk dat dit Akasha-beeld van Goethe zelfs een gedicht maakt in de stijl en de zin van de Goethe van 1796.”

We weten dat in de Romeinse tijd honderden mensen gekruisigd werden, zelfs samen met Christus Jezus werden er twee andere gekruisigd. Het is dus zeer goed mogelijk dat beelden van verschillende kruisigingen door elkaar lopen en vermengd worden met wat uit de herinnering van de ziener opstijgt, vooral wanneer die persoon “door uiterlijke middelen” toegang krijgt tot de Akasha-kroniek – en onder uiterlijke middelen moeten we ook de fysieke lichamelijkheid verstaan.
In ieder geval blijkt uit dezelfde voordracht dat de bewering dat men dergelijke details alleen maar kan geven wanneer men zelf indertijd het gebeuren mee aanschouwd heeft, complete nonsens is.

Vele mensen beschouwen een gestigmatiseerde als een persoon die zeer begenadigd moet zijn vermits Franciscus van Assisi en misschien zelfs Paulus gestigmatiseerd was. Maar, zegt Lazarides, ook een arbeider aan het Goetheanum, een zekere Pollak, was gestigmatiseerd. Rudolf Steiner gaf hem bepaalde aanwijzingen en de stigmata verdwenen. Het is dus een abnormaliteit, iets wat niet uit het heldere bewustzijn komt en kan genezen worden door geestelijke oefeningen.
Toch blijft een gestigmatiseerde omgeven door zo’n ‘aura’ van heiligheid dat de voordrachten van Judith von Halle tot zes maand op voorhand volgeboekt zijn. Dat laatste kunnen we haar natuurlijk niet kwalijk nemen, het wijst gewoon op een te kort aan kritische zin bij de antroposofen, of op een overdreven neiging tot adoratie.

Thomas Meyer vergelijkt de controverse rond Judith von Halle met die rond Krishnamoerti 100 jaar geleden, met dit verschil :

“De generaal-secretaris van de Duitse sectie van de Theosophische Vereniging, Rudolf Steiner dus, weigerde de “Ster van het Oosten” op te nemen in de Duitse sectie. De huidige leiding van de Algemene Antroposofische Vereniging nam kennis van de zelfbenoeming van de Halle-groep als “eine Gruppe auf sachlichem Felde” binnen de AAV.

Hoe vertaalt men dit correct ? Lazarides spreekt van : groupe sur terrain objectif. Kan men in het Nederlands spreken van “op zakelijk terrein” of “op objectief gebied” of “neutraal” ?
En wat moet men zich daarbij voorstellen ? Op welk veld zou die groep anders kunnen functioneren ? Auf ideologischem Felde ? Je reinste woordkramerij ! -fdw

Dat komt neer op een erkenning van deze beweging die methodisch volledig incompatibel is met de geesteswetenschap van Rudolf Steiner.
Alles zou volledig in orde zijn indien de twee stromingen zonder mekaar te hinderen rustig naast elkaar zouden bestaan. Maar de von Halle-beweging, waartoe talrijke leden van de AAV behoren, verlangt om met de antroposofisch-geesteswetenschappelijke beweging vermengd te worden. Dat is gewoon niet mogelijk. Daar toch naar te streven, bij gebrek aan onderscheidingsvermogen, dat leidt tot verwarring, catastrofen en onvermijdelijk splitsingen. Dat toont de geschiedenis van de Antroposofische Vereniging duidelijk genoeg.
Zoals iedere mens hebben de leden van een spirituele beweging natuurlijk ook het recht en de vrijheid om uit begane fouten niets te leren. Binnen de AAV is in ieder geval niet veel geleerd – en dan zijn we nog voorzichtig – uit de catastrofen in de geschiedenis van de Vereniging na Steiners dood. Vandaar dat het ook wel geen toeval is dat 100 jaar na de Adyar-absurditeiten van 1910, nu ook nog de ontsporingen van de oude Theosophische Vereniging doorwerken in de AAV. Die zou eigenlijk alleen maar de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap moeten verzorgen en vertegenwoordigen en verder niets; ook niet in de vorm van een “Gruppe auf sachlichem Feld”. Er is gewoon geen gemeenschappelijk zakelijk terrein tussen visionaire mystiek en geesteswetenschap. Rudolf Steiner wees een dergelijke vermenging terecht af. Maar de Antroposofische Vereniging van vandaag wordt nu eenmaal niet door Rudolf Steiner geleid – ondanks allerlei ‘geestelijke’ opvattingen dat dit wel het geval zou zijn en, zoals de feiten die we hierboven beschreven aantonen, wordt ze klaarblijkelijk ook niet onvoorwaardelijk geleid volgens de methodische principes van de geesteswetenschap.” ( … )

. Dit laatste wordt – nog maar eens – bevestigd wanneer men ziet welke symbolen een antroposofisch initiatie als Eliant kiest.

