|
Editoriaal Waarom wij slechte politici hebben Het verschil tussen Jezus en Christus
* * * * * * * * * *
Gewoonlijk zijn artikels in De Brug niet zo lang omdat we streven naar een gevarieerd samengesteld tijdschrift. Daarom vonden we het goed om wat evenwicht te brengen door ook enkele kortere artikels op te nemen. Het artikel over globalisering is daar één van.
Altijd weer staat men verbaasd over de actualiteit van de woorden van Rudolf Steiner. Op blz. 12 leest u hoe hij een beschaving voorspelt die al haar geestelijke energie aanwendt om de lagere natuur van de mens te bevredigen. En dan ziet men hoe gans de maand december de brievenbus vol steekt met folders van warenhuizen, met een aanbod aan eetwaren en geschenkideetjes ...
Volgens de New York Times vindt 81 % van de Amerikanen dat hun eigen leven een autobiografie waard is, maar ... slechts 10 % is geïnteresseerd in de biografie van een ander !
Wanneer deze verhouding omgekeerd wordt, en 81 % van de mensen geïnteresseerd zijn in het leven van de ander, en slechts 10 % in hun eigen leven, dan weten we dat we in het tijdperk van het geestelijk zelf gekomen zijn.
François De Wit. * * * * * * * * * * Wie was Albert STEFFEN ?door Angela Matile - vertaald door Wilma Develter. ![]() JEUGDJARENAlbert Steffen werd als derde zoon op 10 december 1884 in Wynau geboren en was van vroeg af aan vertrouwd met de verscheidene werelden van zijn kinderbestaan, zowel de fantasiewereld als het gewone dagelijkse leven. Zo speelde hij met de dorpskinderen en maakte zich o.a. hun taal eigen, die aan grofheid niets te wensen overliet:
"Een schoolmeisje, dat mij tot mijn ergernis liefelijk aankeek, beschimpte ik: "Wat maak jij voor een verdomde varkensschurft!" (Was machst du für eine Donnerse Saugrind! (1) Dit werd mijn vader heimelijk gemeld. Hij nam mij voor een ernstig gesprek terzijde: "Weet jij dan niet, wat schurft betekent?" vroeg hij. - "Neen". - "Dit is een etterige korst aan een wonde! En wat een varken is, dat weet je zelf. Maak nu niet dat men je zelf voor zoiets houdt."
Deze les, die ik nooit vergeten ben, is de eigenlijke grond, waarom ik later de zin van de woorden nagegaan ben en belangrijke ontdekkingen gedaan heb. Misschien was ik zonder dit gesprek nooit schrijver geworden."
(1) Als vloek kan dit tellen. Op een andere plaats vertelt Steffen hoe hij als vijfjarige een corpulente caféklant over een steil pad terug naar huis moest begeleiden omdat die slecht te been was. Er was geen oudere knaap in de buurt. Het had gesneeuwd. Door zijn gewicht geraakte de man in beweging op de bergaf en de kleine Steffen kon hem niet tegen houden. Hij gleed uit, de zware man viel over hem. Steffen werd bijna verpletterd, niet alleen door het gewicht van de kolos, maar ook -op die leeftijd al- door het verantwoordelijkheidsbesef. De oude was vertoornd en vloekte: "Herrgottdonner!"
- "Het was alsof de vloek mij persoonlijk trof" schrijft Steffen, en sinds die dag maakte hij zich uit de voeten telkens hij de oude tegenkwam. (Buch der Rückschau - 1938). Steffen heeft na een zware ziekte als zeer goede leerling de lagere en middelbare school doorlopen, waarna men in Zwitserland zijn beroep moet kiezen. Zijn vader wenste dat zijn zoon hem zou opvolgen in zijn praktijk, om zich mogelijks vroeg terug te kunnen trekken en zich aan al zijn veelvuldige interessen te kunnen wijden. De jonge Albert stemde daar aanvankelijk mee in. Wil men Steffens persoonlijkheid begrijpen, dan kan men onder vele andere naar drie jeugdervaringen in zijn biografie kijken, waaraan men kan aflezen welke levenssituaties hij zich uitgezocht had, om de nodige waarnemingsorganen in het levensgebied, in het zielegebied en in het geestesgebied te ontwikkelen, in die zin, dat iedere nood ogen ontwikkelt, als de betrokkene het toelaat. 1) Op zeven jaar valt de hond van zijn grootvader hem aan en bijt een groot stuk uit zijn wang. Zijn vader naait de wonde nog ter plekke , maar kan niet verhinderen, dat het tot een bloedvergiftiging komt en het kind wekenlang tussen leven en dood zweeft. Iemand uit zijn omgeving schenkt hem een geïllustreerd Nieuw Testament, waarvan Steffen later schrijft, dat hij daar voor het eerst schone mensen, schone gebaren, en schone kleuren heeft voorgesteld gezien. Hij moet die beelden op zijn eigen intensieve manier hebben opgenomen, om in een terugblik te kunnen zeggen, dat hij zonder hen zeker niet zou hebben overleefd. Hoewel hij niet wist van wie hij het boek kreeg, wou hij diegene dankbaar zijn die het hem schonk. 2) Het mislukte ingangsexamen, dat hij naar eigen getuigenis als onrechtvaardig ervoer, schildert hij met karige, maar zwaarwegende woorden. "Op veertien jaar kwam ik naar Bern, om het toelatingsexamen voor het gymnasium af te leggen; gesloten, onbehouwen, nauwelijks in staat om mij anders dan in het dialect uit te drukken, zakte ik en kwam in de laagste klas terecht, bij louter moederszoontjes, Ik als man, zoals het mij scheen, moest herkauwen, wat ik al lang wist. Getroffen door deze smaad zat ik meerdere jaren op het dakkamertje van een hotel ( bij verwanten)... Deze zelfgekozen eenzaamheid was zwaar te dragen. Dichters troostten mij. Vooreerst het Zwitsers driegesternte: Keller, Gotthelf, Meyer. Later Rousseau. (...) Ik stootte op de twee geesten die de jeugd toen het meest in beweging brachten, op Nietzsche en Dostojewski. Geen had geleden zoals zij. (...) Beiden brengen teweeg dat men zich verspilt, de eerste aan de vorm, de tweede aan het leven.De eerste maakt te hard, de tweede maakt te zacht. Bij mij hield de ene de andere in evenwicht. Tussen hen ging ik beschermd. Juist omdat ik hen allebei zo innig liefhad, kon ik mijn zelfstandigheid bewaren." Daarachter steekt een driejarige strijd met de eenzaamheid in een leeftijdsfase waarin het verlangen om met gelijkgezinde vrienden uit te wisselen nog op dat ogenblik groot is. Om die te verhelpen, begint hij een dagboek om daarmee de overvloed aan gedachten en waarnemingen van zijn ziel weg te schrijven. Een gewoonte , die hij levenslang behoudt. - Als men bedenkt dat hij alleen de vroegste dagboeken vernietigd heeft, uittreksels hiervan echter in dat van 1906 overdroeg, maar ze van dan af behouden gebleven zijn, zal men niet verwonderd zijn te horen, dat zich in de Albert Steffen stichting vandaag een in schrijfmachineschrift overgezette versie van ca. 25000 pagina's bevindt. - Levendige uitwisseling vindt hij eerst in de laatste twee schooljaren terug, als een klasgenoot zijn vertrouwen wint en een andere van een naburig gymnasium zich daarbij voegt. Intussen zijn hem echter de ogen opengegaan voor degenen die door het leven minder begunstigd zijn, wat hij zonder deze ervaring niet zou verkregen hebben, zoals hij zelf dankbaar opmerkt. Met de beknopte verwijzing "Dichter trösteten mich" duidt hij op een eigen aard van zijn manier van lezen. Hij leest niet zoals velen zo, dat hij zich met een der hoofdpersonen identificeert, maar met de ogen van een dichter, met een soort van dramaturgische blik op de compositie, hoe de gestalten ten opzichte van elkaar staan, hoe de crisis opgevoerd wordt enz...Heeft hij een werk gelezen , dan begint hij met zijn schepper een soort geestesgesprek en maakt hem al naargelang - samen met anderen - 'tot gidsen voor zijn verdere ontwikkeling. In zoverre heeft hij zijn wezenlijke vorming aan dichters en later aan filosofen te danken. Maar dat niet alleen: zijn sinds zijn vijftiende jaar geoefende vaardigheid om met gestorven helden van het geestesleven en van de geschiedenis in reële verbinding te treden, kon hij met de jaren zo doen toenemen, dat hij van zijn grote persoonlijkheidsdrama's zegt, dat hij er geen geschreven heeft zonder een dergelijke geestesontmoeting. Nu beschrijft hij terugblikkend in een brief aan zijn vader van 9 maart 1905 nog een verder aspect van zijn toestand: "Ik was (door de uitzichtloosheid om een door mij met klaarheid erkende opgave ooit te kunnen vervullen) van een ongelooflijke onverschilligheid tegenover alles aangegrepen. Ik moest schrijven, om mij te verheugen. Maar mijn grootste wens filosofie te studeren, liet ik mezelf niet toe. (...) En ik moest die afschuwelijke melancholie overwinnen. En ik overwon ze ook. Dat was op het gymnasium. Nu wil ik je van deze winter vertellen: ik ging naar Lausanne, vast van plan om geneeskunde te studeren. Al het andere onderdrukte ik met buitengewone energie. Want ik wist, hoe jij naar rust verlangde, en ik wou je een deel van je groot werk afnemen. Als ik maar jou en moeder dat groot plezier doe, aan mij is weinig gelegen, zei ik tot mezelf. En gedurende enkele weken roerde ik geen pen aan.
Maar wat mij dat kostte...weet ik alleen... Toen heb ik tot mezelf gezegd: of je wordt arts of je wordt het niet. Een halve arts is niet mogelijk. Als ik iets wil worden, dan moet ik mij daarin tot het hoogste niveau opwerken. Hier breekt nu de roeping tot het dichterschap door. In de "Autobiografische schetsen" vertelt hij: "En nu kwam, door het inzicht aangespoord, waartoe het mij dreef, met een onweerstaanbare hevigheid die verandering over mijn ziel, die mij plots naar ziekten, fysieke of psychische, meer vanuit een geestelijk standpunt, als lotsaangelegenheden, deed kijken, in de plaats van , zoals de geneeskundestudies het vereisten, als fysiologische, anatomische, of hoogstens nog psychoanalytische. (...) Het was mij ondubbelzinnig bewust geworden, dat ik, als ik niet wou verkommeren, dichter moest worden, waaronder ik weliswaar iets verstond, wat tegenwoordig nauwelijks nog bestaat, namelijk een synthese van wetenschap, kunst en religie op basis van de grote mensheidsideeën. De uitsluitend natuurwetenschappelijke studie, zoals die in het begin van de 20e eeuw bestond, met de overvolle semesters van laboratoria en colleges, leek dit echter onmogelijk te maken. Dit betekende voor mij het verlies van alle levensvreugde." Hij droeg toen al zijn jeugdroman "Ott, Alois en Werelsche", die de vriendschap van drie jonge mensen met al hun problematiek schildert, in zich "en stormde naar de oevers van het Lemanmeer (het meer van Génève), zonder dat ergens een mens van de orkaan wist, die mij in beroering bracht, mijn vader nog het minst." 3) Steffen studeerde vervolgens eerst in Zurich in het zomer- en wintersemester 1905/6 alles waarvan hij gelooft daartoe geroepen te zijn, zoals : oude en nieuwe geschiedenis, kunstgeschiedenis, etnologie, literatuurgeschiedenis, praktische nationale economie, filosofie, waaronder Platonische filosofie bij Friedrich Wilhelm Förster. De geschriften van deze leraar noopten hem ertoe in oktober 1906 een woning te zoeken te midden van het proletariaat in Berlijn, toen de grootste Duitstalige stad. Intussen was ook zijn eerste roman klaar, die in Berlijn aangenomen werd door Samuel Fischer Verlag - die toen veel jonge auteurs uitgaf en bekendmaakte - en in de lente 1907 gedrukt werd en in het uitstalraam "naast misdaadromans" lag. Door hem werd hij onmiddellijk bij een breed lezerspubliek bekend.
