Inhoudstafel van Brug 132 ( juni 2026)


Waar zijn de ingewijden van vroeger ?

Daskalos

Echnaton en monotheïsme

Dorothy Eady

Mozes

Einde van de Egyptische Mysteriën

Rudolf Steiner vernoemt Echnaton niet

Mozes = Echnaton ?

Joodse geschiedenis

Egyptische goden



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Beste Lezer,


Het grootste deel van deze Brug gaat over de derde cultuurperiode van de na-Atlantische tijd. Geschiedkundigen gebruiken nooit de uitdrukking "na-Atlantische tijd" omdat dit impliceert dat er ooit een Atlantische tijd, een Atlantis zou bestaan hebben, en daarvoor zijn geen bewijzen volgens hen. Voor hen tellen alleen documenten en monumenten die zijn overgebleven uit die oude tijden.
Het probleem is dat er maar zeer weinig van die zaken zijn blijven bestaan tot in onze tijd en als men zijn beeld van de geschiedenis baseert op wat overgebleven is, dan krijgt men een eenzijdig en zeer onvolledig beeld van wat er echt gebeurd is. Bij de grote beschavingsconflicten zijn het de overwinnaars die beslissen wat er blijft bestaan en wat er verdwijnt en zo is het grootste deel van wat wij kennen als geschiedenis een "fable convenue".

Wanneer Rudolf Steiner over gebeurtenissen in het verleden sprak heeft hij daar altijd op gewezen. In zijn verzameld werk komt men deze uitdrukking 67 keer tegen. Zo ook bvb. in GA 335 "De huidige crisis en de weg naar een gezond denken". Daar spreekt hij nog maar eens over de geschiedenis als een "fable convenue". In de verklarende noot achteraan lezen we :
De voorstelling van de geschiedenis als een algemeen overeengekomen fabel werd door de Franse schrijver Bernard Bouvier de Fontenelle (1657 - 1757) in zijn werk over de oorsprong van fabels naar voor geschoven : "De gebeurtenissen die men zich na enkele eeuwen nog herinnert zijn dan in feite alleen maar denkbeelden en droombeelden".
Voltaire heeft deze visie overgenomen en populair gemaakt. Zo schreef hij in "Jeannot et Colin" : "
Al die oude geschiedenissen zijn, zoals een van onze denkers schreef, alleen maar "fables convenues".
Ook Napoleon zou gezegd hebben : "La vérité historique est souvent une fable convenue."

In deze Brug proberen we het traditionele beeld van een periode in de Egyptische geschiedenis wat te verrijken met bijdragen die niet beschouwd worden als relevant voor de moderne manier van geschiedenisbeschouwing.


François De Wit


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Waar zijn de ingewijden van vroeger ?


In de Brug 24 hebben we al eens aandacht besteed aan deze vraag en het antwoord was :
“De ingewijden van vroeger vinden in onze tijd geen geschikte omstandigheden.”
We schreven toen :
Iemand die een geestelijke scholingsweg volgt gaat er van uit dat hij niet meer zal verliezen wat hij eens gewonnen heeft, bvb. wanneer hij in een leven laat ons zeggen zijn gierigheid overwonnen heeft, dat hij dan in volgende levens vrijgevig zal zijn en aan andere karaktereenzijdigheden kan werken. Eens men het dan zover gebracht heeft dat men in een of ander leven ingewijd is geworden, dan zou men kunnen denken dat men in een volgend leven kan verder bouwen op dit resultaat en nog hogere graden van inwijding kan bereiken.
In onze tijd schijnt dat niet het geval te zijn. Voor de gewone mens is het bijna onmogelijk om een vroegere ingewijde te herkennen, meer nog: vroegere ingewijden geven dikwijls in onze tijd de indruk van een beetje geschift te zijn !

"Nu kom ik terug op de vraag: waar zijn de ingewijden van vroeger ? Want het lijkt erop dat ze hier nu niet leven.
Ja, beste vrienden, nu moet ik mij echt een beetje paradoxaal uitdrukken: indien er tegenwoordig een mogelijkheid bestond dat de mensen geboren werden op hun 17de of 18de jaar, dus dat ze direct 17 of 18 jaar oud zouden zijn wanneer ze uit de geestelijke wereld aankomen, of indien hun tenminste bespaard bleef om school te lopen op de manier zoals dat nu gebruikelijk is, dan zoudt u vaststellen dat in mensenlichamen van nu vroegere ingewijden kunnen incarneren. Maar evenmin als het voor een ingewijde mogelijk is -onder gewone aarde-omstandigheden- om zich te voeden met ijzer wanneer hij brood nodig heeft, evenmin is het mogelijk om de wijsheid uit een vorig leven zonder meer over te planten in een lichaam dat tot zijn 17de, 18de jaar gevormd werd op de manier die de huidige beschaving met zich meebrengt. Dat is op de ganse wereld niet mogelijk, tenminste niet waar er beschaving is is het mogelijk. Daar zijn zaken mee gemoeid die buiten de horizon van een modern ontwikkeld mens liggen.

Wanneer men zich, zoals dat nu gebruikelijk is, de tegenwoordige lees- en schrijfvaardigheden moet eigen maken vanaf zijn zesde, zevende levensjaar, dan is dat zo'n folter voor de ziel die zich wil ontwikkelen volgens haar bijzondere eigen aard, dat ... ja, ik kan maar herhalen wat ik reeds in mijn levensbeschrijving gezegd heb: vele hindernissen (om helderziend te worden - fdw) heb ik kunnen opruimen dankzij het feit ik op mijn twaalfde nog niet zonder fouten kon schrijven, ik kon zelfs helemaal niet ordentelijk schrijven. Ik heb dat vermeld in mijn levensbeschrijving omdat het kunnen schrijven, zoals dat tegenwoordig verlangd wordt, bepaalde vermogens kapot maakt in de mens.
Zo paradoxaal is het nu eenmaal. Het is een waarheid. Er is niets aan te doen, het is een waarheid.
En zo komt het dat juist hoog ontwikkelde individualiteiten uit het verleden wanneer ze reïncarneren eigenlijk alleen maar te herkennen zijn door iemand die let op kenmerken van de menselijke natuur die zich als gevolg van het tegenwoordige schoollopen meer achter dan ín de mens openbaren."


Dus in onze tijd kunnen we de ingewijden van vroeger alleen maar herkennen aan kenmerken die zich meer achter dan in de mens openbaren.
In GA 240 geeft Rudolf Steiner een voorbeeld :


“Er is een vraag die wellicht bij u allen opkomt. U zou kunnen zeggen: de antroposofie leert ons dat er ooit ingewijden waren, hier of daar levend, die verreikende kennis en diepe wijsheid bezaten. Maar aangezien mensen in nieuwe aardse levens herleven, waarom herkennen we tegenwoordig bijvoorbeeld geen gereïncarneerde wijzen uit het verleden? Dit zou een volkomen redelijke vraag zijn.

Maar wie zich bewust is van de omstandigheden waaronder het aardse leven wordt bepaald, weet dat een individu wiens karma hem van een vooraards bestaan ??naar een geboorte in een bepaald tijdperk leidt, de leermogelijkheden moet aanvaarden die dat tijdperk biedt. Het kan dus best zijn dat, hoewel iemand in vroegere tijden een ingewijde was, de kennis die hij als ingewijde bezat, in het onderbewuste van de ziel blijft; zijn dagbewustzijn geeft aanwijzingen van vermogens van enige betekenis, maar onthult niet direct wat er ooit in zijn ziel aanwezig was in een eerdere incarnatie als ingewijde.

Dit geldt ook voor die wijze raadgever van Haroun al Raschid. In zeer oude mysteriën was hij een ingewijde geweest. Hij was gereïncarneerd en leefde als een gereïncarneerde ingewijde aan het hof van Haroun al Raschid; de vruchten van zijn eerdere initiatie openbaarden zich in een geniaal organisatietalent en hij was in staat om op meesterlijke wijze leiding te geven aan het werk van de andere geleerden aan dat hof. Maar hij maakte niet direct de indruk een ingewijde te zijn. Door zijn eigen wezen en kwaliteiten, niet louter door het feit van een eerdere initiatie, bewaarde hij de oude initiatiewetenschap – maar zoals ik al zei, gaf hij niet de indruk daadwerkelijk een initiatie te hebben bereikt.”
(voordracht te Torquay op 14 augustus 1924 )

In dit geval openbaarde de vroegere inwijding zich als een geniaal organisatietalent. We denken hierbij bvb. aan een individualiteit als Elon Musk. Zijn vader vertelde in een interview dat de leerkracht hem tijdens een oudercontact vertelde dat zijn zoon “retarded” was, een beetje achterlijk, omdat hij altijd naar buiten zat te kijken in plaats van aandachtig het klasgebeuren te volgen !
Maar de vroegere inwijding kan zich nog anders openbaren :


“U zou zich een vraag kunnen stellen – een vraag die volkomen terecht is en gebaseerd op uitspraken die ik vaak in boeken en lezingen heb gedaan, namelijk dat er in vroegere tijden grote ingewijden onder de mensen leefden. U vraagt ??zich misschien af : Waar zijn zij nu, in dit latere tijdperk? Als u nu om u heen kijkt, zult u waarschijnlijk niet van veel mensen die in de wereld werken zeggen dat ze de karakteristieke eigenschappen van ingewijden bezitten – en dat is al geruime tijd het geval. De vraag moet dus gesteld worden: Waar zijn de ingewijden in hun latere incarnaties ?

Iemand die in een vorige incarnatie een ingewijde was, zowel in volledig bewustzijn als uiterlijk, hoeft dat in een volgende incarnatie niet per se opnieuw te worden. De vruchten van de initiatie kunnen in het onderbewustzijn blijven bestaan. Een mens is verplicht gebruik te maken van het lichaam dat zijn tijdperk hem biedt. De lichamen van vandaag zijn niet goed aangepast aan spirituele kennis; ze vormen zelfs een voortdurende belemmering omdat ze producten zijn van een materialistisch tijdperk; en de opvoeding die we vanaf onze kindertijd ontvangen, is een nog grotere belemmering. Wanneer iemand die in vroegere tijden een ingewijde was, opgroeit onder deze omstandigheden, kan hij niet opnieuw uiterlijk uiting geven aan wat er van de initiatie voor deze incarnatie overgebleven is. We leren schrijven in onze kindertijd, maar ons huidige schrift is niet in staat uit te drukken wat ooit de wetenschap van de initiatie was; en hetzelfde geldt voor andere domeinen. Ingewijden uit vroegere tijdperken kunnen in het leven verschijnen als grote figuren in een andere zin, maar niet als ingewijden. Veel levens, zowel in het heden als in het recente verleden, wijzen terug naar eerdere initiaties.

Ik wil u graag een voorbeeld geven van iemand die in een vorig aards leven daadwerkelijk ingewijd was in een hoge graad van de Ierse Mysteriën, de Mysteriën van het oude Ierland, in de eerste christelijke eeuw, toen die grote Mysteriën al in verval raakten, hoewel ze nog steeds verreikende, diepgaande kennis bezaten. De kennis die deze Ierse Mysteriën bezaten, was bijzonder diepgaand, niet in intellectuele zin, maar in een intens menselijke zin. ( … )

Er is een persoonlijkheid op wie de inwijdingsrituelen en -ceremonies van de Hibernische Mysteriën een diepe indruk hadden gemaakt; ze hadden een diepgaande invloed op zijn innerlijke leven en zijn ervaringen waren zo intens dat hij de aarde volledig vergat. Nadat deze persoonlijkheid een incarnatie als vrouw had doorgemaakt, waarbij de impulsen van de eerdere inwijding zich slechts in de algemene gesteldheid van de ziel manifesteerden, keerde hij in de 19e eeuw terug naar de aarde als een belangrijk figuur. Hij had de gevolgen van zijn karma doorleefd in de Saturnus-sfeer – de sfeer waar men leeft te midden van Wezens die, fundamenteel gesproken, geen heden hebben . Het is een verpletterende ervaring om met helderziendheid in de Saturnus-sfeer te kijken, waar Wezens leven die geen heden hebben, maar alleen terugkijken op hun verleden. Alles wat ze doen, doen ze onbewust; elke handeling van hen komt pas tot bewustzijn wanneer deze heeft plaatsgevonden en is ingeschreven in het wereldkarma. De kennismaking met deze Wezens, die hun verleden met zich meedragen als een spirituele komeetstaart, heeft een verpletterend effect.

De persoonlijkheid over wie ik spreek, die ooit ingewijd was en daarmee in zekere zin het aardse bestaan ??had overstegen, droeg zijn ziel over aan deze Wezens die geen deel uitmaken van het heden, en ontwikkelde zijn karma onder hen. Het was alsof alles wat tot dan toe in een ingewijd bestaan ??was ervaren, nu met majestueuze pracht alle voorgaande aardse levens verlichtte. Dit verleden werd tot bloei gebracht door wat was ervaren tijdens de Hibernische inwijding. Toen deze persoonlijkheid in de 19e eeuw opnieuw op Aarde verscheen, moest hij nu, daarentegen, impulsen voor de toekomst ontvouwen . En toen deze ziel, na te zijn afgedaald van de Saturnus-sfeer, met haar blik op het verleden verhelderd door het licht van de Inwijding, op Aarde aankwam, presenteerde zij dit contrast: een stevige basis op Aarde, terwijl ze tegelijkertijd naar de toekomst keek en uiting gaf aan verreikende ideeën, impulsen en inzichten. Deze Hibernische ingewijde werd Victor Hugo.

We kunnen een mens pas echt goed beoordelen als we ook de ontwikkeling zien die hij heeft doorgemaakt tussen zijn dood en wedergeboorte. Zijn morele, religieuze en ethische kwaliteiten worden dan duidelijk. Een persoonlijkheid wordt er zeker niet armer op, maar integendeel, veel rijker, wanneer we hem bekijken met de ogen van de geest.”
(in GA 239, voordracht te Parijs op 25 mei 1924 )


.


Maar blijkbaar zijn er ook mensen die zich een vroegere inwijding herinneren in hun huidig leven. Zo iemand was bvb. Elisabeth Haich, over wie we het hadden in Brug 47. Zij beschreef in detail haar mislukte inwijding in het oude Egypte. Een andere tijdgenoot die zich vorige levens als ingewijde herinnerde was Stylianos Atteshlis (1912 – 1995), beter bekend onder de naam van Daskalos. Na zijn overlijden schreef Günther Zwahlen onderstaande bijdrage, die verscheen in het tijdschrift "Goetheanum" Nr. 34, van 3 december 1995.