Eliant = Europese Alliantie van Initiatieven voor Toegepaste Antroposofie

Bekijk even de uitnodiging voor de gala-avond in het Goetheanum. Het logo van Eliant toont prominent de Europese vlag, een katholiek symbool bij uitstek.

Arsène Heitz, de ontwerper van de vlag, gaf toe in een interview in 2008 dat hij het idee van de twaalf gouden sterren uit het boek Openbaring haalde : “ En er werd een groot teken gezien in den hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren”
Heitz was lid van de Orde van de Mirakuleuze Medaille, een orde die ontstond na de verschijningen van de Heilige Maagd in de Parijse Rue du Bac. Een schrijver (op http://www.catholicherald.co.uk/features/f0000504.shtml ) heeft er zijn plezier in :
Haha, Europese atheïsten lopen achter deze vlag en ze weten niet of ze willen niet weten voor wat deze vlag staat ! Fier als een gieter vertelt hij verder dat de Europese Raad een glasraam voor de kathedraal in Straatsburg liet maken met de Heilige Maagd onder een grote donkerblauwe cirkel met 12 sterren. De vlag werd officieel aangenomen op 8 december 1955, niet toevallig het feest van de Onbevlekte Ontvangenis. Heitz zei nooit de waarheid over zijn idee, hij verwees altijd naar de twaalf als een getal van perfectie en totaliteit, 12 uren, 12 maanden, 12 tonen enz. Robert Schuman, de Franse minister van Buitenlandse Zaken die een van de grondleggers van Europa was, was een vroom katholiek. Hij ging iedere dag ter communie, was celibatair en leefde ascetisch. Volgens Alan Fimister werd Schuman niet alleen gedreven door zijn katholiek ideaal, maar meer specifiek zag hij in het Europese project “een bewuste invoering van het neo-Thomistisch project van paus Leo XIII”
Echt een project voor onze tijd dus, een ‘democratie’ volgens katholiek model, een brede basis van domme onderdanen/gelovigen en een smalle top van ‘verlichte geesten’.
Niet voor niets dat Schuman zalig verklaard gaat worden ...

En dan dat Goethe-citaat ! Omdat Goethe zoveel geschreven en gezegd heeft, kun je waarschijnlijk ook dit citaat ergens bij hem vinden, maar het geeft een compleet verkeerde indruk van de geestelijke impuls waar Goethe voor stond. Met dit citaat kom je in een sekte-sfeer à la Opus Dei : de groep is alles, het individu is ondergeschikt. En dat terwijl Goethes werk en leven juist een bewijs van het tegengestelde vormen.

Omdat Lazarides zijn tweede en derde voordracht telkens met een uitgebreide recapitulatie begon, kunnen we niet meer precies zeggen op welk moment hij het over andere, volgens hem dubieuze, antroposofische auteurs had. In ieder geval besprak hij naast Judith von Halle ook nog Spangeler, Powell en Emberson.
Deze namen waren ons tot dan toe onbekend, we hebben er ook nog niets van gelezen.
Francis Paul Emberson schreef “de Jundi Shapour à Silicon Valley”. Het boek is uitverkocht en je vindt er weinig informatie over op het internet.

Robert Powell (geboren in Engeland in 1945), studeerde en doceerde wiskunde, van 1978 tot 1982 werkte hij in Dornach in het Mathematisches-Physikalisches Institut van Georg Unger. Hij behaalde een doctoraatstitel aan de universiteit van Krakau, met een thesis over de Babylonische dierenriem. Volgens Lazarides is het geen origineel werk, gewoon een compilatie, maar sindsdien geldt Powell toch als een autoriteit op astrosofisch gebied. Hij hielp ook mee aan de vertaling van een bekend werk van Tomberg naar het Engels. Bij zijn boeken vind je titels als “Christus en de Maya-kalender – 2012 en de terugkeer van Christus” of “Het mysterie, de biografie en het levenslot van Maria Magdalena”. Ziet er allemaal zeer Amerikaans New-Age uit. Deze werken liggen in de boekhandel in het Goetheanum direct aan de ingang zegt Lazarides. Deze Powell stelt dat Valentin Tomberg en David Spangler de opvolgers zijn van Rudolf Steiner, dat deze drie individuen op dezelfde hoogte moeten gezien worden. Op http://www.bibliotecapleyades.net/biblianazar/ahriman04.htm vonden we nog volgende info :
In “De kroniek van de levende Christus” stelt Powell dat de ontwikkeling van de mensheid als geheel overeenkomt met het leven van de Christus op aarde, waarbij 1 dag in het leven van de Christus overeenkomt met 1 omloop van Saturnus. Aldus zou het roemruchte jaar 869, toen de katholieke kerk op het 8ste Oecomenische Concilie de geest afschafte, gelijkstaan met het begin van de veertig dagen in de woestijn. Dat maakt dat de jaren van 1960 tot 2049 moeten beschouwd worden als de drie laatste dagen in de woestijn, het moment van de verzoekingen van Lucifer en Ahriman. Daarbij zou 2010 het jaar van de keuze tussen Christus en de Antichrist moeten zijn, wegens een bepaalde positie van Pluto. Maar pas op, zegt de website, veel van wat Powell zegt is gebaseerd op de visioenen van Anna Katharina Emmerick !