Over de derde belevenis die hem bijzonder tekende : Een wezen, samengesteld uit lust, vernietigingsdrang en onmacht, verhief zich uit de afgrond. Het richtte zich dreigend voor mij op. Ik deinsde ontzet terug. Het verdween. - De herinnering bleef, donker genoeg, om mij alle levenslust te ontnemen. Ik had ingezien hoe de dood in mensen werkt, en ik dacht onder de last van dit inzicht teniet te gaan." (Autobiografische schetsen)
In zijn "Begegnungen mit Rudolf Steiner" beschrijft hij het fenomeen nog nauwkeuriger: Men moet zich voorstellen dat Steffen hier twee ontdekkingen doet, de ene, dat er "nog een ander zien bestaat dan dat met de ogen ", en de andere, dat het wezen vooreerst van buiten af op hem indringt en met de gebeurtenissen in het hol samenhangt. Daarbij sluit het inzicht aan, "dat in de diepte van de mensheid het boze loert, en tot deze mensheid behoort men zelf, men sleept het mee, tot ook de laatste mens verlost zal zijn. Indien men niet zich zelf als trap tot een hoger mensdom benut, moet men neerstorten en de anderen in de diepte meesleuren."(Autobiografische schetsen). Deze ervaring had ook met hem te maken. Volkomen op zichzelf gesteld als hij is, probeert hij de natuur van deze ervaring te ontraadselen. Als hij het wezen nu eigen herinneringen voorhoudt, ontdekt hij aan diens reactie, dat vogelachtige vormen een verband met zijn denken hebben, leeuwachtige met zijn voelen, stierachtige met zijn willen en - in het geval van het holenkabaal , waarbij alle zielevermogens chaotisch werkzaam zijn - zelfs slangachtige, drakenachtige vormen ontstaan. Geen enkele blijft passief, in tegendeel, overal waar iets mensonwaardigs optreedt, wordt het ofwel door de vogel in stukken gereten, door de leeuw verscheurd, door de stier vertrappeld, of door de slang vergiftigd. Steffen noemt later dit wezen - waarop hij tot in zijn late werk steeds weer terugkomt - het "Viergetier" of ook de "Schreckerlebnis der Selbsterkenntnis". Uit zijn beschrijvingen blijkt dat het zich wekenlang dagelijks in steeds nieuwe metamorfosen herhaald heeft, in kleuren, in voortdurende beweging en met klanken. Het is de eerste van vele imaginatieve-inspiratieve waarnemingen - later ook intuïtieve -, waartoe hij komt op zijn scholingsweg die van Goethes kleurenleer uitgaat. Daarbij probeert hij bij elke beleving, bij de zintuiglijke indruk het overeenkomstige morele te vinden. Zo ook hier: het gejoel van het hol als zintuiglijke ervaring brengt hem tot de imaginatieve- inspiratieve beleving van het zeer specifieke "Viergetier", het morele evenbeeld van de daar aanwezige atmosfeer. Het is zeker niet moeilijk na te trekken, welk een Ik-kracht en standvastigheid het vergde , om dit alleen maar uit te houden en zich niet in de waanzin te laten drijven. De intensiteit was zo groot, dat hij eens opmerkt , dat gezien dit, elke levensvreugde, ja zelfs de wetenschap alle zin verloren heeft. In deze levenscrisis "( ...) kwam ik met twee mensen in betrekking, door wiens leven mijn toestand weerlegd werd. De ene leerde mij weer aan de goedheid , de andere weer aan de schoonheid in mensen geloven. Beiden wil ik stil voor mezelf gedenken. Later mocht ik ook de waarheid in een mens ontmoeten. Plato schouwde het Goede , het Schone, het Ware als ideeën. Ik aanschouwde deze drie in het leven ." Met nieuw vertrouwen controleert hij zichzelf nu nog intensiever en temt daardoor het Viergedierte- doden mag men het niet, anders zou men noch denken, noch voelen, noch willen kunnen . Hij brengt het in een paar weken zo ver, dat het hem niet meer onvoorzien overvalt, maar dat hij het van zich uit, - o.a. ook om zijn werking te toetsen - tot verschijning kan brengen. Het leeft echter in ontelbare metamorfosen in ieder mens en hoopt op verlossing. In de zin van het mysteriewoord " Verandering van zichzelf is verandering van de wereld " ziet Steffen als enige, begaanbare weg , "zichzelf als trede van een hoger mensdom " te benutten .Zijn zelfopvoeding streeft vandaar niet gewoon de eigen vervolmaking na, maar zal de menswording van allen dienen. Men mag ze ook een navolging van Christus noemen. Menskundig gezien gaat het hier om een moderne, op een reguliere, door geestelijke ontwikkeling verworven ontmoeting met het vreemde, resp. het eigen onderbewuste, dat ons gewoonlijk genadevol verborgen is. Uit de literatuur kennen we iets gelijkaardigs als dubbelganger, bijv. in Dostojewski's " Traum eines lächerlichen Menschen ". Bij Steffen gaat het echter - vanuit zijn gezichtspunt - om een aanschouwen van oud, onverwerkt lot, dat we meebrengen, "tegenbeelden van het etherische " noemt hij ze eens. Wanneer men nu nog bedenkt, hoe hij probeert dat wezen te veranderen, dan kan men zeggen, hier is het Ik van een mens in staat, het onderbewuste in het licht van het inzicht en het vrije handelen te stellen. Hij zegt zelf heel eenvoudig , dat hij naar zichzelf als naar een vreemde kan kijken, maar vanuit zijn hogere zelf. In zover kan Steffen van zichzelf terecht zeggen, dat hij helemaal op zichzelf berust. Vijftien jaar later, in 1921, tijdens zijn eerste voordracht in het Goetheanum, beschrijft hij het gebeuren met het beeld van de sfinks, die men zich niet als een van de overgeleverde beeldhouwwerken uit de Egyptische of Griekse cultuurperioden mag voorstellen, maar als een puur bovenzinnelijk wezen. Hier uit plaatsgebrek slechts een deel van zijn uiteenzetting: "De oervorm van het innerlijk van de mens is de sfinksgestalte. Ze heeft een mensenhoofd, leeuwepoten, een stierromp, adelaarsvleugels en een wormachtige staart. Ze kan ook nu nog geschouwd worden. (...) Dit wangedrocht, een teken van de afwijking van Gods beeld, naar wiens gelijkenis wij ,volgens Genesis, geschapen zijn, moet omgevormd worden, als wij onze bestemming willen vervullen.Deze bestemming komt ons, als teken van de belofte, tegemoet in de schoonheid van het uiterlijke leven. (...) De sfinks heeft een mensenhoofd, dit betekent: de mens is als zodanig daar, in zover hij: Ik ben! zegt. In zover hij denkt, voelt en begeert, is hij vooreerst adelaar-, leeuw-, stier- en slangewezen. Het Ik moet met de adelaar kunnen vliegen, de leeuw kunnen berijden, met de stier kunnen ploegen en met de slang kunnen genezen. Als men op zo'n manier het Ik kan maken tot oordeler, tot heerser, tot arbeider, en tot arts, dan gebeurt er met datgene wat de sfinks in de mens is, iets heel eigenaardig. De adelaar wordt tot drager van het Ware, de leeuw tot drager van het Schone, de stier tot drager van het Goede en de slang tot drager van de genezing. Het gif van de slang, die het symbool is van de arts, wordt tegengif. Hier hebben we de samenhang van de platonische ideeën met de christelijk- gnostische ontwikkeling van de sfinks, het apokalyptische Viergedierte." De laatste zin met de verwijzing naar de samenhang van de platonische ideeën met de innerlijke mens, met het viergedierte, toont eens te meer zijn sympathie voor de filosofie van Plato. Vooral dan, wanneer men het vergelijkt met datgene, wat hem, na de eerste beleving van november 1906, als hij dacht " onder de last van dit inzicht ten onder te gaan", het leven teruggaf. Jarenlang had hij elke nieuwe gedachte, elke leer op haar bruikbaarheid voor het leven getoetst, doordat hij ernaar probeerde te leven en alles verwierp wat zich niet liet leven.
VOLWASSEN JARENZo staat Steffen nu in het begin van zijn 23ste levensjaar met een overvloed aan bovenzinnelijke ervaringen, die hij uit eigen kracht vruchtbaar heeft gemaakt, op de bodem van een praktisch Platonisme, als hem een vriend op Rudolf Steiner opmerkzaam maakt. Op 28 februari 1907 spreekt deze in Berlijn in het Architektenhuis en Steffen hoort hem voor de eerste keer. Vooreerst ontwijkt hij echter een gesprek. Daarentegen begint hij zijn tot dan verschenen werken, de "Filosofie van de vrijheid ", "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden", en de "Theosofie" met de grootste intensiteit te studeren en vond, wetenschappelijk uiteengezet, de begrippen voor dat wat hij beleefd had en niet meer extra moest testen of het overeenkomstig het leven was. Hij had in Rudolf Steiner reëel "de waarheid in de mens" ontmoet. In zover kon hij zeggen, dat hij de richting van zijn leven niet heeft hoeven te veranderen, hij is alleen sneller vooruit kunnen komen.
