|
De Brug 26 van december 1999
![]()
* * * * * * * * * * * Het artikel over manicheïsme van Jan vermeir staat hier * * * * * * * * * * * *
De Vrije School - een contradictio in terminis ?De meeste mensen zijn er nog altijd van overtuigd dat de school een instituut is dat de kinderen voorbereidt om (met succes) te kunnen meedraaien in de maatschappij. Leerplannen schrijven voor wat de kinderen in ieder jaar moeten kennen en kunnen, en de leerkrachten doen hun best om de kinderen de opgelegde doelen te doen bereiken. Ogenschijnlijk gaat het om kennisoverdracht. Bij nader toezien lijkt de school dan verschrikkelijk inefficiënt. Een voorbeeld: wie op zijn achttiende de school verlaat heeft minstens acht jaar Frans gehad, maar kan zich ternauwernood verstaanbaar maken in die taal.
Als het niet om kennis gaat, waar draait de school dan wel rond ? Volgens John Taylor Gatto, Leerkracht van het Jaar in 1991 in de staat New York, is de school gewoon een disciplineringsinstrument, bedoeld om de mensen dom te houden. Deze stelling vindt u terug in het essay dat hij publiceerde in het herfstnummer van de Whole Earth Review in '91, getiteld: "De zes lessen van de leerkracht". Men zou het essay ook "Het verborgen leerplan" kunnen noemen. Waarom drukken wij een vertaling van dit essay af in een antroposofisch tijdschrift ? Enerzijds omdat de kritiek van John Taylor Gatto ook op de Steinerschool van toepassing is. In de Steinerschool mag nooit gewerkt worden vanuit traditie, te allen tijde moet men het waarom van wat men doet duidelijk voor ogen hebben. Men moet Rudolf Steiner naar de geest durven volgen, niet naar de letter van 1919. En misschien is een school niet meer het beste middel om kinderen tot vrijheid op te voeden ... Anderzijds is het altijd interessant als niet-antroposofen zaken opmerken die onder antroposofen gemeengoed zijn, zoals in dit geval de invloed van het oude Egypte. Rudolf Steiner heeft erop gewezen dat de cultuurperiodes spiegelen: De eerste na-Atlantische cultuurperiode, de oud-Indische dus, met de zevende; de tweede, de oud-Perzische, met de zesde; de derde, Egyptisch-Babylonische, met onze cultuurperiode, de vijfde. Alleen de Grieks-Romeinse periode staat op zich, als een middelpunt. Volgens Rudolf Steiner heeft onze neiging om alleen het materiële belangrijk te vinden te maken met het feit dat in het oude Egypte lijken gebalsemd werden: zielen bleven na de dood te zeer verbonden met hun materiële drager. In onze cultuurperiode moet de mens innerlijk vrij worden, maar tegenmachten houden de mens liever in een piramidale maatschappijstructuur gevangen, waar de moderne hogepriesters bepalen hoe er dient geleefd te worden. Alleen beschikten in Egypte de hogepriesters effectief over hogere wijsheid, de moderne hogepriesters zijn enkel geïnspireerd door individueel en/of groepsegoïsme. Mijn vertaling loopt misschien wat mank, daarom zeg ik het op voorhand: zet jullie gevoel voor ironie maar aan! Noem mij Mr. Gatto asjeblieft. Zesentwintig jaar geleden -ik had niets beter te doen- besloot ik om in scholen te gaan lesgeven. Mijn diploma kwalificeert mij als lesgever in Engelse taal en literatuur, maar dat is het laatste wat ik doe. Wat ik eigenlijk doe is school-lesgeven, en ik win er nog prijzen mee ook. Lesgeven omvat een heleboel zaken, maar er zijn zes lessen die voor alle scholen dezelfde zijn, van Harlem tot Hollywood. Je betaalt voor deze lessen op meer manieren dan je je kunt indenken, je kunt dus maar beter weten welke lessen het zijn: De eerste les die ik geef is: "Blijf in de richting waarin je thuishoort". Ik weet niet wie bepaalt welke leerling in mijn klas terecht komt, maar dat is mijn probleem niet. Mijn opdracht is te zorgen dat de kinderen het leuk vinden -tezamen opgesloten worden bedoel ik- of toch tenminste het verdragen. Als alles goed gaat kunnen de kinderen zich niet voorstellen dat ze ergens anders zouden zijn; ze benijden en vrezen de moeilijkere richtingen en misprijzen de lagere richtingen. Aldus houdt de klas zichzelf meestal op de juiste positie voor de lange mars. Dat is de echte les van iedere valse competitie zoals de school er een is. Je leert er je plaats kennen. Maar toch, ondanks dit basisgegeven, zet ik de kinderen aan om hogere uitslagen te bekomen voor hun toetsen. Daarbij beloof ik een eventuele transfer naar een zwaardere richting als beloning. Ik laat ze verstaan dat op een dag een werkgever hen zal aanwerven op basis van hun uitslag, hoewel mijn eigen ervaring leert dat werkgevers (terecht) onverschillig staan t.o.v. dat soort dingen. Ik ga nooit rechtuit liegen, maar ik heb moeten inzien dat waarheid en [school]lesgeven onverenigbaar zijn. De tweede les die ik de kinderen leer is om, zoals een lichtschakelaar, aan en uit te gaan. Ik eis dat ze volledig opgaan in mijn lessen, opspringend achter hun bank om het antwoord te mogen geven, onder elkaar energiek wedijverend om mijn gunst ... maar wanneer de bel gaat dan moeten ze ogenblikkelijk alle werk laten vallen en vlug naar een ander lokaal doorschuiven. Iets van belang wordt nooit afgewerkt noch in mijn klas, noch in om 't even welke andere naar mijn weten. De les van de bel is dat er geen werk bestaat dat waard is om af te werken, dus waarom zou men zich al te veel interesseren in iets ? De bel is de geheime logica van de schooltijd. Zij is onverbiddelijk; zij vernietigt verleden en toekomst, en verandert ieder tijdsinterval tot een grijze, monotone passage, zoals iedere stromende rivier op een landkaart slechts een blauwe lijn is. De bel ent onverschilligheid op ieder project. De derde les die ik je leer is om je wil over te leveren aan een ganse resem bevelen. Rechten kunnen toegekend worden of geweigerd, door het gezag, hoger beroep is er niet. Als schoolleerkracht kom ik tussen in vele persoonlijke beslissingen, ik kan toestemming verlenen wanneer de vraag mij terecht schijnt, ik kan ook iemand op het matje roepen wanneer diens gedrag mijn controlerend overzicht bedreigt. Mijn oordelen komen met gewicht en ook snel, want voortdurend probeert individualiteit zijn kop op te steken in mijn klas. Individualiteit is een vloek voor alle systemen die mensen willen indelen, het is in tegenspraak met het klasgebeuren. Hoe manifesteert individualiteit zich ? Kinderen willen een ogenblik alleen zijn en zeggen dat ze naar het toilet moeten; dan weer willen ze wat privacy, ze zeggen dat ze even niet goed zijn om alleen in de gang te kunnen. Af en toe verschijnt vrije wil open en bloot in de vorm van kinderen die kwaad of depressief zijn, of wanneer ze schateren om dingen die zich buiten mijn gezichtsbereik bevinden. Op dit gebied kunnen er echter geen rechten bestaan, alleen privileges. En die kan de leraar naar believen terug intrekken. De vierde les is dat ik diegene ben die bepaalt wat jij gaat leren (t.t.z. ik voer de bevelen uit die ik zelf krijg van de mensen die mij betalen). Deze macht laat mij toe om ogenblikkelijk de brave kinderen van de stoute te onderscheiden. Brave kinderen voeren de taken uit die ik opleg met een minimum aan tegenspraak en met een passend enthousiasme. Er zijn miljoenen zaken waard om te leren, maar ik bepaal welke de weinige zijn waar wij tijd voor hebben. De keuze hangt van mij af. Nieuwsgierigheid heeft geen waarde voor mijn werk, alleen conformisme. Stoute kinderen zetten zich hier tegen af natuurlijk, ze proberen openlijk of in 't geniep zelf te beslissen wat ze wel of niet gaan leren. Hoe kunnen we zoiets toestaan als we willen overleven als schoolleraars ? Gelukkig zijn er procedures om de wil te breken van diegenen die zich verzetten. Dit is een andere manier om de les van afhankelijkheid te geven: welopgevoede mensen wachten op een leraar die hen vertelt wat ze moeten doen. Dit is de belangrijkste les van al: dat we moeten wachten tot andere mensen, bekwamer dan wijzelf, de zin van ons leven bepalen. Ik overdrijf niet wanneer ik zeg dat onze ganse economie ervan afhangt of deze les geleerd wordt. Bedenk eens wat er allemaal zou wegvallen indien kinderen de les van afhankelijkheid niet zouden leren: bijna de volledige sociale sector inclusief de snelgroeiende therapie- en begeleidingsbusiness; alle soorten commercieel vermaak, inbegrepen de TV, zouden wegkwijnen indien mensen terug zouden weten hoe ze zichzelf kunnen amuseren. Voedingsindustrie, restaurants en kant-en-klare meeneemzaken kunnen het wel vergeten als mensen terug liever hun eigen eten zouden klaarmaken in plaats van vreemden voor hen te laten koken. Veel van de moderne rechtspleging, geneeskunde en techniek zou er moeten aan geloven -ook de kledingindustrie- indien er niet ieder jaar een gegarandeerde stroom hulpeloze mensen door onze scholen werd afgeleverd. Wij hebben een maatschappij opgebouwd die afhangt van mensen die men moet vertellen wat ze moeten doen omdat ze zich geen andere manier van leven kunnen voorstellen. In 's hemelsnaam, laat ons toch dit systeem niet in gevaar brengen ! In les vijf leer ik je dat je zelfrespect moet afhangen van wat anderen van jou denken. Mijn leerlingen worden constant geëvalueerd en beoordeeld. Iedere maand krijgen de studenten thuis een rapport, indrukwekkend gedetailleerd. Het kan goedkeuring bevatten of heel precies aangeven -tot op 1 % na- hoe ontevreden ouders over hun kind moeten zijn. Hoewel sommige mensen verrast zouden opkijken als ze wisten hoe weinig tijd en denkwerk het opstellen van zo'n rapport vraagt, toch vormen deze rapporten met hun schijn van objectiviteit op den duur een volledig profiel van wat er aan het kind mankeert. Het kind wordt dan ook gedwongen om tot bepaalde conclusies over zichzelf en over zijn toekomst te komen op basis van het oppervlakkig oordeel van vreemden.Zelfevaluatie, het kernstuk van ieder belangrijk filosofisch systeem op deze planeet, speelt hier nooit een rol. De les van rapporten, onderscheidingen en toetsen is dat kinderen niet zichzelf of hun ouders moeten vertrouwen, maar dat ze moeten betrouwen op de evaluatie door erkende instanties. Mensen hebben het nodig dat iemand anders hen vertelt hoeveel ze waard zijn. In les zes leer ik de kinderen dat ze in de gaten gehouden worden. Ik hou iedere student onder toezicht en mijn collega's doen dat eveneens. Er bestaat geen privacy voor kinderen, geen privé-plaats, geen privé-tijd. Tussen twee lessen hebben ze 300 seconden om van klas te wisselen, aldus wordt een gevaarlijke verbroedering onmogelijk gemaakt. De studenten worden aangemoedigd om over elkaar dingen over te dragen, zelfs over hun ouders. Natuurlijk moedig ik ook ouders aan om evt. eigenzinnig gedrag van hun eigen kind te melden.Ik geef huiswerk mee opdat het toezicht ook buiten de schooluren verder loopt tot in het gezin. Stel je voor, de studenten zouden die vrije tijd wel eens kunnen gebruiken om iets te leren dat niet voorgeschreven is, misschien van vader of moeder of van een wijzer persoon in de buurt. De les van het constante toezicht is dat niemand mag vertrouwd worden, dat privacy niet