|
De Brug 24 van juni 1999 Zintuigen en zingeving
Storingen in het waarnemen
Meer en meer zie ik kinderen die de samenhang tussen verschillende zintuigbereiken niet meer beleven (bvb. horen en zien). Deze kinderen beschikken slechts over een beperkt aantal begrippen en vertonen een ongedifferentieerd en verarmd gevoelsleven; ze ervaren de verschijnselen van de zintuiglijke wereld zonder samenhang, achter de oppervlakte kunnen ze geen diepte waarnemen. Deze kinderen hebben geen toegang tot de diepere zin achter de fenomenen van deze wereld. Het verbinden der waarnemingen wordt moeilijk
Voor iedere activiteit van de ziel vinden we een gelijklopende activiteit in de zenuwen en de hersenen. Dit is onontbeerlijk als we de wereld in ons innerlijk willen opnemen.
Dit actieve verweven maakt gebruik van de fijnste zenuwbanen in onze hersenen. Neurofysiologen beschrijven ondertussen al een drastische functionele verandering in het gebruik van deze banen. De hoeveelheid en de intensiteit van de zenuwprikkels is in zulke mate toegenomen dat het verwerken ervan in de hersenen begint te veranderen: het brein schermt zich af tegen dit bombardement van prikkels door hogere drempels te installeren. Subtielere prikkels worden niet meer verwerkt, alleen sterke prikkels geraken er nog door. De fijnere zenuwbanen kunnen deze hoge waarden niet aan en worden samengeschakeld tot banen met hogere capaciteit. Dit ten koste van de fijnere netwerken. Kinderen die drie dingen tegelijk doen
Anderzijds zijn er dan ook kinderen die twee, drie, vier dingen tegelijk doen. Vandaag de dag geldt zo'n vermogen zelfs als een teken van succes: mensen die op de beurs in vijf verschillende telefoons spreken, ondertussen het verloop van de koersen op verschillende monitoren in 't oog houden, kooporders schreeuwend, tegelijk misschien nog een verjaardagskaart schrijven enz. De mimiek verdwijnt - het kind wordt toeschouwer
Samen met de warmte van het enthousiasme verdwijnt ook de expressie van het gezicht: het versteent. Vele kinderen vertonen slechts spaarzaam mimische reacties en bij velen verstomt de uitdrukking volledig.
![]()
Wat we ook nog zien zijn kinderen die bij alles wat met de gemeenschap te maken heeft alleen maar als toeschouwer deelnemen: de handelingsimpulsen verstommen. De rol van de ouders Tijdens de eerste levensjaren staat de lichamelijke verzorging van het kind op de eerste plaats, het wordt gevoed, gewassen, gekleed, gedragen, beschermd. De ouders voelen aan dat het kind volledig op hen is aangewezen. Met op te groeien ervaart het kind deze zorg als iets dat van buitenaf tot hem komt , zijn eigen zijn begint zich te manifesteren, het begint al eens nee te zeggen. Het wil meer en meer zaken zelf doen. De ouders moeten het die ruimte geven. Dat vergemakkelijkt het leven er niet op: het is dikwijls eenvoudiger om het kind zijn schoenen aan te doen dan het hem te leren zelf doen. Bescherming - dikwijls verkeerd begrepen
Wanneer de beschermende houding, die in de eerste levensjaren zeer terecht was, langer blijft voortduren (dikwijls spelen angst en onzekerheid mee) dan beïnvloedt dat de ontwikkeling van het kind: het wordt onzelfstandig en begint er minder en minder op te rekenen dat het zelf ook wel iets kan leren. In plaats van een drang tot eigen-activiteit komt er een zeurende passiviteit en daarbij vaak ook nog een veeleisende houding. Een gebrek aan zelfbewustzijn maakt dat het kind zich op andere terreinen gaat bewijzen (de clown uithangen bvb.). Tegenslagen kan het moeilijk verdragen, zelfstandig sociale relaties opnemen durft het nauwelijks. Dikwijls valt het op door over-aangepastheid (conformisme). Aldus geraakt het kind in een grote afhankelijkheid van zijn ouders, het beweegt zich alleen op goed afgelijnde paadjes.
Kinderen die overbeschermd zijn brengen deze problematiek ook mee in de school. Het heen en weer slingeren tussen moedeloosheid en opstand zien we ook in de klas. Ze verbinden zich moeilijk met wat er onderwezen wordt, het is alsof ze zelf in hun eigen weg staan.
Overbescherming gaat dikwijls gepaard met ambitie van de kant van de ouders die vinden dat zijzelf het niet ver genoeg gebracht hebben in het leven. Dat werkt slecht op de kinderen, ze worden gemakkelijk ziek en krijgen psychosomatische klachten. Onwel-zijn, hoofdpijn, maag- en darmproblemen, bloeddruk enz. op lichamelijk gebied, zelfkritiek, schuldgevoelens op zielegebied kunnen zich vastzetten tot een echte neurose. Zowel overbeschermde kinderen als kinderen die ambitieuze ouders hebben ervaren dat de impulsen om te handelen niet vanuit hen zelf komen, dat ze in laatste instantie hun lot niet zelf ter hand kunnen nemen. Waar het eigen handelen moet plaats maken voor dat van de ouders, waar het kind de motieven om te handelen niet in zichzelf leert vinden, daar treedt resignatie op t.o.v. de eigen levensopgave. Overbeschermende ouders rechtvaardigen hun gedrag graag door te verwijzen naar kinderen die aan hun lot overgelaten zijn doordat beide ouders uit werken gaan. Volgens mijn ervaring heeft de beroepsbezigheid weinig te maken met wel en wee van de scholieren. Die kan in veel gevallen bijdragen tot een stabiele ontwikkeling. Er zijn families waar de kinderen een volledige "service" krijgen en toch zijn ze zwaar gestoord op sociaal vlak. Anderzijds ken ik veel kinderen van alleenstaande ouders die zich gezond ontwikkelen. Zich uitsloven voor de kinderen ? - Mét de kinderen !
Los van alle vooroordelen komt het in de eerste plaats aan op wat men concreet met de kinderen gemeenschappelijk doet wanneer men samen met hen thuis is. Hoeveel tijd besteedt men 'voor' de kinderen (inkopen, huishouden en hoeveel 'met' de kinderen. Overweegt het 'voor', dan bestaat het gevaar dat het kind geïsoleerd geraakt van de volwassenen. Het is aan zijn lot overgelaten omdat de ouders geen tijd voor hem hebben en van zijn kant heeft het weinig begrip voor de inspanningen van de ouders omdat het het huishouden alleen maar van de buitenkant kent. De ouders voelen zich dan weer chronisch overbelast en afgepeigerd - in dienst van het kind. Alle moeite wordt dan als een soort offer voorgesteld en het kind krijgt een chronisch slecht geweten. Tegelijkertijd wordt het veeleisend op een manier die we tegenwoordig bij vele kinderen zien.
Spijtig genoeg is het meestal nog zo dat kinderen zich in te voegen hebben in een ordening die boven hun hoofden beslist werd. Het dagelijks leven werd niet samen met hen georganiseerd, maar los van hen, en ten slotte ervaren ze zichzelf als een belasting van het gezinsleven. Hoe kan het ook anders: ze worden meer en meer overgedragen aan instellingen die hen praktische ervaringen en communicatie moeten bijbrengen (opvang, jeugdbeweging, zomerkampen), dikwijls nog vermomd als therapie, zo voelen ze zich zeker als hulpbehoevende symptoomdragers. Uit dit naast-elkaar-leven is een nieuwe vorm van sociale verwaarlozing ontstaan. Een overvloed van prikkels - trekken we ons terug op een eiland ?
Het zijn niet alleen de ouders die op de kinderen invloed uitoefenen. Ook op de weg naar school, met of zonder auto, ondergaat het kind tal van verschillende indrukken, die niet allemaal bevorderlijk zijn. Dikwijls voelen de kinderen zich zelfs bijzonder aangetrokken tot dat soort prikkels. Moeten we daar een vermijdingsstrategie toepassen ?
De zgz. verlokkingen op de weg naar school zie ik niet als een probleem op zich. Ik ken vele kinderen die zich gezond en harmonisch ontwikkelen ondanks uiterlijk moeilijke levensomstandigheden (lange weg naar school, kleinbehuisd, werkende ouders). Deze factoren worden pas een belasting als het kind op school of thuis niet op de juiste manier opgevangen wordt, misschien ook als het lichamelijk een eerder zwakke consitutie heeft. Als het kind in gesprek, in spel, in arbeid de overtollige, storende prikkels kan kwijtraken, als het leert om doelgericht met zijn zintuigen om te gaan, dan moet men niet bang zijn dat het zich in de metro zal laten overspoelen door allerhande indrukken. Neemt het in school correcte beelden van gemeenschapsleven op, dan zal er minder kans zijn dat het blijft rondhangen in de buurt van het station. Ouders en leerkrachten - samen ?
Ouders hebben het tegenwoordig niet gemakkelijk met hun kinderen, ze maken dikwijls zware fouten die een gestoorde ontwikkeling tot gevolg hebben. Op traditie kunnen ze niet meer terugvallen en de juiste opvoedersinstincten zijn zeldzaam geworden. Leerkrachten bevinden zich in dezelfde positie. Maar toch beschouwen ze dikwijls het ouderlijk huis als de oorzaak van alle problemen met de kinderen. We kunnen dat begrijpen, ze moeten soms ongelooflijke toestanden vaststellen. Maar wat helpt deze houding ? Wordt het gezin ondersteund in zijn zware taak door de verwijten van de leerkrachten ? * * * * * * * * * * *
Lezen en schrijven en Ahriman
De mens mocht dit sterke geheugen niet behouden, het werd een hindernis op zijn weg naar zelfstandig denken, naar innerlijke vrijheid. Hij moest leren om een logisch, rationeel verstand te gebruiken. Als men zich niet meer herinnert hoe iets vroeger opgelost werd, dan is men wel verplicht om zijn eigen verstand aan het werk te zetten.
