Inhoudstafel van Brug 81 ( september 2013)

De herdenking van WO I – Richard Ramsbotham

De E.U. – project van decadente stromingen

Kunst – voordracht door Christine Gruwez

Kunst en de elementenwezens

Goethe in Italië

Landschapskunst als begin

Het Johannes-evangelie



+ Groter lettertype
+ Kleiner lettertype


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*



.

Beste Lezer,

In het laatste nummer van “Der Europäer” (nr. 11-september 2013) stelt Thomas Meyer vast dat er in de antroposofie vandaag twee tendensen bestaan. Enerzijds het vasthouden aan de uitspraken en aanwijzingen van Rudolf Steiner, zonder zich af te vragen of die woorden ook nog voor onze tijd kunnen gelden. Anderzijds het subjectief interpreteren of zelfs desavoueren van al wat Rudolf Steiner gezegd en geschreven heeft maar wat niet meer past in de huidige ‘tijdsgeest’. Tussen deze twee polen moeten wij, door ons denken, een gefundeerd standpunt trachten te vinden.

Met ons tijdschrift “De Brug” zien wij ons tussen twee andere polen geplaatst. Enerzijds de blik richten op wat vandaag in de wereld, in de maatschappij voorvalt en dat vanuit antroposofische inzichten proberen te verklaren. We kunnen bijna niet anders dan in onze tijd een herhaling van de Romeinse keizertijd te zien : de wereldoorlogen tegen Duitsland als een herhaling van de Punische oorlogen tegen Carthago; daarbij het toenemend despotisme van de regeringen die meer en meer beslag leggen op de vrijheid en de eigendom van de burgers. Het blootleggen van deze tendensen is niet gemakkelijk. Willen we dat op de manier van Rudolf Steiner doen, dan mag daar geen kritiek op de wereld zoals hij is inzitten vermits dat door de geestelijke machten zo toegelaten wordt. We moeten daar een zekere gelatenheid kunnen ontwikkelen zonder in fatalisme te vervallen.

In het verleden zijn we er niet altijd in geslaagd om daar de juiste toon te vinden. Waar we ook te weinig aandacht aan geschonken hebben is de andere pool : het intensiever werken aan de innerlijke ontwikkeling. Voor de volgende jaren nemen we ons dus voor om een beter evenwicht te vinden tussen het esoterische in Rudolf Steiners werk, uittreksels kiezen die ons kunnen helpen bij de eigen geestelijke ontwikkeling, en daarnaast ook verder aandacht besteden aan wat in de wereld en in de maatschappij door de tegenmachten geïnspireerd wordt.

François De Wit




*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

De herdenking van de Eerste Wereldoorlog

door François De Wit

Op 10 en 11 juni 2013 was Richard Ramsbotham te gast in Brussel. Op uitnodiging van Hugo Lüders sprak hij o.m. over de achtergronden van de Eerste Wereldoorlog.
De naam van Ramsbotham was ons bekend doordat hij een boekje schreef over Jakob I, de inspirator van Shakespeare en Francis Bacon :
“Who Wrote Bacon ? –William Shakespeare, Francis Bacon and James I – A mystery for the twenty-first century” .
Dit boek werd naar het Duits vertaald en uitgegeven door Thomas Meyer, ( Perseus Verlag ). De inleiding die Thomas Meyer voor de vertaling schreef, kunnen we ook als inleiding gebruiken voor de twee voordrachten die Ramsbotham in Brussel gaf. We beginnen daarmee.
Thomas Meyer dus, uit het voorwoord bij de Duitse uitgave :

“Dit boek werpt een verhelderend licht op de eeuwenoude discussie of William Shakespeare (1564-1616) wel de auteur was van de werken die aan hem toegeschreven worden. In de loop van het boek wordt duidelijk dat deze vraag niet alleen van literair-historisch belang is. Rond deze vraag kristalliseren twee geestelijke stromingen of tendensen van wereldhistorische draagwijdte. De vertegenwoordigers van de ene stroming zien in de culturele verbinding tussen Midden-Europa en het Angelsaksische Westen iets natuurlijk-bevruchtend en ook iets dat noodzakelijk is voor de toekomstige mensheidsontwikkeling. De anderen streven ernaar om de culturele-spirituele schatten van Midden-Europa ofwel te loochenen ofwel ze voor te stellen als komende uit het Westen .

De vertegenwoordigers van de laatste richting proberen om Shakespeare door Francis Bacon (1561-1626) of andere Engelse kandidaten te vervangen. De eerstgenoemden zien in Shakespeare een geïnspireerde geest die een culturele brug bouwt tussen het Westen en Midden-Europa. De eerste visie is de uitdrukking van de wil tot wereldmacht; de andere bevat een waarheidsgrond die in dit boek behandeld wordt.

De vraag wie Shakespeare concreet inspireerde staat in het middelpunt van het werk van Richard Ramsbotham (geboren in 1962). Talrijke volgelingen van Rudolf Steiner hebben deze vraag al te vlug beantwoord en gewezen naar de grote figuur van Christian Rosenkreutz.
Rudolf Steiner daarentegen zegt duidelijk dat er maar één enkele individualiteit als inspirator in aanmerking komt : de Schots-Engelse monarch Jacob I (1566-1625).

De manier waarop Steiner dit feit gedurende ongeveer 10 jaar occasioneel ter sprake brengt, geeft aan deze vraag het karakter van een “openbaar geheim”.
Het inspiratiegeheim achter Shakespeare is complex, zoals ook de persoonlijkheid van Jacob I dat is. Me, krijgt gemakkelijk een verkeerd beeld van Jacob wanneer men zich enkel focust op bepaalde aspecten van zijn karakter en zijn handelen, en andere niet bekijkt. ( … )
Een nog dieper begrip van de betekenis van de individualiteit van Jacob I verkrijgt men als men in de loop van de uiteenzetting hoort dat hij niet alleen Shakespeare, maar ook Bacon, Jakob Böhme (1575-1624) en de vandaag minder bekende jezuïet-dichter Jakobus Balde (1604-1668) geïnspireerd heeft. Dat toont ons de reikwijdte van deze belangrijke geest en het toont ons dat hij voor de verrijking van het Duitse en Midden-Europese geestesleven gewerkt heeft als weinig andere geesten van de nieuwe tijd. ( … )
Achter de discussie omtrent het auteurschap staat in waarheid een geestesstrijd. De ene soort geest groepeert zich rond Bacon en de demonen-afgoden die door zijn werken gecreëerd werden en die tot vandaag verder werken, een eenzijdig materialistisch wereld- en geschiedenisbeeld propagerend. De andere soort geest concentreert zich rond de individualiteit van Rudolf Steiner die bijna 100 jaar geleden het probleem van wie de Shakespearewerken schreef, behandeld en uitgeklaard heeft, een probleem dat in Engeland opnieuw aan de orde kwam bij het begin van het nieuwe millennium. ( … ) Na het verschijnen van het boek in 2004 waren er opmerkelijke, voor een deel zeer scherpe, negatieve reacties. De auteur beschrijft ze in zijn nawoord. Verbazingwekkend is dat zelfs in bepaalde antroposofische kringen de verwarrende mist omtrent de vraag naar het auteurschap, dat met zovele ander vragen samenhangt, nog altijd niet is opgetrokken. Moge deze Duitse uitgave alle twijfels daaromtrent volledig wegnemen.”

Tot daar Thomas Meyer. De polemiek over Bacon als schrijver van de Shakespearewerken heeft dus een politieke component. Voor Angelsaksische machtsgroepen is het belangrijk om te benadrukken dat alle vernieuwing, alle sterke geestesimpulsen uitgaan van een elite. Deze visie kan men niet doordrukken als men een man uit het volk, zoals Shakespeare dat was, het auteurschap laat over zijn werken. Francis Bacon behoorde tot de elite. Shakespeare als “gewone man” is niet bruikbaar voor machtsspelletjes, Francis Bacon daarentegen, als aristocraat en staatsman, juist wel.
Dit laatste liet de spreker ons verstaan in de loop van zijn eerste voordracht.
Hij begon zijn voordracht met iets over zijn eigen biografie : hij is geen historicus, zijn vak is literatuur. Zijn jeugd bracht hij door in het bezette Duitsland want zijn vader was generaal bij het Britse leger.
Later als lesgever kwam hij in contact met Oosteuropese studenten en ging hij jaren in Midden-Europa wonen, Kroatië, Tsjechië, Polen. Het viel hem op hoezeer de openheid, de zoekende ingesteldheid bij de Midden-europeaan contrasteerde met de geest van de Engelssprekende volkeren. Zo begon hij zich voor politiek en geschiedenis te interesseren.

Voor de herdenking van de Groote Oorlog wordt in Engeland 50 miljoen pond voorzien. Die herdenking wordt algemeen gezien (zo klinkt het tenminste op de BBC) als een kans om het patriottisch gevoel van het Engelse volk te versterken, zoals ook de Olympische Spelen, het jubileum van de Queen en het huwelijk van de kroonprins voor dat doel gebruikt werden. Blijkbaar vinden bepaalde kringen in de Angelsaksische wereld nationalisme en chauvinisme nog altijd even belangrijk als 100 jaar geleden.

In augustus 1914 sprak Edward Grey , de minister van Buitenlandse Zaken, de bekende woorden :

"The lamps are going out all over Europe, we shall not see them lit again in our time"
(het licht gaat uit in Europa, we zullen het tijdens ons leven niet meer zien branden)

Waren dat profetische woorden van iemand die wist wat er gepland was ? Is er al terug licht in Europa ? Zijn de leidende kringen in de Angelsaksische wereld nog altijd bevreesd dat er uit Europa een nieuw licht zou komen ?

Hoe deze kringen politiek maken kunnen we gemakkelijk in de media herkennen.
Neem nu de klokkenluider Snowden die aan het licht bracht wat velen al lang wisten : dat de Amerikaanse regering alle gegevens van alle burgers verzamelt via het NSA : emailverkeer, gsm-verkeer, welke sites je op het internet bezoekt. Tegelijk met dit bericht wordt dan in de gewone media president Obama aan het woord gelaten die dit maar een piepklein inbreukje op het privéleven beschouwt, iets wat moet kunnen als we in een “veilige wereld” willen leven.
De spreker toonde de Herald Tribune van de zondag ervoor. Wat de machthebbers in verlegenheid brengt, wordt bescheiden weergegeven, meestal vergezeld van vergoelijkend commentaar. In het editoriaal werd vastgesteld dat het sociaal contract in Europa onbestaand was geworden en wordt er gepleit voor een “full and mighty union along Anglo-American lines”. In het artikel daaronder maakt een professor uit Cambridge een vergelijking tussen de huidige toestand in Europa en de jaren na de Eerste Wereldoorlog. Ook vandaag is het nog altijd niet duidelijk of in de Angelsaksische wereld de Eerste Wereldoorlog gewoon herdacht of in feite gevierd wordt.

Op verschillende manieren kunnen we de achterliggende drijfveren van de Anglo-Amerikaanse politiek leren kennen. Daar zijn vele bekende publicaties die openlijk uitspreken wat er beoogd wordt. Vooral ten tijde van de Bush-regeringen. We kennen Francis Fukuyama’s “The End of History”, het einde van de geschiedenis wanneer er geen verschillende politieke systemen meer bestaan maar één systeem voor gans de wereld. Of Krauthammer die het over unipolariteit heeft, één grote wereldmacht die de spelregels bepaalt en ze zonder scrupules doet naleven. Of Wolfowitz uit de eerste Bush-regering die een openlijk imperialistisch pleidooi liet verschijnen, dat weliswaar werd teruggetrokken. Na even een pauze met Clinton kwamen dezelfde mensen met de tweede Bush-regering terug met hun ijver voor massale wat zij noemen defensie-uitgaven. Het Congres wilde niet mee, maar dan ineens : 9/11 ! En daarna was alles mogelijk in de ”strijd tegen het terrorisme”.
Niet zo merkwaardig want in de denktank “Project of a New American Century” (1997) werd al gezegd dat alle plannen van de regering overal op weerstand zouden stuiten . . . tenzij er een gebeurtenis als Pearl Harbor kon plaatsvinden ! Sectie V van “Rebuilding America's Defenses”, getiteld "Creating Tomorrow's Dominant Force", bevat de zin: "Het proces van transformatie zal lang duren als er niet één of ander catastrofale, katalyserende gebeurtenis plaatsvindt––zoals een nieuw Pearl Harbor."

Vier of vijf invloedrijke personen begonnen dit overal te laten klinken : Brzezinski, Rumsfeld, Zelikow.