Daskalos was een spiritueel leraar met een wereldwijde kring van studenten. Hij noemde zijn studenten "de waarheidsonderzoekers". Maar hij wilde nooit een goeroe zijn en verbood uitdrukkelijk het vormen van een beweging onder zijn naam. Hij wees elke persoonlijkheidscultus strikt af, hij was Daskalos, de leraar, iedereen moet zijn eigen waarheid zoeken. Hij gaf hierover advies en instructies.
Daskalos, wiens echte naam Stylianos Atteshlis was, is geboren en getogen op Cyprus, maar was van vaderskant van Engels -Schotse afkomst. Zijn moeder was Grieks. Zijn vader was admiraal in de Britse Middellandse Zeevloot, gevestigd op Cyprus. Daskalos was een buitengewoon veelzijdig persoon. Hij behaalde drie doctoraten, een diploma viool en een diploma piano, was op jonge leeftijd prijswinnaar als schilder en was vóór de Tweede Wereldoorlog een bekende Griekse schrijver. Hij was ook majoor in het Britse leger.

Daskalos werd geboren met een alomvattend bewustzijn en bewoog zich met vanzelfsprekendheid in de werelden aan deze kant en voorbij de drempel. Hij had capaciteiten die magisch in de beste zin van het woord genoemd moeten worden.
Hij werd eind jaren tachtig wereldwijd bekend door de drie boeken van de Amerikaanse socioloog van Cypriotische afkomst Kyriakos C. Markides. Zijn eerste boek "De Magus van Strovolos", dat de capaciteiten, daden en leringen van Daskalos presenteert vanuit de eigen ervaring van de auteur, werd uitdrukkelijk goedgekeurd door Daskalos. Het tweede en derde boek wees hij even duidelijk af.
Daskalos, een diepgelovig persoon, was een leraar van onvoorwaardelijke liefde: liefde voor God, liefde voor de naaste, liefde voor zichzelf. Hij cultiveerde een esoterisch christendom en maakte er een punt van christen te zijn. Dit niet in beperkende zin. Hij had begrip en respect voor alle religies. Niettemin brachten zijn leringen en daden hem af en toe in conflict met de Orthodoxe Kerk. Ze wilden hem zelfs excommuniceren als magiër, wat ternauwernood werd verhinderd door aartsbisschop Makarios, met wie hij bevriend was.

Het is niet verwonderlijk dat nadat Daskalos wereldwijd bekend werd door de boeken van Markides, er een gestage stroom bezoekers naar Cyprus reisden. In zijn stoa, de collegezaal, gaf Daskalos zijn lezingen en leringen aan bezoekers en studenten en genas hij veel zieke en kwetsbare mensen in lichaam en ziel -als hun karma het toeliet. Voor hem was reïncarnatie en karma vanzelfsprekend. Maar hij werd nooit betaald voor een remedie of counseling, en hij verbood zijn studenten ook om betaling te krijgen voor esoterisch onderwijs, levenscoaching, genezing, enz.
Onder de mensen die advies, genezing en instructie van Daskalos zochten, bevonden zich veel leden van de Antroposofische Vereniging.
Sinds de zomer van 1990 bezocht Daskalos ook elk jaar Zwitserland voor lezingen, voor het laatst in het voorjaar van 1994. (Helaas heeft er geen bezoek aan het Goetheanum plaatsgevonden waar hij om had gevraagd).

In het voorjaar van 1990, nadat ik mensen had ontmoet die door Daskalos waren genezen en nadat ik door veel antroposofische vrienden over Daskalos was ondervraagd, raakte ik in gesprek met een van zijn studenten in Zwitserland. Ik wilde weten hoe Daskalos stond tegenover Rudolf Steiner en antroposofie. Naar aanleiding van zo'n gesprek werd ik door Daskalos uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek. Het werd gehouden in Zwitserland op 13 augustus 1990. Een paar details uit dit gesprek moeten hier worden weergegeven. (Het gesprek vond plaats in het Engels. De volgende citaten uit Daskalos, tussen aanhalingstekens geplaatst en deels in het Duits vertaald, werden letterlijk op deze manier gesproken. Andere uitspraken van Daskalos geef ik met mijn eigen woorden weer.)
Het gesprek begon zo dat Daskalos mij vroeg naar mijn achtergrond.
Ik meldde dat ik bijna veertig jaar lid was geweest van de Antroposofische Vereniging, opgericht door Rudolf Steiner.
Hier onderbrak hij mij met de opmerking: "Dit is heel goed, dit is uitstekend."
Ik bleef toen verslag uitbrengen over mijn activiteiten binnen de Antroposofische Vereniging.

Daskalos vertelt dat hij Rudolf Steiner al heel, heel lang kent en regelmatig contact met hem heeft. Daskalos zit, net als Rudolf Steiner, volledig in de christelijke stroom. Dan letterlijk: "Wij werken samen. Er is geen verschil tussen mijn leringen en de leringen van Rudolf Steiner."
Of ik geïnteresseerd was om te weten hoe hij de leringen van Rudolf Steiner in dit leven heeft leren kennen ?
Nadat ik bevestigend had geantwoord, vroeg hij of ik wist wat theosofie was?
Ja.
Weet ik waarom Rudolf Steiner de Theosofische Vereniging verliet ?
Ja, omdat de theosofen Krishnamurti presenteerden als de reïncarnatie van Christus.
Weet ik wie Leadbeater was ?
Ja.
Daskalos daarop : Leadbeater, die helderziend was, had opgemerkt dat een meester op Cyprus was geïncarneerd. Daskalos wees naar zichzelf en zei: "Dat was ik."

Een delegatie van de Theosophical Society kwam naar Cyprus en nodigde hem uit om lid te worden van en te werken binnen de Theosophical Society. Terwijl hij erover nadacht, stond Rudolf Steiner plotseling naast hem en zei: Doe dat niet, anders gebeurt met jou hetzelfde als met Krishnamurti. En daardoor sloeg hij de uitnodiging van de Theosofische Vereniging af. (Daskalos, zo hoorde ik later, was toen 26 jaar oud.)

Verder in het gesprek vroeg Daskalos me of ik wist wie Rudolf Steiner was.
Mijn antwoord : Ik weet wat hij zelf zei en wat zijn intieme studenten over hem zeiden.
Hij knikte en zei: ‘Hij is een zeer hoog wezen, een van de hoogste wezen überhaupt’

Een ander onderwerp was de scholingsweg. Daskalos gaf zijn leerlingen zijn eigen scholingsweg. Ik merkte op dat er antroposofen zijn die zo in een interne conflictsituatie terecht zijn gekomen. Toen zei hij heel stellig en nadrukkelijk: "In de antroposofie heb je alles, verder heb je niets nodig. Het is belangrijk dat je antroposofie serieus neemt." En daarna herhaalde hij nadrukkelijk deze uitspraak.
Daskalos vestigde ook mijn aandacht op hoe strijd een esoterische beweging (zijn woord!) ‘vergiftigt’ en verlamt.
In reactie op een opmerking die ik maakte, antwoordde hij: "Ook al is er veel ruzie in de Antroposofische Vereniging (wat hij als zeer nefast omschreef), antroposofie zelf is prima. Het is jouw taak om te ijveren voor de antroposofie."
Onverwachts kwam hij vervolgens op de Christengemeenschap spreken. “Er werd mij gevraagd of het sacrament van het huwelijk van de Christengemeenschap geldig was, en ook de andere sacramenten. Natuurlijk zijn ze geldig en effectief, meer nog dan die van andere denominaties. Rudolf Steiner is aanwezig bij de mensenwijdingshandeling."

Op de avond van 26 augustus 1995 stierf de wijze en genezer, bekend als Daskalos, op bijna 83-jarige leeftijd in zijn huis op Cyprus in Strovolos, een district van Nicosia. Hij overleed ongeveer veertien maanden na een beroerte die hij had opgelopen kort na zijn terugkeer van een lezingentournee door Europa, Noord - en Zuid-Amerika, en als gevolg waarvan hij sindsdien aan één kant verlamd was, maar met een volledig, helder bewustzijn.


Op de website anthroposophy.eu lezen we ook nog :

Verrassend genoeg sprak Daskalos vrij openlijk over zijn vorige levens en relaties met andere zielen die hij tijdens zijn leven ontmoette, hieronder volgen vermeldingen van zo'n 10-12 incarnaties

"Bij het bestuderen van mijn eigen incarnaties ontdekte ik dat ik gewoonlijk slechts een of twee aardse jaren in de geestelijke wereld doorbreng voordat ik weer incarneer. En dat is een deel van de reden waarom ik me zoveel van mijn vorige levens kan herinneren."
Dit zou impliceren dat deze individualiteit al ergens weer geïncarneerd is en in 2026 bijna 30 jaar oud is.

- drie of vier incarnaties in het oude Egypte als hiërofant
- als een hiërofant genaamd Thorisis in het oude Egypte, samen met twee zielen die deel uitmaken van dezelfde groepsziel.
- Khor-Aton, prins en hoge hiërofant ten tijde van farao Ankh-en-Aton [Opmerking: Akhenaton staat ook bekend als Echnaton, de 10e heerser van de 18e dynastie rond 1350-1330 v.Chr.]
- ten tijde van Christus-Jezus, als jonge jongen genaamd Jason, onderdeel van de groep kinderen die apostel Johannes naar Christus-Jezus bracht
- Origenes van Alexandrië (ca 184 – ca 253 AD), ook bekend als Origenes Adamantius, was een vroege en zeer invloedrijke christelijke geleerde en asceet, en een productief schrijver van zo'n 2000 verhandelingen in verschillende takken van de theologie, incl. bijbelexegese en hermeneutiek, homiletiek, en spiritualiteit.
- Spiridon (ca 270-348), bisschop van Trimythous, Cyprus, ontmoeting met Arius op oecumenisch concilie in Nicea 325 AD
- Tibetaanse lama
- verschillende incarnaties in de Aztekencultuur, o.m. één tijdens de Spaanse verovering van Cortez
- Italiaanse incarnatie in Venetië
- incarnatie als Russisch schrijver
- incarnatie als Stylianos Atteshlis (1912-1995), bekend als Daskalos: op een dag kwamen enkele studenten van Steiner opdagen met een zeer gevaarlijk boek over zwarte magie om Daskalos te laten zien. Steiner kwam opnieuw in zijn astrale lichaam en drong er bij Daskalos op aan dat boek te bemachtigen en te vernietigen, wat hij deed en het in zijn achtertuin verbrandde. .

In hoofdstuk 7 van het boek 'Symbool van het leven' geeft Daskalos een verslag van historische feiten ("dit zijn de ware gebeurtenissen") in Khemt, Egypte rond de 14e en 13e eeuw voor Christus. Dit omvat een spirituele gebeurtenis tijdens de aanroeping van Amon-Ra door de toenmalige farao Amen-Hotep IV (later Ankh-En-Aton genoemd), waarvan de hoge hiërofant Khor-Amon getuige was.

We kregen van de oprichter van anthroposophy.eu een kopie van dit boek en vatten hieronder samen wat in dat zevende hoofdstuk staat.
Het begint met enkele interessante etymologieën :

Afrika heette toen Apf-Ra-Ka, de woestijn in het oosten Sa-Kha-Ra. Sakkara is ook de naam van een plaats in Egypte waar een bekende pyramide te zien is :

Het ontcijferen van hiëroglyfen is zeer moeilijk ….. tenzij de persoon zelf één of meerdere levens geïncarneerd was in het oude Egypte, als schriftgeleerde of hiërofant, beweert Daskalos, wat dus bij hem het geval was.

Hij beschrijft de gebeurtenissen in de 14de en 13de eeuw v.C. toen Amen-Hotep III farao was, een weduwnaar met twee kinderen : een dochter Kha-Shep-Sut (niet te verwarren met Hatsjepsoet die in de 15de eeuw v.C. leefde), en een zes jaar jongere zoon Amen-Ophis.

Cyprus lag toen binnen de Egyptische invloedssfeer. In het noorden van het eiland (Kha-Ra-Na – Kyrenia) leefde de heerser Kha –Aa- Usser met zijn drie kinderen. De oudste was Kha-Ra-Mis ( Hermes), de jongste A-Ra-Sis (Ares). Deze laatste werd naar Amen-Hotep II gestuurd want zijn vader was een neef van de farao.

A-Ra-Sis werd verliefd op Kha-Shep-Sut en ze trouwden. Een zoon werd geboren : Khor-Amon, die dan in de 20ste eeuw op Cyprus incarneerde als Daskalos.
Een filosoof uit Irak (Yia-Ra-Kha) die Mikh-Ra-Dat (doet denken aan Mithridates) heette, bezocht de farao, vergezeld van zijn nichtje Dhitti.
De zoon van de farao, Amen-Ophis dus, trouwde met Dhitti die hij Nefer-Dhitti noemde. Spijtig genoeg was deze onvruchtbaar.
Toen Khor-Amon 15 jaar was stierf Amen-Hotep III en zijn zoon Amen-Ophis werd farao Amen-Hotep IV.
A-Ra-Sis was ondertussen bevelhebber in het zuiden van Egypte en liet zijn zoon Khor-Amon achter in het paleis van de farao om opgeleid te worden tot hiërofant.
De hogepriesters vonden dat de nieuwe farao te veel onder invloed stond van zijn vrouw Nefer-Dhitti en haar oom Mikh-Ra-Dat.

Amen-Hotep IV wilde komaf maken met het aanbidden van de 42 Egyptische goden en maar één enkel opperwezen aanbidden. De hiërofanten wezen deze hervorming af want er waren veel materiële voordelen verbonden met de erediensten van de traditionele goden. De farao zette zijn wil door en voerde een ceremonie uit in de tempel van Amon-Ra, de Zonnegod. Hij spreekt daar herhaaldelijk het Krachtwoord uit (Khe-Kau). Er verschijnen twee mensachtige gestalten, links en rechts van de gouden zonneschijf in de tempel. Het zijn twee aartsengelen, de ene uit de orde van de Maha-Els en de andere uit de orde van de Ra-Pfa-Els. (Michaël en Rafaël)
Khor-Amon, ondertussen volwaardig hiërofant is er getuige van.
De volgende dag verklaart de farao dat hij de Vergadering van Hiërofanten ontbindt en dat er maar één god, Aton ging aanbeden worden. Hijzelf verandert zijn naam nu in Ankh-En-Aton, mensen in zijn directe omgeving veranderden ook hun naam, Khor-Amon wordt nu Khor-Aton.

De farao bleef tolerant t.o.v. de erediensten van de andere goden, hij verplichtte niemand om de keuze voor Aton te maken. Alleen de hogepriester van Aton was fanatieker, hij had het vooral gemunt op de eredienst van de god met de kop van een jakhals, Anubis. Deze werd beschouwd als de god die het hart van een overledene afwoog tegen de veer van Maat (= Waarheid). Als het hart zwaarder was dan de veer, dan ging de ziel van de overledene naar de Verslinder der Zielen. De nabestaanden, in hun onwetendheid, gaven kostbare geschenken aan de priesters van deze god in een poging om een lichter oordeel te verkrijgen.

