Inhoudstafel van Brug 62 (december 2008)

Helderziend worden : drie krachten omvormen
Friedrich Rittelmeyer
“Ik ben de deur”
Karel de Grote – Emil Molt
Orgaantransplantatie


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Beste Lezer,


Vladimir Solovjov (1853-1900) is in antroposofische kringen vooral bekend vanwege zijn “Korte vertelling van de Antichrist”, die hij kort voor zijn dood schreef. Hij wilde daarmee de mensheid waarschuwen voor het Kwaad dat in een fysieke persoon op aarde zou verschijnen.

In dit tijdschrift hebben we ook al vaak getracht om te achterhalen welke ontwikkelingen in het maatschappelijk leven zouden kunnen wijzen op de werking van Ahriman. Onvermijdelijk wekt men daardoor de indruk alsof men Ahriman wil bestrijden. In feite wordt zijn werking geneutraliseerd door hem te ontmaskeren. Maar uiteindelijk heeft hij even goed zijn plaats in het wereldbestel als Lucifer of de Christus.

Door voortdurend de blik te richten op tekenen die iets van zijn werkzaamheid kunnen verraden, lopen we gevaar het groter perspectief uit het oog te verliezen. Nu we terug in de Kersttijd gekomen zijn, is het goed om samen met Vladimir Solovjov eens stil te staan en samen te vatten :

Lieve vriend, ziet ge dan niet
dat al wat jij ziet
maar een schaduw is, een onklare
afdruk van het voor onze ogen onzichtbare.

Lieve vriend, hoort ge dan niet
Al het lawaai, conflict en verdriet :
slechts een dissonante melodie,
vervormde echo van de Al-harmonie.

Lieve vriend, voelt ge dan niet aan :
op de hele wereld kan maar één ding bestaan,
alleen wat van hart tot hart, van Ik tot Ik
zonder woorden spreekt in een stille blik.

François De Wit.

Uit : “Russische Lyrik – von den Anfängen bis zur Gegenwart” (Reclam) – eigen vertaling.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Een snelcursus helderziendheid

Rudolf Steiner heeft nooit een dergelijke cursus gegeven, maar wat hij vertelde in de voordracht van 11 oktober 1913 in Bergen kwam daar op neer ( Deze voordracht is de laatste in GA 140 “Okkulte Untersuchungen über das Leben zwischen Tod und neuer Geburt”. We vertaalden en bewerkten het grootste deel ervan. De tussentitels voegden we zelf toe. - fdw.) Hij geeft aan welke krachten in de menselijke constitutie moeten omgevormd worden om telkens een ander gebied in de geestelijke wereld te kunnen schouwen. Samengevat gaat het om drie soorten krachten die we moeten ontwikkelen om
- terug te kijken op vorige aardelevens;
- de grote, algemene ontwikkelingslijnen van aarde en mens te overschouwen;
- het leven tussen dood en nieuwe geboorte te leren kennen.
Daarnaast worden er ook enkele aspecten belicht die we verder in deze Brug uitdiepen.

Kennis van vorige aardelevens – krachten in het long-hartgebied

“Hoe komt het dat de mens in het gewone leven in deze tijd geen bewustzijn krijgt van zijn vorig aardeleven ? Het helderziende bewustzijn kan dat wel, het kan het geheugen a.h.w. uitrekken totdat vorige aardelevens als een herinnering in het geheugen opduiken. Maar in het gewone leven van de tegenwoordige mensheid is het zo dat zo’n bewustzijn er niet is.
Het is duidelijk dat de kracht die men nodig heeft om helderziend te kunnen onderzoeken, in feite stamt uit het menselijk innerlijk, dat het in de ziel van de mens sluimert. De helderziende heeft deze kracht ontwikkeld, terwijl de gewone mens ze niet ontwikkelt. Maar die kracht is er. Waarvoor dient die kracht als ze niet gebruikt wordt om helderziendheid te verwerven ?
Wanneer men deze vraag helderziend onderzoekt, dan ziet men : in onze tijd worden deze krachten gebruikt om het menselijk strottenhoofd op te bouwen en al wat daarmee samenhangt. Ze wordt namelijk gebruikt voor al wat het strottenhoofd later in staat stelt om de menselijke spraak te leren. De krachten om terug te kijken op vorige aardelevens zitten dus in de mens maar ze worden gebruikt om de spraakorganen op te bouwen. Hoe kan men dan terugblikken op vorige levens ? Wanneer men het zover brengt dat men de activiteit van het etherlichaam kan ontplooien die anders alleen ontplooid wordt bij het gebruiken der spraakorganen. Als men het zover brengt dat men zichzelf innerlijk hoort zonder dat men uiterlijk spreekt, en dat altijd meer en meer voelt, dan is dat een zeer goede oefening om de herinnering aan vorige aardelevens te verkrijgen.
Bij de tegenwoordige mensheid is het zo dat de mens helemaal geen aandacht besteedt aan de krachten die ongebruikt blijven en die kunnen aangewend worden om terug te blikken op vorige aardelevens.

Kennis van de kosmische achtergrond van mens en aarde – krachten in het hoofdgebied

Zo is het ook met de krachten die bij de mens in onze tijd de zogenaamde grijze hersensubstantie vormgeven die hoofdzakelijk het orgaan van het denken is. Dit denken is natuurlijk niet iets wat de hersenen doen, maar men heeft de hersenen nodig als een instrument om te denken. En de denkkrachten die de mensen zouden instaat stellen om bvb. zeer gemakkelijk op datgene te komen wat in mijn “Wetenschap van de geheimen der ziel” staat, die krachten worden bij de normale mens van deze tijd gebruikt om op de gepaste manier de grijze hersenmassa op te bouwen. De krachten die nog over blijven wanneer de grijze hersenmassa opgebouwd is, die moet men gebruiken om te oefenen op de manier zoals die aangegeven werd, om op een zuivere, klare wijze te overschouwen wat bvb. in mijn “Wetenschap van de geheimen der ziel” beschreven is.
Waarop berust dat wat in dat boek geschilderd is ?
De voorwaarden om iets dergelijks te kunnen ervaren in de geestelijke wereld zijn eigenlijk voor de huidige mens helemaal niet zo moeilijk. Men zou zelfs kunnen zeggen : het is een wonder dat niet veel meer mensen vanzelf tot dergelijke beelden komen.
Men moet alleen maar het volgende doen, hoewel, in dit verband geldt het woord van Faust : het mag dan wel gemakkelijk zijn, maar toch is het gemakkelijke moeilijk.
De ontwikkeling van de hersenen verloopt het intensiefst in de eerste jaren van het menselijk leven. Daar ziet men helderziend het etherlichaam en ook het astraal lichaam het drukst bezig aan het vormgeven, aan de plooien en windingen van de hersenen. Maar deze activiteit gaat zeer lang door. En het is niet te veel gezegd wanneer men stelt dat de mens werkelijk – al gaat het dan trager naarmate het leven vordert – door levenservaring altijd slimmer en slimmer wordt. Altijd vindt er activiteit plaats aan de hersensubstantie. Maar men neemt het niet waar, men kan het ook niet observeren, maar als men zich op een bepaald ogenblik voorneemt om een geestelijke liefhebberij die men dus graag beoefent, nu niet meer gaat beoefenen – over geesteswetenschap kan dit niet gaan natuurlijk - , dus één of andere liefhebberij zeven jaar lang niet te beoefenen en dat dan ook effectief volhoudt, en men probeert in stille meditatie de krachten op te roepen die men op deze manier gespaard heeft, dan kan men relatief gemakkelijk tot de dingen komen die in mijn “Wetenschap van de geheimen der ziel” geschilderd zijn.
Dat zo weinig mensen het zover brengen bewijst alleen maar dat er in die richting zo weinig uitgevoerd wordt. Inderdaad wordt er in die richting weinig uitgevoerd, want wie echt een lievelingsbezigheid heeft, die zal er maar zelden toe komen om zich die bezigheid zeven jaar lang te ontzeggen. ( … )
U zou kunnen zeggen : veel mensen hebben niet eens een lievelingsbezigheid en toch zijn ze niet helderziend ! Hoe komt dat dan ?
Welnu, dat is omdat de ontwikkeling van helderziende krachten niet uit het niets kan komen. Er moeten eerst al krachten aanwezig zijn. Dan moet men ze een tijdlang niet gebruiken, dan worden ze als het ware omgekeerd. En dan ontstaat dat wat iemand in staat stelt om op eigen kracht helderziend tot de schilderingen te komen die in mijn “Wetenschap van de geheimen der ziel” staan.
Dus we hebben nu twee soorten krachten bekeken, enerzijds de krachten die werken in de spraakorganen en die ons laten terugblikken op vorige levens, en anderzijds de krachten die werken in onze grijze hersenmassa en die ons de algemene schilderingen zoals in “Wetenschap van de geheimen der ziel” laten kennen.

Kennis van het voorgeboortelijk leven – krachten in het ledematengebied

Maar er zijn nog andere krachten en die laten de mens toe meer in detail te zien wat tussen dood en nieuwe geboorte ligt, wat de individuele mens daar uitvoert.
Om dat te bereiken moet men de krachten oefenen die de mens gebruikt om rechtop te lopen. De krachten die de mens tot een vertikaal wezen maken, zijn krachten die de helderziende met bijzondere eerbied vervullen.
Toekijken hoe een kind leert lopen, dat is voor de helderziende blik een wonderbaar mysterie. De krachten die men als kind gebruikt om zich op te richten, die worden niet volledig gebruikt, er blijft wat van over en dat zijn dan de krachten die iemand toelaten om in de wereld tussen dood en een nieuwe geboorte te schouwen. Als men het zover brengt om zich te herinneren hoe men heeft leren lopen, welke inspanningen men daar heeft moeten voor doen, dan ontdekt men in zich krachten die men in zijn etherlichaam gespaard heeft. Want het is namelijk het etherlichaam dat zich daarbij moet inspannen.
. U kunt nu vragen : hoe komt dat dan ? Wel, wij hebben in de antroposofische beweging reeds een begin gemaakt met het ontwikkelen van deze krachten. Als het goed gaat, dan worden deze krachten pas na zeven jaar oefening goed wakker. Maar een begin is er al.
Gewoonlijk wordt de mens zich niet bewust van die krachten, maar hij kan het gewaarworden van die krachten bevorderen wanneer hij een bepaald soort natuurlijke dans oefent. Het kan vanzelfsprekend ook door meditatie, maar sinds een paar jaar wordt bij ons vanuit de bewegingen van het etherlichaam in bepaalde groepen de zogenaamde euritmie geoefend. Dat is niet zoiets als de gewone turn- of danskunst -, wat in feite toch tot niets bijzonder leidt – maar dat zijn bewegingen die volledig in de lijn van de bewegingen van het etherlichaam liggen. En door deze bewegingen wordt de mens langzamerhand de krachten gewaar die nog in hem overgebleven zijn van het leren lopen. En zo kan datgene gewekt worden wat iemand toelaat om in de geestelijke werelden te schouwen die tussen zijn laatste dood en zijn huidige geboorte liggen.
( … )
Door meditatie kan men dat ook bereiken, maar dan moet men het zo inrichten dat de meditatie gevoel wordt, en gevoelens zijn nu eenmaal door meditatie het moeilijkst te vormen.
Aldus kan men de krachten vinden die de mens toelaten om een blik te werpen op wat zich afgespeeld heeft tussen zijn vorige dood en daarop volgende geboorte.
Op dat gebied ligt veel wat ons het leven pas begrijpelijk maakt.
Er treft ons bvb. een ongeluk. Wij hebben het lastig om dat te verwerken. Indien wij echter wisten waarom wij vóór de geboorte tientallen, ja honderden jaren lang alles zo ingericht hebben opdat dit ongeluk ons zou treffen, dan zou het veel gemakkelijker te dragen zijn. We zouden dan immers weten dat dit ongeluk een test is, opdat wij volkomener zouden worden. Maar ook daarnaast leert men vele zaken kennen wanneer men in staat is te zien hoe we ons leven hier voorbereid hebben.
Ik geef enkele voorbeelden.
Wanneer we het midden van de periode tussen dood en nieuwe geboorte overschreden hebben, dan richten we het innerlijk beleven van de ziel in de geestelijke wereld vooral naar de aarde. En men krijgt, als men zo ongeveer over het midden heen is, van op de aarde altijd meer indrukken van wat daar beneden uitgevoerd wordt, van wat de mensen daar beneden denken en voelen. En het is voor iedere ziel zo dat ze bepaalde indrukken opdoet. Zo kan bvb. een ziel in de tweede helft van haar geestelijk leven, naarmate haar geboorte nadert, meer en meer daar beneden mensen ‘zien’ die het volgende tijdperk voorbereiden, de mensen die geestelijk actief zijn. Sommige van deze geestelijk actieve mensen zullen voor de betreffende ziel bijzonder waardevol zijn. Ja, het gebeurt dat men vanuit de geestelijke wereld neerkijkt op één of twee figuren die werkzaam zijn op aarde. Een mens bvb. die in de tweede helft van de 19de eeuw geboren is, die was in het begin van de 19de eeuw en in de tweede helft van de 18de eeuw in de geestelijke wereld, maar hij keek neer naar de mensen die toen de cultuur beïnvloedden. Sommige daarvan vindt hij bijzonder waardevol, ze zijn hem dierbaar. Dat is één zaak die men daar beleeft : men kijkt neer naar de mensen die zich daar beneden ontwikkelen. Maar door ernaar te kijken beïnvloedt men deze mensen ook. Niet dat daardoor hun vrijheid zou ingeperkt worden, maar het is zo dat bepaalde gedachten die in hun ziel leven, gemakkelijker bewust worden, doordat er vanuit de geestelijke wereld een of andere ziel naar hen kijkt. Zo worden aardemensen aangezet om te scheppen, aangezet tot activiteit door zielen die pas later gaan geboren worden.
( … )
Men ziet bvb. de boeken van zo’n mens die men wil navolgen als men geboren is. Men ziet met een bepaald innerlijk verlangen, met een soort innerlijk smachten van de hemel naar de aarde, ongeveer zoals men als levende mens met verlangen naar het hiernamaals, naar de hemel kijkt. Natuurlijk met het geweldig verschil dat men als aardemens die niets weet van geesteswetenschap tamelijk onbestemd en vaag naar de hemel opkijkt. De mens in de hemel echter, hij die in de geestelijke wereld leeft, die ziet daarentegen heel scherp de omstandigheden op aarde, de mensenziel die hij bijzonder vereert, wiens geschriften hij misschien wil lezen. Kortom, men leert in de tweede helft van zijn geestelijk leven tussen dood en nieuwe geboorte de details van de menselijke zielen kennen, men leert kijken in mensenzielen.