David Roy Griffin schreef 15 boeken over 9/11. Er gaat een lijn terug in de tijd van 9/11 naar Pearl Harbor naar ergens een feit vóór WO I. Deze lijn of rode draad is al door vele mensen ontdekt en onthuld, maar de gevestigde machten slagen erin om deze onthullingen krachteloos te maken en de onthullers voor te stellen als halvegaren die overal samenzweringen zien. Zo werd onlangs op BBC Alex Jones (van infowars.com) uitgenodigd, een beetje het boegbeeld van de “samenzweringstheoretici”. De sluwe interviewer, David Aaronovitch slaagde er moeiteloos in om Alex Jones voor miljoenen kijkers uit zijn dak te laten gaan waardoor nog eens “bewezen” werd wat voor maffe kerels die alternatieve nieuwsbronnen zijn.

Vergelijken we dat met de rustige, zelfverzekerde uitleg van klokkenluider Snowden. Dat soort mensen zijn geloofwaardig. Het komt erop aan dat we niet de grond onder de voeten verliezen als we het grote publiek willen informeren.
De spreker noemde hier behalve Alex Jones, ook nog David Icke die, ondanks alle waardevolle achtergrondinformatie en interpretatie die hij levert, zichzelf ongeloofwaardig maakt door te beweren dat de leden van de Britse koninklijke familie soms de gedaante van een reptiel kunnen aannemen (wij hebben in Brug xx uitgelegd hoe dit niet noodzakelijk onwaar hoeft te zijn ).

David Roy Griffin is het voorbeeld van een betrouwbare onderzoeker, professor ethica en filosofie, die stelt dat we iets wat consequent antimoreel is, demonisch mogen noemen. En dat is nu precies wat hij vaststelt in de Amerikaanse politiek.
Deze macht leidt al jaren de wereldpolitiek volgens een bepaald spoor. We moeten echt teruggaan tot vóór WOI om te kunnen uitmaken of er in Europa een ander politiek-maatschappelijk model mogelijk was dan datgene dat door de Angelsaksische politiek opgelegd werd.
We komen soms in de verleiding om te denken dat er in 1989, met de val van de muur in Berlijn, een nieuw maatschappelijk model een kans maakte. Maar zo’n model krijgt geen kans omdat de gevestigde machten vrezen voor chaos, en chaos noemen ze al wat niet door hen gestuurd wordt. De spreker wees ons op een boek van Philip David Zelikow, de directeur van de 9/11-commissie. Het rapport over 9/11 moest volgens deze man iets zijn met een goed verhaal. De waarheid speelt een ondergeschikte rol. Zelikow gebruikt onomwonden het woord “mythe”, dus een geloof dat mensen delen met andere mensen, en dat gebaseerd is op vooronderstellingen. Daarmee begint dus dat rapport.
Toen het op de bestsellerlijst kwam, had hij een voldoening “als een wetenschapper die een testsituatie opzet en dan ziet dat zijn experiment lukt.”

In 1995 verscheen Germany Unified and Europe Transformed: A Study in Statecraft.
Ramsbotham vindt de openheid van het boek ontstellend : we lezen hoe Gorbatsjov gemanipuleerd werd en men de eenmaking van Duitsland doorvoerde op een manier waarvan men wist dat Gorbatsjov dit politiek gezien niet zou overleven. Maar ook dat is voor de Amerikaanse machtspolitiek bijzaak. Een kleine groep mensen maken de politiek en weten hoe ze de regering in hun richting kunnen beïnvloeden. De Berlijnse muur die plots valt ? Dat gebeurt niet zomaar, dat is gepland tot op de dag, namelijk ook op 9/11 (9 november).

Zelikows opvattingen liggen in de lijn van die van Paul Nitze, ook al zo’n havik die de Koude Oorlog deed escaleren. Die was de voornaamste auteur van een belangrijk National Security Council document (NSC-68), dat de strategische krijtlijnen uitzette voor meer defensie-uitgaven om de vermeende Sovjet dreiging te kunnen weerstaan.

Vandaar kunnen we terugkijken tot vóór WOI waar we de figuur van Halford Mackinder (1861-1947) vinden die veel invloed had met zijn geopolitieke geschriften die pleitten voor een dominantie in het Europese “heartland”. Hij wordt zelfs nog door Brzezinski genoemd.

We weten dat vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de Duitse ambassadeur in London wanhopig probeerde te weten te komen wat Engeland zou doen als antwoord op Duitse acties. Duitsland wilde een oorlog vermijden en zocht naar mogelijke alternatieven. Edward Grey wilde niets concreet zeggen : “to keep our hands free”, zoals hij achteraf in het parlement verklaarde.
Zoals ook Rudolf Steiner al zei : Grey had anders kunnen handelen; Grey had die oorlog kunnen verhinderen. (Tussen haakjes : hetzelfde scenario speelde zich ook af in 1939 toen Duitsland wilde weten hoe Engeland zou reageren op een Duitse actie tegen Polen. Had Engeland ondubbelzinnig gezegd: dan is het oorlog, dan was er geen Duitse inval in Polen geweest. Maar Engeland (we bedoelen natuurlijk de leidinggevende kringen aldaar) hield zich op de vlakte : het wilde gewoon die oorlog. Lees bvb. “The Forced War” van David L. Hoggan)

Caroll Quigley legde in zijn standaardwerk “Tragedy and Hope” al uit hoe gans de Angelsaksische politiek op dominantie ingericht is. De Times volgde al van in 1905 een anti-Duitse lijn. De Round Table groep van Cecil Rhodes : het eerste artikel dat door deze groep gepubliceerd werd ging over de rivaliteit tussen Engeland en Duitsland. Lord Rosebery, eerste minister in 1894 vond dat ernaar moest gestreefd worden “dat de wereld de stempel van ons (Engels) volk” zou dragen.

De spreker verwees terug naar de Herald Tribune van de dag ervoor : een politiek artikel van nu klinkt nog altijd als één van toen. Het lijkt erop alsof het globalisme voor gans de wereld een ideaal is, maar in feite is het dat maar voor de Angelsaksische wereld. Daar zien we een streven naar vrijheid … voor de naties, terwijl vanuit Midden-Europa de impuls komt tot individuele vrijheid. Hoe kun je je nu concreet een vrij land voorstellen ? Toch alleen maar als de mensen vrij zijn. Vrijheid voor een natie is abstract. Dat is de grote tegenstelling tussen het Westen en het Midden.

In het Westen de keuze voor het grote verhaal, de mythe, een geloof, zoals we zagen met het 9/11 rapport van Zelikow; in Midden-Europa het zoeken naar waarheid.
Hier verwees de spreker naar oude kaarten van Europa waarop ons continent afgebeeld wordt als een koninklijke maagd, zie hieronder. Onze bedenking : ligt Engeland niet als een last op haar linkerschouder ?

Waar bevindt zich het hart van Europa ?
In het midden, in Praag (Bohemia) !

Richard Ramsbotham geeft tegenwoordig les aan adolescenten, over Parcival.
Parcival heeft in zijn opvoeding geleerd om geen vragen te stellen. Hij doet het dan ook niet op het moment dat het nodig is. Pas na lange omzwervingen ziet hij dat in.
Laten wij op het juiste moment de juiste vragen stellen.

.
Tweede avond, 11 juni 2013

Vóór hij begon wist de spreker te vertellen dat de herdenkingsperiode van WOI in Engeland officieel geopend werd door Max Hastings op 10 juni 2013. Het is werkelijk shockerend zoals in de Engelse pers een zgz. historicus leugens mag blijven herhalen : Duitsland en Oostenrijk zijn de oorlog begonnen om Europa te kunnen domineren (zie het knipsel hieronder).

http://www.telegraph.co.uk/history/britain-at-war/10110657/Germany-and-Austria-started-WWI-seeking-European-domination-historian-says.html

Zijn tweede lezing begon Ramsbotham terug met het beeld van Praag als symbolisch hart van Europa. Over dit Midden van Europa maakte hij één en ander duidelijk aan de hand van Steiners derde mysteriedrama “De Wachter op de Drempel” dat in 1912 opgevoerd werd. Na dit derde kwam er nog een vierde, maar het vijfde en de volgende werden door het uitbreken van de oorlog niet meer geschreven.

Het derde mysteriedrama begint ermee dat de drie hiërofanten, leiders van een geheime broederschap overleggen om de mysteriën openbaar te maken. Johannes wil niet meedoen, de zaak gaat niet door. Maar in de laatste scène is het dan toch gelukt om de broederschap op een nieuwe leest te schoeien.
We kunnen in Johannes, Capesius en Strader representanten zien van het Westen, Oosten en Midden.
Strader is de man van het Westen, met zijn machine. Johannes is de kunstenaar, hij ziet in de geestelijke wereld Theodora,waar hij liefde voor voelt, denkt hij, maar waarin hij tenslotte zijn eigen Ik herkent, hij was verliefd op zichzelf, Luciferisch. Capesius is de man van het midden.

In GA 186 “The Challenge of the Times” (Duits : “Die Soziale Grundforderung unserer Zeit – in geänderter Zeitlage”) laatste voordracht, heeft Rudolf Steiner het over de aangeboren capaciteiten van de verschillende volkeren.
Wat gebeurt er als iemand uit het Westen de wachter ontmoet ? Hij komt Ahriman tegen, dood en ziekte. Iemand uit het Oosten wordt overweldigd, wordt te licht, gaat op in het Luciferische. De mens van het midden beleeft de strijd tussen het spirituele en het aardse. Dat zien we in het derde mysteriedrama, met de drie hoofpersonen Strader, Capesius en Johannes.
Steiner bouwde met deze drama’s verder op Goethe’s sprookje dat over onze toekomst ging. Hij zei dat als de jongeling in het sprookje een nationaliteit zou hebben, dat het de Russische zou zijn.
De broederschap in het begin van het drama is in de handen van Ahriman geraakt, twee van de drie hiërofanten denken op een bepaald moment in de geestelijke wereld te zijn, maar in feite bevinden ze zich zonder het te weten in Ahrimans rijk. Op het einde is de broederschap niet meer Ahrimanisch maar universeel en accepteert het Westen (Hilarius) Benedictus, de ingewijde, als leidsman.
William Blake, een tijdgenoot van Goethe, toonde in zijn profetische werken de mogelijke ontwikkelingen en dat is wat het derde mysteriedrama ook toont. Het is geen voorspelling maar een zicht op eventuele mogelijkheden. In het tweede mysteriedrama zien we de middeleeuwse incarnaties van de figuren.
Maria was toen de monnik die de tempeliers liet verdrijven uit hun burcht. Wanneer hij dan alleen in de logekamer staat verschijnt de geest van Benedictus voor hem, die in zijn vorig leven de monnikenorde heeft gesticht waartoe “Maria” behoort. Die vertelt hem dat er in de toekomst moet samengewerkt worden tussen de kerkelijke stroming en de tempeliersstroming.
De Eerste Wereldoorlog heeft deze weg van samenwerking afgesneden.
Ondertussen is de kerkelijke stroming gedegenereerd tot jezuïtisme en de tempeliersstroming tot de vrijmetselarij.

Vraag van Hugo : Bestaat het midden nog ? Het lijkt erop dat er alleen nog maar Oost en West is.
Ramsbotham verwijst naar het einde van het vierde mysteriedrama dat tamelijk onheilspellend klinkt. Ahriman heeft net het toneel verlaten. Benedictus besluit met :

“Wanneer over de vol ontwaakte geestesblik
de duistere Ahriman, het wijsheidslicht vertroebelend,
het duister van de chaos wil verbreiden.”

In Duitsland is geen politiek talent, het is theaterpolitiek wat daar bedreven wordt.
In het Westen is men op de hoogte van wat er uit het Midden kan komen en vanuit de geheime genootschappen wordt de politiek aangelegd om dit te beletten. Het is daar een politiek die werkt vanuit de instincten. Steiner noemt Wilson als een voorbeeld van iemand die bezeten is door onderbewuste krachten die door hem werken. De geheime broederschappen willen een wereldorde van enerzijds een heerserskaste in het Westen en een kaste van economische slaven in het Oosten en dat Oosten begint al bij de Rijn.
Iemand als Max Hastings praat in deze lijn: hij zegt dat het belangrijk was dat deze oorlog plaatsvond, dat die nodig was om tot een eengemaakt gecentraliseerd Europa te komen.
Een voorafspiegeling van de oorlog mogen we zien in het conflict tussen Annie Besant en Rudolf Steiner, dat was de geestelijke oorlog die voorafging aan de feitelijke. Besant zei dat het Steiners bedoeling was om de Theosofische Vereniging te verduitsen zodat de vereniging een werktuig van de Duitse Kaiser zou worden, de duizenden theosophische loges zouden spionagecentra voor Duitsland geworden zijn. Ze was er fier op dat ze ondanks de laster en tegenkanting toch een kleine dienst aan het Britse imperium had kunnen bewijzen (door Steiner eruit te gooien).
Dat is dus de spiritualiteit van het Westen : in dienst van het imperium, niet ten dienste van de hele mensheid.

