De Brug 14 van december 1996

Attila Varnai over de toekomst

Op zaterdag 21 september 1998 gingen er in het Centrum Emile Verhaeren (Renbaanlaan 127 te 1050 Elsene) twee voordrachten door. Attila Varnai, de voorzitter van de Anthroposofische Vereniging van Frankrijk sprak 's morgens over "Wetenschap, kunst en godsdienst, of de religiositeit van de toekomst". 's Namiddags zou hij het dan hebben over "666, het getal van het beest van de Apocalyps, en de toekomst".

Een veertigtal mensen waren opgedaagd, ook enkele Nederlandssprekenden, waaronder schrijver dezes. Bij de eerste voordracht is hem eigenlijk de lijn van het betoog ontsnapt, ofwel omdat hij niet genoeg Frans kent, ofwel omdat hij geen anderhalf uur kan geconcentreerd blijven. Dat maakt dat hij zich slechts fragmenten kon herinneren, waaruit hij evenwel toch het volgende kon distilleren:

We hebben de Aarde als mikrokosmos, die een afspiegeling is van de grote makrokosmos. Daartussen bevindt zich als mesokosmos de mens, als rechtopstaand wezen.

Dat is een soort basisdriedeling die als uitgangspunt kan dienen om de verhouding tussen de driedeling lichaam-ziel-geest of ook wetenschap-kunst-religie te bestuderen. In de mens zelf vinden we een driedeling, maar ook bvb. in de traditionele huizen- en kerkbouw:

hoofd zolderkapel (deel waar het altaar staat) (in Frankrijk dikwijls gewijd aan St.-Michel)
hart/longgebied woonruimteplaats waar de gelovigen zich bevinden
stofwissing keldercrypte


Het middendeel is overal de ruimte vor de ontmoeting, net zoal in de mens de makrokosmos en de mikrokosmos elkaar ontmoeten. Bvb. in de mens: de longen, waar het aderlijke en slagaderlijke bloed elkaar "ontmoeten".

Maatschappelijk gezien zijn kunst, godsdienst en wetenschap lange tijd niet gescheiden geweest. De vorm van de maatschappij werd bepaald door religieuze waarheden die tevens wetenschappelijke waarheden waren, en de kunst beeldde die uit, ze gaf niet iets zuiver persoonlijk weer zoals nu. De scheiding tussen godsdienst, wetenschap en kunst, die in onze tijd vanzelfsprekend wordt gevonden, is het resultaat van een eeuwenlang proces. In de Egyptische tijd verenigde de farao in zich nog de geestelijke en de wereldlijke macht, maar er begon zich al een priesterkaste te vormen die het goddelijke liever voor zich reserveerde en de invloed van de farao wilde beperken tot het wereldlijke ( daardoor mislukte de poging van Amenhotep IV om van de zonnegod Aton de enige god te maken).
De keizers die heersten over het Romeinse rijk wilden ook macht hebben over het geestelijke. Ze dwongen mysteriepriesters om hen in te wijden (maar werden dan waanzinnig als gevolg van een inwijding waartoe ze noch de rijpheid, noch de waardigheid bezaten).
De Franse koningen werden gezalfd, vanuit het oude denkbeeld dat de koning tegelijk priester moest zijn. Deze traditie duurde voort tot Napoleon !
In de Middeleeuwen zagen we dat keizers en pausen lange tijd vochten om hun respectievelijke terreinen -het wereldlijk en het geestelijke- te verdedigen en uit te breiden: de ene wilde ook macht in het gebied van de andere.

Wat de kunst betreft, die drukt de innerlijke toestand van het menselijk wezen uit.
In de Griekse tempel was er geen cultus, de oude Griek zag de tempel in het landschap, voor hem was de godheid daar reëel aanwezig, en dat volstond voor hem. In onze kerken met hun cultus, is de godheid er pas als de gelovigen er verzameld zijn. Vandaar de veranderende vorm van de tempels. Vergelijk het statische van de Griekse tempel met het omhoogstrevende van de Gotische kerk: de middeleeuwse mens stond al verder van God verwijderd, hij moest de goddelijke wereld al actiever zoeken dan de oude Griek, en dat drukte zich in de bouwkunst uit in een dynamisch element dat volledig ontbrak in de Griekse tijd.

Wetenschap en godsdienst streefden uit elkaar: artsen verloren hun priesterroeping. Een symptoom voor de veranderende geestesgesteldheid: in de vijfde eeuw v.C. ontdekte Alkmaeon van Croton de dubbele bloedsomloop, hij was zo stoutmoedig om te verklaren dat de mens denkt met zijn hersenen. Het kostte hem bijna zijn leven: toentertijd dacht men dat de gedachten overal in het lichaam konden zitten, in het hart, in de nieren, alleen niet in de hersenen; en het duurt lange tijd vooraleer de gemeenschap even ver is geëvolueerd als de individuele voorlopers. Harvey, die de gesloten bloedsomloop herontdekte in de 17de eeuw was lijfarts van Karel I, op dat ogenblik vond men zo'n ontdekking dus niet meer aanstootgevend.

In onze tijd is het noodzakelijk om wetenschap, kunst en religie terug te verenigen om voor de problemen waarvoor de mensheid zich gesteld ziet, een oplossing te vinden die aangepast is aan de nieuwe tijdsgeest. De natuur moet met eerbied benaderd worden: de laboratoriumtafel moet terug een altaar worden.

