Inhoudstafel van Brug 54 (december 2006)

De proloog van het Johannes-evangelie
Uitleg van Thomas van Aquino
Latijnse versie
Griekse tekst
Karma – Otto Weininger
Rusland en de toekomst
Tsjechisch sprookje


*

*

*

*

*


Beste Lezer,

Bij wijze van Kerstboodschap een gedicht van Henriette Roland Holst-van der Schalk :


De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind – dit hoor ik als een innig fluistren
in mij : zo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de grote zaligheid beginnen
die w’ als onze harten aandachtig luistren

in alle tederheden ruisen horen
als in kleine schelpen de grote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten
en mense’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten;
Naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

François De Wit

.

In den beginne was het Woord …

Het begin van het Johannes-evangelie is volgens Rudolf Steiner een uitstekende meditatietekst. In “Kosmogonie” (GA 94) verwoordt hij het zo :

“De schrijver van het vierde evangelie beschrijft niet wat hij via zijn fysiek lichaam heeft waargenomen, maar wat hij buiten zijn fysiek lichaam, in een andere bewustzijnstoestand heeft waargenomen. De drie andere evangelies laten nog enigszins toe dat men ze letterlijk neemt, het Johannes-evangelie niet meer. Het is warer dan waar, het bevat de diepste waarheid van het Christendom. Hij ziet in Christus Jezus het middelpunt van de wereldontwikkeling.
Voor Johannes is de Christus die in Jezus verborgen is een overweldigend hoge persoonlijkheid, die men slechts kan verstaan wanneer men zich opwerkt tot een hoger niveau van kennis. Om te begrijpen wat er in het Johannes-evangelie leeft, is het nodig om inzicht te hebben in de diepste geheimen van het bestaan. Om de mensen en de Leider van de mensheid te verstaan moet men het wezen van de kosmos vatten. Het Johannes-evangelie begint met de woorden die de grondslag vormen van het totale wereldgeheim. Het meest kenmerkende van deze woorden is dat ze niet alleen aan ons verstand appelleren, maar ook een magisch-mentale werking uitoefenen. Ze geven ons een beeld hoe mens en kosmos samenhangen.
Het Johannes-evangelie moet beleefd worden. Men moet die eerste woorden als meditatiestof nemen, in zich tot leven laten komen. Het is geestelijke levensstof. Men moet zich voornemen : dat is voor mij een inhoud waarmee ik dagelijks vijf minuten ga leven. Deze woorden zullen uw geestesogen en –oren openen; de tovermacht van deze woorden, die krachten zijn, zult u beleven : in astrale beelden.
Laat ik voor uw zieleoog eens schilderen wat de schrijver van het Johannes-evangelie als impuls gevoeld heeft, wat hij wilde zeggen. Om te beginnen was hij iemand die in zijn ziel een nieuwgeborene was, iemand die gewekt was geworden door de kracht van de inzichten die in de regels ligt :

“In het oerbegin was het Woord, en het Woord was bij God, en een God was het Woord.
Dit was in het oerbegin bij God.
Door dit is alles geworden en buiten dit is niets geworden wat geworden is.
In dit was het leven en het leven was het Licht der mensen.
En het Licht scheen in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen.”

Dat is het eerste deel van de meditatie. En hier is het tweede deel :

“Er trad een mens op, gezonden door God, met zijn naam Johannes.
Deze kwam tot getuigenis, om te getuigen van het licht, opdat iedereen door hem zou geloven.
Hij was niet het Licht, maar een getuige van het Licht.
Want het ware Licht, dat alle mensen verlicht, was komende in de wereld.
Het was in de wereld, en de wereld is door dit geworden, maar de wereld heeft Het niet gekend.
In de afzonderlijke mensen kwam het (tot de Ik-mensen kwam het), maar de afzonderlijke mensen namen het niet op. Maar die het opnamen, die konden zich door Het openbaren als kinderen van God.
Die zijn naam vertrouwden, zijn niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees, en niet uit menselijke wil, maar uit God geworden.
En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijn leer gehoord, de leer van de eniggeboren zoon van de vader, vol van overgave en waarheid.”

Als u deze woorden op hun waarde neemt, niet alleen in hun vertaalde betekenis, dan hebben zij een oneindige waarde. Zo moet het bvb. zijn “Tot de Ik-mens kwam het” in plaats van “Hij kwam tot het zijne.”

We zien dat de weergave van Rudolf Steiner afwijkt van de tekst die we in de gewone vertalingen lezen. Rudolf Steiner gaat dan verder en legt uit welke antroposofische waarheden vasthangen met deze woorden.
In GA 103 "Das Johannes Evangelium", blz. 40, 41 verwoordt hij het zo :

“Op Saturnus hebben wij het fysiek lichaam als afdruk van de Logos.
Op de Zon komt daar het etherlichaam bij als afdruk van de levensgeest : de Logos werd leven.
Op de Maan komt het astrale lichtlichaam erbij : het leven werd licht !
En zo hebben wij de ontwikkeling van het menselijk lichaam.
Toen de mens de Aarde betrad was hij een schepping van goddelijk-geestelijke wezens ... En nu, wat gebeurde op de Aarde ? Voor de mens en in de mens kwam het Ik erbij ... In het innerlijk van de mensen, in de duisternis, in het niet- kennen scheen het licht. En het aardebestaan heeft als zin dat de mens in het innerlijk de duisternis overwint, opdat hij het licht van de Logos kan bevatten ...

Voor wie effectief iedere dag over deze woorden wil mediteren is dat onontbeerlijke kennis.
Maar wat ook een grote hulp kan zijn is het werk dat Thomas van Aquino over deze woorden schreef : “De proloog van het Johannes-evangelie” ( Super Evangelium S. Ioannis Lectura – Caput I, Lectio I-XI)
Het is zeker geen gemakkelijke lectuur, maar zeer verhelderend voor de moderne mens. Want we moeten toegeven dat die moderne mens, die niets weet van antroposofie, wanneer hij geconfronteerd wordt met de beginwoorden van het Johannes-evangelie, zich zal afvragen waarom daar enkele keren quasi hetzelfde gezegd wordt.

“In het oerbegin was het Woord, en het Woord was bij God, en een God was het Woord.
Dit was in het oerbegin bij God.”

Waarom staat er niet gewoon : “In het oerbegin was God het Woord” , want daar komt het toch op neer ? Of waarom is het Woord het Licht der ‘mensen’ (Grieks : anthropoon) en verder komt het niét tot de mensen maar wel tot : het ‘zijne’, of zoals Steiner vertaalt, tot de Ik-mens (Grieks : ta idia) ?
Op dit soort vragen gaat Thomas Aquinas uitgebreid in en de lezer begint stilaan te begrijpen waarom men niet gedachteloos over al deze nuances kan over-lezen. De uitleg van Thomas vormt een goede remedie tegen de moderne gewoonte (en dikwijls noodzaak ) om geschreven teksten diagonaal te lezen om er zo vlug mogelijk de informatie uit te extraheren.
Natuurlijk schreef Thomas Aquinas voor mensen in het tijdperk van de verstandsziel en is het voor ons niet meer de juiste aanpak om dergelijke teksten op de manier van de scholastici te benaderen. Maar toch besloten we om een uittreksel te vertalen. Enerzijds ter wille van een beter begrip van de beginregels van het Johannes-evangelie, anderzijds om terug wat meer inzicht te krijgen in de werking van het karma. We zagen namelijk eerst hoe Rudolf Steiner sprak over deze Proloog, in de volgende tekst zien we hoe hij erover sprak in zijn incarnatie als Thomas van Aquino, en hoe hij daar dan weer verwijst naar de verklaringen over het geestelijke die hij uitsprak in zijn incarnatie als Aristoteles.
.

Dat betekent dat een individu een bepaalde taak of opdracht kan op zich nemen en deze taak altijd beter en beter probeert te vervullen in opeenvolgende incarnaties. De meeste van ons hebben waarschijnlijk een meer bescheiden opdracht, maar die voor onze krachten al ruimschoots voldoende is, bvb. het opvoeden van de eigen kinderen. Het kan ons moed geven ook hier een taak te zien die zich even goed over meerdere incarnaties kan uitstrekken. Het volgende uittreksel vertaalden wij uit : Super Evangelium S. Ioannis Lectura – Caput I, Lectio I-XI (uit het Latijn naar het Duits vertaald door Wolf-Ulrich Klünker) Verlag Freies Geistesleben, 1986, Stuttgart.


( … ) “Daarna zegt de Evangelist : „En het Woord was bij God.” (Et Verbum erat apud Deum)
We gaan nu de woorden bestuderen die in de eerste zin (“In het Oerbegin was het Woord”) niet voorkomen, namelijk ‘God’ (Deus) en ‘bij’ (apud) …

Men moet vooral weten dat de naam ‘God’ de goddelijkheid (divinitas) betekent, maar als specifiek en concreet, terwijl de naam ‘Godheid’ deze godheid (deitas) abstract en absoluut aanduidt. Daarom kan de naam ‘deitas’ niet gebruikt worden, wegens zijn karakteristieke eigenschap en op grond van zijn gewoonlijke betekenis, voor een persoon van de Goddelijke Drievuldigheid. Nee, die naam wordt uitsluitend gebruikt voor het totale goddelijke wezen (Natura).
De naam ‘God’ echter staat wegens zijn karakter en gebruikelijke betekenis voor één van de goddelijke personen, net zoals de naam ‘mens’ voor een afzonderlijk deel van de ‘mensheid’ staat. Derhalve geldt : altijd wanneer de waarheid van een uitspraak of van het tevoren gezegde nodig maken dat de naam ‘God’ voor een persoon van de Goddelijke Drieëenheid staat, dan beduidt hij een goddelijke persoon, zoals wij bvb. zeggen God verwekt God. Daarmee is onvermijdelijk : wanneer de Evangelist zegt ‘bij God’, dan staat ‘God’ voor de persoon van de Vader, omdat het voorzetsel ‘bij’ wijst op een verschil tussen het Woord en datgene waar dit Woord bij staat.
En hoewel de naam ‘God’ een onderscheiding in de persoon beduidt, dan toch niet in wezen (natura), want het wezen van de Vader en de Zoon is hetzelfde. Bijgevolg wilde de Evangelist de persoon van de Vader benoemen, toen hij schreef ‘God’.

Men moet ook weten dat het voorzetsel ‘bij’ (apud) duidt op een bepaalde verbinding tussen hetgeen genoemd is en wat daarbij staat, ongeveer als bij het voorzetsel ‘in’. Het verschil met ‘in’ ligt hierin dat ‘in’ verwijst naar een innerlijke verbinding, terwijl ‘bij’ op een bepaalde manier op een uiterlijke verbinding wijst. We gebruiken beide voorzetsels als het gaat om het goddelijke, namelijk wanneer we zeggen dat de Zoon ‘in’ de Vader is en dat de Zoon ‘bij’ de Vader is : het innerlijke heeft betrekking op de wezensgelijkheid, het uiterlijke – voor zover we in verband met het goddelijke kunnen spreken van het uiterlijke – wijst enkel op een onderscheid in de personen, want de Zoon wordt van de Vader uitsluitend door afstamming onderscheiden.
Maar toch wordt door beide voorzetsels zowel de wezensgelijkheid in de goddelijke natuur, als ook het onderscheid in de personen aangeduid : de wezensgelijkheid omdat ieder voorzetsel wijst op een bepaalde verbinding tussen het hoofdwoord en het bijgevoegde woord, de verscheidenheid omdat het wijst op een bepaald onderscheid zoals hierboven beschreven.
En omdat het voorzetsel ‘in’ in de eerste plaats wijst op een wezensgelijkheid, doordat we er een innerlijke verbinding in horen klinken, toch wijst het ook op een onderscheid in de personen, omdat ieder voorzetsel nu eenmaal twee afzonderlijke begrippen bijeen plaatst.
Het voorzetsel ‘bij’ beduidt vooral het persoonsonderscheid, maar toch ook een wezensgelijkheid doordat het een bepaalde, als het ware uiterlijke verbinding aanduidt. Daarom heeft de Evangelist precies op deze plaats het voorzetsel ‘bij’ gebruikt om het onderscheid van de persoon van de Zoon met die van de Vader te laten doorklinken wanneer hij zegt “En het Woord was bij God”, d.i. de Zoon was bij de Vader zoals één persoon bij een ander is. Verder moet men weten dat het voorzetsel ‘bij’ vier betekenissen heeft waardoor vier argumenten van tegenstanders weerlegd worden.

1) Het verwijst naar een individuele wezenheid, want wat geen wezenheid op zichzelf bezit, daarvan kan niet in eigenlijke zin gezegd worden dat het ‘bij’ iets anders is. Zo zeggen we ook niet dat het witte ‘bij’ een voorwerp is, het witte heeft geen afzonderlijk bestaan buiten de voorwerpen, en hetzelfde geldt voor al wat niet op zichzelf kan bestaan. Wat echter op zichzelf bestaat, daarvan kunnen we in de eigenlijke betekenis zeggen dat hij ‘bij’ iets anders is : zo zeggen we bvb. dat een mens ‘bij’ een andere mens is, en de ene steen ‘bij’ de andere is.

2) Dit voorzetsel wijst op een hoger-lager verhouding, want het is bvb. niet correct om te zeggen dat de koning ‘bij’ de soldaat is, nee, de juiste formulering is dat de soldaat ‘bij’ de koning is.

3) Het wijst op een onderscheid : men zegt namelijk niet in de eigenlijke zin dat iemand ‘bij’ zichzelf is, maar de ene mens is ‘bij’ de andere.

