|
De Brug 31 van maart 2001
Beste Lezer

* * * * * * * * * * * *
.
Boodschappen doorkrijgen
François De Wit.
We stellen vast dat vele mensen tegenwoordig op zoek zijn naar geestelijk voedsel. Die grote vraag veroorzaakt
ook een groot aanbod. Men moet maar even een zgn. para(normale)-beurs bezoeken en langs de verschillende
stands van helderzienden, auralezers en -fotografen, astrologen, kaartleggers, pendelaars en wat weet ik al
lopen. Wat opvalt is dat al deze 'kennis' aangeboden wordt op maat van de moderne consument. Men krijgt de
indruk dat het bereiken van een geestelijke wereld niet meer moeite kost dan een winkeluitstapje: even een CD
met etherische muziek opleggen, een beetje wierook aansteken, een halfedelsteen rond je nek hangen, de ogen
sluiten, en hop, we verlaten de aardse sfeer. Wie toch iets concreter wil ervaren kan ook nog mensen opzoeken
die bepaalde boodschappen 'doorkrijgen'. Op die manier kom je nog iets te weten over je vorige levens, wat
altijd zeer interessant is om je huidige levensproblemen te verklaren, karma weet je wel.
Het spreekt vanzelf dat antroposofie niet kan concurreren met al die New-Age aanbiedingen. De lectuur van
"Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" leidt voor vele mensen naar lagere gebieden: ze vallen
erbij in slaap. Nochtans is de weg van de antroposofie voor deze tijd de meest geschikte om een geestelijke
scholing te volgen. Vele New-Age theorieën en technieken zijn aantrekkelijker en gemakkelijker, maar als er al
resultaten zijn, dan zijn ze meestal bedenkelijk.
Monika Neve schreef in 1989 een kritisch boek over New-Age. "New Age als Ablenkung ?, Lazarus Verlag,
1989. We vertaalden er een deel van.
Het gaat over de benaming 'New Age' (nieuw tijdperk), en over het doorkrijgen van boodschappen.
[ ... ]
"Drie maal wordt er in antroposofisch verband over het aanbreken van een nieuw tijdperk gesproken:
1) het Michaëlisch tijdperk, van 1879 tot ongeveer 2300
2) de vijfde na-Atlantische cultuurperiode, van 1413 tot 3573
3) het lichte tijdvak na het Kali Yuga, vanaf 1899.
Komt een van deze perioden overeen met wat nu aangeduid wordt als New Age ? Vanwaar komt eigenlijk het
begrip of de benaming New Age ?
De Engelse Alice Ann Bailey (1880 - 1949) ging met haar eerste man, een dominee uit de Episkopale kerk,
naar de Verenigde Staten. Ze kreeg verschillende kinderen. Nadat ze jarenlang de brutaliteiten van haar man
verdragen had, scheidde ze van hem en ging in een fabriek in Californië werken, om de kost voor haarzelf en
haar kinderen te verdienen. In dit westelijke deel van Amerika, dat tegelijk het dichtst bij het Oosten ligt, vond
ze aansluiting bij de Theosofische Vereniging, vanaf 1915 werd ze er lid van. In 1920 verliet zij met haar
tweede man, de actieve theosoof Foster Bailey, die vereniging en stichtte haar eigen theosofische organisatie
die ze vanaf 1923 de Arkanschool noemt. Reeds in 1922 werd de "Lucifer Publishing Trust' opgericht die
zorgde voor een betere verspreiding van haar geschriften die tot haar dood bleven verschijnen. Al gauw werd
de naam veranderd in "Lucis Trust".
De meeste van die geschriften werden wel door Alice Bailey neergepend, maar de inhoud stamt van een
meester die zich op de achtergrond houdt. In augustus 1943 bericht deze meester, die later Dhjwal Khul genoemd wordt, over zijn eigen persoon:
[ ... ] " Ik leef - als ieder ander mens- in een fysiek lichaam, aan de grens van Tibet. Op dit ogenblik ben ik de
leider van een grote groep Tibetaanse lama's, voorzover mijn andere plichten dit toelaten. [ ... ] Ik ben geen
oude man ... ik ben echter ook geen jonge, onervaren mens. [ ... ]
Deze mahatma, die verborgen bleef, bediende zich dus van een medium, Alice Bailey, om bepaalde doelstellingen te bereiken. Bij hem duikt het begrip New Age doelbewust op. Boeken van Bailey zijn ermee getiteld,
"Opvoeding in de New Age" bvb. maar ook het boek waaruit ik veel citeer bevat hoofdstukken als "Het
geestelijk leven in de New Age" en "Christus en het toekomstige Nieuwe Tijdperk". Dit boek verscheen in
1949, het heet "Lot en bestemming der naties".
Volgens dit werk is de ganse geschiedenis op niets anders gebaseerd dan op het werken van zeven verschillende stralen of straalkrachten, ook wel energieën genoemd. Deze synoniem gebruikte termen zullen vele lezers
wel herkennen uit de moderne New-Age literatuur.
Rudolf Steiner wijst erop dat daar waar over energie als iets doorslaggevends gesproken wordt, Lucifer aan
het werk is.
Luciferische wezens bleven in een ver verleden in hun ontwikkeling terug, als geestelijke wezens zijn ze dus
onvolkomen. Hoewel ze niet de volmaaktheid bezitten van de goddelijk-geestelijke wezens die de menselijke
ontwikkeling in de juiste banen leiden, toch staan ze in hun ontwikkeling torenhoog boven de mens. Als de
mens niet de juiste verhouding tot deze wezens vindt, dan kunnen zij een verwoestende invloed uitoefenen op
zijn zieleleven.
Om juist te kunnen inschatten wat die zeven stralen van die Tibetaanse meester betekenen, halen we hier een
uitspraak van Rudolf Steiner aan, uit GA 124 (blz. 203):
"Wanneer onze ontwikkeling niet op de juiste manier gebeurt, dan wordt onze ontwikkeling gecorrumpeerd
door de krachten van luciferische wezens, krachten die zevenvoudig van aard zijn.."
Lezen we hoe de zgn. zevende straal, "verantwoordelijk voor nieuwe vormen van beschaving", door Alice
Bailey, resp. de Tibetaan, gekarakteriseerd wordt:
"Een voorbeeld van de magische werking van de zevende straal op het massabewustzijn is het toenemend
gebruik van slogans, die bewust gehanteerd worden om mensen tot bepaalde vormen van massa-acties te verleiden. Dit is een eerste poging om machtwoorden als werktuig in te zetten."
Het zevende hoofdstuk van het hier genoemde boek handelt over 'De inwijding in het Waterman-tijdperk'. Het
Nieuwe Tijdperk zou dus het Waterman-tijdperk zijn ! "
[ ... ]
Monika Neve legt verder uit hoe volgens de antroposofie het Waterman-tijdperk nog lang niet in zicht is. De
antroposofie onderscheidt in het na-Atlantische tijdvak 7 cultuurperiodes, die telkens met een bepaald dierenriemteken overeen stemmen. In elk van die periodes wordt een ander wezensdeel van de mens ontwikkeld.
1) De Oud-Indische cultuurperiode stond in het teken van de Kreeft: ontwikkeling van het etherlichaam.
| 2) Oud-Perzische cultuurperiode: | _______Tweelingen | ______astraal lichaam |
| 3) Egyptisch-Babylonische periode: | ______Stier | ______gewaarwordingsziel |
| 4) Grieks-Romeinse periode: | ______Ram | ______verstands- en gemoedsziel |
| 5) onze cultuurperiode | ______Vissen | ______bewustzijnsziel |
| 6) Zesde cultuurperiode | ______Waterman | ______geestzelf |
| 7) Zevende cultuurperiode | ______Steenbok | ______levensgeest. |
Onze cultuurperiode is pas begonnen in 1413 en zal duren tot 3573.
Wanneer bepaalde wezens via geestelijke kanalen ons willen wijsmaken dat nu het Waterman-tijdperk aangebroken is, dan kan dat alleen met de bedoeling zijn om de mens af te leiden van zijn ware opdracht in deze
tijd, namelijk: alle aandacht te schenken aan de ontwikkeling van de bewustzijnsziel.
Om die bepaalde wezens te ontmaskeren onderzoekt Monika Neve hoe het zit met de boodschappen die sommige mensen zoals Alice Bailey doorkrijgen. Veel van wat ze zegt is ook van toepassing op de vele mediaal "begaafde" personen die hun diensten zo graag ter beschikking stellen van hun zoekende medemens.
" In antroposofische standaardwerken als "De wetenschap van de geheimen der ziel', "De Akasha-kroniek",
"Theosophie der Rozenkruisers", wordt uitvoerig beschreven wat antroposofische geesteswetenschap te zeggen
heeft over de menselijke en de wereldontwikkeling. De belangrijkste bron voor wat in deze werken te vinden
is, vormt het lezen in de Akasha-kroniek. Wat kan men zich daarbij voorstellen ?
Rudolf Steiner in GA 99:
"Wij krijgen daar het best een begrip van, wanneer we bedenken dat alles wat op onze aarde of ergens in de
wereld gebeurt, een blijvende indruk maakt op bepaalde fijne substanties. Deze indrukken kan de ziener die
een inwijding heeft doorgemaakt terugvinden. Het is geen gewone kroniek, maar een kroniek die men levend
kan noemen. Nemen we aan dat een mens geleefd heeft in de eerste eeuw na Christus. Wat hij toen gedacht,
gevoeld en gewild heeft, wat zich in daden omgezet heeft, is niet uitgewist, het is bewaard gebleven in deze
fijne substantie. De ziener kan het 'zien'. Niet alsof het opgeschreven ware zoals in een geschiedenisboek,
maar werkelijk zoals het gebeurd is."
Deze kroniek is te vinden in de sfeer van de geestelijke wereld, die de christenen 'hemel' noemen, de Indiërs
'devachaan'. Deze geestelijke wereld moet onderscheiden worden van de zielewereld, ook astrale wereld of
elementare wereld genoemd, die dichter bij de mens staat. Daar vinden we bvb. de natuurwezens die als dienaren van de geestelijke wereld ons bestaan op de fysieke aarde mogelijk maken. Hoewel de Akasha-kroniek
zich in de geestelijke wereld bevindt, toch kan hij als een fata morgana in de zielewereld weerspiegeld worden. Dit kan de oorzaak zijn van onzekerheden en onnauwkeurigheden voor zieners die niet voorbij de zielewereld kunnen schouwen. Rudolf Steiner geeft het voorbeeld van de Atlantische zondvloed. Die werd later,
meer oostwaarts, gevolgd door kleinere, weliswaar nog altijd gigantische overstromingen:
"Als iemand de astrale beelden van de Akasha-kroniek nagaat, en niet de devachanische, dan kan hij gemakkelijke die latere overstromingen verwisselen met de oorspronkelijke Atlantische vloed. Dat is effectief gebeurd bij hetgeen Scott-Elliot vertelt over Atlantis. Wat hij zegt klopt als men de astrale beelden controleert,
maar niet meer wanneer men de devachanische beelden van de echte Akashakroniek nagaat. Dat moet toch
eens gezegd worden."
Maar wat betreft mededelingen door mediums, daar kan nog veel gemakkelijker de bal misgeslagen worden.
Uit het bovenstaand is al duidelijk geworden welk een geestelijke scholing men moet doorlopen hebben om een
bewustzijn tot het devachaan te verkrijgen. En zelfs dan moet men dikwijls jarenlang geduld opbrengen om de
juistheid van een eerder verworven inzicht zelf te kunnen controleren.
Een mediale mens echter verkrijgt zijn inzichten niet door zijn bewustzijn tot grote hoogten te ontwikkelen,
integendeel, zijn bewustzijn wordt verlaagd. De gewone mens wordt beschermd wanneer zijn bewustzijn hem,
samen met zijn Ik en astraal lichaam, verlaat in de slaap. Bij het medium worden Ik en astraal lichaam uit de
mens weggemanipuleerd door een andere macht. Een wezen dat door de mens niet kan beheerst worden bedient zich van het menselijk lichaam voor zijn bepaalde doelen. Deze mens krijgt allerhande "inzichten" door
...
Hier is geen sprake van een persoonlijk verantwoordelijke, geestelijk onderzoekende mens. Een geestelijk
wezen dat niet doorzien wordt door het medium gebruikt de mens als kanaal (channel) voor zijn uitzending
(zoals bij radio en TV). Omdat hier het onderbewuste van de mens geactiveerd wordt, vindt de eigenlijke
communicatie ook slechts met het onderbewuste van de toehoorders plaats, niet met hun klare oordeelskracht."
Een andere reden om zeer voorzichtig te zijn met zgn. boodschappen uit de geestelijke wereld vinden we in de
levensloop van Helena Petrovna Blavatsky. Deze vrouw was door goede geestelijke machten uitgekozen om
bepaalde geestelijke inzichten aan de ganse mensheid ten goede te laten komen. Zij was geen helderziende die,
zoals Rudolf Steiner, jarenlang moest oefenen om tot een hoog geestelijk niveau te komen. Al het occulte weten
viel haar omzeggens kant en klaar toe, als medium kon zij nooit op eigen kracht een dergelijk niveau bereiken.
