De Brug 32 van juni 2001

Over onze bewaarengel en het karma van de antroposoof

Door Jan Vermeir

In De Brug nr. 30 verscheen er een artikel over de lotsbestemming van de mens (pag. 22). Enkele lezers hadden nogal wat vragen over de inhoud van de laatste paragraaf van dit artikel. Hun kritiek is terecht, want de tekst is te algemeen en te beknopt; bovendien ontbreekt de bronvermelding.

Kort samengevat wordt er in de betreffende paragraaf beweerd dat er sedert de 9e eeuw twee van elkaar gescheiden engelengroepen bestaan. Dit zou dan complicaties kunnen teweegbrengen in het lot van karmisch verbonden mensen. Want de bewaarengel van de ene mens moet samenwerken met de bewaarengel van de andere mens opdat er karma kan afgelost worden, en als die engelen nu juist niet tot dezelfde groep behoren, dan kan er van het aflossen van karma geen sprake zijn.

Wij ontvingen o.a. een bericht van een lezer met de volgende opmerkingen en vragen :
- J.V. suggereert dat er mensen zijn met goede bewaarengelen en mensen met slechte bewaarengelen;
- ik heb al gans mijn leven de indruk dat mijn bewaarengel zijn werk niet goed doet, waaruit ik moet besluiten dat hij tot de afvalligen behoort;
- zou ik mijn slechte bewaarengel niet beter links laten liggen ?
- kan ik hem aan de deur zetten en hem vervangen door een andere ?
Deze lezer zou graag enige verduidelijking willen omtrent deze punten. Wij zullen proberen om die te geven. Op de volgende bladzijden staan veel uittreksels uit voordrachten die Rudolf Steiner in 1924 gehouden heeft. Alle citaten (tenzij anders vermeld) kan men terugvinden in "Esoterische Betrachtungen Karmischer Zusammenhänge" - Band III (GA 237).

Om de hiernavolgende dingen in hun juiste context te zien, lijkt het aangewezen om vooraf een korte samenvatting te geven van enkele gebeurtenissen die zich sedert het Mysterie van Golgotha op aarde en in de geestelijke wereld afgespeeld hebben.

In de eerste eeuwen na Christus waren er twee verschillende groepen christenen ontstaan. De ene groep stond onder het kerkelijk Rooms gezag, de andere groep vertegenwoordigde mensen die hun christen-zijn vroom en rein wilden beleven. Maar dezen werden door de Kerk als ketters beschouwd (onder hen behoorden o.a. de Manicheeërs en de Katharen) en mettertijd werden zij onderdrukt door, of onderworpen aan het Ahrimanisch geworden kerkelijk Christendom. Maar het verlangen om hun godsdienst op een waarachtige en zuivere manier te belijden, doofde niet uit in de zielen van deze "ketters".

In de vroege middeleeuwen stond de mensheid nog grotendeels onder de invloed van de "kosmische intelligentie" die door de aartsengel Michaël beheerd werd; m.a.w. instinctief werden de mensen nog geleid door de raadsbesluiten die de hemelse hiërarchieën hun dicteerden. De mensheid moest echter haar volle vrijheid kunnen verwerven en Michaël moest afstand doen van het beheer over de kosmische intelligentie; de intelligentie daalde af naar de aarde en werd daar het exclusief bezit van de mensen, maar tegelijk verloor zij haar spiritueel karakter.

En Ahriman, die lang tevoren al zijn invloed op aarde had doen gelden, zag in deze nieuwe ontwikkeling een uitgelezen kans om de mensheid nu definitief in zijn greep te krijgen. Michaël die tot elke prijs de intelligentie spiritueel wil houden, merkte vanuit de zonnesfeer wat er op aarde aan het gebeuren was, en om de Ahrimanische invloed tegen te gaan verzamelde hij in de 15e eeuw in de geestelijke wereld een groot aantal toen niet-geïncarneerde mensenzielen rond zich. Het waren juist die (ketterse) zielen die altijd een groot verlangen naar het ware christendom hadden gehad, die hij bij zich riep. En in die bovenzinnelijke school onderrichte Michaël hen over de aan gang zijnde evolutie op aarde, hoe de kosmische intelligentie op aarde neergedaald was en daar een Ahrimanisch karakter aangenomen had. Hij liet hen bezinnen over de toekomst, over het nieuwe Michaëltijdperk dat in 1879 zou aanbreken, want vanaf dan zou het mogelijk worden om de aards geworden intelligentie een spirituele impuls te geven. In het begin van de 19e eeuw vond er nog eens, ook onder Michaëls leiding, zo een conferentie plaats in de geestelijke wereld.

Michaël wil niets anders van de mensenzielen die die bovenzinnelijke scholen bijgewoond hebben, dan dat zij zich tijdens hun volgende incarnatie in zijn dienst stellen om de intelligentie op aarde te vergeestelijken.

Alle echte antroposofen, heeft Rudolf Steiner gezegd, hebben aan tenminste één van die bovenzinnelijke bijeenkomsten deelgenomen:

"Wie werkelijk een drang naar antroposofie heeft, die heeft tegenwoordig - nu nog onbewust, nu beseft men daar nog niets van, maar men zal het wel leren kennen - de nawerking in zijn ziel van het feit dat hij toen in de kring rond Michaël de hemelse antroposofie die aan de aardse voorafging, opgenomen heeft. Want de leer van Michaël was van dien aard dat daardoor voorbereid werd wat op aarde antroposofie zou worden."

Het is hoegenaamd geen simpele opdracht die Michaël van de antroposofen verlangt. Maar de impulsen van Michaël zijn zo sterk, zegt Rudolf Steiner, dat zij vanuit het geestelijke tot in de ganse mens doorwerken. Zij werken vanuit het geestelijke naar de ziel, en van daar uit tot in het lichamelijke. Precies om die Michaëlische impuls, die als het ware in de antroposofenziel ingegrift is, roept hij de antroposofen op om hun karma moedig en oprecht te dragen:

"... Mensen die behoren tot de Antroposofische Vereniging, zijn ronduit voorbestemd om hun karma zwaarder te beleven dan anderen. En als men voorbijgaat aan dit zware lot, als men zijn karma op een gemakkelijke manier wil beleven, dan wreekt zich dat op één of andere manier. Een antroposoof moet zijn lot oprecht kunnen dragen; een echte antroposoof moet opmerkzaam zijn voor zijn lotsbestemming. De wens om het karma gemakkelijk te willen beleven, leidt er juist toe dat dit zich wreekt in ziektes, ongevallen en dergelijke."

Hier volgt dan een deel van een voordracht van Rudolf Steiner waarin hij beweert dat er twee van elkaar gescheiden engelengroepen bestaan (hij spreekt niet over "goede" en "slechte" engelen; in de geestelijke wereld zijn "goed" en "slecht" trouwens zeer relatieve begrippen).

"...In het jaar 869 vond het algemeen Oecumenisch Concilie van Constantinopel plaats. Dat was een belangrijke, betekenisvolle gebeurtenis, want daar werd geordonneerd dat de oude opvatting over de drie-eenheid - dat de mens uit lichaam, ziel en geest bestaat - als ketters moest opgevat worden: de mens bestaat enkel [zo werd daar beslist] uit lichaam en ziel, zij het dat men aan de ziel enkele geestelijke eigenschappen kan toekennen. Terwijl zich objectief het feit voltrok dat de intelligentie overging op de individuele mens, werd op aarde -en wel op zo een nadrukkelijke wijze dat niemand binnen de Europese beschaving het wagen kon dit tegen te spreken- gedecreteerd dat de drie-eenheid vals, ketters is.

Niemand durfde er nog over spreken dat de mens bestaat uit lichaam, ziel en geest, maar slechts van lichaam en ziel durfde men spreken waarbij men aan de ziel enkele geestelijke eigenschappen toeschreef. Hierdoor was er op aarde iets gebeurd waarvan men in de rijken van Michaël enkel kon zeggen: nu zal in de zielen van de mensen de overtuiging binnendringen dat het geestelijke een eigenschap van de ziel is, dat het geestelijke niet het goddelijke is dat in de loop van de mensheidsontwikkeling werkt. 'Kijk omlaag naar de aarde' -zo sprak Michaël-, 'daar verdwijnt het bewustzijn van de geest.' ...

Ik heb gezegd dat de kosmische intelligentie afgedaald was naar de individuele mensen. Maar dat is slechts een abstractie, beste vrienden. Want wat is intelligentie? ... Intelligentie ontspruit uit de onderling geregelde verhoudingen tussen de hogere hiërarchieën. Wat zij doen, hoe zij zich ten opzichte van elkaar verhouden, dat is kosmische intelligentie.

En aangezien wij natuurlijk als mensen de blik richten op het rijk dat direct boven het onze staat, dan betekent de kosmische intelligentie concreet voor ons: de som van de wezens uit de hiërarchie der engelen. Concreet gezien kunnen wij niet spreken over een som van intelligentie, maar over een som van engelen; dat is de realiteit. Dat de kerkvaders zich in het jaar 869 onderhielden over de vraag of men wel van een geest kon spreken, was het gevolg van het feit dat een aantal engelwezens zich afscheidden van het Michaël-rijk waartoe zij tot dan behoorden, omdat zij tot de opvatting kwamen dat zij voortaan enkel nog te maken konden hebben met de aardemachten, dat zij voortaan enkel nog vanaf de aarde de leiding over de mensheid konden in handen nemen.

Stelt u zich eens voor wat dat in werkelijkheid betekent! De engelen zijn wezens die de mens van aardeleven naar aardeleven leiden. Deze wezens die in de geestelijke wereld rechtstreeks boven ons staan, zij zijn het, die ons door het leven tussen de dood en een nieuwe geboorte begeleiden en ons opnieuw de weg naar het aardeleven wijzen, zij zijn het, die de afzonderlijke aardelevens tot een samenhangend geheel van het totaalleven van de mens maken. Een aantal engelwezens dat die opgave had en dat tot het Michaëlrijk behoorde, ging weg uit dat rijk.

Door een dergelijk ingreep moest het mensenlot wel beïnvloed worden. Want wie zijn er natuurlijk in de eerste plaats betrokken bij het tot stand komen van het karma, bij het verwerken van de aardse daden, gedachten en gevoelens in het leven tussen de dood en een nieuwe geboorte ? Dat zijn de engelen! Wanneer nu deze engelwezens een gans andere plaats in de kosmos innemen, wanneer zij het zonnerijk verlaten en in de plaats van hemelse engelen aardse engelen worden, wat moet er dan gebeuren? Hier ligt waarachtig achter de uiterlijke feiten een groot geheim verborgen over de ganse ontwikkeling van Europa. Weliswaar is er een aantal engelen in het Michaëlrijk gebleven. In de grote leerschool aan het begin van de 15e eeuw waren ook engelwezens die bij de mensen hoorden die toen in het Michaëlrijk waren. Bij alle zielen van de mensen die toen in het Michaëlrijk leefden behoorden engelwezens die in dat rijk gebleven waren. Maar de anderen waren uitgetreden en identificeerden zich met het aardewezen.