wettelijk is. Bewaking en toezicht is een oude eis die voorkomt bij vele invloedrijke denkers: Calvijn, Plato, Hobbes, Comte, Francis Bacon. Al deze mannen zonder kinderen deden dezelfde ontdekking: kinderen moeten goed in de gaten worden gehouden als je een maatschappij onder een centraal gezag wil houden. Dé grote triomf van het schoolsysteem is, dat er zelfs bij de beste onder mijn collega's en zelfs bij de beste ouders nauwelijks te vinden zijn die zich kunnen voorstellen om het onderwijs anders aan te pakken. En toch: slechts enkele generaties geleden werd het effectief anders aangepakt in onze United States. Originaliteit en verscheidenheid waren toen de norm. Doordat er geen vaste regels waren konden wij het mirakel van de wereld worden. De grenzen van de sociale klassen waren relatief gemakkelijk te overschrijden. Onze burgers hadden een geweldig vertrouwen in hun eigen kunnen, ze waren vindingrijk, deden zo vele zaken onafhankelijk, dachten voor zich zelf. We stelden iets voor, als individuen, betrouwend op eigen kracht.Er zijn eigenlijk maar 50 contacturen nodig om zoveel basisvaardigheden in rekenen en schrijven over te dragen, dat de kinderen zichzelf daarna met zelfstudie kunnen verder helpen. De roep om "basiskennis" is een rookgordijn waarachter de scholen zich verschuilen om voor 12 jaar te kunnen beslag leggen op de tijd van de kinderen en hun gedurende die jaren in de eerste plaats de zes lessen te leren die ik daarnet kom te beschrijven. In onze Verenigde Staten is de maatschappij altijd meer onder een centraal gezag geraakt sinds juist vóór de Burgeroorlog. Het leven dat we leiden, de kledij die we dragen, het eten dat we eten en de verkeerslichten die we passeren wanneer we van de Oost- naar de Westkust rijden, het zijn allemaal voortbrengselen van die centrale controle. En evenzeer, denk ik, zijn de epidemieën van drugs, zelfmoord, echtscheiding, geweld, wreedheid, en het verstarren van klassen tot kasten het product van de ontmenselijking van onze levens, van het verminderen van het belang van het individu en het gezin, onder dwang van het centraal gezag. Zonder een volledig actieve rol in het leven van de gemeenschap kan je je niet ontwikkelen tot een compleet menselijk wezen. Zo sprak Aristoteles. Hij had ongetwijfeld gelijk. Kijk rondom jou of kijk naar jezelf, daar zie je het bewijs. "School" is een essentieel element dat een systeem ondersteunt, gebaseerd op een visie van sociale techniek dat de meeste mensen veroordeelt tot een ondergeschikt bestaan als bouwstenen van een sociale piramide die naar boven toe versmalt tot een controlerend punt. "School" is een werktuig dat een dergelijke piramidale sociale ordening onvermijdelijk doet schijnen (hoewel dit uitgangspunt een fundamenteel verraad betekent van de Amerikaanse Revolutie). In de koloniale tijd in de eerste dagen van de vroege Republiek waren er om zo te zeggen geen scholen. En toch waren we goed op weg om de droom van democratie te verwezenlijken. We lieten deze droom voor wat hij was door een relict van het oude Egypte tot leven te wekken: verplichte opleiding tot ondergeschiktheid voor iedereen. Verplichte scholing was het geheim dat Plato met tegenzin onthulde in de Republica waar hij zijn plannen ontvouwde om het menselijk leven volledig onder staatscontrole te brengen. Het huidig debat of er een standaard leerplan voor gans het land moet komen is boerenbedrog: dat is er namelijk al, het zit verborgen in de zes lessen waar ik over sprak en in andere die ik jullie bespaar. Dit leerplan brengt een morele en intellectuele verlamming voort en geen enkel inhoudelijk leerplan zal volstaan om de negatieve effecten tegen te werken. Waar de leerplan-discussie over gaat is totaal irrelevant.Maar er is niets dat onvermijdelijk is, er bestaat niets dat ondoordringbaar is voor verandering. We hebben wel degelijk een keuze van hoe we jonge mensen willen opvoeden; daar bestaat niet: één juiste manier. Er is geen "internationale concurrentie" die ons leven moet vorm geven, hoe moeilijk het ook is om ons dit voor te stellen met die constante druk van de media die ons het tegendeel willen doen geloven. In ieder belangrijk materieel aspect kan ons land in eigen behoeften voorzien. Als we een niet-materiële filosofie zouden kunnen terugwinnen die een zin kon geven aan wat écht belangrijk is, aan familie, vrienden, de opeenvolging van de seizoenen, aan de natuur, aan eenvoudige ceremonieën en rituelen, aan nieuwsgierigheid, vrijgevigheid, medelijden en ten dienst staan van anderen, aan juist begrepen onafhankelijkheid en privacy: dan pas zouden we waarlijk in eigen behoeften kunnen voorzien. Hoe zijn deze vreselijke plaatsen die we scholen noemen nu eigenlijk ontstaan ? Zoals we ze nu kennen zijn ze het product van twee revolutie dreigingen, in 1848 en in 1919. Machtige belangengroepen vreesden toen dat er bij het industrieproletariaat een revolutie zou uitbreken. Voor een deel speelt ook het wantrouwen en de afkeer mee waarmee de oude angelsaksische families de immigratiegolven bezagen die na 1848 Keltische, Slavische en Latijnse bevolkingsgroepen aanvoerden -samen met hun katholieke godsdienst. En zeker mag men een derde reden zien in de afkeer die dezelfde families voelden voor de vrijheid van de zwarten na de Burgeroorlog.Bekijken we nog eens de zes school-lessen. Het is in feite een opleiden van permanent ondergeschikte klassen, van mensen voor wie het altijd onmogelijk moeten zijn om hun eigen levenslot te volgen. En nu heeft die opleiding zelfs haar aanvankelijke logica verloren, namelijk om de armen in toom te houden. Sinds ongeveer 1920 heeft de school haar greep ook uitgestrekt tot de zonen en dochters van de middenklasse, enerzijds door de groei van een goed uitgeruste school-bureaucratie, anderzijds door de minder zichtbare groei van een commercieel netwerk dat profiteert van het schoolsysteem zoals het nu is. Is het te verwonderen dat Socrates verontwaardigd was toen hij ervan beschuldigd werd om geld aan te nemen voor zijn lesgeven ? Reeds toen zagen filosofen duidelijk welke richting het onvermijdelijk zou uitgaan wanneer het onderwijs zou geprofessionaliseerd worden en aldus beslag zou leggen op een onderwijsfunctie die toebehoort aan allen in een gezonde gemeenschap. En die in de eerste plaats toebehoort aan het jezelf, omdat niemand anders méér belang heeft bij je lot dan jijzelf. Professioneel onderwijs vertoont nog een ander serieus tekort. Het maakt dingen die van nature gemakkelijk te leren zijn, zoals lezen, schrijven en rekenen, moeilijk door erop aan te dringen dat dit met pedagogisch "correcte" procedures moet gebeuren. Met dergelijke lessen, die ik dag na dag geef, is het dan te verwonderen dat we opgescheept zitten met de algemene crisis van vandaag ? Jonge mensen zijn onverschillig t.o.v. de volwassen wereld en de toekomst; onverschillig t.o.v. bijna alles behalve vermaak door speelgoed en geweld. Of ze nu rijk zijn of arm, schoolkinderen kunnen zich niet op iets concentreren voor langere tijd. Ze hebben weinig benul van verleden en toekomst. Ze wantrouwen intimiteit - niet alleen de gezinnen waarin ze opgroeien zijn gebroken. Ze haten alleen-zijn, ze zijn wreed, materialistisch, afhankelijk, passief, gewelddadig, angstig wanneer er iets onverwachts gebeurt, verslaafd aan afleiding. Alle negatieve kanten die bij een kind aanwezig zijn worden door de school tot op een groteske schaal uitvergroot. Het verborgen leerplaan verhindert een effectieve ontwikkeling van de persoonlijkheid. Inderdaad, onze scholen zouden niet kunnen overleven zonder misbruik te maken van de vreesachtigheid, zefzucht en onervarenheid van de kinderen. Net zo min zou ik als gediplomeerde leerkracht kunnen overleven. 'Kritisch denken" is een uitdrukking die tegenwoordig opgeld maakt. Dat is wat iedere leerling dank zij de school zou moeten kunnen. Hij zal het nooit kunnen. Een gewone school die werkelijk de technieken van dialektiek en heuristiek en andere instrumenten van de vrije geest zou durven aanleren, zou nog geen jaar bestaan of ze zou al afgebroken zijn. Schoolse leraars zijn vernietigend voor de ontwikkeling van het kind. Nieman overleeft het zes-lessen-leerplan ongeschonden, ook niet de lesgevers. De methode is tot op de bodem anti-pedagogisch. Er valt niet aan te repareren. Het ironische van gans de zaak is dat het herwerken van het schoolsysteem op grote schaal hoogstwaarschijnlijk nooit zal gebeuren, omdat het zo veel minder zou kosten dan wat we nu uitgeven. Het systeem waar ikzelf ook in zit, is in de allereerste plaats een werkgelegenheidsproject en een bureau dat contracten afsluit. We kunnen ons niet permitteren om geld te sparen, zelfs niet om de kinderen te helpen. Zoals het er nu voorstaat, historisch gezien, en na 26 jaar te hebben lesgegeven, moet ik besluiten dat een van de weinige alternatieven die binnen het bereik van de meeste families liggen, is om zelf hun kinderen thuis les te geven. Kleine, niet-officiële scholen zijn een andere mogelijkheid. Een of andere vorm van vrije markt systeem voor de openbare scholen is kan al iets van oplossing bieden. Maar voor de labiele families van de armen en voor vele middenklas-gezinnen die economisch in een risicogroep zitten, blijven deze alternatieven bijna onmogelijk. Het ziet er dus naar uit dat het rampzalige zes-lessen-schoolsysteem zal blijven bestaan. De ervaring van een volwassen leven, doorgebracht met school-lesgeven, leert mij dat de leermethode zelf in de school de enige leerinhoud is. Laat je niet wijsmaken dat goede leerplannen of een goede uitrusting of goede leerkrachten bepalend zijn voor de schooltijd van je zoon of dochter. Het maatschappelijk ziektebeeld is in grote mate ontstaan doordat de lessen in de school de kinderen beletten om belangrijke afspraken na te leven, zowel met zichzelf als met hun families. Ze verhinderen lessen in zelf-motivatie, volharding, het rekenen op eigen kunnen, moed, waardigheid en liefde, en, natuurlijk, lessen in dienstbaarheid naar anderen, wat de kernlessen van het familieleven zijn. Dertig jaar geleden kon dit nog altijd geleerd worden na de dagelijkse schooltijd. Maar dan kwam er televisie, en dan het tijdgebrek van gestresseerde tweeverdiener- of eenoudergezinnen, en de tijd die er vroeger voor het gezin was verdween. Onze kinderen hebben geen tijd over om op te groeien tot volwaardige volwassenen, en wat overblijft is bij manier van spreken braakland met schaarse begroeiing. Er komt een toekomst op ons af die ons zal dwingen om de wijsheid te leren van niet-materiële ervaring. Deze toekomst zal eisen -willen we niet ten onder gaan- dat we het ritme van een natuurlijk leven volgen, dat we spaarzaam omgaan met materiële kosten. Deze lessen kunnen we niet leren in de scholen zoals ze nu zijn. De school nu is net alsof je je leven begint met een celstraf van 12 jaar om je een leerplan van slechte gewoonten eigen te maken. Ik geef les in scholen, en ik win er zelfs prijzen mee, ik kan het dus weten.