Een voorbeeld daarbij: In 1914 botst Steffen op een voordrachtverslag van Rudolf Steiner van 1906, waarin hij over een vroege orde rondom de geestelijke leider Mani vertelt, die zich de omvorming van het boze tot opgave had gemaakt. Eerst deze verwijzing maakte Steffen opmerkzaam op de manicheïsche aard van zijn levensmotief, men zou ook kunnen zeggen dat hij het begrip vond voor de waarneming van zijn verlangen. Daarop gaf hij zijn drama een nieuwe naam "Die Manichäer". In 1908 keerde Steffen vooreerst voor een semester naar Zurich terug, maar verhuisde daarna omwille van een vriendin naar München. In 1910, kort voor de opvoering van het eerste Mysteriedrama, besloot hij lid te worden van de Theosofische Vereniging, niet in het minst om het te kunnen meemaken. Op 10 december 1910, op zijn 26ste verjaardag, had dan het eerste gesprek met Rudolf Steiner plaats, waarin hij hem over zijn Viergedierte-belevenis vertelde en op het begin van het Johannes Evangelie gewezen werd. Deze tekst was toen Steffens geestelijke ruggesteun. Een gebeurtenis die hem ten volle op zijn weg bevestigde. Reeds in 1906 had hij in Berlijn een jonge vrouw leren liefhebben, die toen nog het Abitur aan het inhalen was en daarna samen met hem kunstgeschiedenis studeerde. Else von Carlberg, een domineesdochter uit Riga, trad later onder haar kunstenaarsnaam Sent M'ahesa als danseres op en werd bekend met opvoeringen van oud-Egyptische en Persisch-mythische wezens, o.a. de sfinks. Zij is de mens die hem weer aan de schoonheid in de mens leerde geloven. De andere, die hem de goedheid voorleefde was een vriend die later naar het Leger des Heils ging. Niet in het minst wegens Steffens omwentelende geestelijke ervaringen en een daaruit ontstaan misverstand hield de verbinding met Else op, einde zomer 1907, voor hem alleszins slechts uiterlijk. Als ze beiden hun studies naar Munchen verlegden en hij ze bijna dagelijks van ver zag, begon een intensieve innerlijke worsteling om de verhouding tussen man en vrouw, die in de roman "Die Bestimmung der Roheit" (1912) zijn neerslag vond. Daarnaast verwerkte hij deze relatie in verschillende vormen van zijn dichtwerk. Een nieuwe levensfase begon, toen hij in 1914 de Poolse schilder Stanislas Stückgold ontmoette die hem een paar dagen later thuis uitnodigde, om hem een pas ontstaan schilderij van zijn vijfjarige dochter Felicitas te tonen. In het echtpaar Stückgold trof Steffen antroposofische vrienden en vond bij hen stimulerende uitwisseling. Nu had Stückgold om financiële redenen een schilderschool geopend . En zo verscheen er een jonge leerlinge, die helaas voor de schilder spoedig meer betekende dan de toch al zeer belaste echtgenote Elisabeth goed kon vinden. Deze was zeer zachtaardig , maar wilskrachtig , en had de handen vol met de verpleging van hun gehandicapt dochtertje . Felicitas was halfzijdig verlamd door een hersenverlamming, die tijdens de geboorte ontstaan was en vanaf haar vierde jaar zwaar epileptisch, met tot honderd absenties per dag en dikwijls dagelijks wederkerende grote epileptische aanvallen. Zo werd Steffen getuige en begeleider van noodlottige omstandigheden, die zich zo ontwikkelden, dat in april 1919 Elisabeth hem bekende dat zij hem lief had, maar onder alle omstandigheden Stückgold trouw wou blijven. Daar Steffen zich zelf in een gelijkaardige situatie tot Else von Carlberg zag, besloten beiden, hun vriendschap helemaal in een broer- en zusterverhouding te laten. Eigenaardig beleefden beiden nu datgene wat Steffen in zijn "Bestimmung der Roheit" dichterlijk had vorm gegeven en wat in het motief van de trouw wortelt. Wanneer Elisabeths gezondheid in de uiteenzettingen met Stückgold meer en meer begint te lijden, dringen de arts en de vrienden aan op een scheiding. Op vraag van Elisabeth brengt Steffen haar en Felicitas op 20 juli 1920 naar Dornach in de nabijheid van Rudolf Steiner, vooral omdat zij van hem hulp voor haar kind verwacht en die ook op de meest liefdevolle manier bekomt. Tegelijkertijd was Steffen gevraagd , om samen met Ruth Waldstetter, in Basel een nieuw tijdschrift ARS HELVETICA op te zetten, wat dan later mislukte. Toen hij naar München wou terugkeren, werkte Roman Boos, de toenmalige secretaris van Rudolf Steiner, aan de uitvoering van diens plannen voor een tijdschrift voor Antroposofie. Wanneer dan over een redactieraad beraadslaagd werd, stelde Rudolf Steiner, die geen redactieraad wou, Albert Steffen voor als enige redacteur van het nieuwe weekblad "Das Goetheanum". Hiermee ontsloot hij voor de dichter een nieuw werkveld, om nu ook als essayist voor een nieuwe cultuur op basis van de geesteswetenschap te werken.
Als Rudolf Steiner, na de brand van het eerste Goetheanum, de Antroposofische Vereniging opnieuw wou grondvesten, benoemde hij Albert Steffen tot zijn plaatsvervanger in het nieuwe bestuur. Steffen was toen negenendertig jaar oud. Zonder nu in detail in te gaan op zijn ganse werk voor de Vereniging, volgen hier een paar aanduidingen. Hij streefde ernaar de Antroposofie daardoor vruchtbaar te maken, dat hij ze in het leven toepaste en hetgeen daaruit voortkwam in essayvorm, in het weekblad. meedeelde. De afzonderlijke bijdragen vatte hij later in essaybanden samen, wat bijv. tot de trilogie voerde: "Die Krisis im Leben des Künstlers" (1922) , "Der Künstler zwischen Westen und Osten" (1925) en " Der Künstler und die Erfüllung der Mysterien" van 1928. Tijdens de conferentie, bij de opening van het tweede Goetheanum in september 1928, las hij dan de pas ontstane dramatische schets "Der Sturz des Antichrist" voor. Hoewel hij diens werking op het einde van 2000 situeert, toont hij aan, hoe de strijd tussen technici, priesters en kunstenaars, die tot een geestesgemeenschap behoren, mogelijkheden bieden aan de "heerser" hen te scheiden en hen in zijn dienst te dwingen .Daarenboven wijst hij de Vereniging al in 1928 heel duidelijk op de gevaren van het opkomende nationaal-socialisme, maar beschrijft ook een weg om de maatschappij te redden. Om de diepe crisis van de AAG in 1935 te boven te komen schreef hij het "Adonisspiel", waarvan hij tevergeefs gehoopt had dat het zou worden opgevoerd met Michael 1935. ( Meer bijzonderheden hierover in "Hinweise und Studien zum Lebenswerk von Albert Steffen, Heft 5/6" ).
ALBERT STEFFEN BINNEN DE ANTROPOSOFISCHE VERENIGINGHier volgen enkele aanduidingen, die misschien een eigenaardig fenomeen kunnen belichten en begrijpelijk maken, wat met de werking van Steffen op de leden samen hangt. Vooreerst de woorden, waarmee Rudolf Steiner op de Kerstconferentie Steffen als zijn plaatsvervanger aanduidt:
" Ik geloof dat er nergens zoiets als ook maar de kleinste tegenspraak zal opkomen, integendeel, in alle harten zal er onverdeelde, volste toestemming ontstaan, als ik U Albert Steffen als plaatsvervanger van de voorzitter voordraag. Deze laatste uitspraak is bijzonder verbazingwekkend. Vermoedelijk is het een van de zeer weinige plaatsen waar Rudolf Steiner aangeeft dat Antroposofie reeds voor zijn geesteswetenschap - in welke vorm dan ook - bestond, en dat Steffen daarin thuishoorde.
Vanop zijn ziekbed nodigde Rudolf Steiner uit om op 10 december 1924 Steffens veertigste verjaardag te vieren in de voordrachtzaal van de "Schreinerei". In zijn brief, die daar aan het mededelingenbord bevestigd was, had hij geschreven:
En in zijn brief aan Albert Steffen, die bij de viering door Marie Steiner voorgelezen werd : Alle mensen, die van Antroposofie houden, kunnen niet anders dan U de warmste dankgevoelens laten toestromen voor Uw gezindheid die U naar ons toegebracht heeft. Uw onvermoeibare inzet en werk ten dienste van de Vereniging, uw gedachten die haar bestaan met zo'n grote liefde dragen, zijn zeer grote schatten ... Zeer levendig en treffend beschrijft Marie Savitch in haar boek over Marie Steiner andere gezichtspunten over Steffen : "Als Albert steffen naar Dornach kwam, wekte hij bij de inwoners de allergrootste interesse. Zijn uiterlijk reeds, de scherp getekende trekken, karakteristiek en streng, de uitdrukking van ernst en dan die plotse, vluchtige, schalkse vrolijkheid, die slechts in de ogen oplichtte, maakte indruk door zijn uitgesproken karakter. De innerlijke rust en terughouding die van hem uitstraalde, ging op anderen over, men sprak in zijn aanwezigheid stiller en minder uitgelaten. De weinige woorden die hij sprak, waren trefzeker, de oordelen betekenisvol, de scherts dikwijls scherp, maar toch hoffelijk. Dit viel de mensen op. Bij een gemeenschappelijke uitnodiging kon men merken dat men minder praatte, men luisterde meer. Dit alles wekte bij velen waarderende eerbied. Bij anderen daarentegen, die intensiever, ongeremder, wat lawaaieriger en luider wilden spreken, wekte deze houding onbehagen. Reeds in 1921, nog voor Rudolf Steiner in dit jaar Albert Steffen koos als redacteur van het tijdschrift "Das Goetheanum", gingen in vele hoeken onruststokende stemmen tegen hem te keer. Bij de vergaderingen bulderde het van het spreekgestoelte..." Blijkbaar had men een anderszijn waargenomen, waarmee niet iedereen kon omgaan. Zoals het uit zijn jeugdverhaal blijkt, was Steffen een mens die alleen vanuit de stilte wilde en kon werken. Ten gevolge daarvan had hij zijn opdracht als voorzitter niet gemakkelijk gemaakt. De AAG was een gemeenschap van mensen die op basis van de "Philosophie der Freiheit" gegrondvest was en die van Rudolf Steiner alle nodige aanwijzingen had gekregen om te gedijen. Aanvullingen waren onnodig. In zoverre was het Steffens belangrijkste bekommernis de leden op geen enkele manier te beïnvloeden, d.w.z. geen macht uit te oefenen, maar elke beslissing aan het vrije oordeel over te laten, ieder de vrijheid te verlenen en dit tot iedere prijs ! Wil men nu creatief verder werken, zo is de kunst het enige wat werkelijk vrij laat. Daaruit kan men begrijpen dat Steffen vooral als kunstenaar binnen de Vereniging wou werken. De inzichtelijke waarde van de kunst formuleert Klee eens heel lapidair : "Kunst geeft niet het zichtbare weer, maar maakt zichtbaar".