Nu kunt u zich afvragen: ja, hoe komt het dan eigenlijk, dat een aantal engelen uit het rijk van Michaël plots de inval krijgt om dit rijk te verlaten? Ik moet erkennen dat dit één van de moeilijkste vragen is die men stellen kan met betrekking tot de meer recente ontwikkeling van de mensheid. In wezen is dit een vraag waarbij de mens al zijn innerlijke krachten moet aanwenden, wil hij zich in dit probleem verdiepen. Dit is een vraag die diep en innig verbonden is met het ganse mensenleven.

Ziet u, daaraan ligt een kosmisch feit ten grondslag. U weet uit mijn voordrachten die ik hier gehouden heb, dat wat men ziet als een fysieke planeet, in werkelijkheid een verzameling van geestelijke wezens is. Wanneer wij een ster bekijken, dan is datgene wat wij fysiek zien, slechts een uiterlijke verschijningsvorm; in werkelijkheid hebben wij hier te maken met een verzameling van geestelijke wezens. Nu bestaat er een bepaalde tegenstelling- die er altijd geweest is gedurende de aardeontwikkeling -tussen de zonne-intelligentie en de intelligenties van de andere planeten. Aan de ene kant staat de zonne-intelligentie en aan de andere kant staan de planetenintelligenties. En altijd is het zo geweest dat de zonne-intelligentie voornamelijk onder de heerschappij van Michaël stond, en de planetenintelligenties onder de heerschappij van de andere aartsengelen ...

Maar het was altijd zo, beste vrienden, dat men niet kan zeggen dat enkel Michaël de zonne-intelligentie beheert. De totale kosmische intelligentie bestaat gezamenlijk uit de zonne-intelligentie en de planetaire intelligentie (Mercurius, Venus, Mars, enz.), en de kosmische intelligentie wordt door de afzonderlijke wezens uit de hiërarchie der aartsengelen meebeheerd, maar boven allen is het toch Michaël die de beheerder is van de totale kosmische intelligentie ... Maar toen de betreffende eeuwen aanbraken, de 8e, 9e, 10e, begonnen de planetaire intelligenties er zich rekenschap van te geven dat de aarde veranderd was, dat ook de zon veranderd was. Wat zich uiterlijk voordoet en wat ook de astronomen beschrijven, is slechts de buitenzijde van hetgeen er zich afspeelt. Zij weten dat er ongeveer om de elf jaar een periode voorkomt waarin de zon vlekken vertoont; vanaf de aarde gezien vertoont de zon dan op bepaalde plaatsen donkere vlekken. Dat is niet altijd zo geweest.

In vroeger tijden glansde de zon als een gelijkmatige schijf, zonnevlekken kwamen toen niet voor. Na verloop van duizenden jaren zal de zon veel meer vlekken hebben dan nu, zij wordt al maar duisterder. Dat is het uiterlijk teken dat de Michaëlkracht, de kosmische kracht van de intelligentie geleidelijk afneemt.

Door de toename van de zonnevlekken in de loop van de kosmische ontwikkeling wordt het verval van de zon zichtbaar. Al maar matter wordt de zon en daaruit blijkt haar ouder worden in de kosmos. En door het toenemen van die zonnevlekken hebben de andere planetaire intelligenties afgeleid dat zij niet meer door de zon wilden beheerst worden. Zij namen zich voor om de aarde niet langer afhankelijk van de zon te laten zijn, maar rechtstreeks van de ganse kosmos. Dat gebeurde door de planetaire raadsbesluiten van de aartsengelen, en met name onder de leiding van [de aartsengel] Oriphiël voltrok zich de emancipatie van de planetaire intelligentie ten opzichte van de kosmische intelligentie. Hierdoor kwam er een volledige scheiding tot stand van wereldmachten die tot dan toe hadden bijeengehoord. Zo geraakten de zonne-intelligentie van Michaël en de planetaire intelligentie geleidelijk aan in een kosmische oppositie tot elkaar.

Ja, ook al schrijven wij de wezens uit de hiërarchie der engelen een gans andere soort zielskracht, en gans andere innerlijke geaardheid toe, toch moeten wij hun ook de besluiten en de overwegingen overlaten met betrekking tot de hier voornoemde dingen. Wij mensen nemen toch ook onze beslissingen op grond van de ervaringen die wij meemaken en van de feiten die zich voordoen. Voor ons zijn de aardse feiten tussen geboorte en dood bepalend, maar voor de wezens uit de hiërarchie der engelen zijn gebeurtenissen in de planetaire sfeer van belang. Zo koos de ene engelenschare voor de aarde-intelligentie en daardoor tegelijkertijd voor de planetaire intelligentie; de andere schare bleef trouw aan de Michaëlsfeer om dat wat Michaël voor eeuwig beheert, verder te dragen naar de toekomst. Dat nu is van doorslaggevende aard, of Michaël zijn opdracht vermag uit te voeren in de verdere toekomst, nu alle macht onder de mensen is en de fysieke zon duisterder wordt en stilaan verdwijnt.

Zo zien wij -door een kosmische gebeurtenis teweeggebracht- een breuk ontstaan tussen de engelen uit de Michaëlsfeer. Maar deze wezens zijn nu juist mee bepalend voor de karmische ontwikkeling. Beschouwen wij nu hoe het eraan toegaat in het leven tussen de dood en een nieuwe geboorte. Daar kan geen mensenziel haar weg alleen gaan en ook de engel niet die haar begeleidt, omdat de hiërarchie der engelen daar moet samenwerken. Door deze samenwerking wordt namelijk het karma beleefd. Het spreekt vanzelf dat wanneer iemand in verbinding treedt met iemand anders en het resultaat daarvan uitgewerkt moet worden in een volgend aardeleven, dat de engel van de ene mens ook met de engel van de andere mens moet samenkomen. Er moet een samenwerking tot stand komen, en meestal was dat ook zo. Nu is het buitengewoon schokkend, ik mag wel zeggen verbijsterend, wat er zich op aarde tijdens het Concilie van 869 afgespeeld heeft. Het was het signaal voor iets ongelooflijks wat er zich daarboven in de geestelijke wereld begon te voltrekken en wat steeds meer en meer voorkomt : dat namelijk de engelen van karmisch verbonden mensen niet meer samenkomen, want de ene engel van twee karmisch verbonden mensenzielen bleef in de Michaëlsfeer, en de andere engel daalde af naar de aardesfeer.

Wat moest daaruit volgen ? Wanorde moest er optreden in het karma van de mensen! ...Hiermee is één van de belangrijkste feiten aangeduid met betrekking tot de recente historische ontwikkeling van de mensheid. In de toekomst zullen niet meer alle belevenissen op de juiste manier door het karma verwerkt worden. Allerlei chaos, sociale chaos, cultuurchaos, die de moderne geschiedenis kenmerkt, is het gevolg van de wanorde die in het karma ontstaan is door de breuk in de engelenhiërarchie..."

Door toedoen van de mens kan de breuk tussen de beide engelengroepen nog groter worden, want hoe vreemd het ook mag klinken : een mens kan zijn eigen engel beïnvloeden. De aanleiding hiertoe is een gebeurtenis die zich in de 19e eeuw in de geestelijke wereld afgespeeld heeft. Een korte toelichting : gedurende elke cultuurperiode (zo'n periode duurt 2160 jaar) hebben zeven aartsengelen afwisselend de leiding over de mensheid. In ieder cultuurtijdperk regeert elk van die zeven aartsengelen dus ongeveer 300 jaar, en in 1879 was het opnieuw de beurt aan Michaël om de fakkel van zijn voorganger over te nemen.

Maar dat is niet zonder slag of stoot gebeurd, omdat een aantal (vooral) Ahrimanisch geïnspireerde engelen en aartsengelen - Rudolf Steiner noemt ze "de Geesten der Duisternis" - hevig gekant waren tegen Michaëls heerschappij. Michaël wil namelijk dat de bovenzinnelijke wereld openbaar wordt voor de mensheid, dat de mensen inzicht krijgen in de geesteswereld, terwijl de Geesten der Duisternis dat hoegenaamd niet willen ; zij proberen de bovenzinnelijke wereld voor de mensen verborgen te houden en willen hen doen geloven dat er geen andere wereld dan de zintuiglijk waarneembare bestaat. Zo ontstond er in de hemel strijd tussen Michaël en de Geesten der Duisternis. Die strijd begon in 1841 en duurde totdat de Geesten der Duisternis in 1879 uit de hemel verdreven werden. Deze kwamen op aarde terecht, waar zij sedertdien proberen hun intenties verder te realiseren.

Nu deze Geesten der Duisternis midden onder ons zijn, kunnen wij denken dat wij er veel slechter aan toe zijn dan voorheen, maar eigenlijk is het tegendeel waar, want de geestelijke wereld wordt nu niet meer versluierd door deze duistere machten ; wij zijn vrijer geworden, want wij kunnen nu bewust een keuze maken : ofwel geven wij ons over aan de Geesten der Duisternis, ofwel richten wij ons naar Michaël. En de "hemelse antroposofie" die in de kring rond Michaël ontstaan is had zich niet op aarde kunnen ontwikkelen, indien de Geesten der Duisternis niet ten val waren gebracht.

Rudolf Steiner beweert dat de mensen wel degelijk invloed kunnen uitoefenen op hun bewaarengel :

"Veronderstellen wij eens dat het in iemands karma ligt dat hij in allereminentste zin, met hart en ziel door de antroposofische impulsen aangegrepen wordt. Ja, dan is er iets noodzakelijk dat uitgesproken vreemd en paradox klinkt : het is noodzakelijk dat zijn engel dan iets moet leren. En dat is iets van buitengewoon belang. Het antroposofenlot dat zich afspeelt tussen antroposofen en niet-antroposofen, veroorzaakt een deining in de wereld van de engelen. Dat leidt tot een scheiding der geesten in de engelenwereld. De engel die de antroposoof begeleidt naar zijn volgende incarnatie, leert nog beter dan hij voordien kon, de geestelijke rijken begrijpen.

