De geldsluier

Het volgend artikel sluit goed aan bij het vorige. Het is van Dieter Brüll, de auteur van "De sociale impuls van de antroposofie". Het verscheen in 1978 in "Leven met afhankelijkheden, driegeleding als levenspraktijk".

[ ... [ "Eens was het geld zichtbaar en weegbaar. De gouden munten waren hun gewicht in goud 'waard'. In die tijd was nog vrij doorzichtig wat met het geld gebeurde. Maar het trok zich uit de zintuiglijke wereld terug: eerst verdween de weegbaarheid; voor de onvolwaardig geworden munten en later voor het papiergeld lag de 'dekking' ergens onder de grond. Daarna verdween ook de zichtbaarheid; tot in de consumptieve sfeer neemt hand over hand het gebruik van giraal geld (betaalkaarten) toe, dat, van alle fysieke substantie ontdaan, alleen nog een rekengrootheid is. Naarmate echter het geld zich in de onzichtbaarheid terugtrok, nam de zichtbaarheid van de eronder liggende werkelijkheid niet toe maar af. Meer en meer onttrekt zich aan ons bewustzijn dat zich onder deze onzichtbare en toch nauwelijks doordringbare sluier niet alleen een economische, doch in de eerste plaats een sociale werkelijkheid verbergt.

Wát zijn sluiers eigenlijk ? Wij maken er op vele wijzen gebruik van. Men kan ermee de waarheid versluieren zonder bepaald een leugen te zeggen - een vaardigheid waarin bvb. overheden, directies, en andere bestuurders, die met lastige vragen geconfronteerd worden, uitblinken. Men kan ook, zoals bvb. in de kunst, de sluier gebruiken om het niet-essentiële te verbergen, zodat het wezenlijke beter tot uitdrukking komt. Tenslotte kan men een deel van de werkelijkheid aan het oog onttrekken, omdat de beschouwer er nog niet tegen opgewassen is. Wij zullen een twaalfjarige, die net de eerste beginselen van de meetkunde leert, niet in verwarring brengen door hem te vertellen, dat twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden. Dan is de bedoeling niet om van de waarheid af te leiden, maar juist om de waarheid op den duur te doen begrijpen. Het mythologische beeld daarvoor is de versluierde Isis, welker sluier eerst gelicht zal mogen worden, als wij het bewustzijn van onze onsterfelijkheid hebben verworven. Het dagelijkse beeld van een dusdanige sluier is de mens zelf; onze lichamelijke gestalte versluiert onze persoonlijkheid. Eerst daardoor is sociaal verkeer mogelijk, want een directe herkenning van de ander, een openbaring van zijn werkelijk wezen, zouden wij nog niet aankunnen. Naarmate wij echter door de sluier heendringen, de ander ontdekken, ontwikkelen wij ook de kracht om hem te verdragen.

Verhongeren
Op een soortgelijke wijze maakt de geldsluier het economische verkeer mogelijk: zouden wij bij elke transactie het door ons aangebodene willen vergelijken met de waarde van alle door ons gewenste goederen en diensten, ten einde tot een ruil te kunnen komen . . . wij zouden al calculerende verhongeren. Het geld ontheft ons van deze noodzaak, doordat het ons voorgevormde waarde-oordelen aanbiedt. Maar gemak gaat altijd ten koste van iets. In dit geval versluiert de prijs de waarde. Het geld versluiert echter nog veel meer en het is goed om zich er bij tijd en wijle rekenschap van te geven, op welke wijze wij door het geld te hanteren de sociale werkelijkheid beïnvloeden.