Nu is deze hoogst moderne en daarom onbekende leidinggevende stijl, die Steffen in alle consequentie doorvoerde door weinigen begrepen geworden, waaruit misverstanden en jammer genoeg ook erger ontstond. Dit is maar de ene kant van het gebeuren. De eigenaardige vreemdheid die vele leden tegenover hem voelden, kon ook haar oorzaak hebben in de twee, door Rudolf Steiner gekarakteriseerde, mensengroepen die wereldbeschouwelijk totaal van elkaar verschillen en op het einde van de eeuw voor het eerst met elkaar zouden samenwerken.Tot hiertoe was telkens de ene groep in de geestelijke wereld gebleven, terwijl de andere op aarde werkte. Hij beschrijft de ene als meer met Aristoteles verbonden, de andere daarentegen meer met het wezen van Plato. Nu neigen de eersten meer naar een denken in begrippen, de anderen eerder naar een aanschouwelijk waarnemen in beelden. Hoe moeilijk het de betrokkenen viel om een dergelijk verschil met elkaar uit te houden, mag het volgende duidelijk maken : Rudolf Steiner beschrijft eens hoe de aardse herinnering aan mensen daardoor tot stand komt, dat de etherlichamen van degenen die elkaar ontmoeten, wederzijds bepaalde bewegingen uitvoeren, die zich bij een volgende ontmoeting herhalen. Daaruit ontstaat dan het gevoel "die ken ik ". Men hoeft nu slechts opmerkzaam te worden in het eigen beleven bij ontmoetingen, waarbij zich nadien een onverklaarbare vertrouwdheid voordoet, hoewel men elkaar slechts voor de eerste keer ziet, om op het idee te komen, dat er ergens in etherische diepten van ons bewustzijn een lotsherinnering over incarnaties heen bestaat. Die kan zich op die manier kenbaar maken, of in tegendeel, in het geval van een vroeg verschenen Platoniker als Steffen, tot het meermaals vernoemde vreemdheidsgevoel leiden. Uit zijn dagboek blijkt , dat het niet zijn lotsbestemming was die hem tot een samenwerking met Steiner leidde, maar een vrije beslissing, waarvoor hij rond 1910 in München lang innerlijk geworsteld had. Het is hier niet de plaats om hier langer over uit te weiden. Net zo min bestond er een karmische band met Ita Wegman of Marie Steiner-von Sivers, waarvan Steffen zich wel bewust was. Men heeft veeleer de indruk dat hij in Dornach bovenop zijn lotsbestemming als dichter, en de verzorging van zijn beide beschermelingen, Elisabeth en Felicitas Stückgold, vrijwillig een verdere levenstaak op zich nam, die niet primair in zijn lot lag. Als men hem als een voorloper of wegbereider van de na hem komende Platonici wil en kan beschouwen, dan mag men misschien aan een voorgeboortelijk besluit in de zin van een cultuuropdracht denken. Tenminste kan men tegen deze achtergrond gemakkelijker verstaan waarom hij met zijn impulsen zo weinig werd waargenomen. Vanzelfsprekend zijn er nog andere redenen daarvoor, o.a. was het van oudsher een ondankbare opdracht, plaatsvervanger van een grote persoonlijkheid te zijn na diens dood. Biografisch gezien blijft Steffen na de twaalf jaar in München (1908-1920) van nu af aan in Dornach, en verdeelt zijn tijd - afgezien van de Verenigingsaangelegenheden -tussen het werk aan zijn dichtkunst en zijn werk voor het weekblad. Een onderscheid dat voor hem wezenlijk was, daar hij in zijn dichtwerk alleen wou uitgaan van hetgeen hij zelf beleefde, maar in zijn essays de inzichten van Rudolf Steiner als basis nam. Na de dood van Stanislas Stückgold in januari 1933 voelen Steffen en Elisabeth samen met Felicitas zich als een kleine familie en in de herfst van 1935 trouwen ze in Boedapest; Elisabeth was Hongaarse en door het huwelijk Poolse. Daarmee kon hij hen beiden een nieuwe thuis bieden en Felicitas bescherming, niet alleen tegen de racistische, maar ook tegen de euthanasiepraktijken van de nationaal-socialisten. Zij was door haar vader halfjoodse en door haar handicap natuurlijk erg bedreigd. Als Marie Steiner dan in 1935/36 van het huis Hansi naar het huis Duldeck wou verhuizen, om dichter bij het Goetheanum te zijn - een plan dat Rudolf Steiner al had - bood zij Steffen en zijn familie de villa aan . Nauwelijks een jaar na hun intrek, stierf Felicitas op 15 juni 1937 heel onverwacht, pas 28 jaar. Het verlies was voor Elisabeth buitengewoon zwaar en Steffen had alle moeite haar levenswil recht te houden. Er ontstonden een reeks gedichten als requiem voor Felicitas, maar ook aquarellen, om haar langs de kunst de geestgestalte van Felicitas weer dichterbij te brengen. Zo heet een der aquarellen niet voor niets "Besuch von drüben". En zijn therapie had succes! Onafhankelijk hiervan was ook zijn positie in de Vereniging ten laatste vanaf 1929/30 alles behalve licht, en hij had zich nog zo graag helemaal op zijn werk en het weekblad teruggetrokken. Er zijn overigens verschillende pogingen bekend om Marie Steiner het voorzitterschap over te dragen, wat zij echter steeds heeft afgewezen. Uiteindelijk was het de trouw aan Rudolf Steiner en de verantwoordelijkheid voor het geheel die het hem mogelijk maakte het uit te houden en hem ook de kracht gaf om, vastberaden, uit de pijnlijkste belevingen scheppend, opbouwend werk te doen ontstaan.
ZIJN WERKHoewel hij een opmerkzame waarnemer van de tijdsgebeurtenissen was, had hij zich bij het redigeren van het "Goetheanum" als een "weekblad voor Antroposofie" vanaf het begin, en ook tijdens de nationaal-socialistische regering, streng aan de principes van de "Weinachtstagung" gehouden, waarin Rudolf Steiner uitdrukkelijk "politiek niet als een aangelegenheid van de AAG" aanduidde. Daarbij kwam nog, dat hij als redacteur en als voorzitter vanaf 1935 de leden in Duitsland en in de bezette gebieden niet nog bovenop in gevaar wou brengen.
Anders was het in zijn dichtkunst, waarvoor hij als dichter - onafhankelijk van zijn functies - de verantwoordelijkheid op zich kon nemen. Trouw aan zijn besluit, het wezenlijke door de kunst te zeggen, schreef hij werk na werk. Het tot op heden uitgegeven verzameld werk bestaat uit 87 titels, waarvan 13 romans, 15 bundels herinneringen, schetsen en miniaturen, 12 dichtbundels, 17 drama's, 27 essaybundels en van zijn schilderwerk drie mappen met aquarellen, en daarbij nog meerdere kleurdrukken en postkaarten. Zijn vroege dichtwerk tot 1920 verscheen bij Samuel Fischer in Berlijn, tot zijn lidmaatschap van de Antroposofische Vereniging bekend werd. Sedert 1928 geeft het "Verlag für Schöne Wissenschaften" te Dornach zijn boeken uit, dat vandaag samen met het nalatenschap door de Albert Steffen stichting beheerd wordt.
LAATSTE JARENToen Elisabeth in 1961 op 3 maart, haar verjaardag, de aarde en Steffen verliet, was hij heel erg vereenzaamd. En toch ontstonden in de twee en een half jaar tot zijn eigen dood nog zes boeken, die naast veel meer over zijn belevenissen met zijn geliefde gestorvenen vertellen. Hijzelf ging over de drempel op 13 juli 1963 in zijn 79ste levensjaar.
Kijkt men terug op zijn leven en werk, zo droeg het ene het andere. Hij leefde wat hij zegde. Niets was theoretisch. Slechts een voorbeeld uit zijn laatste werk " Reisen hüben und drüben" : Herinnert het er ons niet aan, hoe hij al op zijn vijftiende begon, vooreerst met dichters, jaren later met cultuurdragers, geestelijk werkelijk in "gesprek" te komen? En hoe daaruit dramatische voorstellingen ontstonden, zoals die bijv. voor Woodrow Wilson, Karoline von Günderrode en andere? Hoe hij toen reeds op die manier uit een werkelijk beleven zich dit talent verwierf? Op de 100e verjaardag van Goethes sterven verscheen overigens de essaybundel "Goethes Geistgestalt ". Over het geheel mag men zeggen dat zijn werken - naast menig ander - de vervulling was van dat wat hij eenmaal op 20 juli 1947 op een medewerkersbijeenkomst in het Goetheanum had omschreven met de volgende woorden : " Natuurlijk moet men zeggen : de Antroposofie is daar, zij moet voor ons vanzelfsprekend zijn, haar inzichten moeten wij ons eigen maken, het leren, doordat wij steeds meer lerenden worden. Maar Dr. Steiner zei eens : Amerika is eenmaal ontdekt geworden, en het heeft geen zin het steeds weer te ontdekken, maar het gaat daarom, dat men Amerika koloniseert, dat ieder zijn werkgebied in de Antroposofie ontgint en vruchtbaar maakt en de mogelijkheid geeft dat de zaden en de zaailingen geleidelijk aan ontkiemen." De motieven daartoe vatte Albert Steffen samen in 1950 in een manifestachtig gedicht, dat reeds in de vorige Brug verscheen.
* * * * * * * * * * Globalisering
In een voordracht, gehouden in 1911 ( in GA 127) legt Rudolf Steiner uit dat religie, wetenschap en sociaal samenleven in ieder tijdvak moeten veranderen omdat ook de mens verandert.
Het is ook zo dat in ieder tijdvak al de kiemen voor het volgende moeten gezaaid worden. In het maatschappelijk samenleven betekent dat dat nu het inzicht moet doordringen dat het geluk van een mens nooit mag gekocht worden op kosten van het ongeluk van een andere mens. Tegenwoordig is nog altijd het omgekeerde geldig, wat min of meer normaal is: de mens leeft nog volop in de ontwikkeling van de bewustzijnsziel en dat gaat gepaard met een grote portie egoïsme.
Antroposofie moet de weg wijzen naar de zesde na-atlantische cultuurperiode.
De mensen zouden in dat geval op aarde leven als een kudde dieren die in een voor hen ongeschikt klimaat terecht komen waaraan ze zich niet kunnen aanpassen. Het gevolg zou zijn dat deze kudde verkommert, geleidelijk ten gronde gericht wordt. De mensen zouden allemaal overgeleverd zijn aan vroegtijdig verval, decadentie, de ondergang. Niet door uit te sterven, ze zouden verdierlijken, wat veel erger is dan uitsterven. Alleen de lagere passies en driften zouden nog werkelijk leven, de mensen zouden slechts verlangen om dit of dat te eten, en al hun denken zouden ze aanwenden om juist maar dit eten te kunnen krijgen.
Ze zouden fabrieken bouwen om het beste meel, om het beste brood te maken; schepen en vliegtuigen om van de verste plaatsen de vruchten aan te voeren en producten te leveren die ze willen genieten. Ongelooflijke scherpzinnigheid aanwenden om dit soort "cultuur" te bevorderen - want dat zouden ze namelijk cultuur noemen. Oneindige intelligentie en geesteskracht zouden ze gebruiken, om uiteindelijk toch alleen maar hun tafel te dekken.
Wat betekent die frase van "meer cultuur" anders dan dat oneindige geesteskracht aangewend wordt voor wat ? Om te telegraferen: ik heb zo en zoveel zakken meel nodig - dan is er toch grote geestkracht gebruikt voor iets dat tenslotte toch maar dienstig is aan wat men kan noemen het dier in de mens. Spiritualiteit en intelligentie zijn twee totaal verschillende zaken. Het materialistisch tijdvak leidt tot een hoogtepunt van intelligentie en intelligente cultuur. Maar dat heeft niets te maken met spiritualiteit.
Nemen we aan dat de mensen aldus uitgeschakeld werden, wat moeten de goden dan doen ? Die zouden zeggen: nu hebben we een geslacht gehad dat niet begrepen heeft wat de opdracht van de aarde was. Wij moeten een ander geslacht sturen, een geslacht van zielen die dan tot stand brengen wat de missie van de aarde is.