Dit 'privilege' werd tegelijk haar persoonlijk drama.
" In GA 254 beschrijft Rudolf Steiner uitvoerig wat er met Blavatsky gebeurde toen zij in haar onwetendheid
de hoogste waarheden begon chaotisch en zelfs volledig verkeerd weer te geven. Het experiment, om op deze
manier de mensheid een deel occulte kennis te laten geworden, moest opgegeven worden. In de plaats van de
oorspronkelijke geestelijke inspiratoren drongen zich andere "mahatma's" op, voor een deel zelfs onder misbruik van de naam van echte Meester-individualiteiten. Op deze manier traden vervalsingen en belasteringen
op van Jehova, van Christus e.a.
Na dit mislukt experiment werd er volgens Rudolf Steiner volledig van afgezien om occulte waarheden te laten
bekend worden door mensen die dit niet zelf individueel kunnen verantwoorden. Het gaat niet meer op dat
iemand zich beroept op hoge Meesters waarvan hij of zij slechts de spreekbuis zou zijn."
En dat is nu juist wat in vele New-Agegroepen gebeurt. Allerlei mensen geven -dikwijls zeer persoonlijke-
boodschappen door en verschuilen zich daarbij achter de ingevingen, of zelfs de genade van onbekende Meesters. Voor ons een reden om op onze hoede te zijn en in de eerste plaats ons gezond boerenverstand te ontwikkelen:
Wordt voor deze boodschappen geld gevraagd ? Dat is al bedenkelijk want dan heeft het 'medium' er alle
belang bij om boodschappen door te krijgen die de medemens geestelijk afhankelijk maken van de boodschapper. Hier kunnen we ook al met een gewone charlatan te maken hebben die de lichtgelovigheid van de mensen
misbruikt.
Maar zelfs als we te maken hebben met een persoon te goeder trouw, die over bepaalde mediale krachten beschikt, dan moeten we bedenken dat men op het laagste niveau van helderziendheid de algemene lijnen van
mens- en wereldontwikkeling leren kennen, maar dat een ziener al zeer ver gevorderd moet zijn om zonder
fouten zaken te kunnen doorgronden die te maken hebben met het individueel karma van een bepaalde mens.
In GA 10 "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" legt Rudolf Steiner uit waarom het zo belangrijk
is om de tienbladige lotusbloem correct te ontwikkelen:
"Slechts daardoor kan de helderziende een oorzaak van talrijke illusies en geestelijke willekeurigheden vermijden. De mens is zich gewoonlijk niet bewust door wat zijn invallen, zijn herinneringen gestuurd worden en
waardoor ze opgeroepen worden. Neemt u het volgende geval. Iemand rijdt met de trein. Hij is verzonken in
gedachten. Plotseling neemt zijn gedachtengang een andere wending. Hij herinnert zich een gebeurtenis die
zich jaren geleden heeft voorgedaan en hij knoopt dat vast aan zijn tegenwoordige gedachten. Wat hij echter
niet bemerkt heeft is dat zijn blik naar buiten gericht was en op een persoon gevallen is die gelijkenis vertoont
met de persoon die in dat voorval van jaren geleden verwikkeld was. Wat hij gezien heeft, daarvan wordt hij
zich helemaal niet bewust, alleen het effect komt in zijn bewustzijn. En zo gelooft hij dat hem iets "vanzelf
ingegeven" werd.
Hoeveel in het leven komt niet op die manier tot stand ?"
Hij besluit:
"Men moet het zover brengen dat men indrukken die men niet wil ontvangen, daadwerkelijk ook niet ontvangt. [ ... ] Wat men ziet, moet men willen zien, en datgene waaraan men geen aandacht schenkt, mag er niet
zijn voor de ziener. [ ... ] Voor hem mag alleen maar bestaan datgene waarop hij zijn oog en oor richt.[ ... ]
Als met een zielepantser moet hij omgeven zijn tegen alle onbewuste indrukken."
Altijd weer legt Rudolf Steiner de nadruk op de klare oordeelskracht. Een mens doet er beter aan, voor zijn
geestelijke ontwikkeling, om in alle rust zijn denkvermogen te ontwikkelen, dan te proberen om zo vlug mogelijk interessante geestelijke boodschappen door te krijgen. We mogen gerust stellen: wanneer iemand zich
beroept op boodschappen die hij van hogere geestelijke wezens doorkrijgt, dan werkt die persoon niet met de
geestelijke machten die de mens tot vrijheid en verantwoordelijkheid willen leiden. Hij werkt daarentegen met
machten die de mens, zoals in het oude Egypte, in een theocratische piramidestructuur willen gevangen houden: bovenaan een geestelijke (en economische) elite en onderaan een passieve, consumerende massa.
Tot slot geven we een kort overzicht van de christelijke inwijdingsweg. Vele mensen zoeken zgn. helderzienden
op omdat ze in hun persoonlijke levenssfeer moeilijkheden ondervinden waarvan ze het gevoel hebben dat ze
die niet de baas kunnen.
Een en ander heeft te maken met het wegvallen van de religiositeit. Vroeger was het dagelijks gebed, de herinnering en het meeleven met het lijden van Christus een troost, men relativeerde de eigen moeilijkheden. De
moderne leefwereld laat geen strikt christelijke inwijding meer toe, want daartoe is noodzakelijk dat men zich
voor bepaalde tijd uit het gewoel van de wereld terugtrekt, maar als de mens dagelijks eventjes het beeld van
de kruisweg voor de geest haalt, dan kan hij zich gesterkt voelen en leren betrouwen op een hogere instantie
dan diegene die aangeboden wordt door allerhande 'helderzienden'. Herkennen we niet zonder moeite in de
trappen van deze inwijdingsweg situaties die we in het dagelijkse samenleven zeer dikwijls tegenkomen en
moeten doorstaan ?
De christelijke inwijdingsweg
1) Voetwassing
Graag willen dienen, deemoed, ook voor wat lager en slechter als onszelf schijnt.
2) Geseling
Standhouden onder de geselslagen van het leven.
3) Doornenkroon
Verdragen van hoon en spot wanneer onze heiligste overtuigingen belachelijk gemaakt worden.
4) Kruisdraging
Al de lichamelijke ongemakken verdragen zonder het belang van het lichamelijke te ontkennen.
5) Mystieke dood
Een tijdlang ongevoelig voor het aardse kunnen blijven
6) Graflegging
Voelen dat men een is met gans de planeet.
7) Opstanding
Deze toestand kan alleen gedacht worden door een mens wiens ziel niet meer verbonden is met de hersenen.
*** ** *
* * * * * * * * * * * *
.
Een antroposoof is zichtbaar voor de doden, een materialist niet
Uit GA 152 "Vorstufen zum Mysterium von Golgatha" :
"Eén van de subtiele substanties die nog voor de menselijke geest toegankelijk is, wordt Akasha genoemd. En
de openbaringen van wezens en fenomenen in de Akasha-substantie, zijn de fijnste van alles wat voor de mens
toegankelijk is. Wat de mens aan occulte kennis verwerft, woont niet alleen in zijn ziel maar wordt tegelijk
ook in de Akasha-substantie van deze wereld ingeprent. Wanneer we een denkbeeld van de occulte wetenschap
in onze ziel oproepen, wordt dit direct in de Akashakroniek opgeschreven en het is van belang voor de algemene ontwikkeling van de wereld dat dergelijke zaken in de Akashakroniek ingegrift worden. Want deze afdrukken die door de mensen bewerkstelligd worden en die wij beschrijven als occulte wetenschap, kunnen
door geen enkel ander wezen in de ganse wereld in de Akasha-kroniek ingeschreven worden behalve door de
mens.
Het is belangrijk te weten dat we na de dood in de geestelijke wereld in de Akashakroniek leven, net zoals we
nu op aarde in de atmosfeer leven.
Wanneer een helderziende die in de geestelijke wereld schouwt met de middelen die hem ten dienste staan, in
contact komt met de menselijke zielen die daar na de dood leven, dan merkt hij dat een mens die nu op aarde
leeft (vroeger was dat anders) en nooit actief met geesteswetenschappelijke denkbeelden en ideeën bezig is,
niet kan waargenomen of gezien worden door een menselijke ziel die tussen dood en een nieuwe geboorte
verkeert, ook al is deze ziel in zijn nabijheid.
Als een nu op aarde levend mens zich actief bezig houdt met geesteswetenschappelijke gedachten en een idee
heeft dat in de Akashakroniek kan ingeschreven worden, dan wordt dat voor alle andere zielen die in de Akashasfeer leven, zichtbaar. Een helderziende die zich in alle rust en met veel geduld voorbereid heeft op de gave
van het zienerschap, kan, wanneer hij in contact treedt met zielen die door de poort van de dood gegaan zijn,
diep aangrijpende, schokkende indrukken krijgen. Ik wil u een dergelijk geval nauwkeurig beschrijven.
Een helderziende maakt contact met een man die pas gestorven is en zijn vrouw en kinderen, van wie hij veel
had gehouden, achtergelaten had. Deze man kon na zijn dood geen verbinding met hen krijgen. Deze man en
zijn familie waren lieve, goede mensen, maar zij hadden geen neiging gevoeld om geestelijke inzichten op te
nemen en zij waren niet boven de traditionele overleveringen van de godsdienst uitgegroeid; overleveringen
waardoor vele mensen zich nog verbonden voelen met de geestelijke wereld.
En enige tijd nadat hij door de poort van de dood was gegaan zei deze man tot zichzelf:
"Ik heb mijn innig geliefde vrouw en kinderen op aarde achtergelaten. Zij waren de zon in mijn leven. Met
mijn geestelijk schouwen kan ik hen echter niet bereiken. Ik moet het nu alleen doen met de herinnering aan
de tijd dat ik met hen op aarde samen was."
Een heel ander beeld krijgt men als de op aarde achtergeblevene zich heldere en sterke geestelijke denkbeelden
vormt. Een gestorvene kan dan, wanneer hij op de achtergeblevene neerziet, diens zieleleven in de tegenwoordige tijd volgen omdat de beelden van die aardse ziel in de Akasha-kroniek opgenomen wordt.
Help de doden, lees ze voor
Hiermee raken we een punt dat ons laat zien hoe de antroposofie de kloof tussen de zgn. levenden en de zgn.
doden kan en zal dichten. En nu al ( in 1913 - fdw) kunnen we zien hoe mensen die begrip voor het geestelijk
leven hebben een grote zegen voor de overledenen kunnen zijn. Als we hen in gedachten de waarheden van de
geesteswetenschap voorlezen, hetzij hoorbaar, hetzij in stilte, de ideeën en begrippen in ons opnemen en dan te
zelfder tijd voelen dat één of meer dierbare overledenen letterlijk voor ons zitten terwijl wij lezen, dan wordt
dat lezen -omdat deze gedachten in de Akashakroniek ingeschreven worden- iets zeer reëels voor die zielen.
En dit voorlezen kan voor de overgegane van groot nut zijn, ook voor doden die, toen ze nog op aarde waren,
niets van de hogere werelden wilden weten.
Nu zou u kunnen vragen: wat heeft het voorlezen nu nog voor nut, nu de gestorvenen toch in de geestelijke
wereld leven ? Heel veel mensen denken dat men alleen maar door de poort van de dood hoeft te gaan om dan
ineens alles te ervaren wat op aarde alleen met grote moeite via geesteswetenschap bereikt kan worden. Zij
geloven ook dat iemand alleen maar dood hoeft te gaan om na zijn dood al het occulte te kunnen begrijpen,
omdat hij nu toch in de geestelijke wereld is, maar dat is niet zo.
Op aarde zijn er ook andere wezens, bvb. dieren, die ook alles kunnen zien wat de mens met zijn zintuigen
kan zien, maar die zich geen begrippen kunnen vormen en geen bevattingsvermogen over de geestelijke wereld
hebben. Zo is het ook met vele zielen in de geestelijke wereld. Zij zien wezens en feiten van hogere geestelijke
werelden, maar zij kunnen zich geen begrippen of ideeën daarover vormen wanneer aardse mensen niet voor
hen zulke begrippen en ideeën in de Akashakroniek schrijven. Wanneer mensen dat wel doen, dan kunnen zij
het lezen.
De zending van de mens op aarde is heel belangrijk. Wanneer de menselijke zielen nooit op aarde zouden
hebben gewoond, dan zouden er toch nog de geestelijk werelden bestaan. Maar er zou dan geen occult weten
van deze werelden zijn. De aarde heeft in de loop van de geschiedenis nu een punt bereikt waar de geesteswetenschap door geestelijke wezens kon ontwikkeld worden; geestelijke wezens die zo geconstrueerd en georganiseerd zijn als de aardemens. Alles wat door de geesteswetenschap in de Akasha-substantie geregistreerd is,
zou daar nooit in hebben kunnen staan als er geen geesteswetenschap op aarde had bestaan.