En wijzelf die nu leven, wij mogen er ons bewust van zijn dat daar boven in de geestelijke wereld zielen leven die erop wachten om geboren te worden in de volgende jaren, die in onze zielen kijken met een verlangende blik en die in onze zielen zien wat zij nodig hebben om zich voor te bereiden op het aardeleven. Ze zien onze zielen in deze fase van hun geestelijk leven zo scherp als de aardemens zijn hemel onscherp ziet !
Dat is terug zo een beeld dat ons toont hoe wij, wanneer we de geestelijke wereld ook maar een beetje leren kennen, werkelijk tot het gevoel komen : wij worden gadegeslagen.
Want dat worden wij menigvuldig. Daaraan zien we dat de geesteswetenschap ook in dit opzicht de mensen niet iets slecht geeft, want door haar wordt de mens ertoe aangespoord om zich waardig te betonen wat betreft hetgeen in zijn ziel gade te slaan is door nog ongeboren zielen.

. Wanneer de helderziende onderzoeker zich met deze zaken inlaat, dan komt hij belangrijke, hoewel toch ook schokkende zaken op het spoor. En tot de werkelijk in hoge mate schokkende zaken behoort het volgende : men ziet de zielen die op weg zijn om geboren te woorden, en men ziet hoe zij naar beneden kijken, naar de personen die hun ouders gaan worden. In oudere tijden was dat zelfs nog ingrijpender, voor onze tijden al iets minder; maar het behoort toch nog altijd tot de meest schokkende ervaringen om dergelijke zielen te observeren. Want men krijgt daar de meest verscheiden indrukken. Ik schets hier een indruk, uit de werkelijkheid gegrepen. Een ziel maakt zich klaar om te incarneren en weet bvb. dat ze voor haar volgende aardeleven een bepaald soort opvoeding nodig heeft, een bepaalde soort ervaringen die ze reeds in de vroegste jeugd moet opdoen. Maar nu ziet ze : ja, daar of ginds bestaat de mogelijkheid om dergelijke ervaringen op te doen. Maar dat is vaak slechts mogelijk wanneer men op dat moment afstand doet van een ouderpaar dat ons op een ander vlak wellicht een gelukkig leven kon geven, en wanneer men kiest voor een ouderpaar bij wie men misschien geen gelukkig leven zal hebben. Als men het eerste ouderpaar zou verkiezen dan zou dat betekenen dat men juist dat wat het belangrijkste is voor dit leven, niet zou kunnen bereiken. Men moet niet denken dat alle omstandigheden van het geestelijke leven zo verschillend zijn van die van de aarde. Zo ziet men zielen die zich vóór de geboorte in een vreselijke tweestrijd bevinden, men ziet bvb. een ziel die bij zichzelf overweegt : misschien word ik in mijn jeugd mishandeld door een ruw ouderpaar. Als de ziel in dat geval verkeert, dan zorgt dat voor de vreselijkste innerlijke conflicten. En men ziet in de geestelijke wereld vele zielen die zich opmaken om geboren te worden en die dergelijke conflicten doormaken. Daarbij moet men bedenken dat men in de geestelijke wereld deze conflicten als een soort buitenwereld voor zich ziet. In de geestelijke wereld is hetgeen ik nu beschrijf niet alleen innerlijke zielestrijd, niet alleen een conflict in het gemoed, maar deze conflicten zijn naar buiten geprojecteerd, men ziet ze rond zich. Men ziet in alle aanschouwelijkheid de imaginaties die vertellen hoe deze zielen gespleten naar hun volgende incarnatie moeten schrijden.

Met dit voor ogen kunnen we natuurlijk gemakkelijk verstaan waarom zo vele mensen niet willen weten van de antroposofie. Want het liefst zouden de mensen willen dat het waar is dat men na de dood direct in de eeuwige zaligheid binnengaat. Maar zo is het niet. En het is goed dat de dingen zijn zoals ze zijn, want op die manier zal de wereld uiteindelijk de graad van volkomenheid bereiken die ze moet bereiken.

. Gevaren

Terugblikken op het eigen leven in de geestelijke wereld of op dat van iemand anders, daartoe geven ons merkwaardig genoeg die krachten de mogelijkheid die wij bij het leren lopen uitsparen in het etherlichaam. Maar deze krachten, als ze effectief ontwikkeld worden hebben een bepaald voordeel t.o.v. de krachten die ontwikkeld worden om in vorige aardelevens terug te kijken, dat leert ons de praktijk van het helderzien. Ik zou u willen vragen dit onderscheid goed in ’t oog te houden, want het kan ons allerhande zaken veel duidelijker maken. Door niets wordt een gevaarlijk soort helderzien gemakkelijker ontwikkeld dan door de ontwikkeling van de krachten die bij de huidige mens eigenlijk dienen om de spraakorganen te vormen en die, als hij ze opbouwt, hem toelaten vroegere aardelevens te leren kennen. Want deze krachten hangen in de menselijke natuur het allermeest samen met de lagere instincten en driften. En men komt door niets zo zeer in de buurt van Lucifer en Ahriman dan wanneer men juist deze krachten ontwikkelt die, tot op zekere hoogte dan toch, toelaten om van zichzelf en anderen de vorige aardelevens te zien. Ze leiden tot krachten der begoocheling, namelijk wanneer ze niet correct ontwikkeld worden. Onder invloed van deze krachten geraakt de helderziende op moreel gebied eerder in de diepte dan in de hoogte. Werkelijk, de krachten die toelaten op vorige aardelevens terug te kijken zijn de gevaarlijkste. Men mag deze krachten slechts ontwikkelen wanneer men er tegelijkertijd ten volle op bedacht is om een reine moraliteit te ontwikkelen. En daarom zullen ervaren leraren niet vlug beginnen om bij iemand systematisch de krachten te ontwikkelen die toelaten in vorige incarnaties te kijken, juist omdat die ontwikkeling de reinste moraliteit vereist.
En men kan zeggen : zo algemeen het is om een bepaalde lagere helderziendheid te bezitten waarmee men in andere werelden kan schouwen, dat schilderingen kan geven uit geestelijke regionen, zo zeldzaam is een werkelijk objectief schouwen in vroegere incarnaties dat alleen gebaseerd is op de spraakkrachten. En daarom worden gewoonlijk nog andere middelen te baat genomen als men mensen in vorige incarnaties wil laten kijken.

En hier komen we op en interessant punt dat ons toont hoe men op dingen moet letten waar normaal gezien weinig op gelet wordt. Het zal dus zelden voorvallen dat iemand zover gebracht wordt in zijn geestelijke leiding dat hij kan terugblikken op vorige incarnaties, alleen maar door zijn spraakkrachten te ontwikkelen. En toch zijn er vele mensen die het vandaag de dag kunnen. Maar dat wordt gewoonlijk met andere middelen bereikt. En één van deze middelen is iets dat vreemd kan lijken, maar dat toch op een diepere waarheid berust.
Iemand gaat de weg van de innerlijke scholing. Het zou hem te veel moeite kosten of er zouden misschien te sterke verlokkingen optreden wanneer hij door omvorming van de spraakkrachten zou moeten komen tot het terugschouwen van vorige incarnaties. Daarom nemen de geestelijke machten hun toevlucht tot een ander middel. Het lijkt alsof het toevallig is : het gebeurt bvb. dat deze mens een andere mens ontmoet en die noemt een naam of een bepaalde tijd of een bepaald volk. En dat werkt van buitenaf op de ziel zodanig dat zij door deze voorstelling de ondersteunende krachten voor het helderzien ontwikkelt. En die mens merkt dan dat deze naam of verwijzing – zonder dat diegene die het gezegd heeft dat zelf weet – hem ertoe brengt om terug te kijken op vorige aardelevens. Men beleeft dus schijnbaar iets volledig toevalligs maar daar straalt een prikkel van uit voor de helderziende krachten, die men anders maar rudimentair zou ontwikkeld hebben. ( … ) Het terugblikken in vorige aardelevens heeft te maken met relatief gevaarlijke want verlokkende krachten. Daarentegen zal nauwelijks iemand die helderziende krachten ontwikkelt om te kijken naar de periode die de geboorte voorafgaat in verzoeking geraken om deze krachten te misbruiken.
En in de regel zullen het zielen zijn met een bepaalde reinheid, met een bepaalde natuurlijke moraliteit, die tamelijk correct kunnen weergeven wat zich afgespeeld heeft in het geestelijke gebied dat voorafgaat aan het huidig aardeleven. Dat hangt daarmee samen dat het hier gaat om kinderlijke krachten, krachten die men overgehouden heeft van het leren lopen. Het zijn de onschuldigste krachten die de mens in zijn natuur heeft. Dat is dan ook wat de aanblik van een klein kind zo betoverend bevredigend maakt, omdat het kind omgeven wordt door een aura van krachten waarvan het grootste deel gebruikt gaat worden om te leren lopen.
In dit opzicht kan inderdaad voor de helderziende beschouwing het kind wiens gelaat onschuld en wereld-on-ervaring uitdrukt, in zijn aura iets uitdrukken dat waarlijk interessanter is dan wat in de aura van vele volwassenen te zien is.
De conflicten die het in het geestesland doorgemaakt heeft, in de periode vóór de geboorte, en die het lot bepaald hebben, die maken dat wat het kind in zijn aura omgeeft tot iets onmetelijk groots en wijsheidsvol. En de wijsheid die het kind in zijn aura vertoont is waarlijk dikwijls een vele grotere dan de wijsheid die de mens op later leeftijd door woorden vermag weer te geven. De fysiognomie van het kind mag dan wel onbestemd zijn, hij die als helderziende het kind ziet, kan ontzaglijk veel van het kind leren wanneer hij dat wat het kind omspeelt bekijkt met de helderziende blik.

Het is misschien voor de zelfzucht niet zo bevredigend om in de wereld vóór de geboorte te kijken. Voor diegene echter die de totale samenhang van de wereld wil begrijpen is het bijzonder interessant. En wanneer men in de Akasha-kroniek onderzoek doet naar bepaalde figuren uit de wereldgeschiedenis, dan gaat men niet alleen op zoek naar wat zij deden op het fysieke vlak, maar ook naar hoe zij als zielen hun leven in de geestelijke wereld voorbereid hebben.
De krachten echter die – als men ze rein bewaart – toelaten om te schouwen in vorige incarnaties, die worden niet in de kindertijd uitgespaard, maar in de leeftijd van de mens waarop zich het driftmatige ontwikkelt en dikwijls dan nog juist de ergste driften. Deze krachten, die dan ook nog andere opgaven hebben in de menselijke natuur, worden lang na de spraakvormingskrachten ontwikkeld. Zij hebben te maken met wat in de mens als gevoel voor de zinnelijke liefde ontwikkelt en met al wat daarmee samenhangt. Er bestaat namelijk een grote verwantschap tussen de zinnelijke liefde en de spraak, een samenhang die in de mannelijke natuur hoorbaar wordt bij het zwaarder worden van de stem in de puberteit. Het is in deze levensfase dat die bewuste krachten vooral uitgespaard worden. Als ze rein behouden blijven dan kan men ermee in vorige incarnaties kijken. Worden ze niet rein behouden, komen ze in contact met de zinnelijke instincten van de mens, dan kunnen ze de oorzaak zijn van de grootste occulte ondeugden.
Bij helderzienden die veel praten over vorige incarnaties, wat zeer vaak voorkomt, want sommige mensen lopen echt te koop met uitspraken over vorige incarnaties, bij deze mensen moet men op de hoede zijn, meestal is het gewoon onzin. Al te gemakkelijk worden op dit gebied krachten aangetrokken die een verlokking inhouden. Want deze krachten zijn uitgespaard op een leeftijd dat de zinnelijke liefde zich ontwikkelt en waar men nog niet in het uiterlijke sociale leven staat. Dat deze krachten tot veel verderf kunnen leiden, vooral op occult gebied, is omdat ze begoocheling op begoocheling tevoorschijn roepen in het gebied van de geestelijke wereld. Waarom zijn de uitspraken van dergelijke helderzienden zo vaak verkeerd ?
Omdat tezelfdertijd met deze krachten uit de mens als een nevel de lagere driften en instincten omhoogstijgen. En als die opstijgen dan komen Ahriman en de Ahrimanische geesten en die vormen uit dat wat daar opstijgt, spoken (Gespenster) zodat men deze spoken kan zien en ze voor vroegere incarnaties houdt.

Zie in dit verband ook wat Friedrich Rittelmeyer te horen kreeg over zijn vorige incarnatie (hieronder).

Tot slot

Men zou wensen dat in de huidige tijd de geesteswetenschap zo veel mogelijk opgenomen wordt in het gemoed en de ziel van de mensen. Want twee zaken zijn belangrijk.
Ten eerste zien we dat de mensen, zelfs door de grootste verwezenlijkingen van de cultuur, altijd meer en meer materialistisch ingesteld geraken, en dan wordt het duidelijk hoe noodzakelijk de geesteswetenschap voor de mensheid wordt, precies omdat het uiterlijk leven materialistisch maakt.
Geesteswetenschap is het noodzakelijk tegengewicht en zal dat in de toekomst nog meer moeten zijn. Onze cultuur zal altijd meer en meer vooruitgang boeken. Maar zo waar het is dat vele zangvogels vroeger in de streken woonden waar nu de fabrieksschoorstenen staan, zo waar is het ook dat zielegeluk en zielefrisheid en zieleharmonie en zieleleven zouden moeten afsterven onder invloed van de materiële cultuur, indien de geesteswetenschap geen spiritualiteit zou brengen aan de mensenzielen. En dat hoewel wij spoorwegen, vliegtuigen, telefoon enz. nodig hebben, dat wij daar niets moeten op tegen hebben.
Vandaar dat hij die de situatie kent, een diep verlangen naar het verspreiden van de geesteswetenschap moet hebben, want ze is een noodzakelijkheid. Aan de andere kant staat het feit dat wegens deze materialistische cultuur nog nooit de geesteswetenschap zo sterk afgewezen werd, ja zo sterk gehaat werd als juist vandaag.
En deze beide feiten, van de noodzaak en het afwijzen, die staan als twee zuilen voor ons, en wij moeten er doorheen schrijden wanneer we geesteswetenschap in de wereld willen brengen.
Voor ons die proberen om onze ziel voor de geesteswetenschap rijp te maken, staat op ieder van deze zuilen de aansporing : alles te doen wat ons zelf en de mensen die het willen, dichter in contact te brengen met de geesteswetenschap.”