4) Het beduidt een verbinding en een bepaalde gemeenschap : wanneer namelijk gezegd wordt dat iemand ‘bij’ een andere is, dan klinkt daarin voor ons een gemeenschap door, een verbinding tussen beide.

Overeenkomstig de verklaarde betekenismogelijkheden van het voorzetsel ‘bij’ is het duidelijk hoe gepast het was van de Evangelist om de regel “En het Woord was bij God” te laten volgen op “In het Oerbegin was het Woord”. Daardoor wordt één van de drie interpretaties van wat “In het Oerbegin was het Woord” kan betekenen, uitgesloten en wel die interpretatie die beweert dat het Oerbegin ter wille van de Zoon geschapen is.
De twee andere interpretaties hebben elk twee argumenten, in totaal dus vier, die telkens weerlegd kunnen worden door de vier betekenissen van het voorzetsel ‘bij’.

Het eerste luidt ongeveer als volgt:
Gij zegt dat het Woord in het Oerbegin was, dus vóór al het andere. Maar vóór al het andere was Niets – waar was dan het Woord, wanneer vóór alles het Niets was ?
Deze tegenwerping berust op de veronderstelling dat alles wat is, ergens is en op een bepaalde plaats te lokaliseren. Deze opvatting wordt duidelijk door Johannes uitgesloten wanneer hij zegt “bij God” en daarmee wijst op een gemeenschap tussen de goddelijke personen. Op de vraag “Waar was dus het Woord” , in de zin van Basilius, antwoordt de Evangelist : “bij God” – niet op een bepaalde plaats, want die plaats zou niet kunnen beschreven worden, maar : bij de Vader, van Wie men niet aannemen kan dat Hij zich op een bepaalde plaats bevindt.

Het tweede argument luidt zo :
Gij zegt dat het Woord in het Oerbegin was, dus vóór al het andere. Maar wat vóór al het andere bestaat, ontspringt toch uit het Niets, want datgene waaruit iets ontspringt, bestaat toch vroeger dan de zaak die eruit voortkomt, bijgevolg is het Woord niet uit iets anders ontsprongen.
Deze tegenwerping wordt weerlegd vermits de Evangelist zegt “Het Woord was bij God”, alsof het voorzetsel ‘bij’ hier in zijn tweede betekenis gebruikt wordt, die wijst op een hoger-lager verband. Op de vraag, volgens Hilarius, “Vanwaar stamt het Woord wanneer het vóór alles is ?” antwoordt de Evangelist “Het Woord was bij God”, als wilde hij zeggen : hoewel het Woord geen begin van zijn bestaan heeft, toch is het niet zonder Oergrond of Oerbegin of zonder Veroorzaker : het was namelijk bij God, die de Veroorzaker was.

De derde tegenwerping heeft betrekking op de uitlegging als zou de Evangelist het woord ‘Oerbegin’ gebruikt hebben om de Vader aan te duiden. Ze klinkt aldus :
Gij zegt : “In het Oerbegin was het Woord”, d.i. de Zoon was in de Vader, maar wat ín iets anders bestaat, bestaat klaarblijkelijk niet zelfstandig en op zichzelf, zoals bvb. het witte dat we aan een voorwerp zien ook niet afzonderlijk bestaat. Dit argument wordt ontkracht doordat de Evangelist zegt : “Het Woord was bij God” als zou hij hier het voorzetsel ‘bij’ gebruiken in zijn eerste betekenis, die wijst op een zelfstandige wezenheid in de nominatief. Zo betekent volgens Chrysostomos de zin “Het Woord was in het Oerbegin” – niet dat het iets afhankelijks was, maar het was bij God als zelfstandig wezen en als een Persoon voor zich in de goddelijke Drieëenheid.

De vierde vraag luidt ongeveer zo : Gij zegt dat het Woord in het Oerbegin was, d.i. in de Vader – maar wat ín iets anders bestaat, is daarvan niet te onderscheiden, dus onderscheidt de Zoon zich niet van de Vader.
Deze tegenwerping wordt uitgesloten wanneer de Evangelist zegt : “En het Woord was bij God”, als gebruikte hij het voorzetsel “’bij’ in zijn derde betekenis, die juist wijst op een onderscheid. Aldus geeft ons dat volgens Alkuin en Beda “Het Woord was bij God” en wel zo dat het in de wezensgelijkheid van natuur ín de Vader was en tegelijk als andere Persoon ‘bij’ Hem is. En dus wordt volgens Basilius in de zin “En het Woord was bij God” de gemeenschap van het Woord met de Vader in de natuur getoond en tegelijk –volgens Alkuin en Beda- hun verschillend-zijn in de persoon; volgens Chrysostomos wijst de Evangelist hier op het zelfstandige Zijn van het Woord in de goddelijke natuur, volgens Hilarius op het veroorzakend karakter van de Vader t.o.v. het Woord. Met Origenes in gedachten moeten we verder bedenken dat de Evangelist in de zin “het Woord was bij God” leert dat de Zoon altijd al bij de Vader is geweest. In het Oude Testament lezen we dat het woord van de Heer tot Jeremia gekomen is of tot een andere; want het woord komt pas na zekere tijd tot diegenen die beginnen het woord te bezitten, nadat ze het voordien niet bezaten. Daarom ook zegt de Evangelist niet dat het Woord bij God geworden is, maar dat het bij God was : want sinds de Vader was, is het Woord altijd al bij Hem geweest.”

De uitleg over de derde regel “En God was het Woord” slaan we over om direct naar de vierde regel te gaan.

“Dan zegt de Evangelist : “Dit was in het Oerbegin bij God”.
Dit is de vierde regel en hij wordt wegens de voorgaande hierbij aangesloten. Want de formulering van de Evangelist “Het Woord was God” zou op twee manieren kunnen verkeerd begrepen worden door diegenen die het niet correct opvatten.

Ten eerste door de heidenen die geloven aan vele en verschillende goden en beweren dat die allemaal tegenstrijdige bedoelingen hebben, zoals bvb. diegenen die fantaseerden dat Jupiter met Saturnus heeft gestreden, en zoals de Manicheeërs die twee tegengestelde principes in de natuur aannemen.
Tegen deze waandenkbeelden keerde de Heer zich toen hij zei (in Dt. 6.4) : “Hoor Israël, uw God is Eén God”. Omdat nu de Evangelist gezegd heeft “Het Woord was bij God en God was het Woord”, zouden dergelijke lieden deze uitspraak kunnen aanvoeren als argument om hun dwaalleer te ondersteunen vanuit het idee dat de god bij wie het Woord is, een andere God is dan het Woord zelf en ook een andere of tegengestelde wil bezit. Maar dat gaat tegen de leer van het Evangelie.
Om dit idee uit te sluiten schrijft de Evangelist “Dit was in het Oerbegin bij God”, alsof hij wilde duidelijk maken : ik zeg op deze manier dat het Woord God is omdat het toch geen gedeelde goddelijkheid bezit, maar bij God is, namelijk in één en hetzelfde wezen, waarin Het zelf is. Op dezelfde manier voegde Johannes toe, opdat niet op grond van zijn uitspraak “Het Woord was God” zou aangenomen worden dat het Woord een wil zou bezitten tegengesteld aan die van God : “Dit was in het Oerbegin bij God”, namelijk bij de Vader en niet gescheiden van Hem, niet tegengesteld, maar de gelijkheid van natuur met Hem delend en ook de éénstemmigheid in de wil : deze eenheid ontstaat uit de gemeenschap van de goddelijke natuur in drie personen en uit hun verbinding in de natuurlijke liefde van de Vader en de Zoon.

Uit de derde regel “En het Woord was God” zou ook een andere dwaalleer van de Arianen kunnen afgeleid worden, die aannemen, op grond van de uitspraak (Joh. 14.28) “De Vader is groter dan Mij” dat de Zoon minder is dan de Vader. Ze beweren namelijk dat de Vader groter is dan de Zoon zowel wat betreft de eeuwigheid als wat betreft de goddelijkheid van zijn wezen.
Om deze opvatting uit te sluiten, voegt de Evangelist toe : “Dit was in het Oerbegin bij God.”
Arius geeft namelijk de eerste stelling “In het Oerbegin was het Woord” toe; maar toch wil hij ‘Oerbegin’ niet als de Vader verstaan, maar als het begin van de schepping. Vandaar dat hij beweert dat “het Woord in het begin” van de schepping “was” en dat Het derhalve niet met de Vader gelijkeeuwig kan zijn. Maar toch wordt deze leer –hierin volgen wij Chrysostomos- uitgesloten door de uitspraak “Dit was in het Oerbegin” en niét in het begin van de schepping, maar “in het Oerbegin bij God”, d.i. sinds God zelf er was. Want de Vader is nooit alleen en zonder de Zoon of het Woord geweest, maar altijd al “was dit”, namelijk het Woord “bij God”.
Op dezelfde manier geeft Arius toe dat het Woord God was – maar Het zou toch minder zijn dan de Vader. Deze opvatting wordt door het volgende uitgesloten.
Er zijn namelijk twee wezenskenmerken van de grote God die Arius uitsluitend aan God de Vader toeschreef : de eeuwigheid en de almacht. Bij wie dus deze kenmerken gevonden worden, die is de grote God en geen is groter dan Hem. Precies deze twee wezenskenmerken schrijft de Evangelist toe aan het Woord – dus is het Woord de grotere en niet de mindere God.
Daadwerkelijk zegt Johannes dat de eeuwigheid in het Woord is wanneer hij formuleert : “Dit was in het Oerbegin bij God”. Dat betekent : het Woord was sinds de eeuwigheid – en niet alleen sinds het begin van de schepping, zoals Arius aannam – bij God, van wie Het het Zijn en zijn goddelijkheid ontving. Almacht echter schrijft de Evangelist het Woord toe vermits hij toevoegt “Door Dit is alles geworden”.

Origenes legt dezelfde uitspraak zeer treffend uit waar hij verklaart dat deze uitspraak niet van de eerste drie verschillend is, maar als het ware een epiloog bij het voorgaande. Want nadat de Evangelist namelijk de werkelijkheid van het Zijn van de Zoon aangesproken heeft, en vooraleer hij ertoe overgaat zijn werkmachtigheid (virtus) uiteen te zetten, neemt hij in de vierde regel, enigszins als in een epiloog samenvattend, terug op wat hij in de eerste drie regels daarvoor uiteengezet heeft. Ten eerste doelt hij op de derde regel als hij “dit” zegt; wanneer hij zegt “was in het Oerbegin”, dan laat hij de tweede regel weer klinken : opdat ge niet zoudt denken dat het een ander Woord was dat in het Oerbegin was dan datgene dat God was, veeleer was dít Woord, dat God was, in het Oerbegin bij God.

Wie aldus de vier regels juist overdenkt zal duidelijk inzien dat daardoor alle dwaalleren van de ketters en de filosofen vernietigend getroffen worden.
Bepaalde ketters zoals Ebion en Cerinth beweren namelijk dat Christus niet bestaan heeft vóór de gelukzalige Maagd, maar dat Hij van haar het begin van zijn Zijn en zijn tijd (duratio) ontvangen heeft; ze namen aan dat hij uitsluitend mens is geweest en dat Hij zich de goddelijkheid door eigen verdienste verworven heeft; dit verkondigden na hen ook Photinus en Paulus van Samosata. Hun dwaalleren weerlegt de Evangelist waar hij zegt “In het Oerbegin was het Woord”, d.i. vóór al het andere en sinds de eeuwigheid in de Vader : dus ontving Hij het begin van zijn Zijn niet uit de Maagd.
Sabellius van zijn kant geeft toe dat God die het vlees van de maagd aannam, van haar niet het begin van zijn Zijn ontving, maar sinds de eeuwigheid bestaan heeft; anderzijds beweert hij dat tusssen de persoon van de Vader die sinds de eeuwigheid bestaat en de Zoon die het vlees van de Maagd aannam, geen onderscheid bestaat, veeleer zouden de Vader en de Zoon als persoon één en dezelfde zijn : zo verwarde Sabellius de triniteit van de goddelijke personen.
Tegen deze dwaling zegt de Evangelist : “En het Woord was bij God”, d.i. de Zoon was bij de Vader, dus de een bij de andere …

Door de uitleggingen van Johannes worden ook de dwaalleren van de filosofen weerlegd.
Ettelijke oudere onder de filosofen, de natuurfilosofen, beweren namelijk dat de wereld niet ontstaan is door een geestelijke oorzaak en niet door een Intelligentie, maar door het toeval. Vandaar dat zij niet iets geestelijks of iets intelligent voor de oorzaak van de dingen in het begin, maar alleen de bewegende materie, namelijk het atoom, zoals Democritus leerde, en andere materiële beginoorzaken van deze aard, zoals anderen leerden.
Tegen hen is het gericht wanneer de Evangelist zegt : “In het Oerbegin was het Woord” van waar de dingen hun oorsprong ontvingen – en niet door het toeval.
Verder beweerde Plato dat de geestelijke oorzaken van alle geworden dingen voor zich bestaan en van elkaar gescheiden door telkens eigen naturen; door deel te hebben aan die geestelijke oorzaken bestaan dan de materiële dingen : aldus zouden de mensen bestaan door deel te hebben aan een zelfstandige geestelijke oorzaak – het idee ‘mens’- dat Plato de mens per se noemde. Opdat we dus deze geestelijke oorzaak waardoor alles geworden is, ons niet zouden voorstellen als van God afgezonderde ideeën, zoals Plato het opvatte, voegde de Evangelist eraan toe : “En het Woord was bij God”.
Verder leerden andere Platonici – zoals Chrysostomos bericht – dat God de Vader het Eerste en Hoogste is en dat daarnaast, onder Hem een Geest zou zijn die alle Oerbeelden en de ideeën van alle dingen bevat. Opdat we niet zouden aannemen dat het Woord op die manier bij de Vader was, namelijk onder Hem en minder dan Hem, voegt de Evangelist toe : “En het Woord was bij God”.
Weliswaar leerde Aristoteles dat in God de geestelijke oorzaken van alle dingen zijn, en in God is het Denkvermogen (intellectus), het Denken (intelligens) en het Gedachte (intellectum) identiek; toch beweerde hij dat de wereld gelijkeeuwig was met God.
Daartegen gaat de Evangelist in wanneer hij zegt : “Dit –namelijk het Woord alleen- was in het Oerbegin bij God” : zo sluit het woord ‘dit’ niet een andere Persoon, maar een andere (met God) gelijkeeuwige natuur uit.