Wanneer iemand probeert zijn zieleleven op aarde te onderzoeken, dan zal hij allereerst ontdekken dat hij -in
onze tijd- zijn activiteiten om kennis van de hogere werelden te krijgen, voor andere doeleinden gebruikt
heeft. Het menselijk vermogen om geesteswetenschap te leren, wordt gebruikt om kennis te verwerven van
dingen die met de zintuigen en het verstand ( de hersenen) samenhangen. Wij mensen hebben kennis van
tweeërlei soort - de ene is de ervaring van de zintuiglijke wereld en de andere datgene wat men door de geesteswetenschap ervaart en in de Akasha-kroniek geschreven wordt. Want de geesteswetenschap vormt ideeën en
begrippen die dan eeuwig in de Akasha-kroniek opgeborgen worden.
Alle weten, alle kennis die door zintuiglijke ervaringen, technische zaken, in de zakelijke en de industriële
wereld verkregen wordt, wordt door de Akasha-substantie uitgesloten en uitgewist. Als men die feiten helderziend beschouwt, kan men zien dat er een strijd in de Akasha-substantie plaatsvindt tussen indrukken die door
de menselijke occulte wetenschap ingeschreven worden (en die eeuwig zijn) en die welke op zintuiglijke resultaten berusten en voorbijgaand zijn. Deze strijd ontstaat door de omstandigheid dat de mens toen hij werkelijk als zelfstandig wezen in de oeroude Lemurische tijd de aarde ging bewonen, reeds toen al door zeer hoge
geestelijke wezens voorbestemd werd om in de toekomst de geesteswetenschap te verwerven.
Door ingrijpen van de Luciferische wezens werd de aandacht van de mens afgeleid en de zielekrachten die
nodig zijn om occulte begrippen en ideeën te kunnen begrijpen, werden hierdoor voor dingen gebruikt die aan
de fysieke aarde toebehoren.
Er zijn veel mensen die zeggen dat geesteswetenschap er alleen is voor mensen die helderziende in de geestelijke wereld kunnen schouwen. De gewone wetenschap is immers voor ieder intelligent mens toegankelijk,
maar de geesteswetenschap toch niet ?
Dat is niet waar, want diep in de eigen ziel bezit ieder mens de mogelijkheid, zonder dat hij een ziener is, de
waarheid van de geesteswetenschap te erkennen. Wel is het waar dat de occulte waarheden alleen door zieners
ontdekt kunnen worden. Maar als ze eenmaal ontdekt zijn en de zieners er in gewone normale taal over ver-
tellen, kan iedere menselijke ziel dit begrijpen die de hindernissen wil overwinnen die in zijn innerlijk aanwezig zijn.
Overwin je angst
Als resultaat van de Luciferische impuls werd het later in de aarde-ontwikkeling voor Ahriman ook mogelijk
de menselijke ziel te beïnvloeden. Alleen wanneer de mogelijkheid tot begrip voor geesteswetenschap door
Ahrimanische invloed achtergehouden wordt, blijft dit begrijpen van geesteswetenschap onbereikbaar. Wanneer onze zielen niet onder Ahrimans invloed stonden, dan hoefde een geesteswetenschappelijke gedachte
alleen maar uitgesproken te worden en een mensenziel zou in zijn meest innerlijke wezen voelen dat die idee
of die gedachtegang van de geestelijke wereld waar is. In iedere menselijke ziel leeft er een alledaags bewustzijn dat begrijpt en zich kan verantwoorden. Daarnaast is er een onbewust zieleleven dat, net als de diepste
plekken in de oceaan vrijwel onbereikbaar is, maar toch een enkele keer aan de oppervlakte kan gebracht worden. Tot de diepten van de ziel behoort onder andere de vrees die in ieder mens aanwezig is, nl. de vrees voor
het zuiver geestelijke. Dit is het resultaat van Ahrimans invloed en die zou niet bestaan als Ahriman niet de
macht over de zielen verworven zou hebben. De reden waarom de mensen zich niet bewust zijn van deze
angst, is dat Ahriman in het diepste onderbewustzijn werkt. Bovendien speelt het geen rol in de dingen waarmee de mens zich in het dagelijks leven bezig houdt.
Soms klopt deze angst aan de deur van ons gewone bewustzijn zonder dat men weet waar het vandaan komt.
Dat maakt wel dat de ziel ongerust is. Soms zoekt men dan iets dat verdovend werkt om de angst, waarvan
men niets wil weten, weg te drukken. Dit kan zijn door zich intensief bezig te houden met materialistische
gedachten, theorieën en ideeën. Men kan zeggen dat materialistische theorieën niet gebaseerd zijn op de logica
ofschoon men denkt dat dit wel het geval is. Ze ontstaan en worden uitgedacht omdat men bang is voor het
geestelijke. Dat is het resultaat van Ahrimans invloed op de ziel ! Daarom zijn de voorbereidende condities
voor het directe begrip van de spirituele waarheden veel minder een kennis van de gewone wetenschap dan een
werkelijke opvoeding van de ziel in deugdzaamheid en morele, innerlijke geestelijke moed. Daarom kunnen
wij zeggen dat de helderziende het occulte onderzoek moet doen, maar de resultaten van het onderzoek kunnen
door iedere menselijke ziel begrepen worden wanneer deze zich met alle morele moed die zij in zich bezit, vrij
wil maken opdat ze de hindernissen die van Ahriman stammen, kan overwinnen.
Als iemand echt de wens heeft om occulte waarheden door de oorspronkelijke morele krachten van zijn ziel te
begrijpen, kan hij het volgende proberen. Hij kan de geesteswetenschap op zijn gevoel laten inwerken zonder
dat hij vooraf een standpunt inneemt of hij er al dan niet mee instemt. Hij kan de geesteswetenschappelijke
ideeën en begrippen die hij van de helderziende verneemt, opnemen en op zijn gemoed laten inwerken. Wanneer hij het occulte weten met innerlijk enthousiasme -en niet uit nieuwsgierigheid- opgenomen heeft, zal hij
iets ervaren dat met zweven, met een gevoel van geen grond onder de voeten te hebben, vergeleken kan wor-
den.
Deze proef zal een volledig andere uitwerking hebben bij iemand die religieus, vol eerbied en ontzag tegenover het geestelijk leven staat dan iemand die gewoon is materialistisch te denken. Iemand die weliswaar geen
occult weten bezit, maar toch wel religieuze gevoelens tegenover de geestelijke wereld heeft, kan zich als
resultaat van deze proef wel wat onzeker voelen, maar toch lang niet zo onzeker als de materialist die geen
gevoel voor de geestelijke wereld heeft. De laatste zal een sterk gevoel van angst en van 'onzichtbaar zweven'
beleven. De materialist kan er zich op die manier van overtuigen dat occulte ideeën en begrippen hem wel
degelijk raken en bovendien angst en schrik oproepen. Door deze belevenissen kan de materialist leren hoe
bang hij is en hij zal tot zichzelf zeggen: dit bewijst niet alleen hoe bang ik voor dit gebied ben, maar ook dat
in mij een sterke neiging tot angst leeft.
Zouden bvb. Ernst Haeckel of Herbert Spencer deze proef gedaan hebben, dan hadden zij er zich niet alleen
van kunnen overtuigen dat de occulte wetenschap niet vol tegenstrijdigheden zit zoals zij dachten, waardoor
men er onmogelijk zou kunnen in geloven, maar dat zij er in het diepst van hun ziel angstig voor waren. Zij
zouden in zekere zin al gauw alle twijfel en ongeloof over wat ze als 'fantasie der geestelijke leer' beschouwden, vergeten hebben. Zij zouden dan wel moeten toegeven dat het van het grootste belang is deze angst te
overwinnen. Als zij zover gekomen waren om dit toe te geven, zouden zij al gauw hun tegenstand tegen de
fantasieën over het geestelijk leven hebben moeten opgeven. In dat geval zouden zij tot het inzicht gekomen
zijn dat zij zouden moeten proberen de morele moed in zich op te brengen om zichzelf sterker te maken. Dan
hadden zij misschien hun zelfopvoeding ter hand genomen. En als het hun dan gelukt zou zijn hun vrees te
overwinnen, zouden zij tot zichzelf gezegd kunnen hebben: nu wij sterkere zielen geworden zijn, twijfelen we
niet meer aan de waarheid van de geesteswetenschap.
Deze versterking van de morele moed in de ziel is een overwinning op Ahriman. Zijn invloed is duidelijk
terug te vinden zowel in de wetenschappelijke publicaties van Haeckel als in de filosofische van Spencer. Ahriman is degene die de zielen geïnspireerd heeft om een materialistische weg in te slaan.
Als zelfs maar een klein deel van de mensheid -als resultaat van hun ware inzicht- op een dergelijke manier
zou werken, zo hun morele moed te versterken, dan zouden al deze materialistische theorieën geleidelijk aan
uit de wereld verdwijnen."
* * * * * * * * * * * *
.
Het hart is geen pomp
François De Wit.
Vele antroposofen willen deze uitspraak van Rudolf Steiner wel geloven, maar als iemand dan vraagt: "Waarom hebben we dan eigenlijk een hart ? Waarom klopt ons hart vlugger als we inspanning leveren ?", dan
moeten ze wel eventjes in hun haar krabben. In dit artikel proberen we enkele feiten en argumenten aan te
halen. Waar we vanaf moeten is het beeld van de mens als een gecompliceerde machine, vol met onderdelen
die kunnen vervangen worden wanneer ze versleten zijn. Na eeuwenlang dode mensen te hebben bestudeerd is
de wetenschap tot een dergelijk beeld gekomen, het enige correcte beeld, volgens de wetenschappers. Kijk
maar naar de mogelijkheden van de chirurgie, zeggen zij.
Dat de chirurgie fantastische resultaten behaalt mag een antroposoof gerust toegeven. Maar hoe is het gesteld
met de rest van de geneeskunde ? Is daar nog sprake van een genees-kunst ? Volgens ons is de geneeskunde
verworden tot een symptoombestrijding, en dat is ook een gevolg van het mechanistisch mensbeeld.
Wat we nodig hebben is een beeld van de mens als levend organisme. Dit artikel wil daar toe bijdragen.
De meeste mensen, dokters zowel als leken, beschouwen het hart nog altijd als een pomp. Op het internet
vindt men bvb. onderstaande tekst als patiënteninformatie (op webpagina's van de Katholieke Universiteit van
Leuven), met als titel:
"De weg die het bloed aflegt door ons lichaam
Het bloed dat uit het lichaam komt en waarvan de zuurstof is verbruikt, bereikt het hart via de onderste en
bovenste holle ader (vena cava). Zuurstofarm bloed heeft een wat blauwe kleur (= cyanose). Het bloed verzamelt zich in de rechterboezem of rechter atrium.
Vervolgens wordt het bloed via een klep in de rechterkamer gelaten. De rechterkamer pompt het bloed naar de
longslagader. Deze splitst zich in twee takken, één voor de linker- en één voor de rechterlong. In de longen
wordt het bloed van zuurstof voorzien, waardoor het helder rood van kleur wordt. Dit wordt de longcirculatie
genoemd. Via een aantal aders stroomt het bloed vanuit de longen terug naar het hart. Het verzamelt zich in
de linkerboezem of linker atrium. Van daaruit wordt het bloed in de linkerkamer gelaten. De linkerkamer
pompt het bloed naar de lichaamsslagader (aorta). Deze vertakt zich naar hoofd, armen, benen en buik. Wanneer de zuurstof verbruikt is, stroomt het bloed terug naar het hart. Dit wordt de lichaamscirculatie genoemd.
De boezems zijn eigenlijk een soort wachtkamers waar het bloed zich verzamelt. Ze hebben weinig pompkracht. Het eigenlijke pompen van het hart wordt vooral gedaan door de kamers. Hierbij hoeft de rechterkamer alleen maar het bloed naar de longen te pompen, terwijl de linkerkamer moet zorgen dat het bloed in het
hele lichaam komt. Hier is veel meer kracht en druk voor nodig. Kleppen tussen de boezems en de kamers en
bij de uitgang naar de slagaders zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen. Het tussenschot tussen de
beide boezems en de beide kamers houdt het zuurstofrijke en het zuurstofarme bloed gescheiden."
Neem een willekeurig boek over geneeskunde, en er wordt op dezelfde manier over het hart gepraat. Hoe is
het zover kunnen komen ? Een kort historisch overzicht.
Het was de Engelsman William Harvey (1578 - 1657), die de bloedsomloop ontdekte.
De mensheid had er lang over gedaan om dit te achterhalen.