Als we nu zien wie de grote mannen achter dit Europa van nu zijn, dan stellen we vast dat ze ofwel Angelsaksen zijn of in de dienst staan van het Angelsaksendom : Churchill in 1930 in een bekend artikel in de Saturday Evening Post vond dat de V.S en het V.K. de sponsors van het nieuwe Europa moesten worden. Toen in Jalta beslist werd over het lot van de Duitsers, waren er die de Duitsers wilden laten verhongeren. Churchill merkte op dat het beter is om een paard een beetje hooi te geven als je het voor jou wil laten werken. Dat is dus dezelfde man die het Marshallplan een gebaar van vrijgevigheid noemde.
Jean Monnet, over wie men in Washington sprak als de beste ambassadeur die de V.S. kon dromen.

Rudolf Steiner sprak met Ludwig Polzer Hoditz over de twee stromen, de rechtmatige spirituele stroom en de decadente katholiek-jezuïtische stroom. Deze laatste stroom ging in 1802 samenwerken met de occulte Westerse stroming en verenigd werken ze samen tegen de rechtmatige stroom uit Midden-Europa. De katholieke stroom mocht zich het geestesleven toeëigenen, en de Westerse stroom het economische. (We wezen er in De Brug 44 al op dat P.H. Spaak, zgz. een oersocialist zijn dochter kerkelijk liet trouwen en het was de pauselijke nuntius die de mis celebreerde.)
De huidige E.U. is het samengaan van de Westerse stroom en de katholiek-jezuïtische stroom. Waarachtig politiek leven, rechtsleven, is ondergeschikt aan het economische dat geleid wordt door mensen die in dienst staan of een band hebben met de Anglo-Amerikaanse financiële wereld (Goldman Sachs). Anderzijds wordt het geestesleven gedomineerd door het decadent-katholieke. Over Robert Schuman met zijn Europese vlag vol van Maria-symboliek , zie blz. 12.

De rechtmatige stroom gaat terug tot Abel – Salomon - Johannes de Doper.
De andere stroom gaat terug tot Kaïn en Hiram, de bouwer van de tempel. Salomon, die het vrouwelijke aspect voorstelt, heeft die ontworpen maar hij had Hiram nodig om hem feitelijk te bouwen.
Het is opvallend hoeveel loges en instituten in Engeland en Amerika de naam van Hiram dragen.
Naast het economische heeft men in het Westen even veel oog voor een bepaald pseudo-religieus aspect, dat in feite manipulatief gebruikt wordt. De openingsceremonie van de Olympische spelen in London werd ervaren als een hoogmis, een soort pinkstergebeurtenis. De mensen die dit ineengezet hebben (Frank Cottrell Boyce en Danny Boyle) kregen van de Anglicaanse Kerk een prijs. In The Independent stond dat deze ceremonie een heilige triomf was.

“De opvoering suggereerde enkele keren dat de sociale zekerheid die nieuwe godsdienst in Engeland was”. De maker gaf toe dat de ceremonie “left-wing”waarden vierde :
“het was een collage van de monarchie de sociale zekerheid, linkse waarden en het leger.”

Wat de spreker niet vernoemde in dit verband, maar wat wij hier toevoegen is een ander pseudo-religieus, subliminaal werkend symbool, namelijk het logo :

Dit zou, zeer hoekig, het getal 2012 moeten voorstellen. De cijfers zijn zodanig bewerkt dat we er het woord ZION in lezen. Is het toeval dat de rechterhelft lijkt op een knielende figuur ? Welke interactie vindt er plaats tussen de twee figuren ?

Dat de Olympische Spelen een pseudo-religieuze functie hebben, ligt ook volledig in de oorspronkelijke bedoeling van de man die de Olympische Spelen deed herleven, baron de Coubertin. Die had vastgesteld dat de traditionele godsdienst meer en meer verlaten werd en wilde een ersatz bieden.

De spreker had in de loop van de dag het euro-Parlementarium bezocht en toonde ons de brochure die daar ligt voor de bezoekers. We bekeken welke termen in de brochure van gehanteerd worden:
Explore ! Play ! Feel ! – nergens een appel aan het volwassen denken.

Hugo stelde de vraag : wat kunnen we toch doen om ergens een tegengewicht te bieden.
Hij denkt aan een evenement zoals dat vanuit antroposofische hoek in Kassel (3 tot 6 oktober 2013, door de A.V. in Duitsland) en in Boedapest (door Thomas Meyer) georganiseerd wordt in het najaar.

Anderen, ook de spreker, denken dat daar met uiterlijke acties niets aan tegen te houden is. Uiteindelijk komen de impulsen die vanuit het Westen werken van over de drempel. Als we dat willen tegenwerken moet wij ook dat gebied a.h.w. activeren, innerlijk geestelijk actief worden. Zonder daarbij in mysticisme te vervallen. Want ook binnen de antroposofische vereniging bestaan er twee stromingen : behalve de sectarische stroom hebben we wat de spreker integralisten noemt, die in de antroposofie maar een voortzetting of een onderdeel van de hermetische traditie van het Westen zien, die proberen om de antroposofie een plaats te geven binnen de bestaande orde, samenwerkend met de bestaande orde.

We kunnen niet anders dan onder ogen zien dat er geen Midden-Europa meer is. Op dit ogenblik (juni 2013) staat het zelfs letterlijk onder water. Maar misschien moeten ons niet vastpinnen op de geografie : kan niet iedere mens Midden-Europeaan zijn als hij dat zelf wil ? Er zijn bvb. Japanners die Duits leren om de antroposofie beter te kunnen begrijpen. Zij zijn in dat geval meer Midden-Europeaan dan Oosterling. De meerderheid van de bevolking in Duitsland en Midden-Europa moet beschouwd worden als Westers. Het Westerse denken en maatschappijmodel is zelfs naar Oost-Europa geëxporteerd, tot in Rusland. Wie weet welke innerlijke conflicten het veroorzaakt in het zieleleven van de bevolking aldaar.

Daarmee zaten we al aan de vragen en het gesprek achteraf. Dat hebben wij niet meer tot het einde bijgewoond omdat we graag nog met het openbaar vervoer thuis wilden geraken.

Midden-Europa : het historisch hart van ons continent


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

De Europese Unie, het project van decadente stromingen

door François De Wit

Over de Europese vlag lezen we merkwaardige zaken, bvb. op
http://fr.wikipedia.org/wiki/Drapeau_europ%C3%A9en

In 1950 werd er een commissie aangesteld om een symbool te zoeken voor de toekomstige E.U. Er waren meer dan 100 inzendingen.
Alle voorstellen waarin een kruis voorkwam werden geweigerd omdat daartegen verzet was van … Turkije ! Hieraan zien met welke termijnen gerekend wordt. Het kan lang duren, maar uiteindelijk wordt Turkije lid van de E.U., dat is blijkbaar al lang geleden beslist.
Toevoeging op 21 oktober 2013 : Turkije ontvangt al jaren financiële steun van de E.U. om zich voor te bereiden op het lidmaatschap.
In 2011 was dat 780 miljoen euro, in 2013 al 935 miljoen euro ...

De vlag die uiteindelijk gekozen werd bevat katholieke symboliek, maar dat wordt nergens in de officiële informatie toegegeven. Nochtans kwam de ontwerper, Arsène Heitz, daar openlijk voor uit : de twaalf sterren zijn een verwijzing naar Apokalyps XII, 1

“Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd.”

De voorstanders van de E.U. in Polen gebruikten trouwens dit argument in hun campagne.

De vlag werd aangenomen op 8 december, feestdag van de Onbevlekte Ontvangenis. Het Verdrag van Rome, dat de E.U. in het leven riep, werd aangenomen op 25 maart 1957, de feestdag van Maria Boodschap.
Voor de Franse politicus Robert Schuman (1886 – 1963), die samen met Jean Monnet de basis legde van de huidige E.U., zijn de voorbereidingen aan de gang om hem zalig te verklaren.

Als antroposoof zou men kunnen denken : is dat nu zo erg ? Uiteindelijk zijn het christelijke symbolen waarnaar verwezen wordt.
Het is een feit dat Schuman en Heitz eerlijk-vrome mensen waren. Maar in onze tijd is dat onvoldoende. Behalve eerlijk en vroom moeten wij nu ook wakker zijn en met ons denken leren onderscheiden : welke ontwikkelingen leiden de mens naar emancipatie, naar bewustheid, en welke ontwikkelingen misbruiken goede idealen om een geestelijke toestand van afhankelijkheid, van doffer bewustzijn, van kuddegeest tot stand te brengen ?

Nu kijken we eens naar het E.U.-parlementsgebouw in Straatsburg : ( info uit : http://vigilantcitizen.com/sinistersites/sinister-sites-the-eu-parliament/ )

Hieronder ziet u het Europarlement in Straatsburg, het Louise Weiss-gebouw. De rare bovenkant zou het onvoltooide aspect van de E.U. moeten symboliseren. Maar lijkt het niet goed op de toren van Babel zoals Pieter Breugel de Oudere die schilderde in 1563 ?

De Toren van Babel werd nooit afgewerkt. Hoewel er in Genesis 11 niet veel over gezegd wordt, kunnen we in andere oude geschriften vinden dat het initiatief voor het bouwen van deze toren wordt toegeschreven aan Nimrod, een kleinzoon van Ham, en achterkleinzoon van Noah. Hij kwam in opstand tegen God en wilde de mensen afvallig maken door ze afhankelijk te maken van zijn wereldlijke macht. In de oude Joodse commentaren, de Midrasj laat men hem het volgende zeggen : “God heeft niet het recht om de Opperwereld voor Hem te reserveren, en de lagere voor ons; daarom zullen we een toren bouwen, met een beeld bovenaan dat een zwaard vasthoudt, zodat het mag lijken alsof we een oorlog met God bedoelen”.
Wil de E.U. het project van de tiran Nimrod verder zetten ?

Dat de gelijkenis met het schilderij van Breugel geen toeval is, bewijst de poster die ooit uitgegeven werd, maar weer ingetrokken wegens hevige protesten.

Let op de omgekeerde vijfsterren. De vijfster of pentagram, omgekeerd afgebeeld is traditioneel het symbool van de Satan.
Wat moeten we denken van de mensenfiguren met hun vierkante koppen ? Zijn zij misschien alleen maar anonieme bouwstenen in de maatschappelijke constructie ? Dergelijke publicaties verraden de geest die in werkelijkheid achter deze E.U. staat.

Over deze geest laten we Rudolf Steiner nog eens iets zeggen. In GA 171 legt hij uit wat Lucifer en Ahriman in het vierde na-Atlantische tijdvak wilden bereiken. Over Ahriman op blz. 31 :

“De ahrimanische krachten rekenden erop dat door het Romeinendom op de aarde een soort verstarring zou ontstaan, een blind gehoorzamen en een blinde onderwerping aan het Romeinendom. Wat de ahrimanische machten met het Romeinendom wilden, bestond erin om over de ganse toenmalig bekende aarde een Romeins rijk te vestigen, een rijk dat alle menselijke activiteit naar zich toe zou trekken, dat met het strengste centralisme en de strengste machtsontplooiing vanuit Rome zou gedirigeerd worden, als het ware van Europa uitgaand een grote, allesomvattende staatsmacht die tegelijk al het religieuze en kunstzinnige opgezogen en aan zich onderworpen zou hebben. Een grote staatsmachine, een staatsmechanisme, met de bedoeling vanwege de ahrimanische machten om alle individualiteit te laten sterven zodat ieder afzonderlijk mens, ieder afzonderlijk volk slechts een schakel in dit grote staatsmechanisme zou geworden zijn.”

Dat is toen niet gelukt. maar in de vijfde na-atlantische cultuurperiode proberen deze machten het opnieuw. Dat vormt dus het decor en achtergrond van het grote toneel waarop wij allen onze rol te spelen hebben. Steiner zegt uitdrukkelijk : de Romeinse geschiedenis is niét het ontplooien van de ahrimanische machten, maar een strijd, juist tegen deze machten !
Ahriman heeft de krachten van het christendom in zijn dienst gesteld. Daar moest een tegengewicht voor gevonden worden. Dat kwam onder de vorm van de volksverhuizingen.