Dat men ook eens let in deze beginregels van het Johannes-Evangelie op het verschil tussen Johannes en de andere Evangelisten : hij begint zijn Evangelie namelijk klaarblijkelijk veel waardiger dan de anderen. Want zij verkondigden de Christus als de in de tijd geboren Zoon van God; zo luidt het bvb. bij Mattheus (2.1) “Toen Jezus in Betlehem geboren was …”
Johannes echter leert dat Hij er al sinds de eeuwigheid was : “In het Oerbegin” zegt hij “was het Woord”. De anderen schrijven ook dat Christus plotseling onder de mensen verschenen is; in Lucas (2.29-32) lezen we : “ Laat nu uw dienaar, Heer, in vrede gaan na uw woord; want mijn ogen hebben uw heil aanschouwd dat Gij voor het aangezicht van alle volkeren hebt bereid, een licht tot openbaring voor de heidenen en tot eer van uw volk Israël.” Johannes echter zegt dat het Woord altijd al bij de vader is geweest : “En het Woord” zegt hij “was bij God”. De anderen voeren verder aan dat Hij een mens is geweest, zo lezen we bij Mattheus (9.8) :
“Ze verheerlijkten God, die de Mens (in Christus) zo’n macht had gegeven.”
Johannes echter leert dat Hij God is : “En het Woord” zo spreekt hij “was God”.
De anderen berichten dat Hij onder de mensen geleefd heeft; zo luidt het in Mattheus (17.22) :
“Toen Hij zich echter met hen in Galilea ophield, sprak Jezus tot hen …”
Johannes echter zegt dat Hij altijd bij de Vader is geweest : “Dit” zegt hij “was in het Oerbegin bij God”.

Tot zover Thomas van Aquino. We zien dat het taalgebruik van die tijd voor de mens van vandaag vlug vermoeiend wordt. Het is alsof we eerst ons bewustzijn moeten aanpassen aan de geest van de middeleeuwen, een geest die veel minder sanguinisch was dan de (hyperkinetische ) geest van onze tijd.
Voor wie zich meer wil verdiepen in deze beginregels geven we ook de Latijnse en de Griekse tekst.
.

In principio erat Verbum,
et Verbum erat apud Deum,
et Deus erat Verbum.
Hoc erat in principio apud Deum.
Omnia per ipsum facta sunt,
et sine ipso factum est
nihil quod factum est.
In ipso vita erat,
et vita erat lux hominum.
Et lux in tenebris lucet,
et tenebrae eam non comprehenderunt.
Fuit homo
missus a Deo
cui nomen erat Joannes.
Hic venit in testimonium,
ut testimonium perhiberet de lumine,
ut omnes crederent per illum.
Non erat ille lux
sed ut testimonium perhiberet de lumine.
Erat lux vera,
quae illuminat omnem hominem
venientem in hunc mundum.
In mundo erat,
et mundus per ipsum factus est,
et mundus eum non cognovit.
In propria venit,
et sui eum non receperunt.
Quotquot autem receperunt eum,
dedit eis potestatem filios Dei fieri,
his qui credunt in nomine ejus:
qui non ex sanguinibus,
neque ex voluntate carnis,
neque ex voluntate viri,
sed ex Deo nati sunt.
Et Verbum caro factum est
et habitavit in nobis ;
et vidimus gloriam ejus
gloriam quasi Unigeniti a Patre
plenum gratiae et veritatis.

.

Wie zich nog een beetje Grieks herinnert uit zijn studietijd, zal zien dat het laatste deel van het woord ‘alitheas’ (waarheid) weggevallen is, na het streepje moeten nog de letters th e i a s volgen.
We willen hier ook even wijzen op het verschillend karakter van het Latijn en het Grieks. Van deze laatste taal zegt Rudolf Steiner dat ze nog een groter geestelijk element bevat dan het Latijn, dat al een zeer aardse, harde taal is. Lees de eerste regel in het Grieks, die klinkt als ‘en archei hin ho logos’, en daarna ‘in principio erat Verbum’. Je hoort direct het verschil.
In GA 124 “Exkurse in das Gebiet des Markus-Evangeliums” lezen we (op blz. 124) :

“Onze taal is abstract, leeg, afgestompt geworden. Vandaar dat het zo oneindig moeilijk is om de grote geweldige feiten die ons meegedeeld worden en die doorklinken in de evangeliën, in hedendaagse woorden te persen. De mens van nu kan niet begrijpen dat onze taal iets leegs weergeeft vergeleken met wat de Griekse taal nog met één woord kon uitdrukken. En wanneer wij vandaag de bijbel lezen, dan lezen we iets wat t.o.v. de oorspronkelijke inhoud niet eenmaal, maar tweemaal en driemaal gefilterd is, en dan nog zodanig gefilterd dat niet het beste maar wel altijd het slechtste is overgebleven.” .

Maar hoe zit het nu met de rest van het Johannes-evangelie, wat betekent dat voor de mensheid ?
Rudolf Steiner legt het uit, eveneens in GA 124 “Exkurse in das Gebiet des Markus-Evangeliums” (blz. 161) :

“Wij kunnen ons nu zelf op een bepaalde manier door de evangeliën laten inspireren.
Zo was voor de tijd toen de Christus-gebeurtenis plaatsvond, het Mattheus-evangelie een goed inspiratieboek. Voor onze tijd geldt dit vooral voor het Markus-evangelie. We weten immers dat ons tijdvak geroepen is om vooral de bewustzijnsziel te ontwikkelen, die zich losmaakt uit haar verbondenheid met haar omgeving. We weten dat we nu niet zo zeer moeten letten op de afstamming uit een bepaald volkselement, maar wel op wat in ons moet leven volgens de uitspraak van Paulus “Niet ik maar de Christus in mij”. Zo is het dit vijfde na-Atlantische tijdvak dat bijzonder geïnspireerd zal zijn door het Markus-evangelie.
Daarentegen zal de zesde na-Atlantische periode de opdracht hebben om de totale menselijke wezenheid volledig op te vullen met het Christuswezen.
Terwijl in de vijfde cultuurperiode het Christuswezen het voorwerp is van studie, verdieping, van innerlijk opnemen, zullen de mensen in de zesde cultuurperiode de Christuswezenheid in hun ganse wezen opnemen. Daartoe zullen ze het bijzondere goed nemen wat wij hebben leren kennen als de innerlijke wezenheid van het Lukas-evangelie dat ons de oorsprong getoond heeft van Jezus van Nazareth, zowel de Jezus die het Mattheus-evangelie beschrijft en die teruggaat tot Zarathoestra, als de Jezus van het Lukas-evangelie die teruggaat tot Boeddha en het Boeddhisme. ( … )
En voor de zevende na-Atlantische cultuurperiode tot aan de volgende grote katastrofe zal het Johannes-evangelie een inspiratieboek zijn, terwijl het vandaag voor het geestelijk leven van de mens een richtsnoer kan zijn.”

.

Karma

In De Brug nr. 6 verscheen een uittreksel uit GA 95 over zelfmoord. Men kon daar uit afleiden dat vanuit antroposofisch standpunt zelfmoord altijd een verwerpelijke daad is. We weten ook dat de individualiteit die ooit in Nero leefde, in een latere incarnatie zelfmoord pleegde als gevolg van keuzes in vroegere incarnaties . Dat versterkt onze neiging om weinig begrip op te brengen voor zelfmoordenaars. (zie voetnoot 1 aan het eind)
GA 238 bevat echter informatie die ons leert dat niet iedere zelfmoord een bewuste keuze voor een verkeerde oplossing is. Vele elementen uit vorige levens kunnen meespelen en men is niet noodzakelijk een seriemoordenaar geweest in één van de voorgaande levens.
Op 21 september 1924 sprak Rudolf Steiner over Otto Weininger, een nu totaal vergeten auteur, maar in zijn tijd populair genoeg om zijn werken verschillende keren herdrukt te zien. We leren eruit dat een leven dat plots afgebroken wordt door een zelfmoord in feite een deel van het vorige leven kan zijn !

“ Vandaag zou ik aan de hand van een voorbeeld willen duidelijk maken hoe moeilijk het eigenlijk kan zijn om in onze tijd datgene te introduceren wat werkelijk voor onze tijd de gepaste geesteswetenschap is.
Ik zou deze vraag vandaag niet vanuit uiterlijke omstandigheden willen beantwoorden, maar met een karma-voorbeeld. Dat voorbeeld zal nu wel gaan over een individualiteit die niet direct typisch is, maar die eerder een bijzondere individualiteit is. Maar daardoor kan getoond worden hoe moeilijk het is om in een tegenwoordig leven binnen te brengen wat iedere mens nu eenmaal meebrengt uit vorige aardelevens waar hij – met uitzondering misschien van zijn allerlaatste leven – toch in een bepaalde onmiddellijke verhouding tot de geestelijke wereld stond, indien niet direct, dan toch minstens volgens de traditie.
Het zal ons tonen hoe moeilijk het ook dan nog is, precies in de tegenwoordige lichamelijkheid van de mens, in de tegenwoordige opvoedings- en beschavingsomstandigheden, iets binnen te brengen van vroegere spiritualiteit, van wat op spirituele manier werd opgenomen.

En daartoe wil ik u hier een reeks opeenvolgende aardelevens schilderen van een individualiteit die u precies alle mogelijk hindernissen kan tonen die zich kunnen voordoen en het binnenbrengen van een spiritueel aspect in de huidige tijd verhinderen, en die kunnen tonen hoe zich deze moeilijkheden bij velen reeds in vroegere aardelevens voorbereid hebben.

Vrouw in de zesde eeuw v.C.

Wij beginnen onze beschouwing met een menselijke individualiteit in haar incarnatie in de zesde eeuw voor Christus, eigenlijk in de tijd – en iets erna – toen de wegvoering plaatsvond van de joden in de Babylonische gevangenschap. Bij het beschouwen van deze tijd stootte ik op een individualiteit, een vrouwelijke incarnatie toen, die deel uitmaakte van de joodse stam maar die bij het wegleiden van de joden naar de Babylonische gevangenschap, meer bepaald eigenlijk, vóór de joden aangekomen waren in Babylon, kon ontvluchten en dan in Vóór-Azië in de daaropvolgende tijd – want zij is tamelijk oud geworden in die incarnatie - alle mogelijke leringen opgenomen heeft die toentertijd op te nemen waren in Vóór-Azië. Meer bepaald nam zij datgene op wat toen met een grote intensiteit, met sterke kracht nog leefde in Vóór-Azië en wat op de meest verscheiden manieren deel uitmaakte van de wereldbeschouwing die men de Zarathoestra- wereldbeschouwing kan noemen – met het sterke dualisme dat ook geschilderd werd in een hoofdstuk van mijn “Geesteswetenschap”. Het dualisme dat aan de ene kant Ahoera Mazdao, de grote lichtgeest, erkende, die zijn impulsen in de mensheidsontwikkeling laat vloeien om een bron van het goede, het grootse, het schone te zijn, die zijn dienende geesten heeft, de Amshaspands, die hem omringen, zoals de zon omringd wordt – in de schijn van de openbaring van het hemelaanzicht – door de twaalf tekens van de dierenriem. Daar hebben wij dus de lichtzijde van dat in Perzië geboren dualisme. We hebben dan ook de ahrimanische tegenmacht, die het duistere, maar ook het boze, overal remmende, het overal disharmonie-zaaiende in de wereldontwikkeling van de mensheid brengt. Deze leer was verweven met een grondig inzicht in de constellaties van de sterren in de zin van wat er in die oude tijden als astrosofie of astrologie bestond.
Dit alles kon die individualiteit toentertijd in haar vrouwelijke incarnatie opnemen doordat ze een soort leraar en vriend, een mannelijke persoonlijkheid, had die ingewijd was in veel van deze Vóóraziatische leringen, meer bepaald in de Chaldeeuwse sterrenkunde.
En zo hebben we dus om te beginnen een levendige gedachtenuitwisseling tussen deze beide persoonlijkheden in de tijd nadat de joden weggevoerd waren in Babylonische gevangenschap. En we hebben het merkwaardig fenomeen dat de vrouwelijke persoonlijkheid, door de kracht van de indrukken die ze opdeed, door alles wat zij op een buitengewoon gevoelige, geïnteresseerde manier opnam, innerlijk schouwend werd en in visioenen, die voor het grootste deel de kosmische orde weergaven, de wereld kon overschouwen.
We hebben hier werkelijk met een merkwaardige individualiteit te maken, in wie als het ware alles opvlamt wat besproken werd, wat doorgenomen werd, gemeenschappelijk met deze bevriende half-initiaat in Vóór-Azië. En deze vrouwelijke persoonlijkheid begon overheerst te geraken door een bepaalde stemming die men ongeveer aldus kan verwoorden : ach, wat waren tenslotte al die ideeën die ik opgenomen heb tijdens het leren vergeleken met het machtige tableau van imaginaties die nu voor mijn ziel staan ! Hoe is toch de wereld innerlijk rijk en geweldig ! Dat bemerkte deze persoonlijkheid aan de visionaire imaginaties.
En juist deze stemming was er nu de oorzaak van dat een zekere onenigheid optrad tussen beide persoonlijkheden. De mannelijke persoonlijkheid hechtte meer belang aan het denkend bevatten van de wereldbeschouwing, de vrouwelijke meer aan het beeldende. En we kunnen zeggen dat beide persoonlijkheden bijna gelijktijdig door de poort van de dood gingen, maar met een zekere onmin tussen hen.
Nu was op een eigenaardige manier het resultaat van dit aardeleven, ik zou zeggen, samengesmolten, zodat beide individualiteiten na de dood ongemeen intensief beleefden het terugblikkende, het teruggaande leven, en ook de vormgeving van het karma tussen dood en een nieuwe geboorte. Een intensief samenleven was het resultaat van dit merkwaardig aardesamenzijn. We vinden vooral bij de vrouwelijke persoonlijkheid na de dood, dat de stemming die gekleurd was door het overwicht van de visionaire imaginaties, niet meer in zo sterke mate aanwezig is. Wij vinden veeleer bij deze vrouwelijke persoonlijkheid dan na de dood voor het volgende aardeleven een soort verlangen opkomen om in het volgende aardeleven de dingen in gedachtevorm, begripsmatig te begrijpen, terwijl ze in het aardeleven dat ik juist beschreven heb, de dingen meer in gesproken vorm begrepen had, zodat ze dan eigenlijk vanuit het gesproken beleven in de visionaire imaginaties overgegaan waren.