Een verzameling essays van John Taylor Gatto vind je in "Dumbing Us Down" (ISBN 086571231X).
![]()
* * * * * * * * * * *
Goethe en dyslexie
Goethe werd geboren in 1749, dit jaar was dat dus 250 jaar geleden. Deze verjaardag werd in Duitsland op grote schaal gevierd met tentoonstellingen en ontelbare bijdragen en artikels in de schrijvende pers. In "Erziehungskunst" van november verscheen een interessant artikel van Cornelia Jantzen met als ondertitel: "Een onbeschaamde bijdrage aan het Goethejaar". Als titel koos zij een uitlating van Goethe " ... een woord schrijf ik op drie verschillende manieren" Het gaat dus over orthografie, schrijven zonder fouten, en dyslexie (in het Duits gebruikt men meestal het woord 'legasthenie').
Eigenlijk zijn er genoeg artikels over Goethe en zijn genie verschenen, de kranten staan er vol van. Maar een artikel zoals Rudolf Steiner het 77 jaar geleden had willen zien verschijnen, schijnt er nog altijd niet bij te zijn: "Er zouden moeten artikels verschijnen - vanzelfsprekend zonder dat daartoe de opdracht wordt gegeven, zodat niet de indruk ontstaat dat ze speciaal voor dat doel geschreven zijn, dat zou totaal verkeerd zijn- die tot bij de schoolinspectie zouden moeten geraken. Er zouden moeten artikels verschijnen vanuit de meest verschillende standpunten, dat het eenvoudigweg van grote betekenis is voor het kind wanneer het pas tussen het achtste en negende levensjaar echt leert lezen. Men kan daar als voorbeeld aanhalen dat Goethe vóór zijn negende jaar niet kon lezen of schrijven ... en dat daartegenover mensen die uiteindelijk zwakzinnig zijn geworden al op hun vierde, vijfde jaar konden lezen en schrijven (1)."Indien men niet wist dat Rudolf Steiner een doorwinterde Goethe-kenner was, dan zou men het voor een onbeschaamdheid kunnen houden dat hij juist onze algemeen geprezen dichter opvoert als kroongetuige voor een stelling die een taboethema bekrast dat in de publieke opinie vast gecementeerd is, de stelling dat het van grote betekenis is voor het kind wanneer het pas tussen het achtste en negende levensjaar echt leert lezen. De schoolinspecties (zowel nu als toen), evenals het overgrote deel van de bevolking zijn zeer beslist van een ander gedacht als Steiner. Zo benadrukt bvb. Rosemarie Jänchen in haar bijdrage "Legasthenie im Schulalltag - ein oft unbemerktes Problem" dat vooral het aanleren van de cultuurtechnieken lezen en schrijven tot het ontwikkelingsniveau van het kind behoort dat we algemeen aanduiden als schoolrijpheid (2). Daar is het, het verschrikkelijk woord dat leerkrachten doet ineenkrimpen en de ouders vertwijfeld de handen doet wringen: legasthenie of dyslexie. Men mag het eigenlijk alleen maar fluisteren, omdat het blijkbaar iets is als een sociale melaatsheid. En men geeft een alsmaar vroeger tijdstip aan waarop men ten laatste met met het genezen van deze kwaal moet beginnen. Sinds er testen ontwikkeld zijn die reeds in de kleuterklas 75 % van alle latere "probleemgevallen" blootleggen (zo gelezen in "Erziehungskunst" 7-8/99 onder de hoofding "Legasthenie früher behandeln"), gaan er meer en meer stemmen op om ook de therapieën die men op dat ogenblik voor de juiste houdt, reeds op die leeftijd te laten beginnen (3). Op een bepaald manier heeft de "Duden" (de Duitse "Van Dale" - vert.) gelijk wanneer hij het woord legasthenieker omschrijft als 'iemand die aan legasthenie lijdt. Maar lijdt de dyslecticus eigenlijk aan zijn dyslexie ? Of lijdt hij niet veel meer aan de maatschappij die over 't algemeen zo weinig van zijn anders-zijn verstaat, dat ze hem, naar het motto "Meerderheid wint !", liever direct met de stempel "Gehandicapt" stigmatiseert. Dat zou de meerderheid der donkerharigen eens met de blonde minderheid moeten proberen ! Dyslectici echter moeten zich zo'n behandeling laten welgevallen. Ze moeten zich toch gehandicapt voelen wanneer men bij hen van kleins af aan alle mogelijke defecten constateert, van 'defecte genen' tot 'hersenbeschadiging'. Maar de vraag naar de oorzaak van de dyslexie wordt daarmee alleen maar verschoven. Dat betekent natuurlijk niet dat er geen onderzoek meer moet gebeuren naar het fenomeen van dyslexie en naar de oorzaken ervan, en bij kinderen die op hun negende naar onze letters staren als waren het Egyptische hiëroglyfen, maar blijven te wachten en te hopen op het Goethe-effect: het zal nog wel komen ... Dat zou een volledig verkeerde opvatting van Steiners bedoeling zijn. Hij heeft immers niet gezegd: wacht gewoon af, het heeft geen belang wanneer een kind pas op zijn achtste, negende leert lezen. Hij zegt dat het een groot belang heeft. Maar de vragen omtrent dit fenomeen moeten letterlijk radicaal anders gesteld worden. We zouden bvb. dat door Steiner benadrukte grote belang eens met een open interesse proberen te achterhalen in plaats van altijd verder naar 'defecten' bij de betroffenen te boren en 'storingen' te diagnostiseren om ze dan fluks te kunnen wegtherapeutiseren. Rudolf Steiner zegt:
"De vraag is niet: wat moet de mens weten en kennen voor de sociale ordening die nu bestaat, maar wel: wat zit er als aanleg in de mens en wat kan daaruit ontwikkeld worden ?"(4) Laat dus even de vraag rusten: hoe kunnen we een dyslecticus van zijn dyslexie afhelpen, zodat hij kan meedraaien in de sociale orde ? En laat ons in de plaats vragen: wat zit er eigenlijk in aanleg bij een dyslecticus dat anders is dan bij een niet-dyslecticus ? En wat kan op basis van deze andere aanleg bij hem ontwikkeld worden ? Goethe was zonder twijfel op vele gebieden uitzonderlijk begaafd en had daarbij het genie om deze begaafdheid uit te leven hoewel hij voor zijn negende jaar niet lezen of schrijven kon. Overigens: dat hij het dan na zijn negende jaar wél kon, daarvan wordt in het citaat niets gezegd. Gans zijn leven heeft hij problemen gehad om zonder fouten te schrijven. Steiner zegt op een andere plaats:
De dichter zelf bekent in een brief, die hij, zoals de meeste van zijn werken, dicteerde aan een betaalde beroepsschrijver: Wie de vaak rudimentaire schrijfprobeersels van een dyslecticus al eens bekeken heeft, zal misschien iets van het bovenstaande herkennen. Het zou een goed begin zijn om dyslexie van de meest verschillende standpunten te beschouwen wanneer men niet direct denkt: "Ooh, weer zo'n sukkel !", maar wel: "Tiens, een nieuwe Goethe!" Waarom liep bij Goethe de pen niet zo vlug als zijn denken ? Of anders gezegd: waarom dacht hij zo vlug dat de pen niet kon volgen ? Met deze vraag komen wij in de buurt van een belangrijk inzicht: het anders-zijn van de dyslecticus ligt wezenlijk in zijn totaal anders denken. Men schat dat een dyslecticus minstens 400 tot 2.000 maal sneller denken dan niet-dyslectici; maar het is niet alleen het tempo, het is ook de gans andere aard van het denken: zij denken voor het grootste deel niet in woorden, niet in een innerlijke taal, maar in beelden, in spraakloze samenhangen (de neurofysiologie spreekt van non-verbaal denken). Het dyslectisch denken verloopt niet lineair, maar complex; niet eendimensioneel, maar meerdimensioneel; niet synthetisch, maar analytisch - een zeer bijzondere begaafdheid die veelgelaagde waarnemingen van de wereld toelaat en tot indrukwekkende prestaties op velerlei gebied kan in staat stellen. Lettertjes in de juiste volgorde op papier zetten is er evenwel niet direct bij. De beroemde pantomime-artiest en schrijver professor Samy Molcho heeft eens gezegd, toen men hem vroeg naar zijn dyslectische 'handicap': "Driedimensioneel denken betekent een andere opvatting van de dingen en de wereld en hun mogelijkheden te hebben. Wij hebben eigenlijk geen probleem, maar een buitengewoon talent ... Het is het lineaire denken van de anderen dat van ons probleemgevallen maakt en ons in het buitengewoon onderwijs steekt." Natuurlijk belanden niet alle dyslectici in het buitengewoon onderwijs, net zo min als uit iedere dyslecticus daadwerkelijk een Goethe of een Leonardo, een Einstein of tenminste een Samy Molcho voortkomt. Maar de basis van dat andere denken -de wortel van dyslexie- hebben ze allemaal gemeen. Ronald Davis, de grondlegger van de Davis-Dyslexia-Association, zegt in zijn boek "Legasthenie als Talentsignal" over dyslectici die genies geworden zijn: "Ze zijn geen genies geworden ondanks hun dyslexie, maar dankzij hun dyslexie". Welke specifieke talentsignalen in dat andere denken van de dyslecticus steken, heeft Steffen Hartmann overtuigend beschreven in zijn bericht over de Davis-methode ("Erziehungskunst van januari '99). Men zou echter kunnen tegenwerpen: wat is men met al die fantastische talenten, wanneer het altijd maar blijft haperen mat het lezen en schrijven ? Wij leven nu eenmaal in een maatschappij die ons een vlotte omgang met de geschreven taal dwingend voorschrijft. Vanuit het inzicht in deze noodzakelijkheid vertrekt de Davis-methode. Dit is een methode die de wereld der letters ontsluit voot dyslectici, en hun de schrifttaal aanreikt, maar, in tegenstelling tot de gebruikelijke therapieën, wil ze niet opruimen wat er als aanleg in het kind zit, maar deze aanleg juist gebruiken en ontwikkelen. Ze put uit de kracht van het beeld-denken die in het talent zit, en heeft daar wereldwijd verbazingwekkende resultaten mee behaald. Intussen heeft men in scholen al geëxperimenteerd om deze methode niet alleen te gebruiken bij geconstateerde dyslexie, maar ook preventief in te schakelen, zodat uit de aanleg niet eerst een leeszwakheid met de gevolgen vandien hoeft te ontstaan. En daarbij is men tot een zeer verrassende vaststelling gekomen. Het bleek namelijk dat bij de te verwachten 10 tot 15 % der leerlingen de leeszwakte zich niet of veel minder ontwikkelde, en daarenboven profiteerden alle kinderen enorm van de bijzonder beeldende manier van schriftleren - en wel op velerlei gebieden die buiten het zuivere lezen en schrijven gingen. Kan men daaruit concluderen dat het vermogen om in beelden te denken oorspronkelijk veel meer onder de mensen voorkomt dan alleen maar bij diegenen die dan later dyslectisch worden ? Het Ravensburger Verlag (gezelschapsspelen - vert.) ziet het blijkbaar zo, want in de handleiding van het intelligentiespel "Mega-Mind" lezen we: "Wanneer is dit vermogen, om in beelden te denken, verloren gegaan ? Bij het aanleren van het alfabet en de schrijftaal ! Hoe meer ons denken gericht wordt op de betekenis van letters, woorden en zinnen, des te meer verdwijnt het beeldend voorstellingsvermogen naar de achtergrond." Het heeft er alle schijn van weg dat de de mensen voor het (schoolse) leren van het alfabet nog anders denken: groter, sneller, complexer - misschien genialer ? Is het dat wat Rudolf Steiner bedoelt wanneer hij zegt dat het lezen en schrijven zoals wij dat nu kennen, eigenlijk niets voor beginnende scholieren is ? Dat men de kinderen daarvoor zou moeten bewaren, minstens tot het achtste, negende, beter nog tot het tiende, elfde levensjaar(7). Is het daarom dat hij zoveel belang hecht aan een late alfabetisering ? "Bestudeert u wat Goethe als knaap geschreven heeft en hoe weinig grondig hij spraakkunst en nog veel minder hij spelling beheerste toen hij reeds tamelijk volwassen was, en dan zult u zich een ander oordeel vormen dan het oordeel dat men zich nu vormt wanneer men een jongen of meisje ziet dat reeds dertien jaar is en nog niet eens zonder fouten kan schrijven. In plaats van altijd maar te betreuren dat ze niet zonder fouten kunnen schrijven en voortdurend te vragen: wat moeten we toch doen om ze zonder fouten te leren schrijven ? - zou het veel gunstiger zijn om eens na te denken: waar steken toch de eigenlijke, de werkelijke vermogens als ze niet in de orthografie zitten ? - en dan op zoek te gaan naar dat gebied waar de werkelijke vermogens schuilen, om dan op een of andere manier de brug te vinden om dan eventueel nog datgene in die kinderen te brengen wat in die kinderen nog moet gebracht worden."(8)Lezen en schrijven moet in de mensen gebracht worden - zonder twijfel. Maar wanneer men de brug vindt en de werkelijke vermogens daartoe als werktuig gebruikt, wanneer men het lezen en schrijven niet in de kinder indrilt, maar het vanuit de rijke schat van hun aanleg laat rijpen, dan kan men . . . verwondering leren.