Deze eredienst was ook zeer rumoerig en dramatisch. De hogepriester van Aton ging vaak deze tempels binnen en sloeg met een ijzeren hamer de stenen beelden van Anubis aan stukken.
De priesters zonnen op wraak.
Omdat Nefer-Dhitti onvruchtbaar was moest uitgekeken worden naar een mogelijke opvolger voor de farao. De dochter van een hogepriester was getrouwd met een neef van de farao, ze hadden een zoon Tut-Ankh-Aton en die werd geadopteerd door de farao Ankh-En-Aton.
Om de vijandige priesterkaste uit de weg te gaan werd een nieuwe hoofdstad gekozen, Am-ara-Na.

Khor-Aton werd uitgenodigd door de vijandige priesters om een ceremonie uit te voeren in de tempel van Amon-Ra in Uast (Thebe). Khor-Aton nam de uitnodiging aan om de priesterkaste gunstiger te stemmen maar tijdens de ceremonie werd hij vermoord en zijn lichaam verbrand door de priesters van Anubis.
Twee jaar later ging de farao, die niet wist wat er met Khor-Aton was gebeurd terug naar Thebe om zijn adoptiefzoon Tut-Ankh-Aton te bezoeken. Daar werd hij vergiftigd.
Tut-Ankh-Aton, pas negen jaar oud, werd de nieuwe farao, zijn naam werd veranderd naar Tut-Ankh-Amon en de traditionele godenaanbidding werd in ere hersteld. .

Op de website van anthroposophy.eu lezen we verder :

Merk op dat er een interessante analogie bestaat tussen de verslagen van Rudolf Steiner over de individualiteit van Julianus de Afvallige die werd vermoord omdat hij de leringen van de drievoudige zon wilde terugbrengen, en het verslag van Daskalos van farao Achnaton die het monotheïsme wilde vestigen op basis van spirituele ervaringen van de spirituele zon.
Rudolf Steiner gaf wel beschrijvingen van de rol van de farao in Egypte, maar opmerkelijk genoeg, besprak hij - niet één keer - de zonnegod Aton of farao Echnaton. Zelfs geen woord in de hele GA106 “Egyptische mythen en mysteries”.

Dat Echnaton het monotheïsme wilde vestigen werd algemeen aanvaard in de 20ste eeuw. Naar aanleiding van een tentoonstelling in Brussel in 1975 werd een catalogus uitgegeven met als titel : “Onder de zon van Amarna – Echnaton en Nefertiti”. Daar lezen we :


Op de Nederlandse Wikipedia lezen we :


Dat hij het monotheïsme in Egypte introduceerde, is een misvatting. Hij greep juist terug op oude waarden, schafte geen oude goden af, maar zette ze op non-actief. Op één uitzondering na: de god Amon werd afgeschaft. Zijn naam betekent namelijk 'de verborgene' en staat voor het onzichtbare aspect van de zonnegod Ra. Achnaton wilde juist de zichtbare kant van Ra benadrukken. Die zichtbare kant, de god Aton, werd zelfs als een koning beschouwd, wat heel bijzonder is. Achnaton vormde zo, samen met zijn echtgenote Nefertiti en de Aton, een drie-eenheid. In cartouches van de Aton als koning staan de goden Ra-Horus en Sjoe genoemd. Een duidelijk bewijs dat van monotheïsme geen sprake was. Ook goden zoals Thot, Bes en Noet werden gewoon vereerd of in elk geval getolereerd. Alle goden, zoals Horus en Ra, die het glanzende en zichtbare aspect van de zon benadrukten, werden samengevoegd. Er was dus eerder sprake van henotheïsme ( = vele goden maar één hoofdgod, zoals bvb. bij de Grieken Zeus)


Dat komt dus ongeveer overeen met wat Daskalos beschrijft. Andere zaken die hij vertelt worden dan weer niet bevestigd door de moderne egyptologie :
Amen-Hotep III was geen weduwnaar met slechts twee kinderen, hij had verschillende vrouwen en vele kinderen; en Nefertiti schijnt wel zes kinderen te hebben gehad :
Meritaton,
Maketaton,
Anchesenpaäton (de latere Anchesenamon)
Neferneferoeaten Tasjerit,
Neferneferoere,
Setepenre
Achnaton en Kiya kregen de volgende kinderen: Toetanchamon,
Vermoedelijk Smenchkare ?

Het vraagteken na de laatste naam is typisch voor de egyptologie. Op de Engelse pagina over Echnaton, die veel uitgebreider is dan de Nederlandse, worden talloze namen van historici en egyptologen genoemd die allemaal hun eigen inzichten en theorieën koesteren. Maar er is wel overeenstemming wat betreft het vermeend monotheïsme van Echnaton.

Engelse wiki :

Het idee dat Achnaton de pionier was van een monotheïstische religie die later het Jodendom werd is door verschillende geleerden overwogen. Een van de eersten die dit vermeldde was Sigmund Freud, de grondlegger van psychoanalyse, in zijn boek "Mozes en het monotheïsme". Freud baseerde zijn argumenten op zijn overtuiging dat het Exodus-verhaal historisch correct was en Mozes een Atenistische priester was geweest die na de dood van Achnaton met zijn volgelingen Egypte moest verlaten. Freud voerde aan dat Achnaton ernaar streefde het monotheïsme te bevorderen, iets dat pas de bijbelse Mozes kon bereiken. Na de publicatie van zijn boek kwam het concept in het populaire bewustzijn en serieus onderzoek terecht.

Er zijn sterke overeenkomsten tussen Achnatons "Grote hymne aan de Aten" en de Bijbelse Psalm 104, maar er is discussie over de relatie die deze gelijkenis impliceert.

Anderen hebben sommige aspecten van Achnatons relatie met de Aten vergeleken met de relatie, in de christelijke traditie, tussen Jezus Christus en God.
Donald B. Redford heeft opgemerkt dat sommigen Achnaton zagen als een voorbode van Jezus. "Achnaton noemde zichzelf immers wel de zoon van de enige god: 'Uw enige zoon die uit uw lichaam voortkwam'." James Henry Breasted vergeleek hem met Jezus, Arthur Weigall zag hem als een mislukte voorloper van Christus en Thomas Mann zag hem "op de goede weg en toch niet de juiste persoon voor deze weg".

Redford in 1997 :
"Voordat veel van het archeologische bewijsmateriaal uit Thebe en uit Tell el-Amarna beschikbaar kwam, veranderde wensdenken Achnaton soms in een humane leraar van de ware God, een mentor van Mozes, een christelijk figuur, een filosoof vóór zijn tijd. Maar deze denkbeeldige wezens vervagen nu naarmate de historische realiteit geleidelijk aan opduikt. Er is weinig of geen bewijs ter ondersteuning van het idee dat Achnaton een voorloper was van het regelrechte monotheïsme dat we in de Bijbel aantreffen. Het monotheïsme van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament had zijn eigen afzonderlijke ontwikkeling, die meer dan een half millennium na de dood van de farao begon."
.

Daskalos stond positief tegenover de figuur van Echnaton, tiende farao van de 18de dynastie, maar een andere tijdgenoot die ook herinneringen had aan haar Egyptische incarnatie als priesteres, beleefde hem als een ongeluk voor Egypte. Zij leefde dan ook iets later, ten tijde van farao Seti I, de tweede farao van de 19de dynastie, vader van Ramses II de Grote.
Deze tijdgenoot was Dorothy Louise Eady (London, 16 januari 1904 – Abydos, 21 april 1981).


Uit de Engelse wiki :

Op driejarige leeftijd, nadat ze van een trap was gevallen en even dood leek te zijn, begon ze vreemd gedrag te vertonen en vroeg ze om "naar huis te worden gebracht". Ze begon toen ook met een buitenlands accent te spreken. Dit veroorzaakte in haar vroege leven enige conflicten. De lerares van de zondagsschool verzocht haar ouders haar weg te houden van de les, omdat ze het christendom had vergeleken met de 'heidense' oud-Egyptische religie. Ze werd van een meisjesschool in Dulwich gestuurd nadat ze weigerde een hymne te zingen waarin God werd opgeroepen "de zwarte Egyptenaren te vervloeken". Haar regelmatige bezoeken aan een Rooms-katholiek kerk om de Katholieke mis te horen, -wat ze leuk vond omdat het haar deed denken aan de “Oude religie” - werden beëindigd na een bezoek en een verhoor door een rooms-katholieke priester aan haar ouders.

Nadat ze door haar ouders was meegenomen naar het British Museum, waar ze een foto zag van een Egyptische tempel, riep de jonge Eady: "Daar is mijn huis! Maar waar zijn de bomen? Waar zijn de tuinen?"
De tempel was die van Seti I, de vader van Ramses II. Ze rende door de gangen van de Egyptische afdeling, "onder haar volkeren", terwijl ze de voeten van de beelden kuste. Na deze reis maakte ze van elke gelegenheid gebruik om de Egyptische afdeling van het British Museum te bezoeken. Daar ontmoette ze uiteindelijk E. A. Wallis Budge, die werd gegrepen door haar jeugdige enthousiasme en haar aanmoedigde om hiërogliefen te leren lezen.

Toen ze vijftien was beschreef ze een nachtelijk bezoek van de mummie van farao Seti I. Haar gedrag, in combinatie met slaapwandelen en nachtmerries, zorgde ervoor dat ze verschillende keren in instellingen werd opgesloten.
Eady werd parttime student aan de Plymouth Art School en begon betaalbare Egyptische antiquiteiten te verzamelen. Tijdens haar periode in Portsmouth werd ze lid van een theatergroep die af en toe een toneelstuk opvoerde gebaseerd op het verhaal van Isis en Osiris. Ze nam de rol van Isis op zich en zong de klaagzang over de dood van Osiris, gebaseerd op Andrew Lang's vertaling:

Bezingen we Osiris’ dood, betreur het gevallen hoofd;
Het licht heeft de wereld verlaten, de wereld is grijs.
Tegen de sterrenhemel ligt het web van duisternis;
Bezingen we Osiris, overleden.
Gij tranen, gij sterren, gij vuren, gij rivieren vergoten;
Huil, kinderen van de Nijl, huil — want uw Heer is dood.

Op zevenentwintigjarige leeftijd begon ze in Londen te werken bij een Egyptisch PR-tijdschrift, waarvoor ze artikelen schreef en cartoons tekende die haar politieke steun voor een onafhankelijke Egypte weergaven. In deze periode ontmoette ze haar toekomstige echtgenoot Emam Abdel Meguid, een Egyptische student, met wie ze bleef corresponderen toen hij naar huis terugkeerde.

In 1931 verhuisde ze naar Egypte nadat Emam Abdel Meguid, inmiddels leraar Engels, haar ten huwelijk had gevraagd. Bij aankomst in Egypte kuste ze de grond en kondigde aan dat ze thuis was gekomen om er te blijven. Het echtpaar verbleef in Caïro en de familie van haar man gaf haar de bijnaam 'Bulbul' ('nachtegaal'). Hun zoon kreeg de naam Sety, waaraan haar populaire naam Omm Sety ('Moeder van Sety') is ontleend. Na een toevallige ontmoeting met George Reisner's secretaris, die commentaar gaf op haar schijnbare vermogen om slangen te charmeren en haar vertelde dat spreuken over dergelijke krachten in de vroege oude Egyptische literatuur voorkomen, bezocht Eady de Vijfde dynastie piramide van Unas. Klaus Baer herinnerde zich haar vroomheid toen ze hem vergezelde voor een bezoek aan Saqqara in het begin van de jaren vijftig, toen ze een offer bracht en haar schoenen uittrok voordat ze de piramide van Unas binnenging. Ze bleef gedurende deze tijd verschijningen en buitenlichamelijke ervaringen melden, wat wrijving veroorzaakte met de familie van haar man die behoorde tot de hogere middenklasse.

Tijdens haar vroege periode rapporteerde Eady nachtelijke bezoeken van een entiteit genaamd Hor-Ra van wie ze beweerde dat het de geest was van Seti I.
Eady verklaarde dat Hor-Ra haar gedurende een periode van twaalf maanden langzaam het verhaal van haar vorige leven dicteerde. Het verhaal, geschreven door Eady, besloeg ongeveer zeventig pagina's cursief hiëroglyfische tekst. Het beschreef het leven van een jonge vrouw in het oude Egypte, genaamd Bentreshyt, die later reïncarneerde als Dorothy Eady.
Bentreshyt (betekent 'Harp van Vreugde') wordt in deze tekst beschreven als zijnde van bescheiden afkomst, haar moeder een groenteverkoopster en haar vader een soldaat tijdens het bewind van Seti I (c.?1290 tot 1279 v.Chr.). Toen ze drie was, stierf haar moeder en werd ze in de tempel geplaatst omdat haar vader niet voor haar kon zorgen. Daar werd ze opgevoed als priesteres. Toen ze twaalf jaar oud was, vroeg de Hogepriester haar of ze de wereld in wilde gaan of wilde blijven als een gewijde maagd. Bij gebrek aan volledig begrip en zonder praktisch alternatief legde ze de geloften af.

Gedurende de volgende twee jaar leerde ze haar rol in het jaarlijkse drama van Osiris' passie en wederopstanding, een rol die alleen maagdelijke priesteressen gewijd aan Isis konden vervullen. Op een dag bezocht Seti I haar en sprak met haar. Ze werden geliefden en aten "de ongekookte gans", een oud-Egyptische term die wordt vergeleken met "het eten van de verboden vrucht". Toen Bentreshyt zwanger werd, vertelde ze de hogepriester wie de vader was. De Hogepriester deelde haar mee dat de ernst van de overtreding tegen Isis zo verschrikkelijk was dat de dood de meest waarschijnlijke straf zou zijn als er een proces zou van komen. Omdat ze het publieke schandaal voor Seti niet wilde zien, pleegde ze zelfmoord in plaats van terecht te staan.

In 1935 scheidde Eady van haar man toen hij een baan als docent in Irak aannam. Hun zoon Sety bleef bij haar. Twee jaar nadat het huwelijk was mislukt, ging ze in Nazlat al-Samman wonen, vlakbij de Gizeh piramides, waar ze de Egyptische archeoloog Selim Hassan ontmoette van het Ministerie van Oudheden, die haar in dienst nam als zijn secretaresse en tekenaar. Ze was de eerste vrouwelijke medewerker van de afdeling en een zegen voor Hassan. Volgens Barbara Lesko: "Ze was een grote hulp voor Egyptische geleerden, vooral Hassan en Fakhry, door hun Engels te corrigeren en Engelstalige artikelen voor anderen te schrijven. Dus ontwikkelde deze laagopgeleide Engelse zich in Egypte tot een eersteklas tekenares en productief en getalenteerd schrijfster die, zelfs onder haar eigen naam, artikelen, essays, monografieën en boeken schreef.