Geld uitgeven is geen privézaak

De eerste geldsluier ligt over de economische werkelijkheid. Hier bevinden wij ons -deels- nog op bekend terrein: wij wéten dat onze koopgewoonten de productie van diensten en goederen beïnvloeden. En toch raken wij hier reeds een vraag die tegenwoordig -gelukkig- steeds vaker wordt gesteld, zij het meestal met een verkeerd accent: is de wijze waarop wij ons geld besteden werkelijk een privé-aangelegenheid, zoals het verbond tussen Romeinse rechtsopvattingen en liberale economie ons vertelt ? Of heeft zij sociale implicaties, waarvoor wij verantwoordelijk zijn ? Het komt mij voor dat wij hier een duidelijk onderscheid moeten aanbrengen. Wat ik met een consumptiemiddel wil doen, is mijn aangelegenheid waar niemand anders iets mee te maken heeft. Of ik een porno lees omdat ik ervan geniet, omdat ik het verschijnen van deze literatuur wenselijk vind, omdat het een onderdeel is van mijn studie of omdat ik als leraar op de hoogte wil blijven van de geestelijke kost van mijn leerlingen - het is een individueel motief, waaruit een individuele beslissing volgt, en als volwassen mens ben ik terecht verontwaardigd als iemand zijn morele wijsvinger laat zien. Als een dokter tegen de gevaren van het roken waarschuwt, is dat zijn volste recht en ik mag hem dankbaar zijn voor zijn informatie. Maar wie mij bestraffend toespreekt, omdat ik het roken toch niet gelaten heb, is niet alleen een ouderwetse zedenmeester, maar kwetst mij in de kern van mijn wezen, dáár namelijk waar ik verantwoordelijk ben voor mijzelf en mijn eigen wilsbesluiten.

Koopgeld
Maar er is nog en andere kant aan de consumptie, die waarachtig geen individuele aangelegenheid is: het uitgeven van geld heeft een directe invloed op het economisch leven. Dit immers reageert onmiddellijk door het 'naschuiven' van het verkochte goed, de verleende dienst -met productie dus- en heel vaak worden, door bepaalde wetmatigheden van het economisch leven, voor tien verkochte goederen elf of twaalf nageschoven. Soms nog veel meer, terwijl omgekeerd een kleine daling van de omzet de productie onrendabel kan maken en daardoor kan doen ophouden. Economisch gesproken verschaf ik, geld uitgevende, aan een bepaald goed een markt, maak de productie mogelijk of ik verijdel ze. En daarmee schuift zich naast de allerindividueelste consumptiebeslissing een factor met een geheel andere dimensie. Niet alleen of ik mijn inspiratie uit rook moet putten, of ik bestand ben tegen het lezen van een sensatieblad, is bij de aankoop in het geding, doch al kopende ben ik mede verantwoordelijjk voor de maatschappelijke productie van dit (soort) goed. Het gebruik, de consumptie van goederen is een individuele aangelegenheid; het gebruik van geld is dit niet. Het uitgeven van koopgeld heeft invloed op de economisch-maatschappelijke werkelijkheid, op de consumptiemogelijkheden van anderen, op de productiemogelijkheden. Zonder dat daarmee iemand het recht krijgt om de befaamde wijsvinger te heffen, mogen wij aantekenen dat ons hierdoor, of wij willen of niet, een verantwoordelijkheid opgelegd wordt, waarvan wij ons bewust horen te zijn.

Leengeld
Wat in het voorgaande over koopgeld is gezegd, is tot op zekere hoogte nog te overzien en met ons bewustzijn te volgen. Zodra wij op het gebied van het leengeld komen, onttrekt zich hetgeen wij sociaal met ons geld doen, vrijwel steeds aan ons inzicht. Meer dan door een theoretisch betoog wordt dit geïllustreerd door een voorbeeld. Een Nederlander, in het bezit gekomen van een eigen vermogen en door verblijf in het buitenland niet in staat dit zelf te beheren, wendt zich tot een in vermogensbeheer gespecialiseerde bank. De cliënt wil niet lastig zijn, vraagt de bank het geld naar eigen goeddunken te beheren, met één klein voorbehoud: het geld niet in de oorlogsindustrie te steken. Ontzet schuift de bankman achteruit: 'dan moeten wij u óf bedotten, want wij weten zelf niet wat er met uw geld gaat gebeuren als wij het eenmaal belegd hebben; óf wij kunnen het niet verantwoord beleggen, omdat wij dan uit een té beperkt aantal objecten moeten kiezen, en zelfs die garanderen niet een vreedzaam gebruik'. Hier wordt gedoeld op het financiële vlechtwerk, waardoor het zelfs voor een beroepsfinancier niet meer mogelijk is na te gaan, wat met de investeringsmiddelen geschiedt. De lening aan, de kapitaaldeelname in een hoogst onschuldige N.V. wordt wellicht gebruikt voor de oprichting van een al even onschuldig uitziende dochter, een besloten vennootschap, welker activiteit: toeleveringsbedrijf voor een fabrikant van wapentuig - schuil gaat achter de neutrale post 'deelname' op de balans van de moeder-N.V. Deposito's, rekeningen-courant bij banken zoeken het hoogste rendement; en dat vinden zij meestal niet bij de meest onschuldige producenten. Zelfs door het geld in de kous te stoppen beïnvloedt men, zoals de economische theorie ons kan vertellen, op soortgelijke wijze als bij het beleggen, het economische leven. Wie over vermogen beschikt kan zich daaraan nooit onttrekken.