(1) In GA 200, voordracht van 15 maart 1922. (2) In "Erziehungstkunst" van oktober 1996. (3) Vgl. Rainer Patzlaff in "Erziehungstkunst" 10/99. (4) Geciteerd naar F. Carlgren (voorpagina van het boek "Erziehung zur Freiheit"). (5) In GA 294, voordracht van 26 augustus 1919. (6) Geciteerd naar G. Schury "Zum Diktat !"-Goethebijlage v.d. Franfurter Rundschau van 14 augustus 1999. (7) In GA 311, voordracht van 13 augustus 1924. (8) In GA 301, vragenbeantwoording na de eerste voordracht.
* * * * * * * * * * *
Over aardbevingen
door Jan Vermeir
De hieronder afgebeelde tabel geeft wereldwijd in vijfjaarlijkse grafieken het aantal aardbevingen en de kracht ervan weer voor de periode 1940-1995. Echt representatief is de tabel niet aangezien er vroeger minder seismografen geïnstalleerd waren om aardbevingen te registreren. Nochtans kan uit de grafieken afgeleid worden dat er vanaf 1965, en zeker vanaf 1970 een duidelijke toename van aardbevingen is, zowel qua kracht als qua frequentie.
![]()
De tabel bevindt zich hier. Bijwerking op 24 juni 2021 : de link hierboven werkt niet meer en bij het zoeken naar een andere link bleek dat statistisch gezien er geen sprake is van een toename van het aantal aardbevingen. We krijgen die indruk alleen omdat aardbevingen vaak in dezelfde periode optreden. Zie onderstaande links : http://www.earthquakes.bgs.ac.uk/research/earthquakeActivity.html
Bijwerking op 10 september 2025 : De veelvuldige en krachtige aardbevingen die de laatste maanden plaatsvonden, hebben ons ertoe aangezet om op te zoeken wat Rudolf Steiner zoal over aardbevingen weet te zeggen. Natuurcatastrofes zoals aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en overstromingen gebeuren niet toevallig, beweert hij, maar zij worden diep in het binnenste van de aarde teweeggebracht door werkingen die van Ahrimanische oorsprong zijn. Die werkingen zelf worden veroorzaakt door storende menselijke emoties en wilsimpulsen, die ofwel door Luciferische ofwel door Ahrimanische invloed opgewekt worden. Het werkingsgebied van Ahriman beperkt zich niet enkel tot het misleiden van de mens door deze drogbeelden over de wereld voor te spiegelen, alsof die enkel puur materieel zou bestaan zonder een geestelijke grondslag; hij werkt ook diep binnen in de aarde en veroorzaakt van daaruit natuurcatastrofen. Waar ergens zit Ahriman dan ? De aarde bestaat uit negen lagen. De bovenste, de minerale laag is zeer dun in verhouding tot het geheel. Eronder liggen acht andere lagen die uit louter immaterièle krachtvelden bestaan. De zesde laag wordt de 'vuurlaag' genoemd, en daarr zit Ahriman, daar ligt het centrum van zijn activiteiten. De vuurlaag wordt omschreven als "bestaande uit een substantie van zuiver psychische gewaarwording en wil. Zij bestaat bij wijze van spreken volledig uit hartstochten. Nu is het mogelijk dat de substantièle hartstochten van de vuur-aarde opstandig worden. Aangespoord door de heftige driften van de mensen, wringt zij zich doorheen de hoger gelegen lagen tot in de minerale laag, doet die trillen en bewerkt zo een aardbeving". (2) Om iets te weten te komen over het ontstaan van deze vuurlaag, moeten wij in de wereldontwikkeling teruggaan tot de vorige aarde-incarnatie, tot de oude Maan. De atmosfeer van de oude Maan was gehuld in een rookachtige, dampvormige nevel die een bepaalde hittegraad bezat (de vroegere Hebreeèrs noemden die nevel 'roeach', waarvan wellicht het woord 'rook' is afgeleid). Vanuit deze vuur-nevelatmosfeer stroomde onophoudelijk een soort bloedachtige substantie in en uit de toenmalige mensenlichamen. Wij kunnen dit vergelijken met het tegenwoordige in- en uitademen van lucht. Die activiteit veroorzaakte de eerste zielebelevenissen bij deze Maan-mensen: het menselijk astraal lichaam was ontstaan. Wij gaan nu opnieuw naar de Aardefase ten tijde van het Lemurische tijdvak. Dit tijdvak was een herhaling van de Maanfase, weliswaar op een hoger niveau. De vuurnevel was naar beneden gezakt en was als vuurlaag tot in de aardesubstantie gedrongen, maar het aardoppervlak was nog zo week dat die vuurlaag, onderhevig als zij was aan de emoties en de wilsuitingen van de Lemurièrs, voortdurend naar buiten drong. Maar voordat de Lemurische mens zover gevorder was dat hij door de kracht van zijn Ik schadelijke invloeden had kunnen afweren, werd hij door Lucifer benaderd (de zondeval uit de Bijbel). Luciferische wezens zijn Engelen die op de oude Maan in hun ontwikkeling zijn achtergebleven, en die wezens brachten nu schadelijke elementen van die voorbije wereldperiode over naar de mens op aarde. Aan het menselijk Ik konden zij niet raken, omdat zij zelf op de oude Maan geen Ik ontwikkeld hadden, maar in het astraal lichaam van de mens konden zij wel binnendringen. Als wij nu de schadelijke Luciferische invloeden uit ons lichaam willen bannen, dan moeten wij dat doen door middel van ons Ik. Dat konden de Lemurièrs echter nog niet; door de schadelijke Luciferische inwerking op hun astraal lichaam maakten wilde hartstochten en verderfelijke wilsuitspattingen zich van hen meester. De vuurlaag geraakte hierdoor in een chaotische toestand en ging ten slotte zo te keer dat Lemuriè door het vuur ten onder ging. Wij zijn nu miljoenen jaren verder, de oppervlakte van de aarde is ondertussen hard geworden, en de vuurlaag is geleidelijk aan naar het binnenste van de aarde gezonken, maar aardbevingen en andere natuurrampen vinden nog plaats onder invloed van een opeenhoping van ongecontroleerde emoties en wilsuitspattingen. Maar hoe zit deze samenhang nu, spiritueel gezien, in elkaar, en wat voor rol speelt Ahriman hierin ? Voor een antwoord op die vragen laten wij Rudolf Steiner aan het woord: "Laten we eens bekijken wat er gebeurt wanneer een groep mensen zich op een fanatieke wijze aan emotionele impulsen overgeeft, wanneer enkel datgene zich doet gelden wat uit de mens komt wanneer hij volledig in een irreëel bewustzijn leeft en daardoor verwoestend werkt. [ ... ] Bekijken wij eens wat er gebeurt als zulke mensen door de poort van de dood gaan. In de geestelijke wereld worden dan Luciferische impulsen binnengebracht en die werken verduisterend en verwoestend [ ... ]. Door civilisatiedwalingen wordt duisternis in de geestelijke wereld gebracht. Die mensen treden door de poort van de dood binnen in de geestelijke wereld en zijn daar omhuld door dichte, duistere wolken, waarin zij hun weg moeten zoeken. Want het licht dat Lucifer in de menselijke emoties op aarde aanstak, werkt als een dichte duisternis in de geestelijke wereld wanneer de mens daar binnenkomt na de dood. In de geestelijke wereld komen dan hartstochten binnen die alleen maar in de mens zelf zouden mogen werkken. Deze hartstochten zijn evenwel krachten die Ahriman omvormt om zich te bedienen van de oude maankrachten die nog in de aarde aanwezig zijn. Hier reikt Lucifer werkelijk Ahriman de hand. Wat door puur emotionele cultuurimpulsen wordt binnengebracht in de geestelijke wereld en eigenlijk slechts uit misleid aards bewustzijn is ontstaan, dat wordt omgezet in vulkaanuitbarstingen en aardschokken die uit het binnenste van de aarde naar boven laaien. Vanuit die wetenschap moeten wij ons de vraag stellen naar het karma van de aarde, naar het volkerenkarna en ook naar het individuele mensenkarma, voorzover dit verbonden is met het volks- en aardekarma. Wij moeten de vraag zo stellen dat wij de oorzaken zoeken in Luciferische uitwerkingen in een of ander gebied op aarde waar oude culturen vernietigd worden door menselijke emoties, waar wilde instincten fantastische nieuwe dingen willen scheppen, maar slechts verwoestend kunnen werken. Wij moeten ons afvragen: waar op aarde zal dat wat nu in de wilde hartstochten van de mensen oplaait, eens als vuuroplaaiende of bodemschokkende werking optreden ? De initiatiewetenschap mag en moet de vraag stellen: hoe is deze of gene natuurramp ontstaan ? Door oorlogshuiver en oorlogsgruwel, door andere gruwelen die zich in de geciviliseerde ontwikkeling van de mensheid hebben voorgedaan ! Want zo hangen de dingen samen."(3) Er is nog een andere invloed die aanleiding geeft tot het ontstaan van natuurrampen, en die invloed is van zuiver Ahrimanische aard. Uit occult onderzoek is gebleken dat er rond de tijd waarin zich natuurcatastrofes voordoen, zeer veel materialistisch gezinde zielen op aarde incarneren. Lage, zinnelijke naturen voelen zich bijzonder aangetrokken door de vuurlaag en wanneer deze naturen tegelijkertijd en in grote getale incarneren, dan kunnen zij de krachten van de vuurlaag ontketenen en zo een natuurramp veroorzaken. De volgende gedachte is wel speculatief, maar toch is zij het overwegen waard: in normale omstandigheden zal Ahriman als mens incarneren rond 3000 n.C. Maar indien de materialistische gezindheid op aarde voortijdig een hoogtepunt bereikt, dan zal hij zeker niet wachten tot het jaar 3000. Voor zijn incarnatie zal hij gunstige omstandigheden benutten. "Vooraleer ook nog maar een deel van het derde millennium voorbij zal zijn" en:"wat zich nu al voorbereidt en zeer zeker zal plaatsgrijpen in een niet al te verre toekomst, is de werkelijke incarnatie van Ahriman", aldus Rudolf Steiner in 1919.Het lijdt geen twijfel dat Ahriman zich bij zijn komst op aarde zal laten vergezellen van een ganse schare van aanhangers en volgelingen, met name de materialistische zielen die samen met hem zullen incarneren. Mogen wij uit de golf van natuurrampen die zich de laatste tijd voordoen, besluiten dat de incarnatie van Ahriman nakende is ? Enkele vragen Is het toeval dat de ene mens wel, en de andere niet het slachtoffer van een natuurramp wordt ? Op blz. 89 van "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" lezen we: "Ik ben slechts een schakel in de gehele mensheid en medeverantwoordelijk voor al wat geschiedt". ik draag niet alleen mijn persoonlijk karma met mij mee, ik deel ook mee in het lot van mijn volk, ik deel mee in het lot van de ganse mensheid, en in zoverre ik mij laat beïnvloeden doot Lucifer en Ahriman, is mijn lot ook met het hunne verbonden. Als wij het lot beschouwen van mensen die omgekomen zijn ten gevolge van natuurcatastrofen, dan zijn wij geneigd te veronderstellen dat wat hun overkomen is, het gevolg is van hun eigen daden, dat het in hun persoonlijk karma lag. Maar uit occult onderzoek blijkt dat dit nu meestal niet zo is. De schuldigen worden meestal niet door zo'n rampen getroffen, omdat zij wellicht leven in gebieden waar zo'n rampen zich niet voordoen. De onschuldigen worden getroffen; daardoor lossen zij echter een deel van het gezamenlijk mensenkarma af. Maar daardoor kunnen zij ook hun persoonlijk karma niet aflossen aangezien zij vroegtijdig uit het leven