Door haar grote interesse in oudheden ontmoette ze en raakte bevriend met veel van de beroemde egyptologen uit die tijd. Eady leverde zo'n belangrijke bijdrage aan Hassans werk dat ze na zijn dood in dienst werd genomen door Ahmed Fakhry tijdens zijn opgravingen in Dashoer. Hassan's magnum opus, het tiendelige "Opgravingen in Gizeh", geeft "speciale vermelding, met oprechte dankbaarheid" aan Eady voor haar redactie-, teken-, indexerings- en proefleeswerk. Ze leerde van deze geleerden de technieken van de archeologie, terwijl zij profiteerden van haar expertise op het gebied van hiërogliefen en tekenen.

Gedurende deze tijd bad ze, bracht regelmatig offers aan de goden van het oude Egypte en bracht vaak de nacht door in de Grote piramide. Eady werd het voorwerp van dorpsroddels omdat ze ’s nachts gebeden en offers bracht voor Horus bij de Grote Sfinx. Toch werd ze ook door de dorpelingen gerespecteerd vanwege haar eerlijkheid door haar ware geloof in de Egyptische goden niet te verbergen. Ze respecteerde de religieuze vieringen van anderen en vastte tijdens de Ramadanperiode met de moslimdorpelingen en vierde met de christenen Kerstmis.

Haar contact met de arbeiders en hun families gaven haar ervaring uit de eerste hand over het hedendaagse Egyptische leven. Ze zag een rode draad die alle perioden van de Egyptische geschiedenis met elkaar verbond; de faraonische, de Grieks-Romeinse, de christelijke en de islamitische. Deze draad was de Nijl, die het leven van mensen op vele niveaus bezielde.

Ahmed Fakhry's “Dashur Pyramid Research Project” werd begin 1956 beëindigd, waardoor Eady werkloos werd. Fakhry stelde voor dat ze de Grote Piramide beklom en “als je de top bereikt, kijk dan gewoon naar het westen, richt je tot je Heer Osiris en vraag hem ’Quo vadis?" (wat betekent: "Waar ga je heen?" in het Latijn). Hij bood haar de keuze om een goedbetaalde baan aan te nemen bij het Cairo Records Office, of een slecht betaalde baan in Abydos als tekenaar. Zij koos voor het laatste. Ze meldde dat Seti I de verhuizing goedkeurde. Hij beweerde dat het ‘wiel van het lot’ draaide en dat dit een tijd van testen zou zijn; als ze kuis was, zou ze de eeuwenoude zonde van Bentreshyt ongedaan maken die haar door Hor-Ra was gedicteerd.

Op 3 maart 1956 vertrok de tweeënvijftigjarige Eady naar Abydos. Ze vestigde zich in Arabet Abydos, dat aan de voet van de Pega-berg ligt. De oude Egyptenaren geloofden dat deze berg naar Amenti en het hiernamaals leidde. Het was hier dat ze 'Omm Sety' begon te heten, omdat het in Egyptische dorpen gebruikelijk was om naar een moeder te verwijzen met de naam van haar oudste kind. Abydos had een bijzondere betekenis voor haar, omdat ze geloofde dat Bentreshyt in de Tempel van Seti had gewoond en gediend. Ze had eerder korte pelgrimstochten naar de plek gemaakt, waarbij ze haar geavanceerde kennis had gedemonstreerd. Tijdens een van deze reizen naar de tempel had de hoofdinspecteur van de afdeling Oudheden, die op de hoogte was van haar beweringen, besloten haar op de proef te stellen door haar te vragen in volledige duisternis bij bepaalde muurschilderingen te gaan staan. Ze kreeg de opdracht hen te identificeren op basis van haar voorkennis als tempelpriesteres. Ze voltooide de taak met succes, ook al waren de schilderlocaties op dat moment nog niet gepubliceerd.

De eerste twee jaar bracht ze door met het oplijsten en vertalen van stukken uit een onlangs opgegraven tempelpaleis. Haar werk werd opgenomen in Edouard Ghazouli's monografie "The Palace and Magazines Attached to the Temple of Sety I at Abydos". Hij sprak in dit werk zijn bijzondere dank uit aan haar en was onder de indruk van de vaardigheden die zij toonde bij het vertalen van raadselachtige teksten, samen met andere leden van de afdeling Oudheden. In 1957 schreef ze een liturgische kalender van feestdagen op basis van oude Egyptische teksten.

Voor haar was de Tempel van Seti een plaats van vrede en veiligheid waar ze werd beschermd door de welwillende ogen van oude Egyptische goden. Ze beweerde dat de tempel in haar vorige leven als Bentreshyt een tuin had, waar ze Seti I voor het eerst had ontmoet. Haar beschrijvingen als jong meisje werden niet geloofd door haar ouders, maar terwijl ze in Abydos woonde, werd de tuin gevonden waar ze zei dat die gevonden zou worden. Opgravingen brachten een tuin aan het licht die aan haar beschrijvingen voldeed.

Elke ochtend en nacht bezocht ze de tempel om de gebeden voor die dag voor te dragen. Op de verjaardagen van Osiris en Isis nam ze de oude voedselonthoudingen in acht en bracht offers van bier, wijn, brood en theekoekjes naar de kapel van Osiris. De klaagzang van Isis en Osiris, die ze als meisje leerde, werd ook gereciteerd. Ze veranderde een van de tempelkamers in een persoonlijk kantoor, waar ze haar werk uitvoerde en bevriend raakte met een cobra die ze regelmatig voedde, tot afgrijzen van de tempelwachters.

Ze beschreef de Tempel van Seti als het betreden van een tijdmachine, waar het verleden het heden wordt en de moderne geest moeite heeft een wereld te begrijpen waarin magie wordt geaccepteerd. Ze beweerde dat de scènes afgebeeld op de tempelmuren op twee niveaus actief waren in de hoofden van de oude Egyptenaren. Ten eerste maakten ze de getoonde acties permanent. Het schilderij van Farao die Osiris brood offerde, zette bijvoorbeeld zijn daden voort zolang de afbeelding bleef bestaan. Ten tweede zou het beeld bezield kunnen worden door de geest van de god, als de persoon voor de afbeelding stond en de naam van de god aanriep.

Hoewel het geen deel uitmaakt van de officiële islamitische leer, merkte ze het wijdverbreide geloof op onder moderne Egyptenaren, zowel opgeleid als ongeschoold, dat ieder mens een qarina had, een spirituele component die gescheiden is van de ziel, en ze vergeleek dit met het oude Egyptische geloof. in het Ka van een persoon. De oude Egyptenaren geloofden dat de schaduw van een persoon een intrinsiek onderdeel was van de menselijke constitutie, en Omm Sety merkte op dat de boeren van het moderne Egypte soortgelijke overtuigingen hadden en de schaduw met voorzichtigheid behandelden.

Omm Sety heeft vele andere moderne praktijken uit de oudheid gedetailleerd beschreven in korte artikelen geschreven tussen 1969 en 1975. Deze werden bewerkt en gepubliceerd door de egyptoloog Nicole B. Hansen in 2008, onder de titel "Omm Sety's Living Egypt: Surviving Folkways from Pharaonic Times".

In 1972 besloot ze te verhuizen naar een zareba (een bouwvallige eenpersoonskamer gemaakt van riet). Ahmed Soliman, de zoon van de voormalige bewaarder van de Tempel van Seti, bouwde een eenvoudig lemen huis naast zijn ouderlijk huis waar Omm Sety verhuisde en woonde als onderdeel van de familie Soliman.
Ze meldde in haar dagboek dat Seti I verscheen toen ze voor het eerst naar haar nieuwe huis verhuisde en een ritueel uitvoerde dat de woning wijdde, eerbiedig buigend voor kleine beelden van Osiris en Isis die ze in een kleine heiligdom niche bewaarde.
Tijdens dit bezoek beschreef Seti de enige keer dat hij de god Set zag, zijn naamgenoot. Als opmaat voor de ontmoeting met Set vastte hij tien dagen voordat hij de Kapel van de Grote Kracht binnenging, waar de god verscheen met "een schoonheid die niet kan worden beschreven". Toen Seti voelde dat hij de geest was van alles wat wreed en kwaadaardig was, vluchtte hij voor het geluid van spottend gelach van de god, om Set nooit meer te dienen. Hij adviseerde dat "men een kwaadaardig wezen niet mag dienen, zelfs als het een goed of nuttig attribuut of een goede functie lijkt te hebben."
In de daaropvolgende weken bezocht Seti haar verschillende keren en vertelde over Atlantis (een Kretenzer had hem ooit verteld dat de eilanden van de Egeïsche Zee de toppen van bergen waren van een groot land dat in de Middellandse Zee was verzonken).
Omm Sety meldde dat Seti I tijdens zijn nachtelijke bezoeken aan haar antipathie bleef voelen jegens Achnaton en hem omschreef als een "slechte man". (Cott, blz. 115)
Donald Redford nodigde Omm Sety uit om te verschijnen in de documentaire "The Lost Pharaoh", waarin ze haar beschrijving van Akhenaton geeft, inclusief een negatieve kijk op de religieuze revolutie die hij probeerde (waarbij hij werd vergeleken met de ayatollah Khomeini – "een fanaticus"), een standpunt dat in grote lijnen gedeeld wordt door geleerden zoals Seton-Williams en Redford.



Zoals we hoger zagen zei deze Redford :
“Er is weinig of geen bewijs ter ondersteuning van het idee dat Achnaton een voorloper was van het regelrechte monotheïsme dat we in de Bijbel aantreffen. Het monotheïsme van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament had zijn eigen afzonderlijke ontwikkeling, die meer dan een half millennium na de dood van de farao begon."

. Met de laatste zin kunnen we als antroposoof niet akkoord gaan.
Het monotheïsme van de Hebreeuwse Bijbel had weliswaar zijn eigen afzonderlijke ontwikkeling maar de link met het Egyptisch wijsheidsgoed wordt door Rudolf Steiner op verschillende plaatsen geschetst.
Zo bvb. in GA 108, in een voordracht over de tien geboden (Stuttgart, 1 december 1908) beschrijft hij de doorlopende lijn in de geschiedenis tot Mozes.

“Voor het volk der Semieten dat in zijn jeugd in feite de school van de Egyptische cultuur had doorlopen en dat de grote gebeurtenis moest voorbereiden waardoor het geestelijke, de Christus, in de fysieke wereld is neergedaald – niet zoals Osiris slechts tot het astrale vlak, maar als Christus, naar het fysieke vlak afdaalde – voor dit volk mocht een god niet als gelijkenis, als symbool leven zoals bij de oude Indiërs, noch mocht het een god vereren in een zintuiglijk-bovenzinnelijk beeld zoals in de Perzische cultuur, noch in het beeld van een astrale wezenheid zoals in de Egyptische cultuur, maar enkele en alleen onder de niet-zintuiglijke voorstelling van het Ik.
Alle beelden die oorspronkelijk aan de oude Indiërs gegeven waren om zich het geestelijke voor te stellen waren ontleend aan de fysieke wereld, aan het minerale rijk; het waren beelden die uitgedrukt werden in fysiek-minerale vormen. De beelden waarin de ingewijden van de Perzische cultuur hun volk het bovenzinnelijke duidelijk maakten stamden uit datgene wat ook in het menselijk etherlichaam leeft, het levend-etherische, want ook Ahura-Mazdao was voor hen zichtbaar doordat hij zich in zijn etherische vorm, de zonne-aura, manifesteerde. Osiris werd in een astraal beeld voorgesteld bij de Egyptenaren.
Maar de godheid die zich aankondigde bij het Joodse volk mocht geen andere eigenschappen hebben dan die van het Ik, het vierde onderdeel van de menselijke constitutie. Met het Ik vat de mens iets wat alleen tegen zichzelf “Ik” kan zeggen. Daarmee was nog iets anders verbonden.

De mens moest vanaf nu de opdracht van Mozes in zich laten stromen; het was de bedoeling dat hij zich de godheid voorstelde in het beeld van dit “Ik”. Van nu af aan moest aan de mens gezegd worden : net zoals een Ik in iedere mens leeft en heerser is over alle onderdelen van de mensennatuur, zo moet gij u het wezen voorstellen dat in de wereld als scheppend wezen weeft en leeft en heerst en regeert over al het geschapene. Geen enkel zintuiglijk beeld, noch een ether- of astraal beeld kan dit weergeven. Alleen in de vorm van het “Ik”, enkel onder de naam “Ik ben die Ik ben” moet gij u het hoogste wezen voorstellen.

In het Ik-ben zelf moest de mens een beeldgelijkenis van de godheid gewaarworden. Dat was de opdracht, de missie van Mozes, tegen de mens te zeggen : kijk in je binnenste, daar alleen vind je een werkelijk getrouw beeld van de echte godheid. Vandaar dat ieder verkeer tussen de mensen van nu af aan ook alleen maar van Ik tot Ik mag verlopen. Dat moest voorbereid worden door de missie van Mozes.

Laten we ons nog eens in de Egyptische cultuur verplaatsen. Daar was veel interactie van mens tot mens maar dat ging niet van Ik tot Ik, maar van astraal lichaam tot astraal lichaam. Wat wil dat zeggen ? Bedenkt u hoe zulke gigantische pyramides gebouwd werden. Een grote mensenmassa was nodig om zo’n pyramide te laten verrijzen. De arbeiders voerden de instructies uit van de bouwmeesters, en dat waren de tempelpriesters, de geestelijke leiders van de cultuur. Geloof maar niet dat de instructies zo gegeven werden zoals men tegenwoordig opdrachten geeft, van Ik tot Ik. Dat was niet het geval. U zult het best begrijpen wat toen gebeurde als ik het woord “suggestie” gebruik. Er werden krachten van psychische aard gebruikt om de massa te leiden. De Egyptische priesters beheersten dergelijke krachten in hoge mate. Ze werkten niet op het Ik door te zeggen : doe dit of dat, - nee, ze werkten in op de massa zoals iemand doet die beschikt over psychische krachten, zodat de mensen willoos naar de priesters luisterden, het Ik speelde geen rol.

De priesters stonden als ingewijden zelf in een hoger dienstverband. Deze krachten mochten absoluut niet misbruikt worden, ze waren in de dienst van het goede gesteld. Het waren dus ingevingen, psychische ingevingen waardoor zij werkten en van vrijheid van het Ik t.o.v. de tempelpriesters was er geen sprake.
Als u dat verstaat dan begrijpt u ook dat in het oude Indië de heilige Rishi’s in nog hogere mate spirituele krachten gebruikten. Bij hen was het zo : als zij verschenen en belangrijke verkondigingen uit de geestelijke wereld gaven, dan was het vanzelfsprekend dat het hele volk hen willoos volgde. Net zoals bij ons de hand het hoofd volgt, zo volgden de grote mensenmassa’s hun leiders, de ingewijden.
Dit soort beïnvloeding verminderde in de loop der tijden naarmate de mens dieper in het fysieke niveau neerdaalde, maar in het oude Egypte leefden deze psychische krachten nog heel sterk. Het was nu de opdracht van Mozes om de mensen uit dit soort invloed weg te leiden en een begin te maken met de confrontatie met het Ik. In iedere mens de goddelijke oerbron te zoeken, het grote wereld –Ik te aanschouwen, het Ik dat doorheen de ruimte golft en weeft als een oerbeeld van het eigen Ik, dat was de grote opdracht die verbonden was met de missie van Mozes.”