De tweede voordracht, over "666, het getal van het Beest van de Apocalyps, en de toekomst", zal menig toehoorder teleurgesteld hebben. Attila Varnai legde immers de klemtoon van deze voordracht op "toekomst", terwijl velen een sensationele, occulte verklaring van het getal 666 en het Beest verwacht hadden.
Wat die 666 betreft, daarover was de spreker kort: in het jaar 666 begon het Beest werkzaam te worden. Die werkzaamheid kent ook een ritmisch verloop. Op het einde van onze eeuw zullen er drie van deze periodes van 666 jaar verlopen zijn: 1998 !
Om te kunnen verklaren hoe het Beest werkt, en hoe het gaat werken, begon Attila Varnai zijn voordracht met een uiteenzetting over de hiërarchieën, hun ontstaan, hoe zij werken in de kosmos en in de mens. In de geestelijke wereld zijn gedachten realiteiten. Als een geestelijk wezen denkt, dan worden zijn gedachten zelfstandige wezens: zo ontstaan de hiërarchieën, de een uit de andere*.
Op een bepaald moment in de ontwikkeling van de kosmos is er de hiërarchie van de Tronen. Deze stralen hun eigen wezen uit naar de hiërarchieën van de Serafijnen en Cherubijnen. Deze "uitstralingen" worden eveneens wezens: Archai of Geesten van de Tijd, in de Indische mythologie sura's genaamd. Zij worden omschreven als wezens die alleen aan zichzelf denken. Aan de positieve pool bewerken zij in de mens individualiteit, aan de negatieve pool egoïsme. Een aantal van deze sura's wilden de voorziene ontwikkeling niet meemaken, ze werden a-sura's.
Later ontstonden de hiërarchieën van de Aartsengelen en de Engelen, eveneens met "onwillige" tegenmachten, wezens die in de antroposofie gewoonlijk samengevat worden onder de naam Ahriman en Lucifer.
In de Bijbel worden deze twee door elkaar gebruikt. In het boek Job wordt met Satan Lucifer bedoeld, in de Kronieken echter Ahriman. Deze drie tegenstrevende machten -asura's, ahrimanische en luciferische wezens- reiken elkaar de hand en helpen elkaar om actief te zijn in de sferen waar de ene niet kan doordringen.
Bezien vanuit de Apocalyps is het zo dat in onze tijd het Beest zijn aanvallen richt op verschillende wezensdelen van de mens. Het fysiek lichaam probeert het Beest zodanig te verharden dat de mens alleen al door die fysiek niet meer in staat is om iets geestelijks op te nemen. Een middel bij uitstek daartoe is het levenloos maken van de voeding door microgolf, conserven, chemicaliën enz. Levenloze voeding werkt verhardend, sclerotiserend . In Straatsburg (en waarschijnlijk niet alleen daar) kan men zelfs geen volledige crematies meer verrichten: de beenderen zijn zo hard geworden dat ze niet meer branden, men moet ze achteraf verbrijzelen.
Dit verharden van het fysiek lichaam gebeurt onder impuls van de asura's, tegenmachten uit de hiërarchie van de Archai, in samenwerking met wezens uit de sfeer van de Aartsengelen (ahrimanische wezens - die werken in het etherische) en wezens uit de sfeer van de Engelen (luciferische wezens - die werken in het astrale).

Om deze wezens te kunnen bestrijden hebben wij inzicht in de werking van de hiërarchieën en de tegenmachten nodig. Dat een mens leert denken, dat bewerken de Engelen. In dat denken wil Lucifer een enthousiasme, een idealisme stimuleren dat de mens zijn belangstelling voor de aarde, voor zijn medemens doet verliezen. Het maatschappelijk gebied waar Lucifer actief is, is het geestesleven. Daar moet vrijheid heersen, maar niet de onverantwoordelijke, egoïstische vrijheid die Lucifer nastreeft.
In het spreken werken de Aartsengelen; maatschappelijk gezien is dat het rechtsgebied, waar iedereen moet gelijk zijn. Hier probeert Ahriman om de mensen zodanig gelijk te maken dat ze er hun individuele ziel bij verliezen. Hij wil graag dat alle mensen opgenomen worden in één grote groepsziel.
In het (leren) lopen werken de Archai. In de maatschappij komt dat overeen met het economische. Daar moet broederlijkheid heersen. Asura's kunnen in deze sfeer zodanig werken dat de mens lichamelijk zo sterk met zijn driften verbonden wordt dat hij niet meer kán sociaal zijn. Zijn egoïsme is dan letterlijk sterker dan hemzelf, het is lichamelijk geworden, een levensnoodzaak: de mens moét bepaalde lagere driften bevredigen of hij krijgt het gevoel dat hij eraan ten onder gaat. Een eerste stap in de richting van de oorlog van allen tegen allen ...

Al deze wezens bestrijden in feite Christus, in de sfeer waar hij terug zal komen: de etherische. In deze sfeer moet Christus het voornamelijk tegen Ahriman opnemen. Hij wordt daarbij geholpen door een formidabel wezen, eigenlijk een Aartsengel, maar die nu opstijgt tot het niveau van een Archè: dat is Michaël.
En wij worden opgeroepen om aan zijn zijde mee te strijden.

fdw

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Michaëlische moed

door François De Wit

Op vrijdag 4 oktober 1996 ging in de Rudolf Steinerschool te Gent een euritmie-avond door rond het thema "Michaëlische moed". Er was aangekondigd dat het Rembrandt-eurythmiegezelschap een korte voorstelling zou brengen; daarna zouden de aanwezigen zelf eurythmisch bezig zijn; het derde deel zou dan een korte voordracht door de lesgever-euritmist inhouden.

Een twintigtal mensen vonden het programma interessant genoeg om erop af te komen. Centraal stond de spreuk van Rudolf Steiner:

Wir Menschen der Gegenwart
Brauchen das rechte Gehör
Für des Geistes Morgenruf,
Den Morgenruf des Michael.
Geist-Erkenntnis will
Der Seele erschließen
Dies wahre Morgenruf-Hören.
Wij mensen van nu
Hebben een goed gehoor nodig
Voor de morgenroep van de Geest,
De morgenroep van Michaël.
Inzicht in de Geest wil
Voor de ziel ontsluiten
Dit ware morgenroep-horen.

Het Rembrandt-eurythmiegezelschap maakte de beweging van deze spreuk zichtbaar. Daarna probeerden de deelnemers eveneens op het spoor te komen van die beweging.
De lesgever ging daarbij dialectisch te werk, t.t.z. door het laten aanvoelen van tegenstellingen, komen tot het meest geschikte gebaar.
Een voorbeeld: welke houding neem je aan als je jezelf wil laten zien zoals je bent, welke houding neem je aan als je je meer voelt dan de anderen, welke houding als je je zou willen verontschuldigen voor je aanwezigheid ?
Schetsmatig kan dat er zo uitzien:


Als we zo gekomen zijn tot een bewust vatten van de houding ik-zonder-meer, dan kunnen we overgaan tot de volgende stap: van het Ik-gebaar naar het Wij (Wir).
Om de andere tegemoet te treden heb je een bepaalde interesse nodig, maar overdrijf je wat, dan wordt die interesse ongezonde nieuwsgierigheid. Dat kan je zichtbaar maken: een uitnodigend gebaar, of: een opdringerig gebaar waaruit de eerlijkheid verdwijnt. Is er daar een evenwicht gevonden, dan kom je eurythmisch tot de klank "M" (van Menschen).
Ook de "Gegenwart" (het heden) kan je maar in het juiste perspectief stellen door het tussen verleden en toekomst te plaatsen: het midden tussen een beweging naar voor (toekomst) en een beweging naar achter (verleden). De beweging naar voor hangt ook samen met het zien, de beweging naar achter met het horen (das Gehör).
In de naam Michaël hebben we in de M het evenwicht in de ontmoeting, in de I de opgerichte Ik-kracht, in de CH het geestelijke dat de kracht verleent, in de A de daad. In het gebaar van de L tenslotte zien we als het ware de vleugelslag van de aartsengel.