David Spangler (Ohio, 1945) beweert dat hij sinds zijn zevende helderziend was. In 1964 werd hij de spreekbuis van een entiteit “John”, zoals Alice Bailey die van Djwahl Khoel was. In 1970 reisde hij naar Engeland en zat drie jaar in de leiding van de Findhorn-gemeenschap, een bekend New-Age centrum. In 1973 keerde hij terug naar de V.S. als een apostel van de New-Age beweging. Sinds 1980 begon hij zich kritisch uit te laten over de uitwassen van de New-Age, zoals de interesse in kristallen, psychische fenomenen en zelfs channeling.
Een citaat van hem, wellicht uit zijn apostel-periode : “Niemand zal de Nieuwe Wereld Orde binnengaan tenzij hij zich ertoe verbindt om Lucifer te aanbidden. Niemand zal in het Nieuwe Tijdperk binnengaan tenzij hij een Luciferische initiatie ondergaat.”
Deze Spangler beschouwt de atoombom als een bewijs van de terugkeer van de Christus in het etherische ! Volgens Lazarides is zijn werk een synthese van Alice Bailey en Rudolf Steiner.
Spangler en Powell zijn de meest verkochte ‘geesteswetenschappelijke’ auteurs in het Engelse taalgebied.

We sluiten dit uitgebreid verslag af met Lazarides’ oproep om ons onderscheidingsvermogen te scholen, het vermogen om een juist oordeel te verwerven. Dat is iets wat Ahriman ons absoluut wil beletten. Het is ook iets dat niet kan overgedragen worden door een docent. Je mag zoveel lezen als je wil, evenveel voordrachten horen, maar je moet zelf de inspanning opbrengen om tot een juist oordeel te komen. Lazarides wees op de etymologie van het woord : Ur-teil in ’t Duits, oer-deel in het Nederlands, iets om over na te denken : als de waarheid één is, dan is een oordeel daar een deel van, een oerdeel ….
Een ingesteldheid van zoeken en tasten, van niet te vlug willen een oordeel vormen, daar is Lazarides het levend voorbeeld van. Meer dan eens zei hij dat dit of dat maar een idee van hem was, dat het misschien volledig verkeerd was, maar dat hij het toch wou meegeven.
Hij wees ook nog op de aansporing in Openbaring 3, de brief aan de gemeente Sardes : “Sois vigilant - wees waakzaam”. Dit zou in onze tijd het motto voor de hele antroposofische beweging moeten zijn.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Oude en jonge zielen – deel twee

Door Lieven Debrouwere

In De Brug 61 verscheen al een algemene beschouwing van mijn hand over het feit dat de antroposofische beweging uit oude en jonge zielen bestaat. Ik besloot dat artikel met een verwijzing naar het boek ‘Christussucher und Michaeldiener’ van Hans Peter van Manen, dat ik toen aan het vertalen was. Die vertaling is inmiddels verschenen. Onder de titel ‘Oude en jonge zielen’ werd ze uitgegeven bij Via Libra . Bij wijze van reclame voor dit boek – dat volgens mij iedere antroposoof in huis zou moeten hebben – en om wat meer belangstelling te wekken voor het onderwerp – het meest controversiële, maar ook het meest boeiende uit de hele antroposofie – wil ik een vervolg breien aan dat eerste artikel. Dat had ik trouwens beloofd. Ik wil echter bij de lezer niet de verwachting wekken dat hij nu eindelijk te weten zal komen of hij een oude dan wel een jonge ziel is. Want zo eenvoudig ligt het allemaal niet. Ofschoon Rudolf Steiner zegt dat beide types zeer duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn, is er vaak een grondig zelfonderzoek nodig om erachter te komen tot welke groep men behoort. Dat zelfonderzoek mag niemand afschrikken, integendeel. Het onderscheid tussen oude en jonge zielen is als het onderscheid tussen mannen en vrouwen: een bron van heel wat moeilijkheden, maar ook – en vooral – een bron van heel wat vreugde. In die vreugde wil ik de lezer laten delen door hem een aantal beelden aan te reiken waarmee hij zelf aan de slag kan. Want het zielenthema is in de eerste plaats iets om te doen, een ‘intensieve toepassing op het leven’ zoals Rudolf Steiner het noemt. Het belangrijkste is niet om te weten tot welk van beide zielentypes men behoort, het belangrijkste is dat men erover nadenkt en op die manier inzicht verwerft in hun ‘verweven-zijn’.