Wat zien we nu gebeuren ? Het geheugen vermindert, we lopen daardoor minder het gevaar om door Lucifer misleid te worden. Anderzijds voelt de mens dat zijn eigen zelfstandig denken bijlange nog niet optimaal werkt, hij wordt onzeker, hij heeft steun nodig, een geheugensteuntje: hij leert schrijven.
We zien in de ontwikkeling van de mensheid een gelijke evolutie van schrift en zelfstandig denken. De Chinese schrifttekens, de hiëroglyfen in Egypte zijn kleine tekeningen die iets concreet weergeven. Naarmate de tijd vordert worden deze tekens abstracter, ze verliezen iedere verwijzing naar de werkelijkheid: wie weet of vermoedt nog dat een 'L' bvb. ooit een zittende leeuw was ?
Het toppunt van abstractie werd bereikt met de stenografie. Steiner voorspelde dat het handschrift ooit zou verdwijnen. Nu dat meer en meer gezinnen beschikken over een computer en printer lijkt deze voorspelling vlugger uit te komen dan we gedacht hadden. Een eindwerk moet men niet meer proberen handgeschreven af te geven. Hoe lang zal het nog duren vooraleer ook in het middelbaar onderwijs ieder taakje zal moeten uitgeprint zijn ?
Deze evolutie blijft natuurlijk niet zonder invloed op de ontwikkeling van de mens. Volgens Rudolf Steiner is leren lezen en schrijven een echte foltering voor de ziel. Ze kan haar individuele aanleg veel moeilijker of zelfs niet ontplooien als ze jaren achtereen onderworpen wordt aan uniforme leermethoden. Ze wordt in een soort sjabloon gedwongen. Ahriman lacht in zijn vuistje als er ergens eenheidsworst geproduceerd wordt.
We drukken nu twee uittreksels af die een en ander toelichten. Het eerste gaat over taalgebruik.
Er zijn er echter, en die hun verzen klinken als een gestamel, maar deze verzen die een gestamel zijn, kunnen uit een echte menselijke diepte, dus een geestelijke diepte stammen, terwijl de verzen die bewonderd worden waardeloos woordgekraam kunnen zijn omdat de talen nu zover geëvolueerd zijn dat iedere onnozele hals vanuit de taal iets bewonderenswaardig kan maken.
Wat vandaag dringend noodzakelijk is, is dat men van de klank van de woorden overgaat naar het motief, dus dat men niet bij het abstracte blijft, dat men niet letterlijk leest, maar dat men zich ten volle in het leven stelt en vanuit het leven de verschijnselen beoordeelt. Aldus gaat het erom dat geesteswetenschap zoals ze hier bedoeld wordt, vooral bevruchtend moet werken op de verschillende geledingen van het leven, anders zal er niet komen wat er moet komen.
Wanneer twee mensen met elkaar spreken, dan verstaan ze elkaar door de taal. Maar de taal was nog niet zo lang geleden iets helemaal anders dan wat ze vandaag is. Wanneer men elkaar vandaag begrijpt via de taal, dan wordt men eigenlijk min of meer een slaaf van de taal. De taal loopt tegenwoordig enigszins als een mechanisme waarin wij ons bevinden, en in onze plaats leeft altijd meer en meer Ahriman zelf in de taal. Het is eigenlijk Ahriman die spreekt wanneer de mensen nu spreken. En de mensen moeten zich gewoon maken elkaar te verstaan vanuit iets helemaal anders dan vanuit de woordklank van de taal. Men moet veel dieper in het leven staan om tegenwoordig de andere mensen te begrijpen dan in de tijd toen de vleugels van de talen nog meedroegen wat de mensen met elkaar uitwisselden. In de grond kan men vandaag een totaal inhoudsloze mens zijn en toch mooie welluidende zinnen uitspreken. Doordat de taal - iedere tegenwoordige beschaafde taal- langzamerhand standaardzinnen, zinsvormen, ja ganse theorieën, die reeds in de taal zelf liggen, gevormd heeft, moet men eigenlijk alleen maar datgene wat in de taal zelf ligt een beetje veranderen en aanpassen, en men heeft schijnbaar zelf iets geschapen, terwijl men in werkelijkheid alleen maar een beetje dooreen gehaspeld heeft wat er reeds was.
Men kan zeer gemakkelijk eens een experiment uitvoeren, hoe grotesk het ook klinkt. Neemt u de werkstukken van goede burgerlijke professoren, die een beetje naar het materialisme neigen, filosofieprofessoren of wetenschapsprofessoren of dergelijke. Neemt u wat deze mensen in de loop van de laatste jaren, in de tweede helft van de 19de eeuw gezegd hebben. Door een kleine ingreep kunt u het volgende resultaat bekomen. U neemt dus een werkstuk van zo'n brave filosoof, zo een waarvan er dertien in een dozijn gaan, die ook een mening had over het een of het ander. U laat bepaalde naamwoorden weg, vervangt ze door andere die in een andere zin te vinden zijn, gooit u gerust de dingen eeen beetje dooreen - en daaruit ontstaat een levensbeschouwing zoals de heer Trotsky er een heeft ! Om vandaag de dag een levensbeschouwing als Trotsky te hebben moet men helemaal niet kunnen zelf denken, alleen maar de taal in zich laten denken op de manier die ik juist beschreven heb.
Maar daar werken dan niet de mensen in de mensheidscultuur, daar werken de ahrimanische machten; vermits de taal zich op een bepaalde manier losgemaakt heeft van de mens.
Als men de gedachten wil laten werken dan moet men nu al beginnen met een strijd tegen de taal. Niets is gevaarlijker dan zich tegenwoordig te laten dragen door de taal in de zin van: dit moet men zo zeggen, dat moet zo gezegd worden. Want wanneer er een stereotype zgz. correcte manier van uitdrukken is, wanneer er aanvaard wordt: dat moet zo of zo gezegd worden, dan begeeft men zich eigenlijk in de conventionele manier van spreken en werkt men niet meer vanuit de oorspronkelijke gedachten.
Het is verschrikkelijk wat onze scholen in dit opzicht uitvoeren. De schoolmeesters verbeteren eigenlijk iedere schijnbaar stuntelige, maar tenminste eigen gedachten, tot ze er conventioneel uitzien, het is echt misdadig. En dat terwijl men juist zou moeten uitkijken naar iedere stuntelige, maar in wezen individuele zin, die door een of andere knaap of meisje op school neergeschreven wordt. Daar zou men een bespreking moeten rond houden in plaats van met de vervloekte rode inkt het cliché in de plaats te zetten van wat uit de jeugdige individualiteiten uitkomt. Want vandaag de dag is dat het allerbelangrijkste, namelijk oog hebben voor wat uit de jeugdige individualiteiten naar voor komt. Misschien manifesteert zich dat op een manier die ons niet altijd past, die wij al te vlug beschouwen als foutief. Indien men de brieven die Goethe schreef in zijn jeugd zou bekijken door de bril van een middelbare-schoolleerkracht dan zou men véél moeten verbeteren ! De Oostenrijkse dichter Robert Hamerling kreeg bij zijn leraarsexamen de slechtste punten voor Duitse taal ! "
De ingewijden van vroeger vinden in onze tijd geen geschikte omstandigheden
Iemand die een geestelijke scholingsweg volgt gaat er van uit dat hij niet meer zal verliezen wat hij eens gewonnen heeft, bvb. wanneer hij in een leven laat ons zeggen zijn gierigheid overwonnen heeft, dat hij dan in volgende levens vrijgevig zal zijn en aan andere karaktereenzijdigheden kan werken. Eens men het dan zover gebracht heeft dat men in een of ander leven ingewijd is geworden, dan zou men kunnen denken dat men in een volgend leven kan verderbouwen op dit resultaat en nog hogere graden van inwijding kan bereiken.
Wanneer men zich, zoals dat nu gebruikelijk is, de tegenwoordige lees- en schrijfvaardigheden moet eigen maken vanaf zijn zesde, zevende levensjaar, dan is dat zo'n folter voor de ziel die zich wil ontwikkelen volgens haar bijzondere eigen aard, dat ... ja, ik kan maar herhalen wat ik reeds in mijn levensbeschrijving gezegd heb: vele hindernissen (om helderziend te worden - fdw) heb ik kunnen opruimen dankzij het feit ik op mijn twaalfde nog niet zonder fouten kon schrijven, ik kon zelfs helemaal niet ordentelijk schrijven. Ik heb dat vermeld in mijn levensbeschrijving omdat het kunnen schrijven, zoals dat tegenwoordig verlangd wordt, bepaalde vermogens kapot maakt in de mens.
Zo paradoxaal is het nu eenmaal. Het is een waarheid. Er is niets aan te doen, het is een waarheid. En zo komt het dat juist hoog ontwikkelde individualiteiten uit het verleden wanneer ze reïncarneren eigenlijk alleen maar te herkennen zijn door iemand die let op kenmerken van de menselijke natuur die zich als gevolg van het tegenwoordige schoollopen meer achter dan ín de mens openbaren."
* * * * * * * * * * *
De Amerikaanse politiek
En nergens anders is het instinct, zelfs niet in het Romaanse element dat tegenwoordig opgenomen is in de Engelssprekende bevolking. Het Romaanse element is eigenlijk een nakomeling van iets dat werkelijk geleefd heeft in de vierde na-Atlantische tijd. Toentertijd had het Romaanse element instincten voor hetgeen in die vierde cultuurperiode vooral moest ontwikkeld worden. Tegenwoordig zijn die instincten niet meer op dezelfde wijze doorslaggevend, ze zijn gerationaliseerd, verintellectualiseerd; ze treden op als retoriek, door het intellect, door de ziel, als decoratie. Ze zijn uitgelicht uit het instinctieve. Hetgeen zich voordoet als volkstemperament in het Romanendom is totaal verschillend van hetgeen volkstemperament is bij het Engelse volk. Bij het Engelse volk is dit neigen tot de bewustzijnsziel, dit streven van de mens om op eigen benen te staan, instinct.
