Inhoudstafel van Brug 37:

Editoriaal

Jan Vermeir over de twee Jezuskinderen

Albert Steffen: het leven neemt een wending

Albert Steffen: korte biografie

Albert Steffen: Kunst in het teken van Michaël

Albert Steffen: de bestemming van het Kwaad

Albert Steffen: opdrachtverklaring

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*








Zeer kleine speeldoos

							Paul van Ostaeyen

Amarillis
hier is
in een zeepbel
Iris

Hang de bel
aan een ring
en de ring
aan je neus
Amarillis

Schud je 't hoofd
speelt het licht
in de bel
met Iris
schud je fel
breekt de bel
Amarillis

Waar is
Iris
Iris is hier geweest
Amarillis
aan een ring
en de ring
aan jouw neus

Wijsneus
Amarillis









Beste Lezer,



Wie is Amarillis ? Zij is de persoon die het uitzicht van deze en de volgende Brug bepaalt ! Van haar kregen we een lang artikel over
Albert Steffen (geschreven door Angela Matile en vertaald door Wilma Develter). We dachten eerst een gans nummer te vullen met dit artikel over en andere teksten door Albert Steffen. Uiteindelijk hadden we teveel materiaal en daarom spreiden we 't over twee afleveringen van De Brug.

De artikels in dit nummer zouden jullie nieuwsgierigheid moeten wekken. Wie Albert Steffen dan wel is, daarover meer in december.

Ook goed nieuws voor alle mensen die zich afvroegen wat er toch met Jan Vermeir zou gebeurd zijn: hij is terug !
Aan hem de eer om het eerste nummer van onze tiende jaargang te openen.

François De Wit.



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Over de twee Jezuskinderen

door Jan Vermeir.

Rudolf Steiner heeft meer dan eens gesproken over de twee Jezuskinderen. Volgens hem zijn er in Bethlehem twee Jezuskinderen geboren uit twee verschillende ouderparen; de kinderen kregen allebei de naam Jezus en bovendien heetten beider vader en moeder respectievelijk Jozef en Maria.
Zijn er in het Nieuwe Testament aanwijzingen te vinden die wijzen op het bestaan van twee Jezuskinderen ?

Wij bekeken de tegenstrijdigheden in de evangelies volgens Mattheüs en Lukas, de enige twee van de vier evangelisten die ons iets overgeleverd hebben over het leven van Jezus vóór zijn doop in de Jordaan, en wij hebben wel één en ander gevonden dat de bewering van Rudolf Steiner kan staven.

1. De vlucht naar Egypte: alleen bij Mattheüs

Het evangelie volgens Mattheüs verhaalt dat, toen Jezus in Bethlehem geboren was, aan Jozef in de droom een engel des Heren verscheen die zei:
"Sta op, neem het kind en zijn moeder tot u en vlucht naar Egypte en blijf daar totdat ik wederom tot u spreek; want Herodes zal trachten het kind te doden. Hij stond op en nam in de nacht het kind en zijn moeder tot zich en vluchtte naar Egypte." (Mt. 2:13-14).
De dreiging van Herodes de Grote, de koning van Judea, was reëel, want nadat de drie priesterwijzen uit het Oosten navraag gedaan hadden waar de koning der Joden (doelende op Jezus) geboren was, liet hij in Bethlehem en omgeving alle knaapjes tot twee jaar om het leven brengen. Herodes wilde immers zijn koningschap te allen prijze veilig stellen.
Niets van die dramatische gebeurtenissen vinden wij terug in het Lukas-evangelie: geen dreiging door Herodes, geen vlucht naar Egypte, geen kindermoord. Integendeel, het lijkt alsof dit alles volkomen verleden tijd is en het leven in Bethlehem zijn normale gang teruggevonden heeft: de besnijdenis van Jezus, het vervullen van de dagen der reiniging (volgens de wet van Mozes moest een vrouw een reinigingsperiode van 40 dagen in acht nemen na het baren van een zoon), het opdragen van het kind aan de Heer en de offergaven in Jeruzalem, waarna de familie terugkeert naar Galilea, naar haar stad Nazareth.

2. De herkomst van Jozef en Maria

Het evangelie volgens Lukas vermeldt dat Jozef en Maria, de ouders van Jezus, afkomstig waren uit het noordelijk deel van Palestina, meer bepaald uit de stad Nazareth in de landstreek Galilea:

"Zo trok ook Jozef van Galilea uit de stad Nazareth naar Juda, naar de stad Davids die de naam Bethlehem draagt, want hij was uit het huis en geslacht van David. Hij wilde zich laten inschrijven met Maria, zijn vrouw. En zij was zwanger." (LK. 2:4-5). Toen Jezus dan in Bethlehem geboren was en alle wettelijke verplichtingen vereist bij de geboorte van een Joods kind vervuld waren, keerde de familie terug naar haar woonplaats.
"Toen zij dan alles volbracht hadden wat de wet van de Heer voorschrijft, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth." (Lk. 2:39).
Ook in het evangelie volgens Mattheüs staat er dat Jezus in Bethlehem geboren werd, en ofschoon Mattheüs het niet expliciet vermeldt, waren Jozef en Maria -in tegenstelling tot wat Lukas bericht- waarschijnlijk woonachtig te Bethlehem. Dit stadje ligt in de landstreek Judea in zuidelijk Palestina, in vogelvlucht zo'n honderdtwintig kilometer verwijderd van de stad Nazareth in Galilea. In elk geval wilde Jozef, die na de geboorte van Jezus naar Egypte gevlucht was uit vrees voor de kindermoordenaar koning Herodes, na de dood van deze laatste naar Judea gaan. Daarheen ging hij echter niet uit schrik voor Archelaüs, die op het gebied van wreedaardigheid niet zoveel moest onderdoen voor zijn vader Herodes:

"En hij [Jozef] stond op, nam het kind en zijn moeder en trok naar het land Israël. Maar toen hij hoorde, dat Archelaüs in plaats van zijn vader Herodes in Judea heerste, vreesde hij daarheen te gaan. Hij ontving in de droom een goddelijke aanwijzing en vertrok naar het gebied van Galilea. Daar gekomen vestigde hij zich in een stad, Nazareth geheten." (Mt. 2:21-22).
Omdat Jozef dus bij zijn terugkeer aanvankelijk de bedoeling had om naar Judea te gaan, was hij meer dan waarschijnlijk uit die streek afkomstig, en zeker niet uit Galilea, want waarom zou Mattheüs dan berichten dat hij "zich vestigde in een stad, Nazareth geheten"? Men vestigt zich toch niet waar men woont, waar men dus al gevestigd is? En ook is er geen sprake van de stad van Jozef, van zijn stad, maar van een stad. Voor Jozef was Nazareth blijkbaar een plaats waar hij nog nooit geweest was.

3. Werd Jezus geboren in een kribbe of in een huis?

Volgens Mattheüs werd Jezus geboren in een huis, terwijl Lukas beweert dat hij in een kribbe geboren is. Wij citeren de twee evangelisten: "Zij [de drie priesterwijzen] traden het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en zij vielen neer en vereerden hem. En zij openden hun schatkisten en brachten hem hun gaven: goud en wierook en mirre." (Mt. 2:10-11).
"En het geschiedde, toen zij daar [in Bethlehem aangekomen] waren, dat de dagen vervuld werden dat zij [Maria] baren zou; en zij baarde haar zoon, de eerstgeborene, en wikkelde hem in doeken en legde hem in een kribbe, omdat in de herberg geen plaats voor hen was." (Lk. 2:6-7).

4. Twee verschillende stambomen

Vestigen wij onze aandacht op de geslachtsregisters die wij zowel bij Mattheüs als bij Lukas vinden, dan merken wij dat Jozef in de beide evangeliën stamt uit het Huis van David. Overlopen wij echter de twee geslachtsregisters, dan blijken deze tussen David en Jozef volledig van elkaar af te wijken; niet eens de namen van Jozefs vader zijn dezelfde (Mattheüs vernoemt Jakob, bij Lukas is het Eli). Bovendien noemt Lukas 40 stamvaders op tussen David en Jozef, en Mattheüs slechts 25. Deze verschillen zijn des te merkwaardiger wanneer men bedenkt hoeveel waarde de Joden aan de afstamming van hun voorvaderen hechtten.

Reeds van in het vroege christendom hebben allerlei theologen en geleerden geprobeerd om de beide geslachtsregisters met elkaar in overeenstemming te brengen, maar ondanks alle spitsvondigheden en vergezochte argumenteringen is hun dat toch nooit gelukt. Laat ons bij wijze van voorbeeld eens de redenering van de kerkvader Augustinus (354-430) onder de loep nemen.
In zijn boek "Contra Faustum Manicheum" (Faustus was een Manichees bisschop uit die tijd, en Augustinus verachtte de Manicheërs) gaat hij bijwijlen nogal fel tekeer tegen Faustus, o.a. waar deze beweert dat tenminste één van de stambomen vals is omdat ze met elkaar niet in overeenstemming te brengen zijn. Maar Augustinus reageert:

"Adoptie, zoals wij weten, was de gewoonte bij de Ouden; zelfs vrouwen adopteerden de kinderen van andere vrouwen, zoals Sara Ismaël adopteerde, en Lea de zoon van haar slavin, en Farao's dochter Mozes. Ook Jakob adopteerde zijn kleinzonen, de kinderen van Jozef...
Aangezien dus adoptie gebruikelijk was ... is er helemaal geen reden om de evangelisten valselijk te beschuldigen omdat de stambomen verschillend zijn, wanneer men het simpele feit beschouwt dat er in een mensenleven dikwijls iemand twee vaders kan hebben, één door erfelijke afstamming en een andere door adoptie... Zorgvuldige bestudeeerders van de Heilige Schriften zagen vanuit een simpele overweging gemakkelijk in, hoe in de verschillende stambomen van de twee evangelisten, Jozef twee vaders had, en er bijgevolg twee lijsten stamvaders bestaan. U had dat ook kunnen zien indien u niet verblind geweest was door deze tegenstellingen. Andere dingen die ver onder uw begripsvermogen liggen werden gevonden door zorgvuldig onderzoek van alle delen van deze overleveringen. De welbekende gewoonte dat een man een zoon verwekt en dat een andere deze adopteert, zodat een man twee vaders heeft, dat had u ook kunnen bedenken als een verklaring, indien u zich niet had laten leiden door de Manichese dwalingen en indien u niet met een vijandige gezindheid had gelezen."

Maar in het oudtestamentisch boek Genesis lezen wij dat Sara, de vrouw van Abraham, onvruchtbaar was en dat ze daarom toeliet dat Abraham betrekkingen had met haar Egyptische slavin Hagar (om de nakomelingschap te verzekeren). "Daarom zei Sara tot Abraham: 'Zie toch! Jehova heeft mij ervan uitgesloten kinderen te baren. Heb alstublieft betrekkingen met mijn dienstmaagd. Misschien dat ik van haar kinderen krijg.'" (Gen.16:2). Hagar baarde dan een zoon, Ismaël. Op oudere leeftijd kreeg Sara dan toch nog een zoon die Isaak genoemd werd, en daarop verstootte zij Hagar en Ismaël. "[Sara] zei tot Abraham: 'Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van die slavin mag geen mede-erfgenaam worden van mijn zoon Isaak'." (Gen. 21:10)
Welnu, als dát geen fraai geval van adoptie is.

Later verwekte Isaak twee zonen: Esau en Jakob.
Toen Jakob volwassen geworden was huwde hij met Lea; zij schonk hem vier zonen en daarna hield zij op kinderen te baren. Jakob was verliefd op Lea's zuster Rachel en nam haar als bijvrouw. Jaloers als ze was op haar zuster Rachel, schonk Lea haar slavin Zilpa aan Jakob, die hem op haar beurt ook twee zonen schonk: Gad en Aser. Waar Augustinus het haalt dat Lea deze twee jongens zou geadopteerd hebben weten wij niet. Wij hebben daarover niets gevonden; integendeel is het eerder waarschijnlijk dat zij niet al te veel met die jongens zal te maken gehad hebben. Want hoe moeten wij anders de tekst in Genesis 33:6-7 opvatten:
" Daarop traden de dienstmaagden [w.o. Zilpa] naar voren, zij en hun kinderen, en bogen zich neer; en ook Lea trad naar voren, en haar kinderen, en zij bogen zich neer..."?

Op latere leeftijd kreeg Rachel, de zuster van Lea, dan toch nog een zoon die Jozef genoemd werd. Het is die Jozef die later door zijn broers uit afgunst als slaaf verkocht werd omdat hij de lievelingszoon van Jakob was. Jozef belandde vervolgens aan het hof van de Egyptische farao waar Jakob veel later zijn doodgewaande lievelingszoon terugvond. Jozef zelf had toen ook al twee zonen, Efraïm en Manasse. Jakob was zodanig onder de indruk dat hij de jongens prompt adopteerde: "En nu, uw twee zonen die u in het land van Egypte geboren zijn voordat ik hier bij u in het land van Egypte kwam, die zijn van mij: Efraïm en Manasse zullen van mij worden als Ruben en Simeon." (Gen.48:5). Jakob "adopteert" dus zijn eigen kleinzonen, maar dat deed hij opdat dezen hetzelfde erfdeel zouden verwerven als Ruben en Simeon, zijn twee oudste zonen.

De enige echte adoptie van de vier die Augustinus vernoemt, was de adoptie van Mozes door de dochter van de Farao, maar deze was dan ook een Egyptische. En hier gaat Augustinus toch in de fout, want waar hij beweert dat "adoptie gewoonte was bij de Ouden", bedoelt hij uiteraard dat dit gewoonte was bij de Oude Joden.