En de engel die bij de niet-antroposoof hoort, die zinkt naar omlaag. Aan het lot van de engelen wordt zichtbaar hoe de grote scheiding zich voltrekt. Thans is het zo -en dat is iets, beste vrienden, waarop ik u ten zeerste zou willen wijzen-, dat er uit een nog betrekkelijk samenhangend engelenrijk twee engelenrijken ontstaan, één dat naar hogere werelden neigt en een ander dat naar lagere werelden neigt. Terwijl hier op aarde de Michaëlgemeenschap vorm krijgt, kunnen wij boven deze Michaëlgemeenschap in wording opstijgende en afdalende engelen schouwen. Wanneer men dieper in de wereld schouwt, kan men tegenwoordig -het heeft iets hartverscheurends- deze twee stromingen voortdurend waarnemen."

Wellicht heeft onze lezer hiermee een afdoend antwoord gekregen op zijn eerste opmerking. Maar nu er een gespleten engelenrijk bestaat, hoe moet het dan verder met de vereffening van het karma? Ook daarop heeft Rudolf Steiner een antwoord:

"De mensen die in hun huidige incarnatie door de antroposofie de impulsen van Michaël opnemen, bereiden daardoor hun ganse wezen zo voor, dat dit diep doordringt in de krachten die anders enkel bestemd zijn voor rassen- en volkssamenhangen.

Bedenkt u eens wat dat betekent: iemand behoort tot een bepaald volk. Men kan aan hem zien dat hij een Rus, een Fransman, een Engelsman of een Duitser is. Men ziet aan hem waar hij vandaan komt. Maar degenen die tegenwoordig met een waarachtige innerlijke zielskracht in hun hart de antroposofie opnemen als hun sterkste levenskracht, die zullen geen specifieke volkskenmerken meer vertonen wanneer zij opnieuw naar de aarde afdalen. Men zal zich afvragen: 'Waar komen die dan vandaan? Die behoren niet tot een bepaald volk of ras, het is alsof zij boven alle rassen en volkeren uitgestegen zijn ... '

Zulke mensen ontdoen zich van alle rasinvloeden, van alles wat vanuit het natuurlijk bestaan zijn stempel op de mens drukt. Eens zal aan deze mensen te zien zijn hoe de geest -laten wij ons daar in alle bescheidenheid van bewust zijn- vorm kan geven aan de fysionomie en aan de mensengedaante.

Dat is tot nu toe nog nooit in de wereldgeschiedenis vertoond. Tot nu toe werd de fysionomie gevormd vanuit het volkselement en de fysieke krachten. Tegenwoordig kunnen wij nog aan de fysionomie van de mensen zien vanwaar zij afstammen, vooral wanneer zij jong zijn en nog niet gerimpeld door de zorgen des levens of door vreugde en verheven stemming, de goddelijke kanten van het leven. Eens zullen er mensen zijn aan wier fysionomie wij zullen kunnen zien hoe zij in hun vorige incarnatie geweest zijn, indien zij toen het spirituele in zich opgenomen hebben. De anderen zullen dan naast hen staan - en wat zal het karma dan nog betekenen? Dan zullen de gewone karmische verbindingen geen betekenis meer hebben. Wie het leven ernstig neemt moet dan beseffen: karmisch was men, of is men het nog, verbonden met velen die niet ontvankelijk zijn voor spiritualiteit. En naast een wellicht diepe levensverwantschap voelt men toch ook een diepe vervreemding: de karmische band die in het leven bestaat valt weg, verdwijnt. En voor iemand met een materialistische gezindheid blijft er niets anders over -maar dat blijft dan ook over- dan dat hij degene met een spirituele gezindheid moet aanschouwen, dat hij bijzondere aandacht voor deze krijgt. Mensen die nu een spiritueel leven leiden, zullen in de toekomst naast anderen staan met wie zij in een vroeger aardeleven karmisch verbonden geweest waren. Karmische banden zullen in de toekomst nog weinig betekenen, maar wat er zal van overblijven is dat de materialistisch gezinden zullen moeten opkijken naar de spiritueel gezinden. Dat zal dan overgebleven zijn van het karma.

Alweer een schokkend feit, beste vrienden! En waarom? Nu, dat berust op een wijs goddelijk wereldplan.
Waardoor laten de materialisten zich tegenwoordig iets bewijzen? Doordat zij het voor ogen hebben, doordat zij het met de handen kunnen grijpen. In de toekomst zullen zij aan de fysionomie, aan de ganse fysieke gestalte van de mensen met wie zij vroeger karmisch verbonden waren, kunnen zien wat geest is, zij zullen kunnen vastgrijpen wat geest is. Zo zal kunnen bewezen worden hoe de geest scheppend in de wereld werkt. Het ligt in het karma van de antroposofen om de materialisten aan te tonen dat het geestelijke bestaat, doordat de geest zichzelf -door de raadsbesluiten van de goden- zal openbaren in de uiterlijke gedaante van de mensen."

Met het oog op de belangrijke opdracht die de antroposofen in de toekomst te wachten te staat heeft Rudolf Steiner er meermaals op aangedrongen dat zij zoveel mogelijk hun individueel karma vereffenen, en zo weinig mogelijk persoonlijk karma bijcreëren. Niet vereffend karma vormt immers een belemmering voor de geestelijke ontwikkeling, hetgeen de opdracht van de antroposofen alleen maar kan bezwaren. Die opdracht zal zijn: het karma van anderen helpen dragen of, zoals Paulus schreef in de brief aan de Galaten (6:1-2):

"Broeders, zelfs indien iemand betrapt wordt op een overtreding, helpt gij hem dan als geestelijke mensen terecht met zachtmoedige geest ! En let op uzelf, dat gij ook niet in verzoeking komt. Draagt elkanders lasten ! Zo zult gij de wet van Christus vervullen."

In de voordracht van 30 juni 1908 (in GA 104) zei Steiner dat de antroposofen nog maar de voorbereiders van de voorbereiders zijn. Daarmee duidde hij aan dat de antroposofie enkel een tussenstadium is dat moet leiden naar een nog belangrijker geestesstroming, namelijk het manicheïsme. Het doel van de antroposofie is om in eerste instantie spiritueel inzicht te verwerven, terwijl het manicheïsme de door de antroposofie verworven geestelijke inzichten daadwerkelijk in de wereld moet toepassen. Het grondbeginsel van het manicheïsme is: het kwade niet verwerpen, maar proberen om het om te vormen tot het goede (zie ook De Brug nrs. 26, 28 en 29).

Dat zal het karma van de antroposoof worden: dat hij niet alleen zal begaan zijn met zijn eigen lot, maar dat hij zich ook zal bekommeren om het lot van zijn medemensen die er nog niet in geslaagd zijn dezelfde spirituele hoogte te bereiken. En naarmate deze laatste meer spiritualiteit opnemen, zullen ook de twee van elkaar gescheiden engelengroepen dichter naar elkaar toegroeien.

In dezelfde voordracht zegt Rudolf Steiner:

" Wij staan aan het begin van de spirituele beweging en zij zal groeien, en men zal wel zeer verstokt, zeer verhard moeten zijn om hart en ziel af te sluiten voor de geweldige indrukken van die toekomst. De zielen die nu leven in lichamen waarin harten wonen die de antroposofische wereldbeschouwing kunnen horen en voelen, deze zielen bereiden zich daardoor voor op een toekomstig leven in lichamen waarin hun de kracht zal zijn gegeven om zich in dienst te stellen van die medemensen die hun hart tot op dat ogenblik nog niet zo voelden kloppen ..."

Wat de tweede opmerking van onze lezer betreft (namelijk dat hij de indruk heeft dat zijn bewaarengel zijn werk niet goed doet), heeft hij na het lezen van al het voorgaande zijn mening misschien al herzien. Want het is best mogelijk dat zijn bewaarengel zijn werk juist wel goed doet. In elk geval volgen hierna nog twee korte fragmenten van Rudolf Steiner waarin nader wordt ingegaan op het antroposofenlot.

"Wanneer een mens zo sterk verbonden is met geestelijke impulsen die rechtstreeks op zijn ziel inwerken, dan kan hij zich op een minder intensieve manier zoals dat bij anderen het geval is, in zijn fysieke lichaam invoegen wanneer hij afdaalt uit de geestelijke wereld. Men kan stellen dat allen die zich in de Michaëls-stroming ingeleefd hebben, voorbestemd zijn om met een zekere reserve in het fysieke lichaam binnen te gaan. Dat is zonder meer het lot van de antroposofenzielen.

Bij degenen die zich tegenwoordig vanuit een innerlijke gevoel zeer bewust en angstvallig verre houden van alles wat met antroposofie te maken heeft, vindt men steeds een volledig vastzitten in de fysieke lichamelijkheid. En bij degenen die zich tegenwoordig tot het geestelijk leven keren dat de antroposofie wil geven, is er een lossere verbinding merkbaar, tenminste wat betreft het astraal lichaam en de Ik-organisatie ten opzichte van het fysieke lichaam en de etherorganisatie. Dat heeft echter tot gevolg dat zo'n mens minder gemakkelijk zijn weg in het leven vindt, gewoonweg omdat hij tussen meer mogelijkheden moet kiezen dan anderen, aangezien hij gemakkelijker loskomt van dat waar anderen juist in vastgroeien.

Bedenkt u eens in welke sterke mate menig mens tegenwoordig precies dat is, wat hij door zijn uiterlijke levensomstandigheden geworden is, en het is zo, hoewel dat dikwijls op een merkwaardige wijze kan gebeuren, dat hij perfect zijn plaats vindt in de wereld. Men ziet een ambtenaar, een handelsattaché, een bouwondernemer, een fabrikant enzoverder: zij zijn wat zij zijn, met een absolute vanzelfsprekendheid. Zeker, ook onder zulke mensen heeft men er die zeggen: ik lijk voor iets beter geboren, of tenminste voor iets anders - ; maar dat wordt dan niet zo ernstig bedoeld. Vergelijk daarbij de eindeloze moeilijkheden waarmee mensen te kampen hebben die door hun innerlijke drang naar de spiritualiteit van de antroposofie gedreven worden ..."

"De mensen die verbonden zijn met wezens uit de hiërarchie der engelen die in het Michaëlrijk gebleven zijn, hebben het moeilijk zich aan te passen aan de aardse intelligentievormen. Zij streven ernaar om hun persoonlijke intelligentie zodanig te benutten dat zij kan verbonden blijven met de verering van Michaël. De zielen die deelgenomen hebben aan de bovenzinnelijke bijeenkomsten in de 15e en in de 19e eeuw, voelen nog een diepe drang naar Michaël en zijn sfeer wanneer zij opnieuw naar de aarde afdalen. En toch moeten zij volgens de ontwikkelingsprincipes van de mensheid de persoonlijke intelligentie opnemen. Zij worden daar voor een dilemma geplaatst dat moet opgelost worden door een spiritueel leven te leiden dat enerzijds moet rekening houden met hun eigen persoonlijke activiteiten en anderzijds met wat de geestelijke werelden tegenwoordig willen openbaren. De anderen wier engel afvallig is - wat uiteraard met het karma samenhangt, want een engel wordt afvallig wanneer hij verbonden is met mensenkarma dat dienovereenkomstig is - nemen als vanzelfsprekend de persoonlijke intelligentie op, maar zij werkt dan ook automatisch in hen, zij werkt door de lichamelijkheid."