Dit -voor de deelnemers- actieve gedeelte van de avond was eigenlijk veel te kort, maar het gaf toch een idee van het élan van de Michaëlsgedachte. Hierover werd de lesgever dan explicieter in het derde deel.
Wat is het verschil tussen "Michaëlische moed" en "gewone moed" ?
"Gewone moed" kan men gebruiken om uit een acute benarde situatie te geraken. In onze tijd, waar de tegenmachten zo overweldigend zijn geworden, is de benarde situatie chronisch, we hebben nu meer dan moed nodig om dag na dag steeds weer de strijd te kunnen opnemen, zonder resignatie of verbittering.
Ons ideaal kunnen we laten varen omdat we er niet meer in geloven, of omdat we teveel tegenstand ondervinden van de buitenwereld. De uiterlijke hindernissen om een anthroposofisch ideaal te verwezenlijken worden steeds groter. De overheid wil altijd maar meer reglementeren. In hoeverre kan men zijn pedagogisch ideaal nog naleven als men voortdurend en in steeds grotere mate moet rekening houden met inspectie, eindtermen, subsidie enz. ?
Leerlingenvolgsysteem en eindtermen dringt de overheid op vanuit een mens- en maatschappijvisie waar anthroposofen onmogelijk kunnen achter staan.
Michaëlische moed is nodig om het dagelijkse gevecht te leveren tegen de zgn. mensen van de praktijk, die zo neerbuigend kunnen doen tegenover mensen die problemen willen benaderen met nieuwe, frisse ideeën.
Kunnen we het mensen kwalijk nemen als ze de strijd opgeven ? Hoezeer leeft niet in ons aller onderbewustzijn de gedachte: Jezus, in al Zijn goedertieren (of de goddelijke voorzienigheid) zal er wel voor zorgen dat op het eind toch alles nog goed afloopt. Door deze gedachte, die meestal niet erg bewust wordt, mogen we onze waakzaamheid, onze wil niet laten verslappen.
Michaël wordt door Rudolf Steiner beschreven als een geesteswezen dat met een ernstig gelaat op ons wacht. Hij grijpt niet in. De tijd dat de Goden het voor ons regelden is definitief voorbij, we moeten het zelf doen. De driegeledingsgedachte waarvoor Rudolf Steiner na de eerste Wereldoorlog geijverd heeft, was een soort toetssteen om te zien of de mensheid rijp was, wakker genoeg was om de impuls van Michaël op te nemen: dat was spijtig genoeg niet het geval. Hoopte iedereen op latere generaties, zoals wij in onze gemakzucht nog wel willen hopen ?
De anthroposofen van toen waren niet slechter dan die van nu; ook nu schieten ze tekort. Een recent voorbeeld uit Nederland: een 6-uurdurend gesprek met Christof Wiechert, in verband met het vermeende racisme van Rudolf Steiner, wordt door radiomensen zodanig verknipt dat bepaalde antwoorden volgden op vragen die in een andere samenhang waren gesteld. Dit met de bedoeling een sensationeel programma te kunnen uitzenden en/of de anthroposofie in een slecht daglicht te stellen. Het opzet slaagt: grote opschudding in Nederland. Vooraleer de zaak op haar waarheidsgehalte is onderzocht -heeft Christof Wiechert inderdaad racistische beweringen geuit?-, beslist het bestuur van de Anthroposofische Vereniging om Christof Wiechert, haar eigen vice-voorzitter notabene, te desavoueren, en eigenlijk Rudolf Steiner erbij (in een betaalde advertentie in de dagbladen).
De moed ontbrak om tegen een publieke opinie in te gaan die bepaalde feiten niet meer wíl zien (de vaststelling dat er blanke en zwarte mensen zijn wordt nu al beschouwd als een oordeel).
Moed tot de waarheid, moed tot de daad.
Daartoe roept de spreuk op:

Wir Menschen der Gegenwart

Brauchen das rechte Gehör

Für des Geistes Morgenruf,

Den Morgenruf des Michael.

Geist-Erkenntnis will

Der Seele erschließen

Dies wahre Morgenruf-Hören.

" In de "L" hebben we de klank van de vrije, innerlijke ontplooibaarheid. De armen worden eerst naar onder gebracht met een beweging die a.h.w. iets uit de aardbodem wil uithalen, uitscheppen, schapen; dan wordt het aldus gevormde met de handen dicht bijeen naar omhoog gebracht om het daar als een bloesem te laten openbloeien in een beweging die naar beide zijden uitstroomt en terug naar omlaag gaat, zodat de kringloop terug kan beginnen."

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

De rol van Michaël in onze huidige tijd

Dr. Hériard-Dubreuil, een antroposofisch arts uit Soissons sprak in het Centre Emile Verhaeren over "Le rôle de Michael à l'époque actuelle".

De spreker begon met uiteen te zetten hoe het wetenschappelijk denken doorgedrongen is tot in alle lagen van de maatschappij. Alles wordt wetenschappelijk onderzocht en beschreven, en die kennis wordt weggestopt in immense bibliotheken en databanken.
Het eigenaardige van deze wetenschap is dat ze niet over de mens praat. Als ze dat doet , is dat slechts schijnbaar zo. De mens is immers slechts een toevallige verschijning in een universum dat begon met een "Big Bang" en zal eindigen in een totale entropie , een warmtedood. Wat een verschil met vroegere tijden, toen de aarde en de mens geacht werden het centrum, de zin van alle ontwikkeling te zijn.
Het moderne, wetenschappelijke wereldbeeld is verscheurend voor de mens, de "mensloze" theorieën zijn een kaakslag voor hem.
Hoe probeert de mens deze verscheurdheid te verwerken ?
Hij houdt er een soort dubbele boekhouding op na: enerzijds denkt hij wetenschappelijk, en is overtuigd van de waarde en het belang van deze denkwijze; daarnaast onderhoudt hij een traditioneel geloof, waaruit hij kracht put, maar dat hij met zijn verstand niet benadert: hij gelooft.

Schematisch:

Wetenschappelijk : Traditioneel :
denkengeloof

Bij niet-gelovigen kan het er zo uitzien:

Wetenschappelijk : Idealen :
denken humanisme, socialisme, ecologie enz.

Maar dit naast elkaar bestaan van twee gebieden is de oorzaak van veel (onbewust) lijden. Een aantal mensen vlucht: ofwel zoeken ze een enclave waar de moderne beschaving hen niet kan bereiken, bvb. ergens in de natuur, ofwel nemen ze hun toevlucht tot drugs en andere middelen die het bewustzijn vertroebelen.

Een eigenschap van het wetenschappelijk denken is dat het de wetten die toepasbaar zijn op de buitenwereld, ook laat gelden voor het innerlijke van de mens, bvb. de wet van behoud van energie, volgens dewelke in een systeem de energie constant is, en enkel een andere vorm aanneemt (vb.: chemische energie wordt omgezet in mechanische).
Maar de mens is nu eenmaal uniek in het natuurrijk: hij kan materie in zijn innerlijke vernietigen ! Daardoor kan hij pas denken, handelen enz. en is hij niet onderworpen aan het determinisme, de dwingende wet van oorzaak en gevolg die in de natuur heerst: de mens is daardoor vrij.
De kennis omtrent deze vrijheid wordt door het wetenschappelijk denken versluierd. Vandaar dat dit wetenschappelijk denken ook kan gezien worden als een monster dat de mens verslindt.
Het monster van de intellectualiteit is een beeld dat mensen uit vroegere tijden zagen als een toekomstbeeld: de draak, de draak die in bedwang gehouden wordt door Sint-Joris of door Michaël. Want dit wetenschappelijk denken moet niet afgeschaft worden, het moet alleen op zijn gebied teruggedrongen worden. De strijd van Michaël begon zo'n 100 jaar geleden en zal nog ongeveer 250 jaar duren.