Uitgaan van product
Ook achter deze constatering zoeke men geen reden tot moraliseren. Of men 'respectabele' redenen heeft om de hoogste opbrengst te zoeken (bvb. men moet ervan leven) of minder 'respectabele', of men pro of anti kunstmest, NATO, farmaceutische industrie (en vul zelf maar verder in) is, gaat een ander niet aan. Men make zich alleen niet van zijn verantwoordelijkheid af met een 'ich habe es nicht gewußt !' Voor wie wil en het zich kan permitteren zijn er alternatieven. Men zal dan alleen niet mogen uitgaan van het 'geldautomatisme', d.w.z. het hoogste rendement van de beleggingen, doch men zal door de geldsluier heen moeten prikken en van het product moeten uitgaan, dat men wenselijk acht. Dat zal men vrijwel steeds pijnlijk voelen in het rendement en in de zekerheid. Dat is de prijs die men zal moeten betalen, wil men zich door de geldsluier niet medeplichtig laten maken aan hetgeen men 'eigenlijk' niet wil; de prijs voor een goed geweten.

Schenkgeld
Veel zou ook te zeggen zijn over hetgeen wij met het schenkgeld doen, maar de actualiteit van dit probleem is helaas niet al te groot. De meeste 'schenkingen' vinden tegenwoordig gedwongen plaats. Wij spreken dan van belastingheffing en zelffinanciering. Daarom slechts een heel korte opmerking. Schenkgeld is de basis voor alle geestelijk leven. Priester en uitvinder moeten er gelijkerwijze van leven. Of men, zeg een uitvinder, zijn werk mogelijk wil maken, hangt in onze maatschappijstructuur vrijwel uitsluitend af van de beoordeling van de kans op het rendabel maken van de uitvinding. Maar de maatschappelijke consequenties van een uitvinding kunnen enorm zijn. Daarvoor is de schenker in sterke mate verantwoordelijk. Gezichtspunten bij het schenken zouden dan ook kunnen zijn, niet alleen of de richting waarin gewerkt wordt de instemming van de schenker heeft, maar de persoonlijke integriteit van de begiftigde. Wij weten dat tal van dubieuze vondsten 'bij toeval' zijn gedaan, toen men op zoek naar iets anders was. Wat dan met de vondst gebeurt, zal geheel afhangen van de moraliteit van de uitvinder. Dit betekent, dat wie bewust en verantwoordelijk over schenkgeld wil beschikken, in laatste instantie niet af mag gaan op het product, zoals bij het leengeld, doch op de persoon. Zouden wij zo'n uitvinder in de kost nemen, dan zou dit bijna vanzelf spreken. Door de schijnbaar neutrale geldsluier dreigen de sociaal-economische consequenties van onze schenkingen aan ons bewustzijn te ontsnappen. M.b.t. leengeld kan men het offer brengen van een lager rendement of geringere zekerheid. Men ziet hier langzamerhand een bewustwording ontstaan die zich uit in acties tegen banken die in Zuid-Afrika investeren of in pogingen om zelf 'schone' banken te stichten* . T.o.v. schenkgeld verkeert men in een veel moeilijker positie, omdat de financiering van het geestesleven, vooral van de research, uit overheidsgelden pleegt te geschieden. Dat men ook hiervoor zijn verantwoordelijkheid begint te beseffen, blijkt o.a. uit de Amerikaanse actie om het 'Vietnam-deel' in het belastingbedrag niet te betalen. Ten onzent kan gewezen worden op de weigering om de Kalkar-opcenten te voldoen. Samenvattend kunnen we zeggen dat de eerste geldsluier over de economische realiteit ligt. En dat deze sluier een oproep inhoudt om denkende door te dringen in wat er wezenlijk door ons omgaan met het geld wordt bewerkstelligd, om vervolgens, individueel-verantwoordelijk, te beslissen.

Sociale zekerheid, een illusie ?