Dus dat wat de opgave is van het vijfde na-atlantische tijdperk, dat is als instinct, als uit de gehele ziel instinctief komende impuls, juist in dit volk verankerd. Daarmee hangt samen de hele plaats van dit volk in de wereld. Daarmee hangt samen dat deze impuls binnen de sociale structuur van de Engelssprekende bevolking het toonaangevende, het doorslaggevende is, dat hij de andere tendensen kan onderdrukken. De andere tendensen zijn, zoals u uit mijn uiteenzettingen kan zien, reeds volgens de indeling die ik aan het sociale vraagstuk heb gegeven: de economische impuls en de impuls van de geestelijk productie. Maar bestudeert u eens de psychologie van het Engelse volk: de twee andere impulsen staan helemaal in de schaduw van datgene wat uit de instinctieve impuls komt, die tot de ontwikkeling van de bewustzijnsziel neigt.
Daardoor krijgen de groeperingen die het sociale leven van de toekomst moeten vormen, juist binnen de Engelssprekende volkeren hun heel bijzondere kleur. In de toekomst zouden drie gebieden heel bijzonder werkzaam moeten zijn, moeten toonaangevend blijken: ten eerste de politiek die de veiligheid verzorgt; ten tweede de organisatie van de arbeid, van de zuiver materiële arbeid, dus de economische ordening, het economisch systeem. Dat is het tweede. Het derde is het systeem van de geestelijke productie, waartoe ik, zoals ik u toen heb gezegd, ook de rechtspraak, de rechterlijke macht reken. Deze drie geledingen van de sociale structuur worden vanzelfsprekend overschaduwd door dat wat als hoofdimpuls bij het een of andere volk aanwezig is. Doordat bij het Engelssprekende volk instinctief de ontwikkeling tot bewustzijnsziel werkt, daardoor neemt bij dit volk, zoals de geschiedenis genoegzaam leert, juist de politiek de meest opvallende plaats in. Deze instinctieve aandrift maakt dan -dat is louter een karakteristiek, geen kritiek- daar ze instinctief is en instincten altijd in de zelfzucht wortelen, dat binnen de Engelssprekende bevolking zelfzucht en politiek doel precies samenvallen; dat alle politiek op een heel naïeve manier, zonder dat daarbij aan de een of andere politicus de schuld kan worden gegeven, in dienst van de zelfzucht wordt gesteld en juist daardoor de missie van de Engelssprekende bevolking vervult. Alleen daardoor komt u erop om zicht te krijgen op het eigenlijke wezen van de angelsaksische politiek -die eigenlijk toonaangevend is voor de gehele wereldbevolking. Want overal wordt de Engelse politiek als een ideaal beschouwd, de parlementsorde met het wisselen van meerderheid en minderheid enz. Bestudeert u eens de verhoudingen in de verschillende parlementen, hoe deze zich hebben ontwikkeld. U zult overal zien dat de Britse politiek toonaangevend was, juist voor het politieke leven. Maar door zich uit te breiden over de anders gedifferentieerde volkeren, kon hij niet meer dezelfde zijn, omdat hij veranderd is -en wel goed verankerd is- in de zelfzucht, in het egoïsme, dat al het instinctieve noodzakelijkerwijze aankleeft.
Dat is ook de moeilijkheid om te verstaan wanneer de mensen de Engelse politiek of de Amerikaanse politiek willen begrijpen. Men verliest de nuance uit het oog, die nuance waarmee juist noodzakelijkerwijze rekening dient te worden gehouden: dat deze politiek niet anders dan zelfzuchtig kán zijn, dat hij geheel op zelfzuchtige impulsen moét berusten. Door zijn bijzondere natuur moét hij op zelfzuchtige impulsen berusten. Hij zal daarom deze zelfzuchtige impulsen als vanzelfsprekend beschouwen, als het rechtmatige, het morele. Daar is helemaal niets tegen in te brengen. Daarop hoeft geen kritiek te worden uitgeoefend, doch dit moet als een wereldhistorische, ja zelfs kosmische noodzaak eenvoudig worden ingezien. Het kan ook niet weerlegd worden om de eenvoudige reden dat degene die vanuit de Engelse volksaard iets wil weerleggen, zich altijd -ik zou willen zeggen- op een verkeerd spoor bevindt. Hij wil vanuit morele grondstellingen, die daarmee helemaal niets te maken hebben, betwisten dat de politiek van het Engelse volk zelfzuchtig is. Maar morele motieven komen daarbij helemaal niet kijken. De politiek zal datgene wat hij bewerkt, wat zijn resultaten zijn, juist door dit instinctieve karakter, door deze zelfzucht hebben. Daarom is in ons vijfde na-Atlantische tijdvak aan deze Engelssprekende bevolking enigszins toebedeeld het element van geweld. Herinnert u zich de drie geledingen in Goethes sprookje: geweld, verschijning of schijn en wijsheid, inzicht. Van deze drie geledingen is toebedeeld aan de Engelssprekende bevolking het geweld. Hetgeen deze politiek in de wereld bewerkt, dat zal hij daardoor kunnen bewerken dat het om zo te zeggen tot zijn aangeboren eigenschappen behoort om door het geweld te werken. En het door-geweld-werken zal in het vijfde na-Atlantische tijdvak als iets vanzelfsprekends worden aanvaard. De Engelse politiek wordt in de gehele wereld geaccepteerd - vanzelfsprekend zal men alle nadelen die natuurlijk in de werkelijkheid op het fysieke plan altijd voorhanden zijn, scherp kunnen kritiseren, dat kunnen immers de onderhorigen van het Britse rijk zelf doen- maar het wordt geaccepteerd. Het ligt eenvoudig in de ontwikkeling des tijds dat hij wordt geaccepteerd en wel zonder dat men erover nadenkt, zonder dat men op de een of andere manier motivering zoekt. De motiveringen zullen bovendien allemaal niet deugen omdat het nu enmaal een volkomen onmiddellijke vanzelfsprekendheid is dat het geweld dat van deze kant komt wordt geaccepteerd.
Dat is niet zo bij de overvleugelde Romaanse bevolking. Die leeft om zo te zeggen een schaduwbestaan, de tijdschaduw van hetgeen ze in de vierde na-Atlantische tijdperiode was. De instincten worden omgezet in het intellectuele. Daar zijn de instincten niet meer zo elementair. Daarom wordt de Engelse politiek als vanzelfsprekend aangenomen. De Franse politiek slechts door hen die in staat zijn om hem te waarderen. Het Franse wezen wordt geliefd in de wereld voorzover het bevalt. Daarop is het Engelse helemaal niet aangewezen. Het is ingesteld op de vanzelfsprekendheid waarmee de politiek in onze tijd als een werkzaam middel aan hem is toebedeeld.
Aldus is het echter ook mogelijk juist binnen de Engelssprekende bevolking dat door de predominerende, in de politiek passende drift van de zelfzucht en van het geweld, het economische binnen de perken wordt gehouden, ondergeschikt wordt gemaakt en dat ook het geestesleven voor zover het tot het vijfde na-Atlantische tijdperk behoort in dienst van de politiek treedt. Alles treedt in zekere zin eensgezind in dienst van de politiek."
* * * * * * * * * * *
De ontwikkeling van het Ik in de Openbaring
|
| Aarde | Mens |
| 1. Saturnus | Fysiek lichaam |
| 2. Zon | Ether- of levenslichaam |
| 3. Maan | Astraal- of zielelichaam |
| 4. Aarde | Ik |
| 5. Jupiter | Geestelijk Zelf of manas |
| 6. Venus | Levensgeest of boedhi |
| 7. Vulcanus | Geestmens of atma |
Sedert het midden van de Aardefase, dat nu al achter ons ligt, werd de mens een zelfstandig wezen doordat hij het Ik verwierf. Voordien kon hij nog niet bewust zijn ontwikkeling in eigen handen nemen, de goden deden dat voor hem. Maar sinds de komst van Christus op aarde is daar verandering in gekomen. De mens is nu in staat om bewust -door middel van zijn Ik en de Christuskracht in hem- te werken aan de ontplooiing van zijn hogere wezensdelen. Weliswaar zullen die wezensdelen pas in de toekomstige ontwikkelingsfasen van de Aarde verworven worden, maar om dat doel te bereiken is het noodzakelijk dat de mens nu al, in de loop van de tweede helft van de Aardefase, de krachten daartoe ontwikkelt.
Niet alleen de geesteswetenschap heeft het over de zeven wezensdelen van de mens.
Rudolf Steiner beweert dat er in de Openbaring van Johannes, o.m. in het deel dat handelt over de brieven aan de zeven gemeenten, op gewezen wordt dat elk van deze gemeenten speciaal moet aandacht schenken aan telkens één van die wezensdelen. Hier wordt evenwel ieder wezensdeel gekoppeld aan een cultuurperiode. Dat is niet ongewoon. Immers, binnen iedere grote zevendelige cyclus zijn er kleinere cycli waarin op kleinere schaal gewerkt wordt aan hetzelfde onderdeel dat ook in vroegere of latere grote cycli ontwikkeld wordt. Zie in dit verband het schema in De Brug nr. 11 of "De Wetenschap van de Geheimen der Ziel" van Rudolf Steiner.
Over welke periode gaat de Apokalyps ?
Op dit ogenblik leven wij in de vijfde cultuurperiode van het vijfde tijdvak van de fysieke toestand van de Aarde.
Het vierde tijdvak was Atlantis.
Ons tijdvak, het vijfde dus, wordt onderverdeeld in zeven cultuurperioden, en het zijn deze perioden die bedoeld worden met de zeven gemeenten. Aan elk van die gemeenten richt Jezus Christus, door bemiddeling van zijn dienaar Johannes, een boodschap.
Tegen het einde van de zevende cultuurperiode komt de zgn, oorlog van allen tegen allen, en dan volgt nog het zesde en zevende tijdvak (in de Openbaring aangeduid als de tijdperken van resp. de zegels en de bazuinen). Daarna lost de fysieke aarde op en gaat zij over in een etherische toestand.