De draak van het wetenschappelijk denken is ongelofelijk arrogant en alomtegenwoordig. Hij wil alle geledingen van de maatschappij beheersen. Met minachting en hoon wordt neergekeken op al wie op een "alternatieve" manier iets probeert door te voeren tot heil van de mens. Als bvb. antroposofische artsen een kruidengeneesmiddel willen voorschrijven dat effectief werkt, dan wil de draak van het wetenschappelijk denken dat er eerst een objectief, dubbelblind onderzoek uitgevoerd wordt, dat de werkzame bestanddelen in een labo geïsoleerd worden en liefst nog chemisch nagemaakt worden door de farmacologen.

Michaël is sterker dan de draak, hoewel het er de schijn van heeft dat het omgekeerde waar is. Want Michaël maakt niet veel lawaai, hij is niet agressief, terughoudend zelfs; hij respecteert de totale vrijheid van de mens.
Hoe kunnen we hem bijstaan ?
Door te zién, door inzicht, door niet te vluchten, noch naar fysieke schuilplaats ergens in de Provence bvb., noch in een geestelijke schuilplaats (nationalisme, fundamentalisme enz.).
Door kennis, door het innerlijk van de mens te leren kennen. Kennis van de mens, dat is de letterlijke vertaling van het woord "antroposofie".
Daarbij is het goed te weten dat antroposofie geen zaak is van grote aantallen, maar van diepte, van verdieping. Zij staat nu nog in haar kinderschoenen, maar is voorbestemd om zeker 1000 jaar mee te gaan, dus veel langer dan de heerschappij van Michaël zal duren. We mogen niet vergeten dat Michaël betekent "het gelaat van God", Michaël heeft het aangezicht van Christus: hij strijdt voor het ware Christendom. En ook dit Christendom moet in feite nog beginnen . . .

Op dat ogenblik stapte Dr. Hériard-Dubreuil van achter zijn tafeltje, door de kamer, naar het grote raam dat uitzicht biedt over de tuin en een stuk van de Brusselse hemel. Niet iedereen begreep direct wat er aan de hand was, maar het was ondertussen 15u 30, de gedeeltelijke zonsverduistering was al begonnen: voor onze ogen speelde zich een strijd af tussen het licht en de duisternis . . .
De volgende, totale zonsverduistering gaan we meemaken op 11 augustus 1999.

fdw

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Voeding uit de bio-dynamische landbouw

Vele mensen vinden dat de prijzen van producten uit de natuurvoedingswinkel niet in verhouding staan tot de kwaliteit. Consumentenorganisaties als Test-Aankoop houden deze overtuiging in stand. Ze geven toe dat de kwaliteit van biologische en bio-dynamische voeding beter is dan die van de gangbare producten, maar uiteindelijk blijft een verkeerd economisch denken het halen en verkiest men niet de beste kwaliteit, maar de beste kwaliteit/prijs-verhouding.

In 1923 hield Rudolf Steiner een voordrachtenreeks over het wezen van de bijen. Ook daar kwam reeds het probleem van de prijs ter sprake.

[ ... ] "Vandaag zou men in de grond eigenlijk niet over de prijsverhoudingen moeten beginnen te discuteren, want tegenwoordig zijn alle prijsverhoudingen verkeerd, en men moet op veel bredere basis vanuit economisch oogpunt over de prijs discuteren. Men bereikt er niet veel mee als men over de prijs van afzonderlijke levensmiddelen discuteert, en honing is een levensmiddel, niet alleen een genotsmiddel of een luxe-artikel. In een gezond sociaal organisme zou vanzelfsprekend ook een gezonde honingprijs tot stand komen. Daaraan valt zeker niet te twijfelen.

Maar doordat we vandaag niet in gezonde sociale verhoudingen leven, worden alle vragen in een verkeerd daglicht gesteld. Ziet u, u kunt vandaag op grote boerderijen komen, en wat de agronoom - op grote boerderijen is er in de regel een agronoom en geen boer- u daar zegt over de hoeveelheid melk die hij uit zijn koeien krijgt: dat is horribel. Hij krijgt zoveel liter melk per dag dat iemand die het wezen van de koe kent, weet: dat is onmogelijk, dat men uit een koe zoveel melk haalt. En toch haalt men dat eruit ! Ongelooflijk maar waar. Bij velen is het zo dat ze voor mijn part bijna het dubbele bereiken van wat een koe aan melkproductie kan geven. Daardoor wordt de boerderij zeer rendabel, vanzelfsprekend. En men kan niet eens zeggen dat het sterk opvalt dat die melk niet dezelfde kracht heeft als melk die men op een meer natuurlijke wijze verkrijgt. Men kan dus niet eens direct bewijzen dat daar iets slecht gebeurt.<

> Maar ik wil u bij wijze van voorbeeld het volgende vertellen. Wij hebben proeven ondernomen met een middel tegen mond- en klauwzeer bij het rund, zoals wij de laatste jaren vele proeven ondernomen hebben. We hebben dat zowel op grote als op kleinere boerderijen uitgeprobeerd, waar er niet op zo'n grote schaal melk geproduceerd wordt. Het middel bleek heel effectief te zijn. Als u die proeven uitvoert, dan kunt u iets vaststellen. U ziet dat kalveren die van koeien stammen die teveel op het melkproduceren gekweekt worden, wezenlijk zwakker zijn. Dat kunt u aan de werking van het geneesmiddel zien. De werking of niet-werking wordt ontzaglijk vergroot. Een kalf groeit in ieder geval als het niet sterft aan mond- en klauwzeer. Maar een kalf dat afstamt van een koe die u overvoert om er meer melk te kunnen uithalen, zo'n kalf is reeds zwakker dan kalveren die van koeien komen die minder op melkproductie gedresseerd zijn. U kunt dat zien bij de eerste, tweede, derde, vierde generatie. Het verschil is zo klein dat het niet opgemerkt wordt.