Nu werden beide persoonlijkheden die karmisch zo sterk verbonden waren terug geboren in de eerste eeuwen van het christendom, toen de geestelijke inhoud van het christendom vorm gaf aan een soort wetenschappelijke arbeid. En ik heb voeger al eens hier vermeld hoe juist vele van de zielen die later op een eerlijke manier tot de antroposofie zijn gekomen, in de eerste eeuwen van onze tijdrekening het christendom meebeleefd hebben, maar in een veel levendiger vorm dan waarin het christendom dan later optrad. En zo zien wij nu een zeer merkwaardige verschijning. We zien een man optreden die wat betreft het karma niets te maken heeft met de beide persoonlijkheden van wie ik kom te spreken, met hun individualiteiten, maar die nu geschiedkundig met hen te maken heeft. We zien een belangrijke, toonaangevende persoonlijkheid optreden als Martianus Capella. Dat is de persoonlijkheid die als eerste het standaard basiswerk schrijft over de zeven vrije kunsten die zoals u weet bij al het onderwijs en leren doorheen de ganse middeleeuwse periode een grote rol speelden : grammatica, rhetorica, dialectiek, arithmetica, geometrie, astronomie en muziek. De zeven vrije kunsten, die dan samen in hun uitwerking datgene opleverden wat men toen natuur- en wereldkennis noemde. Het boek van Martianus Capella schijnt op het eerste zicht een beetje droog en nuchter. Maar, beste vrienden, u moet weten dat dergelijke boeken in de eerste tijden van de middeleeuwen toch nog altijd uit spirituele ondergronden ontsproten. Juist zoals ook de latere werken uit de school van Chartres een gelijkaardig nuchter, catalogiserend karakter vertonen.
En zo moet men ook datgene wat we bij Martianus Capella op een droge, nuchtere manier beschreven vinden over de zeven vrije kunsten en de natuur die daarachter werkzaam is, kunnen beschouwen als een product van bepaalde instinctieve, hogere inzichten. Want datgene wat die zeven vrije kunsten waren, dat werd inderdaad voorgesteld als iets wezenlijks, zoals de natuur zelf als wezenlijk voorgesteld werd – ik heb dat in deze voordrachten reeds geschetst. En al zijn persoonlijkheden als Martianus Capella en andere die deze dingen optekenden, droog, toch waren ze nog op de hoogte van het feit dat dit alles kan beschouwd worden, dat dialectiek, rhetorica levende wezens zijn, inspiratoren van het menselijke kunnen en van het menselijke geestelijk werken. En dat de godin Natura volledig gelijkend op de oude Proserpina werd voorgesteld, dat heb ik hier al aangehaald.

Man in de zesde eeuw n.C.

In deze stroming, in datgene wat de mensheid wordt of werd onder invloed van wat in de zeven vrije kunsten en in de natuurkennis die daarbovenuit straalde, lag, in deze ganse stroming stond nu de wederbelichaming van de vrouwelijke persoonlijkheid van wie ik gesproken heb, maar nu in een mannelijke incarnatie; en wel zodanig in een mannelijke incarnatie dat ze van in ’t begin in het mannelijk lichaam, in het mannelijk verstand de aanleg meebracht om de dingen die haar inzichten moesten worden, niet in gedachten vorm te geven, maar ze wel vorm te geven in visionaire inzichten. We kunnen stellen : slechts bij weinige persoonlijkheden van die tijd – in het begin van de zesde eeuw n.C., einde van de vijfde eeuw – bij weinig dergelijke persoonlijkheden die men als leerling van Martianus Capella kan benoemen, leefde in een zeer aanschouwelijke, levendige wijze datgene wat toen geestelijke inhoud was. De persoonlijkheid die nu in haar mannelijke incarnatie zat kon nu juist wel spreken van haar verkeer met de inspirerende machten, dialectiek, rhetorica enz., zij was helemaal vervuld van het schouwen van geestelijk werken.
En terug kwam ze in contact met de andere persoonlijkheid die de mannelijke geest in de vorige incarnatie was en die nu een vrouwelijke individualiteit was. En met een grote intelligentie was deze vrouwelijke persoonlijkheid begaafd in deze incarnatie. En daar ontstond terug – we kunnen ons wel voorstellen hoe dat karmisch bepaald was, we zien hier het karma werken – daar ontstond terug een intensieve geestelijke – men kan niet zeggen ideeënuitwisseling, maar een inzichten-uitwisseling, een zeer levendig, geestelijk, intensief samenwerken.
Maar er kwam iets merkwaardig naar voor bij de persoonlijkheid die eerst een vrouw was en nu een man. Omdat de inzichten zo levendig waren vormde zich bij deze persoonlijkheid iets merkwaardigs, namelijk een sterk weten van hoe het visionaire leven in haar huidige incarnatie überhaupt met de vrouwelijke natuur samenhangt. Niet dat men kan stellen dat het visionaire leven in het algemeen samenhangt met een persoonlijkheid als vrouw; in dit geval was het ganse grondkarakter van het visionaire leven gewoon iets dat overgekomen was uit de vroegere vrouwelijke incarnatie. En daardoor werden voor deze persoonlijkheid ontelbare geheimen geopenbaard die betrekking hebben op de wisselwerking tussen aarde en maan, ontelbare geheimen bijvoorbeeld die te maken hebben met het voortplantingsleven. Precies op dit gebied werd de nu mannelijke persoonlijkheid zeer onderlegd.

Nu zien we hoe beide persoonlijkheden terug door de poort van de dood gaan, het leven tussen dood en een nieuwe geboorte doormaken, hoe ze vooreerst in het bovenzinnelijk gebied het aanbreken van het tijdperk van de bewustzijnsziel zien aankomen, het nog meemaken in de bovenzinnelijke werelden.
Dan wordt de persoonlijkheid die ik eerst in een vrouwelijke, daarna in een mannelijke incarnatie heb geschetst, terug als mannelijke incarnatie geboren. Zeer interessant is dat beide persoonlijkheden terug samen op aarde verschijnen. Maar de andere persoonlijkheid, die in haar voorgaande incarnatie, dus in de tweede, vrouw was, wordt nu terug als man geboren, zodat beide nu gelijktijdig in een mannelijke incarnatie geboren worden.
De ene, die ons hier vooral interesseert, die een vrouw was in de voorchristelijke tijd, dan een man in de eerste tijd na Chistus, die de eerste keer uit het joodse volk stamde, de tweede keer wat betreft afstamming buitengewoon gemengd bloed in zich droeg, deze persoonlijkheid werd dan in de zestiende eeuw geboren als de Italiaanse utopist Thomas Campanella. Een zeer merkwaardige persoonlijkheid.

Man in de 16de eeuw

Persoon APersoon B
6de eeuw v.C.Joodse vrouwHalfingewijde man
5de eeuw n.C.Visionaire manVrouw
16de eeuwThomas CampanellaJoodse man

Bekijken we dat leven van Thomas Campanella eens van naderbij, voor zover het noodzakelijk is om het karma te begrijpen.
Hij wordt geboren met een bijzonder grote ontvankelijkheid voor zijn christelijke opvoeding, zodat hij reeds op jeugdige leeftijd begint de “Summa” van Thomas van Aquino te bestuderen. En vanuit de stemmingen die hij zich vanuit een vroeger visionair leven heeft eigen gemaakt en die altijd meer hier en daar overgaan in tegenstemmingen om de dingen begripsmatig te leren kennen, leeft hij zich in in het sterke denk-element dat in de “Summa” van Thomas van Aquino te vinden is. Hij bestudeert ijverig die “Summa” en treedt in de zestiende eeuw in bij de Dominicanen.

Voortdurend sluipt in zijn denken een zekere verontrusting door het atavistisch-spirituele leven dat vroeger in hem aanwezig was, terwijl hij zijn best doet om zijn denken ten strengste in de richting te houden waarin nu eenmaal het denken in de “Summa” van Thomas van Aquino gehouden is.
En zo is het merkwaardig dat hij, Campanella, nu precies een steun en ankerpunt zoekt om in datgene wat hij eens beheerst heeft als visionair in het aanschouwen van de wereld, een innerlijke samenhang te brengen. En terwijl hij enerzijds met vol innerlijk enthousiasme Dominicaan wordt, maakt hij juist in het klooster van Cosenza – en dat is het merkwaardige – kennis met een zeer geacht joods kabbalist en verbindt nu de studie van de joodse kabbalistiek met datgene wat als nawerking van zijn vroeger visionair leven naar boven komt en verbindt dat dan weer met wat binnen de orde der Dominicanen uit het Thomisme is geworden.
Dat alles leefde in hem in een visionair verlangen zouden we kunnen zeggen, het loopt uit in een visionair verlangen. Hij wilde iets doen wat dit ganse lichte innerlijke geestesleven ook uiterlijk kon tevoorschijn brengen. Want voortdurend is het in zijn ziel zo – dat vindt men niet terug in de biografieën, dat blijkt uit het geesteswetenschappelijk onderzoek – dat iets in hem zegt : maar daar zit toch geest achter alle dingen, daar moet toch ook in het mensenleven de geest zitten die in het wereld-al leeft !
Dat alles werkt ook op de emotionele sfeer in. Hij leeft in Zuid-Italië. Zuid-Italië is geknecht door de Spanjaarden. Hij neemt deel aan een samenzwering om Zuid-Italië te bevrijden en verkommert dan van het jaar 1599 tot 1626 in een kerker omdat hij als gevolg van zijn deelname aan die samenzwering door de Spanjaarden wordt gevangen gezet. Hij brengt dus de rest van zijn leven door, afgesloten van de wereld, een leven dat eigenlijk voor 27 jaar zijn aardebestaan uitwist.
Laat ons dit eens naast mekaar zetten : Thomas Campanella is vooraan in de dertig wanneer hij gevangen gezet wordt. De tijd daarna verblijft hij in de kerker. Dat is het ene.
Maar wat voor een geest is hij dan eigenlijk ? Wat voor een persoonlijkheid ? Van hem komt de idee van een Zonnestaat. Vanuit vroegere incarnaties schijnt al het astrologische, al het aanschouwen van de geestelijke wereld in de ziel van deze Thomas Campanella binnen. Hij bedenkt en beschrijft in zijn werk over de Zonnestaat een sociale utopie waarvan hij gelooft dat door een verstandige sociale vormgeving, sociale configuratie, alle mensen kunnen gelukkig worden. Wat hij beschrijft als Zonnestad, als Zonnestaat heeft in bepaald opzicht een kloosterlijke strengheid, er zit iets in van wat hij in de orde der Dominicanen opgenomen heeft. Er schuilt in de manier en wijze hoe hij zich een staat voorstelt iets kloosterlijk streng en anderzijds komt er van zijn vroeger geest-element ongemeen veel naar boven. Aan de top van deze staat, die een ideale staat zou moeten zijn, zou een opper-bestuurder moeten staan, die een soort opper- metafysicus is en die vanuit de Geest de richtlijnen voor de configuratie, voor de administratie van de staat zou moeten vinden. Hij wordt bijgestaan door ambtenaren als bvb. de hoogste minister die zou moeten uitvoeren tot in het kleinste detail al de regels – regels die men in die tijd nog kon aanvoelen wanneer ze door het karma vanuit vroegere aarde- kennis als herinneringen in de ziel opstegen. Bij hem steeg dat alles op. En zo wilde hij deze zonnestaat bestuurd zien volgens astrologische principes. De constellaties van de sterren zouden zorgvuldig moeten bestudeerd worden. Huwelijken moesten volgens deze constellaties gesloten worden; concepties moesten plaatsvinden zodat de geboorten samenvielen met bepaalde constellaties, die uitgerekend werden zodat het mensengeslacht op aarde met zijn levenslot zou geboren worden volgens de constellaties aan de hemel.