De Patriarchen, de stamvaders van het volk van Israël, hechtten er het grootste belang aan dat de afstamming volgens de directe lichamelijke (en niet adoptieve) mannelijke lijn verliep; daarom is het ook normaal dat het gedeelte van het stamregister dat loopt van Abraham tot David, bij de beide evangelisten volkomen identiek is. En merkwaardig genoeg haalt Augustinus juist uit die periode zijn vier voorbeelden om zijn stelling dat adoptie normaal was kracht bij te zetten; logischerwijze had hij toch voorbeelden moeten aanhalen uit de periode waarin de stambomen niet meer gelijklopen? Maar dat kon hij natuurlijk niet, omdat daar geen enkel voorbeeld van adoptie te vinden is. Overigens staat er in het ganse Oude Testament geen enkel geval van een echte adoptie vermeld, behalve dan dat van Mozes door de dochter van de Farao; wat wel voorkwam was dat een kind van een stamvader mede-opgevoed werd door één van diens bijvrouwen (naast de officiële echtgenotes hadden de meeste stamvaders meerdere bijvrouwen), of dat er een soort voogdijschap geregeld werd wanneer een kind wees werd, maar heeft dat iets te maken met een officiële adoptie ?

Zelfs in de Talmud, de verzameling van wetten en gewoonten die het maatschappelijk en godsdienstig leven van de oude Joden regelde, vindt men nergens iets dat in verband kan gebracht worden met adoptie.

Hoewel er dus gegronde redenen voorhanden zijn om de thesis van Augustinus te verwerpen, namelijk dat het verschil in de twee stamregisters te verklaren is doordat de ene evangelist de natuurlijke vader en de andere evangelist de adoptieve vader van Jozef vernoemt, blijft er toch nog altijd de vraag openstaan waarom de twee stambomen van elkaar verschillen. Dit probleem zullen wij zo dadelijk behandelen.

Ter verduidelijking volgen hieronder de lijsten van de twee geslachtsregisters zoals ze in de evangeliën volgens Mattheüs en Lukas opgetekend staan:

Volgens Lukas

God
1 Adam
2 Seth
3 Enos
4 Kenan
5 Mahalalaleël
6 Jered
7 Henoch
8 Methusalem
9 Lamech
10 Noach
11 Sem
12 Arpachsad
13 Kainan
14 Sala
15 Heber
16 Peleg
17 Rehu
18 Seruch
19 Nahor
20 Thera
21 Abraham

De 21ste is Abraham, bij Mattheus begint de opsomming pas daar:

Volgens Mattheüs Volgens Lukas
1 Abraham 21 Abraham
2 Izaak 22 Izaak
3 Jacob 23 Jacob
4 Juda 24 Juda
5 Perez 25 Perez
6 Hesron 26 Hesron
7 Aram 27 Aram
8 Aminadab 28 Aminadab
9 Nahesson 29 Nahesson
10 Salmon 30 Salmon
11 Boaz 31 Boaz
12 Obed 32 Obed
13 Isaï 33 Isaï
14 David 34 David
15 Salomo 35 Nathan
16 Rehabeam 36 Mattatha
17 Abia 37 Menna
18 Asa 38 Melea
19 Josafat 39 Eljakim
20 Joram 40 Jonan
21 Uzzia 41 Jozef
22 Jotham 42 Juda
23 Achaz 43 Simeon
24 Hizkia 44 Levi
25 Manasse 45 Mathtat
26 Amon 46 Jorim
27 Josia 47 Eliëzer
28 Jechonia 48 Jezus
29 Sealthiël 49 Er
30 Zerubabel 50 Elmadan
31 Abiud 51 Kosam
32 Eljakim 52 Addi
33 Azor 53 Melchi
34 Zadok 54 Neri
35 Achim 55 Sealthiël
36 Eliud 56 Zerubabel
37 Eleazar 57 Resa
38 Matthan 58 Joanan
59 Joda
60 Josech
61 Semeïn
62 Mattathias
63 Maath
64 Naggai
65 Esli
66 Nahum
67 Amos
68 Mattathias
69 Jozef
70 Jannai
71 Melchi
72 Levi
73 Matthat
39 Jakob 74 Eli
40 Jozef 75 Jozef
41 Jezus 76 Jezus



Verklaring van de tegenstrijdigheden

Rudolf Steiner is de eerste geweest die het bestaan van twee Jezuskinderen publiekelijk bekend gemaakt heeft. Zijn bewering dat er in Bethlehem twee Jezuskinderen geboren werden, werpt een licht op de tegenstrijdigheden die de evangeliën volgens Mattheüs en Lukas ten opzichte van elkaar vertonen. Wanneer precies die twee Jezuskinderen zouden geboren zijn, is moeilijk uit temaken. Maar uit de bijbelteksten kan met zekerheid geconcludeerd worden dat het Jezuskind waarover Mattheüs het heeft, geboren werd toen koning Herodes nog leefde, terwijl het kind uit het Lukas-evangelie geboren is na de dood van Herodes.

Rudolf Steiner spreekt over een tijdsverschil van enkele maanden, maar volgens Emil Bock (1895 - 1959), een priester-schrijver die nauw aanleunde bij de antroposofische geesteswetenschap, zou het ene kind in het begin van januari van het jaar -1 geboren zijn, en het andere kind op het einde van december van datzelfde jaar - dus een tijdsverschil van ongeveer één jaar. Hoewel wij dit thema niet grondig konden bestuderen ( aangezien ons vooralsnog de nodige documentatie ontbreekt), zijn wij eerder geneigd om Emil Bock in zijn besluit te volgen, aangezien hij een aantal aannemelijke argumenten opsomt om zijn bewering te staven.

Steiner noemt het ene kind de "Salomonische Jezus uit de koninklijke lijn", omdat dit kind een nakomeling was van koning Salomo, één van de zonen van koning David. Het andere kind noemt hij de "Nathanische Jezus uit de priesterlijke lijn", aangezien dit kind een afstammeling was van Nathan, die eveneens een zoon van koning David was; maar behalve dat deze naam voorkomt in de stamboom van Lukas, wordt er over deze Nathan in de Bijbel verder niets meer vermeld.
Het verhaal over het bestaan van twee Jezuskinderen is helemaal niet nieuw, want lang voordat Rudolf Steiner dit in de openbaarheid gebracht heeft, bestonden er reeds bronnen die daarover bericht hebben, of die er tenminste op gezinspeeld hebben. Zo lezen wij bij Hippolytus, een Griekse christelijke schrijver (170 - 235 N.C.):

"Want wij hebben geschreven gezien, dat de Christus ook moet verschijnen uit de stam van Levi, als een priester van de Vader, uit een vermenging van de stam van Juda met de stam van Levi, opdat de Zoon van God uit beide verkondigd zou worden als koning en als priester." Hippolytus vernoemt hier de stam van Levi (één van de twaalf stammen van Israël); de Levieten hadden echter geen eigen grondgebied toebedeeld gekregen en hadden zich daarom over alle stammen van Israël verspreid. Onder hen waren er velen die het priesterlijk ambt vervulden, zodat de stam Levi met recht kan beschouwd worden als "de priesterlijke stam", en zo kan de term "priesterlijke lijn" die Rudolf Steiner gebruikt, geassocieerd worden met de stam van Levi.
Ongeveer hetzelfde kunnen wij lezen in "De testamenten van de Twaalf Aartsvaderen", een oudtestamentisch apocrief geschrift:
"Want de Heer zal verheffen uit Levi een hogepriester en uit Juda een koning, die alle volkeren en de stam van Israël zal redden."

De stamboom van het Nathanische Jezuskind

Om een idee te krijgen van het wezen van de Nathanische Jezus, moeten wij tot zeer ver in de geschiedenis van de aarde teruggaan, tot in het Lemurisch tijdperk, toen de mensen zich voor het eerst op aarde incarneerden. In de Bijbel wordt ons deze gebeurtenis beschreven als de Zondeval, als de verzoeking door Lucifer waaraan het oerpaar van de mensheid, Adam en Eva, niet kon weerstaan; daarom werden Adam en Eva uit het Paradijs verdreven. Deze verzoeking was van die aard dat er, doordat de Luciferische machten in het menselijk astraal lichaam drongen, allerlei egoïstische verlangens en impulsen in de ziel slopen. Nu werkt het astrale in op het etherische, en het etherische van zijn kant op het fysieke, zodat niet alleen het astraal lichaam, maar ook het etherisch en fysiek lichaam van de mens besmet werden met deze Luciferische invloeden.
Maar toen Lucifer het astraal lichaam van Adam wilde binnendringen, werd er door de goddelijke leiders van de mensheid een soort Ik-substantie achtergehouden in de geestelijke wereld. Deze substantie, die nog ongerept was, die niet was bezoedeld door Luciferische invloeden, was afkomstig van de Adam-ziel van vóór de Zondeval. Dit gedeelte van de Adam-ziel (Rudolf Steiner noemt dit de Broeder- of zusterziel van Adam) dat al die tijd door de goden zorgvuldig bewaard en behoed werd in "de moederloge van de mensheid", incarneerde tenslotte in het Jezuskind dat in het Lukas-evangelie beschreven wordt. Daarom geeft Lukas dan ook -in tegenstelling tot Mattheüs- een geslachtsregister dat verder gaat dan Abraham: het gaat terug tot "Adam, de zoon van God".

De stamboom van het Salomonisch Jezuskind

Toen, nu zo'n tienduizend jaar geleden, het continent Atlantis begon te overstromen (in de Bijbel wordt deze catastrofe beschreven als de Zondvloed) trokken de bewoners van dit continent massaal van het westen naar het oosten, naar hoger gelegen gebieden. Door deze volksverhuizing ontstonden er verscheidene grote volksgroepen, en twee daarvan interesseren ons hier in het bijzonder: de Iraniërs die zich in Perzië vestigden en de Toeraniërs die meer naar het noorden, in de gebieden van het huidige Toerkistan getrokken waren. Deze twee groepen ontwikkelden een heel verschillende volksaard.

Wat de Atlantiërs nog in hoge mate bezaten, het aangeboren vermogen om in de geesteswereld te schouwen en daar de goden waar te nemen, dat verduisterde allengs bij de Iraniërs; zo gingen zij de blik op de aarde richten, en begonnen deze te bewerken en te bebouwen. Ware het niet dat hun grote leider, de hoge zonne-ingewijde Zarathoestra, naar wie zij opkeken als naar een god, hun nieuwe perspectieven en hoop gegeven had op een spiritueel leven, dan zouden de Iraniërs in een fatalistische gemoedstoestand verzonken zijn. Zarathoestra wees er zijn volk echter op dat de grote zonnegod, Ahura Mazdao (Christus), ééns als een fysiek wezen naar de aarde zou afdalen om de verbroken band tussen de mensheid en de goddelijke wereld te herstellen. Aldus groeide er uit de Iraniërs een krachtdadig volk met een hoge heilsverwachting.

Gans anders was de karakteraanleg van de Toeraniërs. Zij bleven de oude helderziendheid bewaren, maar die was naar een bedenkelijk niveau geëvolueerd. Aan de goede geesten schonken zij nauwelijks aandacht, terwijl zij zich in hoge mate lieten verleiden door de de Luciferische en Ahrimanische machten. De Toeraniërs waren nomaden die er maar op los leefden; zij deden geen enkele moeite om in hun levensonderhoud te voorzien en namen gewoon van de natuur wat zij nodig hadden. Zij redeneerden: de goden hebben ons hier op de aarde gezet, dus moeten zij er ook maar voor zorgen dat wij hier een zo aangenaam mogelijk leven kunnen leiden.
Maar op een bepaald moment vond er een vermenging plaats tussen de Iraniërs en de Toeraniërs, en daaruit ontstond een volk, waaruit later de Hebreeuwen zijn voortgekomen. Wanneer nu twee verschillende volkeren zich met elkaar vermengen, dan kan er een geheel nieuw vermogen ontstaan in het volk dat uit die vermenging voortgekomen is. Zo gebeurde met het Hebreeuwse volk, en wat dit nieuw vermogen dan wel is, laten we uitleggen door Rudolf Steiner:

"Het in decadentie nog bestaande astraal-etherische helderzien bij bepaalde volkeren en hoe onwaardig dit geworden was als laatste fase van het gewone helderzien, dat sloeg om zo te zeggen naar binnen bij de Hebreeuwen. Het nam een geheel andere richting. In plaats van dat het zich als rest van het Atlantische helderzien op een lager en verderfelijker trap vertoonde, trad het in dit volk zo op, dat het in het lichaam organiserend werkte. Wat op het uiterlijke plan iets decadents was, omdat het onveranderd van vroeger af was blijven bestaan en daardoor een ahrimanisch element in zich droeg, dat ontwikkelde zich op juiste wijze verder, doordat het een werkzame kracht in het innerlijk van deze mensen was geworden, die organiserend werkte. Het vertoonde zich bij het Hebreeuwse volk niet als decadente helderziendheid, maar veranderde de lichamelijkheid en maakte die zelfbewust volkomener. Alles, wat decadent was bij de Toeraniërs, werkte gunstig en ontwikkelend bij het Hebreeuwse volk.

Daarom mogen we zeggen: in de lichamelijkheid van het Hebreeuwse volk, dat zich door bloedverwantschap door vele generaties had voortgeplant, werkte nu alles, wat niet meer in het openbaar moest bestaan, wat nu een andere bestemming moest krijgen om dan op zijn juiste plaats te zijn. Wat de Atlantiërs de kracht gegeven had, op spirituele wijze in de ruimte en in geestelijke gebieden waar te nemen, wat als helderziende rest bij de Toeraniërs verwilderd was, werkte bij dit kleine Hebreeuwse volk van binnen. Alles, wat bij de Atlantiërs goddelijk-geestelijk was, werkte bij het Hebreeuwse volk van binnen, vormde organen, gaf het lichaam een andere vorm en kon daardoor in het bloed van dit volk oplichten als het goddelijk bewustzijn van binnen.