“Lucifer en Ahriman werden teleurgesteld. Ze hebben hun inspanningen verder gezet, en het vijfde na-atlantische tijdvak zal nog merken en leren verstaan hoe sterk deze aanvallen zijn die pas begonnen zijn. In het begin van een tijdperk zijn deze aanvallen het zwakst maar ze worden altijd maar sterker. Vandaar dat de noodzaak om deze aanvallen te begrijpen ook altijd groter en groter wordt.”








Voor het Winston Churchill-gebouw in Straatsburg zien we dit “kunstwerk”, voorstellende de mythologische Europa die ontvoerd werd door Zeus in de gedaante van een stier. Vergelijk even met de maagd Europa zoals die op de oude landkaarten voorgesteld werd. Hoe waardig en koninklijk ze daar afgebeeld staat en hoe vulgair in deze metalen constructie. Moeten we in de opgeheven staart een slang zien of een fallussymbool ?


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Kunst

door François De Wit


In 2007 was er in het Goetheanum een soort kunstwerk tentoongesteld : op de vloer lagen enkele vierkante meters gedroogde bananenschillen uitgespreid. Kunstenares Shelley Sacks, leerling van Joseph Beuys, wilde daarmee … Ja, wat wilde ze daarmee ? Als we ons denken even niet aanspreken en alleen de waarneming laten gelden, dan zien we een hoop GFT-afval. Dat verandert als we het denken erbij nemen, althans dat van een modern kunstcriticus. Dan wordt het opeens kunst.
Lieven Debrouwere heeft daar in De Brug 71 een interessante beschouwing over geschreven, maar de meeste antroposofische kunstliefhebbers delen niet zijn mening.
Wijzelf staan eerder skeptisch t.o.v. het hedendaagse kunstgebeuren omdat we bij al die moderne kunstproducties alleen maar een vraagteken voelen opkomen. Zoals zovele tijdgenoten laten we dit domein over aan mensen als Jan Hoet die erin slagen de (schijnbaar ?) onbenulligste kunstproducties de hemel in te praten, met verhalen over de vermeende diepten van de kunstenaarsziel die ik weet niet welke belangrijke boodschap of signaal in het kunstwerk heeft willen verbergen of openbaren. Ons adagium is dat van D.H. Lawrence ( 1885 - 1930) :

“Never trust the teller, trust the tale.
The proper function of a critic is to save the tale from the artist who created it.”

Het werk moet voor zichzelf spreken, als het verhaaltjes nodig heeft om begrepen te worden, dan deugt het niet. Een “kunstwerk” als “Cloaca” ook kakmachine genoemd, van Wim Delvoye, daar kunnen we eens hartelijk om lachen, wij beschouwen dat niet als kunst.

Anderzijds hebben wij ons jaren afgevraagd waarom de schilderijtjes waarop een mooie zigeunerin met ontblote schouder en een waterkruik geen kunst maar kitsch is. Ondertussen weten we het, maar toch, wij hebben nog veel te leren. Daarom gingen wij luisteren naar Christine Gruwez die op 31 mei sprak in de Steinerschool in Aalst over “Kunst als gesprek”.

Het was geen tijdsverspilling, wij hebben effectief iets bijgeleerd : een beetje kunstgeschiedenis, een aansporing om Rudolf Steiners inzichten over kunst te (her)lezen. Plus een aanwijzing van waar men een criterium kan bieden om moderne kunst te kunnen beoordelen, t.t.z. te kunnen uitmaken wanneer iets kunst is of rommel.

We namen geen nota’s tijdens de voordracht, maar schreven dit verslag in de loop van de daaropvolgende dagen.

Christine Gruwez begon met iets dat nu al uit een ver verleden lijkt te stammen : het feit dat de stad Antwerpen in 1995 culturele hoofdstad van Europa was. Dat Antwerpen dat ooit is geweest, kunnen we ons nu nauwelijks nog voorstellen, zei ze glimlachend. Het was niet duidelijk of ze daarmee een afkeuring van het huidig N-VA- stadsbestuur uitsprak of dat ze negatief stond tegenover het feit dat sindsdien de meerderheid van de bevolking aldaar een achtergrond heeft die, zacht gezegd, weinig voeling heeft met het Westers kunstgebeuren.

Nu goed, tijdens dat jaar werd er o.m. gediscussieerd over de vraag of kunst de wereld kan redden. Het is een feit dat hongersnood in Somalië niet opgelost wordt door daar enkele beeldhouwwerken in de savanne te gaan plaatsen of door een symfonisch orkest een of ander klassiek muziekstuk te laten uitvoeren.

Mensen hebben nog altijd de neiging om bij kunst te denken aan het eindresultaat van een creatief proces : een schilderij, een compositie, een beeld. Op die manier beschouwd kan kunst natuurlijk de wereld niet redden. Maar in onze tijd moeten we leren kijken naar het scheppend proces, naar de creatieve stroom. In die stroom, daarin moeten we nu de kunst zien. Dat is iets wat we kunnen afleiden uit de ontwikkeling van de (Westerse) kunst.

Vóór de Renaissance was de kunst sacraal en ze bevond zich ook altijd in een sacrale ruimte. Ze moest voor de mens in feite een venster zijn met uitzicht op het goddelijk-geestelijke. De kunstenaar was anoniem, zijn persoon deed er niet toe, het ging om de dialoog van de toeschouwer met het goddelijke. We hadden een verticale verbinding.

Sacrale kunst is niet bedoeld om in een museum te hangen. In 1956 werd in Recklinghausen in Duitsland een iconenmuseum geopend. Er werden orthodoxe monniken uitgenodigd. Toen ze de iconen zagen, achter glas en elektrisch belicht, barstten ze in tranen uit : iconen werken niet op die manier, en de bedoeling van de icoon is juist dat hij op de toeschouwer werkt als venster naar het goddelijk-geestelijke.

Als wij naar een kerk gaan is dat meestal met de verwachting : wat is hier nu te zien. Wat een verschil met de middeleeuwer. Toen kwam gans de gemeenschap samen in de kerk, als gemeenschap, naar het schijnt zelfs met paarden en honden, stoelen stonden er niet.

Met de Renaissance hield de kunst op sacraal te zijn. De kunstenaar kreeg een naam en het ging nu om een dialoog van de kunstenaar met zijn werk. De kunstenaar legt a.h.w. zijn ziel in zijn werk, het is de uitdrukking van zijn persoonlijk talent.
Ook als de onderwerpen nog religieus waren, ze waren niet meer stichtelijk in de zin van vóór de Renaissance. Wie een schilderij van Rubens wilde, die ging een overeenkomst aan met de kunstenaar en daarin werd vastgelegd wat er diende geschilderd worden en tegen welke prijs. Zo kostte bvb. een schaap met de kop naar de toeschouwer meer dan een schaap dat wegliep van de toeschouwer.

De kunstenaar werd bekend door zijn werk, hij gaf ieder werk een persoonlijke afwerking. Was de opdrachtgever niet tevreden, dan kon hij alleen een ander werk bestellen, aan het afgewerkte product werd niets meer veranderd als de kunstenaar voelde dat het af was. Zo bestaan er van Leonardo Da Vinci verschillende quasi identieke werken.

In het begin van de 20ste eeuw veranderde dat. In plaats van het afgewerkte product werd nu het scheppend proces belangrijk. Het kunstwerk, zoals het tentoongesteld wordt is nog niet compleet. Het is nu per definitie onafgewerkt, het wordt maar compleet door wat de toeschouwer bijdraagt. Hier verwees Christine Gruwez naar Walter Benjamin.

( Op Wikipedia lezen wij : Walter Benjamin (1892 – 1940) was een Joods-Duitse marxistische cultuurfilosoof. Zijn werk heeft betrekking op onder andere filosofie, theologie, literatuurkritiek en kunstgeschiedenis. )

Ieder kunstwerk is een onvolmaakt product, een ding nog altijd in wording. Het wordt uniek door enerzijds de worsteling van de kunstenaar met de materie en anderzijds door de toeschouwer die probeert te begrijpen, te achterhalen wat de kunstenaar in feite wilde bereiken. Daardoor krijgt het kunstwerk een uniek aura.

We zien dus nu een dialoog tussen de kunstenaar en de toeschouwer. De verticale dimensie van de kunst eertijds ( tussen toeschouwer en het goddelijk-geestelijke) is een horizontale geworden (van kunstenaar tot toeschouwer).

Een kunstwerk is nu niet meer mooi in esthetische of morele zin. Het moet alleen waar zijn. Je moet kunnen waarnemen dat de kunstenaar geworsteld heeft om iets weer te geven, dat hij oprecht getracht heeft om er iets van te maken. Dan is het kunst. Of het gelukt is of minder gelukt, is niet meer wezenlijk. Als het kunstwerk het resultaat is van een zich afreageren, het uitwerken van een frivool ideetje of een inval, dan is het geen kunst.

Hoe kunnen we dit onderscheid maken ? Wel, de mens van nu ontwikkelt daar een waarnemingsorgaan voor. Het is geen zintuig waar we al over beschikken, het is iets dat we bezig zijn te verwerven.

Door ons te verdiepen in een kunstwerk, door een langdurige waarneming, dragen we iets bij tot het tegenwoordig per definitie onafgewerkt product van de kunstenaar en scheppen wij mee aan het aura van het betreffende werk. Zoals Beuys zei : ieder mens is een kunstenaar.

Hier noemde Christine Gruwez de naam van Francis Bacon.

Intermezzo

Op Wikipedia lezen we over hem een aantal zaken die overeenstemmen met Christines visie :

“Francis Bacon (Dublin, 28 oktober 1909 – Madrid, 28 april 1992) was een Britse expressionistische kunstschilder. Hij maakte portretten van personen, waarbij het gezicht of lichaam misvormd was om een betere indruk van hun psychische en emotionele gesteldheid te geven. Bacon portretteerde niet de buitenkant van de personen, maar de binnenkant. Zijn schilderijen hebben vaak een groteske, duistere en angstaanjagende uitstraling.

De geportretteerden in het werk van Bacon zijn vaak eenzame, wanhopige en depressieve personen die in een chaotische wereld leven en zich hebben teruggetrokken in een claustrofobische duistere locatie.

Bacon maakte gebruik van een unieke schildertechniek waarbij hij eerst verf op een doek smeet en daarna pas ging kijken wat hij in de verfklodders zag. Pas als hij een voorstelling in de abstracte verf zag, ging hij deze klodders uitsmeren met een doek, waarbij de verf in de poriën van het (ongeprepareerde) linnen werd gedrukt. Tijdens het uitsmeren kwam hij al werkende tot een eindresultaat, wat hij 'boetseren in verf' noemde. Door de snelle, dynamische en spontane manier van schilderen en door de vele onbeschilderde plekken in zijn schilderijen kunnen zijn werken worden beschouwd als aquarellen in olieverf.

Bij Bacon vormde compositie het belangrijkste onderdeel van het schilderij. Hij experimenteerde net zolang tot hij de juiste verhouding tussen vorm, kleur en diepte had. Hierbij was de leegte even belangrijk als de vormen en figuren zelf waren. Volgens Bacon was het maken van composities dan ook zijn enige drijfveer als kunstenaar: structuur scheppen in de chaos die zijn eigen leven was. Alle figuren hadden, tot in de kleinste details, een speciale betekenis in Bacons leven en alleen door deze figuren en vormen in strakke compositie te plaatsen kon hij met die obsessies afrekenen. Omdat het maken van composities veel experimenteren en oefenen vergde, maakte Bacon tientallen schilderijen over hetzelfde onderwerp, net zolang totdat hij de ultieme compositie maakte en met dat beeld kon afrekenen. Steeds terugkerende beelden die door Bacons hoofd spookten en waarmee hij dus diende af te rekenen waren de kruisiging, drieluiken, het portret van Velázquez, de zelfmoord van zijn geliefde George Dyer, schilderijen van Vincent Van Gogh, de menselijke mond, roofdieren en röntgenfoto's. Al deze figuren en thema's keerden constant terug in zijn werk.

Hoewel Bacons werk nooit abstract is geworden, schilderde hij zijn schilderijen wel bewust onduidelijk waardoor meerdere interpretaties mogelijk werden. Bacon wilde dat 'de verf een eigen leven ging leiden', waarmee hij bedoelde dat ieder mens in de compositie kon zien wat hij erin kon zien. De details, personen en voorwerpen op het schilderij waren voor hem zeer persoonlijk gevoelig en, naar zijn eigen zeggen, niet belangrijk voor de kijker. De kijker hoefde alleen de harmonie, rust en orde van de compositie te ervaren.