Dit soort melkproductie bestaat nog niet zo lang, maar een ding weet ik zeer goed: als men zo verder gaat dat een koe meer dan dertig liter melk per dag moet geven, als men de beesten zo mishandelt, dan gaat überhaupt de ganse runderveeteelt teloor. Dat is onvermijdelijk. Nu, zo erg is het natuurlijk niet bij de bijenkweek omdat de bij een dier is dat altijd zichzelf nog kan helpen, ze staat nog dichter bij de natuur dan de koe die zo kunstmatig gehouden wordt. Daarbij is het nog niet eens zo erg dat de koe dusdanig mishandeld wordt met die melkproductie als ze nog op de weide gebracht wordt. Maar dat gebeurt bij die grote kwekers al niet meer, er wordt in de stal gevoerd. De koe wordt gans uit haar natuurlijk milieu losgerukt. [ ... ]

Wie de mens goed kent, kan bijvoorbeeld het volgende zeggen: de ene mens is op zijn vijfenzestigste nog tamelijk fris, zo zijn er nietwaar; een andere is niet meer zo fris omdat hij aan aderverkalking enzomeer lijdt. Het is uiterst interessant om dit waar te nemen en in verband te brengen met wat zich in de jeugd afgespeeld heeft.

Men kan bvb. een kind melk geven die van koeien komt die teveel eten opnemen dat samenhangt met een kalkbodem. Daardoor kan het kind reeds met de koemelk waarmee het gevoed wordt iets van de kalkbodem opnemen. Dat merkt men niet onmiddellijk. En nu komt daar zo'n dokter van de huidige soort, die wijst een kind aan dat met koemelk werd grootgebracht, ook van een kalkbodem, en een ander dat met moedermelk werd opgevoed, en hij zegt: dat maakt geen verschil.

Maar het kind dat met met moedermelk werd grootgebracht, is op zijn vijfenzestigste nog fris, het kind dat groot werd met koemelk, dat verkalkt op zijn vijfenzestigste ! Dat komt omdat de mens een geheel is en wat op een bepaalde leeftijd werkt, dat werkt nog op latere leeftijd na. Iets kan op een bepaalde leeftijd gezond zijn, toch werkt het na." [ ... ]

Ondertussen zijn we al meer dan 70 jaar verder; in allerlei populaire brochures en publicaties, dikwijls gesponsord door grote voedingsmiddelenfirma's, probeert men door chemische analyses aan te tonen dat de kwaliteit van moedermelk eigenlijk te slecht is voor de zuigeling: alleen de speciaal samengestelde poeders zouden echt volwaardig zijn. Met welk soort melk die dan wel gemaakt zijn, dat is een ander verhaal. Rudolf Steiner vond het gruwelijk dat een koe meer dan dertig liter melk per dag moest geven, maar tegenwoordig staat het "wereldrecord" melkproductie voor 1 koe op 1 jaar op 29.000 liter ! Indien de koe iedere dag zou melk geven -wat niet kan want men moet rekening houden met de lactatieperiode- dan komt dit al neer op 80 liter per dag. De koe is dan een melkproductie-eenheid geworden, en moet ondersteund en gestimuleerd worden met hormonen, kunstmatige vitaminen, mineralen, pensbuffers en dies meer. Volgens labo-testen is deze melk identiek aan melk van koeien die rustig op de wei staan ...

Wat de bijen betreft: in "Seizoenen", het tijdschrift van VELT, lezen we in het oktobernummer van 1996 : [ ... ] "Onze bijen zijn zo hulpbehoevend geworden dat zij niet meer in staat zijn deze ziekten (het gaat over Nosema - fdw) door natuurlijke selectie het hoofd te bieden."
Meer over de bijen in De Brug 57

Nochtans is het probleem van gezonde voeding gemakkelijk op te lossen. Als iedereen bereid is om een eerlijke prijs te betalen voor zijn voeding, en de goedkope, maar levenloze voeding links (onverkocht) laat liggen, dan schakelen binnen de kortste keren alle boeren om ! En er is hoop: in West-Europa is het biologisch landbouwareaal op 10 jaar tijd gestegen van ongeveer 100.000 ha in 1985 naar een miljoen ha in 1995.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Antroposofie en racisme

De laatste tijd kwam de antroposofie enkele keren in het nieuws, vooral in Nederland en Duitsland: antroposofie zou racistisch, ja zelfs fascistisch zijn.
In het tijdschrift "Erziehungskunst" van september ll. verscheen een bijdrage rond deze discussie van Thomas Voss. We vertaalden en bewerkten dit artikel dat een schriftelijke weergave was van een voordracht die de auteur hield in Keulen in juni 1995.

Vanwaar komen de beschuldigingen

"In de jaren 70 en 80 werd de Steinerschoolbeweging zeer sterk gedragen door geïnteresseerde mensen uit links-alternatief-ecologische middens.
Een leidende figuur van toen schreef in 1979: "Als linkse hazen lopen wij onze hielen kapot om socialistische dromen na te jagen, en als we dan ergens geraken dan staat daar dikwijls reeds een antroposofische schildpad en zegt:" Te laat, ik ben er al !" : hier een klassenloos ziekenhuis, daar een eigen coöperatieve bank, ginder een zelfbestuurde peutertuin of school, uitgeverij, alternatieve heil- en therapie-instituten, conferentieplaatsen, vrije kunstakademies, geneesmiddelenfabriek, bio-dynamische landbouwbedrijven enz. Waar de linksen van vandaag met veel lawaai weinig bereiken, doen antroposofen in alle stilte veel."

Dit opstel, geschreven in een links cursusboek, werkte enigszins als een vonk en opende voor vele jonge mensen de weg naar de Steinerpedagogie.
Ondertussen zijn de tijden drastisch veranderd. Sinds de val van de muur en het ineenstorten van het socialisme in Oost-Europa zijn ook de linksen in West-Duitsland in een diepe crisis geraakt, en kunnen zich niet meer oriënteren. Naar de zwakke kanten van het marxistisch-leninistisch maatschappijmodel wordt in de eigen rijen voor een deel nog altijd zeer terughoudend gevraagd. In de plaats daarvan gaat men des te ijveriger op zoek bij de ecologische en spiritueel-esoterische bewegingen die steeds meer invloed krijgen, naar vermeende rechtse elementen. Zo is men dan op de Steinerschoolbeweging gestoten, die altijd meer uitbreidt; men denkt er ecofascistisch en racistisch gedachtengoed te hebben ontdekt.
De aantijgingen tegen "de" antroposofen werden drie jaar geleden geformuleerd door Jutta Ditfurth, de voormalige woordvoerdster van de Groenen, en in een bijlage van 6 pagina's in de TAZ (Berliner Tageszeitung) verspreid.
"Wie Steiner leest moet zich moeizaam door gedachtenschroot doorworstelen", aldus Ditfurth." De basis van het antroposofisch wereldbeeld is de leer van de wortelrassen, zo racistisch en mensenverachtend dat er nauwelijks iets gelijkaardigs kan bestaan."
Deze polemiek is shockerend, monstrueus en tegelijk vol vooroordelen. Want tenslotte proberen wij de kinderen in de Steinerschool in onze dagelijkse arbeid op te voeden volgens een menskunde die niets te maken heeft met ras, geboorte of huidskleur; ons enig doel is het vormen van een individualiteit, en dat in iedere Steinerschool ter wereld, zowel in Keulen, Novosibirsk, Johannesburg als in een Indianenreservaat in Zuid-Dakota.