Het was bij de Hebreeuwen zo, alsof alles, wat de Atlantiërs helderziend waarnamen naar alle richtingen in de ruimte, geheel innerlijk geworden was en optrad als orgaan-bewustzijn, als het geloof aan Jahve of Jehova, als het innerlijk godsbewustzijn. Dit volk voelde zich in zijn bloed met God verbonden, deze God, die in de ruimte leefde, waarvan ze zich doordrongen voelden; dit volk wist, dat God leefde in zijn pulserend bloed...
Alsof het samengetrokken is in één punt, in één centrum van godsbewustzijn, leeft het door de geslachten van Abraham, Isaak en Jakob verder, in het bloed der generaties, onzichtbaar, maar innerlijk gevoeld, deze God, die nog voor de Atlantiërs achter alle dingen leefde. Dit was nu de God in het bloed van Abraham, Isaak en Jacob en voor verdere generaties, die hen van lotgeval naar lotgeval voerde. Het uiterlijke was dus innerlijk geworden; het werd beleefd, niet meer waargenomen en het werd niet meer met allerlei namen genoemd, maar met één, nl.: 'Ik ben het Ik-ben'."

Abraham, de stamvader van het Joodse volk, was de eerste mens op aarde bij wie dit nieuw vermogen, dit innerlijk godsbewustzijn dat door het bloed stroomt, ontstaan is. Abraham voelde de goddelijke geest pulseren in zijn bloed, en daardoor wist hij dat God niet buiten hem, maar binnen in hem leefde. Dit innerlijk godsbesef, dat werkelijk door het bloed stroomt, ging dan over op zijn nakomelingen, en hoe verder dit van geslacht op geslacht overgeërfd werd, hoe dieper dit niet alleen binnendrong in het fysieke lichaam, maar ook in het etherisch en astraal lichaam. Deze lichamelijke organisatie moest zo volmaakt mogelijk worden, want de verwachte Messias moest bij zijn incarnatie op aarde een lichaam vinden dat aan alle eigenschappen voldeed die hij nodig had om zijn opdracht te kunnen vervullen. Zo kunnen wij begrijpen waarom de stamboom bij Mattheüs begint met Abraham.

Dat de Messias zou voortkomen uit het nageslacht van Abraham stond voor iedereen vast; en tenslotte, na 41 generaties vanaf Abraham, kon er een lichaam ontstaan dat zo volmaakt was dat Jezus zich daarin kon incarneren. Deze Jezus van het evangelie volgens Mattheüs, was niemand anders dan Zarathoestra, de individualiteit die het Oer-Perzische volk destijds onderwezen had over Christus, de zonnegod die ooit eens in een menselijke gestalte op aarde zou verschijnen. Deze Zarathoestra, die doorheen vele incarnaties de rijpste en de wijste onder de mensheid van zijn tijd geworden was, werd dus in Bethlehem geboren als de Salomonische Jezus.

Maar naast de heilsverwachting die de Hebreeuwen van de Messias hadden, verwachtten zij ook dat hij hun volk zou bevrijden van de toenmalige heerschappij van het Romeinse Rijk. Het koninkrijk Juda moest hersteld worden, en het koninklijk geslacht uit het Huis van David moest opnieuw de troon bestijgen. In de Joodse officiële kringen werd er een uitzonderlijk belang gehecht aan de afstamming van de Joodse dynastie, en daarom is het ondenkbaar dat men in deze kringen niet zou geweten hebben dat Jozef, de vader van Jezus, een rechtstreekse telg was uit het koninklijk geslacht. Het is daarom waarschijnlijk dat Jozef alom geacht werd en tot de betere Joodse kringen moet behoord hebben, en zo is het ook waarschijnlijk, zoals Mattheüs aangeeft, dat Jezus in een huis, in het ouderlijk huis in Bethlehem geboren werd.
Weliswaar heeft deze Salomonische Jezus de Joden niet bevrijd van het Romeinse juk -dat was ook zijn taak niet-, maar wat zijn eigenlijke opdracht was, dat zullen wij hierna zien.

Wij weten nu dat er twee Jezuskinderen geboren zijn rond het begin van onze jaartelling, het ene uit de Salomonische (of koninklijke) lijn, en het andere uit de Nathanische (of priesterlijke) lijn.

Dat de vaders van de twee kinderen allebei Jozef heetten, en hun moeders allebei Maria, is niet zo verwonderlijk, omdat deze namen destijds veelvuldig voorkwamen (ook nu nog trouwens, tenminste toch tot enkele tientallen jaren geleden). Ook de naam Jezus kwam veel voor zodat men zich er evenmin erg moet over verwonderen dat de twee kinderen dezelfde voornaam hadden, hoewel er toch moet opgemerkt worden dat het "een engel des Heren" was die beslist heeft dat de beide kinderen Jezus zouden genoemd worden (Mt. 1:21 en Lk. 1:31).

Toen dan de Jozef van het Mattheüs-evangelie uit Egypte teruggekeerd was, vestigde hij zich met zijn gezin in de stad Nazareth. Het gezin kwam in contact met de familie van het andere Jezuskind, die al vanaf het begin in Nazareth woonde, en zo gebeurde het dat de twee kinderen samen opgroeiden.
De twee knapen hadden echter een totaal verschillend karakter. In de Salomonische Jezus huisde de machtige individualiteit van Zarathoestra, die uit het Joodse volk een zodanig volmaakte fysieke organisatie en een innerlijk godsbesef overgeërfd had, dat hij de uitzonderlijke begaafdheid en rijpheid die hij zich in vroegere incarnaties al had eigen gemaakt, nog in veel hogere mate kon tot ontwikkeling brengen. Heel andere eigenschappen had de Jezusknaap uit de Nathanische lijn:

"Terwijl de Salomonische Jezus opviel door zijn grote begaafdheid ten opzichte van ervaringen die betrekking hebben op de buitenwereld en die men alleen in deze wereld leren kan," zo zegt Rudolf Steiner, "kon men van de Nathanische Jezus zeggen -u zult wel begrijpen dat deze woorden niet in de minste mate een afkeuring inhouden- dat hij voor deze dingen eigenlijk onbegaafd was. Hij kon niet vertrouwd raken met de dingen die de mensencultuur op aarde tot stand gebracht heeft....

Het is zo, dat juist die eigenschappen bij deze knaap ontwikkeld waren, die wij eigenschappen van het hart kunnen noemen; een ontzaglijk liefdevolle en toegewijde aard vertoonde deze knaap. En het merkwaardige was, dat hij al vanaf zijn eerste levensdag, gewoon door zijn aanwezigheid of door zijn aanraking, weldadige werkingen uitoefende, werkingen, die men tegenwoordig misschien wel magnetische werkingen zou noemen. Alle harte-eigenschappen waren bij deze knaap zo overvloedig aanwezig dat zij als een magnetische weldaad voor zijn omgeving konden werken."

Zoals wij al opmerkten was de ziel van deze knaap volkomen zuiver, zijn eigenlijke wezenskern was smetteloos gebleven omdat hij nooit in aanraking was gekomen met Luciferische en Ahrimanische invloeden omdat hij tot dan toe nog nooit op aarde geïncarneerd was, maar hij had eigenlijk weinig persoonlijkheid ("persoonlijkheid " mag men niet verwarren met "individualiteit"; de individualiteit van de mens is zijn onvergankelijke wezenskern die met iedere incarnatie rijper wordt, terwijl de persoonlijkheid zich naar buiten toe manifesteert als het resultaat van alle eigenschappen die de mens zich in de loop van zijn incarnaties verworven heeft).

Het menselijk wezen waarin de Christus later zou neerdalen, moest volkomen volmaakt zijn: het moest enerzijds een volledig zuivere ziel hebben en anderzijds een uitzonderlijk sterke persoonlijkheid bezitten. En geen van de beide Jezuskinderen bezaten elk van deze twee eigenschappen. De Nathanische Jezus had wel een reine ziel, maar bezat geen persoonlijkheid ; en de Salomonische Jezus bezat wel een uitzonderlijk sterke persoonlijkheid, maar hoewel hij een zeer edele ziel had, was deze toch niet zuiver gebleven omdat er in de loop der incarnaties Luciferische en Ahrimanische invloeden binnengeslopen waren.

Maar gezamenlijk beschikten de twee Jezuskinderen wél over deze twee eigenschappen, en zo gebeurde het dat in de tempel te Jeruzalem, de individualiteit van Zarathoestra die in het Salomonische Jezuskind geïncarneerd was, incorporeerde in de lichamelijke organisatie van het Nathanisch Jezuskind. Vanaf dat ogenblik onderging de Nathanische Jezus letterlijk een gedaanteverandering. Lukas beschrijft dit als volgt:

"[Jezus] zat temidden van de leraren, luisterde naar hen en stelde hun vragen. En allen die hem hoorden, waren verbaasd over zijn inzicht en zijn antwoorden. Toen zijn ouders hem zagen, stonden zij versteld; en zijn moeder zeide tot hem: 'Kind, waarom hebt ge ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik zoeken u met angst.' En hij zeide tot hen: 'Waarom hebt gij mij gezocht? Wist gij niet, dat ik in het huis van mijn Vader moet zijn?' En zij begrepen het woord niet dat hij tot hen sprak…" (Lk. 2:46-50).
Voor het Ik van de Nathanische Jezus was het niet bijzonder moeilijk om afscheid te nemen van dit aardse leven, omdat dit zich nauwelijks betrokken voelde bij de aarde aangezien het nog niet eerder een incarnatie had doorgemaakt.

Deze "zielsverhuizing", als wij het zo mogen noemen, vond plaats toen de Nathanische Jezus twaalf jaar was. En dat moést ook op het twaalfde jaar gebeuren, omdat ten gevolge van de geslachtsrijpheid die op die leeftijd intreedt (in de gebieden rond de Middellandse Zee komt de geslachtsrijpheid vroeger dan de normale leeftijd van veertien jaar), het Nathanische Jezuskind zijn zuiverheid en zijn onschuld zou verloren hebben. Het Ik van Zarathoestra was echter krachtig genoeg om weerstand te kunnen bieden aan de driften die de geslachtelijkheid uitlokken.
Zo waren de twee Jezuskinderen één geworden: het Ik van de Salomnische Jezus was nu verbonden met het fysiek, etherisch en astraal lichaam van de Nathanische Jezus. De Salomonische Jezus die geen ik meer had, die kwijnde weg en stierf kort daarna..
(Dat een individualiteit zich in een ander menselijk lichaam incorporeert is niet zo vreemd als men geneigd zou zijn te denken. In vroeger tijden, toen de wezensdelen van de mens nog lang niet zo vast als nu in het lichaam verankerd waren, kwam dat wel eens voor. Nu gebeurt dat niet meer, hoewel in sommige pathologische gevallen een soort geestelijke entiteit iemands Ik uit zijn lichaam kan drijven om zo van dit lichaam bezit te nemen (bvb. "van de duivel bezeten zijn").

De machtige individualiteit van Zarathoestra begon vanaf dan in te werken op het fysieke, etherische en astrale hulsel van de Nathanische Jezus teneinde deze hulsels te veredelen en te vervolmaken. Ook dat beschrijft Lukas (Lk. 2:52) :
"En in Jezus groeide de wijsheid en rijpte het karakter en zijn gestalte was schoon voor God en mensen".

Hiermee wordt het volgende bedoeld: wijsheid is een eigenschap van het astraal lichaam; maar de Nathanische Jezus bezat geen wijsheid, hij was alleen in staat om liefde te geven, en het was door de werkzaamheid van de Zarathoestra-individualiteit dat wijsheid in Jezus groeide. Dat het karakter rijpte, betekent, dat de aanleg tot liefde die bij Jezus in hoge mate aanwezig was maar zich eerder gevoelsmatig naar buiten toe manifesteerde, zich nu ook in zijn etherlichaam vastzette en uitgroeide tot een gewoonte, tot een karaktertrek. En wat het fysieke betreft: voorheen kon aan Jezus' uiterlijk niet waargenomen worden hoezeer hij in staat was om liefde te geven, maar door de invloed van het Ik van Zarathoestra begon deze eigenschap zich ook te openbaren door uiterlijke schoonheid.

Tenslotte, achttien jaar later, toen Jezus ongeveer dertig jaar oud was, was zijn lichaam zo volmaakt geworden dat de Christus daarin zijn intrek kon nemen. Het Ik van Zarathoestra, dat zijn opdracht volbracht had, week weg uit dit lichaam om plaats te maken voor de Christus. En toen Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan gedoopt werd, daalde Christus naar de aarde af en verbond zich met dit lichaam, terwijl een stem uit de hemel sprak:
"Mijn Zoon zijt gij, heden heb ik u verwekt". (Lk. 3:22)

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

Albert Steffen

In De Brug zijn al verschillende aspecten van de antroposofie aan bod gekomen. Er zijn artikels verschenen over pedagogie, karma, hoger bewustzijn, man-vrouw-verhouding, astrologie. Deze keer drukken we een kort verhaal af waarin een kunstenaar al de bovengenoemde elementen verwerkt heeft. Voor de moderne lezer die gewoon geraakt is aan het naturalisme van de hedendaagse literatuur komt deze manier van schrijven vreemd over. Maar eens de drempelvrees overwonnen begint men deze stijl naar waarde te schatten. Stellen we ons eens voor dat de opgroeiende mensen verhalen als deze konden lezen: wat een verschil in motivatie voor een beroepskeuze zou dit kunnen maken ! Geen afwegen van het te verwachten loon, carrièremogelijkheden, aantal verlofdagen enz. maar het vinden van de eigen levensopdracht.

Het leven neemt een wending ...

De hoogleraar ontving twee brieven. De eerste was een aanbod om docent voor experimentele psychologie te worden aan de universiteit. " Het lot spreekt", dacht hij en besliste om in te gaan op dit aanbod. Dan was er nog een uitnodiging om een instelling voor mentaal-gehandicapte kinderen te bezoeken. Deze instelling werd geleid door een pedagoog naar wie hij zeer opkeek. Ook deze brief was zeer welkom, want hij stelde hem in de gelegenheid om raad te vragen aan zijn vereerde vriend omtrent zijn toekomst die nu een zo plotse wending genomen had. Hij pakte onmiddellijk zijn koffer om af te reizen.