worden weggerukt. Zo'n mens treedt dan door de poort van de dood de geestelijke wereld binnen met onverbruikte ether-, astrale en Ik-krachten. De goden moeten nu vaststellen dat daar iets gebeurd is wat niet in de lijn van de normale ontwikkeling lag. Maar alles wordt vereffend, en die onverbruikte krachten worden door de goden ingevoegd in het toekomstig karma van die getroffen mensen. Die treden dan in een volgende incarnatie in het leven met veel grotere talenten en eigenschappen dan die hun normaal gezien zouden toebedeeld geweest zijn. Velen ervan groeien in hun volgend leven zelfs uit tot bijzonder spirituele persoonlijkheden. Kan een ingewijde een nakende natuurramp voorzien ? Ja, dat kan hij, tenminste als hij opgeklommen is tot een voldoende hoge graad van inwijding, en dan nog behoort dit tot de moeilijkste onderzoekingen op occult gebied. En ingeval een ingewijde een natuurramp kan voorzien, mag hij de bevolking dan waarschuwen voor dit gevaar? Rudolf Steiner: "De zaak is zo, wat dergelijke gebeurtenissen betreft, dat vanuit de inwijdingsplaatsen hooguit twee tot drie keer in een eeuw iets kan gezegd worden. Want u moet bedenken dat deze dingen nu eenmal samenhangen met het mensheidskarma zelf, en dat zo'n catastrofe, indien die ergens zou kunnen vermeden worden, dan op een andere plaats in een ander onheil zou moeten opduiken. Door zo'n catastrofe vooraf aan te kondigen zou er feitelijk niets veranderen. En bedenkt u op welke vreselijke wijze in het karma van de ganse aarde zou worden ingegrepen indien er tegen zulke verschijnselen menselijke maatregelen getroffen zouden worden ! De terugslag zou verschrikkelijk zijn, en zou des te vreselijker zijn wanneer een hoge ingewijde die een aardbeving zou voorzien, van zijn geheime kennis gebruik zou maken ten voordele van zichzelf of zijn verwanten. Wetend moet hij mee ten onder gaan, dat is vanzelfsprekend. Want deze dingen die sedert duizenden en miljoenen jaren in het mensheidskarma verankerd zitten, laten zich niet uitschakelen door maatregelen die genomen worden binnen een beperkte mensheidsperiode." (4)
De aarde is ontstaan opdat wij mensen daarop onze mensheidsontwikkeling zouden kunnen verwezenlijken. Nergens anders hebben wij de mogelijkheid daartoe. Daarom zijn wij veel aan de aarde verschuldigd; wij moeten haar in ere houden en wij kunnen dat door o.a. te trachten de vuurlaag van de aarde in bedwang te houden, of deze tenminste niet al te veel te verstoren. Wij kunnen dat door enerzijds onze ziel te zuiveren van wilde emoties, door moreel beter te worden, en anderzijds door een gezonde oordeelskracht te ontwikkelen. Anders uitgedrukt: door de Luciferische en Ahrimanische invloeden te weerstaan. "Er is slechts één macht waarvoor Lucifer zich terugtrekt en dat is de moraliteit. Daar brandt Lucifer zich aan als aan een vreselijk vuur. En er is geen middel om Ahriman te weerstaan dan door geesteswetenschappelijk geschoolde oordeelskracht, dat jaagt Ahriman op de vlucht. Hij heeft nergens zo het land aan dan aan wat we ons door gezonde scholing van ons Ik-bewustzijn veroveren ... Op het moment dat Ahriman in aanraking komt met wat we ons op aarde als gezond oordeelsvermogen hebben verworven, schrikt hij hevig, want dat is iets onbekends voor hem, daar is hij zeer bang voor." [ ... ]
(1) http://quake.geo.berkeley.edu/cnss/maps/hist/hist.gif (2) Uit: GA 95, "Vor dem Tore der Theosophie". (3) Uit: GA 236, "Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge, Band II". (4) Uit: GA 107, "Geisteswissenschaftliche Menschenkunde". * * * * * * * * * * *
Koning Boudewijn en de toekomst van België
Alexander Strakosch (1879 - 1958) had het geluk om tussen 1908 en 1925 ontelbare ontmoetingen en gesprekken met Rudolf Steiner te hebben. Hij nam deel aan de congressen van zowel de theosofische als later de antroposofische beweging, hoorde honderden voordrachten, begeleidde Steiner op zijn reizen. Hij maakte de eerste bouwschets van het Goetheanum (hij was oorspronkelijk ingenieur van beroep) en hij verliet als laatste het brandende Goetheanum. Hij gaf zelf vele voordrachten en werd door Rudolf Steiner als leerkracht in de eerste Waldorfschool in Stutgart opgenomen. Zijn vrouw, Maria Strakosch was een leerling van Kandinsky, en door haar bleef hij ook betrokken bij de ontwikkeling van de antroposofische kunstimpuls. Omdat hij Jood was moest hij in het begin van de jaren dertig emigreren, hij ging naar Dornach. In zijn memoires(1) beschrijft hij het overlijden van de oude keizer van Oostenrijk, Franz Joseph I, en de indruk die deze gebeurtenis maakte op de bevolking. Onwillekeurig dachten wij hier aan België. Zijn er parallellen ? Oordeelt u zelf ...
In november 1916 stierf de oude keizer Franz Joseph I. Hij had bijna 70 jaar geregeerd. Op het verloop van de Eerste Wereldoorlog had deze gebeurtenis geen directe invloed, die ging maar door. De troonsopvolging was geregeld, en de neef van aartshertog Franz Ferdinand, die in 1914 in Sarajevo vermoord was, besteeg als Karl I de troon. Maar op de stemming van het volk werkte dit afserven deprimerend. Voor het volk was de oude keizer een soort symbool voor Oostenrijk geworden, en de overtuiging heerste dat, zolang hij leefde, de monarchie zou bestaan, niet langer. Dit werd maar al te vlug bewaarheid. De keizer had zelf niet veel voeling met zijn volkeren. Sinds de moord op de keizerin in Genève (1898) had hij een zeer teruggetrokken leven geleid en zich nog meer dan daarvoor toegelegd op het werk. Zeer vroeg in de morgen begon reeds zijn arbeid, ongelooflijk veel regelde hij zelf, en altijd weer hoorde men uit zijn omgeving hoe precies hij alles wist, dat hij van alles op de hoogte was. Even streng was hij met zijn medewerkers, die dikwijls zuchtten onder zijn pedante preciesheid, niet het kleinste detail ontsnapte aan zijn aandacht. Het oude Spaanse hofceremonieel werd tot in het privéleven nageleefd, en wanneer de hofarts in het holst van de nacht opgeroepen werd en hij verscheen niet onberispelijk aangekleed, dan was de keizer zeer onwillig. Slechts in de omgang met zijn vriendin Katharina Schratt, die samen met hem oud was geworden, permitteerde hij zich om een mens onder de mensen te zijn. Van hem en zijn levenswijze ging iets als rust uit en het volk voelde zich als geborgen zolang door hem alles zijn gang ging, ondanks de binnen- en buitenlandse moeilijkheden. Zijn verhouding tot de door hem geregeerde volkeren was om zo te zeggen bovenpersoonlijk. Het is daarom begrijpelijk dat zijn dood niet zozeer menselijk smart om een verlies uitlokte, maar des te meer een duistere stemming. Men had het gevoel dat er niet eigenlijk een mens, maar een tijdperk ten grave werd gedragen. Wij woonden toen rechtover het slot Schönbrunn, waar de keizer zijn laatste dagen doorbracht. Het park waar hij zijn ochtendwandeling maakte bleef open voor iedereen, behalve de kleine privétuin. De toegang liep door de inrijhal van het slot. Tijdens de laatste ziekte van de keizer heerste daar de grootste stilte, iedereen wachtte het onvermijdelijke af. De dagelijkse wachtparade verliep toch al op de hofburg in de binnenstad; in Schönbrunn werd de kleine slotwacht in alle stilte afgelost; binnen in het slot waren er slechts enkele burggendarmes, en voor de zaalingangen stonden de "Trabanten" in rode uniformen met zwart en gouden strepen schuin over de borst en hellebaarden. De dode keizer liet men op zijn eenvoudig veldbed rusten en pas de volgende avond werd hij overgebracht naar de hofburg voor het plechtige opbaren. Er bevonden zich slechts weinig mensen voor het slot in dit late uur, de meesten wachtten in de lange Mariahilferstraat. Ik stond aan het portaal en kon goed al de door kaarsen helverlichte kamers zien waardoor de kist vanuit de sterfkamer naar het trappenhuis werd gedragen. Vóór het hoofdportaal wachtte de prachtige lijkwagen van de keizer, bespannen met acht grote paarden van het oude napolitaanse ras: ramshoofden, lange staart en manen. In de hofstallingen stonden zij in een hooggewelfde koepelruimte. In de tegenoverliggende vleugel stonden de acht schimmels die de keizerlijke praalwagen trokken tijdens de processie op Sacramentsdag. Bij het hekken was een eskadron dragonders in veldgrijs uniform opgesteld. Stil werd de kist op de wagen gehesen, zonder commando's zette de stoet zich in beweging, de lijkwagen volgde. De stalmeester van de keizer, in parade-uniform, had het leidpaard van het voorste paar persoonlijk bij de teugel, daarna kwamen enkele hofequipagen. Bij alle paarden waren de hoeven met stro omwonden, geen hoefslag weerklonk, slechts een zacht trappelen dat de stilte bijna nog versterkte. De stoet verdween in de nacht, de lichten in het slot werden gedoofd. Het overbrengen van de hofburg naar de grafkelder van de Capucijnen vond plaats bij klaarlichte dag. Voor de laatste maal was de prachtige ceremonie van de garden te zien; de Oostenrijkse en de Hongaarse bereden lijfwacht trokken voorbij, allen op witte Lippizaner paarden, de Hongaren in rood-goud uniform, met het pantervel links over de schouder. In totale tegenstelling tot deze praal was nu de ontvangst aan de grafkelder van de Capucijnen, volgens een oeroud ritueel, dat bijna aan mysteriegebruiken herinnert. De poort was gesloten. De aanvoerder van de lijkstoet klopte aan de poort. Daarachter stond de abt met de monniken: "Wie verlangt om binnengelaten te worden ?" weerklonk het. "De keizer van Oostenrijk.' "Die ken ik niet." "De koning van Hongarije." "Die ken ik niet." Dan volgden alle wereldlijke titels, met telkens hetzelfde antwoord. Tenslotte klonk buiten (de juiste woorden herinner ik mij niet meer precies): "Een arme ziel, die om de genade van de Heer smeekt." "Dat ze binnentrede." Voor de laatste maal werd deze diep-ernstige handeling volgens een eeuwenoud gewijd gebruik voltrokken. Franz Josephs opvolger stierf in verbanning op Madeira. Het volk had het juiste voorgevoel gehad, niet alleen een leven, nee, een tijdperk was afgelopen. Al spoedig, men weet niet waar, ontstond de uitdrukking -echt Oostenrijkse zelfironie: "Oostenrijk heeft een grote toekomst achter zich !" Het was maar al te waar. Naar samenstelling, naar ontstaansgeschiedenis was de Oostenrijks-Hongaarse monarchie geroepen om een voorbeeld te geven van hoe de meeste verscheiden volkeren in één staat konden samenleven en mekaar konden respecteren, niet slechts vier volkeren zoals in Zwitserland, maar meer dan een dozijn, in een reusachtig land dat in het westen aan Zwitserland grensde, in het oosten aan Rusland, in het zuiden aan Servië en Montenegro. Een bindmiddel tussen de oude cultuur van Midden-Europa en de zich opwerkende volkeren van het Oosten had de monarchie moeten