Inleiding
De antroposofische wereld treft momenteel overal voorbereidingen om – op 27 februari 2011 – de 150ste geboorteverjaardag van Rudolf Steiner te vieren. In Nederland heeft het bestuur van de Antroposofische Vereniging de vraag gesteld: ‘Welk cadeau willen we Rudolf Steiner bij die gelegenheid geven?’ Mijn voorstel is om de grote man het cadeau te geven waar hij aan het eind van zijn leven zelf om gevraagd heeft. Hij verwachtte toen namelijk van iedere antroposoof dat hij of zij zich zou afvragen: ben ik een oude of een jonge ziel? Het lijkt misschien een onaanzienlijk geschenk, maar het is wel van dezelfde aard als het grote geschenk dat Rudolf Steiner ons gegeven heeft. Het vergt namelijk een offer van ons.
De hele antroposofie berust op het offer dat Rudolf Steiner bracht toen hij het karma van zijn leraar Karl Julius Schroër op zich nam. De antroposofie was niet Steiners levensopdracht, het was die van Schroër. Maar deze laatste faalde jammerlijk en toen nam Steiner het van hem over, met als gevolg dat hij zijn eigen taak – het ontwikkelen van inzicht in karma en reïncarnatie – pas helemaal aan het eind van zijn leven kon opnemen. Dat ging opnieuw gepaard met een offer, want tijdens de Weihnachtstagung nam Rudolf Steiner het karma van de hele antroposofische vereniging op zich, iets wat hem het leven kostte. Hij bezweek inderdaad onder de spanningen die tussen oude en jonge zielen heersten.
In de schijnbaar onbelangrijke vraag die Rudolf Steiner ons tijdens zijn laatste levensjaar stelde – om na te denken over het onderscheid tussen beide zielentypes – zat dus de vraag verborgen om zijn offer te aanvaarden en zijn levensopdracht voort te zetten. Hoe zwaar ons dat valt, blijkt uit het feit dat er 85 jaar na dato nauwelijks een antroposoof is die weet tot welk zielentype hij behoort. Deze primaire zelfkennis maakt geen deel uit van de antroposofische praktijk en vormt niet de grondslag of het uitgangspunt van het karmaonderzoek, zoals Rudolf Steiner verwachtte. Wel integendeel. Tot op de huidige dag wordt het zielenthema als onbelangrijk afgedaan of zelfs ongepast bevonden.
Hoe komt dat? Wat belet ons om in te gaan op de even duidelijke als dringende vraag die Rudolf Steiner ons aan het eind van zijn leven stelde? In mijn nawoord bij de vertaling van ‘Christussucher und Michaeldiener’ heb ik geprobeerd daar een antwoord op te formuleren. Het komt er, kort gezegd, op neer dat we naar onszelf moeten leren kijken, en dat doet pijn. We moeten ‘in het eigen vlees snijden’, zoals Rudolf Steiner het uitdrukte. Pas dan wordt het nadenken over oude en jonge zielen een ‘intensieve toepassing op het leven’ die ons dichter brengt bij ons eigen wezen. Het is die zelfkennis, die toepassing van de antroposofie op ons eigen leven, die ons zo zwaar valt. Voor jonge zielen zal het offer er vooral in bestaan dat ze de blik op zichzelf richten en hun eigen persoon mede tot onderwerp van studie maken. Dat vinden ze – zeker als het mannen zijn – vreselijk. Ze willen namelijk de handen uit de mouwen steken en iets tot stand brengen. Daarom is hun blik naar buiten gericht, op de wereld. Het naar binnen keren van die blik is voor hen een beproeving. Voor de oude zielen is het net omgekeerd. Hun blik is van nature naar binnen gericht, weg van de harde realiteit waarvoor ze zich zoveel mogelijk proberen af te schermen. Voor hen is het een beproeving om de blik naar buiten te keren en de wereld zoals hij is onder ogen te zien. Het offer dat Rudolf Steiner van ons verwacht, bestaat dus in een radicale ‘omkering’ van ons bewustzijn. Maar dat op zich is niet genoeg. Oude en jonge zielen verwisselen dan gewoon van plaats, en wat daar de gevolgen van zijn, zien we vandaag overal. De moslimwereld – onmiskenbaar een oude-zielenwereld – heeft zich plotseling naar buiten gekeerd. Het Westen – de jonge-zielenwereld bij uitstek – heeft zich onverwachts naar binnen gekeerd. Het resultaat van deze rolverwisseling is een golf van fysieke en geestelijke terreur die de grondslagen van de beschaving aantast.
Men zou dus kunnen zeggen dat de vraag die Rudolf Steiner in 1924 aan de antroposofen stelde, vandaag op wereldschaal wordt beantwoord. Maar het is duidelijk niet het antwoord dat hij verwachtte. De drastische ommekeer die zich in onze tijd (zowel bij oude als bij jonge zielen) voltrekt, is niet het resultaat van een vrij en bewust offer. Het is een blinde, instinctieve reactie die de hele vrije samenleving dreigt te vernietigen. Rudolf Steiner wist ongetwijfeld welke enorme krachten die – overigens onvermijdelijke – ommekeer zou ontketenen. Daarom drong hij zo sterk aan op inzicht in het ‘verweven-zijn’ van oude en jonge zielen. Zonder dat inzicht zouden we volgens hem ‘aan het graf van alle beschaving’ komen te staan.
Het thema van de oude en jonge zielen is als een zaadje: klein en onaanzienlijk. Maar het bevat een enorme ‘potentie’: het kan de beschaving redden. Voorwaarde is echter dat het niet aan zijn lot wordt overgelaten, want dan wordt het beschavingsvernietigend. Rudolf Steiner heeft dus niet voor niets met zoveel nadruk gesproken over het zielenthema. Toch noemde hij het een ‘intermezzo’, een tussendoortje zeg maar. De reden ligt voor de hand: hij wilde de vrije wil van zijn toehoorders niet in het gedrang brengen. Hij liet het aan ons over om de ware aard van dit ‘zaadje’ te ontdekken, ook al riskeerde hij daardoor dat het onopgemerkt bleef en in handen van de tegenmachten raakte.