Sedert het laatste derde deel van het Atlantisch tijdvak begonnen de Ik-krachten zich te manifesteren in het fysieke mensenlichaam. Wij mogen echter niet veronderstellen dat onze Atlantische voorouders een Ik-bewustzijn hadden dat van dezelfde aard was als het onze, want de kracht van het denken hadden zij niet. De hersenen van de Atlantiërs waren nog te week omdat er slechts een losse samenhang was tussen het fysieke hoofd en het etherhoofd - dat daar bovendien ver over uitreikte. Ten gevolge van die uitdijende etherkrachten stond de Atlantische mens dan weer wel in verbinding met de geestelijke wereld. Maar geleidelijk aan trok het etherhoofd zich samen tot ongeveer binnen de grenzen van het fysieke hoofd waardoor de hersenen vaster van structuur werden en de denkkracht zich begon te ontwikkelen. Tegen het einde van het Atlantisch tijdvak waren enkelen - dat waren de ingewijden van destijds- zover gevorderd dat zij de aanleg tot logisch denken aangekweekt hadden; zij waren de mensheidsleiders die na de Atlantische catastrofe een nieuwe impuls moesten geven aan het volgende tijdvak.
De gemeente van Efese (Openb. 2:1-7), de Oer-Indisch periode.
Het is het tijdperk waarin vooral zorg moet besteed worden aan het fysieke leven hier op aarde, aangezien de aarde de enige plaats is waarop de mens kan werken aan zijn verdere ontplooiing.
Maar de oude Indiër had geen boodschap aan de aarde. Hij leefde nog met de herinnering aan de geestelijke wereld waarmee hij verbonden was ten tijde van Atlantis; de fysieke wereld was voor hem slechts illusie, zinsbegoocheling.
Maar de mensenzielen willen steeds weer incarneren want zij hebben de aarde, "de eerste liefde", nodig voor hun ontwikkeling. Omdat zij de aarde waardeloos bevonden, daarom richt de schrijver van de Openbaring aan de mensen van de eerste cultuurperiode de volgende vermaning: "Ik heb tegen u dat gij van uw eerste liefdekracht zijt afgeweken".
Maar hij vervolgt:
"Wie overwint
zal ik geven
te eten van de boom des levens
die is in het paradijs bij God."
De "boom des levens" is een symbool voor het drievoudig goddelijk principe: manas, boedhi en atma. In het Oud Testament wordt verhaald dat de mens mocht proeven van de vruchten van deze boom, wat betekent dat de mens die drie hogere principes als een te ontwikkelen aanleg in zijn wezen heeft meegekregen van de Goden. Na zijn verdrijving uit het Aards Paradijs mocht hij niet meer eten van de boom. In de toekomst zal dat weer mogelijk zijn, maar niet eerder dan dat de mens zelf, door eigen arbeid, het hoogste van die drie godddelijke hoedanigheden, namelijk het veredelen van het fysieke lichaam tot geestmens, verwezenlijkt heeft.
De gemeente van Smyrna (Openb. 2:8-11) , de Oer-Perzische periode
In dit tijdperk moet het levenslichaam tot ontwikkeling komen. De Oer-Perzen waren akkerbouwers. Zij bewerkten de aarde a.h.w. in het zweets huns aanschijns, want in de geestelijke wereld werd er om de aarde strijd gevoerd: de Zonnegeest (Christus) moest het opnemen tegen de Geest der Duisternis (Ahriman). Zarathoestra, de grote leider van de Perzen, onderwees zijn volk over de tegenstelling tussen licht en duisternis, tussen leven en dood.
"Word getrouw tot in de dood
en ik zal u de kroon des levens geven"
staat er in de Openbaring. 'De kroon des levens' is een andere uitdrukking voor het etherlichaam.
En vervolgens:
"Wie overwint, hij zal geen schade lijden door de tweede dood".
Als er een tweede dood bestaat, is er ook een eerste dood. Wat betekenen "de eerste en de tweede dood ?"
Tegen het einde van de aardefase kan de mens zijn astraal lichaam volledig omgevormd hebben tot geestelijk zelf en hij kan dit slechts verwerkelijken door het Christuswezen in zijn Ik op te nemen. Zolang dit niet gebeurd is, blijven driften en begeerten achter in het astraal lichaam, en die kunnen slechts bevredigd worden door middel van het fysieke lichaam. Op een bepaald tijdstip zal de fysieke substantie van de aarde oplossen en zal zij overgaan in een etherische toestand; dan zal ook ieder mens zijn allerlaatste fysieke dood meegemaakt hebben, en wiens astraal lichaam dan nog niet veredeld is zal een brandende begeerte ondergaan bij gebrek aan een fysiek lichaam. Dat is de eerste dood. De door Christus gelouterde mens zal het afleggen van zijn allerlaatste fysieke lichaam echter nauwelijks voelen. Maar ook het etherlichaam bezit lagere neigingen onder de vorm van temperamenten, bepaalde diepgewortelde karaktertrekken enz.
Tijdens de aardefase is de mens zelf nog niet in staat om zijn etherlichaam te transformeren tot levensgeest, maar op Jupiter zal hij dat wel kunnen. Op aarde is het desondanks wel mogelijk, mar alleen met de hulp van Christus. Door bemiddeling van Christus werkt het gelouterde astraal lichaam zodanig in op het etherlichaam dat dit eveneens veredeld wordt.
Ook de aarde vergeestelijkt verder, want na de etherische toestand neemt zij een astrale vorm aan, en dan moet ook het etherlichaam verdwijnen. Onopgemerkt zal dit voorbijgaan aan de zielen die van Christus vervuld zijn. Maar uit de anderen zal het etherlichaam uitgerukt worden, en dat ervaren dezen als een tweede sterven, als een "tweede dood."
De gemeente van Pergamon (Openb. 2:12-17), de Egyptische cultuurperiode.
De periode waarin het zielelichaam (of astraal lichaam) moet tot wasdom komen.
De mensheid stond daar op een tweesprong. Enerzijds begon in de verte de Ik-cultuur al te dagen: in het oude Egypte werd reeds wiskunde, meetkunde, sterrenkunde beoefend, en zulke kennis oefent een heilzame werking uit op het zieleleven. Maar anderzijds waren er overblijfselen bewaard gebleven van oude in verval geraakte geestelijke gaven die de zielen in een soort somnambule helderziendheid dompelden. Het zijn zulke oveblijfselen -het tegendeel van een helder denken- die het zieleven verduisteren. Onder andere Balaäm (of Bileam), een zwartmagiër, was één van diegenen die deze decadent geworden atavistische geestesgesteldheid cultiveerde. Hierom de volgende vermaning aan Pergamon:
"Maar toch heb ik iets tegen u.
Gij hebt enigen onder u
die aan de leer van Balaäm vasthouden ..."
"... Maar hem die overwint", zo wordt vervolgd, "zal ik geven van het verborgen manna;
en hem zal ik geven een lichtend witte steen, en op de steen zal geschreven zijn een nieuwe naam, die niemand weet dan die hem neemt".
Het manna, dat nog als een kiem verborgen zit in het menselijk wezen, zal later gegeven worden aan diegenen die hun lagere zielenatuur kunnen overwinnen. Manna heeft etymologisch dezelfde oorsprong als 'manas', en dat is het geestelijk zelf. De 'nieuwe naam die niemand weet dan die hem neemt' is het Ik. Maar de mens verwerft die nieuwe naam niet zonder moeite: hij moet zijn ontluikende Ik-krachten zodanig activeren dat hij zijn naam zelf kan nemen.
De gemeente van Tyatira (Op.. 2:18-29), de Grieks-Romeinse cultuurperiode.
In deze periode kwam het Ik tot volle wasdom, en verscheen Christus in een fysieke gedaante op aarde om het voorbeeld te geven hoe het ware Ik zich dient te ontplooien.
Duidelijk wordt hiernaar verwezen in het boek der Openbaring:
"En wie overwint
en wie mijn werken
tot in het geestesdoel voor ogen houdt,
geven wil ik hem de macht,
zich te openbaren als wezen boven de volkeren;
en weiden zal hij hen met de ijzeren staf -
als aarden vaten zullen zij stukgeslagen worden;
geven wil ik hem de kracht van het Ik,
zoals ook ik deze van mijn Vader ontvangen heb,
En ik zal hem de morgenster geven."
Wij weten dat het Joodse volk krachtig vasthield aan het instandhouden van de bloedbanden. Maar bloedbanden bewerken dat het individuele niet naar de oppervlakte komt, omdat de groepsgeest een overwegende invloed behoudt. Christus heeft erop gewezen dat het gemeenschappelijk Ik dat uit bloedverwantschap voortkomt, uit de tijd was en moest verdwijnen; alleen door het verwerven van een vrij, individueel Ik is de mens in staat op te stijgen naar geestelijke hoogten. Dat is de verklaring die ligt achter de woorden:
"Geven wil ik hem de macht zich te openbaren als wezen boven de volkeren;
en weiden zal hij hen met de ijzeren staf -
als aarden vaten zullen zij stukgeslagen worden;"
En wat betekent 'de morgenster' ? Die ster is Mercurius, niet de planeet van ons zonnestelsel, maar de Mercurius-invloed in occulte zin, die overheersend is voor de tweede helft van de Aarde-fase. Voor een duidelijker begrip hierover citeren wij uit "Antroposofie en de wijsheid van de Rozenkruisers"
"Gedurende de eerste helft van het aardestadium is de invloed van de planeet Mars beslissend voor de ontwikkeling van de aarde, evenals dat voor de tweede helft de invloed van de planeet Mercurius is. Mars heeft de aarde het ijzer gegeven, en de invloed van Mercurius wordt op Aarde merkbaar doordat deze de menselijke ziel steeds vrijer maakt zodat zij steeds onafhankelijker kan worden. Daarom wordt de ontwikkeling van de aarde in de occulte wetenschap zo opgevat dat er gesproken wordt over twee helften van deze ontwikkeling, over de Marshelft en de Mercuriushelft. Terwijl met de overige namen een hele planeet wordt aangeduid, spreekt men over de ontwikkeling van de aarde als die van Mars-Mercurius. Met Mars en Mercurius worden hier niet de tegenwoordige hemellichamen bedoeld, maar datgene wat gedurende de eerste en tweede helft van de aardeontwikkeling deze kenmerkende invloeden uitoefent."