Hieruit begrijpen we dat Echnaton iets achterhaald nieuw leven wilde inblazen, namelijk de geest van het oude Perzië. In zijn tijd waren de Egyptisch mysteriën al serieus in verval geraakt, maar teruggrijpen naar het voorgaande, zoals ook Julianus Apostata wilde doen, was een verloren zaak.
In GA 144, de 3de voordracht (Berlijn 5 februari 1913) lezen we :

“Er was een groot verschil – dit blijkt ook uit de Akasha-kronieken wanneer men terugkijkt naar de oudheid – tussen de ervaringen van de Egyptische ingewijde in de oude Egyptische tempels en wat hij later meemaakte.

Laten we voor ogen houden wat de ingewijde in deze latere tijden heeft ervaren. Hij kon nog steeds door de uitgestrekte ruimten van het universum naar de grenzen van het bestaan ??worden geleid; daar kon hij alle wezens ontmoeten die de fysieke en etherische lichamen van de mensen vormen; daar kon hij de oevers van het Zijn naderen en het visioen hebben van de zwijgzame en zwijgende Isis, en in haar de Kosmische Warmte ervaren die voor de mens de krachten bevat die leiden van de dood naar een nieuwe geboorte. Daar kon hij ook kennismaken met het Licht dat de ziel verlicht tussen de dood en een nieuwe geboorte; en het verlangen ontstond om het Kosmische Woord en de Kosmische Harmonie te horen; verlangen leefde in de ziel als zij zich verenigde met de zwijgzame zwijgende Isis. Maar de Godin bleef zwijgen ! In dat latere tijdperk kon geen Osiris geboren worden, geen Kosmische Harmonie weerklonk, geen Kosmisch Woord verkondigde dat wat zich nu alleen nog manifesteerde als Kosmische Warmte en Kosmisch Licht. En de ziel van de aspirant kon zich niet uitdrukken, de ervaringen konden niet anders worden uitgedrukt dan door iets als het volgende te zeggen: "Zo, o Godin, kijk ik in verdriet naar u op, gekweld door de dorst naar kennis, het verlangen naar kennis, en u, u blijft zwijgend en sprakeloos tegenover de gekwelde en door verdriet beladen ziel. En deze ziel, omdat zij zichzelf niet begrijpt, lijkt voor zichzelf alsof ze is uitgedoofd, alsof ze haar eigen bestaan ??moet verliezen."

En door haar treurende gelaat drukte de Godin haar machteloosheid uit om het Kosmische Woord en de Kosmische Harmonie voort te brengen. De aspirant zag in haar dat zij beroofd was van de kracht om Osiris voort te brengen en hem aan haar zijde te hebben, Osiris als Zoon en Echtgenoot. Hij voelde dat Osiris van Isis was weggerukt.

Degenen die deze inwijding hadden ondergaan en terugkeerden naar de fysieke wereld, hadden een ernstige maar berustende kijk op de wereld. Ze kenden haar, de Heilige Isis, maar ze voelden zich "Zonen van de Weduwe". En het moment tussen de oude inwijding, waarin men de geboorte van Osiris kon ervaren in de oude Egyptische mysteriën, en het moment waarop men alleen de zwijgende, rouwende Isis ontmoette en een Zoon van de Weduwe kon worden in de Egyptische mysteriën; het moment dat deze twee fasen van de Egyptische inwijding scheidt – wanneer was dat ? Het was de tijd waarin Mozes leefde. Want het karma van Egypte vervulde zich zo dat Mozes niet alleen in de Egyptische mysteriën werd ingewijd, maar ze ook met zich meenam. Toen hij zijn volk uit Egypte leidde, nam hij het deel van de Egyptische inwijding mee dat de Osiris-inwijding toevoegde aan de rouwende Isis, zoals zij later werd. Zo verliep de overgang van de Egyptische beschaving naar die van het Oude Testament.

Waarlijk, Mozes had het geheim van Osiris, het geheim van het Kosmische Woord, weggedragen ! En als hij de machteloze Isis niet had achtergelaten, had dat grote, betekenisvolle Woord, "IK BEN DE IK BEN" ("Ejeh asher Ejeh"), niet voor hem kunnen weerklinken op de manier waarop hij het moest begrijpen ter wille van zijn volk. Zo werd het Egyptische Mysterie overgedragen op het oude Hebreeuwse Mysterie.” .


De grote inspiraties voor de derde cultuurperiode waren begonnen rond het jaar 2907 v.C.
Dat betekent dat de tijd van Echnaton al een tijd van verval was, de farao’s waren niet meer de grote ingewijden van vroeger, de mysteriën spraken niet meer zoals in de begintijd.
Rudolf Steiner heeft het moment dat een omslag plaatsvond uitgebeeld in zijn vierde mysteriedrama “Het ontwaken van de ziel”.
In het zevende en achtste tafereel zien we scènes uit het oude Egypte van rond de 12de eeuw v.C. dus de tijd na Ramses II.

We nemen de samenvatting over uit de tekst van Marc Nauwelaerts over de mysteriespelen.


“In het zevende beeld ontmoeten we de farao die tevens offerwijze van de tempel is in gesprek met enkele tempelmedewerkers. Er zal binnenkort een inwijdingsceremonie voltrokken worden. De farao is er niet erg gerust in. Hij heeft geen vertrouwen in de inwijdingskandidaat. Volgens hem is die niet voldoende gelouterd en nog te sterk aan het lichaam gebonden. Zijn spiritualiteit is maar een dun laagje vernis dat vlug zal verdampen als het vuur van de passie terug oplaait. De farao is een vorige incarnatie van Capesius. De neofiet is niemand anders dan een mannelijke incarnatie van Maria.

In het achtste beeld staan we dan in de binnenruimte van de tempel en maken we de hele inwijdingsceremonie mee. Het is een indrukwekkend beeld dat ons terug verplaatst in lang vervlogen tijden. Voor de inwijding begint valt ons oog nog op een jonge, mooie Egyptische vrouw die smachtend voor de tempelpoort staat. Zij is buitengesloten. Haar geliefde werd haar voor altijd afgenomen omdat hij de nodige begaafdheid leek te bezitten om ingewijd en raadsheer van de farao te worden. Haar geliefde is de neofiet uit het zevende beeld. De jonge vrouw is een vrouwelijke incarnatie van Johannes Thomasius.

De lange inwijdingsprocedure wordt uitvoerig beschreven. Vooreerst krijgen we een inwijding in de vier aarde elementen: aarde, water, lucht en vuur. Vervolgens komen we tot de eigenlijke kern van het inwijdingsceremoniëel. De kandidaat moet zich minutenlang stilzwijgend op een vlam concentreren en vervolgens luid verkondigen wat hij in het wereldwoord schouwt als de hoogste offerwijze ( vroegere incarnatie van Benedictus ) hem daartoe het teken geeft. Tijdens de concentratie van de neofiet moet de offerwijze zich innerlijk concentreren op een magisch woord.

Nu gebeurt iets heel merkwaardigs. Als na een lange pauze de kandidaat verzocht wordt te spreken verkondigt hij niet de verhoopte kosmische belevenissen maar vertelt zijn eigen buitenlichamelijke ervaringen en de vreugde die hij daaraan heeft beleefd. De consternatie is groot! Voor de hele priesterkring klinkt dit als een heiligschennis. Deze mislukking is alleen mogelijk als de offerwijze het begeleidende krachtwoord niet zou gedacht hebben. Dit blijkt inderdaad zo te zijn. De inwijding is dus mislukt. De offerwijze die deze “niet-daad” stelde krijgt vrijwel zeker de doodstraf ook als is hij farao. Waarom heeft de offerwijze deze moedige daad gesteld? Hij ziet dat de Mysteriën decadent geworden zijn en een nieuwe tijd aanbreekt. De morgenzon gloort reeds aan de horizon van Hellas. De nieuwe mens moet zich niet meer laten denken, maar zelf denken. Het transcendente moet immanent worden.”


Dus volgens Rudolf Steiner veranderde rond de twaalfde eeuw v.C. de relatie van de mens tot het goddelijke. De moderne egyptologie schijnt dat te bevestigen :

Sommige egyptologen, zoals Jacobus Van Dijk en Jan Assmann, geloven dat met de regering van Achnaton en de Amarna-periode een geleidelijke afname van de macht van de Egyptische regering en de positie van de farao in de Egyptische samenleving en het religieuze leven begonnen. De religieuze hervormingen van Achnaton ondermijnden de relatie die gewone Egyptenaren hadden met hun goden en hun farao, evenals de rol die de farao speelde in de relatie tussen het volk en de goden. Vóór de Amarna-periode was de farao de vertegenwoordiger van de goden op aarde, de zoon van de god Ra en de levende incarnatie van de god Horus, en hij handhaafde de goddelijke orde door rituelen en offers en door de tempels van de goden in stand te houden. Bovendien konden Egyptenaren, ook al hield de farao toezicht op alle religieuze activiteiten, een verbinding krijgen met hun goden via regelmatige feestdagen, festivals en processies. Dit leidde tot een schijnbaar nauwe band tussen mensen en de goden, vooral de beschermgod van hun respectievelijke dorpen en steden.

Achnaton verbood echter de aanbidding van goden behalve Aten. Hij verklaarde ook dat hij de enige was die Aten kon aanbidden, en eiste dat alle religieuze devotie die voorheen jegens de goden werd getoond, op hemzelf gericht zou zijn. Na de Amarna-periode, tijdens de 19de en 20ste dynastieën - ongeveer?270 jaar na de dood van Achnaton kwam de relatie tussen het volk, de farao en de goden niet zomaar terug op de praktijken en overtuigingen van vóór Amarna. De aanbidding van alle goden keerde terug, maar de relatie tussen de goden en de aanbidders werd directer en persoonlijker. In plaats van via de farao te handelen, begonnen de Egyptenaren te geloven dat de goden rechtstreeks in hun leven tussenbeide kwamen, de vromen beschermden en criminelen straften. De goden vervingen de farao als hun eigen vertegenwoordigers op aarde. De god Amon werd opnieuw koning onder alle goden. Volgens van Dijk "was de koning geen god meer, maar was god zelf koning geworden. Toen Amon eenmaal als de ware koning was erkend, kon de politieke macht van de aardse heersers tot een minimum worden beperkt." Bijgevolg bleven de invloed en macht van het Amon-priesterschap groeien tot de 21ste dynastie, ong.?1077 v.C., en tegen die tijd waren de Hogepriesters van Amon de feitelijke heersers over delen van Egypte.
(vertaling van het Engelse artikel over Echnaton op Wikipedia )

.

Blijft nu nog altijd de vraag waarom Rudolf Steiner nooit over Echnaton gesproken heeft want die figuur lijkt toch een speciale plaats in te nemen in de Egyptische cultuurgeschiedenis. We kunnen daar enkele verklaringen voor vinden.

Zelfs als Echnaton een eerste impuls aan het monotheïsme zou hebben gegeven, dan is dat alleen maar interessant voor wie gelooft dat het monotheïsme een hogere ontwikkelingstrap is in de geschiedenis van de mensheid. Maar zoals we hierboven zagen moest Mozes zijn volk het Ik-principe leren naar waarde schatten. We weten dat de mensheid tot aan het Mysterie van Golgotha steeds dieper in de materie neerdaalde en het jodendom was in feite het laagste dieptepunt. Alles bij hen was gericht op de aarde, ze geloofden niet in een bestaan van de ziel in een hiernamaals; als een mens sterft, dan blijft hij volledig dood tot wanneer hij verrijst op de Laatste Dag (wat ook Martha geloofde en tegen Jezus zei toen Lazarus dood was). En zolang hij leeft streeft hij naar aardse goederen, een eeuwig verlangen naar de vleespotten van Egypte. Daarom heeft de Christus een fysieke drager uit dit volk gekozen.
De andere volkeren waren nog niet zo aards-fysiek geworden als de joden. Monotheïsme als het aanbidden van één enkele godheid was het dieptepunt in de mensheidsontwikkeling, de volgende neergaande stap, het aanbidden van een menselijk wezen als een god, zagen we pas bij de Romeinse keizers.

Daarom had Rudolf Steiner geen enkele reden om aandacht te besteden aan het monotheïsme als dusdanig. Antroposofie is niet monotheïstisch en dat was wat de traditionele christenen hem verweten. Verschillende keren sprak hij de ongemakkelijke waarheid uit : als de diepgelovige protestanten en katholieken bidden tot God, dan richten ze zich in feite enkel maar tot hun eigen Engel, de engel die hen door het leven begeleidt, ze maken zichzelf wijs dat ze tot een hoger wezen spreken. (We gaan daar in de volgende Brug wat dieper op in).

In Steiners tijd was Echnaton nog niet zo bekend. Het was pas in 1891 dat Amarna werd blootgelegd, ook Achet-aton genoemd, de nieuwe hoofdstad die Echnaton bouwde voor de aanbidding van Aten. Tot dat moment was Echnaton een obscure farao in de lange reeks farao’s. Pas in 1907 werd een mummie opgegraven die Achnaton zou kunnen geweest zijn ( in de Vallei der Koningen ). Genetische testen hebben aangetoond dat de man begraven in graf KV55 de vader van Toetanchamon was maar de identificatie ervan als Achnaton is sindsdien in twijfel getrokken.
Steiner heeft ook nauwelijks iets over farao’s gezegd, we vinden in zijn verzameld werk niets over Ramses of Cheops.

Daarnaast mogen we ook niet vergeten dat Rudolf Steiner pas in 1924 begon met zijn esoterische beschouwingen van karmische verbanden en hij ermee moest ophouden wegens zijn totale uitputting. Hij heeft dus bijlange niet alles gezegd wat hij nog had willen zeggen.
Over Julianus Apostata heeft hij weliswaar al in 1910 gesproken maar die individualiteit had een bepaalde geestelijke opdracht, namelijk de oude wijsheid te bewaren toen de Kerk alle sporen daarvan wilde uitwissen (Stuttgart, 30 december 1910 ). In GA 126 lezen we :

“Maar als een leerling van mysteriën die op het einde van hun werkzaamheid waren gekomen, kon hij zich niet goed in zijn tijd oriënteren en daarom ging zijn weg naar het martelaarschap van een ingewijde die niet meer goed weet welke geheimen verborgen moesten blijven en welke mochten meegedeeld worden.”