'Ik wil onafhankelijk zijn, ik wil mijn eigen geld verdienen'. Het is een begrijpelijke wens - maar in stricte zin een illusie. In onze tijd van arbeidsverdeling werkt niemand meer voor zichzelf. Men werkt voor anderen, anderen werken voor ons. In oude dorpsgemeenschappen was men zich van de onderlinge afhankelijkheid heel wel bewust en de 'nabuurhulp' is er een laatste overblijfsel van. Maar het geld wekt de illusie dat wij met ons bezit onafhankelijk zijn geworden, niet meer aangewezen op anderen. Wij hebben ermee, deftig uitgedrukt, aanspraak op een abstract deel van het maatschappelijk product. Daar kunnen wij dan te allen tijde beslag op leggen, van ons recht gebruik maken. Behalve als de anderen weigeren voor ons te werken, dan staan wij daar met onze zak vol centen, zoals menigeen in de oorlogsjaren is overkomen. Captain Boycott is er het historische voorbeeld van: voor al zijn geld vond hij niemand bereid om hem iets te verkopen of iets voor hem te doen. Wij hebben er de term boycotten aan overgehouden. Zolang het om koopgeld gaat, behoeven wij echter niet angstig naar onze portemonnaie te kijken. Heel buitenissige toestanden die even de geldsluier oplichten daargelaten, mogen wij echt wel vertrouwen, dat wij het vandaag verdiende geld vandaag in dagelijks brood kunnen omzetten. Maar hoe staat het met het leengeld ? Met veel trots zegt het echtpaar op middelbare leeftijd: "Wij leggen geld opzij, want wij willen straks niet van de kinderen afhankelijk zijn". Zeker, wij willen verzorgd zijn van de wieg tot het graf, wij willen vooral zekerheid - hele verkiezingscampagnes zijn met die slogan gewonnen - en het geld geeft ons die illusie: wij hebben immers een spaarpotje, een polis, zitten in 't pensioenfonds, hebben wat stukjes in de kluis, wij zijn veilig.

De taart kan slechts eenmaal opgegeten worden
In tijden vóór de geldeconomie wist men wel beter. De oogst ging in drie delen: het zaad voor het volgende jaar, een groot deel om zelf op te eten, een klein deel voor de ruil. Was de oogst niet ruim, dan werd er honger geleden, mislukte hij, dan stierven mensen. Was de oogst na een jaar nog niet op, dan rotte hij weg, werd veevoer. Een farao die voor de magere jaren kon laten oppotten was en is een uitzondering, meer nog in onze tijd, waarin de schaarste hier gecompenseerd kan worden met overvloed elders. Maar dat betekent dat de goederen, die wij niet gebruiken, niet consumeren, omdat wij aan het sparen zijn, niet voor ons bewaard worden. Anderen nuttigen ze - kinderen, ouden van dagen - of gebruiken onze onthouding om te investeren, voor een omwegproductie. De taart kan slechts eenmaal opgegeten worden en als wij straks aan het opsouperen van onze spaarcenten toe zijn, dan is de maatschappelijke koek, die wij hebben helpen voortbrengen, al lang op. En al ons geld zal ons niet helpen, als er straks geen nieuwe generatie klaar staat, die bereid is om voor onze oude dag te zorgen. Het geld versluiert het feit dat wij een groot deel van hetgeen wij produceren afstaan aan anderen, die niet in staat zijn te produceren, en dat wij straks als oudjes aangewezen zullen zijn - zoals wij in onze kinderjaren waren- op het werk van diegenen, die dán tot produceren in staat zijn.

Inflatie-proof
Maar geeft ons geld, onze polis, de wet, ons dan geen recht op een stuk van de maatschappelijke koek ? Het lijkt zo, want ons, nog van Romeinse opvattingen afkomstige, eigendomsrecht kent als laatste rest van het instituut der slavernij het recht op andermans arbeid. De economische en politieke werkelijkheid is er al lang aan voorbij gegaan. Het kan gaan op revolutionaire wijze, door het vervallen verklaren van 'titels', zoals men dergelijke rechtsaanspraken pleegt te noemen: voorbeelden vinden wij waarachtig niet alleen in Oosteuropese staten; de zgn. geldzuiveringen en vermogensheffingen na de oorlog waren niets anders ! Het kan ook gaan langs sluipende weg, via inflatie. Dat weet langzamerhand iedereen en tracht voorzorgsmaatregelen te treffen. Maar hoe meer wij onze voorzieningen 'inflatieproof' maken (zoals onze sociale verzekeringswetten) en daarmee de werkende generatie willen dwingen, des te explosiever en gevoeliger voor revolutionaire oplossingen wordt de situatie. Zo gezien is alle streven naar zekerheid een illusie - en daarmee komt de oude betekenis van crediet weer naar voren: afstand doen van consumptie in het vertrouwen, dat men straks ook terwille van mij afstand van consumptie zal willen doen. Als wij door de geldsluier heenprikken, dan kan een nieuw soort zekerheid ontstaan: het vertrouwen, dat bij een volgende generatie zo veel rechtsgevoel aanwezig zal zijn, dat zij ons op onze oude dag, in onze invaliditeit een bestaan zal gunnen. Want geld en op geld gebaseerde rechten substitueren slechts uit angst geboren schijnzekerheden voor wat aan rechtsgevoelens ontwikkeld zou moeten worden.