.

Friedrich Rittelmeyer

Door François De Wit

In het oktobernummer van het tijdschrift “Der Europäer” werd er aandacht besteed aan de figuur van Friedrich Rittelmeyer, de protestantse theoloog, antroposoof en mede-oprichter van de Christengemeenschap. Dit jaar is het 70 jaar geleden dat hij overleed (op 23 maart 1938).

Friedrich Rittelmeyer werd geboren op 5 oktober 1872 en ontmoette Rudolf Steiner in 1910. Deze ontmoeting was voor hem lotsbestemmend en toen hij later een boekje schreef over zijn ervaringen met Rudolf Steiner noemde hij het : “Mijn levensontmoeting met Rudolf Steiner”.
Uit dit werkje kon u al een uittreksel lezen in De Brug 26. We lezen in dit boekje ook over zijn eerste gesprek met Rudolf Steiner. Tamelijk oneerbiedig stak Rittelmeyer van wal : “Uw occulte inzichten interesseren mij weinig. Ik heb in het religieuze mijn voornaamste werkterrein en daar zie ik oneindige opgaven voor mij. Daarbij heb ik geen talent voor het occulte gebied en ik vrees dat ook mijn zenuwstelsel daarvoor te zwak is. Maar ik wou u graag iets vragen ….”
Zo begon het gesprek. Rudolf Steiner antwoordde rustig op zijn vragen. En dan, zegt Rittelmeyer, vroeg hij plotseling : “Waarom zegt u eigenlijk dat u geen talent hebt voor occulte zaken ? Ik wilde het u al eerder zeggen : u hebt daar in feite goede aanleg voor.” En hij kreeg al direct vier raadgevingen voor occulte oefeningen terwijl hij in feite een antwoord wilde op een vraag naar de verdere ontwikkeling van de mens. De raadgevingen leken hem nogal zonderling. Rudolf Steiner :
“Het lijkt u vreemd nietwaar, maar toch zijn ze juist.”

Dit waren voor Friedrich Rittelmeyer de eerste stappen op de antroposofisch-meditatieve weg. Hij had inderdaad een groot talent voor het occulte en later had hij meermaals de gelegenheid om met Rudolf Steiner te praten over de occulte inzichten die hij zelf gevonden had. Op eigen kracht kon hij drie vorige incarnaties van zichzelf achterhalen, en Rudolf Steiner bevestigde achteraf dat ze juist waren.

Uit “Der Europäer” : Rudolf Steiner maakte hem er attent op hoe belangrijk het is te letten op wat men zgz. toevallig door iemand anders hoort (hierover meer in het vorig artikel in deze Brug). En in dat verband gaf hij hem praktische aanwijzingen over hoe men het onderscheidingsvermogen kan ontwikkelen wanneer het gaat om karma- en reïncarnatievraagstukken.
Er was toen in de Antroposofische Vereniging iemand met mediumistische vermogens en die vertelde aan Rittelmeyer dat hij in een vroegere incarnatie paus Alexander VI was geweest.
Dat was waarschijnlijk de meest decadente paus in gans de kerkgeschiedenis. Men kan zich voorstellen wat een effect deze mededeling op Rittelmeyer had. In zijn niet-gepubliceerde herinneringen bericht hij daarover :

“Toen ik dit, met nog andere dingen die de betreffende persoon mij gezegd had, aan Dr. Steiner vertelde, scheen hem dat een beetje te amuseren. “Niet slecht”, zei hij monkelend. Wie iets weet over paus Alexander Borgia, zal verstaan dat mij dat helemaal niet geruststelde.
“Herr Doktor”, zei ik, “maar dat klopt toch niet met al wat wij tot hiertoe over vroegere incarnaties van mij besproken hebben.”
“Nee”, zei hij, “dat u die persoonlijkheid zou zijn geweest, dat klopt niet. Maar die heeft wel met u een gesprek gehad in de geestelijke wereld.”
Dan sprak hij nog over astraalcomplexen – spijtig genoeg heb ik de juiste uitdrukking in de opwinding van het ogenblik niet precies onthouden- waardoor personen die mediaal begaafd zijn, op een vals spoor gezet worden. Rudolf Steiner wees hier op het vaak optredende fenomeen dat dergelijke, meest voorgeboortelijke ontmoetingen met een persoonlijkheid in het astraal lichaam ingeweven worden als astraal complex of astrale flard, en mediaal begaafde personen kunnen dat waarnemen. Bijna iedereen van ons heeft een of meerdere dergelijke flarden in zich. Wanneer men die flarden of astraalcomplexen helderziend schouwt, dan komt het erop aan op de juiste manier te interpreteren, en, behoedzaam tot een conclusie te komen. Anders komt men gemakkelijk tot “oordeelskortsluitingen”, zoals in bovenvermeld geval.”
Over een andere bron van verkeerde interpretaties las u reeds op blz. 7 in deze Brug.
Thomas Meyer, de hoofdredacteur, voegt toe :

- Wanneer men zich wat verdiept in de tegenwoordig populaire reïncarnatietherapieën en aanverwante esoterische praktijken, dan treft men daar in de regel alleen zulke verkeerde interpretaties aan.
Het onbevangen en voorzichtige zoeken van Rittelmeyer om een zuiver inzicht zonder drogbeelden te bereiken mag ons hier tot voorbeeld strekken.
- De geestelijke ontmoeting met een dergelijk decadente paus van de Roomse kerk zal in Rittelmeyer de impuls tot het oprichten van een nieuwe kerk (de Christengemeenschap) mee losgemaakt of tenminste versterkt hebben.

. Thomas Meyer vestigt dan onze aandacht op een boekje van Friedrich Rittelmeyer dat spijtig genoeg niet meer verkrijgbaar is en dat ook in het Nederlands vertaald werd :
“Reden und Ausätze über die sieben ‘Ich bin’-Worte des Johannesevangeliums”
Hij schrijft daarover :
“In dit werkje betoogt Friedrich Rittelmeyer dat de zeven Ik-ben-uitspraken op zich een samenhangend geheel vormen, een spiritueel organisme. Rittelmeyer ontdekte een samenhang tussen de zeven Ik-ben-uitspraken en de zeven sacramenten, een samenhang die door Rudolf Steiner bevestigd werd.
Friedrich Rittelmeyer beschouwde iedere Ik-ben- uitspraak als een geneesmiddel, een ‘geneeskrachtig kruid’ a.h.w. tegen één van de zeven Ik-ziektes. Volgens hem zijn die

Ik -eigenliefde
Ik-vrees
Ik-verkramping
Ik-zwakte
Ik-verstarring
Ik-verarming
Zelfzuchtig-koppige Ik-verharding

We kunnen ons de vraag stellen : wie van ons is vandaag de dag eigenlijk niét aangetast door één van deze zeven Ik-ziektes ? Of ook : kan een mens misschien aan al deze ziektes tegelijk lijden ? Ligt hierin de sleutel tot de metamorfose van Maria Magdalena, de zuster van Lazarus ? Het waren toch zeven demonen die uit haar dienden uitgedreven te worden ! (Luk. 8-2, Marcus 16-9)

De overeenkomstige genezende Ik-ben-uitspraken luiden zoals bekend :

Ik ben het brood des levens
Ik ben het licht van de wereld
Ik ben de deur
Ik ben de goede herder
Ik ben de opstanding en het leven
Ik ben de weg, de waarheid en het leven
Ik ben de ware wijnstok

Wie zich laat inspireren door Rittelmeyers beschouwingen zal misschien met andere ogen naar de Ik-ben-uitspraken kijken die het verhaal van Lazarus omkaderen :
“Ik ben de goede herder” en “Ik ben de opstanding en het leven”

Lazarus is niemand anders dan de rijke jongeling, die a.h.w. uit het niets op Christus toetrad en hem vroeg naar de voorwaarden om het eeuwige leven te bereiken. Alle aanwijzingen van de heilige schriften en de joodse traditie had hij nageleefd. Dan vroeg Christus van hem dat hij nog een laatste zou doen : al zijn rijkdom wegschenken. Maar dat kon hij niet opbrengen. En zo trok hij zich bedroefd terug.
In de zin van de zeven Ik-ziektes kunnen wij zeggen : Ik-zwakte (hier evenwel als voorbeeld voor de mensheid opgevat, niet in triviaal-uiterlijke zin) was het gevolg en Ik-verstarring leidde Lazarus naar de dood. Van beide ziektes werd hij door Christus genezen tijdens de opwekkingsdaad.
Wanneer we het Lazarus-verhaal bekijken in het licht van de betreffende Ik-ben-uitspraken, dan kan zich ook iets openbaren van het compositiegeheim van het Johannes-evangelie.
Want het zal geen toeval zijn dat dit verhaal verteld wordt binnen het organisme van de Ik-ben-uitspraken en evenmin is het toevallig welk Ik-ben-woord eraan voorafgaat en hetwelk de inleiding tot de opwekking vormt. Het ganse evangelie bestaat uit 21 hoofdstukken. De zeven Ik-ben-uitspraken zijn verspreid over de helft van deze hoofdstukken, en wel over de tien middelste, waarin ook het Lazarus-gebeuren plaatsvindt. De eerste vijf en de laatste zes hoofdstukken bevatten geen Ik-ben-uitspraken.
Terwijl het verhaal van Lazarus alleen in het Johannes-evangelie terug te vinden is, vinden we daar niet de vertelling van de rijke jongeling. Die lezen we wel in de drie andere evangelies. Ook dat is een compositiegeheim, maar niet alleen binnen één evangelie, maar binnen de vier evangelies. De drie synoptische evangelies beschrijven aldus het uitgangspunt en de reden van de ziekte van Lazarus, het Johannes-evangelie beperkt zich tot de ziekte zelf en de opwekking. Dit voorbeeld toont dat de vier evangelies elkaar niet tegenspreken maar integendeel vervolledigen.”

Uit Friedrich Rittelmeyers niet-gepubliceerde herinneringen :

Toen ik Rudolf Steiner vroeg of er inderdaad een samenhang bestond tussen de zeven sacramenten en de zeven Ik-ben-uitspraken in het Johannes-evangelie, bevestigde hij dit, zichtbaar verheugd. Maar ook over een verband tussen de zeven sacramenten en de zeven Christuswerken in het Johannes-evangelie sprak ik hem eens. Ik was namelijk niet zeker of het verband dat ik dacht gevonden te hebben tussen het sacrament van de doop en de bruiloft te Kanaä, toch niet het product was van een zuiver intellectueel nadenken. Maar Dr. Steiner zei : “Nee, het klopt, zelfs in die mate dat ook bij de doop alcohol in het lichaam wordt gevormd.”

In het jaar 1919 sprak Dr. Steiner mij aan : “Ik heb de indruk dat het niet lang meer zal duren dat u het Mysterie van Golgotha dieper zult begrijpen !” Verklarend voegde hij eraan toe : “Men kan denken dat men het verstaat en toch niet echt verstaan, of het toch nog beter leren verstaan.”

Op mijn vraag of het werkelijk de levende Christus is die ik altijd meen te ervaren, zei hij categoriek zonder enige aarzeling : “Ja”. Hetzelfde antwoordde hij toen andere antroposofen hem een beetje twijfelend vroegen of de Christus over wie Dr. Rittelmeyer hun sprak, dezelfde was over wie Dr. Steiner sprak.

. Wat me ooit geweldig geschokt heeft was toen Rudolf Steiner vertelde dat het dikwijls buitengewoon moeilijk is om Christus van Lucifer te onderscheiden.
En zo vroeg ik of er toch geen onmiskenbaar teken bestaat waaraan men kan zien of een Christuservaring werkelijk van de Christus uitgaat. Daarop antwoordde hij :
“ Christus is de zuiverste onzelfzuchtigheid. Alleen daaraan kan men Hem herkennen.”

Als de dag waarop men de nabijheid van de Christus bijzonder kan ervaren noemde hij de donderdag. ( Waarschijnlijk legde Rudolf Steiner daarom het wekelijkse lerarenoverleg in de Waldorfschool op donderdag, de Jupiterdag, de dag van de volgende Aarde-belichaming – Th. Meyer)

Op mijn vraag wat een mens kan doen om zich voor te bereiden op een Damascus-achtige Christuservaring antwoordde hij : “Dat is pas mogelijk wanneer men de Christus beleeft in de kringloop van het jaar. (Vandaar het belang van de weekspreuken als meditatie – fdw).

Over het onderscheid tussen de Christus en de Logos : Dr. Steiner verklaarde eenduidig dat Christus de hoogste is van de Zonnehiërarchie, dat men Hem echter moet onderscheiden van de tweede persoon van de Godheid, de Logos. Die staat boven Hem of, zoals men ook kan zeggen : achter Hem. Achter ieder van de drie hiërarchie-groepen staat een persoon van de Godheid. Christus sprak altijd, wanneer Hij het over de Vader had, met bijzondere eerbied. Maar daarmee werd niet Jahwe bedoeld, hoewel de joden het zo begrepen hebben. Met Jahwe zou Christus zich hebben geïdentificeerd. Jahwe behoort eveneens tot de Zonnehiërarchie, d.i. de hiërarchie van de Elohim of de Exousiai, niet echter de Vader-God achter Christus, met wie Christus zich identificeerde in de zin van de woorden : “Ik en de Vader zijn Eén” (Joh. 10-30).