Maar goed, kleine groepen mensen zullen inzien wat spiritueel leven in de toekomst moet zijn en daarom zal de aardemissie door die mensen volbracht worden. Wat als zesde cultuurperiode onze vijfde na-atlantische moet aflossen, dat zal door een kleine groep mensen opgenomen worden en die zullen zich over de ganse aarde verspreiden." Het hangt af van de vrije keuze van ieder individu of hij gaat meewerken aan een neergaande ontwikkeling of dat hij zich inzet voor een toekomstideaal : het geluk van een mens mag niet ten koste gaan van het geluk van een ander. Om dit ideaal echt te kunnen vatten moet de mens ook weten van de overgang van de bewustzijnsziel naar het geestelijk zelf, van het persoonlijke naar het bovenpersoonlijke. En daarom is antroposofie nodig.
Op 11 januari 1912 sprak Rudolf Steiner in Munchen over "Nervositeit en het Ik".
" Iets ongemeen schadelijk voor onze tijd is dat een groot aantal mensen die in het openbare leven topfuncties uitoefenen, studeren op de manier zoals er nu tegenwoordig eenmaal gestudeerd wordt.
Het gevolg hiervan is dat de mensen zich eigenlijk niet dusdanig kunnen ontwikkelen dat ze met genoeg werkzaamheid in het openbare leven kunnen ingrijpen. Door de zaken die ze moesten weten te blokken, door zich daar niet innerlijk mee te verbinden, zijn ze ook niet innerlijk verbonden met de opgaven van hun beroep. Met hun ziel staan ze ver af van wat ze met hun hoofd uitvoeren.
Nu is er voor de totale wezenheid van de mens niets schadelijkers dan wanneer men met de ziel, met het hart, ver af staat van hetgeen de kop moet doen. Dat is niet alleen iets dat een fijngevoelige, sensitieve mens tegenstaat, het is iets dat in de hoogste mate de kracht en de energie van het menselijk etherlichaam beïnvloedt. Vooral het etherlichaam. Het ether- of levenslichaam wordt altijd zwakker en zwakker door dit zielloze bedrijven, door de geringe verbinding die bestaat tussen de menselijke zielekern en het doen. Hoe meer de mens iets moet doen wat hem niet interesseert, des te meer verzwakt hij zijn ether- of levenslichaam."
Onlangs presenteerde een ex-minister van cultuur enkele van zijn "nieuwe" ideetjes aan de pers. In het onderwijs zou hij graag alleen in de voormiddag les willen zien, in de namiddag alleen sport, praktische en kunstzinnige vakken. Hoe modern, een idee van Rudolf Steiner, bijna een eeuw oud. Toen was het revolutionair, tegenwoordig is dat een lapmiddel (wanneer het voormiddagonderwijs even zielloos blijft). Waarom stelt geen enkele minister of academicus het concept "school" in vraag of de zin van een Ministerie van Onderwijs ?
De oplossingen voor de 21ste eeuw zullen namelijk iets drastischer moeten zijn dan wat opslag te geven aan de leerkrachten of hen politiebevoegdheid toe te kennen ( zoals men in Frankrijk gedaan heeft).
* * * * * * * * * * Kritiek
Wanneer onze levensomstandigheden ons ertoe nopen regelmatig een elementair gebod voor de geestelijke ontwikkeling te overtreden, dan moeten we dat op rekening van ons karma schrijven. Blijkbaar moeten wij voor onze geestelijke ontwikkeling in dit leven niet in de eerste plaats concentratie- en meditatieoefeningen verrichten, maar wel eerst een deel van ons karma vereffenen met de personen met wie wij karmisch verbonden zijn.
Een onderwijzer bvb. kan fantastisch werk verrichten met de kinderen die hem toevertrouwd worden, maar de aard van dit beroep brengt mee dat hij relatief veel moet terechtwijzen, kritiek leveren op de prestaties van de kinderen omdat die niet het niveau halen dat hij verwacht. " Als jonge mens geraakt men dikwijls in conflict met oudere mensen, vooral met de eigen ouders. En dan leest men in "Hoe verkijgt men bewustzijn op hogere gebieden" dat men altijd tolerant moet zijn. Maar met de eigen ouders kan men die tolerantie zo moeilijk opbrengen. Wat doet men daarmee ?
Rudolf Steiner:
Dit voorval is terug een mooi praktisch voorbeeld van hoe men kritiek kan vermijden. In theorie had Rudolf Steiner evengoed kunnen preken:
" Sorry jongen, maar als jij kritiek uitoefent op je ouders, dan kun je een geestelijke ontwikkeling wel vergeten."
En hoe stond het nu weer in GA 10 "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden"?
"Wie van nature zulke gevoelens van eerbied en devotie kent of wie ze tot zijn geluk door een juiste opvoeding werden ingeplant, brengt veel mede, wanneer hij in zijn latere leven de toegang tot hogere kennis zoekt. Wie zulk een voorbereiding niet meebrengt, stuit reeds op hindernissen bij de eerste schreden op het Pad van kennis, indien hij niet het aankweken van een devote stemming met al zijn kracht onderneemt.
In onze tijd vooral is het van groot gewicht de volle aandacht op dit punt te vestigen.
Maar elke kritiek, elk vernietigend oordeel verdrijft evenzeer de hogere kenvermogens der ziel, als eerbied en toewijding ze ontwikkelen. Hiermede is niets gezegd ten nadele van onze beschaving. Het is geenszins de bedoeling hier kritiek op uit te oefenen. Juist aan de kritiek, het zelfbewust menselijk oordeel, het "onderzoekt alle dingen en behoudt het goede" hebben wij de grootheid van onze cultuur te danken. Nimmer hadden wetenschap, industrie, het verkeer, de rechtsverhoudingen van onze tijd zich ontwikkeld, als de mens niet op alles kritiek had uitgeoefend en de maatstaf van zijn oordeel had aangelegd.
Maar voor deze aanwinst op het gebied van uiterlijke beschaving moeten wij boeten met een overeenkomstig verlies aan hogere kennis, aan geestelijk leven. Er zij nog eens met nadruk op gewezen: in het hogere weten is geen sprake van verering voor mensen, maar alleen van verering voor kennis en waarheid.
Een ding echter zij ieder zich bewust: dat het namelijk voor degene die geheel in de uiterlijkheden van onze hedendaagse beschaving opgaat, een zware taak is tot inzicht in hogere wereldgebieden door te dringen. Hij zal dit alleen kunnen volbrengen als hij krachtdadig aan zichzelf werkt.
Vroeger, toen het materiele leven eenvoudiger van structuur was, was geestelijke ontplooiing ook gemakkelijker te bereiken. Het te vereren en heilig te houden ideaal tekende zich duidelijk af tegenover alle andere verhoudingen. In een tijdperk van kritiek worden de idealen naar omlaag getrokken. Andere gevoelens nemen de plaats in van verering, ontzag, aanbidding en bewondering. Onze tijd dringt deze gevoelens meer en meer op de achtergrond, zodat ze in het dagelijkse leven de mens nog slechts in zeer geringe mate toevloeien. Wie hogere kennis zoekt, moet deze gevoelens in zich wakker roepen; hij moet er zijn ziel van vervullen.
Dat kan men niet door studie, alléén door het leven. Wie leerling wil worden der geestesscholing moet zich door krachtige zelfopvoeding tot eerbied stemmen. Hij moet overal in zijn omgeving, in zijn ondervindingen datgene opzoeken wat hem bewondering en eerbied kan inboezemen.
Ontmoet ik een mens en laak ik zijn zwakheden, dan beroof ik mijzelf van kracht tot hogere kennis; tracht ik mij liefderijk in zijn goede eigenschappen te verdiepen, dan verzamel ik dergelijke krachten. Voortdurend moet de leerling indachtig zijn deze aanwijzing te volgen. Ervaren geestesvorsers weten welke kracht zij te danken hebben aan de omstandigheid dat zij aldoor weer in alle dingen het goede zien en een afbrekend oordeel terughouden.
Dit mag evenwel geen uiterlijke levensregel blijven. De mens heeft het in zijn macht zichzelf te vervolmaken, zich mettertijd geheel om te vormen. Maar die omvorming moet in zijn binnenste, in zijn gedachteleven worden voltrokken. Het is niet voldoende dat ik enig wezen in mijn uiterlijke gedragingen achting betoon. Ook in mijn denken, moet die achting aanwezig zijn. Hiermede moet de leerling der geestesscholing beginnen: hij moet devotie in zijn gedachteleven opnemen. Hij moet opmerkzaam worden op alle gedachten van oneerbiedigheid, van afbrekende kritiek, die in zijn bewustzijn opstijgen en zijn streven richten op het aankweken van gedachten van devotie en eerbied.
Telkenmale wanneer wij er ons toe zetten om gewaar te worden wat in ons bewustzijn leeft als afkeurende kritiek, als veroordeling van wereld en leven, worden wij nader gebracht tot hogere kennis.
* * * * * * * * * * Liegen
Een vrouw is getrouwd met een jaloerse man. Op een avond is ze aan het station blijven praten met een vriend die ze lang niet meer gezien had. Ze komt een kwartier later thuis dan gewoonlijk. Haar echtgenoot vraagt hoe het komt dat ze later van haar werk thuiskomt. "De trein had vertraging schat", zegt ze. Met deze leugen om bestwil vermijdt ze een - volgens haar zinloze- discussie en een ongezellige avond.
"Er is geen minder waar spreekwoord dan "De gedachten zijn vrij" - want iedere gedachte, ieder gevoel is een realiteit, en wanneer ik denk dat iemand een slecht mens is of ik bemin hem niet, dan is dat voor wie in de astrale wereld kan schouwen, als een pijl, als een bliksem die zich als een geweerkogel naar het astraallichaam van de ander beweegt en hem beschadigt.
Ieder gevoel, iedere gedachte is een wezenheid, een vorm in de astrale wereld en voor wie in deze wereld kan kijken is het dikwijls veel erger om te zien hoe iemand een slechte gedachte over een ander koestert dan wanneer iemand die ander fysiek schaadt.
Vertelt men over een mens een waarheid, dan wordt een gedachtevorm opgebouwd die de ziener naar vorm en kleur kan herkennen en die het leven van de ander versterkt. De gedachte die een waarheid bevat, gaat naar de wezenheid op wie zij betrekking heeft en stimuleert en vitaliseert deze wezenheid. Dus als ik een waarheid denk over mijn medemens dan versterk ik zijn leven. Spreek ik een leugen over hem, dan laat ik een vijandige kracht naar hem stromen die vernietigend, zelfs dodelijk werkt. Vandaar dat iedere leugen een moord is. Iedere waarheid vormt een levensbevorderend element, iedere leugen een levensbelemmerend element.
"Op het fysieke vlak is een leugen maar een woord, een voorstelling, een illusie. Ze kan veel onheil aanrichten, maar ze vernietigt niets. Op het astrale vlak zijn alle gevoelens, alle gedachten, zichtbare vormen, levendige krachten. Op het astrale vlak veroorzaakt een leugen een botsing tussen de valse en de ware vorm: ze doden elkaar."
* * * * * * * * * * Zijn de aanhangers van GAIA helderziend ?