Het rassenbegrip bij Rudolf Steiner

Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie en de Steinerpedagogie, heeft op verschillende plaatsen in zijn werk, dikwijls in telkens andere samenhangen, ook over rassen gesproken. En wij staan nu voor de vraag wat Steiner onder ras verstond, en hoe het begrip ras een rol speelt in de antroposofie.

Steiner probeert aan te tonen hoe de mensen zich in de loop van een lange geschiedenis afgezonderd hebben uit vroegere bloeds- en taalverbanden. "Uit de grote, reusachtige verbanden van de oorspronkelijke mensheidsgroeperingen zonderden zich volkeren af, uit de volkeren dan de stamverbanden, dan uit de stammen de clans, uit de clans de grootfamilies, daaruit tenslotte de individuele familie, waaruit zich dan gans op het eind het individu, de afzonderlijke mens losmaakte."

Ik
familie
clan
stam
volk
volkerengroep
grote rasgroep

Als Steiner over rassen spreekt, dan is het belangrijk om niet uit het oog te verliezen, dat hij het altijd enkel over tijdperken uit een zeer ver verleden heeft, toen de mens wat betreft lichamelijke, ziele- en geestelijke ontwikkeling nog maar pas aan het begin stond. In het bijzonder spreekt hij over de "atlantische tijd" waar de mensen nog volledig in grotere rasverbanden ingebed waren.
Het zijn vooral vier rassen waar Steiner over spreekt: Het Afrikaans-Ethiopisch ras, het Aziatisch-Mongools ras, het oeramerikaans-Indiaans ras en het Kaukasisch-Europese ras. Bij het karakteriseren van die rassen gebruikte hij voor het zwarte ras dikwijls het woord "negers" en voor het blanke ras "ariërs", iets wat toentertijd de gewoonte was. Volgens Steiner drukt zich in ieder ras een bepaalde leeftijdsperiode van de mens resp. de mensheid uit.
Zo zegt hij van het zwarte ras dat de mensen hier de elementen van het kind-zijn sterker weerhouden hebben, wat men bvb. kan zien in de beweeglijkheid en de wakkerheid van de ledematen.
Het Aziatisch ras heeft vooral de kracht van de jeugd uitgedrukt. In de jeugd versterken ademhaling en bloedcirculatie. Bij de Aziaten is volgens Steiner een grote wakkerheid in de ademhaling en in de ritmische bloedcirculatie vast te stellen. Een naklank van dit fenomeen kan men nog aantreffen in de sterke neiging tot yoga, een ademhalingsmeditatie.
Bij het Kaukasisch-Europese blanke ras spreekt Steiner van een bijzondere wakkerheid van het denken, van de koporganisatie. Hij trekt een parallel met de volwassenenleeftijd, waar de verbinding tot de wereld van de mythen verbroken is ten gunste van het logisch denken. Tenslotte wordt het oeramerikaans-Indiaanse ras beschreven als het ras dat vooral de wijsheidskrachten en de kracht van de terugblikkende herinnering ontplooide. De Indiaanse bevolking werd gekenmerkt door een sterke innerlijkheid en een diepe verbondenheid met de natuurgeest.
Bij deze karakteriseringen van Steiner -hier bewust kort en gevat weergegeven- zou ik enkele bemerkingen wilen maken:

1) Vooreerst het taalgebruik van Rudolf Steiner. Tegenwoordig voelt men zich al ongemakkelijk bij het woord "neger" omdat men daar een discriminatie in hoort. Totaal ongepast is ook het woord "ariër" geworden. Na de holocaust kan ook het rassenbegrip niet meer zonder meer toegepast worden - dat is terecht en te begrijpen. Rudolf Steiner echter leefde in een tijd -en dat mag men niet vergeten- die op dit gebied nog meer onbevangenheid toeliet. Een kritiek die een taal die 70 jaar geleden gesproken werd, uitsluitend beoordeeld vanuit het heden, blijft oppervlakkig en onhistorisch. (1)

2) De rassenthematiek is bij Steiner altijd gekaderd in een totaalvisie op de mens. Kind-zijn of jeugd is op zich niet slechter of minder waard dan volwassenheid en ouderdom. Het zijn periodes in het leven van een zich ontwikkelende mens. Tot zo'n totaalvisie hoort ook dat de rassen niet beschouwd worden als mekaar uitsluitende tegenstellingen, maar als polariteiten die mekaar noodzakelijkerwijze aanvullen in een levende organische eenheid. "Het is nu zo bij het mensengeslacht, dat de mensen over gans de aarde eigenlijk allemaal op elkaar aangewezen zijn. Ze moeten elkaar helpen. Dat volgt reeds uit hun natuurlijke aanleg." (2)

3) Steiner benadrukt op verschillende plaatsen dat, wanneer hij van rassen spreekt, de wezenskern van de mens als unieke individualiteit daar niets mee te maken heeft. Het ras is slechts een werktuig voor het Ik van de mens, het ras is nooit de ganse mens. Men moet er steeds op letten om de vergankelijke lichamelijke kant van de mens te onderscheiden van zijn geestelijke kant. Het doel van Steiners onafgebroken inspanningen was juist om de individuele geestelijke kant van de mens, die in de nieuwere tijd altijd maar vrijer wordt, te behoeden voor een materialistische mensvisie die al het geestelijke loochent.

4) Steiner gaat uit van de eeuwigheidsnatuur van het Ik. Vandaar volgt voor hem als consequentie de reïncarnatiegedachte: ieder mens maakt met zijn Ik doorheen verschillende reïncarnaties alle verschijningsvormen mee waarin de mensheid zich uitdrukt. Eenzijdigheden vullen elkaar aan en versmelten in een zich verder ontwikkelende persoonlijkheid tot een geheel.

5) Als het rassenbegrip bij Steiner hier en daar ook voor latere tijden gebruikt wordt, zelfs tot bij het beschrijven van onze huidige tijd, dan moet men er altijd van uitgaan dat het om nawerkingen en overblijfselen uit een lang vervlogen tijd gaat. In de laatste bloemlezing van Steiner-voordrachten rond het thema "De opgave van de antroposofie" is er een zeer lezenswaardige voordracht te vinden in verband met ons onderwerp, met als titel: "Het Ik, de God in het innerlijk en de God in de uiterlijke openbaring - het teloorgaan van het ras en de vorming van de zelfstandige individualiteit".

"Nu leven we namelijk precies in de huidige tijd in de eminentste zin in een overgangstijd. Alle groepszielelementen moeten geleidelijk afgeschud worden. Net zoals de afgronden tussen de afzonderlijke naties altijd meer verdwijnen, net zoals de verschillende delen van de naties elkaar altijd meer en meer begrijpen, zo zullen ook de andere groepszielaspecten afgeschud worden, en altijd meer zal het individuele van de afzonderlijke mens op de voorgrond treden. [ ... ] In de atlantische tijd hebben we de mensen gegroepeerd volgens uiterlijke kenmerken in hun lichaamsbouw, nog veel sterker als vandaag. Wat we vandaag rassen noemen, zijn slechts een overblijfsel van de belangrijke verschillen tussen de mensen zoals dat in het oude Atlantis voorkwam. Eigenlijk is dat rassenbegrip alleen maar op dat oude Atlantis van toepassing."