Dan nog de twee laatste vragen van onze lezer.
- Kan men zijn bewaarengel links laten liggen ?
Ja, dat kan men, als men zijn lot wil ontlopen. Maar de wet van het karma is onwrikbaar, en als men zijn lot ontloopt zal dit ofwel leiden tot nog grotere karmische verwikkelingen in dit leven of in het toekomstig leven, ofwel zal dit zich wreken -zoals we reeds zagen- in ziektes, ongevallen e.d.

- Kan men zijn bewaarengel aan de deur zetten en vervangen door een andere ?
Dat kan men niet. Men kan de vraag anders stellen: kan een bewaarengel de mens die hij behoedt aan de deur zetten? Dat wil en kan hij niet omdat hij volledig afhankelijk is van de boven hem staande geestelijke hiërarchieën, en van deze heeft hij de opdracht gekregen om de mens waarover hij de hoede heeft te begeleiden vanaf zijn eerste tot zijn laatste fysieke incarnatie, zodat diens karma op een normale manier kan vereffend worden. De engel kan niet anders dan die opdracht uitvoeren, hij zou anders zijn eigen natuur verloochenen.

*

*

*

*

*

Frederik Van Eeden (1860-1932) moet geweten hebben wat zijn bewaarengel voor hem betekende, want hij schreef er een gedicht over dat getuigt van geesteswetenschappelijk inzicht. We geven het daarom integraal weer.

Aan mijn engel bewaarder

Onzichtbaar Wezen ! dat zo lang
Al wat 'k op aard doorleefde,
Met mij gedeeld heeft, blijde of bang,
En mijnen moeielijken gang
Getrouw en stil omzweefde -
Dat zoveel kwelling heeft geduld
Door mijne schuld ! - door mijne schuld.

Vergeef mij ! - nu eerst ken ik u,
In uw zachtmoedig pogen -
Hoe menigmaal - ik weet het nu-
Heb 'k u gedachteloos en ruw
Beledigd en bedrogen -
Heilige tranen weendet gij -
En dat om mij ! ... en dat om mij ! ...

Heer Jezus zelf heeft u die plicht
Vol liefde toegewezen -
Maar ach ! 'k heb zoveel kwaads verricht,
'k durf in Zijn stralend aangezicht
niet schouwen zonder vrezen.
Hoe kan ik voor dien glans bestaan ?
Wat heb 'k gedaan ! ... wat heb 'k gedaan ! ...

Toen 'k zelf het bidden had verleerd
En speelde met de zonde,
Bleef 'k om úw beden ongedeerd.
Gij hebt den demon afgeweerd
En, knielend bij mijn sponde
Smekend gebeden tot den Heer:
Geef hem mij weer ! - geef hem mij weer ! -

God's dienaar, die mijn voorspraak zijt,
Wil hem mijn tranen brengen !
Getuigend dat ze zijn geschreid
In brandende rouwmoedigheid.
Zal dan Zijn licht niet zengen ?
Gij kent mij goed - gij weet mijn kwaad -
Is 't niet te laat ? ... Is 't niet te laat ? ...

Waar 't niet om uw stil-zorgend licht
Ik achtte mij verloren -
Onwrikbaar is God's streng gericht.
Zou Hij der sterren evenwicht
Om mijnentwil verstoren ?
Houdt Hij den gang der uren stil
Om mijnentwil ? ... om mijnentwil

Voor ieder die mij liefde gaf
En op mijn redding wachtte
Aan deze of gene zij van 't graf
Zijt gij tot waarborg en tot staf,
Tot troostende gedachte -
Hun hopen is dat 'k word gered
Door úw gebed ! ... door úw gebed ! ...

Als kind heb ik God's Lach gekend
In schoonheid boven-maten,
Maar 't schijnt, of bij mijn levens-end
Hij zich van mij heeft afgewend,
Mij gans alleen gelaten.
Zie ik dien Lach nog eenmaal weer ?
Of nimmermeer ? - of nimmermeer , -

Zal ik toch eenmaal, aan uw hand
moe van mijn angstig zwerven,
opgaan in 't hemels Vaderland ?
Zal mij dan niet mijn bittre schand
de vrede gans bederven ?
Geduld'ge, die mij nooit verliet,
Begeef mij niet! ... begeef mij niet ! ...

En als 'k Maria dan aanschouw
in krans der hemelingen
zal 'k niet verteren van berouw ?
Hoe zal de glans dier reinste vrouw
mijn duister kwaad verdringen ?
Waarheen te ontvluchte' in schaamte en schrik
dien zachten blik ? ... dien zachten blik ? ...

Verwijt mij om mijn weemoed niet.
Zwaar drukken de aardse schanden.
Rechtvaardig acht ik wat geschiedt,
ik neem het bitterste verdriet
gewillig van God's handen -
Want alle smart verkeren moet
in vreugdegloed ! ... in vreugdegloed ! ...

Nu voel 'k weer, getrouwe Wacht,
uw wondere presentie.
En in het woud verkondigt zacht
Octobers gouden loverpracht
des Eeuwigen clementie,
dat eens de mens uit droeven val
verrijzen zal ! ... verrijzen zal ! ...

(November 1921)

Terug naar de gedichten.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

Rudolf Steiner rond de eeuwwisseling

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Over de Judaskus


Jezus Christus verkondigde drie jaar lang in alle openbaarheid Zijn boodschap. We mogen ervan uitgaan dat zowel vriend als vijand wist hoe hij eruit zag. Is het dan niet vreemd dat Judas tegen de grote schare handlangers van de hogepriesters (bvb. in Mat. 26:48) zegt: "Dien ik zal kussen, die is het" ?
Rudolf Steiner legt uit wat de helderziende schouwt wanneer hij in de Akasha-kroniek de gebeurtenissen in Palestina nagaat zoals die zich tweeduizend jaar geleden afspeelden.


[ ... ]
"Men ziet daar rondtrekken de schare der apostelen, dikwijls is men zich bij een bepaalde indruk ten stelligste bewust: nu is ook het fysieke lichaam van Jezus van Nazareth tussen de apostelen. Dat is vooral het geval wanneer de Christus Jezus met Zijn leerlingen langs eenzame wegen gaat. Maar even vaak heeft men de indruk: nu is de lichamelijke persoonlijkheid van Jezus van Nazareth ver weg, en toch hebben de leerlingen het gevoel dat ze daar lopen met de Christus-wezenheid in hun midden. Maar deze kan -en dat is het merkwaardige- door ieder van de leerlingen spreken, afwisselend door de ene en dan door een andere. En terwijl de een of andere apostel spreekt, verandert voor de toehoorders uit het volk het gezicht van de spreker, het is als geheiligd, alles is anders. Het is alsof telkens één onder hen getransfigureerd is, en op het laatst altijd een andere. Op de meest verschillende manieren was er een bewustzijn ontstaan: daar is iemand die het volk opruit, die iets verspreidt wat de leidende Joden van die tijd niet wilden hebben. Maar men wist niet wie het was. Nu eens kwamen de woorden uit deze, dan weer uit gene. Daarom, zo verhaalt ons de Akasha-kroniek, was het verraad van Judas noodzakelijk.

Ik moet toegeven: de vraag waarom het verraad van Judas noodzakelijk was, waarom in alle ernst nodig was dat iemand van de apostelen die het kon weten, door de Judaskus, als met de vinger moest wijzen: "Die is het!", dat scheen mij eigenlijk altijd een zonderlinge mededeling, tot ik te weten kwam, dat men werkelijk niet kon weten wie van hen het was, om wie het ging, omdat Hij door iedereen kon spreken; zodat men, ook wanneer Hij lichamelijk tussen hen vertoefde, men het aan het fysieke lichaam niet kon zien. Want men kon iedereen voor de Christus houden aangezien Hij nu eens uit die, dan weer uit gene sprak. En ze spraken allen ! Pas als één die het wist wanneer de Christus werkelijk onder hen verbleef, het de joden zegde :"Deze is het !" - pas dan kon men Hem vastnemen." [ ... ]


Zo sprak Rudolf Steiner in Berlijn op 18 november 1913. Een maand later, op 18 december, sprak hij over hetzelfde onderwerp, en daar voegde hij er nog een detail aan toe:

"De Christus sprak door een van de apostelen. En met zo'n geweld leefde Hij zich in Zijn leerlingen in dat de gelaatsuitdrukking van de leerling door wie Hij sprak zodanig veranderde dat wie uit het volk toehoorde het gevoel kreeg dat dit de Meester was. De andere, de Christus zelf, verloor iedere verheven aanblik zodat hij er als een doodgewone mens uitzag. ( "Der andere aber, welcher der Christus war, fiel so in sich zusammen, daß er gleichsam wie gewöhnlich aussah.")"

In Oslo, op 6 oktober 1913, had hij een concreet voorbeeld gegeven, namelijk het gesprek met de Sadduceeën (Marcus 12:18):

"Ik moet toegeven dat ik ten zeerste verwonderd was toen ik gewaar werd dat bvb. het gesprek met de Sadduceeën waar het Marcus-evangelie over vertelt, helemaal niet door Christus vanuit het Jezuslichaam gesproken werd, maar door één van de apostelen. Het was natuurlijk de Christus die sprak, want dit deed zich vaak voor dat, wanneer Christus Jezus Zijn schare verliet - Hij maakte zich af en toe los van hen- Hij toch onder hen was. Ofwel liep Hij geestelijk met hen mee terwijl Hij ver weg was, ofwel was Hij slechts in zijn etherisch lichaam bij hen. Zijn etherlichaam was onder hen, Zijn etherlichaam trok ook samen met hen door het land, en men kon dikwijls niet uitmaken of Hij zo te zeggen Zijn fysiek lichaam meehad, of dat het alleen de verschijning van het etherlichaam was."

Bron: GA 148 "Aus der Akasha-Forschung - das fünfte Evangelium".