Het feit dat een organisatie als GAIA bestaat wijst erop dat er een verhoogde gevoeligheid is voor het leed van dieren. Dat is tamelijk nieuw in de geschiedenis van de Westerse mensheid. Eeuwenlang nam men het woord uit Genesis als richtsnoer:
De mens heeft natuurlijk een karmische vereffening in het kamaloka voor de pijn die hij bij het dier veroorzaakt heeft, maar daarover ga ik nu niet spreken, ik spreek van de vereffening van de kant van het dier. We moeten ons een gedachte klaar voor de geest stellen. Wanneer we de mensheidsontwikkeling beschouwen, dan zien we hoeveel leed de mens over het dierenrijk heeft uitgestrooid en hoeveel dieren hij heeft gedood. Wat betekenen deze pijnen, deze dood in de loop van de evolutie ?
De occulte studie toont ons dat iedere pijn die aan een pijnvoelend wezen buiten de mens veroorzaakt wordt, dat iedere dood een kiem voor de toekomst is. Zoals de dieren gewild zijn door de voortschrijdende goddelijke ontwikkeling, zijn ze niet bestemd om incarnaties door te maken zoals de mens. Maar wanneer een wijziging intreedt in dit wijsheidsvol wereldplan, wanneer de mens ingrijpt en de evolutie van de dieren niet laat verlopen zoals ze zonder de aanwezigheid van de mens had geweest, wat gebeurt er dan? Welnu, het occult onderzoek leert ons dat ieder leed, iedere dood die de mens het dier aandoet, dat die toch allemaal terugkeren en wederopstaan, niet door incarnatie, maar omdat de dieren pijn en leed aangedaan werd.
Dit leed, deze pijn roepen de dieren weer terug. De dieren die pijn geleden hebben komen evenwel niet in dezelfde vorm terug, maar datgene in hen wat de pijn gevoeld heeft, dat komt terug. Het komt terug op dusdanige wijze dat de pijnen der dieren vereffend worden, zodanig dat iedere pijn het tegenovergestelde gevoel oproept. De pijn, het lijden, de dood, dat zijn de kiemen die de mens uitgezaaid heeft; ze komen zodanig terug dat elke pijn in de toekomst zijn tegendeel meebrengt.
Om een concreet voorbeeld te gebruiken:
Dat is de occulte waarheid die men objectief en ongeschminkt kan uitspreken, ook al hoort de tegenwoordige mensheid die niet graag. De mens zal er eens onder lijden, en het dier zal een vereffening voor zijn lijden krijgen door een bepaald goed gevoel, een aangename gewaarwording.
Dat gebeurt ook nu al stilaan in de loop van dit aardeleven, hoe zonderling het ook schijnt. Want waarom worden de mensen geplaagd door wezens die eigenlijk noch dier, noch plant zijn, maar die tussen de twee staan, bacillen en dergelijke, die er een goed gevoel bij hebben wanneer de mens door hun aanwezigheid lijdt ?
Dit lot hebben die mensen zichzelf bereid door in vorige incarnaties dieren te pijnigen en ter dood te brengen.
Hoewel het dier niet meer in dezelfde vorm verschijnt, toch neemt het zijn gevoel mee door de tijd en ervaart een vereffening van zijn lijden in het leed dat de mens dan moet doormaken. Aldus is al wat er bestaat aan lijden en pijn nooit zonder gevolg. Het is een kiem waaruit ontspruit hetgeen door smart en leed en dood veroorzaakt werd. Er kan geen leed, geen pijn, geen dood bestaan zonder dat daardoor niet iets bewerkstelligd wordt dat later vrucht draagt."
* * * * * * * * * *
Het verschil tussen Jezus en Christusdoor Jan Vermeir Deze tekst is een vervolg op het artikel "Over de twee Jezuskinderen" uit de Brug nr. 37, en daarom vangen wij meteen aan waar wij de vorige keer gestopt zijn: bij de doop van Jezus in de Jordaan. In "Het vijfde evangelie" verhaalt Rudolf Steiner dat Jezus, toen hij ongeveer dertig jaar was, op een dag een diep en innig gesprek had met zijn moeder, waarin hij haar vele dingen vertelde over de smartelijke gebeurtenissen die hij tussen zijn twaalfde en dertigste jaar had meegemaakt en de innerlijke droefheid die hij daardoor voelde; en dat hij zich na dit gesprek, toen uit zijn lichaam de individualiteit van Zarathoestra geweken was, naar de Jordaan begaf om er zich te laten dopen door Johannes de Doper:
"...De gehele ontzaglijke smart, het ontzettende leed van Jezus, dat zich aan zijn ziel ontworstelde, stortte zich uit in de ziel van de moeder en zij voelde zich één met hem. Jezus echter had de gewaarwording alsof alles wat er sedert zijn twaalfde jaar in hem leefde was verdwenen tijdens dit gesprek... Sinds dat gesprek leek hij totaal veranderd, zo veranderd dat zijn broers of stiefbroers en de andere familieleden die in zijn omgeving waren de indruk kregen dat hij zijn verstand verloren had. Wat jammer, zeiden ze, hij wist zoveel; hij was altijd al heel zwijgzaam, maar nu is hij volkomen abnormaal geworden, nu heeft hij zijn verstand verloren! Men beschouwde hem als een verlorene.
Een tijd geleden had ik eens een gesprek met iemand die beweerde dat hem regelmatig "Jezuske en moederke Maria verschenen" (sic). Deze mens had ook nog, naar het bleek, een grondige kennis van de Bijbel, en toen ik in de loop van het gesprek opperde dat Jezus niet geboren is als de zoon van God, maar dat hij Gods zoon geworden is tijdens zijn doop in de Jordaan, antwoordde hij resoluut, zeker als hij was van zijn zaak, dat Jezus geboren werd in Bethlehem als de zoon van God, en dat er op dat punt geen discussie mogelijk was. Achteraf heb ik deze bewering voorgelegd aan een theoloog, en deze bekrachtigde dit standpunt. Ook de kerkvader Augustinus (354-430) was die mening toegedaan (zie verder).
Werd Jezus geboren als de zoon van God ?
Van de vier evangelisten vertellen alleen Mattheüs en Lukas -ieder volgens hun eigen zienswijze- het geboorteverhaal van Jezus. Dat had de Manichese bisschop Faustus, een tijdgenoot van Augustinus, goed begrepen, want toen hij eens een toespraak hield voor een groot publiek, vroeg iemand uit de menigte hem of hij geloofde dat Jezus uit Maria geboren was. Vooraleer te antwoorden vroeg hij de vraagsteller: "Welke Jezus bedoelt u, want bij de Hebreeuwen is dit een naam die veel voorkomt. De zoon van Nun, de opvolger van Mozes, heette Jezus, een andere was de zoon van de hogepriester Josedech, nog een andere zou één van de zonen van David geweest zijn, en nog een andere de zoon van God. Van dewelke vraagt u of ik geloof dat hij uit Maria geboren is? Zijn antwoord was: de zoon van God, natuurlijk. Op grond van welke bron, zei ik, mondeling of schriftelijk, moet ik dat aannemen? Hij antwoordde: op grond van wat Mattheüs geschreven heeft. En wát dan, vroeg ik, heeft Mattheüs geschreven? Hij antwoordde: het boek van de generatie van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham (Mt.1:1). Ik zei hem vervolgens: ik was al bang dat u zoudt geantwoord hebben: het boek van de generatie van Jezus Christus, de zoon van God; want dan zou ik u verbeterd hebben. En alhoewel u het vers nauwkeurig geciteerd hebt, raad ik u niettemin aan om op de exacte woorden te letten. Mattheüs geeft geen opsomming van de generatie van de zoon van God, maar van de zoon van David." (Uit "Contra Faustum Manichaeum ")
En wat zegt Lukas over Jezus, de zoon van God?
Lukas zegt hier dat Jezus een zoon van de Allerhoogste, en zoon Gods zal genoemd worden. Als men afgaat op die woorden, zou men inderdaad moeten erkennen dat Jezus geboren werd als zoon Gods. Maar er is een andere uitleg: Lukas somt de stamboom van Jezus op, beginnend met Jezus, waarna een ganse reeks van namen volgt gaande tot David en verder tot Abraham, en nog verder tot hij tenslotte tot bij Adam komt, die hij noemt "de zoon van God". In het gedeelte van de Brug nr. 37 dat handelt over de twee Jezuskinderen, wordt uiteengezet dat vóór de Zondeval een deel van de Adam-ziel werd achtergehouden in de geestelijke sfeer van de aarde, opdat dit later als een rein wezen, zonder schuld en zonder zonde, voor de eerste maal op aarde zou kunnen incarneren als de Jezus die in het Lukas-evangelie genoemd wordt (de Nathanische Jezus).
De doop van Jezus in de Jordaan
Een gebeuren dat een centrale plaats inneemt in alle vier de evangeliën, is de doop in de Jordaan door Johannes de Doper; de evangelies volgens Markus en Johannes vangen er zelfs mee aan. Hieruit kunnen wij afleiden dat dit een gebeuren van de allerhoogste orde moet geweest zijn. Waarom de evangelisten daaraan zo'n belang gehecht hebben, is omdat de Christusgeest op het ogenblik van de doop in de Jordaan afgedaald is in Jezus en zich daar verbonden heeft met diens fysieke, etherische en astrale organisatie. Op dat ogenblik is Jezus de Christus Jezus geworden, de zoon van God. Daarom ook vangt het evangelie volgens Markus aan met de woorden:
"Aanhef van het evangelie van Jezus Christus, de zoon van God."
"Een doop in de oude tijden was nog heel iets anders dan hij later is geworden, namelijk slechts een symbolische handeling. Johannes de Doper voerde de doop ook heel anders uit. Wie gedoopt werd, werd met zijn volledige lichamelijkheid, met zijn gehele lichaam in het water gedompeld.
Nu weet u echter door de verschillende voorbereidende antroposofische voordrachten, dat zich bij zo'n gebeurtenis iets heel bijzonders kan voordoen. Ook in het gewone leven -bijvoorbeeld als een mens bijna verdrinkt en een schok krijgt- kan het gebeuren dat hij zijn gehele leven als een groot schilderij voor zich ziet staan. Dat komt omdat dan voor een heel kort moment de situatie intreedt die anders alleen na de dood intreedt: het etherlichaam wordt uit het fysieke lichaam getild, het raakt los van de macht die het fysieke lichaam er over heeft. Dat voltrok zich heel in het bijzonder bij de doop van de Nathanische Jezus: zijn etherlichaam werd naar buiten getrokken. En gedurende dat ogenblik kon dat verheven wezen, dat wij het Christuswezen noemen, in het lichaam van de Nathanische Jezus onderduiken en bezit van hem nemen.