Zeker, de mens van de 19de en de 20ste eeuw, de neuroloog of psychiater van de 19de of 20ste eeuw, zou, als hij op een dergelijk werk stootte, zeggen dat het thuishoorde in de bibliotheek van een zothuis. We zullen straks zien dat de psychiater van de 20ste eeuw effectief een oordeel in die richting uitgesproken heeft.
Maar stelt u zich deze twee dingen voor : er is daar een persoonlijkheid die dus deze voorgeschiedenis heeft, deze levensuitgangspunten door vroegere aardelevens, zoals ik u beschreven heb. Iemand die zo te zeggen in de kracht van de zon en de sterren de richtlijnen wil vinden voor het staatsbestuur op aarde; een mens die zon wil brengen in het aardeleven en die meer dan twintig jaar in de duisternis van een kerker verkommert en slechts door nauwe spleten naar buiten naar de natuurlijke zonneschijn kan kijken; in wiens ziel in kwellende gevoelens en gewaarwordingen alles mogelijke zich uitleefde wat vroeger, in voorafgaande aardelevens in deze ziel is opgenomen.
Dan wordt Thomas Campanella door paus Urbanus bevrijd uit die kerker, reist naar Parijs, geraakt daar in de gunst van Richelieu, krijgt een pensioen en leeft zijn laatste jaren in Parijs.

Dat is het merkwaardige : die joodse rabbijn met wie hij in Cosenza kennismaakte en door wie zijn denken een kabbalistische tint heeft gekregen zodat veel meer dan anders het geval was geweest in hem kon leven, die joodse kabbalist is de teruggeboren man van de eerste incarnatie, de vrouw van de tweede incarnatie die ik beschreven heb.

Zo zien we een samenwerking, en als beiden terug door de poort van de dood zijn gegaan – Thomas Campanella en zijn vriend, de joodse rabbijn – daar zien we dat in de individualiteit die Campanella was in het laatste leven, zich een merkwaardige oppositie vormt tegen datgene wat hij in vorige incarnaties opgenomen had. En nu voelt hij het zo aan dat hij zegt :
“Wat had ik allemaal niet kunnen doen indien ik niet al die jaren in de duisternis van een kerker had gevangen gezeten waar ik slechts door spleten het natuurlijke zonlicht kon zien !”
Geleidelijk aan komt hij tot een soort afwijzing, antipathie tegen datgene wat hij vroeger, in de eeuwen vóór Christus, in de eerste eeuwen na Christus als geestelijk inzicht heeft gehad. En zo ligt hier het merkwaardige voor ons dat, terwijl het tijdperk van de bewustzijnsziel naderbij komt, in de bovenzinnelijke wereld een individualiteit zich verder ontwikkelt, die eigenlijk vijandig staat t.o.v. wat vroegere spiritualiteit was.
Ziet u, beste vrienden, zo is het eigenlijk vele zielen vergaan. Ze begonnen reeds vóór hun aardeleven vijandig te staan t.o.v. het vroegere spirituele leven doordat ze in het bovenzinnelijke gebied leefden in het tijdperk van de bewustijnsziel. Het is werkelijk moeilijk om in een tegenwoordig aards lichaam in te laten stromen wat vroeger spiritueel beleefd werd. Het tegenwoordig aards lichaam en de tegenwoordige aardse opvoeding leiden de mens nu eenmaal tot het rationalisme en tot de intellectualiteit.

En nu zag de individualiteit die in de laatste incarnatie Thomas Campanella geweest was, in het leven dat daarop volgde de enige mogelijkheid om een vereffening, een evenwicht, tot stand te brengen in het verhoudingsgewijs te vroeg beginnen van dat aardeleven. Maar door de gegeven omstandigheden was dat niet zo gemakkelijk. Want aan de ene kant groeide deze persoonlijkheid in het bovenzinnelijke gebied nog buitengewoon sterk in het bewustzijnselement van de eerste periode van het bewustzijnszieletijdperk, in het rationalisme en het intellectualisme. En vooral bij het terugblikkend doorleven van de gevangenistijd drong altijd weer het vroegere visionaire, de spirituele beschouwing, door. Deze individualiteit, die al het vroegere afwees, had om zo te zeggen een grote neiging tot het intelligente verstand op zich geladen, en op merkwaardige wijze vormde deze afkeer van het vroegere zich op een heel persoonlijke manier, op een heel individuele wijze. Er ontstond een antipathie tegen die voorchistelijke incarnatie als vrouw en daarmee een afkeer van de vrouwen in ’t algemeen. Hier werkte de afkeer van de vrouwen namelijk in het persoonlijk- individuele. En zoals dat dan in het karma gaat, in plaats dat het iets theoretisch blijft, wordt het een persoonlijke aangelegenheid, persoonlijk temperament, persoonlijke sympathie of antipathie – in dit geval antipathie.
Nu deed zich voor deze persoonlijkheid de mogelijkheid voor om nog eenmaal in vrije omgang met de wereld het aardeleven te leven dat ze tijdens de laatste incarnatie – als Campanella – in de gevangenis had doorgebracht. Begrijpt u dat alstublieft goed. Nu kwam de andere persoonlijkheid niet mee, want voor die was er geen reden (om nu al te reïncarneren – fdw). Nu kwam dus deze individualiteit die al drie aardelevens meegemaakt had waarin telkens die andere persoonlijkheid iets voor haar betekende dat mee het leven steun gaf en richting gaf, in de mogelijkheid datgene in een aardeleven te doorleven wat ze in het Campanella-leven door de 27 jaar gevangenschap verzuimd had. Dat wat ze in het duister van de gevangenis verzuimd had, dat kon nu als nieuw aardeleven doorleefd worden.

Terug man in de 19de eeuw

Persoon APersoon B
6de eeuw v.C.Joodse vrouwHalfingewijde man
5de eeuw n.C.Visionaire manVrouw
16de eeuwThomas CampanellaJoodse man
19de eeuwExtra incarnatie – vervroegd,
om in te halen
wat in de vorige verzuimd was.
Niet geïncarneerd

Wat was het gevolg, beste vrienden, wat was het gevolg, na alles wat voorafgegaan was ? Stelt u zich nu eens voor : toen Campanella dertig jaar oud was geraakte hij in gevangenschap. Stelt u zich de graad van rijpheid voor van een mens in de Renaissance rond zijn dertigste. Stelt u zich voor : wat daar verzuimd werd, dat werkt nu, maar met al het andere dat erin straalt, erin schijnt, het spirituele en het rationalistische. Overal rond hem is licht, en alleen die jaren van de gevangenschap zijn duisternis. Alles straalt daarin, alles straalt dooreen. Dooreen stralen helderziendheid, vrouwenhaat, ontstaan uit wat ik u geschetst heb, maar ook zeer sterke verstandelijkheid. Dat alles speelt door elkaar, speelt zo door elkaar, zoals het kan tevoorschijn komen als resultaat van een rijpheidsontwikkeling van een dertigjarige Renaissance-mens.
Dit geheel wordt terug geboren in de jaren tachtig van de 19de eeuw. In het kinderlichaam wordt iets geboren wat eigenlijk bestemd is voor een latere levensperiode. Het wordt terug een mannelijke incarnatie vermits het gaat om een herhaling van de gevangenistijd : zo spreekt het karma in dit geval. Geen wonder dat de jongen buitengewoon vroegrijp wedergeboren wordt. Vanzelfsprekend zijn het slechts de groeikrachten van een kind, maar met dat wat verzuimd werd tijdens de gevangenschap, met de rijpheid van een dertigjarige : vroegrijp ! Zo speelt het karma.
Een merkwaardige neiging duikt op in dit leven-overdoen zoals ik het zou willen noemen. Terug doemen de oude inzichten op van de astrologie, de oude inzichten van het spirituele in de ganse natuur, die zo omvattend waren bij deze individualiteit in de eerste eeuwen van onze tijdrekening. Het komt evenwel op een kinderlijke wijze naar voor, maar het leeft zo sterk in hem, dat hij regelrecht een antipathie ontwikkelt t.o.v. de mathematisch georiënteerde natuurwetenschap. En als hij dan in de jaren negentig de middelbare school bezoekt, dan blinkt hij uit in al wat met taal te maken heeft, in al wat geen natuurwetenschap of wiskunde is. Maar het curieuze voor wie karmische verbanden kan beoordelen, ik zou zeggen : het werkelijk verheugend-schokkende in de beschouwing, dat is dat hij in een handomdraai behalve de nieuwere talen Frans en Italiaans, ook snel Spaans leert om in zijn mentaliteit datgene binnen te brengen – als ik de uitdrukking mag gebruiken – wat hem vroeger opgejut had tegen de Spaanse overheersing, om dat weer op te frissen.
Daar ziet u hoe het karma werkt, hoe het werkt in deze individualiteit ! Het valt direct op dat deze knaap buiten de school, gewoon omdat zijn vader daar toevallig een voorliefde voor had – dat is natuurlijk weeral eens karma – fluks Spaans leert, op zo jonge leeftijd een zo veraf liggende taal leert. Dat betekent een complete beïnvloeding van de ganse zielegesteldheid. Zo dat de grondtoon van de kerkertijd, waar de opstandigheid tegen de Spanjaarden zijn ziel vervuld heeft, daardoor weer in zijn ziel opduikt, dat de Spaanse taal in hem levendig wordt en zijn ideeën, zijn gedachten, doordringt. Juist wat hem het bitterste was tijdens zijn gevangenschap, dat geraakt in dat onderbewuste gebied waar de taal nu eenmaal zetelt.
Pas wanneer hij naar de universiteit gaat, houdt hij zich wat bezig met natuurwetenschap omdat de moderne tijd dat vereist. Wil men een ontwikkelde mens zijn in onze tijd, dan moet men een beetje op de hoogte zijn van natuurwetenschap.
Nu moet ik u verklappen wie het is omdat ik moet verder vertellen : het is de ongelukkige Otto Weininger. En nu, nadat Otto Weininger het natuurwetenschappelijke aan de universiteit ingehaald heeft, brengt hij al wat in hem borrelt en bruist zoals dat maar kan borrelen in een aardeleven dat de herhaling van een lege plek in het vorige aardeleven is, brengt hij dat alles wanneer hij doctoreert in de filosofie aan de universiteit van Wenen, over in zijn thesis, die hij dan, nadat hij gepromoveerd is, verder uitwerkt tot een dik boek “Geslacht en karakter”.

In dit boek “Geslacht en karakter” borrelt nu alles in wat vroeger in hem leefde. Bij tijden ziet men het utopisme van Campanella oplichten, met oeroude inzichten die op een wonderbare wijze uitgedrukt worden. Wat is zedelijkheid ? Weininger beantwoordt de vraag zo dat hij zegt : het licht dat in de natuur verschijnt is de uiterlijke openbaring van de zedelijkheid. Wie het licht kent, kent de zedelijkheid. Daarom moet de bron van de onzedelijkheid op aarde gezocht worden in de diepzeefauna en –flora die zonder licht leeft.
En wonderbare intuïties vinden we bij hem, bvb. : we moeten de hond aanschouwen met zijn merkwaardige fysiognomie. Wat toont dat ons ? Dat hem iets ontbreekt, dat hij (de hond – fdw) iets verloren heeft : hij heeft de vrijheid verloren.
En zo kunt u bij deze Weininger daadwerkelijk iets vinden van helderziendheid, gemengd met het uiterste rationalisme, en kunt u ook vinden de haat t.o.v. wat hij verworven had in een vroegere incarnatie, en wat zich nu niet manifesteert als haat t.o.v. wat hij toen geweten heeft maar als haat t.o.v. zijn vrouwelijke incarnatie, wat zich in zijn werk “Geslacht en karakter” openbaart als een tot in het absurde gaande vrouwenhaat.
Dat alles toont u hoeveel spiritualiteit in een ziel kan voorhanden zijn, hoe dat vele in de bovenzinnelijke wereld kan samengevloeid zijn met intellectualisme naar het tijdperk van de bewustzijnsziel toe, hoe dat echter niet kan tevoorschijn komen in het huidige tijdperk, maar toch tevoorschijn wil komen, zelfs wanneer het leven dat nu geleefd wordt om zo te zeggen slechts een herhaling is van verloren levenstijd van vroeger.
Merkwaardige neigingen traden op bij Weininger, terug buitengewoon betekenisvol voor wie karmische verbanden kan doorschouwen. Zijn biograaf beschrijft dat hij tegen het einde van zijn leven de gewoonte kreeg om door zeer dunne spleten die hij zelf aanbracht, vanuit een verduisterde ruimte naar een belicht vlak te kijken en dat hem dat bijzonder veel plezier deed. Daar hebt u de innerlijkste, directe levensgewoonten, het ganse kerkerleven, dat doorwerkt. Bedenkt u hoe dit leven met Zuid-Italië samenhing. Want daar speelde zich immers af wat hem in dit laatste leven liet terecht komen.
Een kleine zaak moet ik nog vermelden, die terug voor de karma-onderzoeker buitengewoon belangrijk is. Weininger behoorde natuurlijk ook tot de Nietzsche-lezers. Bedenkt u de ganse stemming die daar in deze Weiningerziel leefde wanneer ze Nietzsches “Aan gene zijde van goed en kwaad” las ! Als een bom sloeg Nietzsches uitspraak in de ziel dat de waarheid een vrouw is. Nu werd pas goed door vrouwenhaat vervuld wat ik u reeds beschreven heb.