De Egyptenaren stelden zich het hart voor als woonplaats van de ziel, het centrum van intelligentie en alle
menselijke emoties. Zij bevestigden het belangrijke feit dat er "kanalen en vezels" van het hart naar alle delen
van het lichaam gingen, maar geloofden dat de kanalen voor het vervoer dienden van lucht, slijm, voedingsstoffen, zaad en afvalproducten alsmede bloed. Tijdens een balseming werd het hart altijd zorgvuldig in de
borstkas achtergelaten, verbonden met de grote bloedvaten, terwijl alle omgevende organen verwijderd werden.
Reeds in de vierde eeuw v.C. braken de Grieken zich het hoofd over ideeën en theorieën over het hart, en zij
benaderden dikwijls de waarheid. In Alexandrië beschreef de Griekse anatoom Erasistratus het hart als een
pomp, maar hij veronderstelde dat het systeem in omgekeerde volgorde werkte: vanaf de lever via de slagaders naar het hart en vervolgens naar de longen via de aders.
Galenus (131-201 n.C.) deed onderzoek bij varkens en apen. Hij ontdekte dat de slagaders geen lucht maar
bloed bevatten. Hij ontwikkelde een theorie over het hart die eeuwenlang verwarring zou stichten onder medici: hij beweerde dat er onzichtbare openingen in het septum bestonden waardoor het bloed van de rechter in de
linker kamer zou moeten stromen.
Pas in de zestiende eeuw kiemde het idee dat er twee gescheiden circulaties bestonden.
Galenus' opvatting dat het arteriële en veneuze bloed langzaam uit het hart in gescheiden systemen van vaten
stroomde werd bijna veertien eeuwen zonder meer aangenomen.
In de Renaissance werd een nieuw licht geworpen op het nog steeds onopgeloste probleem. Leonardo da Vinci
(1452-1519) ontdekte door tekeningen te maken van secties dat het hart een éénrichtingsverkeer van kleppen
bezit.
Toen kwam Harvey. Deze Harvey studeerde in Cambridge o.m. bij Andreas Vesalius. In die tijd hielden onderzoekers zich veel bezig met het wezen en de eigenschappen van het menselijk bloed. Harvey nam als uitgangspunt voor zijn studie de these op van de Perzische filosoof en dokter Avicenna (979 - 1037) dat het hart
als bron van het slagadersysteem een eigen kracht zou bezitten. Hij deed experimenteel onderzoek op meer
dan 15 verschillende diersoorten. Daardoor leerde hij dat er een verband bestond tussen de bloedvaten en de
wijze waarop het hart samentrekt en ontspant.
Harvey maakte zijn bevindingen, het bestaan van een bloedsomloop, bekend in 1628. Daarvoor werd dus
gedacht dat het hart het bloed aanzoog vanuit de lever. Door een eenvoudige berekening toonde Harvey aan
dat de lever onmogelijk die hoeveelheid bloed kon leveren (hij vermenigvuldigde de geschatte inhoud van een
hartkamer met het aantal hartslagen per dag).
Na aanvankelijke bestreden te zijn door de medische wereld, werd toch het inzicht aanvaard dat het bloed
steeds opnieuw door het lichaam stroomt. Harvey kon echter niet vaststellen waar het bloed precies aan zijn
terugweg naar het hart begon. Daarvoor moest men wachten op de microscoop. Het was Marcello Malpighi
die in 1661 het bestaan van haarvaten of capillairen ontdekte.
Van toen af werd het hart meer en meer als pomp beschouwd, net zoals men de nier als filter, de long als
blaasbalg, de hele mens als een machine bezag. Dit denken is vandaag nog altijd overheersend.
Nochtans is het mogelijk om op een andere manier de mens te bekijken.
Eugen Kolisko, leraar aan de eerste Waldorfschool, wijdde een kleine studie aan het hart. Volgens hem -en hij
baseert zich natuurlijk op inzichten van Rudolf Steiner- is de bloedsomloop geen gevolg van de werking van
het hart. Hij beschouwt een dergelijke kringloop als een oerfenomeen van het leven. Er bestaat geen enkele
levensvorm zonder sapstroom. Dat zien we al bij de eenvoudigste cel. Er gaat een stroom naar de celwand,
omdat daar de cel eigenlijk afsterft. Immers, wanneer een organisme zich afsluit naar buiten moeten we spreken van een stervensproces. Daarom moet er een voedingsstroom naartoe gaan wil het leven zich handhaven.
Het leven is een voortdurend tegengehouden sterven. De sapstroom vervangt wat naar buiten toe afsterft.
Amoeben vertonen in hun pseudopodiën een centrifugale stroom in het binnenste en een centripetale stroom
langs buiten. Voedingsstoffen worden uit het binnenste afgevoerd, wat verbruikt is wordt uit de rand verwijderd.

Hoe meer we stijgen in de evolutie van lagere naar hogere organismen, des te meer evolueren de sapstromen.
Maar altijd gaat het om hetzelfde oerfenomeen van het leven. Tussen de ademhalingspool en de voedingspool
ontstaan sapstromen, zonder dat daar sprake is van een motor, aandrijver of pomp. Als zoogdieren een hart
zouden nodig hebben om het bloed rond te pompen, hoe komt het dan dat bomen van 20 m hoogte het sap op
de juiste laats krijgen zonder zo'n pomp ?
Het antwoord is eenvoudig: waar er groei is, ontstaat vanzelf een voedingsstroom, gewoon door het feit dat
alle leven verbonden is met voeding en ademhaling. Voeding en zuurstof worden aangevoerd, verbruikte stoffen worden afgevoerd.
Bekijken we eens vanuit dit standpunt de ontwikkeling van een bloedsomloop in het dierenrijk.
We stellen vast dat de circulatie er is vóór het hart.
Bij de darm-lichaamsholtedieren (coelenteraten) is de darm tegelijk voedings- en circulatiesysteem, hij verdeelt
het voedsel. De lichaamsdelen zuigen direct hun voeding uit de darm om te kunnen functioneren. Wanneer
zich een lichaamsholte vormt, circuleert het bloed in deze holte zonder dat er afgescheiden bloedbanen zijn.
Als eilandjes liggen rustige delen midden in de stroming. Later vormen deze rustige delen een wand, maar
circulatie was er vóór de wandvorming. De eilandjes die een wand vormen worden later zelfstandige organen,
het bloed stroomt daar vrij tussen. We zien dit nog aan het lymfesysteem, de lymfe stroomt vrij door ons lichaam, en voor de witte bloedlichaampjes vormen zelfs de vaatwanden geen hindernis.
Bij de ringwormen (anneliden) is de darm omgeven door een vaatsysteem, dat later in de ontwikkeling omgevormd wordt tot een rugkanaal en een buikkanaal, die dan weer verbonden worden door zijkanalen zodat het
geheel eruit ziet als een omwikkelde magneet.

Oorspronkelijk zijn alle vaatwanden samentrekkend. Later ontwikkelen bepaalde delen sterker. Bij de meeste
anneliden is het rugkanaal samentrekkend (contractiel); bij de regenwormen zijn het de lussen tussen rug- en
buikkanaal; bij de lancetvissen, voorlopers van de gewervelde dieren, het buikkanaal.
Hartachtige vormen ontstaan wanneer de wanden van het circulatiesysteem op een bepaalde plaats beginnen
samentrekken. Oorspronkelijk is gans de bloedsomloop hart; waar uiteindelijk afgescheiden pulserende kanalen ontstaan, hang af van de ontwikkeling van een zenuwstelsel. Bij wormen en gelede dieren stroomt het
bloed in één richting, bij lancetvissen en gewervelde dieren in een andere richting. De eerste hebben het 'hart'
of tenminste het vaatgedeelte dat het sterkst kan samentrekken op de rugzijde, de laatste op de buikzijde.
Waarom ? Wormen en gelede dieren hebben hun zenuwstelsel langs de kant van de buik, gewervelde dieren
echter bezitten een ruggemerg. Nu is het zenuwstelsel de drager van het bewustzijn, maar daarmee ook tegelijk de drager van doodskrachten. Waar veel bewustzijn is, moet minder leven zijn. Naarmate het bewustzijn
ontwikkelt in het dierenrijk, neemt de regeneratiekracht af. Van alle dierlijke weefsels herstelt de zenuwsubstantie het moeilijkst. Daarom wordt de sapstroom naar het zenuwstelsel geleid. Die stroom gaat altijd van
leven naar dood. Is het zenuwstelsel langs de buik gelegen, dan zal het bloed van de rug naar de buik stromen,
ligt het zenuwstelsel meer langs de rug, dan stroomt het bloed omgekeerd.
Dat de bloedsomloop ontstaat als evenwichtszoeker tussen twee polariteiten zien we ook aan de ontwikkeling
van het embryo. Voor er van een hart sprake is, is er al een stroom in de dooier. Eerst ontwikkelt het zenuwstelsel, het 'stolt' als het ware in de voedende dooier. Dan begint een dooiercirculatie tussen de pool van het
zenuwstelsel en de pool van de stofwisseling. Het hart ontwikkelt zich pas later in het stromende bloed.
Maar zelfs wanneer we uitgaan van een kant en klare bloedsomloop, dan geraken we met een mechanische
voorstelling nergens. De beweging van het bloed kan niet hemodynamisch begrepen worden. Men heeft moeten inzien dat de wet van Poiseuille (die bepaalt hoe de stroomsnelheid van een vloeistof afhangt van de viscositeit) niet van toepassing is in de bloedvaten van mens of dier. De stroming in de haarvaten is zelfstandig, de
stroomsnelheid hangt af van de intensiteit van de levensprocessen in de weefsels, niet van de diameter van de
haarvaten.
Ook de slagaders pulseren zelfstandig, dat is ondertussen genoeg aangetoond. Zo stellen we bvb. vast dat de
bloedsomloop een tijdje verdergaat na een hartstilstand en dat de slagaders leeg geraken.
Er is eveneens een zelfstandige stroming in de aders: vele dieren hebben aderharten. Ook kan men de stroming
in de aders niet verklaren door de hartsystole en thoraxaspiratie.
De bloeddruk is niet alleen een hoogontwikkelde elastische spanning, hij zorgt voor een actief ritmisch meewerken aan de bloedsomloop.
Maar ondanks deze bevindingen laat men niet graag het beeld van een pomp varen. Als het hart de pomp niet
kan zijn, dan verklaart men dat de ganse bloedsomloop een pompsysteem is. De waarheid is echter dat alle
ritmisch-samentrekkende beweging niet kan gedacht worden zonder de levendige functie van de organen die
het bloed aanzuigen. Hoe intensiever dat functioneren is, des te meer wordt het stroomapparaat uitgebouwd.
De werking van de organen zuigt het bloed en dat is de drijvende kracht achter de bloedsomloop, niet de
vaatwanden, die zelf slechts als hulpapparaten van de organen ontstaan.
Wat betekent dat nu, dat de functie van de organen de bloedsomloop bewerkt ? Dat betekent dat het geheel der
levensfuncties, het levenslichaam, het bloed doet stromen. De actieve delen van het levenslichaam laten het
bloed naar zich toestromen. Bloed is autonoom in zijn beweging, het kan niet in rust voorgesteld worden, als
een stilstaande vloeistof die achteraf door een motortje aangedreven wordt; het is van oorsprong in beweging.
Naarmate de organen zich specialiseren wordt ook de bloedsomloop gecompliceerder en wint het belang van
vaatwanden.
De sapstroom bij de plant en de bloedsomloop bij het dier
Waarin verschilt het dier van de plant ? Bij de plant is ieder orgaan blad, t.t.z. alle organen zijn gelijkwaardig,
ze gelijken alle op de ganse plant. Daarom kan uit ieder plantedeel de ganse plant groeien, de regeneratiekracht is bijzonder groot.
Bij het dier is ieder orgaan een deel van het geheel geworden, het is ook maar een echt orgaan omdat het niet
het geheel is. Er is een kracht verloren gegaan, of liever: die kracht is gemetamorfoseerd tot de mogelijkheid
om een zieleleven te ontwikkelen. Wat het dier niet meer heeft aan uiterlijke groei- en vormkrachten, dat verschijnt innerlijk als zieleleven. Daarmee ontstaat dan ook de differentiatie in een zenuwpool en een stofwisselingspool, en een circulatie als bemiddelaar. De verschillende organen van het dier wijzen ons op een even
verschillend, gedifferentieerd zieleleven. Het zieleleven staat immers niet los van de organen, maar bedient
zich daarvan voor zijn bewustzijn. Orgaanontwikkeling en ziele-ontwikkeling gaan samen. Hoe meer het zenuwstelsel ontwikkelt, des te beter kan zich uit de primitieve zielebelevenissen het voorstellingsleven omhoog
werken. Tegelijk differentieert het stofwisselingssysteem en daarmee gaat een fijnere vorming van het wilsleven gepaard. Daartussen de circulatie, die altijd maar gecompliceerder moet worden om te kunnen bemiddelen
tussen bewustzijns- en wilspool. De hoogst ontwikkelde bloedsomloop is tegelijk de uitdrukking van het hoog-
stontwikkelde zieleleven, waar het bloed door alle delen harmonisch aangezogen wordt en de wonderbouw van
het hart bewerkstelligd wordt door het alsmaar fijner samenwerken der organen in de periferie. Het hart kan
slechts vanuit het periferische begrepen worden, nooit de bloedsomloop vanuit het centrum, vanuit het hart.