Rudolf Steiner had na de Weihnachtstagung niet lang meer te leven. Hij werd onmiddellijk zwaar ziek en moest zijn eigenlijke levensopdracht samenballen in negen maanden. Tijdens die negen slopende maanden gaf hij gestalte aan het geesteskind dat hij op de wereld wilde zetten. Het kloppende hart van dat kind was het zielenthema. Het was het eerste ontkiemen van het zaadje dat hij tijdens de Weihnachtstagung in het hart van de aanwezigen had geplant. De betekenis van die Kerstbijeenkomst valt voor ons verstand moeilijk te begrijpen. Nog moeilijker is het om wat toen begonnen is in de praktijk te brengen. Maar met het zielenthema hebben we iets dat we in ons hart kunnen opnemen en waarmee we aan de slag kunnen.
Nadenken over het onderscheid tussen beide zielentypes, is een hartsaangelegenheid. Het is geen academische kwestie waar je zelf buiten kunt blijven staan. Wie dit zaadje tot groei wil brengen, moet de (wetenschappelijke) afstandelijkheid van het verstand verbinden met de (religieuze) overgave van de wil. Dat is de omkering of bekering waar Rudolf Steiner – als een moderne Johannes de Doper – toe opriep. Beide polen moeten elkaar in het hart ontmoeten, en niet in een rechtstreekse clash tussen een ahrimanische wetenschap en een luciferische religie. Die ontmoeting is een voortdurende evenwichtsoefening, een bewandelen van de gulden middenweg van het hart.