De gemeente van Sardes, onze huidige cultuurperiode (Openb. 3:1-6)
Dit is de periode waarin een begin moet gemaakt worden met de omvorming van het astraal lichaam tot geestelijk zelf.
Iedereen kan voor zichzelf uitmaken in welke richting de mensheid heden ten dage evolueert. Maar het is opmerkelijk dat, afgezien van de zevende brief, de schrijver van de Openbaring in geen enkele van de vijf andere brieven zoveel vermaningen en waarschuwingen aan de mensheid richt als in de vijfde. Een opsomming:
"Ik ken uw werken, dat gij een naam hebt, dat gij leeft, en en dode zijt gij."
Wij hebben onze individualiteit, onze eigen naam verworven, maar wij leven alsof wij - onderworpen aan het materialisme- geestelijk dood zijn.
"Word wakende, en versterk het overige, want het dreigt geheel af te sterven ... "
Vanaf nu moeten ook astraal-, ether-, en fysiek lichaam door de Christuskracht die het Ik opneemt, omgevormd worden tot resp. geestelijk zelf, levensgeest en geestmens. Wat gebeurt er indien dit ontwikkelingsproces niet zal plaatsvinden, indien de mens de Christusimpuls niet opneemt in zijn wezen ? Het fysieke lichaam en het etherlichaam moeten verdwijnen (de eerste en de tweede dood), het ongelouterde astraal lichaam zal tot een verdierlijkte vorm degenereren en zal tenslotte als een onvruchtbare uitwas uit de verdere wereldevolutie gestoten worden.
"Indien gij niet waakt, zal ik komen gelijk een dief en niet zult gij weten op welk uur ik over u kom."
Christus spoort ons hier aan om wakende te blijven zodat wij ons zelfbewustzijn niet verslapen, zoniet zal ook nog ons Ik afgenomen worden. Maar toch zijn er
"enige weinige mensen in Sardes die niet hun gewaden hebben bezoedeld; zij zullen met mij wandelen in witte gewaden, want zij zijn waardig."
Dit zijn degenen wier ziel rein geworden is, die hun lagere zelf overwonnen hebben en het geestelijk zelf verworven hebben.
De gemeente van Philadelphia, de zesde cultuurperiode (Openb. 3:7-13)
Het tijdperk waarin boedhi moet beoefend worden, d.i. het transformeren van het levenslichaam in levensgeest. Dit tijdperk volgt op het onze, en in een niet eens zo verre toekomst. Het onze is begonnen rond 1413 en zal ongeveer 2160 jaar duren, dus tot in 3573. Daarna komt de periode waarover wij het nu hebben; zij zal eveneens 2160 jaar duren en een fundamentele geestesimpuls moeten voortbrengen om de basis te leggen voor het volgende (zesde) tijdvak, het tijdvak dat in de Openbaring beschreven staat als dat van de zeven zegels.
De gemeente van Philadelphia is zeer belangrijk voor een heilzaam verloop van de verdere aardeontwikkeling, en de toon die in de Openbaring over deze gemeente doorklinkt is dan ook zeer hoopvol en bemoedigend.
Maar wat is boedhi ? Boedhi is eigenlijk een hogere geestelijke beleving van manas. Manas ontstaat wanneer de mens zijn egoïstische aandriften en zijn zuivere persoonlijke belangen die in het astraal lichaam zitten, kan overwinnen; het is de metamorfose van het astraal lichaam in het geestelijk zelf. Men kan zich hierover ook op de volgende manier een voorstelling maken: de aardse intelligentie die de mens aanwendt voor zijn persoonlijke belangen vormt hij om -door de kracht van zijn Ik en door de Christuskracht in zichzelf- tot kennis omtrent het ware en het goede. In een volgend stadium kan die wijsheid dan zo diep beleefd worden dat zij a.h.w. een karaktertrek wordt, dat zij werkelijk met de ziel vergroeit, en dan wordt zij tot een levendig en allesoverheersend gevoel voor het ware en het goede. De mens weet dan niet alleen, maar hij voelt dan ook vanuit zijn diepste wezen dat alle nog ongezuiverde en ongelouterde gevoelens de bron van alle lijden en onheil zijn. Een immens medeleven met zijn lijdende medebroeder welt dan op in zijn ziel, en gedreven door een onweerstaanbare drang zal hij dit lijden willen verzachten. Dat is het beoefenen van Boedhi.
In de gemeente van Philadelphia zal de ware broederliefde tevoorschijn komen. De naam van die gemeente betekent overigens broederliefde.
"En aan de engel van de gemeente in Philadelphia schrijf: zo spreekt de drager van het heil en van de onvergankelijke waarheid die de sleutel van David heeft: die opensluit en niemand zal toesluiten, en sluit, en niemand sluit open ... "
Rudolf Steiner legt uit:
"De mens zal zijn Ik ontwikkelen tot een zodanige hoogte dat hij zelfstandig wordt en in vrijheid ieder ander wezen tegemoet treedt ... Dan zullen wij het individuele Ik op een hoger niveau in onszelf gevonden hebben zodat geen macht van buitenaf ons kan beïnvloeden als wij dat niet willen; zodat wij kunnen afsluiten en niemand tegen onze wil kan opendoen, en als wij opendoen, dat geen vijandige macht dan kan afsluiten. Dat is de "sleutel van David".
" ... gegeven heb ik dat voor uw aangezicht de deur wijd geopend is; niemand vermag haar te sluiten wijl uw kracht klein is .... "
"Wijl uw kracht klein is", het lijkt wel in contradictie te zijn met wat Steiner zegt over de sleutel van David, maar neen: die "kleine kracht" duidt op de persoonlijke belangen die nog niet vergeestelijkt zijn, en die zullen bij de Boedhi-mens geen grote rol meer spelen, nog weinig kracht hebben.
Rudolf Steiner benadrukt echter dat slechts weinigen in deze zesde cultuurperiode zozeer zullen doorchristelijkt zijn dat zij de ware naastenliefde kunnen beoefenen. Maar het is deze kleine groep die in zich de kiemkrachten zal dragen om na de grote oorlog van allen tegen allen, een nieuwe geestescultuur uit te dragen.
De gemeente van Laodicea, de zevende na-Atlantische cultuurperiode
In de brief aan Laodicea benoemt Christus zichzelf als de "Amen" hetgeen betekent: "Ik ben degene die het echte Wezen van het Einde waarheen alles op weg is, in zich sluit".
Amen en atma hebben in oorsprong dezelfde betekenis. Met atma heeft de mens zijn einddoel bereikt als menselijk wezen; zijn lagere wezensdelen heeft hij herschapen in hogere bestaansvormen, want degenen die hun astraal- en etherlichaam vergeestelijkt hebben zullen in deze laatste periode van ons tijdvak ook de krachten hebben om de geest tot in hun fysiek lichaam te laten doorschijnen; de gehele mens wordt dan geest-mens.
De weinigen die dat niveau bereiken zullen de ingewijden van die tijd zijn, maar de rest, en dat is de overgrote meerderheid, zal "lauw zijn, noch heet, noch koud" (Openb. 3:16). Deze groep zal geen nieuwe impulsen meer voortbrengen, zij zal een "soort overrijpe vrucht zijn die geen kiem van vooruitgang in zich draagt".
Rudolf Steiner spreekt er als volgt over:
"Dezen zullen al hun geraffineerdheid aanwenden om de fysieke natuurkrachten te benutten, maar zij hebben de nodige graad van onbaatzuchtigheid niet bereikt. Zij zullen de oorlog van allen tegen allen inleiden, en dat betekent de ondergang van onze cultuur ... Sterke, immense krachten zullen uitgaan van ontdekkingen die de ganse aardbol tot een soort zelffunctionerend elektrisch apparaat zullen omvormen".
"Tijdens de zevende cultuurperiode zal de aarde bevolkt zijn met mensen die noch voor het geestelijke, noch voor het zintuiglijk bestaan interesse kunnen opbrengen; zelfs voor dit laatste zullen zij te geblaseerd zijn ... Hier op aarde zullen in alsmaar meer verhardende lichamen mensen leven die de grootste uitvindingen en ontdekkingen zullen doen. Deze in de materie verstrikte mensen zullen niet veel meer te vrezen hebben van de geesteswetenschap want op aarde zullen dan niet veel mensen meer te vinden zijn die zich nu en in de zesde cultuurperiode met spiritualiteit beziggehouden hebben."
Slot
Tijdens en na de zevende cultuurperiode zal de grote oorlog van allen tegen allen woeden. Het zal geen oorlog zijn zoals nu oorlogen gevoerd worden. Het zal een strijd worden van individu tegen individu waarin iedereen met een uiterste hardvochtigheid en meedogenloosheid zijn eigen egoïstische belangen zal proberen te verdedigen en te vrijwaren.
Na deze oorlog begint het zesde tijdvak, en dan zal die kleine groep die de ware broederliefde beoefend heeft opnieuw op aarde verschijnen. Die groep zal één doel voor ogen hebben: de kwade gezindheid van de mensheid ten goede keren.