Wanneer de verschillende organen niet in evenwicht zijn, dan zal het hart ook niet in evenwicht zijn. We zien
bvb. wanneer een sportman zijn spiersysteem overbelast, dat dan ook het hart hypertrofiëert, de man krijgt een
zgn. sporthart.
Het zal ons nu ook niet verwonderen dat alle zielebewegingen, vooral gevoelens, innig samenhangen met de
bewegingen van het bloed. Alle gevoelens laten het bloed naar bepaalde richtingen stromen. Vreugde, leed,
toorn, angst, schaamte zijn verbonden met bepaalde bewegingen van ons bloed. Ons Ik komt tot een bewustzijn van wat gebeurt door wat lichamelijk in de bloedsomloop gebeurt.
Ook onze voorstellingen laten de bloedsomloop niet onverschillig. Stellen wij ons een beweging voor in een
arm of been, dan vloeit het bloed er al naartoe, stellen wij ons een citroen voor dan gaan onze speekselklieren
werken en wordt het bloed daar naartoe gezogen. De ziel leeft in de organen en als wij alleen de fenomenen
beschouwen- dan kunnen we zeggen: de ziel drijft het bloed aan.
Behalve een fysiologische betekenis die de huidige wetenschap beschrijft, hebben de organen ook een psychische betekenis. Wanneer zij ontstaan komt er een ziele-element vrij, dat verder leeft in het betreffende orgaan.
De bloedsomloop is het dynamisch evenwicht tussen de organen van het stofwisselingssysteem en het zenuwstelsel, en daarmee ook tussen voorstellen en willen.
Vanuit de mens als geheel begrijpen wij het hart. De mens ontwikkelde longen, en het hart deelde in twee. In
de evolutie zien we dat het hart zich meer in twee deelt naarmate de zuurstofademhaling ontwikkelt. De onderverdeling in kamers hangt dan weer samen met de polariteit van boven en onder. In het dierenrijk, bij de
rondbekvissen, waar bloed en lymfe zich scheiden, waar een kop zich begint te vormen, ziet men voor het
eerst een scheiding in het hart. Boven en onder scheiden zich. En wanneer lucht vanuit de longen de bloedsomloop doordringt, dan scheiden ook linker- en rechterdeel.
Wie zegt dat het hart als een pomp de bloedsomloop aandrijft, verliest uit het oog dat deze zgn. pomp zelf uit
het bloed ontstaan is. Het begrip 'pomp' vervalt wanneer die pomp zelf het resultaat van de pompvloeistof is.
Alle verdikkingen en vaatwanden zijn het gevolg van organen die beginnen functioneren en differentiëren. Zo
is het hart ontstaan doordat de bloedsomloop ingewikkelder werd, zo zijn slagaders en haarvaten ontstaan door
intensievere werking van bepaalde organen.
Tot zover Eugen Kolisko.
Maar ondanks alle mooie uitleg en tekeningetjes wordt de moderne mens niet gemakkelijk overtuigd, het mechanistisch mensbeeld zit diep verankerd in zijn denkwereld. En natuurlijk wordt hij ook begoocheld door de
schijn. Waarom had Galileï het zo moeilijk om zijn tijdgenoten te overtuigen ? Ze zagen iedere dag dat de zon
's morgens in het oosten opging en 's avonds in het westen onderging, het was dus de meest voor de hand
liggende conclusie dat de zon bewoog, de beweging van de aarde voelt of ziet immers niemand.
Zo is het ook met het hart en de bloedsomloop. De mens voelt en hoort de werking van het hart, maar niet die
van het bloed. En in de tijd van Galileï konden de mensen nog aannemen dat iets ontastbaars of onzichtbaars
inwerkte op de materie, maar voor de mens van nu is een dergelijk geloof gewoon achterlijk. Als hulpmiddel
in eventuele discussies geven we nog enkele argumenten voor onze (Goetheanistische-antroposofische) stelling
dat het hart geen motor is.
1) De vergelijking met de centrale verwarming

We hebben telkens een gesloten kringloop. Wie gaat durven beweren dat de manometer of de thermometer het
systeem aandrijft ?
Onze moderne mens zal nu zeggen: "Ja maar, in de centrale verwarming heb je wel een waterpomp. Het hart
komt in deze vergelijking overeen met de waterpomp !"
Ons nieuw argument:
2) De mens zou ontploffen
indien het hart werkelijk een pomp was (of het hart zou ontploffen door de tegendruk). Iedere loodgieter kan
ons vertellen dat we niet ongestraft een buisje van bvb. 1 mm diameter (in onze vergelijking is dit een capillair
of haarvat) kunnen aansluiten op een buis van 10 cm diameter (de aorta). Ofwel is de pomp zeer sterk en dan
springt het buizenstelsel, ofwel zijn de buizen sterk en dan verbrandt de pomp.
3) Eigen waarneming
Materialist: "Als we veel inspanning doen, begint het hart rapper te pompen om meer bloed en dus energie
naar de spieren te brengen."
Wij: "Dat is geen waarneming maar een theorie. Waarom slaat ons hart plotseling sneller wanneer we bvb. in
de wagen in een onvoorziene gevaarlijke situatie terechtkomen ? De spieren hebben nog niets verbruikt op dat
ogenblik."
Materialist: "In een stress-situatie maakt het lichaam zich klaar op een mogelijke snelle vlucht, een oerinstinct
uit ons verleden. Er wordt al op voorhand bloed naar de spieren gepompt".
Wij: "Tiens, dat is raar. Waarom begint ons hart dan niet op voorhand sneller te pompen wanneer we de
kruiwagen zien staan waarmee we straks in de tuin gaan werken ?"
Materialist: "Loop naar de pomp !!"
De materialist moet passen. Wat zou hij trouwens kunnen antwoorden wanneer we vragen waarom ons hart
sneller begint te slaan bij 't zien van onze geliefde ? Kan hij anders dan toegeven:
niet het hart maar de ziel doet het bloed bewegen.
Bronnen:
http://www.kuleuven.ac.be/congcardio/info_patient/TF.htm
http://www.medicine-worldwide.de/persoenlichkeiten/harvey.html
Boek van de Mens, 1970, nr.1, blz. 3.
Eugen Kolisko, Goetheanistische Studien, Verlag am Goetheanum, 1989.
Hammer & Hammer, Vademecum der Natuurkunde, Het Spectrum, 1984.
Burnett, Fisher, Zims, Natuurgids voor het dierenrijk, Meulenhoff, 1961.
* * * * * * * * * * * *
.
Inentingen - vervolg
door François De Wit.
De Brug 27 was volledig gewijd aan de gevaren van inentingen. Dat is nu (in 2000) een jaar geleden.
We betoogden toen dat er twee grote redenen waren om kinderen niet in te enten:
1) lichamelijk: er zijn te veel aanwijzingen dat het doormaken van een kinderziekte minder erg is dan levenslang te lijden onder bijwerkingen van inentingen;
2) geestelijk: inentingen verharden het organisme op een zodanige manier dat de mens niet meer kán tot een
inzicht komen omtrent de geestelijke wereld.
Nu maken deze inzichten ons leven er niet gemakkelijker op. Er is ons bvb. een kind geboren, we nemen aan
dat de inenting tegen polio niet verplicht zou zijn, zoals in Nederland. Welke keuze maken wij ? Stel dat we
het kind niet inenten, het krijgt polio en houdt er een gedeeltelijk verlamde arm aan over. Als het kind volwassen is, maakt het ons verwijten: waarom heb je mij niet laten inenten ? We weten uit de geesteswetenschap dat
het niet zonder reden is dat ons kind deze ziekte heeft doorgemaakt, maar als het kind geen antroposoof wordt
zal het daar geen boodschap aan hebben. Anderzijds heeft het gekozen om een antroposoof als ouder te heb-
ben, wij moeten durven een verantwoorde beslisseng nemen die zwaar ingrijpt in het karma. Misschien is ons
kind voor de rest van zijn leven boos op ons, wat we ook beslissen.
Laten we het kind wel inenten, dan is de kans dat het geesteswetenschappelijke inzichten aanvaardt uiterst
klein, en hebben we misschien zijn ontwikkeling op langere termijn geschaad. Of we moeten jaren later vaststellen dat het zijn eigen lichamelijk intacte toestand ondermijnt door geestelijke problemen op latere leeftijd !
Het kind zal ons wellicht niets kwalijk nemen, tenzij het tot antroposofische inzichten komt !
We bekijken nu de berichtgeving over inentingen zoals die de laatste maanden in de nationale pers weergegeven werd.
Het Laatste Nieuws van 18 januari 2001:
"Weinig bekend syndroom doet heel wat poliopatiënten werk verliezen".
In dit artikel roept de zelfhulpgroep vzw Post-Polio België op om kinderen te laten inenten tegen polio. Eigenlijk een overbodige oproep vermits die inenting verplicht is. Wij vroegen ons af hoe er zoveel poliopatiënten
kunnen zijn aangezien de inenting al jaren verplicht is. Wij contacteerden de voorzitter van die vzw (09/251 45
53). Daardoor kwamen we te weten dat de inenting in België pas sinds 1965 verplicht is, naar aanleiding van
een epidemie. De meeste ex-poliopatiënten zijn dan ook ouder dan 40 jaar. Mijn contactpersoon had zelf ook
polio gehad, was verlamd geweest, had in de stalen long gelegen, maar was toch hersteld, zoals de meeste
poliolijders, dank zij o.m. kinesitherapie. Tijdens het gesprek bleek ook dat vele poliopatiënten hun lichamelijke handicap gecompenseerd hadden door geestelijk sterker te ontwikkelen, hetgeen dus het antroposofisch
inzicht omtrent de zin van ziekten bevestigt. Velen waren terecht gekomen op verantwoordelijke posities in de
maatschappij.
Dit artikel, dat op het eerste zicht ons standpunt weerlegt, bevestigt het dus. De andere krantenknipsels die we
in tijdens de voorbije maanden verzamelden waren evenmin van die aard om onze mening te herzien, we blijven dus bij de volgende stellingen:
- het is voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van een kind beter is om niet ingeënt te worden
- de nadelen van inentingen wegen niet op tegen de voordelen
- officiële instanties die inentingen aanprijzen baseren zich op de valse informatie van de farmaceutische industrie.
- de geneesmiddelenindustrie doet alles om ziekten gevaarlijker voor te stellen dan ze zijn om hun -dikwijls
waardeloze- producten voor veel geld te kunnen verkopen aan angstige burgers en overheden. We kunnen echt
niet wantrouwig genoeg zijn als we lezen (in Het Laatste Nieuws van 15 januari 2001) dat het Riziv jaarlijks 5
miljard terugbetaalt voor een overbodig medicament (tegen cholesterol).
Belang van Limburg van 20 februari 2001: een paginagroot artikel ,
"Nieuw vaccin helpt niet tegen alle meningokokken". De aangeboden informatie komt uit een publicatie van
Kind en Gezin, een instantie die 100 % achter vaccinaties staat. Er wordt met cijfers gegoocheld die een stijging van het aantal gevallen van infectie laten zien, maar absolute cijfers krijg je niet. Je moet zelf maar uitrekenen dat het om 75 à 150 gevallen van besmetting gaat per jaar. Hoeveel kinderen aan de besmetting sterven
of er ernstig letsel aan overhouden, daar heb je het raden naar.
Uit een kadertje leren we dat in België aanbevolen wordt om een kind voor zijn zestiende levensmaand 26 vaccinaties te laten ondergaan.
Men laat gelukkig Kris Gaublomme aan het woord, die tegen dit bombardement aan vaccins is. Maar verder wordt er tweemaal
gezegd dat er wetenschappelijk bewezen is dat er geen verband is tussen inentingen en bvb. reuma of multiple
sclerose ( "...dit wordt door ernstig onderzoek weerlegd.")
We zullen eens zien hoe ernstig die onderzoeken zijn.
La Libre Belgique staat sceptischer tegenover vaccinaties. In de editie van 3 februari 2001, in de rubriek 'Polemiek' ging het over twee studies die aantoonden dat er geen verband is tussen de hepatitis B inenting en
aterosclerose. Ernstige studies, zou Kind en Gezin zeggen. Wat blijkt nu ? De eerste studie, in Frankrijk,
werd betaald door o.a. de Laboratoires Aventis-Pasteur, de tweede studie, uitgevoerd in Amerika, door Merck, een grote producent van vaccins. Kan men zich voorstellen dat dergelijke studies tot conclusies komen die
de belangen van die grote labo's schaden ?