Denken in beelden
De ‘wandeling’ die ik hier wil maken, beweegt zich tussen de mededelingen van Rudolf Steiner enerzijds en mijn eigen waarnemingen anderzijds. Ze beweegt zich ook tussen mijn persoonlijke ervaringen met oude en jonge zielen, en de onpersoonlijke hedendaagse actualiteit. Tussen deze polen gaapt echter een diepe kloof, een kloof die niet overbrugd kan worden zonder beelden. Wie wil doordringen in het zielenthema moet leren denken met het hart, en denken met het hart is in eerste instantie: denken in beelden. Daarmee bevinden we ons meteen middenin het zielenthema, want om in beelden te kunnen denken, heb je zowel oude- als jonge-zielenkwaliteiten nodig. De samenwerking tussen oude en jonge zielen begint in het denken, en wel in het gewone, rationele denken-in-begrippen zoals we dat allemaal – oude en jonge zielen – op de schoolbanken geleerd hebben. Dit heldere, preciese denken is vandaag zo vanzelfsprekend geworden dat we ons geen andere manier van denken meer kunnen voorstellen. Het is dan ook een uiterst belangrijke manier van denken: we hebben er onze vrijheid aan te danken. We hebben dit denken alleen kunnen ontwikkelen doordat de geest zich – tijdens het zogenaamde Duistere Tijdperk – stelselmatig uit ons bewustzijn heeft teruggetrokken. Vandaag is dat Duistere Tijdperk echter afgelopen en dringt de geest ons bewustzijn weer binnen.
Dat heeft verreikende gevolgen voor ons denken: door het ongemerkt infiltreren van de geest dreigt het zijn helderheid te verliezen. Dat leidt logischerwijs tot de stelselmatige afbraak van onze vrijheid, zoals we die vandaag overal kunnen waarnemen. We staan dus voor de keuze: ofwel laten we de geest stiekem ons bewustzijn binnensluipen en raken we onze zuurverdiende vrijheid weer kwijt, ofwel spannen we ons tot het uiterste in om de geest bewust te integreren. Dat laatste is alleen mogelijk wanneer we ons denken-in-begrippen uitbreiden tot een denken-in-beelden. Deze verruiming van het denken is de enige manier waarop we weer contact kunnen maken met de geest zonder eraan te bezwijken.
De geest heeft namelijk een bijzonder ‘vurig’ karakter. We ‘verbranden’ er ons aan als we er rechtstreeks mee in contact komen. Alleen wanneer de geest afgedempt wordt en een ‘waterig’ karakter aanneemt – wat het geval is wanneer hij zich in beelden uitdrukt – kunnen we hem zonder al te veel risico’s benaderen. Maar dat betekent wel dat ons denken-in-begrippen moet leren ‘zwemmen’. Het moet de vaste grond van de materiële werkelijkheid kunnen verlaten en zich in de ‘vloeibare’ etherische beeldenwereld begeven, zonder erin te verdrinken. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want ons rationele denken ervaart het geestelijke ‘waterelement’ als vreemd en bedreigend. Wie ooit een cursus nat-in-nat schilderen heeft gevolgd, weet hoe moeilijk mannen het daarmee hebben. Ofwel blijven ze na de eerste les al weg, ofwel worden ze balsturig, ofwel proberen ze de waterverf als olieverf te gebruiken, maar altijd is er wel een of andere vorm van verzet of zelfs paniek wanneer ze geconfronteerd worden met dat zeer vloeibare en waterige medium. Het mannelijke bewustzijn is nu eenmaal bij uitstek drager van het denken-in-begrippen. Het heeft vaste, onbeweeglijke vormen nodig. Die zijn er niet wanneer er nat-in-nat wordt geschilderd, en dus verliest het mannelijke bewustzijn alle houvast. Het ‘verdrinkt’ en wil zo vlug mogelijk weer vaste grond onder de voeten krijgen.
Bij vrouwen ligt het heel anders. Hun bewustzijn is veel ‘vloeibaarder’ en dus voelen ze zich hier in hun element. Ze kunnen wel uren rondzwemmen in die waterige kleuren en vage, vervloeiende vormen. Het ontspant hen, het brengt hen in een dromerige, meditatieve stemming die hen alle dagelijkse zorgen doet vergeten. Ze begrijpen niks van het vreemde gedrag van de (zeldzame) mannen. Ze vinden het juist heerlijk om met dat ‘gekleurd water’ te spelen. Ze hebben dan ook geen zin om uit dat ‘bad’ te stappen. En daar beginnen hun problemen. Want de bedoeling van nat-in-nat schilderen is dat er uit die aanvankelijke kleurenwemeling langzaam maar zeker vaste en herkenbare vormen opduiken.