Zo is dus, sinds de doop door Johannes, de Nathanische Jezus doordrongen van het Christuswezen. Dat is de betekenis van de woorden die in de oudere evangeliehandschriften staan: 'Dit is mijn zeer geliefde zoon, heden heb ik hem verwekt' - dat wil zeggen, nu is de zoon des hemels, de Christus verwekt. De bevruchting kwam tot stand door de ongedeelde godheid die door de wereld weeft, en de ontvangenis vond plaats in het lichaam en het gehele verdere organisme van de Nathanische Jezus, die er op was voorbereid om de bevruchtende kiem uit de hogere wereld te ontvangen. 'Deze is mijn zeer geliefde zoon, heden heb ik hem verwekt', zo stond het vroeger in de oudere handschriften van de evangeliën, en zo zou het dus eigenlijk naar waarheid in de evangeliën moeten staan". Volgens Rudolf Steiner zouden in de oudere evangelieteksten dus de woorden "Heden heb ik u verwekt" opgetekend staan. Wij hebben enkele hedendaagse bijbeluitgaven (waaronder o.a. een Griekse) geraadpleegd, en in de betreffende passage is bij Mattheüs, Markus en Lukas, de synoptici onder de evangelisten, nergens deze uitdrukking te vinden. Zij vermelden enkel: "Deze is mijn geliefde zoon, in wie ik mijn welbehagen heb." Alleen bij H.A.P.J. Ogilvie, die een tijd geleden het Nieuwe Testament opnieuw uit het Grieks vertaald heeft, vinden wij de woorden "Heden heb ik u verwekt" - en dan nog enkel in het Lukas-evangelie. Maar Ogilvie is dan ook een geestelijke in de Christengemeenschap (in Steiners' tijd opgericht door enkele antroposofisch georiënteerde priesters), en mogelijk heeft hij zich in zijn vertaling laten inspireren door de hierboven aangehaalde uitspraak van Steiner.
De evangelist Johannes verwoordt het anders, waar hij Johannes de Doper laat uitspreken: "Ik heb aanschouwd dat de geest nederdaalde uit de hemel gelijk een duif; en hij bleef op hem. Ook ik wist niet van hem..."(Joh. 1:32). Van wie wist de Doper niet? Van Christus of van Jezus? Dat hij Jezus niet zou gekend hebben is nogal onwaarschijnlijk: beiden waren immers achterneven, want Elisabeth, de moeder van Johannes, was de nicht van Maria, Jezus' moeder; en in "Het vijfde evangelie" beweert Steiner dat Johannes en Jezus elkaar lang vóór de doop in de Jordaan regelmatig ontmoet hebben. En indien Jezus reeds de Christus, de zoon van God was vóór de doop in de Jordaan, dan is het toch merkwaardig dat Johannes, die toch één van de grootste profeten geweest is en een ingewijde van de allerhoogste rang, dat niet zou geweten hebben; Bovendien is het best mogelijk dat ook in het Johannes-evangelie oorspronkelijk het gezegde "Heden heb ik u verwekt" gestaan heeft. In zijn brief aan de Hebreeuwen, hfdst. 1, verzen 4-5, schrijft Paulus immers: "...En toen hij de reiniging der zonden had bewerkt [Paulus citeert hier vrij naar Johannes de evangelist: "Zie het lam Gods dat de zondelast der wereld op zich neemt" (Joh. 1:29)] heeft hij zich gezet ter rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen en is zoveel verhevener geworden dan de engelen als de naam, die hij geërfd heeft, zich van hun namen onderscheidt. Want tot wie van de engelen heeft God ooit gezegd: 'Mijn zoon zijt gij, ik heb u heden verwekt.'
De apocriefe evangeliënDe canon, de lijst der geschriften die door de Kerk in de Bijbel werden opgenomen, werd vastgelegd op het einde van de vierde eeuw. Maar er bestaat ook een groot aantal religieuze geschriften die niet in de canon werden opgenomen omdat ze als niet in overeenstemming met het christendom of als ketters beschouwd werden. Zo bestaan er naast de vier evangelies, nog een aantal andere die in het vergeetboek of in onbruik geraakt zijn, waardoor weinige van deze werken volledig bewaard gebleven zijn. Enkele van die "apocriefe" (verborgen) geschriften, zoals deze genoemd worden, zijn gekend als de evangelies van de Nazarenen, van de Hebreeën en van de Ebionieten; deze drie evangelies vertonen een sterke overeenkomst met het evangelie volgens Mattheüs. Uit de twee laatste evangelies hebben wij elk een fragment gekozen die de stelling zouden moeten staven dat de verbinding van het Christuswezen met het lichaam van Jezus tot stand gekomen is tijdens de doop in de Jordaan. Uit het evangelie van de Ebionieten (de naam "Ebionieten is ontleend aan het Hebreeuwse woord "ebjoniem", dat "arm" betekent in de zin van "vroom"): "Toen het volk gedoopt was, kwam ook Jezus en hij werd door Johannes gedoopt. En toen hij uit het water kwam, gingen de hemelen open en hij zag de Heilige Geest in de vorm van een duif. Deze daalde neer en ging bij hem naar binnen. En een stem uit de hemel sprak: 'Jij bent mijn geliefde zoon in wie ik een welgevallen heb. En verder: Ik heb je vandaag verwekt.' En op hetzelfde ogenblik werd die plaats omgeven door een groot licht..." Epiphanius (315-403), bisschop van Salamis (Cyprus), die een hevig bestrijder was van ketterse groeperingen, beweerde dat de Ebionieten het Mattheüs-evangelie, waarop dezen zich boven alles beriepen, vervalst en verminkt hebben, o.m. omdat zij geloofden dat Jezus geboren werd uit het zaad van een mens, en pas de zoon van God werd bij zijn doop in de Jordaan; daartegenover merkt Helena P. Blavatsky in haar boek "Isis ontsluierd" op dat de Ebionieten toch wel meer moeten geweten hebben van Jezus, die in hun eigen tijd leefde, dan Epiphanius 400 jaar later. In het evangelie der Hebreeën klinken de woorden lyrischer, maar inhoudelijk stellen zij eigenlijk hetzelfde voor als in het fragment hierboven: "Het geschiedde echter, dat toen de Heer uit het water kwam, de hele bron van de Heilige Geest neerdaalde en op Hem bleef rusten en tot hem zei: 'Mijn zoon, onder alle profeten heb ik op jou gewacht dat je zou komen en ik in jou zou rusten. Want jij bent mijn rust. Jij bent mijn eerstgeboren zoon, die in eeuwigheid zal regeren.'"
De canonieke en de apocriefe evangeliënVele keren heeft Christus tot een grote massa mensen gesproken, en bij velen hebben zijn woorden een diepe indruk nagelaten. Als een soort natuurkracht welde de ware betekenis van Christus' uitspraken in de zielen van deze mensen op, en zonder er diep over na te denken konden zij deze uitspraken, die dikwijls in beelden en gelijkenissen weergegeven waren, in hun gemoed begrijpen en op de juiste manier interpreteren. Maar toen Christus en ook degenen die met hem in een vertrouwelijke relatie gestaan hadden, gestorven waren, kon men niet meer rechtstreeks putten uit deze directe levensbronnen. Enkel nog de mondelinge en geschreven overleveringen bleven over, en allengs begonnen velen zich vragen te stellen over de inhoud van deze overleveringen, het begrip voor de ware zin ervan begon te verdwijnen. Zo bericht Papias (60-130), Bisschop van Hiërapolis (Phrygië) en leerling van de apostel Johannes: "Mattheüs verzamelde de uitspraken en eenieder vertaalde ze zo goed hij kon". Daaruit kunnen wij besluiten dat de vertalers die uitspraken moeten verwoord hebben volgens hun eigen persoonlijke interpretaties, en hierdoor zou, in dit geval, het evangelie volgens Mattheüs ons niet meer in zijn oorspronkelijke tekst overgeleverd zijn. Nog minder begrepen de latere kerkvaders iets van die oorspronkelijke geschriften; zij konden nog slechts de koude abstracte en weinig geestrijke manier van denken produceren die zo kenmerkend is voor de Roomse Kerk. Daarom is het ook niet verbazingwekkend dat later, in het jaar 869 tijdens het Concilie van Constantinopel, de geest gewoon werd afgeschaft. Want daar heeft de kerkelijke hiërarchie beslist dat de mens enkel bestaat uit lichaam en ziel; en weliswaar heeft men eraan toegevoegd dat er aan de ziel toch enige geestelijke eigenschappen konden toegeschreven worden, maar dat was om een beetje tegemoet te komen aan enkele dwarsliggers die er hoegenaamd niet mee konden instemmen dat de mens geen geest zou hebben.
Hoe dan ook hebben de kerkvaders uit de vierde eeuw een aantal oorspronkelijke religieuze oorkonden verworpen en gekwalificeerd als zijnde onchristelijk of ketters. En het is niet alleen uit onwetendheid (of uit niet-meer-weten), maar ook uit onwil dat zij dit gedaan hebben, en zelfs waren er die er niet voor terugschrokken om bedrog te plegen door sommige authentieke religieuze geschriften doelbewust te vervalsen.
Eerste voorbeeld "Het is toch zo, dat in deze ganse passage van de generatie [Faustus verwijst hier naar het geslachtsregister van Jezus in het Mattheüs-evangelie] geen melding gemaakt wordt van de zoon van God, tot we bij de doop komen; daarom is het een kwalijke verkeerde veronderstelling van uwentwege om over deze schrijver zo te spreken als zou hij beweerd hebben dat de zoon van God geboren is uit een maagd. In werkelijkheid lijkt de schrijver zich hiertegen hevig te verzetten, want hij wil zich vrijpleiten van zulk een godslastering door in de titel zelf van zijn boek te vermelden dat de persoon wiens geboorte hij beschrijft de zoon van David is, en niet de zoon van God. En indien u nauwkeurig let op de bedoeling van de schrijver, dan zult u zien dat hij ons ervan wil overtuigen dat Jezus niet als Gods zoon geboren werd uit Maria, maar dat hij de zoon van God werd bij zijn doop in de Jordaan. Hij zegt ons dat de persoon die hij in het begin [van zijn evangelie] noemde als de zoon van David, dat deze, toen hij volgens Lukas ongeveer dertig jaar oud was, door Johannes gedoopt werd en de zoon van God werd op het ogenblik dat een stem [uit de hemel] gehoord werd die tot hem zei: 'Gij zijt mijn zoon, heden heb ik u verwekt.' Hieruit blijkt dat degene die dertig jaar daarvoor uit Maria geboren werd, niet de zoon van God was, maar dat hij het werd bij de doop in de Jordaan...".
Even verder haalt Faustus nog eens de woorden van de stem uit de hemel aan, maar dan in exact dezelfde bewoordingen als in het evangelie van de Ebionieten: "Gij zijt mijn zoon, heden heb ik u verwekt, of, dit is mijn geliefde zoon in wie ik een welbehagen heb". En of hij nu de oorspronkelijke tekst van het Mattheüs-evangelie kende of niet (het is beslist mogelijk dat hij daar weet van had omdat hij enkele jaren als noviet aangesloten geweest is bij de orde der Manicheeërs), dat doet er niet toe; het enige wat hem dreef, was dat hij de Manicheeërs verafschuwde omdat ze volgens hem ketters waren en hij als dusdanig ook de geschriften waarop dezen zich baseerden als ketters beschouwde.