Het gesprek met de Sadduceeën
"En er kwamen Sadduceeën tot Hem, die beweren dat er geen opstanding is, en zij ondervroegen Hem en zeiden: Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven, indien iemands broeder sterft en een vrouw nalaat doch geen kind achterlaat, dat dan zijn broeder de vrouw moet nemen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken. Nu waren er zeven broeders. En de eerste nam een vrouw en liet bij zijn sterven geen nakomelingschap achter. En de tweede nam haar en stierf zonder nakomelingschap na te laten. En de derde evenzo. En geen van die zeven liet nakomelingschap achter. Het laatst van allen stierf ook de vrouw. In de opstanding, wanneer zij opstaan, van wien van hen zal zij dan de vrouw zijn ? Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad.

Jezus sprak tot hen: Dwaalt gij niet daarom dat gij de Schriften niet kent noch de kracht Gods ? Want wanneer zij uit de doden opstaan, huwen zij niet, en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemelen. Wat nu de doden betreft, dat zij opgewekt worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, bij de braamstruik, hoe God tot hem sprak, zeggende: Ik ben de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jacob ? Hij is niet een God van doden maar van levenden. Gij dwaalt wel zeer."


Wie was Judas Iskarioth ?


Over deze figuur, die voor de christenen al tweeduizend jaar de verpersoonlijking van het Kwade voorstelt, heeft Rudolf Steiner het in de cyclus over het Marcus-Evangelie. Judas Iskarioth was niet zomaar een slechterik, hij was één van de twaalf apostelen, en als dusdanig blijft hij een uitzonderlijke individualiteit. Deze twaalf persoonlijkheden namelijk waren de eersten die zich moesten losmaken uit de groepsziel van hun volk en psychisch op eigen benen moesten staan. De meeste Westerse mensen van vandaag hebben daar weinig moeite mee, maar daardoor kunnen ze zich niet meer voorstellen wat het betekende voor een mens van tweeduizend jaar geleden om daar als het ware met een naakte ziel te staan.

" De mens moet zich eerst inleven in het individuele. In dat element vindt hij maar moeilijk zijn weg wanneer hij verplaatst wordt van het element dat wortelt in de volksaard naar het op-zichzelf-aangewezen-zijn. Zo was dat bij de twaalf. Ze wortelden diep in een volksgeest die zich juist weer herpakt had op een grandioze wijze. En ze stonden daar met een naakte ziel, met een eenvoudige ziel toen Christus hen terugvond. De tussentijden met hun vorige incarnatie waren uitzonderlijk. De blik van Christus kon zich richten op die twaalf: daar verschenen terug de zielen die in de zeven broeders en in de vijf zonen van Mattathias belichaamd waren."

Zie het eerste en tweede boek Makkabeeën. Deze geschriften zijn voor de protestanten apocrief, maar volgens de katholieken behoren ze tot het Oud-Testament. Ze handelen over de strijd van de Joden tegen de Syrische overheersing. Het verzet begon met Mattathias en werd voortgezet door zijn zonen (Johannes, Simeon, Judas Maccabeus, Eleazar en Jonathan). Een grote opstand tegen Antiochus IV Epiphanes in 168 v.C. werd geleid door Judas.

In het tweede boek lezen we over de marteldood van een moeder en haar zeven zonen.

" Uit deze mensen was het apostolaat samengesteld. Ze waren beland in het volkselement van vissers en eenvoudige mensen. Maar ze waren, in een tijd dat het Joodse element een culminatiepunt bereikt had, doordrongen van het bewustzijn dat dit element in deze tijd weliswaar hoogste kracht was, maar slechts kracht, terwijl het in hen geïndividualiseerd optrad toen het zich rond de Christus verzamelde.

Men zou zich kunnen voorstellen dat iemand totaal ongelovig is en alleen eens kunstzinnig beschouwt hoe aan het einde van het Oude Testament Zeven en Vijf optreden en hoe Twaalf terug verschijnt in het begin van het Nieuwe Testament. Zelfs wanner men dit zuiver van een kunstzinnig-copmpositiestandpunt bekijkt, dan kan men al aangegrepen worden door de eenvoud en de kunstzinnige grootsheid van het Bijbelboek. Men zal moeten leren om de Bijbel ook als kunstwerk op te vatten, pas dan zal het gevoel voor de grootsheid ontluiken dat in de Bijbel verborgen zit. En men zal dan een gevoel krijgen voor dat waarop hetgeen kunstzinnig uitgewerkt is, betrekking heeft.

Nu moeten we misschien toch nog op iets de aandacht vestigen. Onder de vijf zonen van Mattathias is er een die reeds in het Oude Testament Judas heet. Hij is diegene die het krachtigst strijdt voor zijn volk, die met hart en ziel toegewijd is aan zijn volk, en die er ook in slaagt een verbond te sluiten met de Romeinen tegen koning Antiochus van Syrië. Deze Judas is dezelfde die later de beproeving van het verraad plegen moet doormaken omdat hij, die het allerinnigst verbonden was met het specifiek Hebreeuwse element, niet onmiddellijk de overgang naar het Christelijke element kan vinden en daarvoor eerst de harde beproeving van het verraad moet doormaken. Zeer wonderbaar staat daar, vanuit het kunstzinnig en compositiestandpunt, de grandioze figuur van Judas in de laatste kapitels van het Oud Testament en de figuur van Judas in het Nieuwe Testament.

En merkwaardig in dit symptomatisch gebeuren is dat de Judas van het Oud Testament een verbond met de Romeinen sluit, alles aanlegt wat dan later gebeurd is, namelijk de weg die het Christendom genomen heeft via het Romeinse element, om in de wereld op te treden. Men zou kunnen zeggen: dat is de verdere vormgeving. En ik zou iets kunnen toevoegen, dat nu al bekend is, maar wat nog niet in een voordracht voor zo'n groot aantal mensen mag gezegd worden; u zou dan zien hoe eigenlijk precies door de latere incarnatie van Judas de versmelting gebeurt van het Romeinse met het Christelijke element, en hoe de gereïncarneerde Judas de eerste is die om zo te zeggen een groot succes heeft in het verspreiden van het geromaniseerde christendom. Het verbond van de Judas uit het Oude Testament is het profetische voor-gebeuren van wat een latere doet, die aan de occultist verschijnt als de teruggekeerde Judas, degene die de harde zielebeproeving van het verraad moest meemaken. En wat zich dan door zijn later handelen toont als christendom in een Romeins kleed en tegelijk als Rome in een christelijk kleed, dat verschijnt als een in het geestelijk omgezette hernieuwing van het verbond van de Oudtestamentische Judas met de Romeinen."


Zou Rudolf Steiner hier doelen op keizer Constantinus (274-337) die in 313 het christendom tot staatsgodsdienst uitriep ? Enkele uitspraken die hij vijf jaar later over deze keizer deed doen toch dit vermoeden ontstaan.

" Constantijn heeft alles ondernomen om het christendom een exoterische heerschappij te geven." "Nietwaar, als men zijn oren openhoudt, dan hoort men in de Romeinse keizergeschiedenis dat die Constantijn over wie we het hadden, niet bepaald een zeer goed mens was. Want over 't algemeen kunnen we niet zeggen dat iemand een zeer goed mens is die onterecht zijn eigen stiefzoon ervan beschuldigt een verhouding te hebben met zijn moeder - het was onterecht, het was verzonnen om een voorwendsel te hebben om hem te vermoorden. Die dan onder dit voorwendsel zijn stiefzoon liet vermoorden en dan ook de moeder liet ombrengen, de stiefmoeder. Dat is zo maar een staaltje van wat voor deze Constantijn zeer gangbaar was."

Wanneer we dit laatste bekijken in het licht van wat de legende verhaalt over het leven van Judas Iskarioth, dan valt toch een overeenkomst op. Rudolf vat deze legende samen in een voordracht op 29 augustus 1909, maar wij geven de originele versie zoals die te vinden is in de Legenda Aurea, het bekendste middeleeuwse religieuze volksboek. Dit boek werd tussen 1263 en 1273 samengesteld door Jacobus de Voragine. Een hoofdstuk is gewijd aan de Heilige Mathias en daarin komt een levensbeschrijving van Judas Iskarioth voor. Waarom precies in dat hoofdstuk ? Mathias is de leerling van Jezus Christus die na de dood van Judas als apostel werd aangenomen om het twaalftal weer compleet te maken.

" Er was een man in Jeruzalem, die heette Ruben en ook Simon; en was van de stam Dan. Deze Ruben had een vrouw, die heette Cyborea. Het gebeurde op een nacht dat ze elkander hadden bekend, dat de vrouw droomde een zware droom; en ze werd wakker en begon bitter te wenen en ze vertelde haar man de droom en sprak: "Ik droomde dat ik een kind baarde dat zo slecht was dat gans ons volk eraan ten onder ging". Ruben sprak: "Gij zegt een kwalijk iets, dat moogt ge nooit zeggen, een boze geest heeft u misschien misleid". Zij antwoordde: "Als het zo is dat ik zwanger ben en een zoon baar, dan zult ge wel zien dat geen boze geest mij bedrogen heeft, maar dat het de zekere waarheid is geweest".

Toen haar tijd kwam, baarde zij een zoon. Toen schrokken zij beiden bovenmate en bedachten wat ze met het kind gingen doen; want ze wilden hun eigen bloed niet doden en wilden ook niet de verderver van hun geslacht grootbrengen. Daarom legden zij het kind in een korfje gemaakt van biezen en zetten het uit op de zee. De golven wierpen het op een eiland, dat heette Skarioth. Van dit eiland ontving Judas zijn latere naam Skariothes. Nu gebeurde het dat de koningin van dat land op het strand wandelde; die zag het korfje op de baren dansen; ze liet het halen en openmaken. Daarin zag zij een schoon en levendig kindje. Toen zuchtte zij zeer en sprak:

"Mocht God toch geven dat ik zo'n kind kreeg zodat mijn rijk na mijn dood niet zonder erfgenaam zou zijn". Ze nam het kind mee en liet het heimelijk grootbrengen; en deed zich voor alsof zij zwanger was. Er ging een gerucht door het koninkrijk dat de koningin een zoon geboren had; daarover was de koning en gans het volk zeer verheugd. Het kind werd in rijkdom grootgebracht zoals het de koninklijke adel betaamt. Niet lang daarna werd de koningin echt zwanger en baarde een zoon.