En ten slotte is het ook mogelijk dat Steiner dingen wist maar liever niet uitsprak omdat ze te controversieel waren. We zagen dat zelfs Freud geloofde dat het boek Exodus een correcte weergave was van de Egyptische tijd van het Joodse volk hoewel kritische denkers als Spinoza en Voltaire al lang hadden gewezen op een reeks tegenstrijdigheden in het Mozesverhaal.
Als men de bijbel leest met het rationeel, logisch verstand van onze tijd, dan is het gemakkelijk om daar absurde zaken te vinden. We hebben in De Brug nr. 11 al eens aangehaald wat Bertrand Russel vond van Jezus toen Hij een vijgeboom liet verdorren omdat die geen vruchten droeg, terwijl tegelijk gezegd wordt “want het was niet de tijd van de vruchten”. Rudolf Steiner legt uit hoe we deze scène moeten begrijpen. Zo legt hij ook uit hoe we moeten begrijpen wat er bedoeld wordt met de zeven maagden die Mozes ontmoette toen hij in het land Midian woonde. Hij voegt eraan toe :
“Ik weet wel dat hiermee iets gezegd wordt waaraan vele aanstoot gaan nemen.”
(in GA 60, de voordracht over Mozes – Berlijn, 9 maart 1911)
Want vele toehoorders geloofden nog letterlijk alles wat in de bijbel staat.
Ook in de GA 126 “Okkulte Geschichte”, wanneer hij spreekt over wat Tycho de Brahe allemaal nog wist, horen we :

“Het laatste woord is ook nog niet gezegd over het Copernicaans wereldbeeld. De latere mensheid zal zich nog wel bezighouden met de strijd tussen de twee systemen ( nl. Ptolemeïsch en Copernicaans). Maar dat even tussen haakjes want het is te paradox voor de huidige tijd.”

En zo is het ook mogelijk dat Rudolf Steiner wel dingen wist over Echnaton, maar het niet opportuun vond om het te vertellen omdat het te choquerend zou geweest zijn voor bijbelgelovers.
Nu, in de tijd van het internet is er gelukkig ruimte genoeg om controversiële zaken aan het publiek voor te stellen. Zo zijn er bvb. mensen die menen genoeg aanwijzingen te hebben om te concluderen dat Echnaton en Mozes dezelfde persoon zijn. In Brug 105 zagen we dat Mozes later gereïncarneerd zou zijn als Goethe en volgens Steiner was de ziel die in Goethe leefde ooit een Egyptische ingewijde. We hebben er toen ook op gewezen dat de naam Mozes toch opvallend Egyptisch klinkt, denk aan farao Thoet-mosis. Aangezien de hele egyptologie nog altijd een puzzelwerk is en er nog zo veel discussie is over de Egyptische geschiedenis ( en ook over de vroege Hebreeuwse geschiedenis) laten we nu iemand aan het woord die de stelling verdedigt dat Mozes en Echnaton dezelfde persoon zijn. Het klinkt eigenlijk wel overtuigend.

Origineel op https://egyptianwisdomcenter.org/moses-and-akhenaton-2/



.

Mozes en Akhenaton

De oude Egyptenaren geloofden in Eén God die zelfgeproduceerd, zelfbestaand, onsterfelijk, onzichtbaar, eeuwig, alwetend, almachtig, enz. was. Deze Ene God werd vertegenwoordigd door de functies en attributen van het “Zijn”-domein. Deze attributen werden de neteroe (uitgesproken net-er-u, mannelijk enkelvoud: neter; vrouwelijk enkelvoud: netert) genoemd. Met andere woorden, de AL (neteroe) is de Ene.

Als we vragen: “Wie is God?”, vragen we in feite: “Wat is God?”. Alleen een naam of zelfstandig naamwoord vertelt ons niets. Men kan “God” alleen definiëren door de veelheid van “Zijn” attributen/kwaliteiten/machten/acties. “God” kennen betekent de talrijke kwaliteiten van “God” kennen. Dit is verre van een primitieve, polytheïstische vorm, maar de hoogste uitdrukking van monotheïstische mystiek.

De oude Egyptenaren gebruikten picturale symbolen om de goddelijke eigenschappen en daden weer te geven. Zoals het gezegde luidt: “, een foto is duizend woorden waard.” Als gevolg hiervan werden de figuren van Isis, Osiris, Horus, Mut, enz. de symbolen van dergelijke attributen/functies/krachten/energieën, en waren ze nooit bedoeld om als echte personages te worden beschouwd.

In de Egyptische symboliek wordt de precieze rol van de neteroe (goden/godinnen) op vele manieren onthuld: door kleding, hoofdtooi, kroon, veer, dier, plant, kleur, positie, grootte, gebaar, heilig object (bijvoorbeeld dorsvlegel, scepter, staf, ankh), enz. Een gekozen symbool vertegenwoordigt die functie of dat principe op alle niveaus tegelijkertijd—van de eenvoudigste, meest voor de hand liggende fysieke manifestatie van die functie tot de meest abstracte en metafysische. Deze symbolische taal vertegenwoordigt een schat aan fysieke, fysiologische, psychologische en spirituele gegevens in de gepresenteerde symbolen.
Degenen die geen begrip hebben van de Egyptische monotheïstische mystiek spreken Akhenaton snel uit als de eerste monotheïst. Akhenaton verheerlijkte namelijk één Egyptische neter (god) Aton—de schijf van de zon - boven de andere neteroe (goden/godinnen).
Evenzo verklaarde de God van Mozes : ... tegen alle goden van Egypte zal ik het oordeel voltrekken; Ik ben de Heer. [Exodus, 12:12]

Alles wijst erop dat Akhenaton de historische figuur is die in het Oude Testament wordt geïdentificeerd als Mozes. Dit bewijs wordt hieronder beschreven.

In Egypte vertegenwoordigde de koning altijd het goddelijke in de mens. Akhenaton dacht dat hij het was, Akhenaton de man, die Goddelijk was. Maar het Goddelijke is zowel mannelijk als vrouwelijk, en de zogenaamde “Amarna kunst” beeldt Akhenaton af als zowel mannelijk als vrouwelijk. Er zijn portretten die Akhenaton met vrouwelijke borsten uitbeelden, maar andere portretten bevatten dit kenmerk niet. Het meest meeslepende portret is te vinden in de Akhenaton-kamer in het Egyptisch Museum in Caïro. Een van de naakte kolossen toont de koning als onmiskenbaar androgyn. In deze verbazingwekkende kunst is een alomtegenwoordige, opzettelijke seksuele symboliek geschreven die hem tegelijkertijd afbeeldt als zowel een man als een vrouw. Zijn standbeeld toont een unisex mens die de Volmaakt Ene vertegenwoordigt, die noch mannelijk noch vrouwelijk is.

Sigmund Freud schreef in zijn boek “Mozes en het monotheïsme”dat Mozes een Egyptenaar was, een volgeling van Akhenaton, die later de Joden uit Egypte leidde. Ook al vertelt de Bijbel (in Exodus, 2:10) ons dat Mozes’ Egyptische geadopteerde moeder hem Moshe noemde omdat, zei ze, “Ik trok hem uit het water”, Freud toonde aan dat Moshe een andere betekenis had. Sterker nog, de naam Moshui is de Hebreeuwse naam die betekent een die is uitgetrokken. Het was toen Freuds conclusie dat de naam van de Joodse leider niet van Hebreeuwse oorsprong was, maar eerder van Egyptische oorsprong.

Mos maakt deel uit van vele samengestelde Oud-Egyptische namen zoals Ptah-mos en Tuth-mos. We vinden ook enkele voorbeelden van het woord mos dat op zichzelf gebruikt worden als persoonlijk voornaamwoord en wat betekent rechtmatige persoon. Een dergelijke praktijk was gebruikelijk tijdens de 18e dynastie.
Vele generaties later en in een ander land probeerde een bijbelredacteur, die misschien geen enkele kennis had van de oorspronkelijke naam ‘Mozes’, een Hebreeuwse uitleg van de naam te geven. Het is ook mogelijk dat de bijbelse redacteur elke mogelijke link tussen Mozes en zijn positie als farao van Egypte probeerde weg te versluieren.
De bevindingen van Sigmund Freud (dat Mozes geen Hebreeër was, maar een Egyptenaar) brachten sommigen van streek en maakten anderen woedend. Maar naarmate de decennia vorderden, is Freuds concept verzonken in het bewustzijn van het westerse denken, en aan het begin van het nieuwe millennium lijkt het niet langer schandalig.

Parallellen tussen de historische oud-Egyptische farao Akhenaton en de bijbelse verslagen van Mozes:


Er waren heel veel neteroe (goden, godinnen) in Egypte. Aton behoorde tot deze veelheid aan goden en was geen nieuw idee, maar werd geïntroduceerd door Akhenaton. Archeologisch bewijs van Aton wordt gevonden in oud-Egyptische teksten die dateren uit de tijd van de 12e dynastie, 600 jaar voordat Akhenaton werd geboren.
Het beeld van Aton wordt gepresenteerd als een zonneschijf waarvan de stralen eindigen in menselijke handen.
Akhenaton verhief Aton boven de andere aspecten/machten/neteroe van de Ene Allerhoogste God.

Adonai in het Hebreeuws betekent Mijn Heer. De laatste twee letters ‘ai’ van het woord is een Hebreeuws voornaamwoord dat betekent ‘mijn’ en het verwijst naar bezit. ‘Adon’, betekenis Heer, werd door Sigmund Freud terecht herkend als het Hebreeuwse woord voor de Egyptenaar Aton/Aten. Want de Egyptische ‘t’ wordt ‘d’ in de Hebreeuwse taal, Adon is het Hebreeuwse equivalent van het Egyptische Aton. Dus, Adon en Aton/Aten zijn één en dezelfde.

De oude Egyptenaren hadden talloze hymnen voor al hun goden, inclusief Aton. Een van deze hymnen aan Aton wordt vaak toegeschreven aan Akhenaton en is een spiegelbeeld van Psalm 104.

Hymne aan de Aton
Het vee is tevreden in zijn weiland, de bomen en planten zijn groen, de vogels vliegen uit hun nesten. Hun vleugels zijn opgeheven ter ere van je ziel. De geiten springen op hun voeten. Alle vliegende en fladderende dingen leven als je voor ze schijnt. Op dezelfde manier varen de boten de rivier op en af, en elke weg is open, omdat je bent verschenen. De vissen in de rivier springen voor je gezicht. Je stralen gaan naar de diepte van de zee.

Psalm 104
Hij zorgt ervoor dat het gras groeit voor het vee, en het kruid voor de dienst van de mens: zodat hij voedsel uit de aarde mag voortbrengen; en wijn die het hart van mens blij maakt en olie om zijn gezicht te laten stralen, en brood dat versterkt het hart van de mens. De bomen van de Heer zijn vol sap: de ceders van de Libanon die hij heeft geplant: waar de vogels hun nesten maken: wat de ooievaar betreft, die maakt dennenbomen tot zijn huis. De hoge heuvels zijn een toevluchtsoord voor de wilde geiten; en de rotsen voor de kegels.. Dat geldt ook voor deze grote en brede zee, waarin talloze dingen kruipen, zowel grote als kleine beesten. Daar gaan de schepen.

De gelijkenis van volgorde en van beelden in beide composities is te opvallend om toeval te zijn. Als zodanig geloven velen dat de eerdere Egyptische hymne bekend moet zijn geweest bij de latere Hebreeuwse schrijver.
Akhenaton koos de Heliopolitaanse zonnevorm van de Egyptische tempel om te gebruiken als plaats voor de aanbidding van de Aton.
Evenzo was Mozes de eerste persoon die een tempel in de Israëlitische eredienst introduceerde toen hij het tabernakel in de Sinaï schiep.
Akhenaton zette de Egyptische praktijk van een heilige boot voort, die gewoonlijk in de tempel werd bewaard.
Mozes nam ook de ark aan, waar de Pentateuch-rollen werden bewaard (Exodus, 25:10). De ark wordt gerespecteerd als het tweede heiligste deel van de Joodse tempel, na de Pentateuch zelf.
Akhenaton zette het Egyptische priesterschapssysteem en de bijbehorende rituelen voort. Er was geen Israëlitisch priesterschap vóór de tijd van Mozes. Rituelen en aanbidding van het nieuw opgerichte Hebreeuwse priesterschap waren vergelijkbaar met die in de tijd van Akhenaton. Mozes rangschikte het priesterschap in twee hoofdniveaus: de hogepriesters en de gewone priesters. Er werden instructies aan hen gegeven over hun specifieke kleding, zuivering, zalving en hoe ze het beste de taken van hun ambt konden vervullen.
Aan de overkant van de Nijl, van Tell-el Amarna, ligt de stad Tell-el Amarna Mal-lawi (Mal-Levi), wat letterlijk betekent De Stad van de Levieten. De Levieten bekleedden priesterlijke functies bij Akhenaton in Amarna. Evenzo bekleedden de Levieten priesterlijke functies bij Mozes, volgens de Bijbel. De twee hoogste priesterambtenaren van Akhenaton waren :
1. Meryre II, die de Hogepriester was van de Aton bij de Amarna tempel.
2. Panehesy, die de hoofddienaar was van de Aton bij de tempel van Akhenaton in Amarna.

Evenzo waren Mozes’ twee hoogste priesterambtenaren :
1. Merari, die in Genesis, 46:11 wordt beschreven als een van de zonen van Levi. Het Egyptische equivalent van Merari is Meryre.
2. Pinehas, die de zoon was van Eleazar en kleinzoon van Aäron volgens Exodus, 6:25. Zijn naam in de Talmoed is Pinhas. Het Egyptische equivalent van zijn naam is Panehesy.

Het is dus evident dat we te maken hebben met dezelfde hoge functionarissen die Akhenaton dienden in Amarna en hem daarna vergezelden naar de Sinaï:

De 18-jarige regering van Akhenaton was grotendeels een co-regentschap. Hij regeerde de eerste twaalf jaar samen met zijn vader Amenhotep III. Het was zeer waarschijnlijk dat de laatste jaren van zijn regering een co-regentschap waren met zijn broer Semenkhkare. Zowel zijn gedeelde als zijn rechtstreekse heerschappij over Egypte kunnen in vier fasen worden verdeeld:

1. Vroege co-regentschap
Toen de gezondheid van Amenhotep III begon te verslechteren, nam de macht van Akhenatons moeder Tiye dienovereenkomstig toe. Om de erfenis van de troon van haar zoon veilig te stellen, regelde ze dat hij trouwde met zijn halfzus, Nefertiti, die de dochter was van Amenhotep III bij Sitamun, de wettige erfgename. Het is Nefertiti die in de Bijbel wordt erkend als Miriam Moses’ zuster—, wat een veel voorkomende fout is bij de vertaling tussen een vrouw en een zus.
Om het legitieme proces van de machtsoverdracht tussen opeenvolgende farao's te omzeilen, spoorde Tiye haar echtgenoot, Amenhotep III, aan om Amenhotep IV (Akhenaton) tot zijn mederegent te benoemen. Als zodanig ontweek Akhenaton de kroningsrituelen die alleen door de priesters kunnen worden uitgevoerd.
Akhenaton werd mederegent in of rond jaar 28 van de regering van Amenhotep III.
Omstreeks jaar 33 verplaatste hij zijn woonplaats naar Tell el-Amarna, 320 kilometer ten noorden van Luxor (Thebe). Zijn regering kende twee groepen gedateerde inscripties. Eén had betrekking op de residentie Luxor (Thebe), die begon in jaar 28 van Amenhotep III. De andere was gerelateerd aan de residentie Amarna. Een correspondentie in datum, jaar na jaar, tussen de twee groepen inscripties kan gemakkelijk worden vastgesteld. Jaar 28 van Amenhotep III is bijvoorbeeld gelijk aan Jaar 1 van Amenhotep IV. Jaar 33 van Amenhotep III is gelijk aan Jaar 6 van Amenhotep IV, enz. Amenhotep III stierf in zijn Jaar 38, het Jaar 12 van Achnaton.