Hij is nu 22 jaar, in zijn 23ste levensjaar. Dit alles werkte op hem. Merkwaardige gewoonten ontwikkelden zich in zijn ziel. Hoeft het te verbazen dat een leven dat een gevangenistijd vervangt, pijnlijk getroffen wordt door de zonsondergang, die aan de beginnende duisternis herinnert ? Daarom ervaart Weininger zonsondergangen altijd als iets onverdraaglijks. Maar, beste vrienden, hij heeft in het jeugdig lichaam de rijpheid van een dertigjarige. Zeker, wanneer minder getalenteerde mensen het hoog in de bol hebben, ijdel zijn, dan is dat niet mooi. Maar hier begrijpt men vanuit het totale karma dat hij zichzelf voor een bijzonder iemand hield.
Hij vertoonde natuurlijk ook de meest verscheiden abnormaliteiten, zijn leven was nu eenmaal de herhaling van een kerkerleven. Dan doet men niet altijd heel gewone normale dingen. Als dit zich karmisch manifesteert, dan kan men op een gewone psychiater de indruk maken van epilepticus te zijn. Die indruk maakte Weininger. Maar deze epilepsie was de herhaling van een kerkerleven, het waren afweerhandelingen, die nu in een vrij leven geen zin meer hadden, maar die nu eenmaal de karmische herhalingen van het kerkerleven waren. Hij was geen gewone epilepticus. En het hoeft ons niet te verwonderen dat hij vooraan in de twintig plots de drang voelt opkomen helemaal alleen vanuit zeer onbestemde ondergronden hals over kop een reis naar Italië te maken. Tijdens die reis schrijft hij een zeer wonderbaar klein boekje “Over de laatste dingen”, waarin schilderingen van elementaire natuur staan, die de indruk wekken alsof iemand een karikatuur wil maken van de beschrijvingen van Atlantis, zeer groots, maar vanuit psychiatrisch standpunt volkomen geschift. Maar dat moet men karmisch beschouwen.
Hij reist hals over kop naar Italië en keert terug, brengt korte tijd door in de buurt van Wenen, in Brunn in de bergen. Teruggekeerd van Italië schrijft hij nog enkele gedachten op die hem te binnen vielen tijdens zijn reis naar Italië, grootse ideeën over de samenklank van het morele met het natuurlijke, huurt dan de sterfkamer van Beethoven, verblijft daar enkele dagen en – hij heeft nu de gevangenschap van vroeger helemaal doorgeleefd – schiet zich door het hoofd.
Het karma was vervuld. Hij pleegt zelfmoord vanuit een innerlijke drang omdat hij het idee heeft dat hij een bijzonder slechte mens zou worden wanneer hij zou verder leven. Voor hem was er nu eenmaal geen mogelijkheid meer om verder te leven omdat het karma vervuld was.

Leest u, beste vrienden, vanuit deze gezichtspunten Otto Weiningers werken. Bekijkt u al de hindernissen die een ziel ontmoet die zelfs op zo’n atypische manier vanuit de Renaissance-tijd in de huidige tijd terecht komt. Ziet u de remmingen die ze ondervindt om iets spiritueels te vinden, hoewel ze zoveel spiritualiteit op de bodem, in het onbewuste van haar ziel heeft, en trekt u daaruit het besluit dat er oneindige hindernissen zijn in het Michaël-tijdperk om te kunnen voldoen aan de eisen die dit Michaël-tijdperk stelt.
Want natuurlijk ware het ook denkbaar geweest, indien de Weininger-ziel spirituele wereldinzichten had kunnen opnemen, dat ze toch een ontwikkeling had kunnen verder zetten, dat ze deze herhaling van het gevangenisleven niet had hoeven te besluiten met een zelfmoord. Maar het is op zich al interessant om aldus na te gaan hoe zich oude spiritualiteit tot in de nieuwere tijden ontwikkelt in de mensenzielen en dan stopt; en het is op zich al interessant, juist aan de hand van dergelijke verschijningen om te zien hoé gestopt werd.”

*********************************

Na het vertalen van deze voordracht geraakten wij geïnteresseerd in de figuur van Otto Weininger en wij gingen op zoek naar zijn twee werken. We vonden een tweede, verbeterde druk van “Geschlecht und Charakter” uit 1904 en ook “Über den letzten Dinge, een zesde druk uit 1920.
In dit laatste werk schreef Moriz Rappoport een voorwoord met ook wat biografische gegevens over Otto Weininger. We vullen daarmee Rudolf Steiners korte levensschets wat aan, het geeft ons nog een beter beeld van deze persoon.

- Hij werd geboren in Wenen op 3 april 1880 als tweede kind van een Joodse goudsmid. Op de dag dat hij doctoreerde trad hij toe tot het protestantisme.
- Frans, Engels en Italiaans sprak hij vloeiend, Spaans en Noors zeer goed, en dat vóór het einde van zijn middelbare schooltijd.
- Hij beschikte over een kolossale werkkracht en een zeer sterke lichamelijke constitutie, ondanks zijn lange, magere gestalte. Zijn levensgevoel was nauw verweven met een strijdersbewustzijn. Bijna nooit kwam een glimlach of grapje over zijn lippen. Streng voor anderen en hard voor zichzelf, een ijzeren zelftucht, altijd klaar om al zijn krachten in te spannen en gans zijn wezen te engageren, in één woord een soldatennatuur. Zijn onverbiddelijk, verbeten karakter werd nooit gemilderd door een vleugje humor.
- Hij beleefde het ethisch dualisme (God - het Zijn - het goede t.o.v. de duivel - het Niets - het kwade) met een zelden geziene kracht. Daarom voelde hij zich aangetrokken tot de geest van het dualisme die hij bij Plato en Kant en vooral in het Christendom dat hij passioneel beleed, vond. Hij was er vast van overtuigd dat nog niemand behalve hij de persoonlijkheid en de motieven van Jezus Christus zo diep had verstaan. De gedachte van universele verantwoordelijkheid : al het kwaad in de wereld als de eigen schuld te ervaren was voor hem een levende werkelijkheid.
- Weininger hield zichzelf voor een misdadiger. Hij zag in al zijn geestelijk streven, in zijn opstijgen tot de hoogste wereld-inzichten, een strijd tegen het “Niets” van de misdadiger. Hij voelde in zich een geweldige neiging tot leugen, wreedheid, zelfs tot moord. Juist vóór zijn dood schreef hij : “Ik moet mijzelf van kant maken om niet een ander te moeten ombrengen.”
- Seksualiteit zag hij volkomen gescheiden van erotiek. Hijzelf was in hoge mate erotisch en zinnelijk, maar leefde de laatste tijd van zijn leven kuis.
Hij schoot zich in de borst op 4 oktober 1903.

Geïntrigeerd door de opmerking van Rudolf Steiner “…waarin schilderingen van elementaire natuur staan, die de indruk wekken alsof iemand een karikatuur wil maken van de beschrijvingen van Atlantis”, lazen we het boek “Over de laatste dingen” eens door.
Het boek bevat een 180 blz. Daarvan gaan de eerste 50 blz. over “Peer Gynt” van Ibsen. Dan volgen 25 pagina’s aforismen. Daar treffen we een gedachte aan die we ook bij Rudolf Steiner en Ghandi al tegenkwamen :

“Zou het niet kunnen dat hoe meer wellust en zinnelijke begeerte er bij de conceptie is, des te lager ethisch gezien de kinderen staan ? Een zoon met een groter misdadiger-gehalte en een dochter met een groter slet-gehalte ?”

Verder:

“Iedere ziekte is schuld en straf; alle geneeskunde moet psych-iatrie worden, moet ziele-zorg worden. Het is iets immoreel, iets onbewust, dat tot ziekte leidt; en iedere ziekte is genezen eens ze door de zieke zelf innerlijk erkend en begrepen wordt.
De oude opvatting die de zieken en melaatsen vraagt wat ze wel mogen misdaan hebben dat God hen zo straft, is zeer diepzinnig. Daarom schaamt de man zich voor een ziekte, de vrouw nooit.”

Vergelijk dat even met een passage uit “De wetenschap van de geheimen der ziel” :

( … ) “Het fysiek lichaam wordt getroffen door ziekte. De geesteswetenschap is nu in staat om te tonen dat een groot deel van alle ziekten zijn oorsprong vindt in het feit dat de fouten, afwijkingen in het astraal lichaam zich voortzetten tot in het etherlichaam en via die omweg de op zich volmaakte harmonie van het fysiek lichaam verwoesten. ( … ) In de meeste gevallen is het zo dat een fout in het astraal lichaam het ziektebeeld in het fysiek lichaam niet in hetzelfde leven veroorzaakt waarin de fout is geschied, maar pas in een volgend.”

Daarna gaat het nog 100 blz. verder over karakterologie, een indeling van de mensheid in zoekers en priesters, een karakterisering van Schiller en Wagner, dan over tijd en ruimte, metafysica, dierpsychologie, de anorganische natuur, wetenschap, cultuur …
Bijna overal zijn uitweidingen van morele aard bijgevoegd (verwantschap van de hond met het type van de misdadiger), maar toch is het moeilijk om een gedachte in het boek te vinden die beantwoordt aan Rudolf Steiners omschrijving.
Alleen op blz. 76 zegt Weininger iets dat kan verwijzen naar een vroegere vorm van het fysieke lichaam van de mens :

“In een vroegere versie van “Geschlecht und Charakter” stond een hoofdstukje waarin ik probeerde om morfologische en parallelle psychologische analogieën te vinden tussen het mond- en keelgebied enerzijds en anus en geslachtsdeel anderzijds, en in verband daarmee iets te weten te komen over de oervorm van de gewervelde dieren. Ik probeerde het gemeenschappelijke in mond en anus, en tong en geslachtsdeel te ontdekken en erachter te komen waarom het uitsteken van de tong op dezelfde manier ervaren wordt als het wijzen naar het achterste; waarom het eten in bijzijn van anderen bij vele natuurvolkeren gold als schaamteloos (zoals vandaag nog het eten op straat); welke overeenkomsten er bestaan tussen genitale en eetdrift; waarom de tongkus verwant is met de ejaculatie; waarom de schildklier (die nog een rudimentair afvoerkanaal aan de tongwortel heeft) in zo merkwaardige relatie tot de geslachtsklieren staat; waarom de stem bijzonder seksueel opwindend werkt en zo sterk seksueel gedifferentieerd is.
De mens als mikrokosmos is zich van de betekenis van deze zaken, hun innerlijke verwantschap, min of meer bewust, daarom schaamt hij zich over zijn open mond …”

Rudolf Steiner heeft het in een totaal ander verband ook nog eens over deze Otto Weininger in GA 174a waar hij nog eens spreekt over het zgn. jonger worden van de mensheid. Geestelijke ontwikkelingsimpulsen nam een mens lang geleden in de loop van zijn ganse leven op. De leeftijd tot waarop dit mogelijk is, schoof in de loop van de geschiedenis gestaag op. Op dit ogenblik ontwikkelt de mens op natuurlijke wijze tot zijn 27ste jaar.
Wanneer hij daarna niet uit vrije wil een verhouding tot het geestelijke zoekt, dan blijft hij op het niveau van een 27- jarige staan, ook al wordt hij 100 jaar. Over 't algemeen geldt dat voor het Oosten deze grens nog hoger ligt, in het Westen zelfs nog lager.

“Deze merkwaardige trek in de ontwikkeling van de mensheid die we aldus kunnen karakteriseren : van Oost naar West, van het instandhouden van iets van vroeger, doorheen het normale midden (Europa), naar het decadente Westen, dat ligt in de ontwikkeling van de volkeren en van de aarde, natuurlijk niet in de individuele mensen. Voor dit soort zaken moet interesse ontwikkeld worden, opdat men weet wat voor impulsen er op de aarde werkzaam zijn, opdat men die naar hun waarde kan schatten.
En in het midden was hier lange tijd de invloed uit het Zuiden doorslaggevend, doordat de middeleeuwse cultuur overgoten werd met het Grieks-Romeinse element. Het conservatieve wezen van het Zuiden leefde hier verder. Vandaag staan we aan een keerpunt. Een bijzonder progressief element van het Noorden moet de middeneuropese bevolking doordringen. En dit bijzondere – ik zou zeggen de impulsen uit de Hyperboreeërtijd die voor het heden gunstig zijn – die moeten door onze zielen doorgaan. Dat is het waar rekening moet mee gehouden worden. Anders, wanneer de mens niet de ogen en de ziel opent voor deze grote impulsen van het mensheidsworden, dan geraakt de aarde op een vals ontwikkelingsspoor, dan wordt ze niet de humus voor de kosmische wereldbouw en datgene wat de uiteindelijke ontwikkelingstoestand zou moeten zijn voor de aarde, zou door een andere planeet moeten overgenomen worden.

Het zijn grote interessen die op het spel staan. Het is dringend nodig dat men zich uit het kleinburgerlijke losmaakt en zich opwekt tot de grote interessegebieden. Alleen dan, wanneer men zich de grote interessen eigen maakt, kan men bepaalde fenomenen in onze tijd op hun juiste waarde schatten.
Men kan duidelijk zien : de menselijke naturen splitsen zich in onze tijd. Dat staat natuurlijk nog maar in het begin, maar toch gaat de mensheid uiteen. Aan de ene kant naturen die op een bepaalde manier het lichamelijk-fysieke in zich verharden. Die ontwikkelen zich in een soort verharding tot hun 27ste jaar en dan blijven ze staan, ze wijzen het ziele- geestelijke af. Wanneer ze niet toevallig in een positie verkeren waar ze de mensen kunnen misleiden, waar ze de mensheid tot onheil kunnen zijn zoals Lloyd George , dan vervetten en verzuren ze, worden echte kleinburgers, worden stompzinnig.(zie voetnoot 2) In deze afsplitsing ligt een afstomping van de mensheid.