zijn. Met de oude methodes was dat niet te verwezenlijken, en de nieuwe ideeën die het wel hadden mogelijk gemaakt, waardoor alle volkeren binnen en buiten dit staatswezen aan het voortbestaan van Oostenrijk geïnteresseerd zouden gebleven zijn, werden weliswaar onder de aandacht van de leidende persoonlijkheden gebracht, maar door dezen niet aangenomen. En Oostenrijk viel uiteen. De spanningen tussen de verschillende delen waren te groot geworden. Velen waren van oordeel dat slechts het uitbreken van de oorlog het land nog een korte wijle had samengehouden. Men liet ook deze periode van een laatste kans verstrijken. De nieuwe ideeën die toen nodig waren, hadden het levenslicht gezien, ontsproten uit het geestelijk schouwen van Rudolf Steiner, uit zijn klare, diepe blik in de werkelijkheid, in de omstandigheden en noden van het ogenblik. Na de ineenstorting van november 1918 had ik dan gelegenheid om met vele mensen te spreken over de idee van de driegeleding van het sociale organisme. Onder hen bevond zich ook een man die actief was in het politieke leven en tevens in het cultuurleven. "De antroposofie kan ik niet opnemen", zei hij mij, "maar desalniettemin hou ik Rudolf Steiner voor de grootste geest van onze tijd, want niemand heeft zoals hij gezien wat er ontbreekt." En toch kon deze heer zich niet opwerken tot de nieuwe ideeën, hij zag het heil in het marxisme. Rudolf Steiner schonk altijd in meer dan rijke mate, wanneer men hem met een vraag benaderde, maar hij drong nooit zijn gedachten op, hij illustreerde in levende lijve het woord van Goethe: "Wat is je plicht ? Dat wat het ogenblik van je vraagt." (Wilhelm Meister)(2) Dat is niet op te vatten in de zin van een Kant'se imperatief, maar zo dat de vrije mens als zijn plicht beschouwt, in liefde alles te geven wat hij maar kan, daar waar het nodig is, waar het aangenomen wordt. Het gaat erom aan het inzicht in de waarheid, de vrije helperswil te doen ontbranden. Aan wie zich zo probeert in te stellen openbaart het leven vele noodzakelijkheden. Wanneer men uit vrije liefde wil doen wat men als een noodzaak ingezien heeft, dat mag men geestelijke vrijheid noemen. [ ... ] (1)Lebenswege mit Rudolf Steiner - Erinnerungen, Verlag am Goetheanum, 1994. (2) "Was aber ist deine Pflicht ? Die Forderung des Tages." * * * * * * * * * * *
De waarde van goede gedachten
Wie antroposofie leert kennen door de werken van Rudolf Steiner, en verder in het gewone beroepsleven staat waar hij dag in dag uit geconfronteerd wordt met materialistisch gezinde mensen, die zou wel eens aan het dromen kunnen gaan: wat een vreugde het toch zou zijn om te kunnen werken met mensen die allemaal naar een geestelijk doel streven. Wanneer deze persoon dan het geluk -of het ongeluk, of misschien nog beter: het karma- heeft om beroepshalve terecht te komen in een antroposofisch instituut zoals een school of een verzorgingsinstelling, dan zou hij wel eens raar kunnen opkijken, desgevallend diep teleurgesteld worden. In plaats van minder klein-menselijke trekjes zou hij er hier wel eens méér kunnen aantreffen. Rudolf Steiner legt uit hoe dat komt.
[ ... ] Het was in de eerste fase van de antroposofische ontwikkeling zo, dat werkelijk de antroposoof zich meestal in twee mensen opsplitste. Hij was bvb. bureauchef of zo iets dergelijks, zoals men tegenwoordig die dingen noemt, en hield zich met dat soort zaken bezig, hij liet zijn wilsimpulsen in de banen lopen die de uiterlijke levensomstandigheden, de uiterlijke levenspraktijk vragen. Die levenspraktijk ontwikkelt zich al enkele eeuwen, maar de mens wil er met het innerlijkste van zijn ziel aan ontsnappen. Maar daar steekt hij nu in, met zijn wil zit hij erin. Daar kunnen we niet naast kijken: de wil is met dit alles uitermate versmolten. Met datgene waarmee men als bureauchef van 's morgens tot 's avonds bezig is, daarmee versmelt de wil. Men hoeft niet bureauchef te zijn, men kan schoolmeester of professor zijn, men doet dan misschien 'denkwerk'; maar in dit denken, voorzover het in het uiterlijke leven staat, vloeit ook een wilsimpuls. Zodoende is de wil dan toch daarbuiten gebleven en juist omdat de ziel de eigen wilsrichting wou ontvluchten, ging ze met gevoel en gedachte naar de Antroposofische Vereniging. Nu had men aan de ene kant de wilsmens en aan de andere kant de gevoels- en gedachtemens. Velen voelden zich zelfs buitenmate gelukkig op die manier. Hoe verheugden zich vele kleine sekte-achtige groepjes niet, wanneer ze konden samenkomen, nadat ze hun wilsmens dus in de meest triviale levensstromingen hadden beziggehouden, wanneer ze dan zich konden samenzetten en " gedachten uitstuurden, goede gedachten uitstuurden". Men vormde dergelijke kransjes, zond gedachte uit, goede gedachten, men ontvluchtte het uiterlijke leven in een leven dat, ik zeg niet dat het onwerkelijk is, maar dat slechts in gevoelens en gedachten leeft. De mens splitste zich echt in twee, één ging alle dagen naar het kantoor of zo, en de andere ging naar de antroposofische lees- of studiegroep en leidde daar een totaal ander leven. Toen nu bij een aantal mensen de drang ontstond om uit het antroposofische denken en voelen iets levenskrachtig door de wil te stichten, toen moest men de wil terug opnemen in de gehele mens. Daar ontstonden conflicten. Het is verhoudingsgewijs gemakkelijk om goede gedachten uit te sturen naar iemand van wie men weet dat hij een uitstap in de bergen maakt opdat hij zijn benen niet zou breken. Maar deze goede gedachten nu ook in de wil te sturen die iets direct uiterlijk, iets materieel maakt, zodat dit materièle zelf doordrongen wordt van iets geestelijks door de kracht van de mens, dat is het moeilijke. En daardoor mislukte veel in de derde fase van de Antroposofische Vereniging. Want noch aan intelligentie, noch aan genieèn ontbrak het -ik zeg dat heel eerlijk en oprecht- maar aan het laten instromen van genie en intelligentie in een krachtige en onbuigzame wil, daar ontbrak het aan. Bekijkt u de zaak eens, laat ons zeggen, van het standpunt van het hart: wat een verschil ! Bedenkt u, iemand heeft een uiterlijk leven dat hem hartsgrondig ontevreden maakt. Hartsgrondig ontevreden kan hij gerust zijn, niet alleen omdat andere mensen hem een kwelling zijn, omdat de dingen onvolkomen zijn, maar ook omdat het leven nu eenmaal niet alles zeer gemakkelijk maakt. Nietwaar, het leven is niet altijd een zacht rustbedje. Leven, dat is arbeiden. En nu heeft hij dit leven en aan de andere kant de Antroposofische Vereniging. Dan gaat hij naar de Antroposofische Vereniging: door de deur draagt hij daar de ontevredenheid binnen. Daarbinnen is hij als voelende en denkende mens tevreden omdat hij daar werkelijk heeft wat het terecht ontevreden makende uiterlijke leven niet geeft. Dat heeft hij nu in de Antroposofische Vereniging. Hij heeft zelfs het voordeel dat daarbinnen de gedachten zeer gemakkelijk uitvliegen, terwijl die anders in de ruimte hard tegen de onmacht van de wil opbotsen. De gedachten vliegen zeer gemakkelijk wanneer men ze uitstuurt opdat de mensen die in de bergen wandelen hun benen niet zouden breken. Daar gaan ze gemakkelijk naartoe, de gedachten, zonder moeite, over gans de wereld. En dan is men tevreden. Dat geeft meer tevredenheid dan het uiterlijke leven dat terecht ontevreden maakt. Nu, dan komt de Antroposofische Vereniging, en die richt zelf dingen op waar men met de wil in zit. Nu moet die persoon dus niet daarbuiten bureauchef zijn, dan naar de Antroposofische Vereniging komen en ontevreden kunnen zijn over het werk als bureauchef -ik zeg niet: kunnen schelden op, hoewel dat ook misschien kan voorkomen- nu moet hij dus beide in de Vereniging hebben, en nu moet hij binnen de Vereniging niet met een nuance van onbevredigd-zijn, maar met de nuance van tevreden-zijn leven. Dat was noodzakelijk, wilde de Antroposofische Vereniging tot de daad overgaan. En dat heeft ze gewild sinds 1919. En dan ontstaat iets zeer merkwaardigs dat misschien alleen in de Antroposofische Vereniging kan bemerkt worden: dan ontstaat het merkwaardige dat die persoon niet meer weet wat hij met die portie ontevredenheid moet doen die een mens nu eenmaal graag koestert. Want hij kan het toch niet aan de Antroposofische Vereniging zelf toeschrijven, dat die hem ontevreden zou maken ! Maar het blijft daarbij niet, dat doet hij dus juist wel, hij schuift de reden voor zijn ontevredenheid in haar schoenen. Wat er zou moeten ontstaan dat is nu die innerlijke trap van de menselijke ontwikkeling die het werkelijk brengt van gedachte en gevoel tot de wil. En als de antroposofische weg op de juiste manier wordt gevolgd, dan wordt dezetrap bereikt, dan geraakt men van gedachte en gevoel tot de wil. U ziet overal in wat gezegd wordt in "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" dat daar geen enkele ontwikkeling van het denken nagestreefd wordt die niet tegelijk een ontwikkeling van de wil is. Maar de moderne mensheid lijdt eigenlijk aan twee kwalen, aan de beide kwalen die in de Antroposoifische Vereniging moeten overwonnen worden. De ene is de angst voor het bovenzintuiglijke ... [ ... ] De andere is, ondanks de vele uitingen van de wil die echter eigenlijk dikwijls maskeringen zijn, de wilzwakte en de innerlijke wilsverlamming van de moderne mens. En ik zou willen zeggen, deze beide noodlottige eigenschappen van de moderne beschaving en cultuur, die moeten juist bij het antroposofische leven overwonnen worden. Wil het antroposofische leven praktisch worden, dan is het nu eenmaal noodzakelijk dat de levenspraktijk geboren wordt uit een onbevreesd inzicht en uit een sterke wil. Maar dat veronderstelt dat men leert om op antroposofische wijze met de wereld te leven. Voordien heeft men geleerd om antroposofisch te leven door de wereld te ontvluchten. Maar men moet ook op antroposofische wijze met de wereld leren leven, uitdragen in de wereld, in het dagelijkse leven, in de gewone praktijk van het leven, de antroposofische impuls. Men moet dus daadwerkelijk de mens die men opgesplitst heeft in een antroposoof en in een praktische mens, terug verenigen in een mensenwezenheid uit één stuk. En dat bereikt men nooit of nooit wanneer ergens als antroposofisch leven een leven plaats grijpt als ware het eigenlijk afgesloten, door hoge vestingmuren omsloten waarover men niet kan kijken. Dat moet in de Antroposofische Vereniging overwonnen worden. Men moet zijn ogen open houden voor wat in de omgeving, in de rest van de wereld gebeurt. Dan zal men ook tot de gepaste wilsimpulsen komen." [ ... ]
uit: GA 257, "Anthroposophische Gemeinschaftsbildung", vierde voordracht, 13 februari 1923. * * * * * * * * * * *
Waarom zijn "helderzienden" niet altijd te vertrouwen ?