Het werk van Bacon wordt vaak tot het expressionisme gerekend, maar er zijn ook raakvlakken met het surrealisme. Bacon noemde zichzelf een 'persoonlijk realist': hij schilderde zijn ervaringen en waarnemingen op een manier zoals hij die in zijn hoofd wilde rangschikken.”

.

Tot daar Wikipedia. Hoe zou Rudolf Steiner deze kunstenaar getypeerd hebben ?
In GA 291 “Das Wesen der Farben” nemen we de voordracht van 26 juli 1914, vanaf blz. 79 :

“Rafaël, Leonardo, Dante, die leefden in een volle, inhoudelijk volle cultuur die tegelijk in de mensenzielen werkelijk leefde, in een cultuur waarin de mensenziel diep ingebed was. Wanneer Rafaël madonna’s schilderde, dan was daar een diepere reden voor. Datgene wat een madonna is, dat leefde toen in de harten van de mensen, in de menselijke zielen en – we spreken dit uit in de edelste zin – in de ziel van het publiek stroomde iets de scheppingen van de kunstenaar tegemoet.
Als Dante de mensenziel leidde tot in de geestelijke gebieden, dan moest hij alleen maar de inhoud, zijn materiaal nemen uit wat op een bepaalde manier klonk in iedere menselijke ziel. We zouden kunnen zeggen : deze kunstenaars hadden in hun eigen ziel iets wat als basis in de algemene cultuur voorhanden was. ( … )

De geleerden in de cultuur waarin Rafaël zijn madonna’s schiep, stonden positief t.o.v. de idee van de madonna en deze idee leefde ook in hen. En zo verschijnen de kunstscheppingen als uitingen van een algemeen, eenvormig geestesleven. ( … )
We zouden kunnen zeggen : de inhoud van de kunst was voor de grote kunstepochen iets vanzelfsprekends omdat die vloeide uit wat de harten der mensen innerlijk bewoog. In de 19de eeuw begon de tijd dat de kunstenaar zelf op zoek moest gaan naar inhoud voor zijn scheppingen. Het is zeer vlug zo geëvolueerd dat de kunstenaar op een bepaalde manier een soort cultuureenzaat is geworden die in de grond alleen met zichzelf te maken heeft, bij wie men zich afvraagt : welke verhouding bestaat er tussen de kunstenaar en zijn vormwereld ? ( … )
En zo is het dan gekomen dat niet alleen die koele, maar zelfs kille verhouding van de mensheid t.o.v. de kunst tot stand is gekomen die we nu vaststellen.
Stelt u zich een mens voor in een moderne stad die door een museum of tentoonstelling wandelt. Ja, mijn beste vrienden, daar spreekt niet tot hem wat zijn ziel beweegt, iets waarmee hij innerlijk vertrouwd is, nee, daar kijkt iets naar hem dat, radicaal uitgedrukt, op een bepaalde manier voor hem een verzameling raadsels wordt, die hij pas kan ontraadselen als hij zich enigszins verdiept in de bijzondere relatie die deze of gene kunstenaar heeft tot de natuur of tot iets anders.
Wij staan daar voor louter individuele raadsels of vragen. En terwijl men gelooft dat men kunstproblemen probeert te doorgronden, is men in feite voortdurend bezig inzicht te verkrijgen in on-kunstzinnige problemen, namelijk psychologische raadsels van het soort : hoe deze of gene kunstenaar vandaag de wereld ziet. Of ook : wereldbeschouwelijke problemen e.d. die nooit opduiken wanneer men zich in de grote kunstepochen verdiept. Want daar zien we ons met echte kunstvragen geconfronteerd, werkelijk esthetische vragen. ( … )

We kunnen zeggen : onze kunstenaars zijn in feite geen kunstenaars meer, zij zijn wereldbeschouwers vanuit hun specifiek standpunt, en wat ze vanaf dat standpunt zien, wat hun daar opvalt, afhankelijk van hun temperament, dat geven ze dan vorm. Maar dat zijn dan psychologische kwesties van wereldbeschouwing, van geschiedenisbeschouwing enz." ( … )


We denken dat ook Joseph Beuys en nog vele andere daarmee excellent getypeerd worden.





Ergens in de loop van Christines voordracht kwam er ook een beetje kunstgeschiedenis, maar we zijn vergeten wat ze daarmee wou illustreren. Het had iets te maken met de kunst die eerst rond de mens was, hij zat er volledig in (de tempel) en in de loop der geschiedenis ging de mens tegenover de kunst staan. Waarschijnlijk moet de kunst nu in hem zitten. Het klonk ongeveer zo :

Toen de mens niet meer in de schoot der goden leefde, voelde hij een heimwee naar de goddelijke wereld. Kunst was een van de manieren om de verbroken verbinding met het goddelijk-geestelijke te herstellen. Godsdienst, wetenschap en kunst waren toen nog nauw verbonden. Geleidelijk kreeg de mens oog voor de materiële aardse wereld, voor deze grote natuur, voor die natuur waarin hij verloren liep. Hij kreeg beschikking over vaardigheden om de materiële wereld vorm te geven. Het eerste wat binnen zijn mogelijkheden kwam, was de oneindige ruimte te beperken, haar te begrenzen met een bouwsel. De godheid van wie hij wist dat die in de natuur werkte, gaf hij een woning, een tempel. De drie dimensies werden grijpbaar. De zuilen, die in het Oude Egypte nog binnen de tempel stonden, kwamen in de Griekse tijd langs buiten te staan. De zuiver verticale lijn van de zuilen kreeg mettertijd een vorm, een menselijke vorm, zoals bvb. de Karyatiden. Deze menselijke vorm maakte zich los van zijn dragende functie, hij werd een beeldhouwwerk.
Van deze nog altijd 3-dimensionele vorm ontstond de tendens naar het tweedimensionele. De figuur werd platter en versierde de voorkant der tempels : friezen en metopen.

Later komt er kleur bij : de mozaïek verschijnt. Nog altijd licht 3-dimensioneel want de steentjes worden welbewust niet in een plat vlak gelegd, maar ongelijk, zodat het licht er op verschillende manieren door weerkaatst wordt en diepte geeft.
Met de schilderkunst valt er een dimensie weg, we blijven met twee dimensies.
En met de muziek geven we de ruimte op en komen we in de tijd, evenals met de woordkunst die wel klinkt in de ruimte, maar zich afspeelt in een tijdsstroom.
Met het toneel en de euritmie wordt de ruimte in de tijd zichtbaar gemaakt.

Omdat we dus niet goed meer wisten wat de bedoeling was van deze uitleg, herlazen we de aankondiging. Daar lazen we :


Voordracht : Kunst als gesprek.

Bewegen tussen vorm en leven.

Van Jozef Beuys is de uitspraak ‘Het Gesprek is de kunst’.

Maar dit kan ook worden omgedraaid, kunst is een gesprek.

Een gesprek tussen een kunstenaar en het materiaal, tussen een kunstenaar en zijn werk, tussen het kunstwerk en de toeschouwer, tussen wat leeft in een kunstenaar en de vertolking ervan. Uiteindelijk in wat leeft tussen ieder van ons en de vele verschijningsvormen van dit leven. Een nimmer eindigend gesprek.




Hmm, tamelijk algemeen, je kunt er alle kanten mee uit. Een beetje symptomatisch voor de hedendaagse kunstwereld. Het kan inderdaad ook omgekeerd worden : kunst is het zwijgen, het stil-worden, het stil-zijn enz. We gingen daarom terug eens kijken of we bij Rudolf Steiner zelf wat wijzer konden worden. In GA 271 “ Kunst und Kunsterkenntnis” (Nederlands : “Rudolf Steiner over kunst”) vinden we 9 voordrachten. In het voorwoord schrijft de vertaler Bart Muijres :

“Het denken over kunst is in onze eeuw ingrijpend veranderd. In verhandelingen over kunst gaat het al lang niet meer om de vraag: Wat is kunst en wat is geen kunst?
Evenmin worden kunstuitingen nog benaderd met normen als ‘mooi’ en ‘niet mooi’.
In de meeste beschouwingen die in onze tijd verschijnen zijn twee blikrichtingen te onderkennen. Aan de ene kant is de belangstelling gericht op de persoon van de kunstenaar: zijn jeugd, zijn privéleven, de mensen met wie hij heeft samengewerkt, door wie hij is beïnvloed enzovoort. Aan de andere kant richt men zich op de uiterlijke verschijningsvorm van nieuwe tendensen en stromingen in de kunst, dus op de zichtbare kant van het kunstwerk.”

Tja, zo staat het dus op dit moment : de vraag wat kunst nu in feite is, is irrelevant. Ooit stelde iemand aan Rudolf Steiner de vraag naar het wezen van de kunst. Zijn antwoord is zeer verhelderend :

“Deze vraag is buitengewoon abstract en naar mijn gevoel buitengewoon onkunstzinnig gesteld. ( … )
Je mag dan nog een groot respect hebben voor het abstracte inkleden van de gedachten die iemand over kunst heeft, maar nadat wij hier gesproken hebben over een kunstzinnig opvatten van kunst, dat vanuit het gevoel moet komen, om dan te verlangen dat er terug maar eens een definitie van het wezen der kunst gegeven wordt, dat beschouw ik toch als iets wat niet goed gaat.
Het zou natuurlijk kinderspel zijn om het wezen der kunst te definiëren want het is waarlijk tientallen keren gedefinieerd in de loop van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Maar het gaat erom dat men niet blijft staan bij bepaalde vooroordelen die men zichzelf aangepraat heeft, maar dat men in de levende beweging van het geestesleven komt en aanvoelt wat er nu werkelijk vanuit de diepten van de mensheid dringend nodig is :
wetenschap, kunst en religie moeten terug dichter tot elkaar komen, niet steeds verder uit elkaar splitsen. ( ... ) De mensheid is ooit uitgegaan van een soort door elkaar werken van wat nu gedifferentieerd is. Die differentiaties moeten wij ook kunnen ervaren natuurlijk maar we moeten terug de gelegenheid hebben om het gedifferentieerde weer als geheel te zien, als geheel samen te horen klinken, zodat terug datgene wat resultaat is van inzicht, tegelijkertijd de inhoud van iets kunstzinnigs is en de openbaring van iets religieus. Dat is waar wij moeten naar streven. Datgene wat wijsheid is kan zeer goed zo optreden dat het zich in de vorm van schoonheid toont en dat het zich in de vorm van een religieuze impuls openbaart. Dan zullen we bereiken wat voorlopig nog voor een verre toekomst voorzien is, dat we zelf een bepaalde synthese vinden tussen altaar en laboratoriumtafel. Als we voor de natuur kunnen staan met de eerbied die we haar in feite verschuldigd zijn, dan wordt de wetenschap godsdienst. En als we ons als mens volledig doordringen met de vaardigheden en de handelingen die uit een dergelijke opvatting van natuur en geest voortspruiten, dan zullen ook alle handelingen van de wetenschap terug in schone vormen verlopen.
Dat schijnt vandaag nog complete fantasie. Maar het is een realiteit ! Want het is iets dat moet nagestreefd worden opdat de mensheid niet alsmaar meer in de decadentie zou wegzinken.”
(uit : GA 283 "Das Wesen des Musikalischen", blz. 80 e.v.)