Rudolf Steiner:
[ ... ] "Na de oorlog van allen tegen allen zullen er twee stromingen zijn onder de mensen: aan de ene kant die van Philadelphia met het beginsel van de vooruitgang, de innerlijke vrijheid en de broederliefde, een handjevol mensen, afkomstig uit alle groepen en naties, en aan de andere kant de grote massa van degenen die nu lauw zullen zijn, de stroming van Laodicea. En na de grote oorlog van allen tegen allen zal het erom gaan dat langzamerhand de boze stroming door het goede 'ras', door de goede stroming tot het goede wordt geleid. Dat zal na de grote oorlog van allen tegen allen een van de belangrijkste opdrachten zijn: te redden wa er te redden valt uit het getal van degenen die er na de grote oorlog alleen op uit zijn om elkaar te bestrijden, om het Ik zich te laten uitleven in een uiterste vorm van egoïsme. In de sfeer van het occultisme worden ten behoeve van zulke mogelijkheden in de wereld altijd maatregelen genomen" [ ... ]
Dat goede ras, dat zijn de Manicheeërs, de stroming die reeds kort na onze jaartelling het fundament gelegd heeft voor haar toekomstige opdracht: het kwade niet veroordelen of verdrijven maar omvormen tot het goede. Hierover zullen wij het een volgende keer hebben.
Jan Vermeir
Onderstaand artikel, van Marion Ellenberger, las ik in 'Erziehungskunst' van mei 1999. Ik vond het goed genoeg om te vertalen. Naarmate echter de vertaling vorderde kreeg ik de indruk dat er toch iets niet klopte met het artikel. Daarom een nabeschouwing achteraf ...
We leven in een prestatiegerichte maatschappij. Vele ouders geloven daarom dat het het beste is wanneer ze ze zo vroeg mogelijk beginnen om hun kinderen een en ander bij te brengen. Maar hoe werkt dat op een peuter of kleuter ?
Een voorbeeld:
Een peuter van een maand of 18 wil op een verhoog van ongeveer een halve meter klimmen, het spant zich in, maar het lukt niet. Moeder moedigt het aan vanaf de tafel waaraan zij zit: "Allee toe, ge kunt het !" Het kind probeert opnieuw, maar kan alleen zijn ene knie op het verhoog krijgen. Het begint klaaglijk te wenen. Moeder roept: "Probeer nog eens, het zal wel gaan !" Het kind probeert nog eens, het gaat niet, het weent al wat harder. Moeder laat niet af: "Allee toe !", het kind begint onbedaarlijk te huilen.
Een ander voorbeeld:
Een kindje, eveneens 18 maand oud, wil gedragen worden om de trap op te gaan. Moeder heeft geen tassen of pakken in haar handen maar zegt: "Houd u vast en gaat alleen !" Het kind weent en klampt zich vast aan de mama. Die houdt het kind op afstand en kijft: "Ge kunt al lang lopen, ge kunt dat zeker alleen al."
Derde voorbeeld:
Een kind kijkt in een prentenboek, samen met mama. Die wijst iedere afbeelding aan en vraagt: "Wat is dit ? ... en dat ? ... Hoe heet dit ? ... Hoe noemen we dat ? ... Dat weet ge toch al, zeg het, dat is een ....."
Wie het nodig vindt om aldus met zijn kind(eren) om te gaan gaat er misschien van uit dat een kind uit zichzelf niets wil leren, niet wil ontwikkelen, niet wil verder geraken. Onbewust leeft bij deze ouders de angst dat het kind achterop zal geraken t.o.v. een of andere "norm" als er onvoldoende druk uitgeoefend wordt en geen prikkels en stimuli aangeboden worden. Dit is een verkeerd uitgangspunt. Dat merken we al wanneer peuters te kennen geven dat ze iets alleen willen doen. Ze zeggen, eisen dikwijls "Ik ga het zelf doen" bij zaken waarvan de ouders denken dat ze het nog niet zullen kunnen. Men merkt ook hoe blij het kind is als het iets gedaan heeft dat het vroeger nog niet kon. En hoe dankbaar het is als ouderen het geduld hebben kunnen opbrengen om het niet in de plaats van het kind te doen. Het kind wil dus kunnen wat de groten ook al kunnen.
Wanneer het kind nu gedrild wordt om te presteren, om allerlei zaken te kunnen, dan wordt het gemakkelijk korzelig. Waarom ? Het kind voelt een pijnlijke kloof tussen de eisen van de ouders enerzijds en zijn eigen innerlijke behoefte anderzijds. Zijn eigen innerlijke leerprocessen worden voortdurend onderbroken als de ouders het altijd dingen aanreiken, zijn concentratievermogen wordt aangetast. De oorspronkelijke innerlijke aandrift om te leren wordt verbogen, geremd of zelfs gebroken. De wil om te leren, de bereidheid om te leren, wat later in het leven prestaties mogelijk maakt, worden aldus verzwakt.
Gedragspatronen en macht uitoefenen
Ouders hebben dikwijls hun eigen voorstellingen van wat het kind zou moeten kunnen, daardoor nemen ze niet meer waar wat er in het kind leeft. Het kind verliest het vertrouwen in zijn ouders omdat die voortdurend iets van hem willen zonder rekening te houden met zijn eigen ervaringen of interesses. Er is alleen maar wil om te leren wanneer het kind geïnteresseerd is en wanneer het iets wil onder de knie krijgen. Kleuters kunnen volledig opgaan in wat hen interesseert. Aangezien zij daar nog niet kunnen over praten, zijn het de ouders die moeten kunnen waarnemen bij het kind waar het mee bezig is. En dan komen de ouders daar aan en laten verstaan wat zij verwachten .. alsof het kind te lui is om zich in te spannen !
Het kind voelt dat zijn ouders bang zijn dat het te weinig zal kunnen. Het voelt dat wat het doet niet voldoende is om aan de verwachtingen van de ouders te voldoen. Aangezien het kind er alleen maar kan van uitgaan dat de ouders het graag zien, dat de ouders het beste voor hemzelf willen, verliest het het vertrouwen in zichzelf. Zijn zelfvertrouwen wordt verzwakt: "Aangezien mijn mama zo vaak iets anders juist en goed vindt dan ik, mag ik niet meer vertrouwen op mijn innerlijke stem. Ik ben minderwaardig, ik voldoe niet, ik kan te weinig - dus ga ik maar doen alsof ik dat allemaal al kan".
Niet alleen dit dilemma leeft in de kinderziel, het kind voelt ook dat het moet wijken t.o.v. die verwachtingen, of het begint zich teweer te stellen en af te schermen. Het wordt gedwongen om een taktiek te ontwikkelen om zichzelf te beschermen. Het leert bvb. om iedere poging te saboteren die gericht is om het te doen presteren. Later doet het hetzelfde op school ! Ofwel kan zijn innerlijke drang dusdanig verlammen dat het later alleen maar iets doet wanneer het ertoe aangepord wordt.
De angst dat kinderen zouden achterop geraken wanneer men ze niet voortdurend achter de veren zit is ongegrond en onterecht. Want kinderen die zich in hun eerste levensjaren aangenomen voelen als kleine mensen met een eigen waarde, en die zich daardoor in hun doen kunnen blijven concentreren op wat zijzelf belangrijk vinden, op hun eigen tempo, die leren daardoor zekerheid ontwikkelen en die leren daardoor ook later al de rest veel beter. Ze hebben dan hun eerste levensfase kunnen doormaken dat ze later geen mateloze angst voor prestatieverwachtingen moeten hebben. Uit de ontwikkelingspsychologie is bekend dat, om een kind harmonisch en optimaal te laten opgroeien, het nodig is dat een vorige fase positief werd afgesloten voordat een volgende succesvol kan aangepakt worden.
Wat leert een kind in zijn eerste jaren ? Natuurlijk leert het om met zijn kleine lichaam om te gaan, het leert de taal, maar vooral leert het hoe mensen met elkaar omgaan, gedragsmechanismen. Wanneer het regelmatig benaderd wordt met leerverwachtingen, dan leert het om zichzelf daartegen te beschermen. Het ontwijkt, verweert zich, sluit zich af, en dat worden blijvende gedragspatronen. Bovendien leert het dat prestatiedruk blijkbaar een teken van liefde is, en ooit gaat het dat gedrag overnemen. Dan verschieten ouders van een vijfjarige hoe ze door hun zoontje behandeld worden: veeleisend, luid, druk uitoefenend. De boemerang keert terug, de oorlog tussen ouders en kind is begonnen.
Dit gedragspatroon raakt men later in 't leven maar moeilijk weer kwijt. Volgens dit patroon worden dan vrienden, geliefden en later ook de eigen kinderen behandeld. Velen ontwikkelen dit patroon van druk-uitoefenen verder en vinden alleen maar zekerheid in het heersen. Zo kunnen dan mensen ontstaan die alleen maar macht over anderen willen uitoefenen - en niet anders kunnen !
Of het kind leert dat liefde onthouden een uitstekend drukkingsmiddel is en dat wordt dan zijn belangrijkste wapen om iets te bekomen - zijn leven lang. Liefde geeft het alleen als beloning. Hoe gaat een toekomstige partner zich daarbij voelen ? Liefde wordt een spel, ze verliest het voedende, verrijkende en levendige.
Geen perfecte, maar levende voorbeelden
Wat zouden nu "gezonde" doelen kunnen zijn bij de opvoeding van de kleuter ?
Enkele voorbeelden: vriendschap, liefde, menswaardigheid, levensvreugde, het vermogen om vorm te geven aan het leven, humor, inlevingsvermogen, levendige communicatie, innerlijke rust, evenwicht ...
Als hiervoor de basis gelegd wordt in de eerste jaren, dan gaat het kind zijn energie niet steken in ontwijkingsstrategieën. Levensvreugde zal het tot een stralende mens maken, bereid om iets voor anderen te doen.
Hoe kunnen we een kind begeleiden om die idealen te bereiken ? Heel eenvoudig - door te proberen ze vóór te leven. Wanneer men voor het kind in de eerste plaats vriend en helper is en probeert om in kleine dagelijkse details te tonen dat men het kind waargenomen heeft. Instinctief willen kinderen van ons leren hoe men een waarachtige mens wordt. Hun reacties tonen ons wanneer wij dit ideaal te kort doen, tenminste zolang ze niet toegestopt en afgesloten zijn. De tijd met onze kinderen is te kostbaar om hem te verspillen met oorlogje spelen. Laat ons liever dansen en zingen, lachen en wenen, samen met hen. Als wij op een waarachtig menselijke manier met hen omgaan, dan bloeien ze open op een ongelooflijke manier. Dan wordt er ook een basis gelegd van waaruit een wakkere, sterke mens kan groeien, die tevens de kracht heeft om te volbrengen wat hij zich voorgenomen heeft.