Arm en rijk

Wij zullen thans nog een derde sluier moeten lichten, waarmee het geld een zorgvuldig gekoesterde onwetendheid bedekt: de sluier over onszelf, over onze eigen moraliteit. Het totaal van de consumptiegoederen dat de mensheid voortbrengt, wordt wel eens de maatschappelijke koek genoemd. Daar sloten wij bij aan met de opmerking dat je de maatschappelijke taart slechts één keer op kunt eten; dan zal weer een nieuwe gebakken moeten worden. Even duidelijk is echter dat de punt die ik mij uit de koek snijd, niet meer door een ander gegeten kan worden. Concreet gezegd betekent dit, dat deze Aziaat, deze Afrikaan niet zou behoeven te hongeren, indien ik hier niet een koelkast, een auto, een televisietoestel zou kopen. Het is zo'n eenvoudige waarheid, dat legioenen economen en politici werkzaam moeten zijn om ons van het tegendeel te overtuigen, om ons aan te praten dat consumeren juist een sociale daad is, om onze bezwaren weg te wuiven door ons te vertellen dat nu eenmaal in de ontwikkelingslanden de koopkrachtige vraag ontbreekt (waarmee wij weer bij het geld terug zijn), dat wij weer zouden verpauperen, als wij geen markt voor onze ondernemers zouden vormen, waarop wat te verdienen valt - waarmee wij langs een omweg terug zijn bij het uitgangspunt, dat de verdeling niet bepaald wordt op basis van behoefte, maar op basis van geld. En naarmate een opgroeiende generatie doorziet dat deze argumenten niets met economie te maken hebben, treden de politici in het krijt, die de angst iets van het verworvene te moeten missen handig exploiteren, waarbij dan de 'luie nikker' (alsof natuurvolken niet heel wat zwaarder werken dan wij) en het met zweet en inspanning verworven bezit (wiens zweet wijselijk in 't midden latend) de rechtsmantel over de naakte begeerte moet vormen.

Samenhang
Laten wij nuchter blijven. Er is niets in het economische leven dat het enorme productievermogen zou kunnen beletten die goederen en diensten te leveren, die de achtergebleven volkeren nodig hebbebn. Het beletsel is uitsluitend in het geestesleven te zoeken, in de begeerte, het egoïsme van de mens. De wet kan hem daarbij de middelen leveren om dit egoïsme te legaliseren: wij hebben eerst vrijwel alles tot (vererfbaar) voorwerp van eigendom gemaakt en het geld een dusdanige wettelijke status gegeven, dat wij vrijwel elke eigendom ermee kunnen verwerven. Op basis daarvan kunnen wij dan zeggen: is niet mijn geld net zo goed als dat van een ander (geld stinkt niet !) ? En: heb ik het soms niet regelmatig verworven ? Beschikking over geld wordt gelijkgesteld met beschikken over goederen en daarmee in de individualistische, liberalistische sfeer getrokken: 'ik verdien nu genoeg om mij een auto aan te schaffen' of 'ik heb net een koelkast gekocht, de afwasmachine moet dus nog even wachten'. De geldsluier onttrekt aan ons oog de samenhang tussen de rijkdom van ons en de armoede van de ander en bewaart ons voor het stellen van de pijnlijke vraag bij het samenstellen van ons consumptiepatroon: 'wat betekent het voor anderen, dat ik beslag leg op dat deel van de koek ?' Hebben wij één keer door de geldsluier heengekeken, dan is ons voorgoed duidelijk geworden, dat wat men ons als een economische kwestie pleegt te presenteren -de noden van de onderontwikkelde gebieden en de achtergebleven groepen- in werkelijkheid helemaal geen economisch vraagstuk is. Het is niet eens in de eerste plaats een rechtsvraagstuk, al kan het als zodanig gesteld worden. Het is primair een wereldbeschouwelijke kwestie. Gaan wij ervan uit dat de mens de laatste loot aan de dierenstamboom is, dan is alles in orde. Want waarom zou de naakte aap niet gelijk andere diersoorten de zwakkere exemplaren laten omkomen of afmaken, de wet van de jungle toepassen, teneinde survival of the fittest te bereiken ? Gaat men daarentegen ervan uit dat de mens zijns broeders hoeder is, dat hij medeverantwoordelijk is voor de gehele mensheid, dan leidt het wegtrekken van de geldsluier tot een schrikbarende confrontatie.