.
Dat is dus het perspectief op lange termijn : kunst, wetenschap en religie moeten terug een eenheid worden. Op welke manier dit verre doel te bereiken is, daarvoor geeft Rudolf Steiner eveneens een aanwijzing. We nemen een tweede uittreksel uit de voordracht van 26 juli 1914 (uit GA 291), blz. 89 :

“Beste vrienden, de kunst moet ernaar streven om terug onder te duiken in het elementare leven; de kunst heeft lang genoeg de buitenkant bekeken, de natuur bestudeerd, heeft lang genoeg geprobeerd om allerhande raadsels van de natuur op te lossen en in kunstwerken in een andere vorm weer te geven wat men in de wereld ziet.
Maar wat leeft in de elementen, dat is voor de huidige kunst nog iets doods. Zoals er tegenwoordig geschilderd wordt, is de lucht dood, is het water dood, is het licht dood. Zoals er tegenwoordig gebeeldhouwd wordt, is de vorm dood.
Een nieuwe kunst zal opkomen wanneer de mensenziel leert om in het elementare dat leeft, op te gaan en zich erin te verdiepen. Men kan daartegen polemiseren, men kan vinden dat dat niet zo moet; maar dat is slechts de menselijke inertie die dan spreekt. Want ofwel zal de mens zich met zijn volle mens-zijn in het elementare inleven, in de elementenkrachten, zal geest en ziel van de uiterlijke verschijningen opnemen, ofwel wordt de kunst geleidelijk meer en meer het heremietenwerk van individuele zielen. Dat kunnen er weliswaar zeer interessante zaken i.v.m. de psychologie van deze of gene ziel tevoorschijn komen, maar daarbij kan nooit bereikt worden wat alleen de kunst kan bereiken. We spreken nog zeer, zeer over de toekomst als we deze dingen uitspreken, maar deze toekomst moeten we als het ware tegemoet gaan met een oog dat bevrucht is door de geesteswetenschap, anders gaan we alleen opkijken naar het dode, afstervende van de mensentoekomst.
Daarom is het dat we een innerlijke samenhang moeten zoeken tussen alles wat op onze bodem aan vormen en kleuren geschapen wordt en datgene wat onze ziel in het allerdiepste innerlijk beweegt als inzicht in geestelijke zaken, datgene wat in ons leeft in de geest, zoals in Rafaël de madonna’s leefden op dezelfde manier zoals ze leefden bij de geleerden, bij de landbouwers, bij de handwerkers van zijn tijd. Daardoor werd hij de werkelijke kunstenaar van de madonna’s. Alleen als we erin slagen om levend in een vorm te gieten – zuiver kunstzinnig, zonder symboliek, zonder allegorie – datgene wat in onze wereldbeschouwing leeft, niet als abstracte gedachten, niet als dode inzichten, niet als abstract weten, maar als een levende substantie van de ziel, dan kunnen we iets voor-voelen van wat met deze kunstontwikkeling die ik hier probeer te schetsen, eigenlijk bedoeld wordt. ( … )

Een brug moeten we slaan tussen wat vandaag nog abstracte idee is in de inhoud van de geesteswetenschap en datgene wat uit onze hand, uit onze beitel, uit ons penseel voortkomt. Maar het bouwen van deze brug wordt tegenwoordig verhinderd door een uiterlijke, abstracte cultuur die niet levendig laat worden wat gecreëerd wordt.
Dan is het begrijpelijk dat het volslagen ongegrond geloof postvat dat geestelijk inzicht het kunstzinnige zou kunnen doden. Zeker, het heeft op veel gebieden veel gedood : al die dode allegoristerijen en het symbolisme, al het gevraag : wat betekent dit, wat betekent dat ? Net zo min als het strottenhoofd “iets betekent”, net zo min als wij naar de betekenis ervan moeten vragen omdat het strottenhoofd gewoon het levende orgaan van de menselijke spraak is; zo moeten wij ook dat wat in de vormen, in de kleuren leeft, opvatten als het levende orgaan van de goddelijke wereld. Zolang wij hier onder ons niet grondig afleren om naar symbolen en allegorieën te vragen, zolang we mythen en sagen nog allegorisch en symbolisch uitleggen i.p.v. de levende adem van de geest te voelen die door de ganse kosmos weeft, en inzien hoe datgene wat in de kosmos leeft, levendig binnendringt in de gestalten van de mythen- en sprookjeswereld, zo lang komen wij niet tot een waar geestelijk inzicht.

Maar we moeten ergens beginnen ! Dat begin zal onvolmaakt zijn. U moet niet denken dat wij het begin reeds als de perfectie beschouwen.”

Wij vroegen aan Lieven Debrouwere, vroeger uitgever van het Vijgeblad en nu auteur van een blog ( http://vijgennapasen.wordpress.com ) wat hij van bovenstaand fragment van Rudolf Steiner dacht :

Inderdaad, de elementenwereld.
Ik heb me al voorgenomen om in mijn volgend leven tuinman of -vrouw te worden, zodat ik kan leren klappen met die elementenwezens.
Dat voel ik als een diepe behoefte.
Tegelijk voel ik ook hoe er nu als het ware een muur staat tussen mezelf en die 'binnenkant' van de natuur. Zo'n herfstweer als vandaag op sint Jan, dat is als een schreeuw van de elementenwezens aan de andere kant van de muur.
Er is geen ... gesprek.

Voor een kunstenaarsziel is dat een kwelling, want de inspiratie komt van die 'binnenkant', die nu de onbereikbare 'andere' kant is.
Je bevindt je in een leegte, een woestijn van onvruchtbaarheid.
En wat doe je dan?

Ofwel verdraag je die leegte en je lijdt eronder.
Ofwel ontken je ze en doe je alsof ze er niet is.

De hele hedendaagse kunst is in mijn ogen zo'n ontkenning.
Wordt daar over onmacht en leegte gesproken?
Warempel niet. Er heerst een ware explosie van scheppingsdrift. Nog nooit is er zoveel kunst gemaakt, op zo grote schaal, in zo grote dimensies.
Maar zou dit werkelijk de kunst zijn die Steiner voor ogen had?
Ziet de onzichtbare, elementaire, bovenzinnelijke wereld er werkelijk zo uit als Beuys & co het voorstellen? Dat vind ik toch heel, heel moeilijk te geloven.
Steiner zegt dat we ermee moeten beginnen, en dat het begin onvolmaakt zal zijn.
Maar dat zei hij honderd jaar geleden, en in die honderd jaar is er niks veranderd in de hedendaagse kunst. We staan nog altijd geen stap verder dan de pispot van Duchamp.
Aan dat tempo zullen we nog 2000 jaar moeten wachten tot er iets acceptabels uit de hedendaagse bus komt. Zou Steiner werkelijk aan die termijn gedacht hebben, hij die zo dringend sprak over het eind van de twintigste eeuw?

Mij lijkt het veel waarschijnlijker dat de elementaire wereld waar de hedendaagse kunst haar inspiratie haalt, een onderwereld is, een wereld van elementenwezens die in de greep van de tegenmachten zijn geraakt. En al de leegte en onvruchtbaarheid en onmacht die de kunstenaar moet verdragen om 'de overkant' te bereiken, om weer contact te maken met de binnenkant van de natuur, wordt afgewenteld op de kijker. Die voelt tegenover de hedendaagse kunst louter onmacht, leegte en onvruchtbaarheid. En dat wordt hem flink ingepeperd: je begrijpt er niks van, je durft de stap niet wagen, je klampt je vast aan de oude, verstarde vormen! Hij is degene die - plaatsvervangend - moet lijden in de plaats van de kunstenaar.
Ik zie dat als een pervertering van de christelijke gedachte. Alsof Christus tegen Simon van Cyrene zegt: hier, ga jij maar in mijn plaats aan dat kruis hangen! En zaag niet, je had maar zo dom niet moeten zijn om me te willen helpen!
Ik denk niet dat Christus, de schepper van onze wereld, zo spreekt.
En ik denk ook niet dat echte kunstenaars dat doen. Zo zie ik dat.

En zeker, er zullen hier en daar wel kunstenaars zijn die eerlijk en oprecht een begin maken met het uitbeelden van de elementaire wereld. Maar ik vermoed dat ze het zo lastig vinden en dat ze hun werk zo stuntelig vinden, dat ze zeker niet van de daken schreeuwen dat wat zij maken de enige, echte kunst van deze tijd is, met uitsluiting van alle andere. Want dát is de arrogante en agressieve houding van de zichzelf hedendaags noemende kunst.

De hedendaagse kunst met al haar spektakel is mijns inziens een misleiding, die in de eerste plaats de aandacht moet afleiden van de kunst die wél contact zoekt en maakt met die onzichtbare, elementaire wereld. En die misleiding werkt grandioos. Als je antroposofen wijst op een andere kunst dan de hedendaagse, een kunst die diep onderduikt in die bij momenten stormachtige wereld van de elementen, dan staan ze als één man op hun achterste poten en schreeuwen hun verontwaardiging uit.
Ik overdrijf nu misschien een beetje, maar toch niet veel.

Het probleem is in hoge mate de verburgerlijking van de moderne mens, als gevolg van zijn materiële rijkdom. Hij heeft geen contact meer met die grootse en geweldige wereld van de elementen (al wordt hij daar middels natuurrampen steeds meer toe gedwongen). Hij leeft in een kleine, beschermde wereld en vertaalt alles naar die schaal.
Zo maakt hij van Steiner een soort keurige dominee, een zeer correcte man die nooit naast het potje zou pissen.
En van die schijn-Steiner maakt hij dan zijn voorbeeld.
En hij aarzelt niet om die Steiner naar zijn hand te zetten als zijn persoonlijke gevoeligheden in het gedrang komen.

Ach, hoe vreselijk politiek correct zijn antroposofen als het over kunst gaat. Geen duimbreed wijken ze af van de officiële, door de rijken en machtigen gepropageerde, hedendaagse kunst. Geen woord van kritiek. Louter braafheid en volgzaamheid, maar natuurlijk wel met een 'coole' avantgardistische designbril op.

Maar we zullen de rekening voor zoveel kleinburgerlijkheid moeten betalen, want: winter is coming.




.
De elementenwereld dus. Het is toch merkwaardig dat Rudolf Steiner in de Grondsteenspreuk de elementenwezens driemaal aanroept. Want blijkbaar horen die iets wat de mens nog niet hoort.

Nog in Goethes tijd leefde de mens in een bijna bewuste wisselwerking met de elementenwezens.
Goethe - tijdens zijn Italiaanse reis die begon op 3 september 1786- spreekt veel over de natuurverschijnselen en gelooft dat dit de reden is waarom de natuur hem zo gunstig gezind is. In het jaar 1786 was het in Midden-Europa zo’n slechte zomer dat men nauwelijks één goede dag gezien had. Maar toen Goethe vertrok stonden de weergoden aan zijn kant. Op de Brennerpas, op 8 september ’s avonds schrijft hij :

“Ik voeg hier nog enkele opmerkingen over de weergesteldheid aan toe, die mij wellicht daarom zo gunstig gezind is omdat ik zoveel aandacht aan haar schenk.
Op het vlakke land krijgt men goed en slecht weer, wanneer het zich reeds gezet heeft, maar in de bergen is men getuige van zijn ontstaan. Dat is mij nu al zo dikwijls opgevallen wanneer ik op reis, op wandelingen, op jacht, dagen en nachten lang verblijf hield in de bergwouden en tussen de rotsen, en toen is het volgende bij mij opgekomen, dat ik ook als niet meer dan zulk een losse, invallende gedachte wil zien beschouwd, maar waar ik niet los van kan komen, zoals men nu eenmaal zich juist van dergelijke zonderlinge invallen het minst gemakkelijk kan ontdoen.
Wanneer wij de bergen van nabij of uit de verte gadeslaan, en zien hoe hun toppen nu eens flonkeren in de zonneschijn en dan weer in nevelen zijn gehuld, door jagende wolken omstuwd, door striemende regens gegeseld en bedekt met sneeuw, dan schrijven wij dat alles toe aan atmosferische invloeden, omdat wij deze zich voor onze ogen zien voltrekken en wijzigen, en ze aldus menen te begrijpen. De bergen liggen echter in hun eeuwenoude gestalte onbeweeglijk voor onze blik. Wij houden ze voor dood, omdat ze verstard zijn, wij beschouwen ze als onwerkzaam, omdat zij rusten. Ik kan echter reeds sinds geruime tijd niet nalaten de veranderingen die zich voordoen in de atmosfeer, voor een goed deel toe te schrijven aan hun inwendige, stille verborgen werkzaamheid. Ik ben namelijk van mening, dat de aardmassa in haar geheel, en dus ook en in het bijzonder haar uitspringende delen, niet een bestendige, zichzelf gelijk blijvende aantrekkingskracht uitoefent, maar dat deze aantrekkingskracht in een zekere ritmische beweging tot uiting komt, zodat deze door uit het inwendige voortkomende wetmatige oorzaken, en misschien ook door uiterlijke, toevallige omstandigheden, nu eens toeneemt, dan weer vermindert. Al mogen alle andere middelen om deze trilling vast te stellen te beperkt en te grof zijn, de atmosfeer is fijn en uitgestrekt genoeg, om ons van deze stille werkingen op de hoogte te brengen. Vermindert deze aantrekkingskracht ook maar in de geringste mate, dan wijst de verminderde zwaarte, de geringer geworden elasticiteit van de lucht ons op deze werking. De atmosfeer kan de vochtigheid, die in haar langs chemische en mechanische weg opgenomen is, niet meer dragen; wolken komen omlaag, regens vallen neer, en regenbuien trekken landwaarts. Neemt echter de zwaartekracht van het gebergte toe, dan wordt de elasticiteit van de lucht terstond weer normaal, en doen zich twee belangrijke verschijnselen voor. In de eerste plaats verzamelen de bergen ontzaglijke wolkenmassa’s om zich heen en houden die stevig en onbeweeglijk, alsof ze nog een tweede top vormen, boven zich vast, totdat zij zich door de inwendige wrijving van elektrische krachten ontladen als onweer, mist en regen; in de tweede plaats gaat er nu van de elastische lucht een werking op de nog overgebleven wolken uit, en deze zijn thans weer in staat meer water op te nemen en te doen verdampen.
Ik zag heel duidelijk, hoe zulk een wolk zich oploste; zij hing om een zeer steile bergtop, die door het avondrood beschenen werd. Langzaam, heel langzaam lieten haar uiteinden los, enkele vlokken werden weggezogen en omhoog geheven; deze verdwenen, en zo verdween geleidelijk aan de ganse wolkenmassa en werd voor mijn ogen als gold het een spinrokken, door een onzichtbare hand letterlijk afgesponnen.”