Als men nu weet dat kleuters vooral door imitatie leren, dan geeft ons dat een ander standpunt: de opvoeder wordt dan het levend voorbeeld waarmee de kleinen hun mens-zijn leren, en het is doorslaggevend hoe wij mens zijn. Hoe we spreken, handelen, ons bewegen, communiceren, werken, rusten enz. enz.
In het middelpunt staat niet meer het kind, wat het al kan of zou moeten kunnen, maar moeder/vader als mens in al zijn doen en beleven en in zijn/haar verhouding tot het kind. In dit verband ontstaan dan ook nieuwe vragen.
Velen stellen het zich aldus voor: als men een voorbeeld moet zijn, dan zou ik foutloos en perfect moeten zijn - dat is toch niemand ? En men wijst het idee af als zijnde onhaalbaar. Maar het gaat om iets helemaal anders. Een klein kind imiteert niet alleen uiterlijke handelingen, het glipt a.h.w. liefdevol in de handelingen van het geliefde wezen in alsof het zelf deze moeder of vader is (of om 't even wie die dikwijls in zijn nabijheid vertoeft). Het is inderdaad zo dat het deze wezens zeer precies in 't oog houdt, maar niet als een kritische rechter die punten moet geven, wel vanuit een liefhebbende bereidheid om te leren. In zijn observeren leeft de vraag: hoe doe je dit, hoe doe je dat, hoe beweeg je je, hoe hanteer je zaken ? - Ik wil dat ook leren ! Ik wil dat ook kunnen - Hoe ga je om met gevaarlijke dingen (mes, kachel, risico's) ? - Kan ik moed hebben om dat ook te leren ? Ik zou willen zo handig en behoedzaam zijn als jij !
En natuurlijk bekijkt het kind ook de tussenmenselijke relaties: wie groet je en hoe ? Hoe spreek je in welke situaties ? Hoe ga je met moeilijkheden om ?
We moeten niet perfect zijn als voorbeelden, de vraag die in het kind leeft luidt veeleer: hoe speel je het klaar om met de eigen tekortkomingen en zwakheden om te gaan ?
Nu zouden vele ouders onzeker kunnen worden: hoe kan ik mijzelf blijven als mijn kind mijn reacties en daden gaat nadoen, zelfs al wat maanden geleden zich eens heeft voorgedaan ? Sommigen zouden op het idee kunnen komen dat ze een masker moeten opzetten en altijd vriendelijk zouden moeten blijven ook al koken ze innerlijk van woede. Afhankelijk van het eigen temperament en levensfilosofie zou ook dit idee een mogelijkheid kunnen zijn, bvb. als het gedragen is door de wens naar meer zelfbeheersing en respect voor de waarde van andermans wezen. Als het echter maar een vriendelijk masker blijft om daaronder de woede des te matelozer te laten razen, dan zal het kind dat vlug bemerken en onzeker worden door deze situatie: er klopt iets niet - hoe kan het kind dit plaatsen, verwerken, nadoen ? Dit leidt alleen maar tot verwarring.
Weet een klein kind wat we in het schild voeren ? Het is een feit dat de menselijke energie het bewustzijn volgt. Onze gedachtenwereld bepaalt met welke nuance energie in onze handelingen stroomt. Peuters en kleuters nemen dit waar, veel beter dan vele volwassenen. Wanneer dus bepaalde ouders geen komedie willen spelen, dan hebben ze gelijk. Maar moeten we dan onze gevoelens zomaar de vrije teugel laten en bvb. naar hartelust met de deuren slaan, uitzinnig worden of in stilte gaan zitten mokken ?
Hier zijn we dan aangekomen bij de grote uitdaging van opvoeding. Want, dat ik woedend ben betekent nog niet dat ik als een automaat mijn woede laat uitrazen. Zelfbeschouwing is nodig en nadenken: wat bewerkstelligt mijn handelen - ook in het kind.
Slaven van onze gevoelens ?
Mijn eigen kleine kinderen waren voor mij de beste leraars wat zelfopvoeding betreft: deden ze "raar" dan vroeg ik mij af: wanneer heb ik de laatste weken ook zo gedaan ? Meestal kwam ik er vlug achter - in ons doen zitten zoveel vaste patronen ingebakken die zich uiten bij iedere gelegenheid waar men snel moet handelen zonder dat men tijd heeft om even te overleggen. En dat is met kinderen nu juist dikwijls het geval.
Nemen we terug eens die woede: vooreerst is het een gevoel dat er is, ik moet het niet ontkennen, het is er. Ik zou kunnen zeggen: "Nu word ik woedend", daarmee kwets ik nog niemand, want ik ben nog altijd niet verplicht tegenover iemand uit te barsten. Nu kan ik proberen om mijn handelen bij te sturen, er is immers speelruimte voor alternatieven. Ik zou bvb. eerst iets kunnen doen dat mij terug kalmeert (dat kan men een kind ook zeggen). Vanaf het ogenblik dat ik terug kan denken (sterke gevoelens blokkeren het denken) of in een nabeschouwing die nuttig is voor toekomstige woede-aanvallen kan ik overleggen hoe ik met een dergelijke situatie kan omgaan op een manier dat het kind er iets kan van leren - of wil ik dat het kind later ook hulpeloos meegesleept wordt door zijn gevoelens ?
Misschien kan ik met kleine beetjes mijn handelen dichter bij een ideale reactie brengen ? Zoals gezegd, het gaat er niet om het gevoel als dusdanig te ontkennen, maar wel een verandering in het uitleven van dit gevoel. Dat kunnen we door onze wil beïnvloeden. De kleinste, praktische maatregelen kunnen hierbij al grote veranderingen teweeg brengen (op lange termijn), en ook hier geldt dat de perfectie niet vanzelf komt.
Zijn wij slaven van onze gevoelens of hebben wij de vrijheid om onze idealen in ons handelen te laten doordringen ? Wie het geprobeerd heeft weet hoe moeilijk het is en hoe oprecht men daarbij kan zijn.
Zelfopvoeding is aldus de moeder van alle opvoeding; ik moet mijzelf niet in acht nemen terwille van mijzelf, maar omdat ik weet: wat ik doe heeft uitwerkingen op het kind (natuurlijk heeft het ook uitwerkingen op mijzelf en langs de kinderen werkt het zelfs direct op mij). Wanneer ik tracht om beter te handelen dan voordien dan is dat geen zelfverloochening maar het begin van een ontwikkelingsweg: hoe meer ik oefen, des te meer ideeën schieten mij te binnen en des te meer voel ik kracht om ermee door te gaan.
Al wat ik doe wordt door gevoelens gekleurd. Mijn kind neemt waar wat mijn handen doen en een opmerkzaam waarnemer leest mijn gevoel uit de manier van mijn bewegingen. Of ik met plezier eten maak of de tafel dek of ik weet niet wat: ik doe het anders dan wanneer ik droevig ben. Nogmaals: we moeten niet huichelen; we kunnen gerust uitspreken dat we droevig zijn, maar ook als men droevig is kan men ideeën hebben, hoe men idealiter zou kunnen vorm geven aan troost bvb. Ja, eigenlijk gaat het om vorm geven, dat wordt levenskunst. Opvoeding kunnen we ook vóórgeleefde of mee-geleefde levenskunst noemen.
Om een kunst te leren zijn er vele kleine oefenmomenten nodig. Het heeft geen zin om klaaglijk te falen doordat men zijn idealen torenhoog opgeschroefd heeft. Het komt erop aan telkens weer de juiste kleine pas voorwaarts te vinden. Wanneer ik van de ene kant mijn ideaal in 't oog houd en van de andere kant wat ik ervan terecht breng, dan kan het besluit om zelfs iets miniem in mijn gedrag te veranderen de trein reeds in gang zetten. Vooral geduld hebben. Geduld met zichzelf. Want ook die vraag leeft in het kleine kind: hoe ga jij met je ongeduldigheid om ? Kan ik dat imiteren ?
Hoewel wij als volwassenen grote idealen kunnen koesteren, toch worden we zowel bij onszelf als bij anderen geconfronteerd met tekortkomingen. We moeten allemaal leren, niemand is perfect. Ons anders voordoen betekent alleen maar verkramptheid en verwarring zonder vooruitgang, de enige mogelijkheid om de kloof tussen ideaal en werkelijkheid te overbruggen ligt in de kleine schreden op een lange weg. De weg is het doel, zou men kunnen zeggen; het zijn de schreden die tellen en niet het vooruitzicht op perfectie.
Het kind vermoedt de idealen achter onze gedragingen, het voelt aan in welke richting wij streven, het heeft de mogelijkheid om ruimte te geven aan zijn eigen ontwikkeling, want de oerdrift van het kind om zich te ontwikkelen wordt gevoed en krijgt vleugels ...
Nabeschouwing
Na een eerste lectuur van het artikel had ik de indruk dat de auteur de volgende stelling verdedigt: laat het kind zelf bepalen wanneer het iets wil leren. Laat het ontwikkelen op zijn eigen tempo. Doe je dat niet dan forceer je iets en dat heeft schadelijke gevolgen.
De voorbeelden die Mw. Ellenberger anhaalt zijn goed gekozen. Ieder van ons heeft zich wel al eens bezondigd aan een van die aangehaalde praktijken. Reden genoeg dus om het niet eens te zijn met haar standpunt.
1) Op een avond 'betrap' ik er de moeder van mijn kind erop dat zij samen met haar driejarig zoontje een prentenboek bekijkt en hem telkens vraagt wat er afgebeeld staat. De kleine was duidelijk heel fier wanneer hij terug eens het antwoord wist en hij deed goed zijn best om moeilijkere woorden goed uit te spreken (hij heeft het nog altijd moeilijk met de 'r'). Ik had niet de indruk dat het kind tekort gedaan werd, het was blij te kunnen tonen wat het allemaal al wist, maar juist zoals Mw. Ellenberger opmerkt probeerde het toch al om te camoefleren wat het nog niet wist. Persoonlijk zie ik ook niet in wat het pedagogische waard is om een kind te leren afbeeldingen te benoemen die eigenlijk zeer abstract en schematisch zijn, meer pictogrammen (in dat soort boekjes ziet een dolfijn eruit als een blauwe banaan, ieder voorwerp of dier is immers op een andere schaal weergegeven).