In Le Soir van 16 januari 2001 mocht een dokter-homeopaat, Jean-Louis Laloy, zich kritisch uitlaten over
inentingen. Hij stelde zich vragen over een medisch korps dat kritiekloos de oekazen uitvoert van de producenten van vaccins, die erom gekend staan dat ze informatie achterhouden. Hij geeft twee voorbeelden van
faliekante inentingspolitiek.
In Japan introduceerde men het vaccin tegen mazelen-rode hond-bof in de wetenschap dat er een "accident
grave" (= sterfgeval ?) op 200.000 doses te verwachten was. Het eerste jaar stelde men 1 "accident grave"
vast per 30.000 doses, het tweede jaar 1 per 10.000. Dan spreken we nog niet van de negatieve invloed op de
algemene volksgezondheid. Dit vaccin is dus vandaag verboden in Japan.
In ditzelfde land stelde men de eerste inentingen uit van 3 maand naar twee jaar om te zien of er een verband
was met wiegedood. Men stelde een vermindering met 90 % vast !
Deze dokter raadt als lectuur aan "Vaccination, les vérités indésirables" van Michel Georget, bij de éditions
Dangles.
Het spreekt vanzelf dat op dit artikel boze lezersbrieven volgden van twee collega-dokters.
Het artikel in Le Soir verscheen naar aanleiding van het nieuwe poliovaccin in ons land. Het vorige poliovaccin werd altijd voorgesteld als ongevaarlijk, maar nu geeft men openlijk toe dat er meer kans is om polio te
krijgen door het vaccin dan door besmetting van buitenaf. Bijwerkingen werden altijd geminimaliseerd, maar
nu blijken ze ernstig genoeg te zijn om te veranderen van vaccin.
Het is ook opmerkelijk dat telkens er slecht nieuws over vaccins of inentingen moet gemeld worden, de artikels sussend eindigen: het is allemaal niet zo erg. Blijkbaar mag het geloof van de bevolking in de weldaden
van vaccins niet ondermijnd worden.
De Morgen van 21 oktober titelde "Britten halen poliovaccin van de markt". We lezen in dit bericht dat de
Britse geneesmiddeleninspectie ontdekte dat Medeva, de firma die de vaccins aanmaakt, in tegenstelling tot
wat er op de bijgeleverde certificaten stond, bij het ontwikkelen van het vaccin wel degelijk gebruik maakte
van kalffoetussen, afkomstig van Britse runderen. Maar dat is helemaal niet dramatisch want "de kans op
besmetting met BSE via het poliovaccin is onnoemelijk veel kleiner dan de kans op besmetting met polio wanneer mensen niet gevaccineerd worden", besluit het artikel.
Op dezelfde manier schrijft de Gazet van Antwerpen over het kwikvrij vaccin tegen hepatitis B dat aan de
universiteit van Antwerpen ontwikkeld wordt (25 juli 2000). Het kwikderivaat thiomersaal dient al jaren als
bewaarmiddel in de vaccins. Een baby krijgt op die manier in zijn eerste veertien levensmaanden 130 microgram kwik binnen. Kan geen kwaad, zegt dokter Van Damme, "een mens krijgt waarschijnlijk meer kwik
binnen door het eten van een besmette vis ..."
Hetzelfde stramien in een bericht in Het Laatste Nieuws van 14 juni 2000. Titel: "Vaccinatie meningitis misschien onveilig". In 1999 werden 13 miljoen Britse kinderen gevaccineerd tegen meningitis C (hoewel het
overgrote deel van de besmettingen van het type B zijn, maar daartegen is nog geen virus ontwikkeld). Bijna
5000 kinderen werden ziek: hoge koorts, keelpijn, pijnlijke armen, sommigen verloren zelfs het bewustzijn.
Deze inenting was een jaar eerder ingevoerd dan gepland, er wordt geopperd dat het vaccin niet genoeg getest
was. "Onzin", besluit het artikel, bij monde van ene dokter Pat Troop, "de nadelen wegen niet op tegen de
voordelen."
We mogen gerust de vraag stellen: wiens voordelen?
Volgens Het Belang van Limburg van 4 januari 2001 kostte de campagne in Groot-Brittannië bijna 1,3 miljard.
Bij wie komt dat geld terecht ?
De Vlaamse gemeenschap spendeert jaarlijks ook 100 miljoen voor het gratis ter beschikking stellen van de
basisvaccins, volgens hetzelfde bericht. In hetzelfde artikel wordt tevens gemeld dat in maart 2001 de Hoge
Gezondheidsraad adviseert of het meningitis-vaccin al dan niet in het verplichte vaccinatiepakket moet opgenomen worden. Zouden de leden van deze raad benaderd worden om een advies in een bepaalde richting te
geven ? Lees Het Laatste Nieuws van 10 februari 2001:
"De medische industrie betaalt de leden van de Technische Raad voor Farmaceutische specialiteiten (die moet
beslissen over de terugbetaalbaarheid van geneesmiddelen) honderdduizend frank voor de agenda en de verslagen van hun vergaderingen", dat zegt Joeri Guillaume, hoofd van de studiedienst van het Onafhankelijk
Ziekenfonds.
Volgens ons zou de geneeskunde zich beter toeleggen op de vraag hoe men een kind zo veilig mogelijk doorheen een kinderziekte loodst, dan met alle middelen te proberen ziekten te vermijden. Ziekten zijn er om
doorgemaakt te worden. Het is een illusie om te denken dat kinderen ooit kunnen opgroeien zonder ziek te
worden. Als men er al zou in slagen om de bekende zgn. ziekteverwekkers uit te roeien, dan zullen er toch
nieuwe opduiken.
We besluiten met twee berichten die deze stelling ondersteunen.
Zo lezen we in Het Belang van Limburg "Gevaarlijke verkoudheid treft honderden baby's" (8 januari 2001).
Uitzieken is de boodschap want voorlopig zijn er geen medicijnen tegen het Respiratoir Syncitiaal Virus.
En in De Morgen van 6 februari 2001: "Nieuw hiv duikt op". Men hoopt dat, als er al een vaccin tegen aids
gevonden wordt, het ook zal beschermen tegen de resistente mutanten van het virus ...
* * * * * * * * * * * *
.
Bram Vermeulen over zijn vorige reïncarnatie
In De Brug nummer 10 verscheen een artikel over de Zweedse Karlén Barbro, die beweert de reïncarnatie van
Anne Frank te zijn. De laatste jaren leest men wel meer over mensen die vast geloven dat ze in de holocaust
aan hun eind zijn gekomen. De details die ze zich herinneren laten ons bijna niet toe om te twijfelen aan de
geloofwaardigheid van hun verklaringen.
Voor de antroposoof is dit geen gemakkelijke zaak. Als algemene regel voor reïncarnatie geldt immers dat er
zo'n 1000 jaar moet verlopen tussen twee incarnaties. De bedoeling is dat de uiterlijke wereld er totaal anders
moet uitzien om de mens toe te laten nieuwe ervaringen op te doen. Daarbij komt de mens dan in de regel
terug in een ander geslacht, ook weer om dezelfde reden.
Anderzijds weten we dat Rudolf Steiner zei dat het karma in onze tijd volledig in de war is geraakt door de
totaal uit de hand gelopen sociale verhoudingen en de daardoor ontstane grote conflicten, in de eerste plaats de
wereldoorlogen.
Het is niet onaannemelijk dat de mens nu vlugger terugkeert dan in vroegere tijden, want:
1) Er is meer kans dat iemand zijn leven vroeger moet beëindigen dan voorzien was door omstandigheden die
niet in zijn persoonlijk karma liggen. We denken hierbij aan de miljoenen jonge slachtoffers tijdens de wereldoorlogen, maar ook aan de duizenden verkeersdoden in de laatste decennia.
2) De levensomstandigheden zijn sinds de industriële revolutie zo snel aan 't wijzigen dat men iedere vijftig
jaar al in een totaal andere wereld terechtkomt.
We zullen wel moeten rekening houden met veelvuldige afwijkingen op de regel. In dat licht lezen we onder-
staand artikel over de Nederlandse cabaretier Bram Vermeulen. Die is er stellig van overtuigd dat hij tijdens
de Eerste Wereldoorlog een Waals officier was.
In De Standaard van 8 november 2000 verscheen een artikel over hem naar aanleiding van een tournee in ons
land. De journalist van dienst weet niet goed wat hij met die vreemde herinneringen van Bram Vermeulen
moet aanvangen, hij laat hem maar praten.
"Toen ik langs de Ijzer liep had ik het gevoel weer thuis te komen. Ik kon me veel meer herinneren dan wat in
de geschiedenisboeken stond geschreven. Het is daarom mijn overtuiging dat ik in een vorig leven de Eerste
Wereldoorlog zeer bewust heb meegemaakt.
In Vlaamse boeken krijg je een heel ander beeld van de oorlog, lees je dingen die de Britten of de Fransen
blijkbaar geheel ontgaan zijn. Het omgekeerde is trouwens ook waar. Ieder land beleeft het verleden op zijn
eigen manier en belicht de geschiedenis vanuit de hoek die het meeste voordelen biedt. Op mijn nieuwe plaat
zie je een vergeelde foto van mijzelf in het uniform van een Waals officier, en dat zet heel wat kwaad bloed.
Die Waalse officier vind je in geen enkel museum terug omdat hij destijds zo gehaat werd. Alle soldaten -of ze
nu Duits, Engels of Vlaams spraken- waren sukkels. Ze ploeterden door de modder, hoorden de kogels langs
hun oren fluiten en moesten leren leven met de geur van rottende lijken. Maar de Waalse officieren hielden
zich afzijdig, zaten langs de kant een flesje wijn te drinken.
Ik geraakte eigenlijk toevallig in de Grote Oorlog geïnteresseerd. In 1988 kwam ik voor het eerst in Verdun
terecht. Ik vergezelde een vriend die ginds met een metaaldetector bajonetten wilde opsporen. De impact van
al het verschrikkelijke dat daar vroeger heeft plaatsgevonden kun je moeilijk minimaliseren en ik merkte achteraf dat het me niet losliet. Bijgevolg ben ik er films over gaan bekijken en op dat moment ben ik mezelf tegengekomen. Want ik begreep veel van de oorlog, wist er meteen al meer van dan je redelijkerwijs voor mogelijk kon houden. Zéker van het Belgische gedeelte, waar ik als Nederlander weinig uitstaans mee hoor te hebben. Het was alsof ik weer thuiskwam en het kon niet anders of ik was in een vorig leven al eens op die slagvelden geweest. Dat geloof ik echt. Onlangs werd mijn vermoeden nog gesterkt toen ik een man tegenkwam die
'ongewist' ter wereld is gekomen. Hij herinnert zich al zijn vorige levens nog. Ik had intussen een romantisch
beeld opgebouwd van hoe ik een soldaat was geweest die tijdens een man-tot-mangevecht met de Duitse vijand
het leven had verloren. Zo kon ik meteen mijn angst voor geweld verklaren, iets wat me in dit bestaan wel eens
vaker parten speelt. Alleen: telkens die man me zag hoorde hij mij Frans praten. Daardoor ging ik beseffen dat
de betrokkenheid die ik nu voel misschien wel een compensatie moest zijn voor het feit dat het me toén helemaal niets kon schelen.
Als ik in de Eerste Wereldoorlog dus iets geweest ben, was het vast een Waalse officier: de meest gehate figuur
die erbij was, een klootzak. Dat verklaart veel meer over wat ik in dit leven heb uitgericht. Ik ben namelijk als
topsporter begonnen. Sport is een beschaafde variant op oorlog, een sublimatie van dezelfde situatie. Je leert
op training alleszins technieken die je ook in het leger onder de knie moet krijgen. Ik begrijp nu ook waarom
er hooligans rondlopen. Mensen willen elkaar het hoofd inslaan, hebben oorlog nodig. Het is immers een bron
van ervaringen die ze alleen daar kunnen krijgen. Daarom trekken Engelse advocaten bvb. naar Frankrijk om
amok te maken. Zonder toga aan zijn ze minder geconditioneerd, kunnen ze hun primaire driften de bovenhand
laten nemen. Al die ervaringen zou ik zelf ook willen hebben, maar ze worden maatschappelijk niet geaccepteerd. Tenminste: tot je bij een psychiater zit, want dan blijkt plots dat iederéén het toch doet.
Die herinneringen aan vijfentachtig jaar geleden helpen me om mijn doen en laten te verantwoorden. Door het
feit dat ik in mijn vorig leven een geweldig arrogante lul ben geweest heb ik plots veel minder moeite met een
aantal dingen. Ik durf nu bvb. zonder schroom leiding geven, schaam me er niet langer voor dat ik het soms
allemaal veel beter weet dan de rest. Dat was vroeger wel even anders. Toen durfde ik niet eens mijn eigen
kinderen straffen, 't Is niet dat ik er nu een sardonisch plezier aan beleef om de schoft uit te hangen, maar
mijn respect voor klootzakken blijkt er wel enorm door toegenomen. Misschien moet je mijn fascinatie voor de
oorlog dus ook wel in die hoek gaan zoeken."