Vele mensen met persoonlijke problemen durven zich wel eens wenden tot een zgn. helderziende, een medium, paragnost, mensen van wie beweerd wordt dat ze bovennatuurlijke gaven hebben. Zeer vaak komen ze van een kale reis terug. Behalve wat algemeenheden die om 't even wie met een beetje mensenkennis hun had kunnen vertellen, hebben ze niets spectaculairs gehoord. Dat is nog het beste geval: veel erger is het wanneer er een specifieke raad gegeven wordt, of wanneer er zeer concreet over de geestelijke wereld bericht wordt. Want de meeste van die zgn. helderzienden beschikken inderdaad over een bepaalde gave, maar hebben vaak niet de juiste scholing om correct met hun gave om te gaan. En dan sluipen de fouten binnen in het geestelijk onderzoek. Friedrich Rittelmeyer (1872-1938) nam in 1922 de leiding van de Christengemeenschap op zich. Hij deed jarenlang de oefeningen die vermeld staan in het boek van Rudolf Steiner "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" en lette nauwkeurig op veranderingen o.m. in zijn droomleven. Hier zien we hoe gemakkelijk men tot verkeerde gevolgtrekkingen komt. Het eerste fragment komt uit: "Meine Lebensbegegnung mit Rudolf Steiner". Het tweede, over zijn ervaringen met spiritisme, uit: "Gemeenschap met de gestorvenen".
[ ... ] "In die tijd droomde ik eens dat ik aan Rudolf Steiner vroeg welke zijn vroegere incarnaties waren. Hij antwoordde: Pythagoras en Menander. Toen ik ontwaakte stond deze droom nog levendig voor mijn geest. Ik vroeg mij af of dat met de werkelijkheid zou kunnen overeenstemmen. Pythagoras ? Dat had nog kunnen kloppen, hoewel ik tot dan toe tenminste niet bewust daaraan gedacht had. Maar Menander ? Wie zou dat toch kunnen zijn ? Ik zocht het op in de encyclopedie en vond twee Menanders, een blijspeldichter en een redenaar. Maar ze leefden alletwee zo kort voor of na Pythagoras, dat stemde dus niet overeen met de andere inzichten uit de antroposofie. Zou het misschien gaan om koning Milinda die met Boedha dat opmerkelijke gesprek gehad heeft ? Enkele weken later had ik de gelegenheid om met Dr. Steiner te spreken. Ik vertelde hem over mijn droom. Hij wilde weten wanneer precies ik dat gedroomd had, en ik deed mijn best om het juiste tijdstip aan te geven. "Met mijn incarnaties heeft dat niets te maken", zei hij, "maar die bewuste nacht heb ik mij zeer intensief bezig gehouden met Pythagoras en Menander, niet alleen wetenschappelijk." "Om welke Menander ging het dan ?" vroeg ik en was benieuwd of Rudolf Steiner ze alletwee zou kennen die ik alleen maar vanuit de encyclopedie kende. "Het is de taalonderzoeker. Ik was op een taalprobleem gestoten, en vandaar dat ik contact met hem zocht." Zo een klein voorval geeft te denken. Voor mij was het vooral belangrijk omdat ik duidelijk zag hoe gemakkelijk vergissingen binnensluipen in geestelijke ervaringen. Want blijkbaar was de eigenlijke geestelijke indruk: Steiner, Pythagoras, Menander. Maar vooraleer deze indruk zuiver gevat werd, had ik er al een vraag naar vroegere incarnaties aan vastgeknoopt. Die vraag ontsprong echter uit een nieuwsgierigheid die half onbewust in mij leefde. Pas door deze interesse was ook de indruk sterk genoeg geworden om door het bewustzijn te worden gespiegeld. Toen ik achteraf terugdacht aan de volledige ervaring dan kon ik duidelijk het verschillend geesteskarakter van de twee sferen onderscheiden, de interessesfeer en de objectieve sfeer, en zo kon ik een eerste maatstaf hanteren om echte geestelijke ervaringen te onderscheiden van valse. Dergelijke ervaringen maakten mij duidelijk hoe terecht de aanwijzing van Rudolf Steiner was dat niemand tot correcte indrukken van de geestelijke wereld kan komen die "de Wachter op de Drempel" niet gepasseerd is. Alleen dan kan hij de "verkleuringen" bemerken, die uit zijn persoonlijkheid stammen. In de grond zijn immers de twee "Wachters op de Drempel", die velen zo raar schijnen, niets anders dan de twee christelijke ervaringen boete en geloof, maar dan op een zeer hoog niveau." [ ... ]
Friedrich Rittelmeyer stelt vast dat de moderne cultuur ieder weten omtrent een geestelijke wereld verloren heeft, en vraagt zich af op welke manier we terug contact kunnen leggen met die wereld.
[ ... ] "Eens had de Kerk zelf verklaard: de mens heeft geen geest, alleen een lichaam en een ziel "met enkele geestelijke eigenschappen". Zo besliste het concilie van Constantinopel in het jaar 869. Dit was het duidelijk begin van de weg naar beneden. Tegenwoordig verklaart de wetenschap, de lijn van de Kerk verder vervolgend: er is geen ziel, er is alleen een lichaam "met enige psychische eigenschappen". Reeds Nietzsche, in wie het hart van de tijd zich wilde uitspreken, had zichzelf gedwongen om de hoogste openbaringen van zijn geest te beschouwen met een blik zonder ziel: "Het lichaam is vol geestdrift, laat ons de ziel erbuiten houden". "Ziel is alleen maar een woord voor een kleinigheid aan het lichaam". Is er nergens een waarachtige wetenschap over de wereld, die deze ontzettende verkondiging, waaruit ons de dood van de gehele mensheid als uit een afgrond aangaapt, kan bestrijden ? Het spiritisme kwam en bood zich aan als antwoord. Slechts met veel tegenzin heb ik mij begeven in deze zwoele, nevelige wereld omdat men mij er als zielezorger bij had geroepen: "Wij zijn wel gedwongen deze verbluffende onthullingen voor de taal van een hogere wereld te houden ! De nood dwingt ons om een deskundig oordeel te vragen !" Wat wij beleefden was inderdaad schokkend genoeg. Er verschenen geesten alsof ze alleen maar voor de deur hadden gewacht om met ons te spreken. er was geen kloof meer tussen de levenden en de doden. De verwonderlijkste boodschappen drongen binnen door de geopende poort. Onze ziel scheen open en bloot te liggen voor deze bovenaardse wezens. Voorbije, al lang vergeten dingen brachten zij aan het licht. Het toekomstige spraken zij uit. De andere wereld schonken zij. Men kon goed begrijpen dat honderden mensen te midden van de wereld van de Europese wetenschap bij zulke gebeurtenissen opnieuw aandachtig begonnen te luisteren en verbaasd een vermoeden begonnen te krijgen van hogere werelden. Bij de vele séances die ik toen als zielzorger met de meest verschillende 'geestenzieners' moest meemaken, bleek dat bijna de helft van hun verrassende mededelingen aantoonbaar juist was, de andere helft was niet te verifièren en onzeker, slechts weinige waren er helemaal naast. Is voor de hedendaagse mens het spiritisme een weg die toegang geeft tot de hogere wereld ? Wanneer ik niet reeds toen de geesteswetenschap van Rudolf Steiner had gehad, dan zou ik een slechte raadsman voor de mensen zijn geworden en geen helper voor de beklagenswaardige 'mediums'. Want vooral dezen hebben een beschermende begeleiding nodig - wanneer ze zich die laten welgevallen. En enkelen lieten het zich inderdaad dankbaar welgevallen, en werden verlost uit de duistere, moerassige toestand waarin hun zieleleven bevangen was. Want wat in spiritistische séances plaats grijpt, heeft met de doden zo goed als niets te maken. Wanneer de 'geestenzieners' hun gewone dagelijkse bewustzijn verlaten en zich overgeven aan wat zich in hun ziel golvend heen en weer beweegt, dan treffen zij meestal in de eerste plaats datgene aan wat onbewust in de zielen van de aanwezigen leeft, en halen hieruit als duikers blindelings het een of ander omhoog. Of door telepatische begoocheling zien ze iets wat kort geleden gebeurd is, of binnenkort mogelijk is. Ook naderen allerlei lagere geestelijke wezens, en trekken hun ziel met zich mee. Fragmenten van het subtiele geestelijke schrift, dat van alles wat gebeurt ingegrift blijft in de fijnere substanties van het heelal, drijven bedrieglijk voorbij. Op een dwaalspoor worden zij gebracht door hetgeen hun tegemoet golft van wat door de gestorvenen achtergelaten is in de lagere gewesten van de geestelijke wereld: de hogere omhulsels van de overledenen, die zij moesten verlaten om op te stijgen, die echter als zieleweefsels nog voortleven in de omtrek van de aarde en vol zijn van herinneringen aan het voorbije leven. Maar bijna nooit bereiken zij werkelijk het land waar nú de doden wonen. En nooit zullen zij onderscheiden wat er nu eigenlijk op hun ziel is afgekomen. Omdat de doden de diepste belangstelling van een mens opwekken, daarom denken de mediums bij alles wat hun uit de onzichtbare wereld toestroomt dadelijk aan een overledene. Wanneer ze werkelijk zouden kunnen doordringen in het rijk der doden, dan zouden ze daar met hun al te menselijke vragen en hun plompe aardse interesse de grootste schade aanrichten. En ongetwijfeld richten zij schade aan op aarde. Ook al zijn er enkele mensen langs deze weg doorgedrongen tot de wijsheid van Hamlet* dat er meer dingen tussen hemel en aarde zijn dan onze leraren zeiden en zelf wisten, toch wordt dit weten gekocht voor de prijs van massa's ongezonde sensaties in de mensheid en een grote troep van misleidingen en dwalingen, ten koste van ernstige psychische storingen vooral bij de mediums zelf. Wat zij doen maakt hen onvermijdelijk steeds meer dromerig, zwak van wil, ja lichamelijk en geestelijk ziek. Zij staan in aanzien als orgaan van de geesten, maar worden vervolgens het slachtoffer van menselijke zelfzucht. Men helpe hen, wanneer zij althans geholpen willen worden; laat niemand zich schuldig maken aan zielemoord. Maar één ding is zeker: men zal van het spiritisme nooit afkomen door de politie of door de gebruikelijke ondeskundige voorlichting van wetenschap of kerk, maar alleen door een heldere geestelijke kennis, die deze gebieden werkelijk belichten kan, zoals de antroposofie in staat is dseze op het juiste ogenblik aan de mensheid te brengen." [ ... ]
* Hamlet, eerste bedrijf, vijfde toneel: "There are more things in heaven and earth than are dreamt of in your philosophy ..." * * * * * * * * * * *
Nog eens over de dwaalwegen van het geestelijk streven