Toen nu de kinderen groter werden, speelden ze veel met elkaar; Judas maakte het koningskind dikwijls bedroefd door zijn woorden en daden, en deed het dikwijls wenen. Dat verdroot de koningin, want ze wist wel dat Judas niet van haar geslacht was, en dikwijls sloeg ze hem zeer; maar Judas liet niet af van zijn boosheid. Uiteindelijk werd het bekend dat Judas een vondeling was, en niet de echte zoon van de koningin. Toen Judas dat vernam, schaamde hij zich diep, ging heen en doodde heimelijk zijn vermeende broeder, het kind van de koning. Dan bedacht hij: "Als ze mij grijpen, dan slaan ze mij het hoofd af". Dus maakt hij zich uit de voeten en vluchtte en ging in 't geniep naar Jeruzalem met de mensen die de cijns van de koning daar naartoe brachten. Hij vervoegde het hof van Pilatus die daar landvoogd was. En aangezien soort soort zoekt, ontdekte Pilatus al vlug in hem een gelijke. Hij kreeg hem lief boven al zijn knechten en maakte hem tot zijn opperste hofmeester naar wiens wenken en willen alles moest geschieden.

Nu stond Pilatus op een dag in zijn paleis en keek uit over een mooie boomgaard, daarin stonden volgeladen appelbomen. Hij kreeg zo'n goesting op die appelen dat het hem scheen dat hij niet langer kon leven als hij niet zo'n appelen zou bekomen. De boomgaard echter was eigendom van Ruben, de vader van Judas. Doch Judas kende zijn vader niet, noch wist Ruben iets van zijn zoon; want hij dacht dat die in de zee verdronken was. Judas wist in 't geheel niet wie zijn vader was, noch in welk land hij geboren was. Pilatus dan riep Judas tot zich en sprak: "Ik heb nu zo'n groot verlangen naar de appelen van die boomgaard en als ik die moet ontberen dan is dat mijn dood". Terstond sprong Judas in de boomgaard en plukte de appelen. Ondertussen kwam Ruben daar voorbij en zag hoe Judas zijn appelen plukte. Alzo kregen zij het met mekaar aan de stok en het kwam al gauw van woorden tot slagen; uiteindelijk raakte Judas Ruben met een steen in de nek zodat hij dood neerzeeg. Daarna nam hij de appelen en bracht ze naar Pilatus en zei hem hoe het gegaan was. Toen het nacht was vond men Ruben in zijn tuin en men dacht dat hij plots gestorven was. Toen gaf Pilatus aan Judas al het goed dat van Ruben was geweest en gaf hem ook Cyborea tot vrouw.

Op een dag zuchtte Cyborea zeer diep en Judas, haar man, vroeg wat er haar scheelde. Daar sprak zij: "Ik ben de onzaligste onder alle vrouwen; ik droeg een kind onder mijn hart, dat heeft men op de zee uitgezet; mijn man heb ik onverwacht dood gevonden; bij al dit leed heeft Pilatus er nog een nieuw toegevoegd, en heeft mij doen huwelijken in mijn rouw, en mij tegen mijn zin u als vrouw gegeven." En zij vertelde alles wat haar met het kind geschied was; toen vertelde ook Judas haar de loop van zijn leven; toen werd duidelijk dat Judas zijn vader gedood had en zijn moeder tot vrouw had genomen. Toen kwam er grote wroeging in zijn hart. Op raad van Cyborea wendde hij zich tot Onze Heer Jezus Christus en vroeg om vergeving zijner zonden.

Tot hier is het verhaal overgenomen uit de apocriefe geschiedenis; wat men ervan mag geloven, laat ik over aan het oordeel van de lezer; hoewel het eerder te verwerpen dan te geloven schijnt. De Heer echter maakte Judas tot apostel. En hij was Hem zo lief en vertrouwd dat Hij hem tot penningmeester maakte die later Zijn verrader zou zijn. En dus droeg Judas de beurs en stal van Onze Heer wat hem gegeven werd.

Nu geschiedde het in de tijd dat het lijden van Onze Heer naderde dat de kostelijke zalf niet verkocht werd, die was driehonderd zilverlingen waard.

( Zie bvb. Marcus 14:3. In Bethanië, terwijl Jezus in het huis van Simon de melaatse was, goot een vrouw kostbare nardusmirre over Zijn hoofd. Sommigen vonden dat verkwisting: men had dat bedrag aan de armen kunnen geven. Zoals sommigen katholieker dan de paus zijn, zo waren er toen blijkbaar ook al mensen die christelijker dan de Christus waren. - fdw)

Het misnoegde Judas dat hem dat goed uit de handen was geglipt; en om de schade goed te maken, ging hij heen en verkocht Christus voor dertig zilverlingen. [ ... ] Men zegt dat Judas altijd het tiende deel gestolen had van wat aan Christus gegeven werd; en daar hij bij de zalf die driehonderd zilverlingen waard was, het tiende deel, dat zijn dertig zilverlingen, verloren was, zo verkocht hij de Heer voor deze prijs.

Achteraf gaf hij dat geld terug, gekweld door wroeging, ging heen en hing zich op en zijn lichaam barstte uiteen in het midden zodat zijn ingewanden eruit vielen. Zo bleef zijn mond gespaard, doordat zijn ziel niet langs zijn mond uitvlood; want het was onmogelijk dat de mond zo smadelijk verontreinigd werd die de lippen van Christus had beroerd. Maar het was recht dat zijn ingewanden, waaruit het plan tot het verraad was opgestegen, eruit barstten, en dat de keel, waaruit het verraderlijk woord was ontsnapt, toegesnoerd werd. Hij stierf in de lucht, want hij had de engelen in de hemel en de mensen op aarde bedroefd, dus werd hij van hen gescheiden en werd in de lucht door de duivelen vergezeld."


Zonder het verraad van Judas had het Mysterie van Golgotha niet kunnen plaats vinden. Moeten we Judas dan niet eigenlijk dankbaar zijn ?

Rudolf Steiner legt uit dat twee waarheden gerust naast elkaar kunnen bestaan:
1) Het verraad door Judas was noodzakelijk.
2) De daad van Judas is verwerpelijk.
We kunnen niet kiezen voor één van beide waarheden, afhankelijk van de sympathie of antipathie die we voor één van beide voelen.

" Ik wil u een voorbeeld geven van hoe men zich kan verwikkelen in een ernstige tegenstrijdigheid wanneer men niet de levendige samenhang verstaat van de tegenstrijdigheden met de ganse, volle werkelijkheid.

Binnen onze antroposofische georiënteerde geesteswetenschap noemen wij christendom datgene wat doordrongen is van de betekenis van het Mysterie van Golgotha, wat doordrongen is van het feit dat Christus veroordeeld is, gestorven is, begraven werd, maar ook in de echte ware zin opgestaan is en als verrezene verder leeft. Dat noemen wij het Mysterie van Golgotha, en wij kunnen niemand het recht toestaan zich een christen te noemen die dit niet erkent.

Wat was echter noodzakelijk opdat de Christus voor de mensheidsontwikkeling doormaakte wat ik daar beschreef ? Daartoe was noodzakelijk dat Judas hem verried en dat Christus aan het kruis werd genageld; en hadden diegenen die hem aan het kruis nagelden, hem niet aan het kruis genageld, dan had het Mysterie van Golgotha tot heil van de mensheid niet plaatsgevonden.

Hier hebt u een schrikbarende, reële, een tegenspraak -ik zou zeggen- van groots, van gigantisch formaat ! Kan men zich een mens indenken die zegt: jullie christenen hebben het Judas te danken dat jullie Mysterie van Golgotha tot stand is gekomen ? Jullie christenen hebben het te danken aan de beulsknechten die Christus aan het kruis hebben genageld, dat jullie Mysterie van Golgotha zich afgespeeld heeft !

Zou daarom iemand het recht hebben om Judas en de beulsknechten te verdedigen, hoewel het waar is dat de zin van de wereldgeschiedenis aan hen te danken is ? Kan een dergelijke vraag zo simpelweg beantwoord worden ? Komt men niet op tegenstrijdigheden, die daar staan en een vreselijk fatum zijn ?

Denkt u eens na over wat ik u hier voor ogen stel ! We zullen morgen met deze beschouwingen verder gaan. Dit laatste heb ik slechts uitgesproken opdat u er zou kunnen over nadenken, dat het niet zo simpel is om te zeggen: van twee dingen die elkaar tegenspreken, neem ik het ene aan, het andere wijs ik af. De werkelijkheid is dieper dan wat de mens vaak met zijn denken wil vatten, en het is niet zonder reden wanneer Nietzsche vanuit een bijna waanzinnig geworden kop het gezegde uitsprak:

'De wereld is diep, en dieper dan de dag gedacht.'

*

*

*

Bronnen:
GA 113, Der Orient im Lichte des Okzidents.
GA 139, Das Markus-Evangelium.
GA 173, Das Karma der Unwahrhaftigkeit.
GA 175, Bausteine zu einer Erkenntnis des Mysteriums von Golgatha.
Die Legenda Aurea, Verlag Lambert Schneider, 1984.

*

*

*

*

Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra, IV, Das Nachtwandler-lied:

Oh Mensch ! Gieb Acht !
Was spricht die tiefe Mitternacht ?
"Ich schlief, ich schlief -
"Aus tiefem Traum bin ich erwacht: -
"Die Welt ist tief,
"Und tiefer als der Tag gedacht."

*

*

*

*

Terug naar de gedichten.



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Word lid van de Antroposofische Vereniging ...


Hoeveel mensen zijn niet intensief bezig met antroposofie zonder lid te zijn van de Antroposofische Vereniging? Men zou nochtans kunnen veronderstellen dat mensen uit dankbaarheid voor wat Rudolf Steiner en de antroposofie voor hun persoonlijk leven betekent, het als een vanzelfsprekendheid zouden beschouwen om lid te worden. Iedere natuurliefhebber kan gaan wandelen en genieten van de mooie plekjes die er nog zijn. Maar toch zien velen onder hen in dat die natuur niet effectief kan beschermd worden als zij zelf niet verenigingen steunen als Greenpeace, Natuurreservaten vzw en vele andere. Met het geestelijk landschap is het niet anders gesteld, het verkommert ook wanneer de interesse van de mensen beperkt blijft tot een passief consumeren. Men kan altijd misnoegd zijn over het intern functioneren van een vereniging ...


" Het is nu eenmaal gemakkelijk te zeggen: dit en dat bevredigt mij niet. Moeilijker is het dit onbevredigende in rust op te merken en daarna de nodige inspanningen te verrichten om van zichzelf uit tot verbetering bij te dragen." (1)

Ook in Steiners tijd waren er mensen die de antroposofie wilden aannemen, maar niet tot de Vereniging wilden toetreden. Waarvoor waren ze eigenlijk bang ? Voor eventuele (geestelijke) verplichtingen ?