Toen hij het park betrad dat het instituut omgaf, werd hij getroffen door het beeld van een verpleegster met twee kinderen. De drie liepen door een olmendreef en keerden zich om toen ze zijn schreden hoorden. De kinderverzorgster droeg een eenvoudig, wat versleten, donkerviolet kleed en keek naar hem met een stil en vriendelijk gezicht, gekenmerkt door opmerkzame ogen. Hij voelde direct zijn totale wezen beoordeeld, wat hem echter helemaal niet onaangenaam was. Het kleine meisje, misschien zeven jaar oud, was in haar groei blijven steken en te vroeg in haar constitutie verhard; het lachte als een dwergje. Men zag dat het een goede en moedige geest was, maar die kon het rotsige lichaam niet doordringen. Het kind was zwakzinnig. De grote jongen, tweemaal de leeftijd van het meisje, met lange, rusteloze ledematen, met flikkerende ogen en zenuwtrekkend gezicht, had zijn lichaam niet in zijn macht. Het sidderde voortdurend. "Hoe hulpeloos zouden ze niet zijn zonder die vrouw" bedacht de hoogleraar. Zij hield ze links en rechts om de schouders vast. Aan het ene kind gaf dat beweeglijkheid, aan het andere steun. De blik van haar ogen bleef als een licht in zijn ziel achter.

De directeur trad uit de deur om de aangekomene te begroeten. Dat was niet zo gemakkelijk, want nauwelijks was hij te zien of de ganse tuin scheen in beweging te geraken door de kinderen die opsprongen van hun plaats in de weide of uit de bomen naar beneden gleden. Ze klemden zich aan zijn knieën en hingen aan zijn hals en pakten wat ze maar konden vastnemen. Hij stond daar als een den vol denneappels. Men kon inderdaad niet weten hoe men zijn hand kon bereiken om het te schudden.

"U bent een echte mens" schertste de hoogleraar.
"Wilt u dat ook worden ?" antwoordde de directeur, " In alle ernst, ik wou u echt vragen of u in mijn instituut leraar zou willen worden." De hoogleraar zei dat hij pas een aanbod had gekregen om docent te worden en dat hij van plan was om daar op in te gaan. "Definitief ?"
"Ja."
"Kan ik u niet ompraten ?"
"Bezwaarlijk."
"Wegens uiterlijke of innerlijke omstandigheden ?"
De hoogleraar zweeg een poosje bij deze vraag. Dan haalde hij diep adem en sprak : "Waarom zou ik het niet vertellen ? In de grond ben ik een gebroken mens. Ik heb mijn zelfvertrouwen volledig verloren. Ik bezit de ware liefde niet; voor de theorie is er nog genoeg, maar niet voor de daad. Vraag mij niet om het te bewijzen, ik zou u mijn jeugdgeschiedenis met al mijn misstappen moeten verklaren. Laat ons daar niet meer aan denken, ik word nu eenmaal professor in de experimentele psychologie; als zodanig wil ik van u leren zo veel ik kan. Maar voor de praktijk van het vak deug ik niet."

Ze brachten de avond door met het bezoeken van de ziekenzalen en het bespreken van de ziektegevallen. De hoogleraar werd terug opgewekter omdat hij telkens de juiste diagnose had kunnen stellen. De therapeutische methodes van de directeur begeesterden hem. Hij begon, toen men enkele kinderen bij hem bracht, zelf met hen te oefenen. Hij voelde een verlangen om dit meer te kunnen doen. Met tegenzin dacht hij aan het seminarie dat hij aan de universiteit zou moeten leiden.

De zon ging onder. Een koortje kwam samen op het pleintje vóór het gebouw en begon een volksliedje te zingen. "Allemaal vogeltjes met zo goed als geen geheugen", sprak de directeur, "maar toch kunnen ze mooi zingen". Hij voegde eraan toe: "Wij bouwen hun herinneringsvermogen op door uit te gaan van ritmisch opgebouwde strofen die we altijd maar herhalen totdat op de duur altijd meer indrukken in hun ziel blijven hangen. Zo verwerven deze kinderen toch nog iets van levensgoed." " Ik wou dat ik het verleden kon vergeten, dan moest ik niet meer zeggen dat ik liefdeloos ben", hernam de hoogleraar zijn gepieker. Het kwam ineens terug bij hem op. Hij wilde nu alleen zijn. De directeur bracht hem naar zijn kamer. Vanaf het balkon zag hij het avondrood wegdeemsteren en de sterren zichtbaar worden.

" Zelfs indien geen mens iets van mijn leven wist, toch kent de maan daarginds boven dat zwarte woud mij, en Venus aan de rand van die donkerviolette heuvel, en Mercurius met zijn vluchtig geel, en ook de onbekende sterren, ze kennen mij allemaal beter dan ik mijzelf kan kennen, zij hebben immers aan mijn levenslot gewerkt. Ik wil het nemen zoals het komt, in strenge zelfkennis."

Maar hij kon zijn gedachten niet bij zijn eigen problemen houden, hij moest altijd weer denken aan de kinderen in de instelling. Het kwam hem voor alsof zijn blik, die opkeek naar de sterren, de samenhang van hun wezensdelen dieper dan daarvoor doordrong. Het was alsof hun geesten door de verschillende ruimtes van het wereld-al zweefden. Ieder had een andere thuisplek. Hij voelde waar hij het wezen van het apathische en van het hysterische kind, die hij met de kinderverzorgster gezien had, moest zoeken, en waar hij hulp kon halen voor beide. Hij keek op naar de maan en kwam als het ware op het spoor waarom het hoofd van het zwakzinnige kind zo vroeg verhard was zodat het geen deugdelijk instrument meer kon zijn voor de goddelijke wijsheid.

Mercurius ... Droeg deze planeet haar naam niet zeer terecht ? Hoe snelde zij langs het hemelgewelf ! Hoe nam ze niet in haar vlucht de gedachten mee ! Stond zij misschien boven de wieg van de knaap wiens beendergestel zo zwak gebouwd was dat hij geen zinnen kon vormen en zijn tong tegen de tanden stootte.

Toen hij echter zijn ogen op Venus richtte, werd een overmachtig verlangen in hem wakker. "Stuur mijn liefde naar de mensen, op de beste manier", smeekte hij. "Waarom zijn deze kinderen neergedaald", dacht hij verder, "wanneer ze toch het goddelijk-geestelijke dat in het Al ligt niet kunnen uitleven ? Moeten zij ons door hun ziektes boodschappen van God brengen die wij dringend nodig hebben ? Werden zij ziek opdat er genezende krachten op Aarde zouden ontwaken ? Zijn ze door de Heiland gestuurd ?
-------------------------------------------------------
Of hebben ze zelf schuld aan hun noodlot ?
-------------------------------------------------------
Toen hij deze gedachte verdreef -ze was als een verleider in hem opgestegen- zag hij uit het donker gat van de deur die naar zijn slaapkamer leidde -hij stond buiten op het balkon- een merkwaardig wezen naderen. Hij was bij volle verstand en wist dat het een geestelijke werkelijkheid was. Het was gnoomachtig, met helm en pantser, een harnas van gepolijste zilverplaten waarin hij van alle kanten zijn eigen beeld in het maanlicht weerspiegeld zag. Het rolde naar hem toe om hem plat te walsen. Nu eens was de ronde helm, dan de platte zolen boven. De armen wiekten als windmolens. Hij stond aan de grond genageld. Het was een kwaadaardige schrikaanjagerij, hij voelde het aan zijn voorhoofd, in de nek, hij voelde zich weerloos. Hij begon te duizelen. Plots klapte het vizier open en hij zag een grijnzend gezicht. Op dat ogenblik overviel hem een vreselijke herinnering zo onverwacht dat hij het uitschreeuwde. Toen bemerkte hij dat de kobold teruggeweken was en vastgehouden werd door een ander wezen dat door een lichte ovaal omringd scheen. Het herkende ogenblikkelijk de geestgestalte van de directeur die op zijn hulpschreeuw afgekomen was met een roodlichtende lamp.

"Wat is er gebeurd ?" vroeg de verschijning.
De hoogleraar voelde een onoverwinnelijke behoefte om een bekentenis af te leggen.
Met een vrijmoedigheid die hem zelf verbazend scheen, sprak hij : "Als kind heb ik in ons dorp een arme debiel bespot, niet slechts één keer, maar altijd weer, en zelfs eens met een steen naar hem gegooid en op het voorhoofd geraakt. Dat is de reden waarom ik geen opvoeder kan worden ..." De directeur onderbrak hem en zei : "U zou het niet gedaan hebben als de grotere kinderen niet het voorbeeld hadden gegeven. Als die de ongelukkige een bloem hadden geschonken, dan zou u dat ook nagedaan hebben."

Ondertussen was de gnoom onzichtbaar geworden. Ook de directeur keerde om en ging weg. Nauwelijks was hij verdwenen of er trad een andere verschijning op het voorplan, niet zo wild als de eerste, maar meer plagerig. Het scheen een jonge knecht, een kelner of een koetsier te zijn. Scheef op zijn hoofd stond een hoge hoed, de panden van een lange jas fladderden aan zijn zijden, de mouwen werden korter of langer, naargelang het de armen naar voor of naar achter zwierde. Zijn laarzen hadden honger: de zolen klapten open en toe. Bij nader toezien ontdekte de hoogleraar dat het kostuum wel donker maar niet kleurloos was, het was samengestikt uit ontelbare gele en bruine lappen stof en met verf zwart gemaakt.

Deze gezel begon de hoogleraar van hier naar daar te sleuren; eerst wou hij bij hem in 't gevlij komen, dan begon hij hem te foppen. Nu eens nam hij hem bij de neus, dan bij het haar en bracht hem in pijnlijke verlegenheid, want ondertussen was ook de directeur terug verschenen en bekeek de scène van op de achtergrond. De hoogleraar die zo in het nauw werd gedreven wilde, om zich uit deze situatie te redden, de vlegel met een kwinkslag wandelen sturen, hij zocht tevergeefs in zijn geheugen, maar hij vond geen enkele gevatte uitdrukking, het scheen hem toe alsof hij in zijn ganse academische loopbaan niet één enkele keer puntig had gedacht. Tevergeefs pijnigde hij zijn hersens : herinnerde hij zich nu echt geen één of andere prof die ooit eens een grapje had gemaakt ? Toen hem dan iets te binnen schoot, dan gaf de schelm hem met een bezem (het was waarschijnlijk een schoorsteenveger) een oplawaai. De geleerde beleerde hem met een moreel gebod: hij kreeg van de vrijpostigaard een oorvijg. Hij citeerde de categorische imperatief, zijn tegenstander lichtte hem beentje en hij viel op de grond.

Na deze nederlaag gaf de hoogleraar zijn superioriteit op. "Het gebeurt terecht", dacht hij. De situatie waarin hij beland was had terug een herinnering wakker geroepen die hem nog meer te neer drukte. Maar hij begon zonder aarzelen een biecht af te leggen aan de directeur. Die was langzaam dichterbij gekomen en had de vlegel aan de jaspanden vastgenomen om hem verdere gewelddaden te beletten.

"Als knaap moesten wij tussen ons zevende en veertiende jaar een lange weg naar school afleggen, meer dan vijf kilometer. Wij verloren dikwijls veel tijd onderweg door allerlei kattekwaad, en om de verloren tijd weer in te halen gingen wij dikwijls achter aan een passerende kar hangen. Vooral op woensdag, want dan was het marktdag, en reden er veel karren. Op zo'n dag, toen de straat zeer stoffig was, onze tongen droog, waren wij op een veewagen gekropen. De slachter die de kar voer, had enkele kalveren gekocht en reed goedgemutst naar huis. Hij was een beetje beneveld en liet ons betijen, hoe wij daar tussen het vee -en niet veel slimmer dan die beesten- ons vermaakten. In volle draf reden wij voorbij een bedelaar die langs de weg hinkte en riepen hem; maar toen hij op de rijdende wagen wou springen en zich vastklampte, sloeg ik hem op zijn vingers zodat hij moest lossen, viel en voor dood bleef liggen. Of hij gekwetst was, dat bekommerde mij in 't geheel niet, wij raasden verder. Dat is nu de reden waarom ik nooit zekerheid op mijn levensweg zal verkrijgen."

"Sta op", beval de directeur, " strek de armen horizontaal en ga in spreidstand staan. Dat geeft u het zelfbewustzijn terug. De knecht is al lang verdwenen."

En inderdaad, die had zich uit de voeten gemaakt. Maar in zijn plaats was nu ineens de kamer vol met reuzevogels: papegaaien, spechten, vinken en andere gevederde gestalten, met in hun midden een hoogst gewichtdoende pauw. De ganse schare maakte zich op om naar voor te schrijden. Ze sloegen met de vleugels, sperden de snavels wijd open, hielden de klauwen klaar, alles wees erop dat de actie niet zonder gevaar zou verlopen. In ieder geval had de hoogleraar al direct reden genoeg om zich ervan te verlossen. Dat deed hij door al zijn ijdelheden, dwaasheden, oppervlakkige begeerten en dergelijke toe te geven. De schare werd terstond gracieuzer, de hoogleraar was aangenaam verrast en voelde zich gedrongen om naar voor te treden en de sierlijke bewegingen te begeleiden met verzen; Hij begon te declameren:

Flügelwippen, Federspreizen,
Vögel sind die Fraun !
Möchten gerne was ergeizen
mit dem Schweif und Klaun,
mit dem Schnabel wegstibitzen,
was schon längst dahin.
In der Mitte seh' ich sitzen
ihre Königin:
Kupferrotes Flaumenmieder
um den schmalen Leib,
Silberfüsze, Goldgefieder,
einst mein Zeitverteib
bis mir eine weisze Taube
zugeflogen kam,
abseits in der Rosenlaube
sitzt sie, voller Scham.
"Gold'ne Vorzeit ist mein Erbe",
ruft der bunte Pfau.
Doch die Taube sagt: "Ich sterbe,
wirst du seine Frau."
Und ich trete vor die beiden:
"Mög' der Heilige Geist
selber zwischen uns entscheiden."
- Welche ist verreist ?