Mannen willen liefst meteen met die vaste vormen beginnen en het vloeibare stadium overslaan. Vrouwen daarentegen willen dat vloeibare stadium liefst zolang mogelijk rekken, want vaste vormen maken een eind aan de ‘waterpret’. Op het gebied van het denken gaat het net zo. Jonge zielen zijn op dit vlak ‘mannelijk’ van aard: ze denken logisch, in scherp afgelijnde begrippen die gebaseerd zijn op de zintuiglijke werkelijkheid. Oude zielen zijn dan weer ‘vrouwelijk’ van aard, al is dat vaak niet te merken door het ‘mannelijke’ keurslijf dat ze (moeten) dragen. Maar daaronder denken ze associatief, in vage vervloeiende indrukken die door hun beweeglijke aard gemakkelijker geestelijke inhouden opnemen.
Als we contact willen maken met deze geestelijke inhouden zonder erdoor geknecht te worden – de uitdrukking is van Rudolf Steiner – dan moeten we de watervrees van ons ‘mannelijke’ denken overwinnen, zodat het kan leren zwemmen. Maar ‘zwemmen’ betekent niet dat de heldere begrippen weer oplossen in de geestelijke sfeer, als zout in water. Nee, de bedoeling is dat we het hoofd boven water houden, en dat kan alleen wanneer de begrippen gecoördineerd samenwerken als één zwemmend lichaam, dat wil zeggen wanneer ze een beeld vormen dat enerzijds stevig genoeg is om niet op te lossen in de geestelijke wereld en anderzijds soepel genoeg om er vrij in te kunnen bewegen.
Een dergelijk beweeglijk denken-in-beelden houdt het midden tussen het stevig in de aarde gewortelde denken van de jonge zielen en het nog ‘waterige’ prerationele denken van de oude zielen. Het vergt van beide zielentypes een offer om zich naar elkaar toe te bewegen en de ander halverwege te ontmoeten. De oude zielen moeten zich losmaken uit de geestelijke sfeer waar ze zo graag in wegdromen, en de harde werkelijkheid onder ogen zien. Ze moeten bij wijze van spreken het water verlaten en aan land komen. De jonge zielen moeten precies het omgekeerde doen: ze moeten de vaste grond van de materiële werkelijkheid verlaten en zich te ‘water’ begeven. Het zal de lezer al wel duidelijk zijn geworden dat het zielenthema hier benaderd wordt vanuit het oude-zielenstandpunt, dat wil zeggen: door middel van vage, algemene beelden die (nog) veraf staan van de concrete werkelijkheid. Zo zullen er zeker oude zielen zijn die met hun twee voeten stevig op de grond staan en geen idee hebben wat hier bedoeld wordt met hun ‘waterige’ bewustzijn. En er zullen zeker jonge zielen zijn die de wereld heel intuïtief en gevoelsmatig benaderen. Maar wat hen tot oude en jonge zielen maakt, zit meestal heel diep verborgen onder het oppervlak, en de kunst bestaat erin om deze (geestelijke) diepten naar boven te halen zonder de draad te verliezen.
In theorie zou het mogelijk moeten zijn om de omgekeerde weg – de jonge-zielenweg – te volgen, en door de zichtbare werkelijkheid te onderzoeken met behulp van heldere begrippen, uiteindelijk te komen tot het onderscheid tussen oude en jonge zielen. Maar in de praktijk lukt dat nooit. De hedendaagse werkelijkheid is zo complex en ingewikkeld geworden, dat we ze op eigen kracht niet meer kunnen herleiden tot de eenvoudige tegenstelling tussen twee zielensoorten. We zien door de bomen het bos niet meer. Bovendien stuit een dergelijke ‘grove’ indeling ons tegen de borst. We ervaren ze gevoelsmatig als een aanslag op de broederlijkheid, als een terugval in de barbarij. Wat we niet beseffen, is dat het zielenthema ons confronteert met onze eigen ‘barbaarse’, dat is materialistische manier van denken. Onbewust interpreteren we het zielenonderscheid in materiële zin, als een onderscheid dat mensen fysiek van elkaar scheidt. In combinatie met het – geestelijke – broederschapsideaal resulteert dat in een hevig verzet tegen alles wat mensen van elkaar onderscheidt, en dus ook tegen het onderscheid tussen oude en jonge zielen. Op die manier worden we slachtoffer van het materialisme dat zich in ons denken heeft genesteld en waarvan we ons niet bewust zijn, juist omdat ons denken-in-begrippen geheel en al naar buiten is gericht en zichzelf dus ‘vergeet’.