Walter Johannes Stein was van Wenen naar München gekomen om de eerste opvoeringen van de mysteriedrama's bij te wonen. Toen hij in dit verband de verantwoordelijke van de plaatselijke afdeling contacteerde, gravin Kalkreuth, vroeg die of hij lid was. "Neen", antwoordde Stein.
- "Dan kunt u de opvoeringen niet bekijken."
- "Maar ik heb reeds met Dr. Steiner gesproken; ik ben zelfs leerling van hem geworden."
- "Dat is goed mogelijk, maar de opvoeringen zijn slechts voor leden."
Stein stond op het punt om vertwijfeld terug te keren, toen de deur open ging en Rudolf Steiner daar verscheen. Die kwam direct naar hem toe, met een uitgestoken hand, om hem te begroeten, en zei: "Daar bent u dan !"
Stein legde zijn ongelukkige situatie aan hem uit. Hij wilde wel de mysteriedrama's zien, maar hij wilde geen lid worden, zeker niet na het voorval dat hij hier juist meegemaakt had.
Rudolf Steiner keek gravin Kalkreuth vragend aan, maar die vertrok geen spier. Ten slotte zei hij: " Ik ga voor Herr Stein een lidkaart laten maken. Maar ze wordt pas geldig van het ogenblik dat hij de theateringang gepasseerd is, en ze blijft dan geldig tot hij het gebouw terug verlaten heeft. Dat zal in dit geval wel de beste oplossing zijn, nietwaar gravin ?"
Natuurlijk was dat zo. Immers, al wat Rudolf Steiner maar wilde, was voor deze vrouw het beste. Maar Stein kon niet begrijpen waarom Rudolf Steiner aan die formaliteiten wou vasthouden.
Hij bezocht dan, met een lidkaart, de opvoeringen. Diep onder de indruk van wat hij gezien en gehoord had, ging hij na de opvoeringen naar Rudolf Steiner. "Welnu, Herr Stein, hebt u er iets aan gehad ?" vroeg deze.
Stein antwoordde: "Ik weet nu wat voor een ezel ik was, en ik wens niet meer uit de Vereniging te stappen."
En zo bleef hij lid. (2)


We hebben het al meegemaakt dat mensen aanvankelijk geïnteresseerd geraken in antroposofie, zich enige tijd verdiepen in verschillende werken van Rudolf Steiner, of gewoon maar aandachtig enkele afleveringen van dit tijdschrift lazen, en dan met een zucht concludeerden: ofwel stop ik met mijn huidige levenswandel, ofwel laat ik die antroposofie voor wat ze is. Want het wordt gauw duidelijk dat antroposofie het de mens niet gemakkelijk maakt (zie ook in De Brug 5: "Antroposofie is een gevaarlijke zaak."). Veel van wat we tot dan toe als vanzelfsprekend aannamen en zelfs als een deugd beschouwden, moeten we in vraag gaan stellen. Onze omgang met geld, ons spaargedrag en de gevolgen ervan voor het sociale organisme, onze voedingsgewoontes, onze opvoedingsprincipes, onze jaarlijkse vakantie !
Nu de zomer terug voor de deur staat, zullen we op dit laatste even dieper ingaan aan de hand van enkele uittreksels. Om te beginnen met het slechte nieuws: jaarlijkse vakantie is onzin !


Over de jaarlijkse vakantie


"Wanneer het gaat om de vraag: 'Waartoe dient, naast al het andere, vooral de geesteswetenschap ?' - dan kunnen we zeggen: ze giet jeugdige, verfrissende, vruchtbare krachten in ons astraal lichaam en etherlichaam.

De mensen staan zo verschillend t.o.v. wat wij geesteswetenschap noemen, niet omdat ze niet helderziend zijn als mensen van deze tijd, maar omdat ze ook in het uiterlijke leven niet willen waarnemen. Anders zouden ze wel zien op welke verschillende manieren zich zelfs in het fysiek lichaam openbaart datgene wat wij de ziele-geestesmens noemen.
Maar aan deze ziele-geestesmens echter willen de materialisten van vandaag niet geloven.
Onder materialisten verstaat men dikwijls alleen de theoretische materialisten, die slechts aan de materie geloven. Maar ik heb vaak en dikwijls benadrukt: deze theoretische materialisten zijn niet de ergste. Want zo'n materialist kan ook iemand zijn die alleen maar uit zijn verstand begrippen haalt, en dat zijn toch al de meest kortzichtige. Daardoor kan het materialisme, dat alleen op het verstand bouwt, niet zo schadelijk zijn. Waar het echter door andere elementen versterkt wordt, daar kan het pas echt slecht worden voor het totale leven van de mens - en vooral wanneer de mens met zijn innerlijkste geestelijke wezenskern vasthangt aan zijn materie, aan zijn stoffelijke.

En hoe hangt precies in onze tijd de mensheid niet af van het stoffelijke ! Dat er theoretische materialisten bestaan is wat betreft het gedachtenleven verleidelijk en in betrekking tot wat onze zielen eigenlijk moet vormgeven: fataal. Maar ons uiterlijk leven wordt vooral beïnvloed door het feit dat er in het concrete leven zoveel materialisten zijn. Wat is een concrete materialist ? Dat is een mens die zo afhankelijk is van zijn fysieke organisatie dat hij 's winters slechts enkele maanden op zijn kantoor kan doorbrengen en dan 's zomers aan het strand moet liggen, om het leven enigszins te kunnen dragen. Zo afhankelijk is hij van stoffelijke invloeden, van stoffelijke omstandigheden. Dat zijn de materialisten van de concrete levenspraktijk.

Materialist wordt men door volledig afhankelijk te zijn van het stoffelijke, dat men gedwongen is om met zijn ziel de behoeften van het lichaam achterna te hollen. Dat is nog een gans ander soort materialisten dan diegenen die alleen maar in gedachten en ideeën materialist zijn. Theoretisch materialisme kan misschien nog tot de overtuiging komen dat het theoretisch materialisme verkeerd is. Maar de praktische materialist genezen, onze afhankelijkheid van het stoffelijke van het fysieke lichaam genezen, dat kan alleen de echte verdieping in de geesteswetenschap." (3)


Als dat geen slecht nieuws is voor allen die al klaar stonden om op vakantie te gaan. Maar het is nog niet gedaan ! Want er schijnt een verband te zijn tussen zonnekloppen en praten zonder inhoud ...


" In het oude Griekenland leefden twee verschillende volksstammen.
De Spartanen zaten altijd rustig bij elkaar en spraken weinig. Ze hielden niet van gepraat. Maar als ze iets zeiden, dan wilden ze dat hetgeen ze zegden een zekere betekenis zou hebben, dat het een macht over de mensen zou hebben. Omdat de mens tenslotte niet altijd iets belangrijks kan zeggen wanneer hij babbelt, daarom zwegen ze als ze niets belangrijks te zeggen hadden, en ze spraken in korte zinnen. Deze korte zinnen waren in de antieke wereld beroemd. Men sprak van de korte zinnen van het Spartaanse volk en de uitlatingen die beroemd werden, bevatten dikwijls een ontzaglijke wijsheid.
Bij de Atheners was dat niet zo. De Atheners hielden van mooi gepraat, ze hielden van een kunstig spreken. Ze praatten veel meer, niet zo veel als wij vandaag doen, maar toch meer dan de Spartanen.
Het onderscheid berustte bij de opvoeding.
De Spartanen hechtten veel belang aan de gymnastiek. De Atheners ook, maar daar liet men de oudere kinderen ook tonggymnastiek, redekunst, bedrijven. Wanneer het weer in Athene zo was zoals nu hier bij ons, dan lieten ze de kinderen binnen blijven en deden spreekoefeningen. Ze riepen ze naar buiten wanneer de zon mooi scheen en alles fonkelde. Bij de Spartanen dacht men: al wat de knapen aan bewegingen uitvoeren, moet vanuit het binnenste komen. Of het nu stormt of hagelt of winderig is, dat blijft gelijk. Weet u, wanneer deze kleine Spartaanse knapen hun gymnastiek deden, ingewreven met olie en zand, dan moesten ze zeer veel innerlijke warmte ontwikkelen. De Athener sprak anders, die zei: wij leven met de zon, en als de zon ons opwekt tot beweging, dan gaan wij ons buiten bewegen; is er geen zon, dan bewegen wij niet.

Wanneer de mens in zijn innerlijk veel warmte moet ontwikkelen, dan wordt zijn spreken kort en afgemeten. Waarom ? Omdat hij zich met zijn verstand meer tot het heelal wendt. Als de mens zich echter door de zon laat beschijnen zoals de Athener, dan wendt hij zich met zijn verstand minder tot het heelal, meer naar binnen.
In zijn spreken had de Spartaan de wijsheid van het heelal. De Athener had die wijsheid van het heelal niet in zijn spreken, alleen de beweging van het heelal had hij geleerd.
Ook nu nog ziet u dat een mens uit het noorden minder praat dan bvb. een Italiaan. Het is ook zo: innerlijke warmte verdrijft de neiging tot praten, uiterlijke warmte pookt ze aan."
(4)


Vele antroposofen pogen het aangename aan het nuttige te paren en kiezen een reisbestemming waar men ook allerlei antroposofische cursussen en voordrachten kan volgen. Wat vond Rudolf Steiner daarvan ?
Willem Zeylmans moest eens een cursus organiseren in Nederland ...


" Lang hadden we nagedacht over de plek waar deze cursus moest plaatsvinden. We hadden veel gemeenten bezocht die daarvoor in aanmerking kwamen en tenslotte was Arnhem gekozen, omdat daar een mooi conferentieoord te huur was, dat direct aan de Rijn lag. In de omgeving lagen ook nog overblijfselen uit de oud-germaanse tijd; dergelijke historische tradities zijn zeldzaam op de nog jonge Nederlandse bodem. Kortom, we waren ervan overtuigd iets goeds te hebben gevonden. Maar toen Steiner aankwam en naar zijn hotel reed, keek hij even om zich heen en zei:
" Zo zo, dat ziet er uit als een soort vakantieoord. Het schijnt steeds meer gewoonte te worden om het werken aan antroposofie te verbinden met zomervakantie !"
We keken elkaar wat verlegen aan ... " (5)





Bronnen: (1) Rudolf Steiner, Brieven aan de leden, blz. 56.
(2)Heinrich Eppinger, Humor und Heiterkeit im Leben und werk Rudolf Steiners, Verlag am Goetheanum, 1985.
(3) Rudolf Steiner, GA 124, Exkurse in das Gebiet des Markus-Evangeliums, blz. 136.
(4) Samengevat uit GA 351, vijfde voordracht.
(5) Willem Zeylmans van Emmichoven in "Rudolf Steiner in Nederland", Uitgeverij Pentagon, 1994, blz. 36.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Handen wassen ...