Plotseling was de ganse vogelschaar verdwenen.
Uit de duisternis trad een zielewezen. Hij herkende onmiddellijk de verzorgster van de twee kinderen. Ze droeg hetzelfde eenvoudige, wat versleten, donkerviolette kleed, maar ze was alleen. In haar gekruiste armen lag een bundel. De hoogleraar maakte deemoedig een buiging en nam de bundel over. Hij wikkelde laag na laag af, nog kwam er niets tevoorschijn. Eindelijk na de laatste, teerste, bijna bloembladzachte wikkel verscheen een vlinder met twee wonderbaar gekleurde fluweelogen op zijn vleugels. Hij fladderde op en bleef op het voorhoofd van de hoogleraar zitten.

"In plaats van een professorenbril", lachte de vrouw.
Hij wilde haar rechterhand grijpen om haar te danken en ontdekte op haar handpalm, tussen de hart-, levens- en lotsbestemmingslijn, een grote, grofgerande, koperen munt met een dubbelbeeld erop. Hij herkende direct de profielen van de beide kinderen. "Dat is het scherfje dat ik je schenk, omdat je jezelf trouw bent gebleven", zei de vrouw.
Nu loste de imaginatie op.
Hij besloot om van de beelden die hem door de sterren gestuurd waren, een werkelijkheid te maken en bij de zieke kinderen te blijven.



Bovenstaande novelle werd door Albert Steffen gepubliceerd in "Lebenswende" in 1931.
We vonden dit geschikt als eerste kennismaking met deze merkwaardige Zwitserse kunstenaar.
Angela Matile, die het nagelaten werk van Steffen in Dornach beheert, schreef een korte biografie over hem. Wilma Develter vertaalde die, en het is die vertaling die wij in de volgende Brug zullen afdrukken. Om de lezer al enig idee te geven plaatsen we nu al het korte levensoverzicht zoals dat te lezen is in de "Werke" (1).

- Albert Steffen werd op 10 december 1884 geboren in Murgenthal aan de Aare. Zijn vader was plattelandsdokter, afkomstig uit Bern. Zijn moeder, Emma Künzli was de dochter van een fabriekseigenaar in Murgenthal.

- Van het voorjaar 1891 tot Pasen 1895 liep hij school in Wynau. De middelbare school bezocht hij in Langenthal (tot de lente van 1900). Daarna studeerde hij tot de herfst van 1904 aan het Literair Gymnasium in Bern.

- Universiteitsstudies begonnen in de herfst van 1904 in Lausanne, in 1905 en 1906 in Zürich, van 1906 tot 1908 in Berlijn en München.

- In Berlijn verscheen zijn eerste roman "Ott, Alois und Werelsche" bij S. Fischer.

- In 1908 verhuisde Albert Steffen van Berlijn, waar hij Rudolf Steiner had leren kennen, naar München, woonde daar met korte onderbrekingen tot 1920 en keerde dan naar Zwitserland terug. Hij vestigde zich in Dornach.

- Op 21 augustus verscheen het eerste nummer van het weekblad "Das Goetheanum". Rudolf Steiner had de redactie toevertrouwd aan Albert Steffen, die tot enkele dagen voor zijn dood zich van deze taak kwijtte; in de 42 jaargangen verscheen bijna in ieder nummer een bijdrage van hem.

- Toen in 1923 de Algemene Antroposofische Vereniging door Rudolf Steiner gegrondvest werd, koos Rudolf Steiner Albert Steffen uit als plaatsvervangend voorzitter. In de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen in Dornach nam Steffen de leiding op zich van de Sectie voor Schone Wetenschappen.

- Na de dood van Rudolf Steiner werd Albert Steffen voorzitter van de Algemene Antroposofische Vereniging.

- In 1935 huwde Steffen met Elisabeth von Veress, weduwe van de schilder Stückgold, in Boedapest. Zijn levensgezellin stierf op 3 maart 1961.

- In maart 1963 stichtte Albert Steffen een "Stiftung für therapeutische Dichtung", die zorg moest dragen voor zijn kunstzinnig en wetenschappelijk levenswerk.

- Hij stierf op 13 juli 1963, kort na de middag in zijn huis in Dornach. In zijn testament bepaalde hij dat in dit huis zijn dicht- en schilderwerk zou ondergebracht worden.











Kunst in het teken van Michael


Albert Steffen schreef hierover een artikel nadat hij over hetzelfde onderwerp een voordracht had gehouden in de Michaëlstijd 1925 in Dornach. Wij selecteerden een fragment. Vooral interessant is zijn uitleg over Thomas Van Aquino.

Kunnen wij in deze tijd iets aanvangen met de criteria van Thomas van Aquino als wij ons een oordeel willen vormen over een kunstwerk ? De illustraties voegden we zelf toe.

[ ... ] Rond 1500 v.C. heerste in Egypte Thoetmosis III van wie bericht wordt dat de goden zelf hem ingewijd hadden. We vinden dit gebeuren afgebeeld in de Amonstempel in Karnak. De machtige farao staat er als boogschutter, met gespannen boog, beide handen op schouderhoogte. De spanning is matig zodat de boog vertikaal blijft. De schutter houdt deze maat omdat achter hem een wezen staat dat hem bij de linker- en rechterschouder vasthoudt. De rechtervoet van het wezen valt samen met de linkervoet van de farao.

Ongeveer zoals op deze afbeelding van Amenofis II :

Deze gestalte, die een ibiskop heeft (op andere afbeeldingen een sperwerkop) is Toth, waarvan de egyptologen zeggen dat het de uitvinder was van het schrift, de astronomie en astrologie, rekenkunde, muziek, staatskunde, geneeskunde: "De zon van de intellectuele wereld" ... Ook de aanvoerder van de dichters want hij heeft de eerste lier gebouwd ... Hij is de genius die de farao inwijdt.

Boven dit mens-god paar staan allerlei tekens die de inhoud van de inwijding weergeven. Ze verwijzen naar de scheppingsgeschiedenis van de wereld. Ze verbinden mens en god.

Het teken van de grote Toth is de sperwer. Dat is tegelijk het schriftteken van de Egyptische A-klank (Haset). Toth wijdt de farao in de geheimen van de schepping in, in "Het Woord" waaruit ze ontstaan is, in de Logos. Hij, de "Zoon van de intellectuele zon", de uitvinder van het schrift, leert hem de naam van God uit te spreken, de klank waarin het Al bevat is, de klank waarmee men het Al inademt, de A-klank.

Noot: ondertussen weet men dat de A in de oudste fase van de Egyptische taal voorgesteld werd niet door de sperwer, maar door de Egyptische gier, een beeldteken dat moeilijk te onderscheiden is van dat van de buizerd. Thot (Hermes in Griekenland) werd geassocieerd met de Ibis Religiosa, die nu uitgestorven is. Interessant is dat de Ibis Comata staat voor AH ( de medeklinker 3 wordt als A gelezen).

Rudolf Steiner zei in de cyclus over drama en spraakvorming, die hij in 1924 in Dornach hield, dat men het spreken door speerwerpen ontwikkelde. We mogen zeker zeggen : door al wat met mikken te maken heeft, ook het boogschieten dus. Het trekken van de pees is verbonden met een diep inademen -ieder moet het maar eens voor zichzelf proberen- en het ophouden van de lucht in het organisme. De Egyptenaar voelde daarbij een vervuld-zijn met het Al. Hij beleefde het oerbegin van de schepping, de eerste klank van de Logos waaruit alles ontstaat.

Thot leert de farao de A-klank. De Egyptische A is met een H verbonden. Het is een ademtocht als dusdanig.

Nu de wereldveroveraar Thoetmosis de A-klank, het begin van de schepping (die uit het Woord geboren is) in zich draagt, begint hij te mikken, nog altijd op aanwijzing van Toth. Hij richt zijn oog op een object in de buitenwereld; hij laat de pijl vliegen en, afhankelijk van het trefpunt dat hij raakt, vormt zich een medeklinker.

Medeklinkers worden gevormd door de buitenwereld, klinkers in onze binnenwereld.
Afhankelijk van het schot, hoe de pijl snort en inslaat, kan zich een S, R, T enz. vormen. Het alfabet begrijpen naar klinkers en medeklinkers (vocalisme en consonantisme) is hetzelfde als de samenhang van mikrokosmos en makrokosmos begrijpen.

Juist spreken maakt een verbinding tussen mens en God.
Het woord van de priester-koning, van de voorchristelijke ingewijde, is godsdienst én wereldverovering.

Maar de goddelijke leider liet de mens los. En die kwam uit bij veel eigenzinnigere spraakgebaren toen hij eenmaal vrij geworden was.

Wie gaf de mens de vrijheid ? Christus, de God die mens werd. De Logos die zich incarneerde; "De Alfa en de Omega", zoals Johannes, van de Openbaring, hem noemt.

Nog bij de Grieken sprak men van de beide klanken die alles omvatten, de alfa en de omega.
Wij spreken van het ABC (Duitse uitspraak van C is tsee). Wij zijn als boogschutters zo kortademig dat we ophouden bij de C (tsee) die de dood in zich draagt. In onze spraak weten wij wel van de Slang (met S), maar niet van de Verrezene. Wij komen niet voorbij de dood, het kruis, de Tau ( "Tod" in 't Duits).

Er ligt een diepere oorzaak in dergelijke filosofie van de tekens. De Griekse taalgeest werd verdrongen door de Arabische. Tegen de hoofdvertegenwoordiger van het Arabisme, Averroes, richtte zich in de Middeleeuwen Thomas van Aquino, die zijn ganse theologie op het 'verbum incarnatum' grondvestte.

Thomas wordt op oude afbeeldingen voorgesteld hoe hij op zijn knieën de bijbel houdt (waarin het alfa en het omega staan); in zijn borst schijnt de zon, onder zijn voeten kromt zich Averroes. Boven hem zijn de hemelse hiërarchieën met daaronder de katholieke kerk, verzameld.

Thomas van Aquino wilde Christus, de Logos die in het menselijke hart ingetrokken is, voor het verstand begrijpelijk maken. Hij ziet in dat de mens wel door God -die sindsdien vanuit het wereld-al werkte- werd vrijgelaten, maar dat hij zijn vrijheid moet gebruiken om de samenhang met de kosmos te vinden.

In de Egyptische Toth zoals die nog in farao Thoetmosis III werkte, "de zon van de intellectuele wereld", moeten we de geestelijke macht zien "uit wie de gedachten der dingen vloeien", zoals Rudolf Steiner het ooit uitdrukte toen hij over Michaël sprak. Michaël beheert de kosmische intelligentie.

Toen kwam het tijdvak waar Thoth zijn handen terugtrok van de mensen opdat die vrijheid in zijn denken zou kunnen verwerven. Nu ontving de mens zijn gedachten niet meer van een goddelijke macht, hij moest ze zich zelf eigen maken. Daardoor was ook de mogelijkheid om te dwalen gegeven. Zo kunnen we bvb. de strijd begrijpen in de middeleeuwse scholastiek tussen het realisme en het nominalisme. Thomas van Aquino, de hoofdvertegenwoordiger der realisten, ziet in de gedachten die zich in woorden kleden nog geestelijke realiteiten. De 'universaliën' zijn voor hem nog verbonden met het goddelijke van de kosmos, met het universum. Hij strijdt met de nominalisten, wier bekendste vertegenwoordiger Averroes is, als een echte volgeling van Michaël die de draak overwint. De Arabische filosoof wordt dan ook afgebeeld als een slang, kronkelend onder Thomas' voeten. Voor de nominalisten is de naam, als kleed van de idee, iets subjectief dat slechts in de mens ontstaat en geen samenhang met het goddelijk-geestelijke heeft. De nominalisten beweren dat de namen alleen in het menselijk organisme ontstaan dat vergankelijk is.

Thomas van Aquino echter wilde de mensentaal met het wereldwoord verbinden.
Wanneer een Egyptenaar zijn hiëroglyfen tekende, dan voelde hij dit niet zo alsof hij ze zelf maakte. Hij vereerde in de schrift nog de hand van God. Hij herinnerde zich bij ieder teken aan een waargenomen wezen. Hij schouwde, door de kracht van de hiëroglyfen, een geestelijke werkzaamheid. De hiëroglyfe richtte zijn blik naar een bepaalde richting. Doorheen de tekens las hij de mythos van zijn eigen ontstaan, het scheppingsverhaal. Legere (Latijn voor lezen) en legende hingen samen.

De middeleeuwse mens moest tevreden zijn wanneer hij nog de geestelijke oorsprong van de gedachte kon redden. Het schriftteken als dusdanig, zowel het Romeinse als het Arabische, was dood. Door de 'dood van het teken' werd het beeld woordloos, het woord beeldloos.

De geesten die achter het geschreven woord staan zijn helemaal anders dan diegenen die achter het gesproken woord staan. De Bijbel is eigenlijk pas een levend boek omdat het Woord dat erin verkondigd wordt, vlees geworden is. Indien Christus niet was opgestaan, bleef het dood. De strijd tussen realisten en nominalisten is voor de dichters van deze tijd van grote betekenis. Zij zijn erop aangewezen om te werken door het geschreven woord. Hoe overwinnen zij de dood die daarin zit? Toegegeven, de meeste komen hoegenaamd niet op dergelijke gedachten, ze teren onbewust verder op het oude erfgoed. Andere weten daarentegen zeer goed waar het op aankomt. Maar ze stellen zich in dienst van radio, TV en cinema, het zijn automaten, cynici, die hun woordgeweten niet willen laten spreken.

Thomas van Aquino heeft op zijn realisme ook een schoonheidsleer opgebouwd. Vooral uitgewerkt in een commentaar op het werk van Dionysios de Areopagiet, 'de divinis nominibus'. De grote scholasticus, die in de dingen van de wereld de geest van God zag, kon schoonheid nog in de werkelijkheid vinden. Hij was niet verplicht om, zoals later de mystici, de schoonheid in de woord- en beeldloze vereniging met God, in de 'unio mystica', te zoeken. Het is nog niet genoeg bekend welk een invloed Thomas van Aquino op de kunst van Italië heeft uitgeoefend, zowel op de schilderkunst als op de dichtkunst. Door zijn realisme bevrijdde Giotto zich van het Byzantijnse. En Dante durfde het aan om in de volkstaal te dichten.