De poging om Steiner bij extreem-rechts te klasseren

Jutta Ditfurth schrijft: "Tot het wezen van de antroposofie hoort een nauwe verbinding met het fascisme. "

In plaats van een commentaar zou ik hier liever feiten willen aanhalen. Altijd weer werd en wordt geprobeerd om Rudolf Steiner direct te treffen en hem in een hoek te duwen waar hij niet thuishoort. Dat het gewoonweg belachelijk is hem te willen afschilderen als nationalist of antisemiet tonen volgende feiten:

- Reeds in 1897, nog vóór Emile Zola, koos Steiner openlijk partij voor de jood Alfred Dreyfuß die als Franse officier wegens vermeend landverraad onschuldig veroordeeld en naar het beruchte Duivelseiland verbannen werd.

- In 1901 schreef Steiner een reeks essays voor het blad "Mededelingen van de Vereniging tegen het Antisemitisme".

- Van 1899 tot 1904 doceerde Steiner geschiedenis aan de sociaal-democratische arbeidershogeschool in Berlijn die door Wilhelm Liebknecht was gesticht.

- In 1919 riep Rudolf Steiner samen met geëngageerde mensen uit de burgerij en de arbeidersklasse de beweging voor sociale driegeleding in het leven. In maart 1921 viel Hitler Steiner aan in de krant "Völkischer Beobachter" en noemde de driegeleding van het sociale organisme een joodse methode om de normale geestesgesteldheid van de volkeren te vernietigen.

- Eveneens in 1919 waarschuwde Steiner voor de zgn. Protocollen der Wijzen van Zion -een vuig antisemitisch maakwerk. Hitler nam in 1924 bepaalde delen over in zijn "Mein Kampf".

- In 1920 waarschuwde Steiner in twee voordrachten (en daarna nog eens in een voordracht in 1923) voor het zwart-magisch misbruik van het hakenkruis.

- In 1922 werd Rudolf Steiner door de antroposoof Hans Büchenbacher op de hoogte gebracht van het feit dat hij als nummer 8 of 9 op de lijst stond van Duitse prominente persoonlijkheden die moesten worden neergeschoten. Samen met antroposofische vrienden richtte Büchenbacher een private zaalwacht op, en het agentschap dat de openbare voordrachten organiseerde huurde enkele boksers en worstelaars. Dat was nl. in die dagen in München bij al die rellen de gewoonte. Op 15 mei 1922 hield Steiner een voordracht in het hotel "De vier jaargetijden". Op het einde van de voordracht stormden plots militante rechtsradicale vechtjassen op Steiner af. "Er begon een korte slachtpartij, maar de aanwezige politie kwam niet tussenbeide. De volgende morgen moest Steiner in het geheim uit de stad geloodst worden. Hij keerde er niet meer terug, het was te gevaarlijk voor hem geworden. Tot zijn dood kwam hij in Duitsland alleen maar in Stuttgart, en dan nooit in 't publiek. En ondertussen waren er andere machten actief in Duitsland."
Aangezien men Steiner zelf niet als fascist kan brandmerken, probeert men het via een voormalige leerling van de Steinerschool die in het Derde Rijk een zeer beruchte rol als concentratiekampdokter speelde. Hij zou betrokken geweest zijn bij experimenten op mensen in Dachau, vooral onderkoelingsproeven. Wat men te weten komt van deze Sigmund Rascher is inderdaad onthutsend. Men moet echter klaar en duidelijk stellen: Rascher was geen anthroposoof, en zijn (korte) Steinerschooltijd heeft hij steeds verzwegen.

Hoe reageerden anthroposofen op Hitlers machtsovername ?

Wat deden anthroposofen in 1933 ?
Een paar reacties van mensen die Steiner zelf nog goed gekend hebben.
Vooreerst Günther Wachsmuth, bestuurslid van de Anthroposofische Vereniging, in een interview voor de Deense krant "Extrabladet" van 6 juni 1933:
"Ik laat mij niet graag uit over politiek", zei Dr. Wachsmuth voorzichtig", maar het is geen geheim dat wij met sympathie volgen wat zich op het ogenblik in Duitsland afspeelt ... Stagnatie is de dood voor alle geestelijk leven. Er moet beweging zijn, en de dappere en moedige wijze waarop de leiders van het nieuwe Duitsland de problemen aanpakken, kan volgens mij alleen maar bewonderd worden. Daar zal zeker iets goed uit ontstaan ..."
We weten niet of deze gedachten vanuit een naieve, of veelmeer vanuit een tactische opstelling geuit werden. Men kan toch wel bedenkingen koesteren bij dit interview, want toen het gegeven werd was er reeds een eerste terreurgolf over het land gegaan.
Een volledig ander geluid treedt ons tegemoet in een brief van 7 maart 1933, waarin Alfred Heidenreich, een priester uit de Christengemeenschap, schrijft:
"Maar nu zullen waarschijnlijk de wildemannen regeren. Of men in die middens iets zal aannemen dat uit een vrij geestesleven stamt, dat lijkt mij zeer twijfelachtig. [ ... ] Ik heb zaterdagavond Hitlers toespraak in Königsberg op de radio gehoord. Dat waren nietszeggende frasen van A tot Z. Maar kolossaal suggestief. Meesterlijke demagogie. [ ... ] Hoe Hitler over "God" praat, dat is weinig aangenaam ..."
In 1930 schrijft de historicus Karl Heyer : " Sinds vele maanden treden bijzonder luidruchtig tegenstanders van de Anthroposofische Vereniging naar voor die hun principes halen uit het in stand houden van bepaalde afgeleefde levenssamenhangen, uit een kunstmatige cultus van bloed en ras... Dat is die volksduitse, duitsnationale, nationalistisch-pangermaanse, arisch-antisemitische stroming. Zij kent slechts machtsgroepen die op bloedssamenhangen berusten, zij haat het Ik en al wat dit Ik vrij en tot een krachtvolle drager van sociale krachten wil maken."