Behalve zijn tastbare fysieke lichaam heeft de mens ook nog een ether- en astraal lichaam, en zijn Ik. Voor de helderziende blik valt het etherlichaam ongeveer samen met het fysieke lichaam, het astrale lichaam is groter en omhult de ganse mens.
We mogen niet veralgemenend zeggen dat het fysiek lichaam doordrongen is van het ether- en astraallichaam, want in ieder lichaamsdeel werken onze hogere wezensdelen met een andere intensiteit. Dat kan men zien aan zeer alledaagse handelingen, men hoeft er helemaal geen helderziende voor te zijn.
Rudolf Steiner in GA 124 "Exkurse in das Gebiet des Markus-Evangeliums".

" Waarom denken de mensen er niet eens over na wat een ontzaglijke betekenis het in het leven heeft dat de mens werkelijk veel vaker zijn handen wast dan eender welk ander deel van zijn lichaam ? Het klinkt misschien raar dat we het daar nu over hebben, maar juist de meest alledaagse zaken kunnen de mededelingen van een helderziende bevestigen. Dat de mens meer zijn handen wast is een feit. En het is ook een feit dat er mensen zijn die zich dikwijls en graag de handen wassen, en dan weer andere die dat minder vaak doen. Een dergelijk feit, dat er zo doodgewoon uitziet, hangt werkelijk samen met de hoogste inzichten. Wanneer de helderziende de handen van de mensen beschouwt, dan zijn die inderdaad wonderlijk verschillend van alle andere lichaamsdelen, zelfs van het aangezicht. Uit de vingers komen stralende vormen van het etherlichaam en die lichten tot ver in de omgevende ruimte, nu eens glimmend, zwak, dan priemend. Afhankelijk of de mens blij of bedroefd is, stralen zijn vingers anders. En de rug van het hand straalt ook anders dan de handpalm.

Toevoeging op 25 juli 2006 :
Bevestigd door wetenschappelijk onderzoek :
handen stralen detecteerbaar licht uit !

Handen gloeien in het donker

Woensdag 7 september 2005

Menselijke handen gloeien, maar vingernagels geven het meeste licht af, blijkt uit een recent onderzoek waaruit blijkt dat alle delen van de hand fotonen uitzenden.

De bevindingen ondersteunen eerder onderzoek dat suggereert dat de meeste levende wezens, inclusief planten, licht vrijgeven.

Omdat ziekte en ziekte de kracht en het patroon van de gloed lijken te beïnvloeden, zeggen wetenschappers dat de ontdekking zou kunnen leiden tot minder invasieve manieren om patiënten te diagnosticeren.

Dr. Mitsuo Hiramatsu, een wetenschapper bij het Central Research Laboratory van Hamamatsu Photonics in Japan, die het onderzoek leidde, zegt dat handen niet de enige delen van het lichaam zijn die licht laten schijnen door fotonen vrij te geven, of kleine, bekrachtigde lichtpakketten.

"Niet alleen de handen, maar ook het voorhoofd en de onderkant van onze voeten zenden fotonen uit", zegt Hiramatsu.

In termen van handen "betekent de aanwezigheid van fotonen dat onze handen de hele tijd licht produceren", voegt hij eraan toe.

Het licht is onzichtbaar voor het blote oog, dus Hiramatsu en zijn team gebruiken een krachtige fotonteller om het te detecteren.

Vingernagels geven 60 fotonen vrij, vingers geven 40 vrij en de handpalmen zijn de zwakste van allemaal, met 20 gemeten fotonen.

De bevindingen zijn onlangs gepubliceerd in de Tijdschrift voor fotochemie en fotobiologie B: Biologie.

Hiramatsu weet niet zeker waarom vingernagels meer oplichten dan de andere delen van de hand.

"Het kan komen door de optische venstereigenschap van vingernagels", zegt hij, wat betekent dat de vingernagel enigszins werkt als een prisma om licht te verstrooien.

Wat zit er achter het licht?

Om erachter te komen wat er überhaupt licht zou kunnen creëren, vroegen hij en collega Kimitsugu Nakamura proefpersonen om plastic flessen vol warm of koud water vast te houden voordat ze hun handfotonen maten.

De onderzoekers pompten ook stikstof of zuurstofgas in de donkere doos waar de mensen hun handen plaatsten terwijl ze werden geanalyseerd.

Warme temperaturen verhoogden de afgifte van fotonen, evenals de introductie van zuurstof. Het wrijven van minerale olie over de handen verhoogde ook het lichtniveau.

Op basis van deze resultaten theoretiseren de wetenschappers dat het licht "een soort chemiluminescentie is", een luminescentie gebaseerd op chemische reacties, zoals die waardoor vuurvliegjes gloeien.

De onderzoekers geloven dat 40% van het licht het gevolg is van de chemische reactie die voortdurend optreedt als onze handhuid reageert met zuurstof.

Omdat minerale olie, die in de huid doordringt, het licht verhoogt, denken ze nu ook dat 60% van de gloed het gevolg kan zijn van chemische reacties die in de huid plaatsvinden.

De kracht van licht

Professor Fritz-Albert Popp, een expert op het gebied van biologisch gerelateerde fotonen aan de Internationaal Instituut voor Biofysica in Duitsland is hij het eens met de bevindingen en wordt hij er niet door verrast.

"Je kunt duidelijke correlaties vinden met de aard en mate [type en ernst] van ziekten", zegt hij.

Popp en zijn team geloven dat het licht van het voorhoofd en de handen pulseert met dezelfde basisritmes, maar dat deze pulsen onregelmatig worden bij ongezonde mensen.

Een onderzoek dat hij uitvoerde bij een musculaire sclerosepatiënt leek de theorie te valideren.

Zowel hij als Hiramatsu hopen dat toekomstige studies meer zullen onthullen over de uitstoot van menselijke fotonen, wat zou kunnen leiden tot medische diagnosetoepassingen.

https://www.abc.net.au/science/archive/articles/2005/09/07/1455010.htm

Voor wie geestelijk kan schouwen is de hand, met haar etherdeel en astraal deel, een zeer wonderlijk verschijnsel.
Nu is alles rondom ons, ook al is het stoffelijk, een openbaring van de geest. Het stoffelijke staat in verhouding tot het geestelijke zoals ijs tot water, het heeft zich uit het geestelijke gevormd, het is als het ware verdichte geest. Als wij in verbinding treden met iets stoffelijks, dan treden wij in verbinding met het geestelijke in dat stoffelijke. Ieder contact met het stoffelijke is in werkelijkheid, voorzover het stoffelijk is, maya. In werkelijkheid is het met de geest dat wij in contact treden. Als we nu in contact komen met water wanneer we onze handen wassen, dan komen we op een bepaalde manier met de geest in contact; en het is zo -als men het leven fijnzinnig weet te observeren- dat het een grote invloed heeft op de algemene stemming van de mens hoe dikwijls hij zijn handen wast.

Er zijn naturen die een bepaalde voorliefde koesteren om zich de handen te wassen; die kunnen niet anders dan onmiddellijk hun handen wassen wanneer ze een of andere onreinheid aan hun handen vermoeden. Dergelijke naturen hebben of verkrijgen op een zeer bepaalde manier een zekere verhouding tot hun omgeving. Die beperkt zich dan niet enkel tot het stoffelijke, maar het is alsof fijne krachten in het stoffelijke beginnen op de mens te werken wanneer hij aldus het hierboven beschreven contact met het water maakt. Zulke mensen tonen ons reeds in het leven dat ze op een bepaalde wijze -en wel in gezonde zin- sensibelere, sensitieve naturen worden, ze nemen fijner waar bvb. wanneer een mens met een brutale instelling of met een goed gemoed in hun nabijheid vertoeft. Mensen daarentegen die vuil aan hun handen verdragen zijn effectief ook in het leven grovere naturen en tonen inderdaad dat ze zoiets als een wand oprichten tussen zichzelf en de intiemere verhoudingen in hun omgeving.

Zo is dat, en u kunt dat zelfs etnografisch waarnemen als u dat wil. Bezoekt u verschillende landen en probeer de mensen te observeren. Zo kunt u uitmaken waar men de handen meer of minder wast. Onderzoek dan hoe de verhoudingen tussen de mensen zijn, hoe gans anders de verhouding van vriend tot vriend, van kennis tot kennis staat in streken waar de mensen een muur oprichten door zich weinig de handen te wassen.

Deze zaken gelden als een natuurwet. Andere omstandigheden kunnen dat natuurlijk versluieren. Als we een steen door de lucht gooien, dan is de afgelegde weg een parabool, maar een plotse windstoot maakt dat het geen parabool wordt.

Voor het helderziende bewustzijn doordringt het geest-ziel-element heel fijn de handen. En wel op zodanige wijze dat vooral sprake is van een verhouding van water tot de handen. Voor het menselijk aangezicht is dat reeds minder het geval, en nog veel minder voor de andere delen van het lichaam. Men moet dat nu niet opvatten als een pleidooi tegen baden en wassen, ik wil alleen een licht werpen op de verschillende invloed.

Dit alles bewijst dat het geest-ziel-element bij de mens in de verschillende lichaamsdelen op een verschillende manier werkt, zich op een verschillende manier uitdrukt. U zult niet meemaken dat iemand schade toebrengt aan zijn astraal lichaam doordat hij te vaak zijn handen wast. Dat komt doordat de verhouding van het menselijk astraal lichaam tot zijn omgeving op een gezonde manier wordt beïnvloed door de verhouding van water tot de handen. Daarom zal op dit gebied een overdrijving nauwelijks mogelijk zijn.

Wanneer men nu materialistisch denkt en in zijn gedachten volledig aan de materie kleeft dan zal men zeggen: wat goed is voor de handen is dat ook voor de rest van het lichaam - en dan maakt men geen onderscheid tussen de fijne verschillen."


Rudolf Steiner veroordeelt dan een praktijk die toentertijd door de geneesheren aanbevolen werd om de kinderen krachtiger te maken, nl. wassingen en wrijvingen met koud water. Spoedig moest men inzien dat dit schadelijk was voor het zenuwstelsel, en deze mode geraakte gelukkig in onbruik. Volgens Rudolf Steiner leidde dit tot een ongezonde overgevoeligheid - voor gans het leven wanneer dit in de kindertijd gebeurde. Wij vinden het ook onbegrijpelijk dat men tegenwoordig al zweminitiatie voor kleuters aanprijst.

Gevoeligere kinderen hebben vanuit een gezond instinct een natuurlijke afkeer voor koud water, en men doet hun natuur en hun persoonlijkheid geweld aan wanneer men ze verplicht te gaan zwemmen zoals dit nu in schoolverband gebeurt.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*



Terug naar het thuisblad