De Thomistische schoonheidsleer

Thomas van Aquino, door wie Aristoteles verlost werd van het Arabisme en terug levendig werd, stemt hierin zeker overeen met Plato. Hij spreekt ook van de drieheid: waarheid, schoonheid, goedheid, die het ware mensdom uitmaken, wat ook in de Summa Totius Theologiae besloten ligt en een weerspiegelung moet vinden in het volkomen kunstwerk.

Het goede is er omdat men een impuls volgt (een 'appetitus'). Die komt uit de wilsmens. Dat is onvoldoende voor een kunstenaar.

Kunst ontstaat in die zin pas wanneer de kracht bemachtigd wordt waardoor het goddelijke een afbeelding in het aardse kan vormen: de vormkracht die ten grondslag ligt aan het stoffelijke bestaan. Bij de 'appetitus' (die eigenlijk iedereen bezit) moet de 'vis cognitiva' (kenniskracht) komen die moeilijker te verwerven is. Zonder deze zou Dante bvb. sentimenteel geworden zijn. Deze kenniskracht moet in het vuur gehard worden. Ze stamt uit het bereik waar de kosmische wijsheid werkt, maar ze dringt door tot in het rijk der zintuigen. Schoonheid is geest, door het lichaam waargenomen.
Haar kenmerken zijn

- claritas
- consonantia
- integritas sive perfectio

De "claritas" spiegelt de symmetrie en orde die in het geestelijk-goddelijke (het rijk van Michaël) heerst en van boven naar onder op de aarde straalt. De "consonantio" is de trappenreeks van onder naar boven, de samenklank van het stoffelijke.
"Integritas sive perfectio" vereist vereniging van boven en onder, volkomenheid, vervulling, heel-zijn.

Thomas van Aquino heeft deze drieheid in samenhang gebracht met de drieëenheid van de Logos: de Vader (integritas sive perfectio), de Zoon (consonantia) en de geest (claritas). De schoonheid op de hoogste trap is het beeld van de hemelse veelheid (pleroma). Sinds Christus vorm heeft gegeven aan de aardse stoffelijkheid (het woord werd vlees) heeft de kunstenaar de mogelijkheid om te scheppen vanuit het materiaal: schilderen vanuit de verf, dichten vanuit het woord, beeldhouwen vanuit de steen enz.





De bestemming van het Kwaad

Dit essay van Albert Steffen verscheen in 1940 in "Frührot der Mysteriendichtung".

De uitdrukking "bestemming van het Kwaad" heeft twee betekenissen. Enerzijds wijst ze naar buiten: welke plaats heeft het Kwaad in de wereld. Om dat vast te stellen moeten we het Kwaad bestuderen met de exactheid die we in de natuurwetenschappen toepassen. Anderzijds betekent bestemming: zingeving, opdracht, lotsbestemming. Dat wijst naar binnen. In het eerste geval hebben we te maken met iets dat reeds geworden is, in het andere geval met iets dat in wording is.

Kunnen we het Kwade als een mineraal of een plant determineren ? Kunnen we het veranderen ? Waar wortelt deze plant en welke vruchten draagt hij ?

We kijken tegenwoordig naar het Kwade, het Slechte, met de vermogens die wij het meest gebruiken, namelijk de zintuigen en het intellect.

Noch steen, noch plant noch dier kunnen we als onderzoekers slecht noemen. De steen die op mijn hoofd valt, de plant die mij vergiftigt, het dier dat mij doodt verdienen niet om kwaad of slecht te worden genoemd.

Ook een mens kan men niet zonder meer slecht noemen. Hij is misschien achtergebleven op een dierlijk niveau en eet niet alleen dieren maar zelfs zijn medemens. De antropoloog noemt deze menseneter niet slecht maar beschouwt hem als achtergebleven in de ontwikkeling. Een misdadiger die zondigt tegen de burgerlijke moraal wordt door een socioloog begrepen als het slachtoffer van zijn milieu. Een notoire dief wordt door een gerechtspsychiater pathologisch genoemd. Men spreekt van gemene, minderwaardige, karakterloze, defecte enz. exemplaren van de menselijke soort, maar niet van slechte, want het quasibegrip 'slecht', 'kwaad' geldt als een moreel (voor)oordeel, en wetenschappers dienen juist objectief en zonder vooroordelen te denken.

Het Kwade heeft echter nog een gans andere nuance. Het kan als schoon, geniaal, verheven verschijnen en verbonden zijn met ascese en martelaarschap. Denken we maar aan de Thugs, de moordenaarsorde die de godin Kali diende.

Maar ook dergelijke on-menselijkheid zal de natuurwetenschap niet slecht noemen, maar waanzinnig, en het verschijnsel herleiden tot een religieuze aberratie.

De natuurwetenschapper die agnostisch denkt kan de oergronden van het Kwaad niet vatten. De duivel is voor hem een zaak van de theologie. Misschien -dat geeft hij toe- het overblijfsel van een vroegere openbaring, die zich echter in ieder geval onttrekt aan empirisch onderzoek en nooit als wetenschap kan beschouwd worden. Ze lost zich door het intellect in het niets op. Nu heft echter dit intellect, wanneer het zich op het innerlijk van de mens richt, ook het geweten op dat nog als enige steun voor een zogenaamd zondebesef kon gelden, zodat ook van deze kant geen benadering van het Kwaad meer mogelijk is.

Noch door zelfkennis noch door kennis van de wereld komt men met de natuurwetenschap tot een begrip van het Kwade. Maar naarmate het Kwade uit het zicht verdwijnt, geraken de gevolgen ervan meer en meer in het blikveld. De ganse beschaving die gebouwd werd met de techniek van een wetenschappelijk denken, stelt zich meer en meer in op vernietiging. Industrieën en beroepen, opvoeding en scholen, wetenschappelijk onderzoek en praktijk zijn in dienst getreden van een werk dat de dood in zich draagt. Wie zich daaraan wil onttrekken maakt zichzelf weerloos. Niet-gewapend zijn betekent overgeleverd zijn. Het betekent zelfvernietiging. Wat hier werkzaam is en altijd meer toeneemt is het gevolg van een wereldbeschouwing die het Kwade niet meer kon kennen, nee, die zelfs van het kwade niet wilde weten.

Dat is de vreselijke paradox dat juist de agnostische wetenschap die dacht het Kwaad te kunnen elimineren, er de deur wagenwijd voor open zette, zodat het in toenemende mate over de mensheid komt.

In vroegere tijden was het Kwaad voor het oog, dat nog vervuld was van de geest, toegankelijk. Het verdwijnen van het kwaad voor de uiterlijke blik en het innerlijk schouwen is een verschijnsel van onze tijd. Vroeger nam men het kwade waar. Vandaag is dat niet meer het geval, maar dat betekent niet dat het Kwade niet meer werkzaam is, integendeel, het werkt des te meer, hoe minder men ervan wil zien. Niet alleen was het Kwade zichtbaar voor het oog, het drukte zich ook uit in de werking van het oog.

Ook nu nog spreekt men van het boze oog, een kwade tong. Bij primitieve volkeren, in afgelegen dorpen leeft nog de schrik voor de kwade kracht die van een oog kan uitgaan, moeders bedekken hun kind wanneer zo iemand in hun richting kijkt. Voor de ontwikkelde mens van deze tijd is dat puur bijgeloof, maar we zien in alle landen en culturen, in taal en in gebruiken de angst voor het boze oog verder leven, het "ophtalmos baskanos" van de Grieken, de "lingua mala", de kwade tong van de Romeinen.

Wat vroeger leefde in de kunst, in dichtwerk en beeldhouwwerk van de antieke hoogculturen, leeft nog als armtierige rest verder in het gebruik van maskers. Bij feesten waar het ondermenselijke wakker (gemaakt) werd, wilde men zich beschermen voor de elementarwezens van de onderwereld door lelijke maskers.

Om zich te verweren hield men het Boze een spiegelbeeld voor. Het Griekse oerbeeld daarvan is het hoofd van Gorgo.

. . . .

Perseus onthoofdt Medusa

Het boze, waarvan de 'bestemming' onttrokken is aan de zintuigen en het intellect van de hedendaagse mens, die technisch en natuurwetenschappelijk opgeleid is, was voor de oude Grieken zeer aanschouwelijk in de mythe van Perseus. Eén van diens heldendaden was het onthoofden van Medusa. Hefaistos smeedde dan dit hoofd in het borstschild van Athene. Volgens Hesiodos waren er drie Gorgonen: Stheno, de sterke, Euryale, de vérspringende en Medusa, de door Poseidon bezwangerde.

De Gorgonen zijn lunarische waterwezens terwijl Perseus zijn impulsen van de Zon en de Lucht ontvangt. Hij krijgt van Athene en Hermes een spiegel en een sikkelzwaard. Hij pakt het eenoog af van de graien, de vrouwelijke wakers aan de ingang van de spelonk waar de Gorgonen verblijven, en daarmee kan hij zijn weg vinden in de holen van vóór de zondvloed waar noch zon noch maan schijnen. De nymfen die in het luchtelement thuis zijn verlenen hem vleugelschoenen, de onzichtbaarmakende helm en een zak. Zo is hij klaar voor de strijd. Omdat de blik van Medusa versteent mag Perseus haar alleen in de spiegel aankijken. Hij sikkelt het hoofd van de romp en laat het direct in de zak vallen, want ook dood kan de gruwelijke blik nog verstenen. En weg vliegt hij, onzichtbaar voor de beide andere Gorgonen die onsterfelijk zijn. Uit de afgehouwen hals wordt een tweelingpaar geboren: Chrysaor (goudzwaard) en Pegasos, het gevleugeld ros.

In deze beeldspraak, die even exact is als een wiskundige vergelijking verhaalt de mythologie oorsprong en verandering van het Boze.

De Gorgonen "wonen over de Okeanos, dicht bij de grens van de Nacht, bij de zingende Hesperiden" (Hesiodos), daar waar Poseidon heerst, d.w.z. in een ouder tijdvak van de Aarde, toen die nog niet zo verhard was als nu, maar meer in een waterige toestand verkeerde, zodat de wezens die haar bevolkten veel beweeglijkere vormen bezaten. Het ziele-geestelijke dat in hen werkte kon ook de omringende wereld nog vorm geven. Voorlopers van de mens en de aarde zelf werkten op elkaar in. Dat kwam in de Gorgonen, als overblijfselen uit die oertijd, tot uitdrukking. Het schedeldak was nog niet gesloten. Wat vandaag als dode gedachten opstijgt uit het voorhoofd, strekte zich als een levendige poliep of weekdier uit naar buiten. Het oog had zich nog niet aan het licht en voor het licht kunnen ontwikkelen, want er was nog geen zon die door de water- en nevelmassa's drong. Het oog leek op een voelspriet die voorzichtig rondtastte. Het had zijn vorm nog niet van buiten af gekregen, het werd van binnen uit, door het drift- en begeerteleven gevormd, dat trouwens ook de andere organen vorm gaf.

Dat alles drukte zich in deze gorgoonse gezichten uit. In het mythische schouwen was 'gezicht' iets innerlijks dat uiterlijk werd. Waardoor het schouwen van het dodelijke ook de beschouwer kon doden. Net zoals het aanschouwen van het licht levenskracht gaf.

Het slangenhaar van de Medusa, haar dodende blik en ontbinding veroorzakend geluid wijzen op de vernietigingsmogelijkheden van deze wezens. Hun brullen was als donder. Ze brachten chaos. "In de oude taal heette de maan Gorgonion", zegt Creutzer in verband met de mysteriën van Samothrakè, "omdat men in de maan een zwart gezicht meende te ontwaren."

"Onoverwonnen dochters van Chaos zijn wij ... " - Zonder twijfel gaat het hier om een periode in de ontwikkeling van de aarde die Rudolf Steiner de herhaling van de oude Maan-toestand noemt. Perseus echter overwint die achtergebleven krachten. Zijn naam wijst op het Licht. Hij wordt in de mythe zonneloper genoemd. Met hem begint een nieuwe dag in de wereldontwikkeling. We hoeven niet verder in te gaan op de verklaring van alle details van de mythe, de beeldende taal is duidelijker dan intellectuele begrippen. Het verwondert ons toch niet dat uit de keel van Medusa zowel het Goudzwaard als Pegasos ontspringen, en dat het afgehouwen hoofd ingewerkt wordt op het schild van Athene; een dochter van Chaos op het pantser van Athene, de maagdelijke godin die uit het hoofd van Zeus geboren is, godin van de wijsheid onder wiens hoede de Griekse filosofie en literatuur gedijde.

Al wat uit een afgelopen periode dóórwerkt in een nieuwe en deze door geweld wil teniet doen, werkt letterlijk in slechte zin. Het gruwelijke, afgrijselijke hoofd dat versteent, ook wanneer het afgehakt is, behoort aan een wezen dat stamt van het continent dat de Ouden het eiland van Poseidon noemden en dat verzonk in de Atlantische catastrofe. Van daar komen krachten die de mensheid die de zondvloed overleefd heeft, terug wil brengen tot de bewustzijnstoestand die tenslotte de ondergang van Atlantis veroorzaakte. De groei- en voortplantingskrachten uit die tijd waren toen zo sterk dat ze niet alleen verkeerde opvattingen lieten ontstaan, zoals nu geschiedt door driften en zintuigen. Met verschrikkelijk geweld werkten ze ver buiten de mens en veroorzaakten in zijn omgeving disharmonie en chaos. Polyphemos, de eenogige cycloop is nog een representant uit die tijd, Odysseus is al een vertegenwoordiger van de nieuwe tijd. Met zijn list overwon Odysseus de cycloop, maar de Gorgo ontweek hij in de Hades. Want hij voelt dat zijn verstand niet volstaat om haar te vernietigen. Hij kan al niet meer de oergrond van het kwaad vatten.