We hebben in vorige afleveringen van De Brug al gezien hoe Jakob Lorber de natuurwezens in de bergwereld beschrijft. Goethe voelde dat ook al zo aan.
Het jaar daarop was hij in Sicilië. In Palermo heeft men een probleem met het stoffig straatvuil :

“Tegen de avond had ik een aardige ontmoeting, toen ik in de hoofdstraat hij een kleine koopman binnentrad om verscheidene kleinigheden te kopen. Toen ik voor de winkel stond om de uitstalling te bezichtigen, kwam er een windstootje dat langs de straat heen wervelde en een grote hoeveelheid stof opwierp, dat onmiddellijk alle uitstalkasten en vensters binnendrong. Goeie hemel! riep ik uit, waar komt al die vuiligheid in jullie stad vandaan; en is daar dan helemaal niets aan te doen? Deze straat wedijvert in lengte en schoonheid met het Corso te Rome. Aan beide zijden bevinden zich trottoirs, die elke bezitter van winkel of werkplaats door voortdurend vegen schoonhoudt, waarbij hij alles naar het midden van de straat bezemt, waardoor het daar alleen maar steeds vuiler wordt, terwijl elk windvleugje het afval dat men naar het midden van de straat heeft verwezen, terugzendt. In Napels dragen ezels ijverig elke dag het straatvuil naar tuinen en akkers; zou er dan bij jullie ook niet een dergelijke regeling getroffen kunnen worden?
Bij ons is het nu eenmaal zoals het is, antwoordde de man; wat wij het huis uitwerpen, ligt meteen op een hoop te rotten voor de deur. U ziet hier bergen van stro en riet, van keukenafval en allerlei andere rommel; dat droogt allemaal tezamen op en keert als stof tot ons terug. Daartegen weren wij ons de gehele dag. Maar ja, onze fraaie, nijvere, keurige bezems, die ten slotte tot op de laatste vezel versleten zijn, vermeerderen slechts de vuilnis voor onze huizen.
En wanneer men het van de humoristische kant bekeek, was het inderdaad zo. Zij hebben keurige bezempjes van dwergpalmen, die men maar weinig zou behoeven te veranderen om ze als waaier te kunnen gebruiken; zij slijten spoedig af en de stompen liggen bij honderden op straat. ( … )
Tegen de avond bracht ik nog een bezoek aan mijn koopman en vroeg hem, hoe het morgen gaan moest met het feest, aangezien er dan een grote processie door de stad zou trekken en de onderkoning zelf het Allerheiligste te voet zou begeleiden. Het geringste windstootje zou immers God en mensen in dichte stofwolken moeten hullen. De joviale man antwoordde, dat men zich in Palermo steeds op een wonder verliet. Reeds meer dan eens was er in dergelijke gevallen een geweldige stortregen losgebroken en had de steilst aflopende straat, tenminste ten dele schoongespoeld en zo de processie een schone weg gebaand. Ook ditmaal koesterde men dezelfde verwachting en niet zonder grond, want de lucht betrok en beloofde ‘s nachts regen.

Zondag, 15 april
En zo gebeurde het ook. In de afgelopen nacht viel er een geweldige plasregen. Dadelijk liep ik de volgende morgen de straat op, om getuige van het wonder te zijn. En het was werkelijk wonderlijk genoeg. De tussen de aan beide zijden van het trottoir ingesloten stroom van regenwater had het lichtste straatvuil de hellende straat afgespoeld, deels naar de zee, deels naar de riolen, voor zover deze niet waren verstopt, terwijl het grovere vuil hierdoor in elk geval van de ene plaats naar de andere geschoven was, waardoor op het plaveisel grillige, zuivere spiralen waren ontstaan. Nu waren honderden mensen in de weer om met schoffels, bezems en mestvorken de schone plekken te vergroten en met elkaar in verbinding te brengen, door de nog overgebleven vuilresten nu eens aan de ene en dan weer aan de andere kant van de straat op hopen te vegen. Het gevolg hiervan was dan, dat de processie, wanneer zij begon, werkelijk een schone slingerweg door de vuile rommel voor zich had, en zowel de gehele geestelijkheid in hun lange gewaden als de keurig geschoeide adel met de onderkoning aan de spits, ongehinderd en zonder zich vuil te maken voort konden schrijden. Het was alsof ik de kinderen Israëls voor mij zag,- wie door engelenhand een droog pad werd bereid door modder en vuil, en deze gelijkenis verfraaide voor mij de op zichzelf onverdraaglijke aanblik van zoveel vrome en keurig geklede mensen, die ik biddend en met alle pracht en praal zag trekken door een allee van dampende mesthopen.”


Nog een voorbeeld van de invloed van het menselijk wensleven op de weersomstandigheden, op de elementenwereld, geeft Goethe wanneer hij de oversteek waagt van Messina naar Napels :

Op zee, zaterdag 12 mei
“De wind, bleef ongunstig: ons schip kon er enkel tegenop door listig te laveren. Het ongeduld hierover werd nog vermeerderd, doordat enkele ervaren reizigers verklaarden, dat noch de kapitein noch de stuurman zijn werk verstond; de eerste mocht wel voor koopman doorgaan en de laatste voor matroos, naar zij waren niet geschikt om de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor zoveel mensenlevens en een zo kostbare lading.
Ik verzocht deze overigens rechtschapen lieden aan hun bezorgdheid geen verdere ruchtbaarheid te geven. Het aantal passagiers was groot, daaronder vrouwen en kinderen van verschillende leeftijd; want allen hadden met het Franse schip willen reizen, vanwege de witte vlag die vrijwaarde tegen zeeroverij, en hadden aan niets anders gedacht. Ik wees hen erop dat wantrouwen en bezorgdheid ieder in de grootste moeilijkheden zou brengen, aangezien tot nog toe immers allen hun heil hadden gezien in het kleurloos en wapenloos dundoek. ( Frankrijk had toen een overeenkomst gesloten met de Barbarijse kapers, wat hen in Italië tamelijk gehaat maakte, want die hielden nogal wat gevangen christenen als slaven – fdw)

Maandag, 14 mei
En zo was de namiddag verstreken, zonder dat wij, zoals wij zo graag gewild hadden, de golf van Napels waren binnengelopen.
Wij werden in plaats daarvan in westelijke richting gedreven, en doordat het schip het eiland Capri naderde, verwijderde het zich steeds verder van kaap Minerva. Iedereen was uit zijn humeur en ongeduldig: maar wij beiden, die de wereld met de ogen van een schilder bekeken, vonden het zo kwaad nog niet; want bij zonsondergang genoten wij van de prachtigste aanblik die de ganse reis ons tot nog toe had opgeleverd. ( … )

Zozeer waren wij geboeid door dit schouwspel, dat wij niet hadden opgemerkt dat ons een groot onheil bedreigde; doch de beweging die onder de passagiers was ontstaan, liet ons hieromtrent niet lang in het onzekere. Zij die meer ervaring van zeereizen hadden dan wij, maakten de kapitein en zijn stuurman de bitterste verwijten, dat door hun onbekwaamheid men niet alleen de zeeëngte voorbij was gevaren, maar dat bovendien het schip gevaar liep met man en muis te vergaan. Wij informeerden naar de oorzaak van de onrust, daar wij niet begrepen dat bij volledige windstilte enig onheil te vrezen was. Maar juist deze windstilte was het, die deze mannen zo ernstig bezorgd deed zijn: wij bevinden ons, zo zeiden zij, reeds in een stroming die zich om het eiland heen beweegt en door een vreemde trek van de golven ons even langzaam als onweerstaanbaar naar de steile rotsen stuwt, waar wij geen voetbreed strand of baai hebben om ons te redden.
Opmerkzaam geworden door deze woorden, zagen wij met afgrijzen het ons wachtend lot tegemoet; want ofschoon de duisternis niet toeliet het klimmend gevaar te onderscheiden, merkten wij toch dat het schip hotsend en klotsend de rotsen naderde, die steeds dreigender voor ons oprezen, terwijl over de zee nog een vleug van de avondschemering lag uitgespreid.
In de lucht was niet de geringste beweging te bespeuren: Zakdoeken en linten werden door iedereen in de hoogte en in de lucht gehouden, maar er was geen zuchtje wind, waarnaar men zo verlangend uitzag, te bespeuren. De menigte werd steeds rumoeriger en onrustiger. De vrouwen knielden met hun kinderen niet, zoals men verwachten zou, ordelijk op het dek neer om te bidden, doch lagen, omdat de ruimte te klein was om er zich behoorlijk te bewegen, dicht op elkaar gedrongen. Zij nog meer dan de mannen, die ernstig zonnen op hulp en redding, scholden en tierden tegen de kapitein. Nu werd hem alles voor de voeten geworpen wat men op de gehele reis zwijgend had geslikt: voor veel geld een slechte scheepsgelegenheid, weinig eten, een weliswaar niet onvriendelijke, maar toch weinig tegemoetkomende bejegening. Niemand had hij rekenschap gegeven van zijn handelingen, ja zelfs de laatste avond nog had hij een hardnekkig stilzwijgen bewaard over zijn manoeuvres.

Nu heette het dat hij en de stuurman niets anders dan de eerste de beste kooplui waren, die zonder enige zeevaartkundige kennis uit puur eigenbelang zich in het bezit van een schip hadden weten te stellen en die nu door hun onbekwaamheid en onhandigheid allen die hun waren toevertrouwd te gronde richtten. De kapitein zweeg en scheen nog steeds op redding bedacht te zijn; mij echter, die van jongs af niets zozeer gehaat heb als anarchie, was het onmogelijk langer het stilzwijgen te bewaren. Ik trad naar voren en richtte het woord tot hen.

Ik wees hen erop, dat juist op een ogenblik als dit zij met hun misbaar en geschreeuw niets anders bereikten dan dat zij het hoofd op hol brachten van hen van wie alleen nog redding te verwachten was, zodat dezen noch behoorlijk konden nadenken noch met elkaar overleg vermochten te plegen. Wat jullie aangaat, riep ik uit, keert tot jullie zelf in en richt dan een innig gebed tot de moeder Gods, in wier hand het alleen gegeven is, of zij jullie voorspraak zijn wil bij haar Zoon, opdat Hij voor jullie doet, wat Hij eens voor zijn Apostelen heeft gedaan, toen op het stormachtige meer van Tiberias de golven reeds in het schip sloegen, maar de Heer sliep; die echter, zodra de troost- en hulpbehoevenden Hem wekten, terstond de wind gebood te gaan liggen, zoals Hij thans de lucht gebieden kan zich in beweging te zetten, wanneer dit in overeenstemming is met Zijn heilige wil.