Uit “Meine Lebensbegegnung mit Rudolf Steiner” :

Terug verliep een half jaar met het rustig bestuderen en praktisch toetsen van de antroposofie vooraleer ik Rudolf Steiner terugzag. Dat was toen ik van Zwitserland terugkeerde naar Stuttgart. Wat vooral in mijn herinnering is blijven hangen, is een gesprek over het Johannes-evangelie. Op een bepaald ogenblik zei ik dat het verheerlijkend karakter van het Johannes-evangelie onder meer daardoor zichtbaar wordt, dat er tijdens de afscheidsgesprekken van Christus overal op de plaats waar men het woord ‘dood’ zou verwachten, dat daar ‘Vader’ staat.
Rudolf Steiner keek mij geïnteresseerd aan :
“Hebt u dat ontdekt ? Ikzelf heb een veel langere occulte weg moeten gaan om dat te vinden. Nu ja, men ziet het dan ook nog anders. Maar het is dus zeer wel mogelijk om dergelijke waarheden langs een zuiver religieuze weg te vinden.”

. In die jaren droomde ik eens dat ik Dr. Steiner vroeg : “Welke zijn eigenlijk uw vroegere incarnaties ?”
Hij antwoordde : “Pythagoras en Menander.”
Toen ik ontwaakte stond deze gebeurtenis nog levendig voor mijn geestesoog. Ik vroeg mij af of er een grond van waarheid kon inzitten. Pythagoras, dat zou kunnen kloppen, hoewel ik tot hiertoe niet bewust aan die mogelijkheid gedacht had. Maar Menander ? Wie was dat ? Ik sloeg er een encyclopedie op na en vond dat er in de oudheid twee Menanders bekend waren, een komedieschrijver en een redenaar. Maar ze leefden alle twee in de tijd zo dicht bij Pythagoras dat zoiets niet goed kon overeenstemmen met andere antroposofische inzichten (bvb. omtrent de duur tussen twee incarnaties - fdw). Misschien ging het wel over koning Milinda, die ooit met Boeddha een gedenkwaardig gesprek had.
Enkele weken later had ik gelegenheid om met Dr. Steiner te spreken. Ik vertelde hem over mijn droom. Hij informeerde eerst naar het tijdstip waarop ik die droom had gehad en ik beschreef dat zo nauwkeurig mogelijk. “Met mijn incarnaties heeft dat niets te maken”, zei hij, “maar ik heb mij die nacht intensief bezig gehouden met Pythagoras en Menander, en niet alleen wetenschappelijk.”
“Welke Menander was het dan ?” vroeg ik en was benieuwd of Dr. Steiner ze alle twee zou kennen, terwijl ik ze pas uit de encyclopedie had leren kennen.
“Het is de taalonderzoeker. Ik was juist aan ’t worstelen met een taalprobleem en toen zocht ik aansluiting bij hen.”

Zo’n kleine anecdote moet ons aan het denken zetten : het is belangrijk om in te zien hoe gemakkelijk in dergelijke geestelijke ervaringen dwalingen insluipen. Want klaarblijkelijk was de reële geestelijke indruk : Steiner – Pythagoras – Menander. Maar vooraleer deze indruk zuiver kon optreden, sloop daar al de vraag naar vroegere incarnaties tussen. Maar deze laatste kwam uit een nieuwsgierige interessesfeer die onbewust in mij leefde. Het was juist deze sfeer die maakte dat de indruk sterk genoeg werd om door mijn bewustzijn gespiegeld te worden. Toen ik achteraf alles reconstrueerde, dan kon ik duidelijk het verschillend geestelijk karakter van de beide sferen onderscheiden, de interessesfeer en de objectieve sfeer.
Aldus had ik een eerste maatstaf verworven om echte geestelijke ervaringen van valse te onderscheiden.

Zeven jaar vóór de oprichting van de Christengemeenschap zag ik mijzelf in een droom, hoe ik een hoge berg besteeg. Ik bleef een ogenblik staan en ik zag aan mijn linkerkant een door mensen bewoonde plek. Het was de Johannes-Müller-parochie. De weg had mij in die richting geleid, maar hij leidde er niet naartoe, maar aan voorbij. Rechts moest ik de berg omhoog, dat wist ik, en toen ik al wat verder en hoger geraakt was, keek ik met medeleven terug op de Johannes-Müller-parochie. Helemaal boven op de berg – ik zie het vandaag nog vóór mij – stond een kerk met een steil omhoog priemende toren. De kerk was door Rudolf Steiner gebouwd. De weg was niet gemakkelijk, maar ook niet al te zwaar. Na even gekeken te hebben zette ik mij rustig in gang en ging voort op deze weg.
Merkwaardig toch dat in zo’n droom de verre toekomst al zichtbaar werd, waarvan ik op dat moment nog niets kon weten.”

Zeven jaar later dus richtte Friedrich Rittelmeyer samen met anderen onder de impuls van Rudolf Steiner de Christengemeenschap op. .

Ik ben de deur

Door François De Wit

Uit het bovenvermelde boek van Friedrich Rittelmeyer, “Reden und Ausätze über die sieben ‘Ich bin’-Worte des Johannesevangeliums”, vertaalden we het hoofdstuk dat gaat over de Christusuitspraak “Ik ben de deur”. We vinden deze uitspraak in het Johannes-evangelie na het verhaal over de blindgeborene, in het tiende hoofdstuk, 1-10 :

1 Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.
2 Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapen.
3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit.
4 En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, vermits zij zijn stem kennen.
5 Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; vermits zij de stem des vreemden niet kennen.
6 Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
7 Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.
8 Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.
9 Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden.

“Maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak” – het is inderdaad geen gemakkelijk te begrijpen beeld. Friedrich Rittelmeyer geeft hieronder zijn interpretatie en dat maakt alles opeens klaar en duidelijk. Hij begint zijn uiteenzetting met een gedicht van Herman Hesse :

.

Seltsam im Nebel zu wandern !
Leben ist Einsamsein.
Kein Mensch kennt den andern,
Jeder ist allein.

Wahrlich, keiner ist weise,
Der nicht das Dunkel kennt,
Das unentrinnbar und leise
Von allen ihm trennt.

Omdat het niet zo gemakkelijk is een gedicht te vertalen, zochten wij een gedicht in het Nederlands dat ongeveer hetzelfde gevoel weergeeft. We vonden dat bij Jan van Nijlen (Antwerpen,1884 – Ukkel,1965). Dit gedicht, en onze vertaling van het bovenstaande kunt u op ’t einde van dit artikel lezen.
Friedrich Rittelmeyer vertrekt dus van de melancholische stemming die de dichter verwoordde.

“Uit deze verzen van Herman Hesse spreekt de ganse zwaarmoedigheid van de eenzame, van de eenzaamheid die de mens voelt midden in de bontbewegende mensenzwerm. Het is veelbetekenend dat het een Zwaab is die deze levensstemming heeft uitgesproken.

Schwabe : inwoner van het gebied Baden-Württenberg, door andere Duitsers beschouwd als een conservatief, gierig, bijna achterlijk volkje, ongeveer zoals men bij ons vroeger over Limburgers sprak.

Want nergens in de wereld werd de grootsheid, maar ook de nood van de Ik-eenzaamheid dieper beleefd dan in de Zwabische ziel. En wellicht heeft nooit iemand die nood van de menselijke eenzaamheid een meer schokkende uitdrukking gegeven dan terug een Zwaab : Christoph Schrempf, in een van zijn vroege religieuze geschriften. Daar zegt hij : ieder is alleen; hij gelooft dat hij de ander begrijpt omdat die dezelfde taal spreekt. En het doet goed aan het hart, de eigen streektaal. Maar mettertijd bemerkt de mens dat de ander met dezelfde woorden totaal andere gevoelens, totaal andere levensherinneringen verbindt. Het is een wenken over afgronden die nooit overbrugd kunnen worden. Huiverend deinst de mens terug voor de omgang met anderen wanneer hij dat begint te ontdekken. Gevangen en betoverd voelt hij zich in zijn Ik-kooi, midden in de luide menigte van zijn levensgenoten. Dat alles, zo besluit Schrempf, is er alleen maar daarom opdat iedere mens slechts één zou hebben door wie hij zich volledig begrepen voelt, één enkele, en dat is God.
( … )
Zijn wij er werkelijk toe veroordeeld in ondoordringbare eenzaamheid naast onze medemens door het leven te gaan, altijd op zoek naar begrip en dat begrip nooit te kunnen vinden ? Maar slechts schijngebaren naar elkaar te maken, ieder vanop zijn kant van de afgrond, terwijl toch in ieder het verlangen naar echte gemeenzaamheid leeft ?
Het is waarschijnlijk zo, een waarheid, dieper dan de lichtvaardige alledaagse levensleugen alsof men ieder mens zou verstaan die met ons dezelfde taal spreekt.
Maar daarachter steekt nog een andere waarheid, die nog veel dieper is. Een deur naar de andere mens bestaat, evenwel maar één en geen ander, dat is Christus. En het komt erop aan dat wij dat heel duidelijk zien. Dit heeft Hij gezegd in één van die uitspraken die in de Bijbel staan, gehoord en toch onbegrepen, de runetekens, die beelden zijn voor hem die er passeert, die als een geheimtaal wachten op hen die eens zullen komen en ze werkelijk kunnen lezen. Dat is de uitspraak : “Ik ben de deur tot de schapen !”
Wat betekent deze uitspraak ?

Vooreerst moeten wij ons voor ogen houden : Christus is de allerzuiverste onzelfzuchtigheid, en slechts in die mate zijn wij in het rijk van Christus dat we binnentreden in de sfeer van de allerzuiverste onzelfzuchtigheid. In de allerzuiverste onzelfzuchtigheid al was het maar 1 keer naar een mens luisteren – Ik weet niet hoevelen onder ons dit geluk al eens ten deel is gevallen. Misschien geen enkele. Wie het echter doet, die weet dat in de diepte van ons menszijn zo veel leeft dat de ander kan verstaan, ook de ander die compleet van ons verschilt, zodat wij onmogelijk nog de weemoedig-zware woorden over de oneindige Ik-eenzaamheid kunnen uitspreken.
Het is en blijft natuurlijk waar dat ook de meest vertrouwde mensen, ook na een lang en vervullend huwelijk voor elkaar nog altijd een verhuld geheim blijven. En daarop, dat ze dat desondanks blijven, berust de ondoorgrondelijke en altijd nieuwe aantrekkingskracht van het menselijk samenzijn.
Maar diep in ons menszijn zijn wij met iedereen verbonden, en het behoort tot het hoge geluk van het leven dat ons op aarde beschoren is wanneer wij dit mogen ervaren.
Men begint het te ervaren op het ogenblik dat men voor de eerste keer vanuit oprechte onzelfzuchtigheid de ander in zijn ziel binnenlaat. Op dat ogenblik begint de ontdekking van de mens.

“Onontdekt is altijd nog mens en mensen-aarde” – het was een verlicht moment toen Nietzsche dit woord uitriep. Welke overvloed van levensrijke ontdekkingen zou zelfs de eenvoudigste mens niet kunnen doen wanneer hij maar zijn Zelf wat meer het zwijgen kon opleggen als hij met een ander te doen heeft. Daar hebben de meeste mensen zelfs geen vermoeden van. Daar komen kinderen en ze brengen ons hun frisheid, dragen hun onverbruikte jeugd zelf in onze ziel binnen, zodat wij voortdurend zouden willen glimlachen van blijdschap wanneer we met hen samenzijn, zelfs wanneer ze geen enkel verstandig woord spreken.
Daar komen de ouden van dagen en brengen ons hun levenservaring, hun verborgen levenswijsheid, eenvoudigweg door hun bestaan, zelfs wanneer wij met geen enkele van hun opvattingen kunnen instemmen. Daar ontmoeten we mensen met wie we zielsverwant zijn en die ons de onbeschrijflijke weldaad laten genieten te kunnen ervaren dat mensen vanuit totaal verschillende levensomstandigheden elkaar toch zeer nauw aan het hart kunnen liggen, en gemeenzaamheid stroomt vrolijk en wonderbaar tussen ons over en weer.
Daar zijn ons wezensvreemde mensen die juist daardoor ons totaal andere levensmogelijkheden en verre zielsgebieden laten kennen. Wij komen mensen tegen die hoger staan dan wijzelf en die ons, als wij ons niet gekwetst voor hen afsluiten, ook dan niet wanneer ze ons hun overwicht laten voelen, ons kunnen schenken uit de overvloed van hun geest en ons voorwaarts brengen op onze weg. En dan ontmoeten wij bescheiden mensen die ons juist door hun eenvoud veel tegemoet stralen dat ons weer op een andere manier zegent.
De mensen zijn nog maar nauwelijks begonnen zich erover te verblijden dat ze met elkaar en voor elkaar op aarde zijn. Zij hebben nog maar nauwelijks de vreugde gesmaakt om de mens te ontdekken.
Indien zelfzuchtige mensen wisten wat ze zichzelf ontzeggen door zich in hun zelfzucht in te kapselen en van anderen af te sluiten, dan zouden ze uit louter zelfzucht beginnen om niet meer zelfzuchtig te zijn. Maar hoe is vandaag nog het leven van de mensen op aarde ? Wanneer we met de trein een grote stad binnenrijden, dan hebben we vaak de gelegenheid om langs de achterkant der huizen binnen te kijken, en dan zien we hier en daar een familie gemoedelijk aan tafel zitten in de schijn van het lamplicht. We voelen in de diepte van onze ziel wat vrede en familiegeluk kan zijn. Maar indien men zou kunnen horen waarover die mensen het daar met elkaar over hebben, die men daar zo gemoedelijk samen ziet zitten, dan zou men misschien kunnen ervaren dat ze al een kwartier aan het ruziemaken zijn over het zoutvaatje op tafel.
Zo zijn de mensen. Ze vermoeden niet hoe heerlijk ze het met elkaar kunnen hebben : een dagelijks nieuw altijd weer zich verblijden aan elkaar. En ze gedragen zich als twee folterknechten die in één cel opgesloten zitten. De weg tot de mensheid - die niet alleen bestaat uit een aantal mensen – is Christus, de allerzuiverste onzelfzuchtigheid.
Laat ons eens navoelen wat wij tot hiertoe besproken hebben in de zin van het Christuswoord dat Hij op het einde van Zijn leven gesproken heeft :

want zij zijn Uw.
En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt.
(Joh. 17-9)