Deze zelfvergetelheid is de grote kracht, maar ook de grote zwakheid van het rationele denken. In zijn onzelfzuchtige liefde voor de aardse werkelijkheid vergeet het zichzelf, dat wil zeggen de denkende geest. En hoe liefdevoller die geest wordt, des te meer verliest hij zich in zijn aandacht voor de zintuiglijke werkelijkheid, des te meer ziet hij alleen nog materie en raakt daardoor in de greep van Ahriman. Dat is het gevaar dat de jonge zielen lopen: door de onzelfzuchtige, liefdevolle aard van hun denken dreigen ze zichzelf – en dus ook de geest – te vergeten. Daarom hebben ze de oude zielen nodig: om hen te herinneren aan wie ze zelf zijn, om hen te herinneren aan hun geestelijke wezen.
Het bewustzijn van de oude zielen is namelijk niet naar buiten, op de zintuiglijke werkelijkheid gericht. Het is naar binnen gericht, op de bovenzintuiglijke werkelijkheid van het ik. Anders dan jonge zielen kunnen oude zielen de geest nooit vergeten. Dat wil echter niet zeggen dat ze hem ook duidelijk waarnemen. Vaak is hij voor hen niet meer dan een gemis, een vaag maar hardnekkig gevoel dat de materiële werkelijkheid niet de hele werkelijkheid kan zijn. Als gevolg van die onduidelijkheid raken ze op hun zoektocht naar het ik gemakkelijk verstrikt in het ego. Het valt hen moeilijk onderscheid te maken tussen de onzelfzuchtige geest en zijn zelfzuchtige tegenbeeld.
Zoals de jonge zielen de ‘zelfzuchtige’ liefde van de oude zielen nodig hebben om herinnerd te worden aan de geest, zo hebben de oude zielen de ‘onzelfzuchtige’ liefde van de jonge zielen nodig om de geest te leren onderscheiden van zijn (luciferische) dubbelganger. De spiritualiteit van de oude zielen is sterk, maar vormeloos en ongericht. Zonder het denken-in-begrippen van de jonge zielen dreigen ze verloren te lopen (en opgesloten te raken) in zichzelf en hun ik nooit te vinden. De jonge zielen dreigen dan weer zichzelf te verliezen (en opgesloten te raken) in de materiële buitenwereld. Zonder het vermogen van oude zielen om diep onder te duiken in de zielenwereld, blijft hun ik eveneens voor hen verborgen.
Het onderscheid tussen oude en jonge zielen situeert zich heel diep in de ziel van de mens, vlakbij zijn ik, in het gebied waar de aandacht van de oude zielen zo intens op gericht is. Maar juist doordat het zo’n duidelijke grens trekt, hoort het eigenlijk niet thuis in dit spirituele gebied. Het is afkomstig uit de materiële werkelijkheid, waar de aandacht van de jonge zielen zo sterk op gericht is. Het onderscheid tussen oude en jonge zielen is uitdrukking – en resultaat – van een menselijk bewustzijn dat niet alleen in staat is diep door te dringen in de geestelijke sfeer, maar ook zijn zelfstandigheid te behouden en zodoende de schatten die het vindt ‘aan land’ te brengen. Het hernieuwde contact met de geest, zoals het zich vandaag opdringt, kan niet enkel bestaan in het – natuurlijke – herstel van het vermogen om onder te duiken in de geest. Dat leidt alleen tot een troebele vermenging van spiritualisme en materialisme, die het onderscheidingsvermogen – en daarmee ook de vrijheid en zelfstandigheid – van de mens in gevaar brengt. Nee, contact maken met de geest houdt in dat men het vermogen tot overgave aan de geest stap voor stap verzoent met het vermogen om afstand te nemen van de geest. En die verzoening is niets meer of niets minder dan een … kunst. De voor het vinden van het ik – en dus voor de redding van de menselijke ziel – zo belangrijke samenwerking tussen oude en jonge zielen is een kunst, een nieuwe, sociale kunst. En die kunst begint met de verruiming of spiritualisering van het denken, met het verheffen van het denken-in-begrippen tot de kunst van het denken-in-beelden.

Dit boek kan aangekocht worden via telefonische bestelling 03/237 87 10, per email info@via-libra.be of schriftelijk aan te vragen op het adres Via Libra, Gitschotellei 188, 2140 Antwerpen.
Voor bestellingen vanuit Nederland: gelieve eerst contact op te nemen via e-mail of telefoon - de verzendingskosten vanuit België naar Nederland liggen merkelijk hoger dan de binnenlandse kosten. Prijs: 23,90 euro (+ 2,95 euro verzendingskosten in België)


Oude en jonge zielen in Vlaanderen

Door François De Wit

In afwachting van een grondige bespreking van dit boek :

Jonge zielen die het niet weten,
oude zielen die het vergeten,
helpen elkaar op hun eigen manier.
Het resultaat zie je van hier.

Waren ze zich maar bewust
van hun jongzijn of oudzijn,
dan zouden ze nu gerust
niet zo nat zijn.



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*



Terug naar het thuisblad

*

*

*

*

*