Deze woorden hadden een zeer goede uitwerking. Een van de vrouwen, met wie ik reeds vroeger over ethische en geestelijke onderwerpen gesproken had, riep uit : Ah ! il Barlamé! benedetto il Barlamé ! en werkelijk begonnen zij, daar zij toch reeds op de knieën lagen, hun litanieën met meer dan gewone innigheid hartstochtelijk te bidden. Zij konden dat met des te meer gerustheid doen, omdat de bemanning van het schip nog een redmiddel beproefde, dat tenminste sterk in het oog liep: zij lieten een boot neer, die weliswaar slechts zes tot acht man kon bevatten, en maakten haar met een lang touw vast aan het schip. Op deze wijze trachtten de matrozen door uit alle macht te roeien het schip uit de stroom te trekken. Een ogenblik dacht men dan ook dat dit hun gelukte, en men hoopte zo spoedig uit de stroom gered te zijn.
Of echter juist deze pogingen de tegenkracht van de stroom hadden opgewekt of hoe het daarmee ook gesteld mocht zijn, opeens werd de boot met haar bemanning aan het lange touw in een boog met een ruk achter het schip aangeslingerd, zoals de zwaai van een zweep, wanneer de koetsier ermee klapt. Ook deze hoop moest daarmee worden opgegeven! Gebeden en jammerklachten wisselden elkander af, en de toestand werd hoe langer hoe angstwekkender, aangezien nu op de rotsen de geitenhoeders, wier vuren men reeds lang had waargenomen, wild begonnen te schreeuwen dat het schip op de rotsen liep! Zij riepen elkaar nog veel onverstaanbare woorden toe, waaruit enkelen, die hun taal machtig waren, meenden te mogen afleiden dat zij zich verheugden over een rijke buit, die zij de volgende morgen hoopten op te vissen. Wij konden ons zelfs niet meer troosten met de twijfel, of het schip nu ook werkelijk wel de rotsen zo dreigend dicht genaderd was, want daaraan werd al te spoedig een einde gemaakt doordat de bemanning lange staven ter hand nam, om het vaartuig daarmee, wanneer het zover gekomen zou zijn, van de rotsen af te houden, totdat ook eindelijk deze zouden breken en alles verloren zou zijn. Het schip begon steeds sterker te schommelen, de branding scheen toe te nemen en mijn zeeziekte, die door dit alles weer teruggekomen was, noodzaakte mij te besluiten andermaal naar mijn kajuit te gaan. Half verdoofd legde ik mij weer op mijn matras, maar toch met een zeker aangenaam gevoel, dat van het meer van Tiberias afkomstig scheen te zijn: want heel duidelijk zweefde mij de voorstelling uit Merians platenbijbel voor ogen. En zo bleek ook hier weer, dat de kracht van alle zintuiglijk-zedelijke indrukken zich dan van haar sterkste zijde kennen. doet, wanneer de mens geheel op zichzelf teruggeworpen wordt. Hoe lang ik zo gesluimerd heb, weet ik niet te zeggen; ik werd echter wakker door een geweldig rumoer boven mij: duidelijk kon ik horen dat het grote touwen waren die men op het dek heen en weer sleepte; dit gaf mij hoop dat men van de zeilen gebruik maakte. Na een poosje kwam Kniep naar beneden gerend en deelde mij mede dat men gered was; er was een koeltje opgestoken en onmiddellijk had men alles in het werk gesteld om de zeilen te hijsen, hijzelf was niet in gebreke gebleven een handje mee te helpen.

Men won reeds zichtbaar afstand van de rotsen en ofschoon men nog niet geheel uit de stroom was geraakt, hoopte men nu toch hem de baas te worden. Boven was alles stil; spoedig kwamen er meer passagiers beneden, vertelden van de gelukkige afloop en begaven zich ter ruste. ( … )

( uit : J.W. von Goethe, Reis naar Italië, Contact, 1975 )

Deze twee voorvallen zou de huidige wetenschap, volledig onwetenschappelijk, toeschrijven aan het toeval. Nochtans, wanneer men onbevooroordeeld is, kan men vaak in het leven vaststellen dat er een verband bestaat tussen de gerichte aandacht van de mens, door gebed en of observatie, en de wereld rond ons, de natuur (de elementenwezens dus) of onze medemens.
In feite ligt het geestelijke voor het grijpen. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat kunstenaars, die bijna per definitie iets moeten weten van inspiratie, dit geestelijke niet willen zien. Of moeten we aannemen dat de makers van al wat tegenwoordig in musea en tentoonstellingen getoond wordt, in feite geen kunstenaars zijn ? Het is in ieder geval een reactie die bij de ‘gewone’ mens vaak opkomt : wat die hier toont, dat kan ik ook !


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

De bio-dynamische boeren wijzen de weg !




In “Dynamisch Perspectief”, het blad van de BD-boeren in Nederland vonden we een mooi voorbeeld van de elementenwezens die aanzetten tot kunstzinnigheid (zomernummer 2013). In een artikel over het bedrijf Gaos van Jos Keuken en Ellen Kruk lezen we :

Alles ontstaat uit het spanningsveld tussen chaos en orde, betogen zij. Vandaar de bedrijfsnaam. Die staat voor Geduldig Aandachtig Onbekommerd Samenwerken.
Ellen : "Maar het staat ook voor de chaos, de revolutie die nodig is om steeds iets nieuws te bewerkstelligen. De dynamiek waar we in staan als biologisch-dynamische boer. Het is heel boeiend om je op dat grensvlak van chaos en orde te begeven.”
Jos grijnst: “En heel vermoeiend.”

Tien jaar geleden kregen ze te horen dat ze een stuk van hun land moesten afstaan voor de Hanzelijn, de nieuwe treinverbinding tussen Zwolle en de Randstad, dwars door Flevoland heen, met een weg ernaast. “We waren er kapot van. Het is niet alleen dat ze een stuk van je land afsnijden, maar er komt zo veel onrust op je af. Lawaai van langsrazende treinen en auto’s. Het uitzicht op het open landschap verdween.”
Ze overwogen te stoppen. Jos vertelt dat hij in die dagen op het land liep en dacht: “Wegwezen. We gaan hier gewoon weg.” Maar toen klonk er echter in mijn hoofd een stem: "Ik lig hier nog, Jos." Het land! Ik kon dat land toch niet in de steek laten?”

Dat moment markeerde het kantelpunt. Ze besloten te blijven. Jos stapte op de aannemer af en vroeg hem grond te storten voor een dijk op hun land om de ‘open wond’ tussen rail en akker te dichten. Deze bufferzone van een kilometer lang en 25 meter breed, op enkele plaatsen zelfs vijftig meter, beschermt de gewassen op het land. “IJzer- en koperdeeltjes kunnen schadelijk zijn voor onze planten. Daarbij dient de strook ook als geluidswand. Want we zijn zeer gesteld op onze rust. Onkruid wieden met herrie aan ons hoofd, daar hadden we helemaal geen zin in.”
De chaos na het bericht van de komst van de spoorlijn is na tien jaar omgezet in orde. De bufferzone met vennen, poelen en veel bloemen trekt insecten en vogels aan en wordt steeds meer een plek waar mensen tot rust komen en waar de natuur haar vrije gang kan gaan.
Zo levert de strook een belangrijke bijdrage aan de natuurontwikkeling en bestuiving op de akkers. “Een hele dag ploegen is saai, maar het is ook een meditatief moment. Toen de dijk er net lag, keek ik tijdens het ploegen maar naar die bult en zo kwamen de vormen vanzelf naar me toe. Daarbij bood een boek van landschapskunstenaar Andy Goldsworthy veel inspiratie.”

Dus stak Jos zijn schop in de dijk en groef de Hartpoel: een vennetje met daarin een klein eilandje met een eivormig rieten object. De Hartpoel is via het kavelpad, als een ruggegraat, verbonden met het huis van Jos en Ellen. Vanuit de Hartpoel is in twee richtingen een steeds breder wordende slingerbeweging getrokken over de lengte van de dijk. “Deze slingerbeweging noem ik een vortex, ook wel draaikolk of werveling. Deze vortex heeft heel precieze maten. Hij is volgens de gulden snede aangelegd. Het is als het ware de golflengte waarop de kunstwerken op elkaar zijn afgestemd.
De gulden snede is een maatverhouding die veel in de natuur voorkomt. Wanneer een vorm die maatverhouding heeft kan de energie gemakkelijk stromen”, doceert Jos. Langs de vortex bevinden zich nog een tiental andere objecten, die ook volgens de gulden snede zijn aangelegd: een lemniscaat met in de ene ronding een vosveilige broedplaats en in de andere een watertje, een krater die dienst kan doen als amfitheater, een spiraalzandberg, een vleermuisbunker en een Cairn, een huizenhoog ‘ei’, gebouwd van aardappelkistjes ( Zie foto hieronder).

Bij de graafwerkzaamheden voor de dijk werd een plek gevonden waar het pleistoceenzand vier meter hoger lag dan in het omliggende veld.
“Het is waarschijnlijk een eilandje of een verhoging in het landschap geweest. We hebben er de Bronvijver gegraven en er een bankje bij geplaatst. Het is een bijzondere plek: er hebben mogelijk mensen gewoond. We vonden namelijk ook grote boomstronken van voormalige begroeiing uit de tijd van de Swifterbantcultuur. Die hebben we gebruikt voor de Spiraalzandberg."

De laatste aanwinst van Gaos is het bijenhuis, waar bijenkasten staan van het bijenproject van Odin. Ellen wordt begeleid door de Odin—imker, zodat ze straks zelf bijen kan houden. Het huisje heeft de kleuren van de Nederlandse spoorwegen. Ellen: “Dat is Jos’ humor. De kleuren zijn vooral gekozen omdat bijen deze kleuren goed kunnen zien.”



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Het Johannes-evangelie




Een abonnee van De Brug heeft een vertaling gemaakt van het Evangelie van Johannes waarin ze het woordje “ego” (Ik) consequent vertaalt als IK-BEN. Ze biedt deze vertaling gratis aan als pdf aan alle geïnteresseerden. Maar omdat ze zelf ook kan boekbinden, wil ze er desgewenst een mooi boekje (met leeslint) van maken. Dan kost het 20 euro voor een tweetalige Grieks-Nederlandse afwerking en 17,50 voor alleen de Nederlandse versie.
Wijzelf hebben ons een tweetalig exemplaar besteld en we kunnen alleen maar zeggen dat deze vertaling een geweldige aansporing was om ons meer te verdiepen in het Johannes-evangelie. Wie geïnteresseerd is kan mailen naar
lena.de.lange@outlook.com
of bellen naar :
Mobiele telefoon: 0031 6 16 63 97 81 (vanuit Nederland: 06 16 63 97 81)



Uit de inleiding :

In een serie voordrachten gehouden te Hamburg in 1908 spreekt Rudolf Steiner over het Johannes-Evangelie. In de derde voordracht zegt Rudolf Steiner het volgende:

(Christus Jezus zei tegen zijn intiemste ingewijden :) … jullie moeten geloven aan een geestelijk vaderprincipe - waar het ik in wortelt - dat geestelijker is dan het principe dat het Joodse volk als groepsziel verbindt. Jullie moeten geloven aan wat in mij en in ieder mens rust en dat is niet alleen één met Abraham, dat is één met het goddelijke kosmische principe! Vandaar dat Christus Jezus in de zin van het Johannes evangelie benadrukte:
“Voordat vader Abraham was, was IK-BEN.” Niet alleen tot het vaderprincipe dat tot Abraham reikt, gaat mijn oer-ik omhoog, maar met wat in de hele kosmos pulseert, is het ik één; tot daartoe reikt mijn geestelijkheid omhoog. “Ik en de Vader zijn één”
Dat is het belangrijke woord dat men moet voelen; dan zal men de ruk voelen die de mensen greep en die de mensheidsontwikkeling vooruit bracht door die impuls die het verschijnen van Christus Jezus gaf. Christus Jezus was de grote bezieler van het “Ik-ben”.

En nu proberen we te horen wat zijn intiemste ingewijden zeiden, hoe zij het uitdrukten wat zich hun toen openbaarde. Zij zeiden: Tot nog toe heeft geen enkele menselijkheid van vlees en bloed bestaan aan wie men deze naam “Ik-ben” zo zou mogen toekennen als aan hem die als eerste de hele betekenis van “Ik-ben” in de wereld heeft gebracht. En daarom noemden zij “IK-BEN” de naam van Christus Jezus. Dat was de naam, waarin de intiemste ingewijden zich verbonden voelden, in de naam die ze aldus begrepen, de naam “IK-BEN”.
Zo moet u zich in de belangrijkste hoofdstukken van het Johannesevangelie verdiepen. Wanneer u dus dat hoofdstuk neemt waar het woord staat ; “ik ben het licht der wereld, dan moet u dat letterlijk nemen, heel letterlijk. Het “IK-BEN” dat daar voor de eerste maal in vlees en bloed optrad, wat is het? Hetzelfde als wat in het zonnelicht als logoskracht de aarde toestroomt. ( … ) Leest u het hoofdstuk zo dat u overal het “IK” of het “IK-BEN” benadrukt en weet dat het “IK-BEN” de naam was waarin de ingewijden zich verbonden voelden.



Terug naar het thuisblad

*

*

*

*

*


4