In de richting van deze gezindheid, daar ligt het mensenrijk, daar wacht op ons de mensengemeenschap. Maar reeds op de weg daarheen, welke ontdekkingen kan men daar al niet maken ? Daar doet bvb. Christus, juist daar waar Hij spreekt over “Ik ben de deur”, een vreemde uitspraak :

Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord. Dat is een hard woord, zal men zeggen, wie kan het aanhoren ? (Joh. 6-60)
Ligt daar niet de kiem van al het latere fanatisme en de intolerantie die dan de christenheid heeft geteisterd ? Ook van al het ‘Coge intrare’ –dwing ze in te treden- dat in de Middeleeuwen tot de donkerste inquisitie, tot folter en verbranden der ketters heeft geleid ?
En toch is het het lichtste en meest vanzelfsprekende woord wanneer men het goed verstaat. Men hoeft alleen maar op de plaats van het woord “Christus” te zetten : de allerzuiverste onzelfzuchtigheid. Allen die niet door de zuiverste onzelfzuchtigheid tot de mens komen, zijn dieven en rovers.
Men kan werkelijk, als men zich inspant om langs de wegen van deze Christusgezindheid te gaan, een fijngevoel ontwikkelen, een taktgevoel vanuit het hart dat verbiedt om ook maar het geringste van een ander mens te weten te willen komen, tenzij vanuit de zuiverste onzelfzuchtigheid. Wanneer men de ander iets vraagt uit nieuwsgierigheid, dan kan men zich als een inbreker voelen die iets neemt wat hem niet toebehoort. Iets dat van de ander is neem ik dan, uit zelfzucht. Ja, als de ander mij iets vertelt en ik luister naar hem en ik maak mij stilletjes vrolijk over hem, dan kan ik voelen dat ik een misdaad aan hem bega.
Dat zijn geen overdreven gevoeligheden of moreel-idealistische overdrijvingen. Dat is gewoon de juiste takt van het hart, en die in de grond alleen is het die een ware mensengemeenschap kan tot stand brengen.

En wanneer wij deze Christuswenken niet ernstig nemen, dan zullen andere tijden en andere volkeren dat doen. Het kan ons diep aangrijpen wanneer we van Mahatma Gandhi lezen, de grote leider van Indië in de bevrijdingsstrijd, hoe hij het Indische volk tot een morele hoogte probeerde te brengen. Diefstal is het, zo zei hij hen, wanneer men meer verbruikt dan men nodig heeft. Heeft hij geen gelijk ?

Hier past een klein intermezzo : het lijkt erop alsof het Westen ondertussen tot inkeer is gekomen en christelijk is geworden omdat men tegenwoordig langs alle kanten om de oren geslagen wordt met lamentaties over het energieverbruik, over onze ecologische voetafdruk enz. We moeten bedenken dat ook de duivel uit de Bijbel citeert als het in zijn kraam te pas komt. De huidige energie- en besparingsdogma’s dienen een verborgen Ahrimanische agenda. Let maar even op al de ecologische of besparende alternatieven die gepresenteerd worden : allemaal brengen ze nog meer productie te weeg, hetzij industriële productie hetzij productie van reglementering en wetteksten. Het is een zuiver Farizeïsch gedoe. De grootste predikers van milieumaatregelen verbruiken tientallen keren meer dan een arme Hindoe, maar dat kan want … ze hebben het geld om Kyoto-certificaten te kopen !


Dat hadden wij moeten zeggen, wij Christenen, wij die door Christus zelf de ware moraal hebben zien onthullen, wij aan wie Christus de geest van de Bergrede gegeven heeft. Wij hadden het niet een Hindoe moeten laten zeggen. Christus had weer eens kunnen zeggen : Zo’n geloof heb ik in Israel, heb ik in de christenheid niet gevonden.
(Verwijzing naar Mat. 8-10, over de honderdman die tot Christus kwam)
Het zal wel zo zijn : wanneer wij na de dood terugkijken op ons tegenwoordig leven en op al de gesprekken die wij in de gewone menselijke gezelschappen gevoerd hebben, en wanneer wij dan vanuit een hogere wereld objectief beleven wat daar in feite gebeurd is, dan zullen wij schrikken van de hoeveelheid slechte gevoelens en gezindheden t.o.v. andere mensen die wij op slechts één uurtje zogezegd gezellig samenzijn hebben uitgestrooid. Dat is waar. Onze weg is bezaaid met misdrijven, dat zullen wij in de andere wereld waarnemen en dat kunnen we nu reeds zien wanneer in ons het juiste fijngevoel zich begint te ontwikkelen.
Allen zijn dieven en rovers die op een andere weg in de mensenziel binnengaan dan door Christus. Alleen mag men niet geloven dat men daarbij uitdrukkelijk aan Christus moet gedacht hebben. Niet : aan Christus denken, maar : in Christus zijn, daar komt het op aan, dat wil zeggen : in de zuiverste onzelfzuchtigheid zijn. Het is ook zeer letterlijk waar : de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Waar de mensen in een ander werkelijk echte onzelfzuchtigheid beginnen gewaar te worden, dan beginnen zij ook pas om zich open te stellen, verlost, alsof ze op dit ogenblik gewacht hebben. Deze stem horen ze. Al wat vanuit onze zelfzucht tot de mens spreekt, dat wordt in het diepste van hun ziel nooit gehoord. Dit diepste van de ziel begint maar te luisteren wanneer het de stem van Christus verneemt, de stem van de zuiverste onzelfzuchtigheid. Werkelijk, het met-elkaar van de mensen begint pas wanneer deze Christuswaarheden beginnen te dagen.

Maar, zo zou iemand terecht kunnen vragen, is het niet gevaarlijk om zo onzelfzuchtig onder de mensen te willen leven ? Verliest men dan zichzelf niet ?
We kennen toch allemaal vrouwen die zich een leven lang totaal onzelfzuchtig hebben opgeofferd voor anderen zodat ze op ’t einde helemaal leeggezogen zijn en zichzelf niet meer kunnen vinden wanneer er geen beroep op hen meer wordt gedaan. Ze brengen hun laatste dagen door met een gekwelde en verscheurde ziel. Slachtoffers van de veelgeprezen christelijke naastenliefde en zelfopoffering.
Zo wordt dan misschien gedacht. Maar : wij moeten nog veel dieper indringen in het Christuswoord wanneer we het goudgehalte werkelijk willen ontdekken. Het is namelijk maar een halve waarheid dat Christus de zuiverste onzelfzuchtigheid is. Hij is tegelijk ook de allerhoogste Ik-kracht.
Ik Ben – dat straalt altijd weer doorheen het Johannes-evangelie, zo sterk, zo licht, zo zuiver, met alle innerlijke kracht en zonder eigenliefde. We kunnen ons niet anders voorstellen dan dat het zo ook al in de ogen van Christus gestraald heeft. Daar keken de mensen naar op als naar de zon. Maar deze zon verblindde niet als de zon aan de hemel. Zij vermaande de mens niet op gebiedende toon : Weg van deze wereld van licht ! Nee, deze zon straalde als ziel, maar als een ziel die volledig zon is.
Hoe terughoudend de evangelisten ook over alle innerlijke belevenissen spreken, toch zien we het duidelijk genoeg doorheen de evangeliën : de enen sloegen de ogen neer wanneer zij in de ogen van de Christus keken en weken terug. De anderen sloegen de ogen op, de innerlijke ogen der ziel, die altijd dromend rusten tot het uur komt dat er eindelijk iets te zien valt. Dat is de Christuswerking.
En zo moet ook de Christus in ons werken.
En dat zou Hij ook doen, ware het niet dat wij slechts met matte onzelfzuchtigheid onder de mensen zijn, in plaats van met sterke overgave.

( … ) Onze religieuze opdracht in Midden-Europa staat groot en manend voor ons. Aan de ene kant het Westen, vooral Amerika, dat zich opmaakt, ook religieus, een veel sterkere invloed uit te oefenen dan de meesten zien. We kunnen rustig het goede erkennen dat van daar komt. Maar we moeten ook zien : daar leeft het Ik in een soort aarde-laag, in een egoïstische aardedichtheid die niet thuishoort in de ware sfeer van de geest.
We zullen ons in de toekomst krachtig moeten verzetten tegen al het egoïsme in de religie, genade-egoïsme, zaligheids-egoïsme, dat ons sowieso al gemakkelijk verleidt, maar dat in Amerika vooral gekoesterd wordt in alle mogelijke sekten en religieuze verenigingen en stromingen, tot Christian Science en ernstige Bijbelvorsers toe.
Totaal anders het Oosten. Men moet maar eens een boek ter hand nemen als bvb. ‘De weg naar volmaaktheid’ van Rabindranath Tagore. Daar horen wij volledig andere klanken. Het Ik is het, zo klinkt het daar, van waaruit al onze nood, onze tweedracht, onze ellende komt. De ziel is het die moet gewekt worden. Maar dat zijn tonen uit het verleden, hoe verleidelijk ze ook mogen klinken. Het Ik wil niet verloochend en vernietigd worden, maar wil verlost en opgewekt worden.
Daar, in het Westen, het Ik, maar aarde-zwaar. Hier, in het Oosten, de ziel en überhaupt geen Ik. Daar te sterk in de aarde. Hier te snel van de aarde weg. Tussen beide in moeten wij het Johannes-tijdperk verwezenlijken.

( … ) Op zijn sterfbed zou president Wilson gezegd hebben : ik ben een onbruikbaar geworden machine. Aan een dergelijke uitspraak kan men tot zijn schrik zien in welke hoek het moderne leven de mens wil dringen. Wij zullen met de ontstellende on-geest die zich in zulke woorden openbaart niet kunnen afrekenen door goede wensen of met stille gedachten, maar alleen doordat Christus opgericht wordt als de deur.
Ik ken een leraar die ooit eens bij het binnengaan van zijn klas de woorden te binnenschoten :
Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven (Joh. 17-6)
Sindsdien kwam het hem voor alsof dit woord de deur was waar hij door moest en waar alleen hij door mocht om tot zijn kinderen te gaan.
Maar niet alleen tot de kinderen moeten wij door deze deur, maar – ik spreek stout – zelfs de deur tot onze werkplek, waar we met andere mensen samen onze dagtaak volbrengen, zou Christus moeten zijn.
Het gaat niet beter worden op aarde als er geen mensen komen die een dergelijk Christuswoord ernstig nemen en die vastbesloten zijn alles te doen en alleen maar dat te willen wat hen daarin verder brengt : Christus op aarde laten werkelijkheid worden.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


Het gedicht van Herman Hesse :

Vreemd, te wandelen in mist zo dicht
Leven is eenzaam
Wie kent de ander z’n gezicht
Voor elk is het: alleen gaan.

Waarlijk, wijs is geen mens
Die niet het donkere verstaat
Die onontkoombare zachte grens
Die tussen hem en alle anderen staat.

.


Eenzaamheid (Jan van Nijlen)

De mens is eenzaam tot en met zijn dood.
Nooit is één liefde, nooit één vriendschap klaar,
En, zelfs geboren uit dezelfde schoot,
Zijn wij nog vreemden voor elkaar.

Wat weet ik van mijn zuster en mijn vader,
Wat van mijn moeder en mijn eigen kind ?
En is mijn vrouw mij altijd zoveel nader
Dan de arme meid voor ’t eerst bemind ?

Nooit kan een hart een ander overwinnen;
Van lief tot minnaar en van mens tot mens
Kunnen wij nooit geheel volmaakt beminnen :
Er is altijd een kloof, een grens.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*





.

Karel de Grote

Door François De Wit

In 1964 waren de meeste lezers van dit tijdschrift jong en nog geen antroposoof. Dus mochten ze rustig naar populaire liedjes luisteren en zich verlustigen in de hitparade. In dat jaar zong France Gall een tamelijk geschiedkundig lied over Karel de Grote, Charlemagne in ’t Frans (van het Latijn Carolus Magnus). Daarin verwenste zij deze keizer omdat hij de scholen uitgevonden had. Wij zongen het lied en de verwensingen niet uit volle borst mee, want we kenden toen nog maar drie woorden Frans. Het gaat ongeveer zo :

Qui a eu cette idée folle
Un jour d'inventer l'école?
C'est ce sacré Charlemagne,
Sacré Charlemagne.

Ce fils de Pépin le Bref
Nous donne beaucoup d'ennuis
Et nous avons cent griefs
Contre, contre, contre lui …


Niet alleen France Gall en ontelbare scholieren hebben grieven tegen deze zoon van Pepijn de Korte, er waren volksgroepen die veel meer reden hadden om over hem te klagen, wanneer we lezen wat hij allemaal uitgevoerd heeft :

“In de 46 jaren van zijn heerschappij voerde Karel meer dan 50 oorlogen, wat voor een middeleeuwse vorst meer dan gemiddeld is, maar gezien de duur van zijn bewind en de omvang van zijn rijk niet verwonderlijk. Zijn voornaamste vijanden waren de Saksen, de Friezen en de Longobarden.
Wat als een strafexpeditie tegen de heidense Saksen en Friezen begon, werd al gauw een uitgebreide veroverings- en bekeringsoorlog die 32 jaar lang zou aanslepen, tot aan de uiteindelijke onderwerping van dit oostelijk buurvolk in het jaar 804. Tijdens deze Saksenoorlogen ontstond het kwade gezegde van de "bekering met ijzeren tongen", waarmee de gedwongen kerstening met de zwaarden der Franken bedoeld werd. Hiertoe vaardigde Karel een decreet uit, de Capitulatio de partibus Saxoniae, waarin voor het eerst in de westerse geschiedenis een gewelddadige bekeringspolitiek werd bedreven. In 797 vaardigde Karel een nieuw decreet uit onder invloed van zijn raadgever Alcuinus dat een wat zachtzinniger bekeringspolitiek voorschreef. Dit decreet was de Capitulare Saxonum. In 782 kwam het tot het beruchte bloedbad van Verden, waar volgens niet volledig betrouwbare bronnen 4.500 Saksische opstandelingen onthoofd zouden zijn. In 785 bekeerde de hertog van de Saksen, Widukind, zich tot het christelijk geloof. Hiermee waren de Saksen overwonnen.”
(Uit Wikipedia)

Karel de Grote zoals Dürer hem zag

In deze korte info zitten twee elementen die we vanuit antroposofische inzichten verder kunnen uitwerken. Ons uitgangspunt hier vormt een artikel van Frans Lutters in het tijdschrift “Der Europäer” van september 2008 ( Belangrijke inzichten vonden we ook in Karl Heyer : “Mittelalter”, Verlag Freies Geistesleben, 1985). Daaruit leren we iets meer over het lot van zowel Karel de Grote als van de Saksen, en de invloed van Alcuin.