Het oog maakte zich los van de orgaankrachten van het lichaam, maar daardoor nam het ook alleen maar de buitenkant van de dingen waar. Het verloor zijn invloed op de elementen die het ooit in beweging kon brengen. Pythagoras nog meende dat zien een warme uitwaseming of damp was die door het koude element teruggeworpen werd. Het oog zou niet kunnen zien indien het een koude uitwaseming zou zijn, want dan zou er geen verschil zijn tussen de buitenlucht en het oog. Zien is voor hem een activiteit in het lucht- en waterelement. Het verloopt polair tussen koud en warm, tussen buiten en binnen. Het werd nog niet vergeleken met een donkere kamer zoals de natuurwetenschappers van de 19de eeuw dat deden. Ergens noemt hij de ogen "de poorten van de zon".

Het schouwen verliest de kracht die uit de organen opstijgt naarmate het oog omgevormd wordt door het licht en voor het licht, d.w.z. toen de mens van een meer vloeibaar aardebestaan verder schreed naar een vastere toestand. Dat was, zoals we in Genesis lezen, toen de wateren zakten en de vaste aarde tevoorschijn trad, toen het licht van buiten op de aardebewoner scheen en voor het eerst een regenboog zichtbaar werd. Toen sloot zich om de kijkopening van het oog, de pupil, langs waar tot dan het innerlijk wezen in de buitenwereld tastte, de iris, het regenboogvlies. Het oog als dominant zintuig maakte parallel de ontwikkeling van de aarde mee. Waar het zich voorheen als een voelspriet naar buiten uitstrekte, en nu eens in het vloeibare rondtastte, dan weer zich terugtrok, als een slak, zo werd het nu in fysiek opzicht begrensd en afgesloten, maar tegelijk lichter. Het nam de vorm van het heelal aan en het vermogen om dit te spiegelen. En dit objectief-worden van het zien gaat dan nog altijd verder, tot het oog meer een deel van de buitenwereld dan van de mens is geworden. Het is de wonderlijkste metamorfose: een kristallisatie die het mogelijk maakt 'de daden en het lijden van het licht' waar te nemen (Goethe). Dat kan omdat het oog geen Zelf meer heeft. Het is versteend, als door de blik van Gorgo getroffen, maar niet dood. Het kan het Kwade nu aanschouwen en juist door dit zien de kracht verwerven om het in het Goede te veranderen.


Das Auge


"Und kannst du den Kristall mir nennen: Zeg mij eens de naam van het kristal:
Ihm gleicht an Wert kein Edelstein; Het is meer waard dan saffier of opaal;:
Er leuchtet ohne je zu brennen, Branden doet het niet hoewel het straalt,:
Das ganze Weltall saugt er ein. Het ganse wereld-al heeft het binnengehaald.:
Der Himmel selbst ist abgemalet De hemel zelf in alle schittering:
In seinem wundervollen Ring, Kun je zien in zijn wondere ronde ring,:
Und doch ist, was er von sich strahlet, En toch is, wat ervan uitstraalt,:
Weit schöner, als was er empfing." Veel schoner dan wat het heeft binnengehaald.:


Uit: Rätsel aus "Turandot".


Het is het oog van Schiller, dat deze dichter ontwikkelde omdat hij Goethes weg van de 'Anschauung' gegaan is, gelouterd in de 'Stofftrieb', beweeglijk in de 'Formtrieb', door het scheppen van Schoonheid: het oog van de ideale mens. Maar een nog hogere ontwikkelingsvorm moet veroverd worden: het kennisorgaan als dusdanig, vrij van het lichaam, dat tot waarneming van geestelijke wezens en gebeurtenissen leidt.

Het kennis-oog

De moderne natuurvorser vergelijkt het oog met een camera obscura. Maar voorsocratische filosofen beschouwden het oog zelf als een lichtend orgaan. Empedocles bvb. spreekt van een vuur dat, omsloten door een dunne huid, in de pupil rust en door die huid beschermd wordt tegen het water dat errond vloeit. Omdat vuur een ijler element is dan water kan het toch naar buiten dringen.* Fysici van deze tijd ontkennen een dergelijke activiteit van het oog en willen zijn werking herleiden tot optische wetmatigheden. Dit in tegenstelling tot Goethe voor wie oog en zon verwant zijn. De zgn. donkere-kamertheorie is zelf een symptoom voor het steeds passiever wordend oog. Nochtans kondigt zich een heropleving van binnenuit aan.

We verwijzen naar de proeven die Goethe uitvoerde met gekleurde platen. Soms nam hij achteraf, met gesloten ogen, een kaleidoscoopachtig beeld waar. Het gaat hier om een vrijworden van het eherlichaam, van het fysieke oog, om een etherisch waarnemen. Dat was niet uitsluitend een vermogen van Goethe, dit wordt een algemeen menselijk vermogen. Om dit te ontwikkelen is er natuurlijk een bewustzijn nodig van een geestelijke en zielewereld, en de kunst om daarin zijn weg te vinden. Dat is even zeer nodig voor dit soort zien als het licht nodig was om het fysieke oog te laten evolueren.

Wanneer de mens dit oog -vrij van driften en vooroordelen, niet meer gebonden aan het lichaam- naar binnen richt, naar de eigen zielewereld, dan beleeft hij iets dat zich bij een onbevangen en onbedorven gemoed uitstrekt tot het fysieke oog. Men zou dan willen onderdrukken wat daar opstijgt wanneer er in het innerlijk iets 'niet klopt'. Schaamte. Men vermijdt de blik van de ander hoewel men weet dat die niet kan zien wat er in ons binnenste omgaat. Vooral voor leugen en nijd schaamt men zich. Zonder enige twijfel weet men: die twee zijn slecht. Men voelt, als tegenwerking van de boze blik en de kwade tong: het knagend geweten.

Wie dat ontkent bewijst daarmee alleen dat hij het kennis-oog nog niet gebruikt, of misschien alleen op het gebied van het denken. Voor 'slechte neigingen' heeft hij dit oog gesloten. Wie het wel gebruikt voelt ergernis als een onweer door dit oog razen zodat dit ook begint te rollen en te tollen terwijl het anders zo rustig rondkijkt. Ook voelt hij hoe het groot wordt door enthousiasme.

De natuurwetenschappelijke vorser werpt op: "Dat is subjectief. Als de mens 7 jaar is, is het oog volgroeid. Experimenten wijzen uit dat foto's van het oog, zonder de rest van het gezicht erbij, niets van die aard tonen. Dat zegt nog altijd niets over de exactheid waarmee de kennisblik de slechte neigingen waarneemt. Die duikt op uit de afgrond van de ziel en dikwijls op een gemaskerde manier. Een begeerte kan zich eerst voordoen als een welkome aangroei van het eigen Zelf, schoner, rijker en geweldiger dan dit Zelf. Het geschoold geestesoog echter onthult het tegendeel daarvan, in feite is het een kluister en een verarming. Wat voor het lagere gevoel verleidelijk is, schrikt terug voor het hoger schouwen. Op zich hoeft een drift niet slecht te zijn, maar zij kan het slechte tot gevolg hebben wanneer zij onvrij maakt zodat de menselijkheid die in het Ik rust, wegzinkt.

De vlam die omhoogschiet uit het onderbewuste wordt door het kennisoog niet gezien als lichtvol, maar als duisternis-vol. Het donkere kan evenwel gelouterd worden zodat het als kleur verschijnt. Aldus begint het overwinnen van de Lucifer. Zijn macht, die geweldiger is dan het gewone Ik is voor de mens pas te doorzien wanneer hij haar zijn Zelf dat door de Geest is gegaan, in de weg stelt.

Er was geen misdaad waartoe hij niet in staat was geweest, zegt Goethe, behalve leugen of nijd. Het past voor wie Goethes methode volgt om hetzelfde te bekennen. Maar tegelijk mocht Goethe er prat op gaan dat hij niet onmiddellijk alles kort en klein sloeg wanneer de goesting daartoe in hem opkwam, of dat hij zich niet op zijn zetel ging leggen wanneer hij zich afgemat voelde. Iedere levenstoestand was voor hem een aanleiding om zich in te spannen en er het beste van te maken. Na de maaltijd, wanneer de mens niet direct heel productief kan zijn , bekeek hij het werk van grote schilders of had hij een gesprek over de gang van zaken aan het Hof. Boven alles was hij een expert om zich voor wat dan ook te interesseren zolang het maar niet zijn eigen persoon was.

Iedereen die zichzelf innerlijk aanschouwt, ontdekt 'slechte neigingen'. Hij moet ze, om zijn menszijn te bewaren, voortdurend omvormen. Dat kan alleen maar door iets dat hoger is dan zijn alledaagse Ik en alleen door het kennis-oog vol bewust wordt. Het is het geestelijk deel van de mens.

Wie de slechte neigingen in zichzelf zou willen ontkennen zou daarmee alleen maar zeggen dat hij een 'goede kerel' is, een 'brave burger', een 'legitieme vorst', maar hij zou geen reden vinden om méér te worden. Misschien vindt hij zichzelf voorbeeldig maar daarmee beliegt hij zichzelf alleen maar.

Het is mogelijk dat de mens die zichzelf bestudeert helemaal geen reden heeft om begeesterd te zijn. Wanneer hij zichzelf van buitenaf bekijkt dan ziet hij zijn vergankelijk wezen dat hoofdpijn, maagpijn, gewrichtspijnen heeft, dat zich iedere morgen min of meer opkalefatert -een hogere mens neemt hij in geen geval waar. Ook niet wanneer hij in de spiegel kijkt ... Maar hij schouwt wel het hogere in de andere mens, vooral in het kind.
Hij ziet de wezensgestalte die dit van de goden gekregen heeft. Daar doorheen verschijnt voor hem een ganse kosmos, een hemels doel. Iets om te vereren. En wanneer het mensenwezen onvolkomen schijnt, dan wordt het medelijden wakker. Zichzelf bewonderen, dat kan hij alleen als eigenwaan beschouwen die moet afgelegd worden wanneer hij dichter tot het geestelijke wil geraken. Men is verrukt wanneer iemand iets heeft wat we zelf niet bezitten. Men wil het loven. Hoewel de betreffende ons dit dikwijls niet toestaat. Maar zelfs als hij jou beledigt en kwetst, verheug je over zijn positieve kwaliteiten. Overgevoeligheid is voor het geestesoog ressentiment, wrok, een schaduw dus. Neem in de plaats een penseel vol kleur, waarmee je het beeld van de ander (maar nooit je eigen beeld!) schildert.

De eigenschappen van de mensen waarmee je te maken hebt moeten als tinctuur beschouwd worden, of ze nu warm of koud werken. Geel is even interessant als blauw. Zo wordt men een portretkunstenaar.

Maar onze medemens kan ons niet alleen bedroeven, hij kan ons ook zodanig belasten dat onze adem stokt. Om van deze druk af te geraken moet men zijn hart luchten. Spreken geeft verlichting. Maar wanneer dit op kosten van de gerechtigheid geschiedt dan krijgt men last van zijn geweten. De echo van wat men gezegd heeft klinkt na in rustiger uren. Liefdeloosheid bedrukt het hart. Hier is vereist om al wat men beleeft in ware en goede woorden te kleden zodat men terug adem en hartslag in harmonie kan brengen. Bij het kennis-oog komt nu het hart-gehoor. De boze tong heeft in het dichten geen plaats.

Wie voor zichzelf het mensheidsoog altijd klaarder ontwikkelt, die wordt het ook alsmaar zwaarder te moede op deze aardewereld. Juist omdat hij zich kan vrijhouden van lichamelijke invloeden gaat hij de last die moet gedragen worden altijd ondragelijker vinden. De grote lasten zijn niet de uiterlijke zoals stenen of houten balken waarmee men zijn huis bouwt, maar het innerlijk lijden en de ondeugd waarvoor men zich verantwoordelijk voelt, ook wanneer men die zelf al lang overwonnen heeft. Maar zolang men niet zijn mensenverachting overwint door verder te schrijden van het uiterlijk beschouwen van de laagheid van het aardse geslacht naar het inzicht in de doelstellingen van de goden -die in de menselijke wezenheid tot uitdrukking komen-, zolang is men geen mens die op sociaal gebied kan vormgeven.

Het hart-gehoor

De "bestemming van het boze" wordt mogelijk wanneer de mens zichzelf tot object maakt en het kennis-oog -dat hij zo exact geschoold heeft als zijn natuurwetenschappelijke waarneming- op het eigen innerlijk richt. Hij ziet dan hoe bepaalde driften uit zijn onderbewuste omhoogstijgen die in tegenspraak zijn met het wezen der menselijkheid dat in zijn denken als idee heeft vorm gevat. Een geweld dat machtiger is dan hemzelf neemt hem op sleeptouw en maakt hem onvrij. De aard van dit geweld vermag hij pas in te zien wanneer hij zich ervan verlost heeft en hij het van buitenaf kan beschouwen. Dat kan men alleen maar wanneer men in de plaats iets omvattender en sterker stelt. Dat kan alleen het Ik doen dat onafhankelijk geworden is doordat het volledig vrij van het lichaam kan denken d.w.z. het fysieke sterven reeds tijdens het leven ervaart (dus in feite een -misschien gedeeltelijke- inwijding meemaakt - fdw) . Pas in het licht van de onsterfelijke Ik-heid kan zich de macht volledig onthullen die langs de begeerten en emoties werkt.

Dergelijke belevenissen zijn altijd individueel.
In grote lijnen kan men zeggen: "Een neiging kan slecht zijn. De mens kan zich ervan bevrijden door zijn hogere Zelf op te roepen en verder te gaan op het pad van de spirituele ontwikkeling. Dan heeft het boze zijn opdracht -het spirituele bewustzijn wekken - vervuld.

Het oermotief van dit gebeuren zit reeds in de Paradijslegende waar de slang met het menselijk gelaat de eerste mens de appel reikt en daaruit dan de ervaring van goed en kwaad ontstaat, het afgesloten-zijn van de geestelijk-goddelijke wereld door de zintuigen en het onheil dat daardoor ontstaat: zelfzucht, ziekte, dood, maar ook: de arbeid in en aan de wereld en het hunkeren naar verlossing.