Tweede voorbeeld In een brief gericht aan de bisschoppen Chromatius en Heliodorus schrijft hij: "Mij is een moeilijk werk opgelegd, nu uwe eminenties mij bevolen hebben deze vertaling te maken, die Mattheüs, de apostel en evangelist zelf, niet openlijk geschreven wilde hebben... Want hij schreef zijn boek, verzegeld in Hebreeuwse letters [het boek is geschreven in het Aramees, maar de Aramese woorden zijn weergegeven in Hebreeuwse lettertekens], en schreef het zelfs op zulk een wijze, dat het boek, geschreven in Hebreeuwse letters en met zijn eigen hand, in het bezit zou kunnen komen van de meest godsdienstige mensen...". En verder voegt Hiëronymus eraan toe: "En het geschiedde dat dit boek... dingen blootlegde, niet ter opbouwing doch ter vernieling, en dat dit boek werd goedgekeurd in een synode, waarnaar de oren der Kerk terecht weigerden te luisteren...".
Rudolf Steiner, die ook deze passage bij Blavatsky gelezen heeft, zegt dat wat zij schrijft, de werkelijke feiten zijn en dat deze door het occult onderzoek kunnen bevestigd worden. "En wat deed Hiëronymus daarom? Hij liet de dingen weg die volgens hem en volgens de kerkelijke opvattingen van zijn tijd schadelijk zouden kunnen werken, en hij verving ze door andere dingen. Maar wij kunnen nog meer uit zijn geschriften opmaken, en dat is nu het bedenkelijkst van al: Hiëronymus wist namelijk, dat het Mattheüs-evangelie enkel kan begrepen worden door mensen die in bepaalde geheime zaken ingewijd zijn - en hij bekende ook, dat hij niet tot zulke mensen behoorde. Dat betekent dus, dat hij toegaf, dat hij het Mattheüs-evangelie niet begreep! En toch vertaalde hij het. Zo werd ons het Mattheüs-evangelie ter beschikking gesteld door iemand die het zelf niet begrepen heeft, en die daarna zelfs zodanig aan zijn eigen versie gewend raakte, dat hij nadien alles wat men over het Mattheüs-evangelie beweerde als ketters bestempeld heeft, wanneer het niet in zijn vertaling stond!" ( Uit "Von Jesus zu Christus"). Dat er in de oorspronkelijke evangeliën een aantal woorden en uitdrukkingen op zijn minst verkeerd begrepen en dus ook verkeerd vertaald geworden zijn, toont, om er maar één uit de vele te kiezen, ook nog het volgende voorbeeld aan: in het evangelie volgens Mattheüs, hfdst. 5, vers 3, staat er dat Christus zegt: "Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het rijk der hemelen." Wat voor een zin heeft deze uitspraak nu? Wilde Christus daarmee zeggen dat men beter niet al teveel geest moet hebben om zalig te worden, of bedoelde hij dat de zaligheid te beurt valt aan de onnozelaars, aan de simpelen van geest? Uit dat gezegde van Christus kunnen wij niet anders concluderen dan dat het een deugd is om zoniet onnozel, dan toch min of meer geestloos te zijn of te worden (zoals de Kerk het maar al te graag zou willen), want zo verwerft men de zaligheid in alle eeuwigheid. Maar Rudolf Steiner beweert dat uit occult onderzoek blijkt dat Christus heeft gezegd: "Zalig zij die zoeken naar de geest." Deze woorden houden nu precies het tegenovergestelde in en zijn ook zeer zinvol en volledig in overeenstemming met de ware geest van het christendom, want men moet niet de wil hebben om naar geestloosheid te streven, maar de wil om naar de geest te zoeken. Als men kan aantonen dat wij juist wel naar de geest moeten zoeken, als men kan aantonen dat Jezus niet uit een maagd geboren werd (maar uit het zaad van een mens zoals de Ebionieten geloofden), als men kan bewijzen dat er niet één maar twee Jezuskinderen geleefd hebben, en als men kan bewijzen dat Jezus niet vanaf zijn geboorte de zoon van God was, dan dient het evangelie inderdaad niet ter opbouwing maar ter vernieling, zoals Hiëronymus beweert. Maar ter vernieling van wat? Ter vernieling van de gevestigde Kerk, want dan zou de hele kerkelijke leer als een zeepbel uiteenspatten en dan zou de Kerk als instituut zichzelf moeten opheffen.
Elk woord uit het evangelie op een goudschaaltje leggenOp de vraag hoe wij de teksten uit de religieuze documenten op de juiste wijze kunnen beoordelen, antwoordt Rudolf Steiner: door zich te bedienen van de resultaten van het geesteswetenschappelijk onderzoek. Hijzelf heeft, los van alle religieuze documenten, vanuit zijn occulte vermogens op een geesteswetenschappelijke manier onderzocht wat er zich destijds in Palestina heeft afgespeeld, en achteraf heeft hij de evangeliën vergeleken met zijn eigen occulte bevindingen hieromtrent. Natuurlijk kunnen wij ons niet beroepen op occulte vermogens zoals Steiner die had, maar wij kunnen wel, zoals hij meermaals gezegd heeft, "elk woord uit het evangelie op een goudschaaltje leggen, wil men de ware betekenis ervan begrijpen"; en als wij ons grondig zouden verdiepen in alles van wat hij ons als resultaat van zijn geesteswetenschappelijk onderzoek nagelaten heeft met betrekking tot een juiste interpretatie van de teksten uit de religieuze documenten - en dat is zéér veel, zouden wij deze geschriften al voor de helft in hun oorspronkelijke betekenis kunnen herschrijven.
Tot slot volgen hieronder twee fragmenten uit lezingen van Rudolf Steiner waarin hij de methode uitlegt waarop het geesteswetenschappelijk onderzoek stoelt bij het verklaren van religieuze teksten. Uit "Voordrachten over het evangelie volgens Johannes", GA 103:
"Als mensen [die deskundig zijn op taalkundig gebied] ..., zich nu gaan bezighouden met documenten die over geestelijke zaken berichten, zoals bijvoorbeeld met het evangelie volgens Johannes, als dus zulke alleen-maar-taalkundigen zich daarmee bezighouden, -en zelfs de theologische onderzoekers van een zeker soort zijn heden ten dage eigenlijk alleen-maar-taalkundigen met betrekking tot de inhoud van zulke boeken- hoe staat de vertegenwoordiger van de geesteswetenschap dan tegenover zulke onderzoekers? Wij keren nog eens terug naar de vergelijking met de wiskunde van Euclides [Steiner vergelijkt hier een taalkundige met een wiskundige, die beiden een wiskundeboek van Euclides zouden willen vertalen, waarbij de eerste echter weinig noties heeft van wiskunde en de tweede niet erg taalvaardig is].
Wie zal daarvan de beste verklaring geven? Diegene die op zijn manier in goede bewoordingen het boek kan vertalen en die helemaal geen idee heeft van de wiskundige inzichten? Daar zal wat moois uit komen, als zo iemand die niets van wiskunde kent zich met de wiskunde van Euclides gaat bemoeien! Maar als iemand geen gespecialiseerde taalkundige is en hij gaat toch vertalen, dan zal hij, als hij verstand heeft van wiskunde, het boek op zijn waarde kunnen beoordelen en weergeven. Zo verhoudt zich ook de vertegenwoordiger van de geesteswetenschap tot het evangelie volgens Johannes, in tegenstelling tot veel andere onderzoekers. Tegenwoordig wordt dat evangelie vaak verklaard, zoals de taalkundigen de wiskunde van Euclides zouden verklaren. Maar de geesteswetenschap stelt zelf de inzichten in de geestelijke werelden, die in het evangelie volgens Johannes zijn opgetekend, ter beschikking.
Zo verkeert dus de geestesvorser ten aanzien van dit evangelie in dezelfde positie als de wiskundige ten aanzien van Euclides: hij brengt al mee, wat hij in het evangelie volgens Johannes kan vinden." Uit "Das Johannes-Evangelium im Verhältnis zu den drei anderen Evangelien", GA 112 :
"Alles wat er in de zintuiglijk-fysieke wereld gebeurt, heeft zijn tegenbeeld in de geestelijke wereld. Wanneer ik mijn hand beweeg, dan is er niet alleen dat aanwezig wat mijn oog ziet als de beweging van mijn hand, maar achter de bewegende hand, achter het beeld van de hand liggen bijvoorbeeld mijn gedachte en mijn wil: mijn hand zal zich bewegen. Altijd ligt daar iets geestelijks achter. Terwijl de zintuiglijke indruk van de handbeweging verdwijnt, blijft er van het geestelijk tegenbeeld altijd een spoor achter in de geestelijke wereld, zodat wij, wanneer ons geestesoog geopend is, de sporen kunnen nagaan van de geestelijke tegenbeelden van alle dingen die er in de wereld gebeurd zijn. Niets kan er in de wereld gebeuren zonder sporen na te laten.
Laat ons eens aannemen dat de geestesonderzoeker in zijn geestesblik teruggaat tot bij Karel de Grote of tot in de Romeinse of de Griekse tijd. Alle dingen die daar toen gebeurd zijn, hebben in de geestelijke wereld een spoor achtergelaten van de oerbeelden van die dingen. Het schouwen van die sporen die alle gebeurtenissen achterlaten in de geestelijke wereld, noemt men het 'lezen in de Akasha-kroniek'. Er bestaat zulk een levende schrift, dat het geestelijk oog kan zien. En wanneer de geestesvorser de gebeurtenissen in Palestina of de ervaringen van Zarathoestra beschrijft, dan beschrijft hij niet wat in de Bijbel of in de Gatha's staat, maar wat hij zelf in de Akasha-kroniek kan lezen. En daarna wordt er onderzocht of men dat wat men in de Akasha-kroniek ontcijferd heeft, ook vindt in de oorkonden, in ons geval de evangeliën dus.
En wanneer er in de oorkonden hetzelfde staat als wat er in de Akasha-kroniek gevonden werd, dan betekent dit dat wat er in de oorkonden staat, waar is, en verder, dat die geschreven werden door mensen die ook in de Akasha-kroniek konden schouwen. Op die manier is de geesteswetenschap in staat de oorspronkelijke teksten van de religieuze en andere oorkonden op te sporen."
Bronnen:
* * * * * * * * * * * * * * * Ontmoeting met een ongeborene ?
Iedereen herinnert zich nog wel de succesfilm van Steven Spielberg "Close Encounters of the Third Kind", over UFO's die in Amerika landen en ruimtewezens die contact maken met de aardbewoners. Echte liefhebbers zullen zich ook de naam van een hoofdrolspeler herinneren, Richard Dreyfuss, die ook al in de even beroemde "Jaws" speelde. De carrière van deze acteur ging pijlsnel omhoog. Op zijn 29ste kreeg hij een Oscar voor zijn rol in "The Goodbye Girl". Later ging het bergaf met hem en hij geraakte verslaafd aan drank en drugs. Op het moment dat de film "Close Encounters" gedraaid werd zat hij al vijf jaar aan de cocaïne. Hij vertelt hoe hij er van af geraakte:
Zo krijgen de mensen een klein lesje in antroposofie in een populair tijdschrift als Humo (september 1997 - nr. 2976). Ze lezen het en bemerken niet de tegenstrijdigheid: als dat het meisje was dat Dreyfuss die dag kon doodgereden hebben, dan kon het niet tegelijk zijn ongeboren dochter zijn. Ofwel zag hij een ongeboren ziel, ofwel de ziel van een meisje dat al -en nog- leefde.
* * * * * * * * * *
|