Karel de Grote werd niet voor niets tijdens zijn leven zo vereerd : we hebben hier te maken met een zeer grote individualiteit. Volgens Rudolf Steiner kwam hij uit het Oosten, in de zin dat hij de incarnatie was van een hoge Indische ingewijde.
Dat is al iets wat ons grote ogen kan doen trekken : een hoge ingewijde, die in een volgende incarnatie zonder moeite vele duizenden mensen over de kling jaagt, en daarbij nog in naam van de Christus, die ons leerde om de linkerwang aan te bieden wanneer men op de rechter geslagen werd !
Maar, zegt Rudolf Steiner, “men kan historische of een morele inzichten hebben over een persoonlijkheid uit de geschiedenis die dikwijls zeer sterk afwijken van de inzichten die een ziener door zijn schouwen bereikt. Karel de Grote was in ieder geval voorbestemd om de ontwikkeling op een bepaalde manier verder te helpen.” We weten dat Karel de Grote in Europa terug de orde en rust terugbracht die samen met het Romeinse rijk verdwenen waren. Hij nam dus enerzijds een politieke taak op maar anderzijds ook een geestelijke.
Hij was het werktuig van de geestelijke individualiteit die door de naam Titurel gesymboliseerd wordt. Titurel is de grondlegger van het Graalsgeslacht, hij bouwde de Graalsburcht in 30 jaar, zoals Wolfram von Eschenbach ons verhaalt in het Parcivalboek.
Zijn er elementen die wijzen op het bijzondere van Karel de Grote’s individualiteit ? Jazeker. Ten eerste lezen we in zijn biografie dat hij niet dronk en een afkeer had van dronkenschap bij anderen. Dat is bij de edelen en zelfs bij de gewone geestelijken in zijn tijd ongebruikelijk. Maar voor iemand die bewust of onbewust wil openstaan voor inspiraties uit de hogere werelden is het een absolute vereiste om alcohol te vermijden.

Ten tweede voelde hij zich geroepen om het heidendom te bestrijden. Hij had, net als de Romeinen, tamelijk onverschillig kunnen staan t.o.v. de plaatselijke goden, zolang de overwonnen volkeren maar zijn heerschappij erkenden. Maar dat was voor Karel niet genoeg. Tijdens de veldtochten tegen de Saksen liet hij de Irminsul neerhalen. De Irminsul was zoiets als de Yggdrasil, de boom of zuil waarop de wereld rustte. In de buurt van Paderborn bevond zich het heiligdom waar dit symbool vereerd werd. Het werd rond 770 vernietigd. En hoewel de politieke eenheid van Europa bijna tegelijk met Karels dood verdween, toch bleef de bekering van de heidense Germaanse volkeren definitief. Historisch gezien was de kerstening van groter belang dan de politieke eenmaking.

De Irminsul

We kunnen de werkzaamheid van dit Titurel-wezen ook herkennen aan het feit dat Karel aan zijn hof tot het jaar 800 zowel Ierse als Angelsaksische monniken uitnodigde, die de Keltische geest van het Iers-Schots christendom vertegenwoordigen. Ook de beroemde leraar Alcuin uit York was met deze stroming verbonden. Daarnaast zijn nog te vernoemen : Waldo van Reichenau en Hugo van Tours.
Toen Alcuin in 804 stierf, kregen de Rooms geörienteerde priesters en leraren altijd meer en meer invloed aan de hofschool. Eginhard of Einhard, de later biograaf van de keizer speelde hierin een grote rol. In zijn Vita Caroli Magni worden de namen van de representanten van de Iers-Schotse stroming systematisch verzwegen. Binnen de Rooms geöriënteerde stroming werd het organisatie-principe almaar belangrijker. De Iers-Schotse stroming wilde de vrije spirituele verantwoordelijkheid van het individu behouden. De autonomie op spiritueel vlak was voor deze laatste aan de Karolingische hofschool het uitgangspunt van hun arbeid, terwijl de anderen zich geestelijk onder de autoriteit van Rome voelden.

Alcuin toont aan Karel de Grote het werk van zijn monniken (door Jules Laure)

We lazen dat onder invloed van Alcuin een zachtzinniger bekeringspolitiek werd gevoerd, maar uiteindelijk heeft Karel zich meer door de Roomse centralistische tendensen laten leiden en heeft hij mogelijk gemaakt dat de Roomse kerk een grote invloed kreeg op het schoolwezen. Via dit schoolwezen werd dan vanaf 896 de mens ingeprent dat hij bestond uit lichaam en ziel. De geest werd verdrongen.

Hoe werkt zich dit nu karmisch uit ?
Rudolf Steiner heeft specifiek hierover nooit een voordracht gehouden. We weten wel dat in de eerste Waldorfschool in Stuttgart stuk voor stuk opmerkelijke begaafde persoonlijkheden rond Rudolf Steiner verzameld waren. Nemen we bvb. Herbert Hahn, van wie we in De Brug al meerdere keren iets publiceerden of Walter Johannes Stein. Deze twee leerkrachten bestudeerden intensief de geschiedenis en voelden zich sterk verwant met de bovengenoemde representanten van de Iers-Schotse stroming, nl. Hugo van Tours en Waldo van Reichenau.
Voor Johannes Stein was deze ervaring zo sterk dat hij de innerlijke aandrang voelde om het boek ‘De negende eeuw – wereldgeschiedenis in het licht van de Heilige Graal’ te schrijven. En omdat hij daarmee waarschijnlijk een karmische snaar raakte, riep het boek ook veel controverse op bij zijn collega’s. Zo zei Paul Baumann, de eerste muziekleraar : “De reactie op dat boek was : kritiek, alleen maar kritiek. En dat feit, dat wij alleen maar kritiek hadden, heeft Johannes Stein ervan weerhouden om een tweede deel te schrijven. Ik sta absoluut negatief t.o.v. dat boek.”

.
Tegen deze Johannes Stein zou Rudolf Steiner ooit eens gezegd hebben dat leerkrachten in de eerste Waldorfschool aristotelici waren en de leerlingen : Saksen uit de tijd van Karel de Grote !
Er schijnt een samenhang te bestaan tussen de Karolingische hofschool en de eerste Waldorfschool.
Deze school werd mogelijk gemaakt doordat de eigenaar van de Waldorf-sigarettenfabriek, Emil Molt (1876-1936) een school wilde voor de kinderen van zijn arbeiders. Hij betaalde alle kosten. Men zou denken dat de scholieren naar hem zouden opkijken als naar een weldoener. Niets daarvan. Het gebeurde regelmatig dat Emil Molt over de speelplaats wandelde en dat de scholieren onbeschoft tegen hem waren. Dat kwetste hem en hij vroeg raad aan Rudolf Steiner, maar die zei : “Wat wilt u, in een vorig leven waren zij de Saksen die u als Karel de Grote bestreden en gedood hebt.”
Bekeken vanuit de morele begrippen van vandaag is dit een bedenkelijke zaak : een hoge ingewijde, die in een volgend leven dood en verderf zaait, en in een leven daarna eigenaar is van een kankerfabriek.
Maar vanuit een hoger standpunt leert ons dat iets over de werking van het karma. Nog al te vaak denken mensen in termen van vergelding als het om karma gaat : A heeft B iets misdaan, in een volgend leven zal B zich wreken op A. De regel is echter dat wie iets verkeerd doet, in zijn volgend leven een sterke drang voelt om zijn voormalig slachtoffer te helpen, en het voormalig slachtoffer neemt die hulp aan met de grootste vanzelfsprekendheid, voelt meestal niet eens een soort dankbaarheid. Ergens voelt hij dat hij er recht op heeft ! We zagen dat in het karma van Marx en Engels (zie De Brug 9) en nu alweer met Karel de Grote. We zouden er nog Alexander de Grote kunnen aan toevoegen, die zich in een latere incarnatie verdiepte in de geneeskunde en op die manier waarschijnlijk vele van zijn voormalige tegenstrevers hielp wier leven hij 2000 jaar eerder drastisch inkortte.
Overigens mogen we bij al dat bloedvergieten in het verleden niet uit het oog verliezen welke ontwikkelingslijnen mekaar daar kruisen. Om het opnemen van de Christusimpuls mogelijk te maken, moest de menselijke ziel doorheen verschillende stadia geleid worden, de verschillende na-Atlantische cultuurperiodes. Zo werd er een volk en een individu klaargemaakt om die impuls te ontvangen. Maar om deze impuls dan weer los te maken uit de gebondenheid aan één volk, moest de impuls later geënt worden op een volkselement dat geen deel had gehad aan die voorafgaande cultuurperiodes, dat nog een groot stuk erfgoed uit Atlantis meedroeg in zijn ziel. In de Germanen leefde nog de Nibelungenwildheid en zeker het heersersgeslacht der Franken had een herinnering bewaard aan een staatsvorm waar de koning tegelijk priester was, zoals dat in Atlantis het geval was. In de ontmoeting van, we zouden kunnen zeggen : oud-zielendom via de Roomse Kerk en jong-zielendom van de Germanen, stond nu Karel de Grote, en deed daar wat hem in die incarnatie als taak opgedragen was. En zo ontving hij de keizerskroon uit de handen van de paus, en zo verspreidde hij de boodschap van zachtmoedigheid met het zwaard. En veel later werkte hij mee aan een nieuwe impuls waar deze keer de vroegere vermoorde Saksen hun voordeel mee deden : de Waldorfschool. Waarmee misschien ook een vereffening in gang gezet werd voor het feit dat het tweeledig mensbeeld via het Karolingisch-Rooms schoolwezen zijn werking kon uitoefenen in de richting van het materialisme. Via de leerkrachten en leerlingen van de Waldorfschool zou het drieledig mensbeeld in deze tijd terug een vanzelfsprekendheid moeten worden :
de geest terug in ere hersteld.

Emil Molt (1876-1936)


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Orgaantransplantatie

Door François De Wit

Het terug in ere herstellen van het drieledig mensbeeld heeft zijn tijd nodig. Voorlopig geldt voor de meeste mensen het éénledig mensbeeld : de mens is alleen een fysiek lichaam en één orgaan in dat lichaam produceert gedachten. Na meer dan 200 jaar intensieve omgang met machines is het niet verwonderlijk dat men ook de mens als een machine begint te bekijken. We lazen al op blz. 16 dat president Wilson op zijn sterfbed zei : ik ben een onbruikbaar geworden machine. En bij een machine is het normaal dat men een onderdeel dat versleten is, vervangt door een nieuw. Dat is dus wat onze geneeskunde met succes toepast, maar wat in feite geen geneeskunst is doch alleen maar precisiemechanica. Heup versleten ? Gewoon de oude eruit en een nieuwe erin !
Tot zover geen probleem. Maar wanneer men zich waagt aan het vervangen van een defect lichaamsdeel door een intact lichaamsdeel van een andere mens, dan komen toch om de hoek twee aspecten kijken waar de moderne geneeskunde niet graag mee handelt : ziel en geest !
Tien jaar geleden lazen wij een artikel op het internet dat onze aandacht trok. Daarom hebben we het ook bewaard. Dat wij het pas nu afdrukken in De Brug heeft te maken met het verschijnen van een nieuw boek van Rob Gruben. Op deze Nederlandse antroposoof vestigden wij al eens de aandacht (in De Brug 56) toen zijn eerste boekje verscheen : “Grondwaarheden uit de geesteswetenschap”. Dit jaar verschijnt ook nog “Esoterische verdiepingen” ( bij uitgeverij Nearchus, ISBN 90-73310-57-1).
In dit boek worden op basis van geesteswetenschappelijk onderzoek diverse onderwerpen behandeld. Naast orgaandonatie komen daar bijvoorbeeld ook geboorteproces en kindersterfte aan de orde, maar ook aan minder alledaagse zaken als het opstandingslichaam van Christus en de sterrenatuur van de mens wordt aandacht besteed.
Een fragment uit het tweede hoofdstuk vindt u hieronder. Bij wijze van inleiding vertaalden wij het internetartikel van 10 jaar geleden. Het origineel is nog altijd te vinden op
http://www.usaweekend.com/98_issues/980524/980524cells.html

Hebben cellen een geheugen ?

Claire Sylvia had een hart-long-transplantatie ondergaan. Toen journalisten haar na de operatie vroegen wat ze nu het liefst zou willen antwoordde ze : “Eigenlijk zou ik nu direct een pint bier willen achteroverslaan.”

Zij stond zelf het meest versteld van haar antwoord want ze had tot hiertoe nooit bier gelust, noch groene pepers, noch gefrituurde kippenbrokjes. Na verloop van tijd ontdekte ze dat Tim, de 18-jarige motorrijder wiens organen ze had gekregen, een liefhebber was van het voedsel waar ook zij nu een onweerstaanbare drang naar had.

Toeval ? Of waren deze smaakvoorkeuren meegekomen met de organen ?

Het idee dat lichaamscellen samen met de genetische codes ook elementen van onze persoonlijkheid, van onze smaken, van ons verleden bewaren, verdeelt tegenwoordig onze cultuurwereld in twee kampen.

De psycholoog Paul Pearsall, die zelf een beenmergtransplantatie onderging en beenmergkanker overleefde, betoogt in zijn boek “The Heart’s Code” dat ons hart vol zit met informatie die onze hersenen niet kunnen negeren.