Uit: GA 253, "Probleme des Zusammenlebens in der Antroposophischen Gesellschaft", voordracht van 12 september 1915. Rudolf Steiner legt uit met een voorbeeld op welke manier men zelfstandig een bepaalde waarheid kan achterhalen. Daarmee is hij op het einde van zijn voordracht gekomen. Hij besluit: [ ... ] " Ziet u, beste vrienden, tot een dergelijk resultaat kan men komen wanneer men slechts op de juiste manier doordenkt wat in de boeken en cycli gegeven is. Wanneer men niet alleen maar leest en leest en leest en het gelezene dan combineert, maar wanneer men verder denkt en de dingen samenbrengt zoals ze zich door hun eigen natuur openbaren. Door zo te doen, doet men nog iets anders: men spant zich werkelijk in, en deze inspanning heeft een resultaat, namelijk dat de ziel zelfstandig gemaakt wordt, dat men nu werkelijk door eigen innerlijke arbeid de weg vindt om de ziel zelfstandig te maken. Maar arbeid is daartoe noodzakelijk, werkelijk ingespannen arbeid. En altijd weer moet er de nadruk op gelegd worden: niet slechts door zich passief over te geven, maar door het werkelijk actief verwerken vanuit de eigen zielekrachten maakt men de geestelijke wereld los van de fysieke. Het is dus het daadkrachtige zich eigen maken van de geestelijke wereld waar het op aankomt. Men mag nu eenmaal niet schuwen dat wat beschikbaar is te doorwerken wanneer men werkelijk in de geestelijke wereld wil geraken, en het in samenhang te brengen met alles wat men in het leven geleerd heeft. Zoniet zou gemakkelijk de dwaasheid kunnen optreden dat iemand tot de mening komt dat hij de gereïncarneerde Homeros is, maar dat hij nu niets moet doen om te tonen dat er iets van het genie van Homeros in hem borrelt. Hij zou zelfs kunnen denken: ja, toentertijd, als Homeros, heb ik veel gewerkt, en nu zit ik in een incarnatie waar ik mij rustig op een mystieke sofa kan overgeven aan gefantaseer. Wanneer men probeert actief en daadkrachtig zich door te worstelen door de beschikbare werken, dan wordt men niet verleid door allerlei mystieke onzin, integendeel, men wordt tot op een punt gebracht van waaruit men een juiste verhouding verkrijgt van hoe de waarheid in de geestelijke wereld voor de mens in diepere zin bedoeld is. En dan zal men zien dat men zo sterk mogelijk moet ijveren om de gewoontes, de denk-, gevoels- en gewaarwordingsgewoontes van het fysieke vlak niet te vermengen met de eigenaardigheden van de geestelijke wereld. Deze gezindheid is het, waar het om gaat. En deze gezindheid, wanneer wij ze eenmaal bereikt hebben, beste vrienden, drijft ons weg van alle charlatanerie t.o.v. de geestelijke wereld. Het is toch zo dat het niet bijzonder veel inspanning vergt wanneer men een week zout eet om contact te hebben met de onderaardse werelden, en dan een andere week geen zout eet om op te stijgen naar de hogere elementarische werelden. Daartoe moet men zich maar weinig inspannen. Maar men bereikt er dan ook niets mee, behalve hoogstens de allergste illusies. In de geestelijke wereld kan men slechts iets bereiken door innerlijke arbeid. En innerlijke arbeid, als die er werkelijk is, heeft een dusdanig karakter dat hij iemand niet aanzet tot een gebrek aan ernst t.o.v. de geestelijke wereld, maar die brengt ons op de juiste gedachten. Anders komen werkelijk de mystieke en verkeerde gedachten en dan kan er terecht met ons gelachen worden. Zo schreef mij bvb. eens en man die op dit gebied gezond dacht dat hij als lid een van onze afdelingen bezocht had, en daar had men de vensters gesloten, hoewel het verschrikkelijk warm was en er geen reden was om de vensters te sluiten.. Ik zeg natuurlijk niets tegen het sluiten van vensters, vooral wanneer alle mogelijk lawaai van buiten kan gehoord worden. Dat zou een goede reden zijn, nietwaar. Maar dat gaf men niet als reden, nee, men zei: "Ja, Dr. Steiner heeft er ons uitdrukkelijk op gewezen dat we de ensters moeten sluiten wanneer er in onze afdeling voorgelezen wordt, opdat de demonen niet zouden kunnen binnenkomen." Daarover schreef mij die man, die van zijn kant absoluut geen mystieke inbeelding vertoonde: kunnen geesten dan niet door gesloten vensters naar binnen ? Het moet wel een zonderlinge leraar in de geesteswetenschap zijn die zijn leerlingen gebiedt om de vensters dicht te houden opdat de demonen niet zouden binnenkomen! U ziet, in dergelijk gedachteloos gepraat verwisselt men het fysieke vlak met de hogere wereld. Op het fysieke vlak kunnen wezens natuurlijk niet door gesloten vensters, wanneer ze tenminste de ruiten niet inslagen; maar geesten zal men bezwaarlijk tegenhouden door de ramen te sluiten ! Het gaat er werkelijk om dat men zich voldoende ernstige voorstellingen over de geestelijke en de fysieke wereld eigen maakt." [ ... ] * * * * * * * * * * *
Rudolf Steiners einde
Tot slot een tweede fragment uit het boek "Meine Begegnung mit Rudolf Steiner" van Friedrich Rittelmeyer, We vertaalden het deel, dat begint met het laatste gesprek dat hij met Rudolf Steiner had.
[ ... ] De dimensies die dit leven en werken nu aannamen zijn werkelijk adembenemend. Er volgden tweeënhalf weken waarin hij rond de 70 voordrachten hield, ondanks zijn darmproblemen die al maanden aansleepten. Iedere dag een voordracht voor artsen en theologen, een voordracht voor toneelspelers en kunstenaars, een voordracht voor theologen alleen, een voordracht voor de verzamelde leden van de Antroposofische Vereniging, daarbij om de andere dag een voordracht voor de arbeiders die aan het Goetheanum werkten. Al deze voordrachten werden voor specialisten gehouden. Ze brachten nieuwe zaken op alle gebieden, in overvloed. Het was alsof Dr. Steiner maar een plek hoefde aan te boren en een stroom van bovenmenselijke wil goot zich uit over de toehoorders. Alle voordrachten zijn gestenografeerd. Een toekomstige tijd mag erover oordelen wat er toentertijd gebeurd is. Elk van die dagen daar in het Goetheanum bevatte zoveel dat men aan iedere dag een ganse studie kan wijden. Altijd weer vroeg ik mij af: "Wanneer heeft zich ooit in de wereldgeschiedenis iets dergelijks reeds voorgedaan ?" Is het blind enthousiasme om dit zo te zien, of is het misschien veeleer blinde dwaasheid om het niet te zien ? Rudolf Steiner, die vaak zeer zwak arriveerde, voelde zich tijdens de voordrachten duidelijk goed en leefde zelfs terug op. Dat hij echter daarnaast ook nog 200 audiënties van vragende mensen moest incasseren - de portier telde de bezoekers, Rudolf Steiner zelf zou het nooit gedaan of gevraagd hebben- dat ging boven zijn kracht. En zonder mededogen -daar zou ik menig voorbeeld kunnen van geven- misbruikten de mensen hem voor hun persoonlijke aangelegenheden. Jaren voordien had Dr. Steiner eens tot mijn vrouw gezegd, in verband met mijn werk als biechtvader, -dat veel bescheidener was: "Die vele bezoeken, daar moet hij zien van af te geraken. Wat de mensen hem allemaal vertellen, dat blijft toch in hem zitten, dat maakt hem ziek." Wie zich kan voorstellen hoeveel innerlijke toewijding bij een echt geestelijk waarnemen en raad geven hoort, veel meer dan wat men zo gewoonlijk "liefde" noemt, die kan ook inschatten wat er toen is geschied. Rudolf Steiner heeft op het einde zelf uitgesproken: wat hem genekt heeft waren de vele persoonlijke gesprekken, niet de voordrachten. Anderzijds had hij daarvoor ook eens gezegd, toen een bestuurslid de antroposofen gevraagd had om Rudolf Steiner een beetje te ontzien en hem niet zoveel met persoonlijke zaken lastig te vallen: "De enige gunst die men mij kan bewijzen is dat men mij roept, bij dag of bij nacht, wanneer men mij nodig heeft." Maar de laatste woorden van deze zin werden niet met het nodige verantwoordelijkheidsgevoel gehoord. Aldus zou men religieus kunnen zeggen: aan de menselijke "zonde" is Dr. Steiner gestorven. Die van buiten en die van binnen werkten samen. Zijn alles-wegschenkende hulp heeft hem gedood. Een half jaar later stond ik aan zijn kist. Niemand van ons had verwacht dat Rudolf Steiner zou bezwijken aan zijn ziekte. Nu rustte het sterfelijk omhulsel, pas verlaten door de voortgaande geest, op het sterfbed aan de voeten van de Christusgestalte die zo goed als afgewerkt was. Wie naar het gezicht van de dode keek kon zien wat de geest in een groots mensenleven uit een lichaam kan maken. De geestelijke adel en de reinheid der gelaatstrekken waren onvergelijkelijk. Misschien zal het dodenmasker, wanneer het ooit in een beeld weergegeven wordt voor vele mensen een overtuigende indruk brengen. Altijd weer ging mijn blik van het verlaten aardelichaam naar de hoge Christusgestalte die in een overweldigend gebaar naar de toekomst schrijdt. De leerling was gevallen aan de voeten van de Meester. Het scheen alsof de Christus daar de leerling terug in zich opnam terwijl Hij met een onstuitbare voorwaartse beweging de wereldtoekomst tegemoet treedt. De missie van de leerling was volbracht. Goddelijke wereld-doelen zag men uitstralen van het voorhoofd van de Meester ... Toen ik op vraag van Marie Steiner de begrafenisplechtigheid voltrok volgens het ritueel van de Christengemeenschap, in de ruimte waar Dr. Steiner de meeste van zijn voordrachten had gehouden, en die nu met een gepaste decoratie aangekleed was, viel er een waterdruppel van de wijborstel op het midden van zijn voorhoofd en glansde daar gedurende de ganse plechtigheid als een stralende diamant. Het licht van de vele kaarsen werd tot deze diamantstralen gespiegeld - zoals de lichtopenbaringen van hogere werelden ooit gespiegeld werden door deze geest. Met de edelsteen op het voorhoofd werd het lichaam in de kist gelegd. Mij scheen het toe alsof hogere geesten met dit beeld ons wezen op wat we beleefd en meegemaakt hadden. Toen de plechtigheid voorbij was stond een indruk machtig voor mijn ziel: "Dit werk is nu volbracht. Als een grote vraag aan de mensheid staat het daar. Als allen die bij hem behoren al hun kracht vereend daarvoor inzetten, dan zal het doordringen."
* * * * * * * * * * *
|