De andere van de tweespalt zijn de mensen die zich tot hun 27ste overgeven aan alle drijvende, pulserende krachten van het fysiek-lichamelijke, halen al het geestelijke uit dit fysiek-lichamelijke. In het fysieke ligt veel. Vergeet u niet dat wij allen ongemeen vervuld van wijsheid op de wereld komen; we zouden dit wijsheidsvolle maar moeten omvormen tot bewustzijn, al wat aan wijsheid in onze ganse lichamelijkheid ligt. De geesteswetenschap probeert op een harmonische, doorgeestelijkte manier alles in het bewustzijn te brengen wat in zenuw, bloed en spieren zit.

Het zijn niet alleen de stompzinnigen die de geesteswetenschap afwijzen, maar dikwijls ook diegenen – en het zullen er altijd maar meer worden – die tot de geslachtsrijpheid en tot het 27ste jaar levendig kloppend datgene voelen wat aan genialiteit in zenuw, bloed en spier daarbinnen kookt en ziedt. Deze oververhitte naturen, die eigenlijk door het leven verbrand worden, zullen er altijd meer en meer komen. Sporadisch treden ze vandaag reeds buitengewoon dikwijls op. Men steekt ze in psychiatrische instellingen enz. Maar men ziet niet in dat een werkelijke genezing ligt in de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap.

Zo’n typische natuur is in de nieuwere tijd zelfs wereldberoemd geworden. Dat is de filosoof Otto Weininger. Otto Weininger was een mens die op de allerchaotischste manier, ongelouterd, onevenwichtig tevoorschijn haalde wat in zenuw, bloed en spier werkt en die dan het wereldberoemde boek “Geslacht en Karakter’ geschreven heeft. De mensen die overal intrappen, zijn ook hier ingetrapt, zodanig dat zelfs de kleinburgers erin getrapt zijn die niet begrepen dat het boek ondanks al het onzinnige en afstotelijke, een idee, een openbaring was van iets elementairs in zenuw, bloed en spier. Dat elementaire spreekt tot dergelijke naturen; vanuit hun menszijn zelf spreekt datzelfde wat de geesteswetenschap op een geordende, harmonische wijze wil ontwikkelen.

Omdat ze het niet uit de geesteswetenschap geleerd hebben – daar zouden ze het op een ordentelijke manier leren- maar omdat hun zenuwen, hun bloed, hun spieren het eisen, moeten dergelijke mensen zich de vraag stellen die de mensheid zich tegenwoordig noodzakelijkerwijs moet stellen. Die luidt : hoe kan ik, nadat ik hier door geboorte of conceptie in de fysieke wereld ben terecht gekomen, mijn ziele-geestelijk bestaan vanaf mijn vorige dood tot mijn nieuwe geboorte, verder zetten ?
Dergelijke en gelijkaardige vragen, die wij in de geesteswetenschap stellen, die wij beschouwen als basisvragen van een voortschrijdende geestescultuur, moeten gesteld worden en worden gesteld door diegenen die laten overkoken wat zich in zenuw, bloed en spieren bevindt.

Ziet u, juist bij Otto Weininger is er een zeer interessant kapittel. Hij stelde zich de vraag : waarom ben ik eigenlijk in het aardeleven terecht gekomen ? En hij heeft deze vraag beantwoord vanuit wat ik zopas gekarakteriseerd heb, vanuit de wijsheid die in zenuw, bloed en spieren leeft, heeft die beantwoord op zijn manier, een manier die de mens verbrandt, verteert. Hij vroeg zich af : waarom word ik uit de ziele-geestelijke wereld waarin ik mij vroeger bevond, in het aardeleven gerukt ? Hij vond geen ander antwoord dan dit : omdat ik laf was, omdat ik niet alleen wilde blijven in de ziele-geestelijke wereld en daarom de verbinding met andere mensen zocht. Ik was niet moedig genoeg om alleen te blijven, ik zocht de bescherming van de moederschoot.
Dat waren voor hem echt eerlijke antwoorden. Waarom, zo vroeg hij, hebben wij geen herinnering aan wat voor de geboorte gebeurd is ? Omdat wij door de geboorte zo geworden zijn ! Letterlijk zegt hij : omdat wij zo diep gezonken zijn dat wij het bewustzijn (hieraan) verloren zijn. Indien de mens zichzelf niet verloren was bij de geboorte, dan moest hij zichzelf ook niet terug zoeken en vinden.

Dat zijn typische verschijningen; vandaag treden ze nog maar sporadisch op. Het zijn zij die in hun jeugd uit bloed, zenuw en spier dat naar boven halen wat slechts kan gedijen in het totale mensenproces wanneer het gefilterd, geharmoniseerd wordt door hetgeen de geesteswetenschap moet geven. Maar daartoe moeten de interessen in het algemene mensenleven een veel groter perspectief krijgen. De kleinburgerlijkheid moet verminderen. Dit ingesloten zijn van de mens in een klein interessekringetje, dat moet feitelijk systematisch bestreden worden.”







.

Werken aan de schutkring van de aarde

In het krantje ‘Anthroposophie weltweit’ (06/2006) lazen we over een initiatief (“Lichtkiem”) op het Russische platteland. We vertaalden het uit het Duits.

Michaël Taracha begon in 1994 met zijn vrienden aan een klein bio-dynamisch project in het dorp Moïseëvitsj op het Waldaï-plateau, ongeveer halverwege tussen Moskou en Sint-Petersburg, op 35 km van de stad Waldaï. Met dit project wou hij de mensen helpen om de verlorengegane band met de aarde terug te vinden. Hij stelt het zo voor :

“Dertig jaar geleden werd in onze streek nog actief aan akkerbouw en veeteelt gedaan. Dat bestaat nu niet meer. Het akkerland van vroeger is terug dichtgegroeid met weiden en woud. Van de grote nederzetting, waar bijna 1000 mensen woonden, waar een honderdtal boerenerven waren, met een kerk en een school, daarvan is nu maar een klein dorpje overgebleven met 20 halfvergane huizen, waarin slechts acht mensen gans het jaar door leven. De kerk, ooit het centrum van het dorp, staat nu aan de rand van het woud en vervalt als een oude schuur.

Hier is bijna alles verwoest wat kon verwoest worden : de landbouwerstradities, het christelijk geloof, de boerenerven. Maar in dit opzicht is ons dorp in Rusland niet het enige. Dergelijke dorpen zijn er met duizenden, zelfs tienduizenden. Er is geen jeugd meer in de Russische dorpen. Als het ware betoverd door een rattenvanger van Hamelen, trekt de jeugd naar de steden waar het leven eenvoudiger en interessanter is, en vergeet daarbij dat de basis van het menselijk leven daar ligt waar de mens vrij op de aarde kan werken. De immense landbouwbevolking van Rusland die vele eeuwen lang het land bewoonde is verdwenen.
Met ons project proberen wij om de aandacht te vestigen op het werk van de boer en begrip te kweken hoe landbouwproducten ontstaan. Om bvb. over de smaak van brood te kunnen oordelen moet men weten hoe het gemaakt wordt en moet men het zelf ooit eens gebakken hebben. Deze mogelijkheid bieden wij de jonge mensen aan. We zijn klein begonnen en stap voor stap ontwikkelen wij verder. We begonnen met enkele tenten en een kampvuur. Ondertussen bewerken wij een halve hectare land bio-dynamisch, hebben twee huizen, een badhuis en een kleine bijenstal. Ons doel is niet alleen om leraars- en voorlichtingsarbeid te verrichten, maar mettertijd willen wij ook in ons levensonderhoud zelf voorzien.

In een beeld in de koepel van het eerste Goetheanum is de Christus afgebeeld, die niet toelaat dat Lucifer en Ahriman zich verbinden. Daar waar de stralen die van de handen van Christus uitgaan de aarde raken, ontstaan de vaste banden die Ahriman bannen. Daar waar een lichtkiem ontspruit, waar mensen met de aarde beginnen werken, verbinden zich hemel en aarde, de kracht van Christus versterkt en Ahriman verliest zijn macht. Dergelijke plaatsen worden gehaat door de tegenmachten en ze streven ernaar om ze te vernietigen.
Vanuit dit gezichtspunt wordt de geschiedenis van Rusland begrijpelijk als die van een reusachtig christelijk- landbouwersland dat zijn ware weg verloren is. Van oudsher is het gebied van Rusland bedekt met een groot aantal dorpen, kerken en kloosters. Hier hebben altijd mensen de aarde bewerkt en Christus vereerd. Dat schiep een beschermende kring, de ketens voor Ahriman die niet toelieten dat hij op de aarde kon werken.
Nadat in oktober 1917 de bolsjewieken slaagden in hun staatsgreep, was hun volgende slag gericht tegen de boerenbevolking en het religieuze leven van de Russische mens. Daardoor werd de schutskring van de aarde vernietigd. Het materialisme werd godsdienst en de verstedelijkte levenswijze werd als de enig juiste voor de toekomst geproclameerd. De mens moest zijn verbinding met de aarde vergeten.

De plaatsen waar vroeger een lichtkiem ontsproot moeten teruggevonden worden en nieuw leven ingeblazen worden. Wat kan men doen opdat een lichtkiem zijn kracht terugkrijgt, opdat de krachten van de hemel en de aarde opnieuw beginnen werken door de actie van de mens ? Hoe kan men een oord creëren waar de krachten van Ahriman terug gebonden zijn en waar de mens werkt ? Hoe kan men zich een dergelijke arbeid voorstellen om die dan te kunnen realiseren ?
Voor mij gebeurde dat door de afbeelding die in het “Goetheanum” in december 2005 gepubliceerd werd.

Uit : “Das Goetheanum als Gesamtkunstwerk”, Verlag am Goetheanum, 1986)

Hier is zichtbaar hoe zich het werken van hemel en aarde aan dat punt verbinden van waar zich ook de zegen uitstort in de wereld : aan het altaar dat de mens opricht daar waar hij op de aarde gemeenschappelijk met andere wezens arbeidt.
Alles hangt van de mens af omdat slechts hij vanuit de waarneming van de Christus-impuls op de aarde kan werken en daarbij plant en dier en elementarwezen met zich meeneemt. Voor de arbeid met de aarde is het samenwerken van vele mensen nodig. Iemand alleen kan nooit alles volbrengen.

Vindt de Russische mens een nieuwe weg tot de aarde, dan vindt hij ook een weg tot een nieuwe geest-heid. Deze weg ligt in de nieuwe relatie tot de aarde als tot een levend wezen. En dat plaatst de betekenis van de biologisch- dynamische landbouw in Rusland in een nieuw daglicht. In de grond is ieder dergelijk bedrijf een nieuwe lichtkiem die aan de schutskring van de aarde meewerkt, maar zonder de deelname van vele mensen is dat niet mogelijk. Ieder van ons is nodig !”

Contact (in Duitsland) : Susanne Baumann, Hevener str. 51; DE-58455 Witten
Susanne@baumann-witten.de

Bij het originele artikel stond ook een deel van een (potlood?)studie van Karl-Heinz Flau. Dat geven wij hier vergroot weer.


Voor wie, zoals wij, meer geïnteresseerd is in Rusland, drukken wij een kaartje af van de streek rond Valdaj. Het dorp Moïsejevitsj staat er natuurlijk niet op, daarvoor is het te klein.
Valdaj ligt op 140 km van Novgorod , de stad (in Kyrillisch alfabet ongeveer : HOBLOPOA) boven het Iljmenjmeer (o3epo). Petersburg ligt in het Noorden en Moskou in het Zuidoosten.

Sergej Prokofjef heeft in zijn boek over ‘De geestelijke bronnen van Oost-Europa en de toekomstige mysteriën van de Heilige Graal’ twee beschrijvingen van de dorpsgemeenschap (mir) in het oude Rusland overgenomen. Dat zijn voorbeelden van echte democratie, waar, ondanks de voortdurende propaganda en indoctrinatie, onze Westerse staatssystemen zeer ver af staan.
Vooraan in zijn boek (blz. 7 in de Duitse uitgave) citeert hij Rudolf Steiner :

‘Hoe paradox het vooral vandaag ook moge klinken, in Rusland leeft de Graalsstemming. Graalsstemming doordringt Rusland. En op deze in Rusland aanwezige, onoverwinnelijke Graalsstemming berust precies de toekomst van het Russendom voor de zesde na-Atlantische tijd, waar ik zo vaak al van gesproken heb.” (in een voordracht op 3 november 1918)

Een eerste beschrijving stamt van Donald Mackenzie (in het boek ‘Rusland’, deel 1).