“Het brein is zijn verstand verloren” zegt Pearsall, “Het is zo druk bezig dat het niet echt een verbinding maakt met de energie, de spirituele, intuïtieve energie die van oudsher bekend is. Het hart bevat een subtiele gecodeerde kennis die ons verbindt met alles en iedereen rondom ons. Die verzamelde, totale kennis is het wat onze geest en onze ziel vormt.

Een studie toont aan dat 3 op 4 Amerikanen een orgaantransplantatie zouden accepteren en 1 op 3 – nclusief moordenaars die hun doodvonnis afwachten- zijn eventueel bereid om een orgaan af te staan. Maar nu er zoveel te doen is omtrent het “geheugen van cellen”, zouden we misschien wat minder enthousiast moeten zijn.

De wetenschap zegt nee

“Het idee dat getransplanteerde organen de code van de levenservaringen van de donor overdragen is gewoon onvoorstelbaar”, zegt John Schroeder, cardioloog en professor in het Stanford Medical Center, waar sinds 1968 ongeveer 900 harttransplantaties uitgevoerd werden.

De meeste wetenschappers geloven dat psychologische ervaring opgeslagen wordt in de hersenen. Schroeder en de mensen die patiënten na de operatie sociaal begeleiden, zeggen dat medicatie de voorkeur voor bepaald voedsel kan wijzigen en dat het gevoel van opluchting na een geslaagde operatie, en de hoop op een nieuwe levenskans ook kunnen verklaren waarom patiënten andere gewoontes en interesses beginnen vertonen.

Esoterische achtergronden van orgaandonatie

Door Rob Gruben

(…) Laten wij nu wat dieper op de zaken van zo'n orgaantransplantatie ingaan, met name ook vanuit geesteswetenschappelijk oogpunt. Als eerste moeten we vaststellen dat verwijdering van een orgaan bij de mens niet mogelijk is zonder dat de dood erop volgt. Alleen de milt vormt hierop een uitzondering. We zullen nog zien waarom dat het geval is. Daarmee wijken de organen af van bijvoorbeeld de ledematen, want wanneer er door wat voor omstandigheid dan ook de noodzaak ontstaat om bijvoorbeeld een been te amputeren, dan is de medische wetenschap daar goed toe in staat. Dat komt omdat er een belangrijk verschil bestaat tussen de etherische structuur van de ledematen en die van de romp. Bij verwijdering van een been wordt in eerste instantie de zieke of beschadigde fysieke materie verwijderd. Aanvankelijk blijft de etherische tegenhanger echter intact. Wanneer dan bijvoorbeeld het been wordt begraven en langzaam tot ontbinding overgaat, dan kan de helderziende blik waarnemen dat ook het etherbeen langzaam tot oplossing overgaat. Er kan dus een behoorlijke tijdspanne zitten tussen de fysieke verwijdering van het been en het uiteindelijke oplossen van het overeenkomstige etherbeen. Daarin is dan de oorzaak gelegen van de vaak beschreven fantoompijnen in het afgezette ledemaat.

Hoe anders is nu de situatie bij de organen in de romp. Medisch kunnen we vaststellen dat op de milt na geen organen uit het menselijk lichaam kunnen worden verwijderd zonder dat daarbij de dood optreedt. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat - in tegenstelling tot bij de ledematen - het fysieke orgaan niet volledig samenvalt met het etherorgaan. Daar waar de organen in het fysieke lichaam in afgezonderde delen aanwezig zijn, zijn zij dat in het etherlichaam levend door elkaar vloeiend. Waarom is dat zo? Om op die vraag een antwoord te geven moeten we teruggaan naar wat in het begin van dit hoofdstuk is opgemerkt over het ontstaan van de planeten. Er werd daar geschreven dat de drie bovenzonse planeten Saturnus, Jupiter en Mars ontstaan zijn als herhalingen van de vroegere kosmische tijdperken van de oude Saturnus, de Zon en de oude Maan. Vanuit de geesteswetenschap kunnen we nu vaststellen dat de baan van de huidige planeet Saturnus in feite overeenkomt met de omvang van het wereldlichaam van de oude Saturnus, de eerste aarde-incarnatie. De baan van de huidige planeet Jupiter komt overeen met de omvang die het wereldlichaam had in zijn incarnatie als oude Zon. Bij het voortschrijden van oude Saturnus naar oude Zon vond tevens een verdichting plaats van warmte naar lucht. Het nieuwe wereldlichaam was ten opzichte van het oude enigszins verdicht, en deze verdichting zien we terug in het feit dat de baan van de huidige planeet Jupiter - als indicator van de omvang van de oude Zon - binnen de baan van Saturnus is gelegen. Op deze wijze doordringen de astrale krachten die uitgaan van Saturnus ook de sfeer van Jupiter. En wanneer wij dan onze blik richten op Mars, dan kunnen we vaststellen dat de baan van Mars correspondeert met de omvang die het wereldlichaam bezat in zijn derde incarnatie als oude Maan. Op dezelfde wijze kunnen wij dan het uittreden van zon, Venus, Mercurius en maan beschouwen.

Wanneer we dan de zaken bezien zoals ze zich esoterisch voordoen, dan ontstaat het volgende beeld: we zien de aarde als middelpunt en daaromheen de planeten zoals die zich in steeds verder terugliggende perioden uit het aarde-wereldlichaam hebben losgemaakt, te weten maan, Mercurius, Venus, zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Hier hebben we het Ptolemeïsche wereldbeeld. En van buiten naar binnen stellen we vast dat te beginnen met de planeet Saturnus er een sfeer van astrale oerbeelden is die neerwaarts reikt tot aan het aardse middelpunt en op zijn weg de sferen van alle andere planeten doordringt. Jupiter doordringt met haar sfeer dan weer de planeten die tussen haar en de aarde staan met astrale oerbeelden. Op deze wijze kunnen we verder gaan tot aan de maan, die zelf door alle boven haar liggende planeetsferen wordt doordrongen en haar eigen astrale oerbeelden slechts kan doen neerdalen op het middelpunt van dit stelsel, zijnde de aarde.

Wanneer we nu weten dat Saturnus haar ankerpunt vindt in de milt, Jupiter in de lever, Mars in de gal, de zon in het hart, Venus in de nieren, Mercurius in de longen en de maan in de geslachtsorganen, dan wordt ons langzaam duidelijk waarom hierboven van een levend door elkaar vloeien van de etherorganen werd gesproken. Uitgaande van Saturnus is er een toenemend doordringen van planeetsferen richting de aarde. En omdat de planeetsferen hun overeenkomst vinden in de menselijke organen, vooreerst de etherische, kunnen we begrijpen dat ook de etherische organen zich op beschreven wijze doordringen. Dat wil dus zeggen dat op de buitenste sfeer van Saturnus na, alle andere planeetsferen met elkaar verbonden zijn. Datzelfde geldt dus voor de organen: op de milt na, wordt ieder orgaan in meer of mindere mate door een ethersfeer van een ander orgaan doordrongen. Het etherorgaan wordt immers gevormd en geordend volgens de astrale oerbeelden. Daarmee is duidelijk geworden waarom men op de milt na, waarvan de etherische tegenhanger niet door andere astrale sferen wordt doordrongen, niet ongestraft fysieke organen uit het menselijk lichaam kan verwijderen. Men zou daarmee namelijk direct de krachtstromen van de andere organen verstoren en daarmee het menselijk leven onmogelijk maken. De dubbele organen van de beide onderzonse planeten moeten daarbij overigens als eenheid worden beschouwd. En bovendien moet worden opgemerkt dat boven Saturnus natuurlijk ook nog de werelden van dierenriem en vaste sterren hun werkzaamheid ontplooien.

Omdat men in de medische wereld natuurlijk op de hoogte is van het feit dat men een orgaan anders dan de milt niet zonder meer kan verwijderen uit het menselijk lichaam, heeft men het materialistische idee van de orgaantransplantatie ontwikkeld en toepasbaar gemaakt. Nu wij hier de geesteswetenschappelijke achtergronden van de met de organen samenhangende krachtwerkingen zo uitvoering hebben beschreven, kunnen wij ons afvragen hoe die inzichten zich verhouden tot het idee van orgaantransplantatie.

Als eerste moet worden vastgesteld dat het bij orgaantransplantatie om een puur materialistisch principe gaat. In hun in 1998 verschenen boekje over orgaandonatie suggereren de auteurs Madeleen Winkler en Roel den Dulk dat een stukje van het etherlichaam van de donor meegaat met het orgaan dat getransplanteerd wordt. Dit is echter onjuist, alhoewel er wel een uitwisseling van vrije etheratomen met de buitenwereld plaatsvindt. In het laatste hoofdstuk van dit boek gaan we daar wat dieper op in. We hebben kunnen zien dat bij een beenamputatie het etherlichaam langzaam vergaat en dat in de romp de etherorganen elkaar in meer of mindere mate op levendige wijze doordringen. Het is dus niet zo dat de ethersubstantie rondom en in een bepaald orgaan exclusief voor dat orgaan bestemd is, alhoewel het er zijn hoofdwerkzaamheid gedurende het leven wel op zal richten. Ook na de dood van de mens blijft dus de etherische samenhang en doordringing van de organen aanvankelijk behouden. Men zal kunnen inzien dat er ongezonde situaties zouden ontstaan als het mogelijk zou zijn een bepaald etherorgaan als het ware los te scheuren uit zijn kosmisch bepaalde verbanden om enkel en alleen met het donororgaan verbonden te blijven. Een dergelijk soort ongebonden leven behoort niet tot het mensenrijk, is daarin onmogelijk. Daarom is orgaantransplantatie wat dat betreft een zuiver fysieke aangelegenheid.

Nu hebben we er hierboven met het beeld van de magneet en het ijzerslijpsel al kort op gewezen dat een menselijke individualiteit de astrale beelden op een karmische wijze tot zich trekt. Diezelfde karmische omstandigheden worden via de astrale beelden op het etherlichaam afgedrukt, en de krachtwerkingen van dit etherlichaam doen op overeenkomstige wijze het fysieke orgaan ontstaan. We zouden kunnen zeggen dat ieder mens daardoor zijn wezensdelen in een volstrekt unieke en individuele trilling brengt. Een trilling die zich van astraal- naar etherlichaam verdicht en uiteindelijk in het fysieke orgaan tot kristallisatie komt. Het orgaan wordt daarmee net zo uniek als een vingerafdruk en dat is dan ook de reden dat transplantatie niet zonder een ingrijpende maatregel kan plaatsvinden: het levenslang slikken van medicijnen die afstoting van het wezensvreemde donororgaan tegen moeten gaan.

Maar wat doen die medicijnen nu eigenlijk en waarop richten zij hun werkzaamheid? We hebben gezien dat het fysieke orgaan de kristallisatie is van volstrekt unieke karmische gegevenheden. Vanwege zijn materiële en vaste natuur is de gekristalliseerde trilling van het fysieke orgaan niet door medicijnen te beïnvloeden. De medicijnen richten zich dan ook op het veel ijlere etherlichaam. Daar beogen zij het karmische trillingsniveau van de betreffende mens af te stemmen op het wezensvreemde donororgaan en in vele gevallen slagen zij hierin ook. Het trillingsniveau van één wezensvreemd orgaan wordt dus dominant gemaakt over het karmische trillingsniveau van de totale mens! Dit heeft twee belangrijke gevolgen, waarvan de werkelijke aard alleen door de geesteswetenschap kan worden verklaard.

Als eerste zien we dat Ik en astraallichaam, zowel gedurende de waak- als slaaptoestand, steeds meer moeite krijgen om de astrale beelden in karmisch verband af te drukken op het etherlichaam. Het is eenvoudigweg zo dat het astrale trillingsniveau van de betreffende mens geen aansluiting meer kan vinden met het door medicijnen gemanipuleerde trillingsniveau van het etherlichaam of etherorgaan. De mens wordt daarmee in een bepaald opzicht van zijn voorgenomen karmische ontwikkelingsweg afgehouden. Er vind een terugdringing van de individualiserende krachten van het menswezen plaats! De buitenwereld herkent dit doordat zij onbegrepen waarneemt dat de persoonlijkheid van deze mens als het ware wordt teruggedrongen. Familie, vrienden en bekenden stellen vaak een fundamentele vervlakking in de persoonlijkheidsstructuur vast. Dat vindt dus zijn oorzaak in het feit dat de trillingen van etherlichaam en astraallichaam geen aansluiting meer op elkaar kunnen vinden. Het per-sonare, het door de fysieke lichamelijkheid klinken of trillen van het geestelijk menswezen (de persoon) wordt verhinderd!

Maar er is nog een tweede belangrijk gevolg van orgaantransplantatie. Dit vindt zijn aansluiting bij wat hierboven werd gesteld over het door medicijnen gemanipuleerde trillingsniveau van het etherlichaam of etherorgaan. Doordat de trilling van het etherlichaam van de ontvanger zich onder inwerking van zware medicijnen aanpast aan dat van het wezensvreemde orgaan van de donor, komt de levende mens tot op een bepaalde hoogte in de levenssfeer van de overledene. U moet weten dat de herinneringen van de mens worden verzorgd door diens etherlichaam. Wanneer nu door bovengeschetste omstandigheden het etherlichaam van de ontvanger als het ware wordt afgestemd op de gekristalliseerde trilling van het donororgaan, dan zullen in dit etherlichaam op een bepaalde manier indrukken van herinneringsbeelden van de donor opduiken! Het donororgaan draagt tot op bepaalde hoogte de in haar gekristalliseerde herinneringsbeelden van haar oorspronkelijke etherlichaam over op het etherlichaam van de ontvanger. Let wel: het zijn niet de werkelijke herinneringen, maar spiegelingen of negatieven daarvan, die via de gekristalliseerde trilling in de fysieke substantie van het donororgaan terugstralen naar het etherlichaam van de ontvanger. Omdat het etherlichaam of etherorgaan ook de eigenschappen, het karakter en de gewoonten van iemand in zich draagt, kan het dus voorkomen dat door het door medicijnen veranderde trillingsniveau van het etherlichaam ook deze, in feite wezensvreemde zaken als spiegeling of negatief in de persoonlijkheid van de ontvanger aan de oppervlakte treden. Daaruit blijkt hoe ingrijpend een dergelijke operatie kan zijn, niet louter uit fysiek, maar ook uit geestelijk oogpunt.