In zijn vijfde jaar van co-regentschap veranderde Amenhotep IV zijn naam in Akhenaton ter ere van de Aton. Vanwege het vijandige klimaat dat Akhenaton creëerde, verliet hij Luxor (Thebe) met Amenhotep III en ging wonen in Tell el-Amarna (330 km ten noorden van Luxor). Akhenaton noemde zijn nieuwe woonplaats Akhetaton, betekenis de stad van de horizon van de Aton. Dit gebied wordt ook wel Amarna/Tell el-Amarna genoemd. De naam is echter afgeleid van de naam in de tweede cartouche van Akhenatons god, namelijk. Im-rn.
Amram, of Imran, was de naam die in de Bijbel aan de vader van Mozes werd gegeven, en het is precies dezelfde naam die Achnaton aan zijn vader gaf vader, de Aton.
Nog een bevestiging dat Mozes en Achnaton één en dezelfde zijn.

2. Akhenaton werd alleenheerser nadat Amenhotep III stierf in jaar 12 van Akhenaton. Hij faalde in zijn plichten als oud-Egyptische farao om voortdurend de noodzakelijke rituelen uit te voeren om de juiste relatie en communicatie met de neteroe (de krachten van het universum) te behouden, om het welzijn van de staat te behouden en de vruchtbaarheid van de aarde te verzekeren zodat die het levensonderhoud kan voortbrengen. Het was nooit de bedoeling dat de oude Egyptische farao een heerser of leider van een leger zou zijn. Gedurende zijn regering vertrouwde Akhenaton echter volledig op de steun van het leger voor bescherming.

3. Later co-regentschap
Nu de tempels inactief waren, nam de druk toe op Akhenaton, die zijn belangrijkste functie als hoge officiële priester van alle tempels en heiligdommen negeerde. Als laatste redmiddel (of als truc) werd Akhenaton in zijn jaar 15 gedwongen zijn broer Semenkhkare als zijn mederegent in Luxor te installeren. Deze actie vertraagde alleen maar de onvermijdelijke uitkomst.
Semenkhkare verliet Amarna en ging naar Luxor (Thebe), waar hij de vijandige acties van Akhenaton ongedaan maakte en een verzoeningsproces begon met de priesters daar.
In zijn Jaar 17 verdween Akhenaton plotseling. Op of rond dezelfde tijd stierf Semenkhkare plotseling. Het co-regentschap Akhenaton en Semenkhkare werd opgevolgd door de jonge prins Twt-Ankh-Amen.

In zijn jaar 17 werd Akhenaton mogelijk door zijn oom, Aye, gewaarschuwd voor een bedreiging voor zijn leven. Hij trad af en vluchtte naar de Sinaï, met zijn volgelingen. Het plotselinge vertrek blijkt duidelijk uit het gebrek aan begrafenis, of zelfs aan sarcofagen, in een van de edele of koninklijke graven van Akhetaton.
Hoewel de Sinaï vanaf de begindagen van de Egyptische geschiedenis deel uitmaakte van Egypte, was er daar geen gevestigd bestuursgezag vanwege de schaarse en nomadische bevolking.
De plotselinge verdwijning van Akhenaton wordt weerspiegeld in het bijbelverhaal van Mozes toen hij naar de Sinaï vluchtte, nadat hij een Egyptenaar had gedood. Het verslag van hoe Mozes een Egyptenaar doodde, kan in de Amarna-tabletten zijn vermeld. Onder deze tabletten bevindt zich een brief, verzonden door AbdKhiba, koning van Jeruzalem, aan Akhenaton, waarin AbdKhiba Akhenaton ervan beschuldigt enkele Hebreeën die twee Egyptische functionarissen hebben vermoord niet te hebben gestraft :
... de Khabiru (Hebreeën) veroveren de steden van de koning ... Turbazu is gedood in de poort van Zilu (Zarw), maar de koning houdt zich in... Yaptih-Hadad is gedood in de poort van Zilu, maar de koning houdt zich in. Was de genadeslag voor de regering van Akhenaton het feit dat hij de Hebreeën niet strafte voor de twee moorden?

4. Koning zonder macht - co-regentschap met Twt-Ankh-Aton
Hoewel Akhenaton aftrad en van het toneel vluchtte, werd hij nog steeds beschouwd als de legitieme heerser. Zolang hij nog leefde, werd de farao beschouwd als de legitieme farao.
Akhenaton wilde zijn macht niet opgeven en als gevolg daarvan maakte hij (via co-regentschap) zijn 10-jarige zoon Twt-Ankh-Aton tot de officiële farao. Omdat hij minderjarig was, kon Akhenaton, zijn vader, nog vier jaar de controle behouden, en gedurende deze tijd heette de jonge farao nog steeds Twt-Ankh-Aton.
Dit “co-regentschap” eindigde vier jaar later, jaar 21 van Akhenaton, toen Aye (de oom van Akhenaton) de feitelijke bewaker van de jonge koning werd. Vervolgens verliet de jonge koning de Aton (althans officieel) door zijn naam te veranderen van Twt-Ankh-Aton naar Twt-Ankh-Amen.

Op dit moment eindigde de exclusiviteit van Aton en Akhenaton, die nog leefde in de Sinaï, was nu geen koning meer.

De ballingschap
Er is nooit bewijs gevonden met betrekking tot de datum van het overlijden van Akhenaton. De stad van Akhenaton, inclusief zijn graf, werd grondig verwoest. Archeologen waren echter in staat om uit vele kleine fragmenten de sarcofaag van Akhenaton te reconstrueren, de buitenste van een reeks doodskisten die zijn mummie zouden beschermen. De aanwezigheid van de binnenkisten zou duiden op begrafenis. Deze afwezigheid wijst anders uit. Er zijn nooit fragmenten van de binnenkist gevonden. Bovendien zijn de eigenlijke canopische potten waarin de ingewanden van de overledene zouden hebben gezeten, nooit gevonden. De afwezigheid van deze potten, of hun fragmenten, uit het graf van Akhenaton is een sterker bewijs dat hij daar nooit werd begraven.
Volgens de Talmoed vluchtte Mozes, toen hij 18 was, uit Egypte nadat hij een Egyptenaar had gedood. Daarna werd hij soldaat en vocht aan de zijde van de koning van Ethiopië. Nadat de koning had gewonnen, werd Mozes erg populair. Als gevolg hiervan werd Mozes, toen de koning stierf, aangesteld als hun nieuwe koning.
De Talmoed vertelt ons dat (net als Akhenaton) de legitimiteit van Mozes als koning de samenleving in beroering bracht. Als gevolg hiervan zegt het verslag van de Talmoed dat, hoewel het volk van hem hield en hem wilde, Mozes vrijwillig ontslag nam en uit hun land vertrok. De bevolking van Ethiopië kende hem grote onderscheidingen toe.

Er zijn veel overeenkomsten tussen het Talmoed-verhaal van Mozes en het Akhenaton-verhaal in Amarna:

- Mozes werd enige tijd tot koning verheven voordat hij naar de Sinaï ging. Akhenaton eveneens. - De Talmoed verwijzing naar Ethiopië, dat wordt beschreven als een stad, werd aangezien voor de Amarna-locatie. Het kan ook dat Ethiopië werd aangezien voor een utopia.
Het verslag van de regering van Mozes in de Talmoed geeft aan dat hij zijn post neerlegde, maar op dat moment niet stierf. De logische conclusie is dat hij stierf en buiten Egypte werd begraven, in de Egyptische buitenpost in Moab.

De dood van Mozes/Akhenaton
Het verslag in het Oude Testament dat Mozes het Beloofde Land niet kon binnengaan, zijn dood en zijn begrafenis in een ongemarkeerd graf is een andere merkwaardige episode.
In eerste instantie wordt ons verteld dat toen zijn volgelingen kloegen over dorst, Mozes zijn staf gebruikte om op een rots te slaan en water voort te brengen. Het heette “het water van Meriba” een locatie in het noorden van de Sinaï, ten zuiden van Kanaän. Het was deze actie die hem later zou achtervolgen. Enige tijd later, toen de Israëlieten hun kamp hadden opgeslagen aan de oevers van de Jordaan bij Jericho en tegenover Kanaän, hoorde Mozes volgens Deuteronomium, dat hem de kans zou worden ontzegd om de rivier over te steken, hoe hard hij ook smeekte:

Ik bid u, laat mij erheen gaan en het goede land zien dat aan de overkant van de Jordaan ligt, die mooie berg en de Libanon. ... de Heer zei: ... spreek niet meer tot mij over deze kwestie...
... Gij zult niet over deze Jordaan gaan. [Deuteronomium 3:25-7]

Later in het Boek van Deuteronomium hebben we een verslag van de werkelijke dood van Mozes. De Heer zei tegen hem:
Ga naar deze berg Abarim, naar de berg Nebo, die in het land Moab ligt (de grenzen tussen de Sinaï en Oost-Jordanië), dat is tegen Jericho; en zie, het land Kanaän, dat Ik aan de kinderen Israels tot bezit geef; En sterf op den berg ... Omdat gij mijn gebod hebt overtreden onder de kinderen Israels aan de wateren van Meriba-Kades, in de woestijn van Zin. ... Gij zult daar niet heen gaan naar het land dat Ik de kinderen van Israël geef. [Deuteronomium 32:49-52]

Het is irrationeel om te geloven dat God Mozes zou straffen voor het verstrekken van water aan zijn dorstige volk. Het is logischer om te geloven dat het betreden van Egyptische waterputten ertoe kan leiden dat de Egyptische autoriteiten hem straffen voor een dergelijke overtreding, zoals bevestigd door de Egyptische archieven.
De Egyptische farao Seti I (C. 1333-1304 BCE) ontving een bericht over de chaos in de Sinaï: De Shasu-vijanden beramen rebellie. Hun stamleiders zijn op één plek verzameld, staande aan de voet van Khor (een algemene term voor Palestina en Syrië), en ze veroorzaken onrust en opschudding. Elk van hen vermoordt zijn medemens.

Als reactie hierop leidde Seti I zijn leger onmiddellijk naar de Sinaï. De oorlogsscènes van Seti I, op de noordelijke buitenmuur van de grote Hypostyle Hall in Karnak, laten zien dat zijn eerste campagne tegen de Shasu (de stammen in de Sinaï) plaatsvond toen ze de kleine nederzettingen langs de Weg van Horus aanvielen, de oude snelweg die Egypte verbond. met West-Azië. Dit vond plaats onmiddellijk na de uittocht uit Egypte, mogelijk toen ze de Egyptische nederzettingen langs die weg binnendrongen om water te halen. Seti I achtervolgde hen tot aan de stad Kanaän, Gaza en doodde als gevolg daarvan hun leider, Mozes, en veel van zijn volgelingen. Vervolgens vluchtten ze naar de Sinaï voor wat het Oude Testament “ noemt de veertig jaar van het ronddwalen”.

Om te bewijzen dat de Shasu en de Israëlieten dezelfde groep mensen zijn, bestudeerden geleerden - Het Shasu-optreden in de Sinaï, in jaar 1 van Seti I's regering, en hun daaropvolgende bewegingen in de daaropvolgende 100 jaar. Deze informatie kwam uit oude Egyptische archieven.

- De bijbelse verslagen van de uittocht en hun daaropvolgende bewegingen gedurende 100 jaar. Geleerden concludeerden dat ze allebei dezelfde route volgden op precies dezelfde tijdvolgorde; dat wil zeggen dat de Shasu en de Israëlieten één en dezelfde groep mensen zijn.

De Talmoed geeft een ander verslag dan het Oude Testament van hoe Mozes stierf. Er is een Talmoedische verwijzing naar een confrontatie en een strijd tussen Mozes en de ‘Engel des Doods’ op de berg voordat hij stierf. Dit heeft bijbelse theologen ervan overtuigd te geloven dat Mozes was gedood. Het lijkt waarschijnlijker dat Mozes, met behulp van zijn koninklijke scepter (symbool van autoriteit), een of meer Egyptische nederzettingen langs Horus weg binnenging om water uit hun bronnen te halen. Dergelijke acties werden gerapporteerd aan Seti I, die reageerde door de Shasu, hier geïdentificeerd als de Israëlieten, de noordelijke Sinaï in te jagen. Als deze Talmoedische verwijzingen naar de dood van Mozes juist zijn, moet Seti I vóór diens dood Mozes/Akhenaton hebben geconfronteerd.


******************************

Kunnen we bij Rudolf Steiner iets vinden wat de hypothese ondersteunt dat Echnaton Egypte verliet als Mozes ?

Omdat de naam Echnaton toen nog onbekend was, kon hij niet naar hem verwijzen als een historische figuur, maar van Mozes zei hij dat die een Egyptische ingewijde was (GA117-66).
Mozes was ook een leerling van Zarathoestra. In GA 123, de cyclus over het Mattheus-evangelie, lezen we in de voordracht van 2 sep 1910, over de wisselwerking tussen Thot-Hermes en Mozes iets dat een verborgen aanwijzing zou kunnen zijn :

"Mozes was dus inderdaad de leerling van Zarathoestra. In zijn leven tijdens de Egyptische cultuur vond hij alles wat Zarathoestra hem eens had gegeven glanzend in zijn binnenste terug. Maar het was alsof hij, eenzaam op het eiland aarde levend, niet wist waar dit licht vandaan was gekomen. En zo ging hij tegemoet wat eens zon was. In Egypte ging hij de wijsheid van Hermes tegemoet, die op een directe manier de wijsheid van Zarathoestra bracht, niet teruggekaatst als bij hemzelf. En nadat hij hiervan voldoende had opgenomen, ontwikkelde de stroom van Mozes' wijsheid zich rechtlijnig verder. In de tijd van David legde hij de grondslag voor een eigen Hermes-cultuur, een eigen wetenschap en kunst.
Nu kon hij de zon tegemoet gaan waarvan hij was uitgegaan in een gedaante waarin hij om te beginnen alleen versluierd kon verschijnen."

Dus : om te beginnen alleen versluierd !

Mozes had ook het etherlichaam van Zarathoestra gekregen, lezen we in dezelfde voordracht. We weten dat het etherlichaam van een man vrouwelijk is. Vele afbeeldingen van Echnaton tonen hem als een man met vrouwelijke kenmerken ...