2) Toen ik nog werkte als toezichter begeleidde ik samen met enkele vrouwelijke collega's een groep kinderen naar het zwembad. In die groep was er een zes- of zevenjarige tweeling, meisjes. Het ene zwom al, het andere durfde nog niet in het water gaan. Een van de begeleidsters, een potige vrouw, ging dit laatste meisje 'helpen' haar vrees te overwinnen. Het arme kind zat al op de bus te wenen, naarmate we het zwembad naderden al wat harder, tegen dat het aan de rand van het water stond was het aan 't gillen en krijsen. Ikzelf zou een kind dat zo panikeert nooit gedwongen hebben, maar de bewuste opvoedster neemt dat kind behoedzaam op de arm en gaat er langzaam mee in het water. Vijf minuten later speelt het blij en vrolijk met haar zusje en andere kinderen in het water dat tot aan haar middel reikte. Dit voorval deed mij de zachte aanpak wat relativeren, maar het bovenstaande artikel bevestigt terug dat mijn aanvoelen juister was: de kordate aanpak heeft op korte termijn een doel bereikt (watergewenning), maar hoogstwaarschijnlijk had het kind een grotere innerlijke kracht verworven, indien het vanuit een eigen wilsbesluit ertoe gekomen was om in het water te gaan. De volwassenen konden echter geen week, geen maand en zeker geen jaren het geduld opbrengen om haar het initiatief te laten ...
3) Zelf heb ik kinderen al dikwijls aangemoedigd om iets te doen of te ondernemen waarvan ze zelf niet zeker zijn of ze het gaan kunnen. Mijn redenering: als ze het kunnen, dan zijn ze fier en worden ze een stukje zelfverzekerder; kunnen ze het niet, dan weten ze tenminste wat de volwassenen van hen verwachten en heeft men tegelijk een richting aangegeven. Het komt erop aan om de situaties zo uit te kiezen dat het kind vaker ervaart dat het iets wél kan dan omgekeerd. Zoals Marion Ellenberger aangeeft: een paniekreactie is een goede aanwijzing dat het kind er lang nog niet aan toe is, laten we liever eerst wat werken aan ons eigen ongeduld !
In eerste instantie leek het erop dat mijn eigen ervaringen iets anders leerden dan wat in het artikel geponeerd wordt. Bij nader inzien heeft Mw. Ellenberger toch gelijk denk ik.
Eigen ervaringen:
Carl Unger zei ooit: "Wanneer iemand vertelt over zijn persoonlijke contacten met Rudolf Steiner, dan gaat het eigenlijk over de biografie van de verteller, niet over die van Rudolf Steiner." Dat was een radicale uitspraak, maar die raakte een belangrijk punt aan: wordt door het 'persoonlijke' het boven-persoonlijk formaat van de leraar van onze tijd geopenbaard of juist versluierd ? Het loskomen van een persoonlijke goeroe is een kenmerk van de nieuwe geestesopenbaring. In de grond moeten de tijdgenoten van Rudolf Steiner dezelfde ervaring van het werkelijkheidskarakter van diens werk opdoen als de latere generaties.
Toen ik 27 was las ik het proefschrift van Rudolf Steiner "Waarheid en wetenschap". Het kennistheoretisch raadsel was opgelost. Aan de persoon die dat vermocht kunnen we ook met een gerechtvaardigd vertrouwen vragen stellen over de weg naar de geestelijke werelden. "Hier is het uitzicht vrij, de geest verheven". Dat was mijn eerste en bepalende ontmoeting met dé Rudolf Steiner zoals hij door ieder van ons kan gevonden worden.
Rudolf Steiner werd dan ook mijn 'peter' in de toenmalige Theosofische Vereniging, omdat ik op mijn eentje met geesteswetenschap bezig was en geen enkel lid kende dat mij kon intoduceren, zoals dat toen de gewoonte was. "Ik zal uw aanvraag ondertekenen, dat zal volstaan", zei hij met lichte humor,"en een beginnerscursus moet u niet volgen. Komt u morgen naar de ledenavond". Pas later heb ik ingezien wat een vertrouwen in deze woorden lag en dat ik moest waarmaken en wat een inschikkelijkheid en begrip voor mijn zgz. zelfvorming.
Wie de onmetelijke arbeidslast zag die de schouders van Rudolf Steiner rustte, die ging geen vragen over persoonlijke zaken aan hem stellen. Maar velen hebben het meegemaakt dat ze midden in een openbare voordracht van hem het antwoord kregen op een onuitgesproken vraag.
Wanneer Rudolf Steiner de zaal betrad of wanneer hij ze verliet dan stonden wij leden daar te wachten en als hij zijn hand uitstak en zijn "Wel, hoe gaat het ?" uitsprak, met een stem waarin de warmte van een allesbegrijpende liefde leefde, dan waren dat belangrijke ontmoetingen. Deze eenvoudige vraag wekte verantwoordelijkheidsgevoel in de leerling. Misschien was hij net begonnen met 'oefeningen' en moest al vlug inzien: dat gaat helemaal niet, ik ben nalatig, ongeconcentreerd, te weinig ernstig. Men sprak dat niet uit maar men wist dat men gehoord was, en blik en handdruk gaven moed om verder te doen.
Naarmate de beweging dan verder evolueerde waren er meer gelegenheden tot private audiënties en vragen stellen. Bij zo'n bespreking vroeg ik naar de schikking van de zeven rozen op het kruis. Onmiddellijk tekende Rudolf Steiner op een blad papier een kruis. Boven het snijpunt van de lijnen tekende hij een driehoek, onder het snijpunt een trapezium. De zeven hoekpunten van beide figuren waren de plaatsen waar de rozen ontspringen. "De lagere vierheid en de hogere drieheid" zei hij, en ik herinnerde mij het schema van het Onzevader.
Op een andere keer vroeg ik naar de verhouding tussen bewustzijn en dichterlijke productiviteit. Terug verscheen het korte, dikke potlood uit zijn vestzak en hij tekende een hoefijzervormige glazen buis. "Denkt u aan het fenomeen van de communicerende vaten" sprak hij, en arceerde de waterniveau's in de twee uiteinden van de buis. "Als hier rechts door antroposofie het inzicht vergroot", en hij arceerde rechts wat hoger, "dan stijgt links evenveel het kunst-scheppend vermogen". Dan bedekte hij met de hand -deze wonderbaarlijke hand die tegelijk kracht en gevoel uitstraalde- de boog van de buis en zei uitdrukkelijk: "De samenhang wordt niet bewust, maar de dichterlijke productie , die is er. Ziet u, Herr Münch" vervolgde hij," Ik schrijf op dit ogenblik het derde mysteriedrama. Wanneer ik een bladzijde aan 't schrijven ben weet ik niet wat er op de volgende zal staan". Deze uitspraak wijst op iets: iemand kan handelen vanuit de wil, met een tegenwoordigheid van geest gericht op het ogenblik van het scheppen, hij hoeft niet te 'weten' zoals een toeschouwer weet.
Ik bedankte en ging weg, mijn hart verlicht. Vertrouwen om te streven naar geestelijk inzicht was gesterkt, en de onbevangenheid om in de vorm creatief te zijn ook.
We weten dat het een belangrijke opvoedingsmethode voor de geestesleerling is om te leren onderscheid maken tussen een reëel feit en een subjectieve mening. Voor de zintuiglijke ervaringen is dat relatief gemakkelijk, maar voor geestelijke belevingen is het moeilijk om de eigen interpretatie te scheiden van het feit. In dit verband gaf Rudolf Steiner mij eens een les die kon tellen, maar tegelijk was het een zegen voor mij. Om deze les duidelijk te maken moet ik iets persoonlijk vertellen. Rudolf Steiner had in Berlijn op de ledenavond gesproken over de manier hoe een belangrijke spirituele persoonlijkheid zijn leerlingen tot zich roept. Wij hoorden dat in een situatie die bijna de dood veroorzaakt een innerlijke stem op het laatste nippertje ingrijpt en het onheil afwendt, het verdere leven is dan als het ware een geschenk. Rudolf Steiner wees erop dat vele mensen dit al meegemaakt hebben en dat het belangrijk is om er acht op te slaan. Nu was er in mijn jonge jaren iets vergelijkbaar met mij gebeurd, ik droeg dat sindsdien als een raadsel met mij mee. Na de voordracht vroeg ik Rudolf Steiner om een bespreking en dat werd mij toegestaan. Bij deze bespreking leerde ik zeer veel maar ik ga alleen vertellen wat dat lesje was, het kan voor anderen leerrijk zijn. Ik verwees naar de genoemde ervaring en begon: "Herr Doktor, ik weet niet of het misschien geen ijdelheid is die mij doet geloven dat ik tot de uitverkoren leerlingen behoor". Kort, ernstig en zakelijk kwam het antwoord van Rudolf Steiner: "Die twee dingen kunnen gescheiden worden."
Daar hads ik mijn lesje. Als een zichtbaar chymisch gebeuren vielen uiteen: feit en interpretatie. Het feit had realiteitswaarde, maar de illusie dat men daardoor bijzonder uitverkoren is, dat was nu eenmaal een illusie. Wat in werkelijkheid een opgave was dat werd door inbeelding voorgespiegeld als een teken van uitmuntendheid, en in mijn vraag lag de ganse hoogmoed van mijn ziel.
Sindsdien heb ik dikwijls gelegenheid gehad om de chymische werking van dit antwoord van de grote leraar te toetsen: wezenlijk of niet wezenlijk ... "die twee kunnen uiteen gehouden worden".
Terug naar de anecdotes.
Terug naar het thuisblad