Het kennis-oog verwerft een zicht op het ontstaan van het kwaad in een wereldsamenhang die geesteswetenschappelijk kan gegrondvest worden en niet alleen maar mythisch is. De geestesonderzoeker schildert wat de natuurwetenschapper niet kan: de vroegere toestanden en vormen van de aarde. Hij wijst op een tijd toen de voorouders van de mensen nog geen Ik bezaten en het toenmalige Aardelichaam nog niet zo verhard was. Verschillende wezenheden werkten samen: letterlijk 'progressieve' machten en achtergeblevene. Er ontstond een scheiding. De eerste laten de zonnesubstantie vertrekken, de laatste de maan.

Daardoor ontstond in de mens een splitsing die mogelijk maakt dat de mens niet alleen -zoals tot dan toe- de invloed van de oorspronkelijke machten volgt, maar ook de mogelijkheid -door het werken van 'afvallige' wezens- en te 'zondigen', zich te vergissen, het tegengestelde te doen van wat de goden wilden die hem tot dan toe geleid hadden. Hij kon dus in de ban geraken van wezens -Luciferische- die op zich niet slecht zijn (omdat hun achterblijven een offer betekende) maar die de mensen de mogelijkheid schonken om slecht te worden. Ze maakten van hem een genius zoals de goden er zelf zijn, maar dan in een zintuiglijke wereld.

Rudolf Steiner verklaarde aldus hoe het kwade in een kosmische en niet alleen in een ziele-samenhang staat. Ooit zei hij dat de mens een 'onvrijwillig genie' is. En het probleem is: hoe wordt hij een vrij genie ?

Dat kan hij door een vrijheidsbrenger in zijn eigen Ik, dus door een wezen dat hem de Ik-heid schenkt zonder hem te verleiden of te kluisteren. Dat kan alleen Christus zijn, terwijl Lucifer slechts passies wekt die het Ik daardoor steeds onvrijer maken.

Het luciferische genie pleegt roofbouw op de mens eens die de leeftijd gepasseerd is tot waar zijn natuurlijke groeikrachten hem kunnen dragen (35 jaar). Vooral de jeugd wordt door hem verleid opdat ze wegen zou inslaan die afwijken van de richting van de mensheidsontwikkeling waarin Christus werkt.

De "strijd in de hemel" tussen de goede goden en de tegenmachten is verplaatst van de kosmos naar de menselijke geschiedenis. Onze tijd schijnt nog altijd te zwakmoedig te zijn om het beeld van de val van de geesten der duisternis te kunnen verdragen, hoewel die reeds in de 19de eeuw plaatsvond en gevolgd werd door het (begin van het) lichtende tijdvak sinds het begin van de 20ste eeuw. De traditionele godsdiensten schrikken terug zowel voor het beeld van het boze als voor het kennis-oog dat dit Boze onthult.

Het is nochtans noodzakelijk om het Boze wiens oorsprong verborgen is voor de zintuigen, door de kunst in beeld te brengen. Anders kan de mens zich niet bewust worden van zijn hogere zielekrachten en wordt hij nog gemakkelijker een slachtoffer van de misleiding. Eertijds werd het Boze door de priesters in de mysteriën openbaar gemaakt. Ze droegen een masker en toonden het Boze in zijn uiterlijke gestalte. Het aanschouwen van dergelijke vreesaanjagende gestalten was een proef voor de inwijdeling die hij moest doorstaan om sterk te worden in het leven.

Altijd weer zien wij het volgende. Een boze neiging" (waarvan geen mens verschoond blijft, anders kwam hij niet tot de impuls om zich ertegen te verzetten en zich tot de geest te (be)keren) stijgt in een of andere tijdgenoot omhoog. Wanneer hij die neiging overwint door in zijn plaats een mensheidsideaal te stellen en na te volgen (wat zelden gebeurt), dan voelt hij zich overstelpt door dankbaarheid. Medelijden met de lijdende mensheid, hoop dat ook anderen deze weg zullen gaan, verrukt zijn over over de vele mogelijkheden van alle handelende mensen. Hij is een beminnende geworden.

Wanneer hij echter die lagere drift die hem letterlijk ver-nedert niet door een besluit naar hogere ontwikkeling omvormt, maar er altijd weer aan toegeeft, dan voelt hij zich waardelozer, leeg, nietswaardiger worden. Tenslotte zal hij -om toch maar een eigen Ik-gevoel te kunnen bewaren en niet te vervallen tot zelfverachting- het kwaad beginnen beschouwen als onvermijdelijk en dusdoende de vrijheid om het goede te kiezen ontkennen. Stijgen of dalen. Een stilstaan op dit gebied bestaat niet.

Maar: men verandert niet alleen zichzelf maar ook andere mensen, zolang die niet bewust worden maar verder slapen. Men werkt in op hun wezen, wat men ook doet en de werking keert terug naar ons zodat men zichzelf in het innerlijk van de ander voelt. Het zien van geestelijke schade in de ander is voor de kennisblik nog moeilijker uit te houden dan schade die men zichzelf aangedaan heeft. Men houdt dat maar uit wanneer men het weer kan goedmaken. Anders glijdt men nog verder af in de ingeslagen richting, zonder remmingen, en men sleurt de ander mee, wanneer men zichzelf probeert goed te praten en zegt dat die niet beter verdient.

Het eenduidige en ontegensprekelijk schuldgevoel wordt in onze ziel pas dan volledig bewust wanneer men geen terechtwijzing van buitenaf meer moet verwachten, zich niet meer hoeft te verdedigen tegen een of ander verwijt of zich moet teweer stellen tegen een dreiging. Niets is in de grond zo pijnlijk voor een "goede" mens die iets "slecht" heeft gedaan, dan beschouwd te worden als onfeilbaar. Want nu moet hij zijn falen voor zichzelf toegeven indien hij t.o.v. zichzelf geen huichelaar wil zijn. Wanneer hij zichzelf niet tot rechter kan zijn komt hij nergens..

Het geweten rust niet wanneer men er begint naar te luisteren, maar het wordt nog gevoeliger. Het maakt iedere beweging van de ziel waarneembaar. Dat brengt met zich mee dat wij t.o.v. mensen die we iets misdaan hebben meer dan vroeger ons bewust zijn van onze schuld. Terwijl men voorheen met hen in alle vrijheid omging, is men er nu aan gekluisterd. Mensen die kwaad van elkaar spreken en elkaar beliegen komen alsmaar minder van elkaar los.

Het geweten is dieper verankerd in het wereldgebeuren dan affecten en emoties. Het wordt in de grond pas wakker wanneer deze zwijgen. Dat is het hart-horen. Om niet te moeten horen worden de gevoelens dikwijls opgezweept tot passies.

Het geweten is onafhankelijk van ziekte en geenszins -zoals sommige psycho-analytici menen- zelf iets pathologisch. In tegendeel, het is een geneesmiddel van de geest dat zelfs een lichamelijk gezondworden kan in de hand werken.

Wanneer men gewetensvol de eigen ziele-inhoud onderzoekt, dan neemt men zijn eigen aandeel aan de collectieve schuld van de mensheid waar en voelt de verantwoordelijkheid om die mee te dragen. Het is niet in overeenstemming te brengen met de geestelijke werkelijkheid om andere mensen op te zadelen met lijden in plaats van dat lijden te verminderen. Het is zelfs onmogelijk om zichzelf als geen betrokken partij te zien. Want dan zou men zichzelf onschuldig moeten noemen, wat men echter alleen maar kan wanneer men abstractie maakt van iedere slechte neiging die men in zichzelf ervaart. Inderdaad, het is voor iemand die gewoon is om naar zijn geweten te luisteren slechts door abstractie mogelijk om de ander zonder meer te oordelen. Het kennis-oog namelijk ziet dat aan de basis van een dergelijke abstractie dikwijls zelf iets kwaads ten grondslag ligt, namelijk de wil om de vrijheid van de ander te ontkennen alsmede het vermogen van die ander om zelf het ware te vinden en het goede te doen. Iedere keer wanneer men een mens veroordeelt staat men in gevaar om zelf rechter te spelen. In de grond kan dit maar overwonnen worden door zichzelf en de ander toe te vertrouwen aan de wereldgerechtigheid die op de geest van de waarheid berust en al het menselijke omvat.

Naar deze wereldgerechtigheid moet de mens streven om oordelen te vinden die tegelijk geldig en heilzaam zijn.

Het geweten bergt een toekomst in zich. Het voorziet de gevolgen die een daad moet hebben volgens de wetten van het lot, die weliswaar slechts bovenzinnelijk te kennen zijn, maar welker gevolgen zich uitstrekken tot in de fysieke wereld. Wie zich aldus schoolt, in overeenstemming met de profetische stem van het geweten, loopt vooruit op de mensheidsontwikkeling en wordt zich in alle deemoed min of meer bewust van zijn opdracht in de toekomst die er in ieder geval zal uit bestaan om het boze (eigen of andermans) goed te maken.

Wat niet wegneemt dat men dergelijke opgave ook onafhankelijk van het geweten, als een vrije intuïtie en vanuit morele fantasie kan inzien en vervullen.

Waar het geweten ervaring wordt verkrijgt het voorbije leven een nieuwe zin. Het licht van het volgende leven valt er reeds op. De levensloop wordt niet meer als voorheen beschouwd, hij wordt zelf tot orgaan dat beschouwt. Herinneringen louteren zich tot geestelijke kijkglazen die men op toekomstige tijden richt die men nu al voorbereidt. Daardoor wordt ook het berouw, dat tot hiertoe naar het verleden gericht scheen, het begin van een ontwikkeling die het Ik doormaakt nadat emoties, begeerten enz. die het in dit leven nog aan het lichaam gekluisterd hielden, afgevallen zijn.

Berouw is de zielestroom die het Ik van de mens na de dood terugvoert om alle werkingen te beleven die het in andere mensen veroorzaakte, alle schade en pijn die het iemand aandeed en nu als het ware aan den lijve (aan den ziele !) moet ondervinden omdat ze van hem stammen. Zo voelt het Ik bvb. ook het menselijk onbegrip dat het voor de ander had als een geestelijk bevriezen, en haat als een zielebranden. Het wil beide veranderen omdat het hem zelf pijn doet. Dergelijke zielebewegingen stromen onophoudelijk rond het kennis-oog en richten de lotsblik op een nieuw aardeleven.

Zoals het fysieke oog zichzelf vormde tot een orgaan dat de werkingen en het lijden van het licht (de kleuren) kon waarnemen, zo vormt het berouw een ziele-orgaan voor de wereldgerechtigheid. Al wat tegen deze gerechtigheid werkt, beperkt en belemmert het zicht van dit kennis-oog.

Wanneer men zijn leven wil verderzetten zonder enig gevoel van berouw, dan wordt dit gebrek aan berouw organisch: het "boze oog".











Albert Steffens opdrachtverklaring

"Er is mij geen opdracht gegeven,
niet door de goden
niet door de mensen,
geen leer werd mij door iemand aanbevolen.
Ik wist niet, van waar ik gekomen was,
waarheen ik ging,
ik voelde mij thuis waar ik geboren was,
vader, moeder, broers om me heen,
de tuin, de akker, het woud,
de bergen in de verte.
Eén ding wist ik snel, maar dan uit mezelf:
wáár wil ik worden, schoonheid beleven, het goede doen.
Veel mensen waren mijn voorbeeld daarin,
en ik zag ze graag.
Van hen mocht ik leren,
over de werking der goddelijke voortijd,
die te onderzoeken, die te beproeven, die op te volgen,
dat was mijn wil, niet van een ander.
Geen leraar gebood mij : gij zult!
En wanneer hij het zei, ging ik eerst na,
deed wat mij juist scheen.
Zo schouwde ik om me heen,
zag naar het aarderijk,
de stenen, de planten, de dieren en naar de sterren.
Alle wezens spraken tot mij,
en ik trachtte hen te begrijpen.
Van ieder leerde ik iets,
van mezelf slechts weinig,
tot ik mezelf leerde kennen,
als een vreemde, vanuit mijn hogere zelf.
Vooreerst scheen mij de wereld als goed,
dan zag ik, dat er veel boosheid was.
Ik dacht, alle mensenzielen zijn schoon,
en ontdekte vele afgrijselijke.
Ik zocht de waarheid
en vond de leugen.
Het boze, het afgrijselijke, de leugen,
omvormen wou ik ze.
Ik streed daarom met mensen,
wanneer ze mij niet de vrijheid verleenden,
te zien, te zeggen, te doen,
wat ikzelf als waar en goed en schoon erkende.
Christus kon ik beminnen,
omdat Hij mij nooit tot iets dwong.
Hij is mijn hoogste Leraar geworden.
Andere mensen werden het slechts,
in zover zij spraken
Niet ik, maar de Christus in mij.
Maar de nacht, die naar het niets leidt?
Ik leerde van het donker het verlangen naar het licht.
Het licht doet aan het donker de kleur ontstaan.
Kleur wekt de ziel.
De ziel leert van de sterren
de taal van de goden.
De eerste waarheid die ze mij leerden,
zij luidt :
Mens, gij zijt vrij, en mens, gij kunt beminnen,
Mens, weet u tot vrijheid bestemd,
uit liefde steeds weer geboren,
om als enkeling in de gemeenschap van allen te werken.
Dit is uw opdracht, u door uzelf verleend,
de vrije en liefhebbende mens waardig.


                               		 Uit: " Steig auf den Parnass und schaue ", Dornach 1960.



Bronnen :
Albert Steffen, Ausgewählte Werke in 4 Bänden, Verlag Freies Geistesleben, 1984.
Afbeeldingen uit:
Adkins, Lesley & Roy, Hiëroglyfen, Utrecht, 2001.
Betro, Maria Carmela, Hiëroglyfen, Baarn, 1999.
Strelocke, Hans, Egypte, de Bilt, 1979.
Jezuskinderen: Steiner, R., Het evangelie volgens Lukas, GA 112.
Steiner, R., Het Evangelie volgens Mattheüs, GA 123.
Steiner, R., Von Jesus zu Christus, GA 131.

Terug naar de inhoudstafel.