Het zou goed kunnen dat iemand die in zijn leven een geweldige haat koestert t.o.v. een bepaalde taal of volk,
er voor kiest om in een volgend leven juist tot die gehate groep te behoren. We lezen bij Rudolf Steiner het
volgende, in GA 174a "Mitteleuropa zwischen Ost und West":
[ ... ]
"De mens wordt door zijn taal en door vele andere zaken geboren in het gebied van zijn volksziel. Hoe werkt
deze volksziel op de menselijke ziel, op datgene wat in de slaap het fysiek en het etherlichaam verlaat (dus op
het Ik en astraal lichaam - fdw) ?
Eigenlijk werkt deze volksziel maar op de mens vanaf het ogenblik dat hij 's morgens in zijn fysiek lichaam
onderduikt tot op het moment dat hij het 's avonds weer verlaat. Dan leeft de mens in de krachten van zijn
fysiek en etherlichaam, en in deze krachten grijpt ook de volksziel in als het ware met vangarmen. En wij duiken 's morgens niet alleen onder in ons fysiek lichaam, we duiken ook onder in een bepaald deel van onze
volksziel. Van ontwaken tot inslapen zijn wij, terwijl we in het fysiek lichaam zitten, met hetgeen gebeurt in het
fysiek lichaam, in de volksziel. Al wat wij ervaren in samenhang met de volksziel, ervaren wij tijdens de
waaktoestand, maar het is wel zo dat de volksziel niet tot het ons volbewuste in het Ik spreekt, maar dat ze
meer vanuit het etherlichaam in het onderbewuste van het astraal lichaam spreekt, dat ze ons een kleur, een
nuance, meegeeft, dat ze ons gevoel en temperament een bepaalde richting geeft. Dat is hoofdzakelijk hoe wij
met haar in betrekking staan.
[ ... ]
Terwijl nu de mens nu, wanneer hij in zijn fysiek lichaam onderduikt, met de volksziel van zijn eigen natie
verenigd is, is hij in slaaptoestand samen met alle andere volkszielen die meespelen tijdens de tijd van zijn
incarnatie, behalve met die waarmee hij verenigd is tijdens de waaktoestand van het fysieke lichaam. [...] Dus
wanneer men in het fysieke lichaam onderduikt, dan leert men de eigen volksziel kennen, met haar wezenlijke
eigenschappen, in het wezenlijke van haar werking of activiteit, al is het dan in het onderbewuste. Tijdens de
slaap of in de toestand van helderziendheid leert men de andere volkszielen kennen, evenwel niet als aparte
zielen, maar in hun samenwerken; alleen de eigen volksziel is er niet bij. De andere volkszielen werken samen
als in een reidans, en in deze gemeenschappelijke activiteit leeft de mens zoals hij overdag in zijn fysiek lichaam samenleeft met de eigen volksziel. De mens leeft daar niet met een bepaalde afzonderlijke volksziel
samen, maar met een gemeenschap.
Het kan echter gebeuren dat de mens buiten zijn lichaam, in de slaap dus, als het ware kan veroordeeld zijn
om losgerukt te worden uit de normale gemeenschap van volkszielen om slechts met een bepaalde volksziel
samen te zijn. Verstaat u mij goed: dat is niet de normale toestand, om met een vreemde volksziel samen te
zijn; maar men kan in die situatie geraken wanneer men op een heftige manier deze andere volksziel bijzonder
haat. Daardoor veroordeelt men zichzelf om losgerukt te worden uit de reidans der volkszielen en op dezelfde
manier met deze volksziel samen te leven in de slaaptoestand zoals men met de eigen volksziel samenleeft tijdens de waaktoestand."
[ ... ]
* * * * * * * * * * * *
.
Over het Markus-Evangelie
"In zijn autobiografie "Mein Lebensgang" beschrijft Rudolf Steiner hoe het hem in de jaren 1890 veel moeite
kostte om een innerlijke aansluiting bij het Christendom te vinden. De verschillende christelijke religies gingen
ervan uit dat de mens geen directe toegang tot de goddelijk-geestelijke wereld kon hebben, dat hij aangewezen
was op openbaringen van buitenaf. Maar Rudolf Steiner had al op jonge leeftijd het geestelijke ervaren als een
wereld die even reëel is als de wereld van het zintuiglijke. Hij had ook vastgesteld dat de mens deze geestelijke wereld door geestelijk onderzoek altijd verder kon ontsluiten.
Toen hij zich verdiepte in de boeken van het Nieuwe Testament zag hij dat deze boeken diepe waarheden bevatten, die overeen kwamen met wat hij zelf doorgrond had. Maar om andere mensen dat duidelijk te kunnen
maken, moest er een en ander opnieuw geïnterpreteerd worden. Een dergelijke nieuwe interpretatie gaf hij dan
in het boek "Das Christentum als mystische Tatsache" in 1902.
Van 1908 tot 1910 hield hij op verschillende plaatsen voordrachtenreeksen over het Johannes-evangelie, het
Lukas- en het Mattheus-evangelie, alsook over de Openbaring van Johannes.
Het Markus-evangelie behandelde hij eerst in losse voordrachten die hij in de winter van 1910-11 in Berlijn
hield. Over dit thema sprak hij ook een enkele keer in München, Hannover en Koblenz.
Een volledige reeks voordrachten over het Markus-Evangelie hield hij dan een jaar later in Basel, in september
1912."
Bovenstaande uitleg vind je als voorwoord in GA 124 "Exkurse in das Gebiet des Markus-Evangeliums". Net
zoals Rudolf Steiner hebben wij voor De Brug ook moeten wachten tot een juiste verhouding tot het christelijke
tot stand kwam vooraleer wij een fragment uit die voordrachten konden aanbieden.
Om te beginnen drukken we af wat Rudolf Steiner zegt over een merkwaardig zinnetje in het begin van het
Markus-evangelie. Het gaat over
"Zie, ik zend mijn engel voor u uit, die uw weg bereiden zal;
de stem van een die roept in de woestijn."
"Oorspronkelijk staat er: de stem van een die roept in de eenzaamheid.
Wanneer een mens die niet vooringenomen is, deze woorden leest, dan kan hij er niet direct iets mee beginnen. Hij beschouwt ze min of meer als een frase of hoogstens als een allegorie. Want wat zou een prediker in
de woestijn moeten verkondigen ? Die gaat gewoonlijk niet in de woestijn, maar naar een plaats waar vele
mensen zijn.
Als we deze zin belichten met wat de geesteswetenschap ons biedt, dan wordt de diepe wijsheid geopenbaard
die in ieder woord van de Heilige Schrift verborgen zit. We zullen zien dat ieder woord in de oertekst op de
juiste plaats staat en ook slechts dan kan begrepen worden.
Wat wordt er nu bedoeld met de woorden:
"Ik zend mijn engel voor u uit die uw weg bereiden zal" ?
We weten dat de Bijbel hier verwijst naar Johannes de Doper. Om te verklaren waarom daar de term 'engel'
staat, moeten we teruggaan naar de vroegere ontwikkelingstoestanden van onze aarde en zien welke wezens
daar gewerkt hebben.
We weten dat op onze fysieke aarde ook een hiërarchische orde bestaat van verschillende ontwikkelingstoestanden. Het onderste niveau wordt ingenomen door het minerale rijk, dan komt de plantenwereld, dan het
dierenrijk, dan de mens. Boven de mens vinden we de Engelen, Aartsengelen en Archai of Geesten der Persoonlijkheid. Verder nog Exoesiai, Dynameis en Heerschappijen of Kyriotetes. En ten slotte de Thronen,
Cherubim en Seraphim.
Al deze hiërarchieën zijn eveneens voortdurend in ontwikkeling. Zoals wij nu op aarde onze mensheidstoestand meemaken, zo heeft de hiërarchie der Engelen haar mensheidsfase op de oude Maan doorgemaakt, de
vroegere ontwikkelingstoestand van onze huidige Aarde. Natuurlijk niet in dezelfde vorm als wij. Zij staan dus
een trap verder. En zoals wij op aarde de leiders en begeleiders van onze kinderen zijn, zo hebben de Engelen
als taak om de mensheid te leiden en te begeleiden.
Aangezien de aardse toestand hun geen gelegenheid biedt om te incarneren, moet zij, om zich te behelpen, hun
wijsheid laten instromen in de lichamen van de hoogst ontwikkelde, zuiverste mensen, opdat door dier mond
aan de mensheid goddelijke waarheden verkondigd worden. In zo'n geval kunnen we zeggen: ze hullen zich in
maya.
Wij kunnen ons dat nog verduidelijken, wanneer we ons verplaatsen in een grijs verleden en ons de zeven
Indische Rishi's voorstellen. Uiterlijk gezien zouden we daar zeer simpele eenvoudige mensen voor ons gehad
hebben, boeren misschien, maar in hun binnenste droegen ze hun innerlijke wezenskern. Helderziend zouden
we ze zien in een grote stralende aura; uit hun innerlijk zouden warmtevlammen zich uitstorten in hun omgeving. Maar opdat de grootste kosmische wijsheid in hun wezenskern kon dringen moesten ze alle zeven tesamen zijn. Zoals de toonschaal van zeven tonen van een instrument werden ze door de goddelijkheid aangeraakt. En de taal die ze spraken: voor ons zouden het onbegrijpelijke woorden zijn.
Hoe was de taal in die oeroude tijden ? We kunnen er ons nauwelijks een begrip van vormen, want onze huidige taal is een beeldloze, met begrippen en logica samengestelde. In de tijd van de Rishi's was de klank datgene dat beelden liet verschijnen voor het innerlijk oog als hij klonk. Vanwaar stamt eigenlijk de taal ? Uit
welke oergrond kwam zij ?
De oude wijzen hebben ze uit de sterren naar beneden gehaald. De dierenriem was voor hen het tekenschrift
aan de hemel, het schrift der godheid. De dierenriem stond voor de medeklinkers, de planeten voor de klinkers, en door de veranderende stand van de planeten te volgen lazen de wijzen de verschillende boodschappen
van de hemels wijsheid.
Zo waren de lichamen van de Rishi's ook maya, ze verhulden de innerlijke goddelijke wezenskern.
Als wij nu deze kennis uit de geesteswetenschap gebruiken om het bijbelwoord te belichten, dan verdwijnt
iedere banaliteit die de materialist zo graag in deze woorden wil leggen. Wij verstaan nu wat het echt betekent,
de woorden:
"En God zond zijn engel vooruit om degene die moest komen de weg te bereiden."
Met de engel wordt werkelijk een hoger wezen bedoeld uit de hiërarchie die net boven ons staat, de Engelen.
Een wezen dat zijn geest in de maya van een menselijk lichaam had laten indalen, in dit geval het lichaam van
Johannes de Doper, die de incarnatie van Elias was.
En verder lezen we:
"Het is de stem van een prediker in de woestijn." - Hij is een roeper in de eenzaamheid.
Hiermee kunnen de theologen evenmin iets aanvangen. Ja, wat betekent het dan om een roeper in de woestijn
of in de eenzaamheid te zijn ?
We weten dat Johannes met water doopte. En wel zo dat bij de inwijding de mens volledig ondergedompeld
werd in de Jordaan.
Waarom gebeurde dat ? Dat gebeurde om het etherlichaam van een geestelijk ontwikkelde mens voor een
ogenblik los te koppelen van zijn fysiek lichaam. Dan beleefde die hetzelfde als wat een stervende beleeft
wanneer zijn etherlichaam zich losmaakt. Hij ziet dan namelijk in alle details zijn huidige incarnatie tot aan
zijn geboorte, als een panorama, voor zijn geestelijk oog passeren, en hij voelt en weet dat hij buiten zijn
vleselijk lichaam een geestelijk wezen is.
Kwam hij nu, na deze doop-ervaring, terug in zijn fysiek lichaam, dan had hij iets beleefd dat hem innerlijk
onderscheidde van alle andere mensen: hij voelde dat hij met deze meer-kennis alleen stond, afgescheiden van
de rest van de mensheid die hem niet meer begreep. Hij voelde zich vereenzaamd, als het ware in een woestijn, alleen in de eenzaamheid. En in zijn diepste innerlijke afgeslotenheid hoorde hij de stem van een roeper:
zijn engel."
[ ... ]
* * * * * * * * * * * *
.
Abracadabra
door François De Wit.