Mozes was bij zijn initiatie verenigd met Michaël (GA265-408), wat overeenkomt met wat Daskalos zich herinnerde toen Echnaton aan dat altaar stond en ze twee entiteiten met een menselijke gedaante zagen, uit de hiërarchie van de aartsengelen, Maha-Els en Ra-Pfa-Els ....

Dat wij het moeilijk vinden om bovenstaande reconstructie van gebeurtenissen in het oude Egypte te geloven, komt omdat wij bewust of onbewust er nog altijd van uitgaan dat het Oude Testament de geschiedenis van het joodse volk weergeeft. We hebben het in de school geleerd toen er nog het vak “Gewijde geschiedenis” gegeven werd, en ook Hollywood heeft zijn steentje bijgedragen om dit geloof te versterken door indrukwekkende films als “De tien geboden” van Cecil B. DeMille (wiens voorouders uit Vlaanderen kwamen !) die ook “Cleopatra” en “Samson en Delilah” regisseerde.
Nochtans moet men zich niet al te grondig verdiepen in heel het Exodus-verhaal om te begrijpen dat dit een soort weergave is van een ontwikkelingsweg van de ziel, en onmogelijk een accuraat historische kroniek kan zijn.

Het verhaal van Mozes die in een mandje op het water wordt gezet is een typisch inwijdingsverhaal. Zoals ook Voltaire al opmerkte kon de farao blijkbaar de Israëlieten achtervolgen met zeshonderd strijdwagens terwijl door de vijfde, zesde en tiende plaag al het vee was gestorven. Tegelijk wordt ook gezegd dat het volk dat wegtrok uit Egypte bestond uit 600.000 mannen. Als we daar vrouwen en kinderen bijtellen en “vele anderen trokken met hen mee en dan nog grote kudden kleinvee en runderen” (Ex. 12:28), dan komen we aan ongeveer drie miljoen mensen ! Die zouden dan 40 jaar in de woestijn geleefd hebben, waar voor al die dieren niet veel voedsel te vinden is, tenzij die ook manna zouden gegeten hebben.

Ook in de 21ste eeuw blijft het moeilijk voor de Westerse mens om de geschiedenis van het joodse volk kritisch te bekijken. Dat komt natuurlijk door het zionisme.
Sinds Napoleon groeide het nationalisme overal in Europa en enkele revolutionaire joden begonnen toen ook te ijveren voor een eigen staat. En hoewel ze helemaal geen orthodoxe gelovige joden waren, werd er toch gekozen voor Palestina omdat de Westerse mogendheden zonder wier hulp deze staat niet te verwezenlijken was, het gemakkelijkst te overtuigen waren met het argument van een historische aanspraak op dat gebied dat zogezegd het land van hun voorouders was.
In 1948 hebben ze dat anachronistisch ideaal kunnen realiseren en sindsdien is het politiek belangrijk om het bijbels verhaal als authentiek historisch te blijven beschouwen want de rest van de wereld kan alleen maar de misdaden die de Israëlische staat pleegt door de vingers blijven zien zolang het geloof aan de joodse aanspraak op Palestina intact blijft.
.
Het vervelende is dat er archeologisch weinig te vinden is in Palestina dat wijst op een eeuwenoude joodse cultuur. De meeste zgz. bewijzen zijn toevallig ontdekt na de oprichting van de staat Israël en verdienen nader onderzoek.
Een mooi overzicht van de problematiek met de joodse aanspraken op Palestina vonden we hier.

Er zijn in Israël geen oude joodse steden ….

maar er zijn wel talloze Griekse steden.


Er is geen enkele oud-joodse stad te vinden in het gebied dat we nu Israël noemen, geen enkele plaats waar Hebreeuwse lettertekens te vinden zijn op standbeelden of muren. Er staat ook geen enkel gebouw in de oud-joodse bouwtrant want er bestaat gewoon geen oud-joodse bouwstijl.
Als je de 2000 jaar oude steden in Israël onder de loupe neemt, dan zijn ze allemaal Grieks, de ruïnes kan je nog gaan bezoeken. De inscripties zijn in het Grieks en de bouwstijl is ook Grieks.
Hieronder een lijst van enkele bekende oude Griekse steden in en rond Israël :
Ecdippa, Seleucia, Ptolemais, Taricheia Arbela, Asochis, Sepphoris, Hippos, Dion, Sycaminum, Bucolon Polis, Itabyrium, Gadara, Abila, Dora, Comus, Gephrus, Crocodilion Polis, Caesarea, Strato's Toren, Narbata, Scythopolis, Pella, Samaria, Amathus, Ragaba, Gerasa, Apollonia, Sicima, Pegae, Joppa, Arimathea, Jamnia, Port of Jamnia, Lydda, Modiin, Aphaerema, Philadelphia, Birtha, Gazara, Beth Horon, Dok, Jericho, Samaga, Esbus, Medaba, Ladder of Tyre, Azotus, haven van Azotus, Accaron, Jerusalem, Ascalon, Anthedon, Gaza, Marissa, Beth Zur, Hebron, Adora, Engeddi.

Oude joodse steden ? Zijn er niet !
Hiernaast een interessante inscriptie uit de eerste eeuw v.C., in Griekse letters, op de tempelberg, op een steen die vreemdelingen de toegang ontzegt tot de tempelhof. Deze steen werd gevonden in 1935. Dat was feitelijk de tweede waarschuwingssteen want de eerste werd ontdekt door Charles Simon Clermont-Ganneau in 1871. Deze werd zo gevaarlijk beschouwd voor de theorie dat de joden 2000 jaar geleden in Israël woonden, dat hij 13 jaar lang onvindbaar was vooraleer hij opdook in Istanboel, waar hij, zoals men wel voorzien had, niet te veel de aandacht zou trekken :

Griekse tekst: "Geen vreemdeling mag het terrein van de tempel betreden. Wie betrapt wordt is zelf schuldig aan zijn eigen dood die het gevolg zal zijn.

The oudste synagoge in Israël (is een Griekse synagoge).

Het woord synagoge is een Grieks woord voor een verzameling van mensen, een vergadering.
Het is toch merkwaardig dat joden een Grieks woord hebben gekozen voor hun gebedshuizen. Hierboven een foto van de enige steen die ervan overgebleven is, met een inscriptie in Griekse letters, de zgn. Theodotos Inscriptie.
De steen werd ontdekt door Raimond Weill in 1913 op de Ophel-berg in Jeruzalem. Hij lag in een waterput. De stijl van de Griekse letters is die van de eerste eeuw v.C.
De tekst : "Theodotos, zoon van Vettenos, priester en archisynagoog, zoon van een archisynagoog, kleinzoon van een archisynagoog, bouwde deze synagogue om er de Wet voor te lezen en de geboden te onderwijzen, en gasthuis en kamers en watervoorraad om vreemdelingen in nood onder te brengen, in opdracht van zijn vaderen en de Ouderen en Simonides."
Theodotos is een Griekse naam, net zoals Vettanos. Archisynagogos betekent “leider van de synagoge”, dat wil dus zeggen dat op dat moment al drie generaties van Grieken leiders waren van de oudste synagoge in Israël.

Natuurlijk zijn er de Dode-Zeerollen die in Hebreeuwse karakters geschreven zijn, zogezegd 2000 jaar oud, maar dat zijn in feite de moderne Hebreeuwse lettertekens zonder de diacritische tekens.
De Dode Zeerollen zijn een mengeling van oude documenten die in een aantal grotten verborgen waren om gevonden te worden en gebruikt werden ter ondersteuning van de oprichting van Israël, een land dat alleen voor Joden bedoeld was. De belangrijkste documentvondsten bevonden zich in grotten nabij de Qumran-begraafplaats. De eerste documenten werden in 1947 "gevonden".
Israël werd opgericht in 1948.
In de decennia na de oprichting van Israël werden ook teksten ‘gevonden’ op andere locaties (Masada, Wadi Sdeir, Nahal Se’elim, Nahal Hever en Murabba’at) in de woestijn van Judea. Dit, en de Dode Zeerollen, zijn de enige echt oude (nou ja, zogenaamd echt oude) Bijbelse teksten in de Hebreeuwse taal die ooit zijn gevonden.
Alle eerder bekende Bijbelse teksten in het Hebreeuws dateren van later dan 900 na Christus.
Paul Kahle :
"Het is een bekend feit dat Hebreeuwse Bijbelse manuscripten uit de tiende en elfde eeuw zeer zeldzaam zijn. De zogenaamde Babylonische Codex van de Profeten, gedateerd 916 na Christus ,... is lang beschouwd als het oudste gedateerde manuscript van (een deel van) de Hebreeuwse Bijbel."

Voorafgaand aan de "vondsten" hadden critici gewezen op de late datum van de Bijbelse teksten in het Hebreeuws, en afgeleid dat het Hebreeuwse Oude Testament vertaald moet zijn uit het Griekse Oude Testament, en niet andersom. En dan, welwelwel, ineens een zeer actueel wonder ! De Dode Zeerollen zijn "gevonden", en gedateerd op duizend jaar eerder dan de oudste eerder bekende teksten.
De critici krijgen geen toegang tot de rollen, en zelfs geen foto's van de tekst, anders bederven ze het feest. In feite krijgen tientallen jaren lang slechts zeven geleerden toegang tot de rollen.
Dit gaat door totdat bepaalde critici dood zijn en de rollen zijn gezuiverd van alle anachronismen (zoals klinkerpunten en Arabische cijfers). Vervolgens stelt de Huntington Library in San Marino, Californië, in 1991, slechts 45 jaar na hun "ontdekking" facsimile-kopieën van de rollen voor iedereen beschikbaar.

Dus dat is, kort gezegd, de Dode Zee-rollen Hoax. Er kan echter meer worden afgeleid.
Men kan zelfs raden waar de documenten van de Dode Zee vandaan kwamen.

In het oude Caïro, Egypte, is er een zeer oude synagoge genaamd de Ben Ezra-synagoge. Zoals veel synagogen heeft het een opslagruimte, een genizah genaamd, waar versleten religieuze boeken werden opgeslagen voordat ze op de juiste manier werden begraven. In tegenstelling tot veel synagogen werden de boeken in de genizah nooit begraven, dus wachtte een schat aan oude teksten op ontdekking.
Het blijkt dat sommige documenten uit de Dode Zee vrijwel identiek zijn aan teksten uit de Caïro Genizah. Velen zijn vergelijkbaar, niet alleen qua inhoud, maar ook qua stijl en uiterlijk. Sommige hebben niet alleen dezelfde tekst, maar ook dezelfde schrijfmarkeringen. Het is dus waarschijnlijk dat veel van de Dode Zeerollen hun bron hadden in de schatkamer, dat wil zeggen de Caïro Genizah. Men vermoedt dat de Elephantine-brieven, en de Nash-papyrus, ook van de Caïro Genizah waren.

Eén document uit de Dode Zeerollen is van bijzonder belang, het zogenaamde "Damascus Document". Wereldwijd zijn er twaalf manuscripten van het "Damascus Document"; tien manuscripten uit de Dode Zeerollen en twee manuscripten uit de Caïro Genizah. Er zijn nergens anders manuscripten van het "Damascus Document".
Deze vreemde verdeling is een gevolg van de fraude.
Het is heel moeilijk uit te leggen hoe kopieën van een werk waarvan wordt beweerd dat het door geleerden in Qumran is geschreven en daar tweeduizend jaar lang in grotten verborgen is geweest, in de Genizah van Caïro terecht zijn gekomen, en nergens anders.
Zo moeilijk zelfs dat niemand een verklaring lijkt te hebben gegeven. Het "Damascus Document" werd voor het eerst gepubliceerd in 1910 door Solomon Schechter in "Fragmenten van een Zadokitisch Werk"

De Ben Ezra-synagoge werd rond 900 na Christus opgericht. De Arabieren regeerden over Egypte sinds ze de Griekse legers rond 640 na Christus versloegen. Nu bestond de synagoge (en haar joden) gelukkig en ongestoord midden in de islamitische wereld. Dus misschien waren de oorspronkelijke Joden een groep Arabieren. Dit zou verklaren waarom Hebreeuws en Arabisch zeer vergelijkbare talen zijn. Dit zou verklaren waarom de Hebreeuwse en islamitische religieuze tradities zo dichtbij elkaar liggen. En het zou ook verklaren waarom Joden met de Arabieren in Spanje opdoken. [Gelijkwaardigheid van taal en alfabet geven aan dat de hedendaagse joden ergens in de regio van Zuid-Irak, Noord-Saoedi-Arabië en Oost-Jordanië zijn ontstaan.]

Nog een paar punten:
De Bijbelse teksten uit Masada, Wadi Sdeir, Nahal Se'elim, Nahal Hever en Murabba'at (vijfentwintig teksten) zijn identiek aan de masoretische tekst van de Bijbel, de oudste bekende Hebreeuws-Aramese bijbel, geschreven tussen de 7de en 10de eeuw, ook al zijn ze zogezegd duizend jaar eerder geschreven. Dit is ongehoord en in wezen een bewijs dat middeleeuwse documenten in de woestijn zijn geplant om door anderen te worden gevonden.

Opgemerkt moet worden dat enkele Joodse geleerden, in het bijzonder Solomon Zeitlin, lange tijd stelden dat de Dode Zeerollen een middeleeuwse productie waren. Zeitlin was een bekende Talmoedgeleerde en zou dit niet gezegd hebben tenzij hij ervan overtuigd was dat het waar was. Filologisch bewijsmateriaal uit de rollen zelf duidt op een middeleeuwse productie. Zie
http://www.moellerhaus.com/Controversy/Controversy.htm

En het feit dat veel rollen op perkament zijn geschreven (90% ervan) bewijst dat dit inderdaad een middeleeuwse productie is. Het oudste perkamentmanuscript waaraan een definitieve datum kan worden toegekend, is de verhandeling van Dioscorides over medicijnen. Het wordt gedateerd 510 na Christus, of daaromtrent. De vroegst geschatte leeftijd van welk perkamentmanuscript dan ook was, vóór de Dode Zeerollen, de tweede eeuw na Christus. De mythische Qumran-geleerden waren dus niet alleen uitzonderlijke geleerden, maar blijkbaar ook grote vernieuwers.

Interessant genoeg hadden de twintig mythische Qumran-geleerden samen 36 exemplaren van de Psalmen, 26 exemplaren van Deuteronomium en 21 exemplaren van het boek Jesaja. En dit alles in een tijd waarin één boek het losgeld van een koning waard was. Wat een extravagantie! Wat een verspilling! Zo'n ongelofelijk verhaal!
Hoe dan ook, ik denk dat het duidelijk is dat de Dode Zeerollen, en de andere teksten uit de woestijn van Judea, gewoon een stelletje oude documenten zijn die in elkaar zijn gegooid, in de woestijn zijn geplant en aan een goedgelovige wereld zijn verkocht.




************************************
.



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


Terug naar het thuisblad