De waargenomen persoonlijkheidsverandering heeft dus een nauwe relatie met het nieuwe orgaan en is niet louter toe te schrijven aan het medicijnengebruik, zoals Winkler en Den Dulk in het genoemde boekje ten onrechte vermelden.

Ook voor de donor heeft de ingreep grote gevolgen. Door verwijdering van het fysieke orgaan wordt de onderlinge verhouding van de verschillende ethersoorten ter plaatse namelijk sterk verstoord. Het etherorgaan blijft weliswaar voor de donor behouden, maar de organisatie van de opbouwende delen daarvan, zijnde de vier ethersoorten, raakt uit balans, met name in de lagere levens- en klankethers. Het gevolg hiervan is dat drie tot vier dagen na het overlijden van de donor, het etherorgaan er niet in slaagt de in haar opgeslagen aardse levenservaringen af te drukken op het astraallichaam. Met andere woorden, de ervaring die de donor gedurende zijn aardse leven in de ethersubstantie van het betreffende orgaan heeft opgedaan, kan door hem niet of maar ten dele worden meegenomen naar de astrale sfeer van het kamaloka. Bepaalde op aarde meegemaakte en in het etherorgaan afgedrukte ervaringen kunnen daardoor ook niet worden gelouterd of karmisch worden verwerkt. De donor brengt dus niet enkel een fysiek offer, maar tevens een karmisch offer! (…)

Als aanvulling op dit artikel geven we nog wat info uit de Vlaamse kranten mee

De Standaard van 17 oktober 2006
Sinds de Belgische wet op orgaandonatie van 1986, waardoor iedere Belg verondersteld is orgaandonor te zijn bij hersendood, tenzij hij bij leven verzet aangetekend heeft of zijn familie spontaan de orgaandonatie weigert, is de situatie in België gunstig op het gebied van orgaandonatie. Samen met Spanje en Oostenrijk, die een gelijkaardige wet hebben, staat België aan de top van orgaandonatie: 22,8 donors per miljoen inwoners in 2005. Desondanks zijn de wachtlijsten lang: meer dan duizend patiënten in België wachten elke dag op geschikt donororgaan. In 2005 stierven bijna één op de zes patiënten op de wachtlijst terwijl ze wachtten op een geschikte lever of hart, en bijna één op de tien wachtend op een longtransplantatie.

De Morgen van 6 maart 1999 :
'Artsen wachten niet op dood patiënt'
In Canada worden organen voor transplantatiedoeleinden soms al verwijderd als mensen klinisch dood zijn, maar nog ademhalen, zo bleek deze week uit de hoorzittingen van een parlementaire onderzoekscommissie die onderzoekt hoe het tekort aan transplantatieorganen verholpen kan worden.
Tweeëntwintig jaar geleden stelde de arts van Ruth Oliver vast dat ze klinisch dood was. Haar brein was zo gezwollen dat het uit de chirurgische incisie in haar hersenpan puilde. De dokters probeerden haar drie keer te reanimeren. Inmiddels is ze vijftig, kerngezond én beroemd in Canada als 'de mirakelpatiënt van Kingston General Hospital'. Oliver werd wakker de dag nadat ze was opgegeven. Ze kon zelfs weer aan de slag als psychiater in Vancouver.
Deze week zorgde ze voor ophef door zich voor de parlementaire onderzoekscommissie te verzetten tegen orgaantransplantatie. In Canada kan momenteel worden overgegaan tot het 'oogsten' van een orgaan als patiënten hersendood zijn, maar wel nog steeds aan beademingsapparatuur liggen om organen warm en gezond te houden. Levensgevaarlijk, meent Oliver, die verwees naar een recent geval waarin de betrokken donor op de operatietafel weer tekenen van leven gaf. "Ik ben een levende getuige dat mensen die hersendood werden verklaard toch nog kunnen leven", zei ze deze week volgens de krant Mail & Globe. Oliver maande de publieke opinie aan "hun donorkaart niet te tekenen omdat artsen wel eens niet alles zouden kunnen doen om je het leven te redden". In Canada wachten 3.200 mensen op een orgaantransplantatie, maar konden vorig jaar slechts 1.612 patiënten aan nieuwe organen worden geholpen - een opmerkelijk laag cijfer in vergelijking met andere (westerse) landen.

De Standaard van 2 februari 2006
Op de conferentie in Arizona werd overigens zwaar gedebatteerd over de vraag of transplantaties van zichtbare' lichaamsdelen als een hand of een gezicht eigenlijk wel wenselijk zijn. Patiënten krijgen soms zware geestelijke problemen bij het zien van het lichaamsdeel dat niet het hunne is, leert de ervaring met onder andere handtransplantaties. De Nieuw-Zeelander Clint Hallam die in 1998 als eerste een donorhand kreeg, liet die er na drie jaar weer afhalen. Hij kon niet wennen aan het vreemde lidmaat, en nam de medicijnen die afstoting moesten tegengaan, onvoldoende gedisciplineerd, zodat het orgaan werd afgestoten.
( … )
Toch blijven gelaats- en handtransplantaties experimentele ingrepen, vindt plastisch chirurg Robert Hierner van het universitair ziekenhuis in Leuven. ,,Zo'n donorhuid geurt anders dan je eigen huid. Als je 's avonds in je bed ligt, ruik je de lijfgeur van een ander. Wat de psychologische gevolgen daarvan zijn, is nog nooit onderzocht.''

,,Je moet natuurlijk niet aan zo'n operatie beginnen als een kandidaat psychologische problemen heeft'', zegt Schuind. ,,Je loopt met de hand van een dode aan je lijf, het effect daarvan moet je ook niet onderschatten. We letten er daarom speciaal op dat een donorhand qua kleur en beharing met die van de acceptor overeenkomt. En kandidaten moeten echt héél gemotiveerd zijn, voor we ze op de wachtlijst zetten. Wij hebben hier al veel mensen afgewezen. Omdat ze geen mooie stomp hadden, omdat hun zenuwen of bloedvaten te zeer beschadigd waren, omdat ze een infectie of kanker hadden, of omdat ze psychologisch onvoldoende sterk staan. Na de transplantatie moet zo iemand tien pillen per dag slikken, om afstoting tegen te gaan. De rest van zijn leven. Wie dat niet kan opbrengen, moet er niet aan beginnen. Dat zeggen we heel duidelijk van tevoren.''

De Morgen van 19 maart 1999
Illegale orgaanhandel is een wereldwijd fenomeen. Een recent onderzoek stelde dat in het Centraal-Amerikaanse Honduras achthonderd kinderen verdwenen op een jaar tijd, met de verdenking dat ze gedood werden voor hun organen. China werd er vorig jaar door dissident Harry Wu van beschuldigd te handelen in organen van geëxecuteerde gevangenen. In New York werden in deze zaak vorig jaar twee Chinezen gearresteerd. Een van hen was een voormalig openbaar aanklager die winst haalde uit zijn terdoodveroordelingen. Ze probeerden de jaarlijkse levering van 50 nieren te garanderen aan geïnteresseerde kopers, die echter undercover-agenten waren van de FBI.

Het Volk van 17 februari 2005
Zes keer meer weigeraars dan orgaandonoren
Tegenover elke geregistreerde donor van organen staan zes landgenoten die zich daartegen uitdrukkelijk verzetten. Er staan 1.340 Belgen op de wachtlijst voor een orgaan. Minister van Volksgezondheid Rudy Demotte (PS) broedt op een sensibiliseringscampagne.
In principe komt iedereen bij overlijden in aanmerking voor orgaantransplantatie, tenzij hij zijn verzet daartegen duidelijk kenbaar heeft gemaakt. Iedereen kan zich ook laten registreren als donor om zijn familie buitenspel te zetten. Zonder registratie of zonder uitdrukkelijk verzet geven de artsen doorgaans de nabestaanden de kans in laatste instantie verzet aan te tekenen tegen transplantaties.
Kamerlid Yolande Avontroodt (VLD) merkt op dat er een tekort bestaat aan geschikte donororganen. ,,De vraag blijft stijgen, maar het aanbod volgt niet.'' Per 1 februari stonden op de wachtlijsten van coördinator Eurotransplant 1.340 patiënten uit België ingeschreven. De meesten wachten op een nier (944) of lever (249). Op een vraag van Avontroodt meldt minister Demotte dat er 30.748 geregistreerde kandidaat-donoren zijn tegenover 191.307 uitdrukkelijke weigeraars.

Nabeschouwing

door François De Wit

Toen in 1986 de wet van kracht werd die van iedere Belg een potentiële donor maakte, hebben wij ons onmiddellijk laten registreren als donorweigeraar. Toentertijd deden we dat nog niet vanuit antroposofische overwegingen maar vanuit een soort anarchistische reflex : ik weiger mezelf te beschouwen als een fysiek lichaam dat eigendom is van de staat, en waar de staat vrij kan over beschikken zoals het hem ingefluisterd wordt door bepaalde belangengroepen. Ik weiger om de invloed van lobby’s, van zgn. expertencommissies of raadpleging van het middenveld als een voldoende legitimatie te beschouwen in een democratie. Ik wil zelf rechtstreeks mijn stem kunnen laten horen in een referendum over deze en alle kwesties die mij aanbelangen. Daarom lieten wij duidelijk onze stem horen op de enige toegestane manier : nee !
Naast de democratische overwegingen zijn er nu ook de antroposofische. Wanneer men karma en reïncarnatie serieus neemt, dan weet men dat mensen niet voor niets met defecte organen ter wereld komen. Algemeen gezien zijn dat karmische vereffeningen van zaken die men in een vorig leven gedaan of nagelaten heeft.9

We zeggen : “algemeen gezien”. De kinderen die in oorlogslanden misvormd geboren worden ten gevolge van het gebruik van verarmd uranium, of het grote aantal kankergevallen in die streken, dat lijkt op het eerste gezicht niets te maken te hebben met individueel karma, maar wie weet ? Wanneer alle zielen die vanuit hun karma gehandicapt willen geboren worden, in Europa, Amerika, Rusland, China enz. geaborteerd worden, dan zoeken zij misschien juist deze lichamen op.


Wanneer wij nu het karmisch gevolg van die daden (of gebrek aan daden) proberen te verbeteren op het fysieke vlak, dan belemmeren wij daarmee de ontwikkeling op het geestelijk vlak : de karmische vereffening zal dan in een volgend (minder materialistisch) leven moeten gebeuren.
We kunnen dit afleiden uit verschillende uitspraken van Rudolf Steiner.

In GA 120 heeft hij het over de karmische oorzaken van infectieziektes. Hij wees erop dat als we het kind beletten om deze (kinder)ziektes door te maken door bvb. inentingen en vaccinaties, dat ons dat verplicht om het kind antroposofie bij te brengen. Want de karmische vereffening, die anders via de ziektes onbewust zou gebeurd zijn, die moet nu bewust opgenomen worden en daartoe heeft men inzicht nodig in de geesteswetenschap, o.m. in de kennis van de luciferische en ahrimanische impulsen die in ons werken.

In De Brug 50 haalden we reeds het voorbeeld aan van Steiners vriend Jacobowski. Deze jonge man zag geweldig scheel en wilde zich laten opereren. Steiner wist dat het scheelzien een karmische vereffening was en dat het rechtzetten van de ogen de dood tot gevolg zou hebben. Jacobowski liet zich niet overtuigen en stierf kort na de overigens geslaagde operatie.

Het stoïcisme was een populaire filosofie in de Oudheid. De aanhangers van deze leer wilden onder alle omstandigheden hun gemoedsrust bewaren, stoïcijns blijven. De ene slaagde daar al beter in dan de andere, maar het kwam er toch op neer dat men een aantal onprettige zaken rondom zich niet wilde laten doordringen tot de ziel, dat men zich in feite blind maakte voor zijn omgeving. Rudolf Steiner beschrijft in GA 235 een geval van een stoïcijn die twee incarnaties later als gevolg van zijn stoïcisme effectief fysiek blind was.

Zouden we de betreffende persoon werkelijk geholpen hebben door hem een oog of twee ogen van iemand anders te geven ? Helemaal niet. En alles wijst erop dat dit voor andere organen even goed geldt. De ontvanger van één van onze organen wordt alleen schijnbaar geholpen, vanuit een materialistisch-mechanisch mensbeeld. Dat geldt niet voor prothesen. Hier kunnen we spreken van het verlichten van het karma door het denkwerk en het technisch kunnen van andere mensen. Er komt ook geen donor aan te pas. Want orgaantransplantatie heeft gevolgen voor de donor.
Laten we aannemen dat die dood is en één van zijn organen leeft verder in een ander mens. We weten dat het intact houden van een gestorven fysiek lichaam – door balseming of mummificering – een slechte invloed heeft op onze geestelijke ontwikkeling. Dat lezen we bvb. bij Sigwart (in De Brug 59) of bij Steiner in GA 105 (blz. 32 “Welt, Erde und Mensch”) waar hij het materialisme van onze tijd in verband brengt met het kunnen neerkijken van onze ziel op ons gestorven fysiek lichaam dat in de Egyptische tijd als mummie bewaard bleef.

Wanneer we al deze inzichten op een rijtje zetten, wat doen we dan wanneer een naast familielid, bvb. onze moeder of dochter een nier nodig heeft ? Staan we de onze af of niet ?

Ondanks alle inzichten zijn we vrij om te doen of te laten wat we willen ! Want in familierelaties speelt evenzeer karma mee. En aangezien de technische mogelijkheden om te transplanteren er nu eenmaal zijn, is het aan ons om de keuze te maken. Al ons karma vereffen in één leven is toch onmogelijk en zelfs niet wenselijk. Waarom zouden we niet aan karmaplanning kunnen doen ? Een beetje zoals de tegenwoordig spijtig genoeg meer en meer noodzakelijk wordende schuldbemiddeling. Want de meesten onder ons hebben financieel gezien misschien geen schuldbemiddeling nodig, maar karmisch gezien des te meer. Tenzij we zelf bewust onze karmische schulden rangschikken en prioriteiten opstellen. En zo gezien kunnen wij ook rustig eens een orgaan afstaan.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*



Terug naar het thuisblad

*

*

*

*

*