In het vorige artikel lazen we dat de oude wijzen de taal uit de sterren naar beneden hebben gehaald. Er ontstond aldus een soort oertaal. Rudolf Steiner op 26 augustus 1923 in Penmaenmawr:
"De taal is inderdaad een universeel uitdrukkingsmiddel van de menselijke ziel. En wie onbevooroordeeld kan
terugkijken naar de oertijden van de mensheidsontwikkeling op aarde, die kan zien dat in bepaalde oude oertalen effectief een diep kunstzinnig element in de mensheidsontwikkeling heerste. Maar die oertalen waren
veel meer dan de moderne beschaafde talen uit de ganse mens gehaald. Wanneer wij onbevangen deze ontwikkeling nagaan, dan komen wij uit bij oertalen die bijna als een zingen uitgesproken werden, maar zodanig dat
de mens levendig begeleidt wat hij zegt met bewegingen van zijn benen, met bewegingen van zijn armen,
zodat een soort dans het spreken begeleidde wanneer er iets diende uitgedrukt te worden in verheven vorm of
in een ritueel."
En in "De geestelijke leiding van mens en mensheid" (GA 15) zegt hij over die oertaal:
"Uit de geesteswetenschap weten we dat in oude tijden, namelijk in de atlantische tijd, zoiets als een soort
menselijke oertaal bestond, een soort spreken dat over gans de aarde gelijkaardig was omdat 'spreken' in die
tijden veel meer uit het innerste van de ziel kwam dan vandaag. In de atlantische tijden voelden de mensen alle
uiterlijke indrukken zo aan dat de ziel, als ze iets wou uitdrukken met een klank, tot het vormen van een medeklinker leidde. Wat dus voorhanden was in de ruimte, maakte dat dat nagebootst werd met een medeklinker.
Het waaien van de wind, het ruisen van de golven, het beschermende van een woning voelde men en bootste
men na met een medeklinker. Daarentegen wat men innerlijk beleefde als vreugde of pijn, of ook wat een
ander wezen kon voelen, dat werd met een klinker nagebootst."
In de woordeuritmiecursus (GA 279) geeft Rudolf Steiner een overzicht van de klinkers en medeklinkers en hun
samenhang met resp. planeten en dierenriem:
|
| | Ram | w |
| Stier | r |
| Tweelingen | h |
| Kreeft | v of f |
| Boogschutter | g |
| Steenbok | l |
| Waterman | m |
| Vissen | n |
| Leeuw | t |
| Maagd | b |
| Weegschaal | c |
| Schorpioen | z |
|
| | Zon | au |
| Venus | a |
| Mercurius | i |
| Maan | ei |
| Mars | e |
| Jupiter | o |
| Saturnus | u |
In De Brug nr. 6 zagen we dat de mens eigenlijk samengesteld is uit de twaalf dierenriemtekens, die telkens
voor een andere kwaliteit van zijn lichaam en zijn zieleleven staan. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen
dat iedere letter een soort oerkwaliteit heeft.
Het is niet de bedoeling om met dit schema theorieën te gaan construeren over de mogelijke betekenis van
woorden, zegt Rudolf Steiner in de cursus over spraakvorming, men moet zich -als spraakvormer of als euritmist- praktisch inleven in stemmingen en geen theorieën bouwen.
Op verschillende plaatsen heeft hij het over de verschillende kwaliteiten van klinkers en medeklinkers, daarover schreven we ook al in Brug nr. 5.
Interessant is toch de verklaring van het woord abacadabra in GA 280 (blz. 51):
"In een tamelijk ver verleden leerden de mensen spreken en wel zo dat ze mantrische offerspreuken leerden.
Een in zich afgesloten klankvorm heeft men in ABRACADABRA.
A is de oerklank, die ook het kind als eerste leert. A is de ganse mens. Er is niets in het menselijk organisme
dat niet trilt bij de A. Men kan het tot in het topje van de kleine teen voelen; het is het eerste totaalgevoel dat
het kind heeft. Daardoor was A de klank bij diegenen die iets van de ganse mens verstonden.
B drukt de omhulling van de mens uit, het huis waarin hij woont. Met zijn huis kan de slak lopen, maar niet
de mens. Lopen zit nog niet in de A.
| A | is de ganse mens |
| AB | de mens met zijn huis |
| ABR | de mens loopt met zijn huis |
| ABRA | de mens loopt met zijn huis en komt er uit |
| ABRAC | de mens heeft met zijn huis gelopen, komt eruit en stelt zich krachtig op als mens. Opdat hij
altijd mens zou blijven, daarom komt de A altijd terug. |
| ABRACA | Hij stelt zich krachtig daar en voelt zich als mens |
| ABRACAD | hij bemerkt een ander mens |
| ABRACADA | hij wijst naar hem |
| ABRACADAB | de andere mens heeft ook zijn huis |
| ABRACADABR | de andere mens loopt ook en heeft zijn huis |
| ABRACADABRA | dat is een mens zoals ik |
Nadat we van onze verrassing bekomen zijn, en deze verklaring eventjes laten bezinken, kunnen we ons afvragen of we met deze uitleg ook niet een ander geheimzinnig woord kunnen verklaren, namelijk: ABRAXAS.
De meeste lezers zullen zich dit 'toverwoord' wel herinneren uit het boek 'Demian' van Herman Hesse. Dit
boek verscheen in 1919 maar werd herontdekt door de hippies en werd voor een ganse generatie een soort
cultboek. Als we ons goed herinneren noemde de gitarist Carlos Santana zelfs één van zijn LP's zo.
Als we dit woord enkele keren traag uitspreken, dan opnieuw abracadabra uitspreken, dan voelen we direct
dat er een andere stemming in leeft. Tot aan ABRAC kunnen we dezelfde verklaring als bij abracadabra aannemen; we moeten alleen nog iets vinden voor de SAS.
"Een S ontstaat zo gauw de mens ergens een voorwerp vast neemt -dat kan een staf zijn, een bloeiende twijg,
een sluier, een instrument- en zich daarmee 'vorm geeft'. Het oerbeeld van de S is de mens, leunend op een
staf."
We herkennen de verwantschap met het symbool van de Mercuriusstaf.
"De uit het slangensymbool gevormde S speelde ook in de oude mysterien een belangrijke rol; het is met de
kennis van deze klank dat -belichtend, rustgevend- binnengedrongen wordt in verborgen, geheimnisvolle
diepten."
We zouden aldus kunnen vervolledigen
| ABRAC | de mens heeft met zijn huis gelopen, komt eruit en stelt zich krachtig op als mens. Opdat hij
altijd mens zou blijven, daarom komt de A altijd terug. |
| ABRAKS | hij stelt zich krachtig daar en krijgt kennis van diepe geheimen |
| ABRAKSA | maar behoudt zijn menszijn |
| ABRAKSAS | ??? |
In oude alchemistische afbeeldingen keert het beeld steeds weer van de slang die in haar eigen staart bijt ...
Maar we volgen Rudolf Steiners aanwijzing en laten de theorieën aan anderen over !
Bronnen:
Annemarie Dubach, "Die Grundelemente der Eurythmie", Dornach, 1981.
Rudolf Steiner, GA 280, "Methodik und Wesen der Sprachgestaltung".
* * * * * * * * * * * *
.
Rudolf Steiner, een boer in hart en nieren ?
Rudolf Steiner was van eenvoudige afkomst en groeide op in een landelijke omgeving. Hij had geen schrik van
handenarbeid, hij vond het iets onontbeerlijk voor een goede ontwikkeling van de jonge mens. Later, toen de
eerste Waldorfschool ingericht werd, kregen praktische vakken evenveel plaats als theoretische, ook uit sociale
overwegingen: zo werd vermeden dat er een kloof ontstond tussen intellectuele en manuele beroepsgroepen.
Hijzelf kon overweg met alle mensen, en praatte met hetzelfde gemak en kundigheid over hogere wiskunde als
over de samenstelling van een mesthoop.
Wij vermoeden dat hij meer respect had voor een 'simpele' boer dan voor intellectuelen die niet eens zelf een
knoop aan hun jas konden naaien. Wat denkt u van onderstaande anekdotes ?
Toen de antroposofen op 20 september 1913 in het Zwitserse Dornach, een dorpje bij Bazel, de grondsteen
legden voor het latere Goetheanum, begonnen natuurlijk ook vele leden van de Antroposofische Vereniging
zich in de buurt van de werf te vestigen. Velen onder hen waren welstellend en moesten niet werken voor hun
levensonderhoud. Ze hadden tijd om naar de voordrachten van Rudolf Steiner te luisteren, geld om hem te
volgen op zijn voordrachtsreizen, en goesting om af en toe wat kunstzinnig bezig te zijn. Waren ze te moe
geworden, dan gingen ze genieten van de natuur in de streek van Dornach, en maakten wandelingen. Voor de
gewone mensen in Dornach, een boerendorp, waren die antroposofen maar rare vogels, een bende rijke leeglopers. Ze vertrouwden het ganse gedoe met die 'tempel' maar weinig en lieten zich door de plaatselijke geestelijken wel eens opruien. Misschien staan niet alle boeren van nature argwanend tegenover stadsmensen, maar
dat was in ieder geval zo met de vader van mevrouw von Arx, een vroedvrouw uit Dornach.
Zij herinnerde zich volgende gebeurtenis uit haar jeugd, zo rond 1914.
Haar vader, boer Zeltner en tevens kuiper in Oberdornach, moest niet veel weten van die antroposofische
leeglopers en bejegende hen geregeld grof. Op een dag was hij aan 't maaien op zijn weide langs de Melcherweg. Een wandelaar kwam met langzame tred zijn kant uit en sprak toen hij ter hoogte van de maaiende boer
kwam:
"Lastig werk dat ge daar uitvoert."
Zeltner, die al baadde in het zweet, repliceerde tamelijk bars:
"Wat verstaan mijnheren daarvan die niets anders te doen hebben dan te wandelen !"
De andere man antwoordde: "Ik heb dat ook nog gedaan."
"Ja, zo ziet ge eruit", morde Zeltner. Maar de heer sprak rustig:
"Toen ik klein was heb ik voor onze geiten dikwijls een steile spoorwegberm afgemaaid."
Hij stapte naar Zeltner, nam hem de zeis uit de handen en begon volledig volgens de regelen der kunst te
maaien. Boer Zeltner stond paf: "Welnu, begot, hij kan het nog ook !"
Daarop begonnen beiden te praten over het gras, over welke kruiden de beste waren voor goede melk. De
vreemde heer bleek een even goede kenner van alle grassoorten te zijn als boer Zeltner. Hij informeerde of er
melk op overschot was en of die verkocht werd. Toen dit bevestigd werd, liet hij van dan af iedere dag melk
halen bij de familie Zeltner.
Die heer was Rudolf Steiner.
Uit: "Erinnerungen an Rudolf Steiner", door Hans Kühn (blz. 506).
Jaren later, in 1924, na de cursus over biologisch-dynamische landbouw in Koberwitz, sprak Rudolf Steiner
meermaals zijn verbondenheid met het boerenleven uit. Wilhelm Rath vertelt:
"Het was voor Rudolf Steiner belangrijk om zijn eigen liefde en verbondenheid met de landbouw uit te spreken. "Op een bepaalde manier ben ik ontsproten uit het boerenras, en eigenlijk ben ik er nooit uitgegroeid of
vervreemd van geraakt", zei hij, en hij vertelde hoe hij zelf nog aardappelen gepoot had, hoe hij wel geen
paarden maar toch varkens mee helpen verzorgen had en hoe hij betrokken was bij het koeienbedrijf van de
buren. "Al deze zaken hebben mij lange tijd in mijn leven nauw aan 't hart gelegen en ik heb eraan deelgenomen en juist daardoor voel ik liefde voor de boerenstiel, ik ben erin opgegroeid. Dat betekent meer voor mij
dan dat beetje mestroeren."
(in de biologisch-dynamische landbouw wordt mest verdund in grote watertonnen, die dan op een bepaalde
manier lange tijd moeten omgeroerd worden -fdw)
(Uit hetzelfde boek op blz. 468)
En een (niet-antroposofische) bezoeker van het Oost-West-Congres in Wenen in 1922 beschrijft Rudolf Steiner
toen hij hem ontmoette de dag na het congres:
"Voor mij stond een oude man, een oude boer uit Neder-Oostenrijk ... die zich op zijn land doodgewerkt had
en nu verwelkt en opgebruikt voor mij stond, een goede, in-goede mens, die al zijn krachten ingezet heeft en
zichzelf volledig weg-gegeven heeft."
(Uit: "Rudolf Steiner" van Christoph Lindenberg)
Terug naar de anekdotes.
* * * * * * * * * * * *
.
Rudolf Steiner in de Vlaamse pers
In het begin van dit jaar verscheen er een kort berichtje over Rudolf Steiner, zowel in Het Belang van Limburg (op 23 januari 2001), als in De Morgen (op 27 januari). U ziet een kopie van de knipsels hieronder.

Ondergetekende stuurde eenzelfde lezersbrief naar beide kranten, met de bedoeling de aandacht te vestigen op
de webstek van De Brug, waar de volledige tekst van de voorspelling te vinden is. Alleen Het Belang van
Limburg drukte de (licht gewijzigde) brief af (op 6 februari), maar het adres van de webstek was weggelaten.

* * * * * * * * * * * *
Terug naar de inhoudstafel.
|