“De eenvoudige, absoluut niet formele gang van zaken toont duidelijk het wezenlijk praktisch karakter van de vereniging. De verzamelingen vinden plaats onder de vrije hemel omdat er in het dorp geen gebouw te vinden is dat groot genoeg is om alle deelnemers plaats te geven (behalve dan de kerk, maar die mag alleen voor religieuze doeleinden worden gebruikt). Ze worden bijna steeds gehouden op zon- of feestdagen wanneer de boeren tijd genoeg hebben. Een of ander plein dat groot genoeg is en niet al te smerig, dient als forum.
De discussies kunnen zeer levendig zijn, maar eigenlijke redevoeringen worden zelden gehouden. Is er toch een deelnemer met de neiging om zich oratorisch te willen uitleven, dan zal zijn woordenvloed zeker zonder meer onderbroken worden door een van de oudere leden, want voor mooipraterij hebben ze geen geduld.
De ganse verzameling ziet eruit als een mensengroep die door het toeval werd samengebracht en die, in kleine groepjes, plaatselijke aangelegenheden bespreekt. Dan trekt geleidelijk een groep die twee of drie boeren met een groter moreel aanzien bevat, de andere groepen aan en de discussie wordt algemeen. Twee of drie boeren kunnen tegelijk spreken en elkander ongehinderd onderbreken, waarbij ze zich meest van een openhartige, ongeschminkte, absoluut onparlementaire taal bedienen. De discussie kan enkele minuten lang uitgroeien tot een verwarrend, onverstaanbaar tumult, maar dan, wanneer de toeschouwer meent dat ze op de vuist zullen gaan, houdt het gekrakeel plotseling op, of een algemeen gelach wijst erop dat iemand door een sterk argument ad hominem of een bijtende persoonlijke bemerking het onderspit moest delven. In geen geval bestaat het gevaar dat deze redetwisten eindigen met fysiek geweld. er is geen mensenklasse in de wereld die goedhartiger is en vredelievender dan de Russische boer. In nuchtere toestand vechten ze nooit, en zelfs onder invloed van alcohol zijn ze eerder overdreven sentimenteel dan onverdraaglijk ruziezoekend.
In theorie heeft het dorpsparlement ook een voorzitter in de persoon van de dorpsoudste. Die draagt als teken van zijn ambt een kleine medaille aan een dunne messingketting rond zijn hals. Zijn plichten zijn niet zwaar. Het behoort niet tot zijn taak om diegenen die de discussie onderbreken tot de orde te roepen. Hij treedt pas op de voorgrond wanneer er moet gestemd worden. Dan zal hij zich misschien effectief en beetje voor de menigte stellen en zeggen : “Dus rechtgelovigen, hebben jullie het aldus beslist ?” en de menigte zal naar alle waarschijnlijkheid antwoorden : “Ladno ! Ladno !” Dat betekent zoiets als “In orde, akkoord.”
Regels die de gemeente aangaan worden meest op deze wijze beslist, maar het komt voor dat er zo’n meningsverschillen zijn dat het moeilijk is om uit te maken welke partij in de meerderheid is. In dat geval vraagt de dorpsoudste de ene partij om zich links, de andere om zich rechts op te stellen. Beide groepen worden dan geteld en de minderheid legt zich neer bij de beslissing, want niemand zou er ook maar aan denken om openlijk in te gaan tegen een besluit van de “Mir”.

De verzameling beraadt zich over alle aangelegenheden die de gemeenschap betreffen, en aangezien deze niet wettelijk bepaald zijn, is haar competentie zeer uitgebreid. De verzameling bepaalt het tijdstip van het hooien en de dagen dat het braakliggend land geploegd wordt; welke maatregelen er genomen worden tegen de late belastingbetalers, of er een nieuw lid opgenomen wordt in de gemeenschap en of een bestaand lid toelating krijgt om van woonplaats te veranderen. Ze geeft of weigert de toelating om nieuwe gebouwen op de gemeentelijke bodem op te richten, en sluit alle overeenkomsten van de gemeente met eigen leden of met vreemden …

Verkiezingen veroorzaken weinig commotie omdat in de regel niemand graag wil verkozen worden. In deze kleine, landelijke gemeenschappen bestaat er geen burgerlijke ambitie. Het voorrecht om een bronzen medaille te mogen dragen, die geen prestige geeft, en de weinige roebels daarbij, wegen niet op tegen de moeite, de ergernis en de verantwoordelijkheid die een dorpsoudste op zich moet nemen. Veel belangrijker dan verkiezingen zijn de herverdelingen van het gemeenteland. De familievader kan het weinig schelen of het Ivan of Alexej of Nikolaj is die verkozen is, zolang hij het zelf maar niet is. Maar als het gaat om het indelen en toewijzen van het land, dan blijft hij geen passieve en onverschillige toeschouwer; want het materiële welzijn van ieder huishouden hangt in grote mate af van het land dat het toegewezen krijgt en de lasten die daarop rusten.
In de zuidelijke provincies waar de bodem vruchtbaar is en de belastingen de normale pachtcijns niet overstijgen, is een herindeling relatief eenvoudig. Hier verlangt ieder huishouden zoveel land als waarop het recht heeft, dus zovele delen als er leden zijn in het huishouden. De verzameling moet bijgevolg geen onoverkomelijke problemen oplossen. Problemen ontstaan pas wanneer families zich niet akkoord verklaren met de percelen die ze toegewezen kregen. Dat probeert men te voorkomen door loten te trekken.
Anders is het in vele gemeenten in de noordelijke provincies. Daar is de bodem dikwijls zeer onvruchtbaar en de belasting hoger dan de pachtcijns. Het kan dus voorvallen dat de boeren ernaar streven om zo weinig mogelijk land toegewezen te krijgen …”

Waarschijnlijk konden ze meer verdienen met minder moeite door ganse dagen de taiga te doorkruisen, vallen uit te zetten en pelsen te verzamelen.
De tweede beschrijving is van graaf Helmuth von Moltke (Briefe aus Russland, geschreven in1856) :

“Grond en bodem behoren toe aan de gemeenschap, het gebruik ervan komt de gemeente toe. Maar deze kan haar velden noch volledig, noch gedeeltelijk verkopen. Het individu kan geen eigenaar zijn, maar ieder lid van de gemeenschap heeft samen met alle anderen een volledig gelijk recht op gebruik. Voor bos en braakliggend weideland is dat gemeenschappelijk maar de akkers en grasweiden worden in even zovele percelen verdeeld als er mannelijke leden in de gemeenschap zijn.
Aangezien dit aantal wisselt, worden alle 10 tot 15 jaar herverdelingen doorgevoerd.. In de dorpen bewaart men heilig gehouden maatstaven, die voor goede bodem korter en voor slechtere bodem langer zijn. Ieder gezin ontvangt volgens het aantal mannelijke leden van het gezin een evenredig aandeel land om vrij te gebruiken. Hoeken en kanten worden in reserve gehouden om tussentijdse aanpassingen mogelijk te maken. Betwistingen worden door de onvoorwaardelijke autoriteit van dorpsoudste, die de gemeente zelf gekozen heeft, bijgelegd.
Binnen de gemeente bestaan alleen vruchtgebruikers. Er bestaat dus geen erfrecht voor grond of bodem. De zoon erft niet de akker van zijn vader. Hij krijgt zijn aandeel niet door een persoonlijke erfenis maar krachtens het feit dat hij geboren werd als lid van de gemeenschap. Iedere Rus is ergens lid van een gemeenschap en een gepeupel of proletariaat bestaat er niet. Niemand is totaal arm of middelloos. Een huisvader mag er alles doorjagen, maar de kinderen erven zijn armoede niet. Een mondje meer, wat bij ons gezien wordt als een probleem, betekent in Rusland een vermeerdering van de rijkdom. Alles is ingericht om vroeg te trouwen. De aankomst van een schoondochter, hoe arm dan ook, is een vreugdefeest voor gans de familie, want zij brengt werkende handen mee en voor haar zonen worden reeds bij de geboorte de akkerpercelen klaargelegd.

Rusland was tot hier toe de enige Europese staat die geen proletariaat kende. Door het bestaan van deze hoogst merkwaardige gemeentelijke organisatie (Mir), waar communisme en socialisme sinds eeuwen feitelijk bestaan, waar privé-eigendom en erfrecht niet gelden, konden er weliswaar arme gemeenten bestaan, maar geen totaal bezitloze individuen. Iedere Rus heeft ergens een thuis en daar heeft hij aandeel aan het gemeenschappelijk gebruik van grond en bodem.”

In grote geïndustrialiseerde gemeenschappen zijn dergelijke oer-democratische vormen natuurlijk niet zonder meer mogelijk, vooral omdat vele mensen als gevolg van de ontwikkeling van de bewustzijnsziel, meer persoonlijke ambitie hebben. Komt een moderne mens aan de macht, dan neemt hij de vrijheid om ... de vrijheid van anderen te beknotten, en de anderen schijnen dit te accepteren ! Ze begrijpen die persoonlijke (antisociale) geldingsdrang omdat ze die in zichzelf ook voelen. Kunnen we ons voorstellen dat zo'n dorpsoudste op een dag verklaart :
"Rechtgelovigen, ik heb vanuit Moskou vernomen dat roken ongezond is. Nu gaan jullie een extra-belasting betalen om iemand aan te stellen die er in het dorpscafé gaat op toezien dat daar niet gerookt wordt. Als jullie betrapt worden betalen jullie nog eens extra-belasting."
Men zou gewoon geen dorpsbewoner gevonden hebben die dit gestapo-werkje zou willen uitvoeren. In onze tijd en in onze wereld willen zo vele mensen hun persoonlijke geldingsdrang uitleven, dat een minister niet de minste moeite heeft om dit soort mensen te vinden. Nu, op een bepaald moment zal de slinger het hoogtepunt bereikt hebben en zullen de mensen gaan inzien dat we ook kunnen leven, en zelfs beter leven, zonder die constante betutteling en regelgeving. Op dit ogenblik kunnen de Tsjechen aan den lijve ervaren hoe heerlijk het is wanneer de overheid haar werkzaamheden beperkt tot het strikte minimum. We kunnen alleen maar hopen dat dit fenomeen, dat zich misschien niet toevallig in Midden-Europa voordoet, ook in ons land mensen aan het denken zet.

.

Gelezen bij Mark Grammens in zijn Journaal van 485 van 23 november 2006 :

Een Tsjechisch sprookje

“Zonder aan "anti-politiek" te willen doen ... het gelukkigste land van Europa vandaag is Tsjechië, althans dat zeggen volgens persverslagen (recentelijk nog Le Monde, 15.11.06) de Tsjechen zelf.

De reden is: ze zitten al een half jaar zonder regering. Bij de jongste parlementsverkiezingen, op 2 juni van dit jaar, haalde een kartel van "rechtse" partijen 100 zetels, en een kartel van "linkse" partijen eveneens 100 zetels. Aangezien Tsjechen geen overlopers zijn en geen enkele verkozene naar het andere kamp trok, ontstond er een komplete patstelling, die nog altijd voortduurt. De "konservatieve" eerste minister Topolanek, die al twee keer vruchteloos geprobeerd heeft een parlementaire meerderheid achter zijn regering te krijgen, handelt de lopende zaken af, en stuurt zijn ministers naar Europese bijeenkomsten, maar voert niets uit. Geen enkel wetsontwerp wordt ingediend want het zou toch worden afgewezen.

Ondertussen gaat het leven in Tsjechië door, en goed ook. De ekonomie zal dit jaar groeien met 6 procent (België: minder dan 2 procent), wat een reuze sukses is voor de werkloos toeziende regering. Steeds volgens de reportages in de internationale pers is het Tsjechische volk volmaakt gelukkig met de huidige politieke konstellatie. De enige klacht die men hoort, is afkomstig van de ondergeschikte besturen en al de instellingen die van subsidies of toelagen leven, en die geen verhogingen meer krijgen, zodat ze hun dossiers voor nieuwe initiatieven moeten opbergen. Voor het overige verloopt alles naar wens. De twee blokken in het parlement zijn overeengekomen dat de bestaande begroting gehandhaafd blijft en elke maand met een twaalfde wordt verlengd, zodat de overheid over de middelen beschikt om ... ter plaatse te blijven trappelen.

Wat nu? In andere landen zou men proberen uit de impasse te geraken door nieuwe verkiezingen uit te schrijven, maar de Tsjechen schijnen daar niets voor te voelen. Zowel "links" als "rechts" is beducht voor een verkiezingsnederlaag, en bovenal zijn beide blokken beducht voor de politieke apathie van een volk dat zich stilaan gelukkig begint te prijzen met de afwezigheid van een bestuurlijke elite.
Men verwacht dat bij nieuwe verkiezingen een meerderheid van de Tsjechen thuis zal blijven, wat niet zou bijdragen tot de legitimiteit van de nieuw verkozen meerderheid. Bovendien wordt Tsjechië in de eerste helft van 2009 voorzitter van de Europese Unie, en schijnt er een consensus te groeien dat het beter is alles maar te laten aanmodderen totdat dit voorzitterschap achter de rug is. Voor dringende zaken die een wetgevend initiatief vergen, probeert men in het parlement een overeenstemming te bereiken tussen de twee blokken, en voor het overige loopt alles blijkbaar gesmeerd.

In de pers en de andere Tsjechische media wordt de lof gezongen van de regeringsloosheid. Zo verklaarde (volgens Le Monde) de voorzitter van de ondernemersvereniging dat de ekonomie floreerde doordat men geen nieuwe regeringsinitiatieven hoefde te vrezen en men daardoor iets langer vooruit kon plannen dan de dag van morgen. Ook andere kommentatoren slaan een juichtoon aan, zoals de advokaat die schreef dat hij eindelijk rustig zijn werk kon doen zonder tijd te besteden aan het lezen van alle nieuwe wetten en besluiten die de autoriteiten gewoon zijn op de burger los te laten.”


*********************




Noten :

(1) We zullen dit geval in een volgende Brug eens belichten. De zelfmoord waarmee de laatst gekende incarnatie van Nero eindigde, betekende ook een geweldige karmische vereffening voor deze individualiteit.

(2) David Lloyd George(1863-1945), Brits politicus, eerst minister van Handel, dan van Financiën, van Oorlog en van 1916 tot 1922 Eerste Minister. Volgens Rudolf Steiner een typische persoon van onze tijd : zeer intelligent en daadkrachtig, maar het geestelijk niveau van een 27-jarige. Wie het politieke schouwtoneel een beetje volgt, zou er voor de tegenwoordige politici moeten aan toevoegen : een totale gewetenloosheid wat het liegen betreft.

Terug naar het thuisblad

*

*

*

*

*