Ordenen van begeerte
In de verhalen over onze geldloze tijd, de hongerwinter 1944/'45, nemen de opofferingsgezinde moeders, die voor hun kinderen doodgehongerd zijn, een voorname plaats in. Veel algemener echter was het verschijnsel, dat men elkaar met argusogen bewaakte teneinde zelf niet te kort te komen, en menigeen heeft zijn dierbaarste familieleden om een stukje brood bedrogen. Dát is wat achter de derde geldsluier ligt, wat toen een ogenblik zichtbaar werd en wat vandaag eo ipso geldt in onze verhouding tot de medemens ergens overzee of naast de deur. Willen wij ook tegenover dit verschijnsel nuchter blijven, dan moeten wij de conclusie aanvaarden dat een humane filosofie, inclusief het mea culpa, als een stuk bewustzijnsvorming onontbeerlijk is, doch in de feitelijke situatie geen verandering brengt. Hier gaat het namelijk niet om de aalmoes, de afstand van een stukje overvloed als gewetenssussertje, maar om de concrete vraag, in hoeverre onze morele wil in staat is in ons begeerteleven ordenend door te dringen. Dit is een kwestie van wilsscholing, d.w.z. van vallen en opstaan - en helaas is de organisatie van onze maatschappij nauwelijks erop gericht om ons gelegenheid tot een dergelijke scholing te verschaffen. Ook dit echter kan een uitdaging zijn, die meer en meer blijkt te worden aanvaard: om zelf welbewust de situaties te scheppen, waarin men deze wilskrachten kan ontwikkelen.

Welvarende gemeenschap
Wie om zich heen kijkt, kan tot zijn verbazing ontdekken dat inderdaad op allerlei plaatsen mensen bij elkaar komen, die hun samenzijn of hun samenleving zo organiseren, dat zij met het probleem van wat de mens in zijn verhouding tot de medemens toekomt, moeten experimenteren. [...] Een zeer consequente oefening om door de geldsluier heen te zien vindt men in de Camphillbeweging: intern is er een (vrijwel) geldloze samenleving, waardoor elke behoefte opnieuw de, slechts door het individu zelf te beantwoorden, vraag oproept: zal ik in mijn verhouding tot mijn medewerkers en tot de kinderen die ons zijn toevertrouwd, deze behoefte of begeerte bevredigen ? Op deze wijze openbaart zich eenvoudig als fenomeen hetgeen Rudolf Steiner (GA 34) als de Sociale Hoofdwet omschreef: een gemeenschap zal des te welvarender zijn, hoe minder de enkeling het resultaat van zijn werk voor zich opeist en hoe meer zijn behoeften uit de prestaties van anderen worden bevredigd.

Wij hebben thans drie geldsluiers leren kennen:
de sluier over het economisch leven
de sluier over de onderlinge afhankelijkheid
de sluier over ons eigen begeerteleven;
dus over alle drie geledingen van de samenleving. Wat daarbij over de geldsluier is gezegd, vraagt niet in de eerste plaats om nieuw geld. Primair gaat het erom te beseffen wat wij dagelijks doen en laten, doordat wij door de sluier heen de werkelijkheid niet zien. Als wij ons van daaruit geroepen voelen om op een meer bewuste wijze in de maatschappij te staan, wellicht zelfs naar veranderingen te streven, dan kan daarbij behoren dat men ook aan het geld een ander rechtskarakter wil geven. Maar dat is dan slechts één van de vele perspectieven die zich openen, zodra de werkelijke samenhangen duidelijk worden. Eerst dan kan waarheid worden, hetgeen thans als een leugen op onze geldstukken staat.

Terug naar de inhoudstafel E - H.