Deze stemmen kunnen als voorbeeld dienen . Ze maken duidelijk dat de houding van de anthroposofische beweging niet uniform was. Men kan zeker stellen dat het overgrote deel, het gros van de Duitse anthroposofen met een bewust innerlijk afwijzen tegenover het nationaal-socialisme stond. Van andere anthroposofen moet gezegd worden dat ze het nationaal-socialisme verkeerd inschatten, en zich overgaven aan vele illusies, hoewel de leidende nazi's anthroposofie streng afwezen. Misschien ontbrak het menig anthroposoof nog de nodige wakkerheid, de helderheid van geest, en de ernstige, nuchtere blik voor wat zich in Duitsland op politiek gebied werkelijk afspeelde.
Daarbij kwam nog dat in de jaren dertig de Anthroposofische Vereniging hopeloos verscheurd was. Daarenboven waren een ganse rij leidende anthroposofen na 1933 naar het buitenland uitgeweken. In de loop van het Derde Rijk werd de ganse anthroposofische beweging vernietigd. Dat werd voorbereid door geheime dossiers van de Gestapo:

Pruisische Geheime Staatspolitie Berlijn, de 1ste november 1935.
De plaatsv. chef en inspecteur

Uit de historische ontwikkeling van de Anthroposofische Vereniging volgt dat ze internationaal georiënteerd is; ook vandaag onderhoudt ze nog nauwe contacten met buitenlandse vrijmetselaars, joden en pacifisten. De onderwijsmethoden die opgebouwd zijn op de pedagogiek van stichter Rudolf Steiner, worden in de nog bestaande anthroposofische scholen toegepast. Ze beogen een individualistische opvoeding, gericht op de afzonderlijke mens, en hebben dus niets gemeen met de opvoedingsprincipes van het nationaal-socialisme. Als gevolg van de tegenstelling tot het volksgedachtengoed dat het nationaal-socialisme vertegenwoordigt, bestaat het gevaar dat door verdere activiteit van de Anthroposofische Vereniging de belangen van de nationaal-socialistische staat geschaad worden.
Daarom moet deze organisatie wegens haar staatsvijandig en staatsgevaarlijk karakter ontbonden worden.

getekend Heydrich

De strijd om woorden - een taalbeschouwing

Wat maakte het zo moeilijk om het echte karakter van het nazisme te doorgronden ? Hier stuiten we op een taalkundig fenomeen. Nazi's en anthroposofen gebruikten gedeeltelijk dezelfde woorden. Beide spraken van gezondheid, gezonde aarde, heil, gansheid, organisme, Duitsland en, zoals we reeds zagen, van ras. Maar met wat een verschil ! Alleen de zeer wakkeren hebben toentertijd de diabolische strijd om woorden doorzien.
Rudolf Steiner sprak van ras en bedoelde daarmee altijd alleen maar de lichamelijke omhulling; sprak hij van bloed, dan bedoelde hij de drager van het Ik. Voor Hitler werd de ganse mens absoluut bepaald door ras en bloed. Steiner sprak van het uitstijgen boven het ras. Hitler wou de rassenstrijd, de zuiverheid van het arische ras, en schreef de "precieze naleving van de rassenwetten" voor, ook na zijn dood (in zijn testament van 29 april 1945). Steiner probeerde de aanzet voor gezondheid en genezing vanuit het ziele-geestelijke te geven. Voor de nazi's betekende gezondheid altijd: ras-gezondheid, genezing van het volkslichaam betekende: euthanasie, de vernietiging van het zgn. "onwaardige leven".

De biologisch-dynamische landbouw sprak van de gezonde aarde en probeerde de landbouw te bedden in een ecologische en kosmische samenhang. En weer zijn de begrippen duivels gelijkluidend. Want ook de nazi's spraken van een gezonde aarde. Het gezondmaken van de landbouw en de boerenstand was zelfs een van de voornaamste beloften van Hitler. Uiteindelijk kwam er in plaats van een gezonde aarde het waanzinnige bevel van Hitler: de verbrande aarde.
Nog een ander voorbeeld: "Ganzheitlich", organisch denken was voor Steiner: veelvoud, veelzijdigheid, een vrij, levendig opzoeken van verbanden. Precies deze woorden gebruikten ook de nazi's, maar bij hen betekenden ze iets gans anders: het zich voegen naar een star biologistisch ordeningsmodel, boven en onder, bevelen en gehoorzamen, gedwongen harmoniseren. Steiner ijverde om uit te stijgen boven het zielloze hersen-intellectualisme door een levendig denken te ontwikkelen. Hitler en Goebbels polemiseerden graag tegen het Westerse intellectualisme en tegen "joodse" intellectuelen. Hun medicijn: denken uitschakelen, voelen, zich laten leiden en marcheren.
Anthroposofie probeert te leven in een vrije geestgemeenschap. De nazi's bevalen, dwongen zelfs tot een bloedsgemeenschap. Steiner zag in Duitsland resp. in Midden-Europa de mogelijke bakermat voor een grensoverschrijdende spirituele en sociale impuls. Hij zag in het nationalisme en militarisme destructieve tendensen die Duitsland naar de afgrond zouden leiden. Hitler had voortdurend de mond vol van "Duitsland", "Duitse volk", "Duitsland ontwaak", en propte het vol met de waan van nationalisme, militarisme, dictatuur en extreem racisme.

Steiner vernoemde in zijn voordrachten meermaals de naam Michaël. In deze aartsengelfiguur verborg zich voor hem de zeer belangrijke opdracht voor de mensen: het materialisme vergeestelijken, d.i. zich naar binnen keren, door een spirituele verdieping in zich de vernietigende krachten van het bloed, het instinct, de wraak, de haat overwinnen, om zich dan veranderd en gesterkt in liefde tot de buitenwereld te wenden, tot het vreemde, tot het nieuwe ...
In 1923 zit een mislukte, werkloze germanist op een klein, donker, huurkamertje in de Siebengebirgsallee in Keulen-Klettenberg. Hij is ontgoocheld en denkt aan zelfmoord. In zijn vertwijfeling begint deze mislukte schrijver een boek te schrijven, titel: "Michaël. Een menselijk lot in dagboekvorm". In deze verkapte autobiografie beschrijft de auteur zijn wanhopige zoektocht naar idealen en naar een levensrichting. Hij vindt die tenslotte in het verheerlijken van een Führer, in ras, bloed, roes, fanatisme, en haat tegen al wat vreemd is. De bouwstenen van het nationaal-socialisme zijn gelegd. Het gaat hier om Jozef Goebbels, de latere propagandaminister van het Derde Rijk.

Wij zouden deze beschouwing kunnen verderzetten, maar het is ondertussen toch al duidelijk geworden dat we bij een centraal punt gekomen zijn. Nazi's en anthroposofen gebruikten dezelfde woorden bij dezelfde onderwerpen. Voor kritiekloze critici is het besluit vlug genomem: wie dezelfde woorden gebruikt, heeft ook dezelfde doelen en zit dus in dezelfde boot. Het probleem met zo'n kritiek is dat ze op het vlak van de letterlijke betekenis blijft. Steiner zelf heeft er altijd weer op gewezen dat het er tegenwoordig op aan komt, niet meer te blijven staan bij de analyse van het omhulsel, van de uiterlijke façade van het woord, maar dat de belangrijkste vraag moet worden: wie spreekt er en hoe resp. vanuit welke innerlijke houding wordt er gesproken ? De nazi's wisten dat ze geen begrippen en voorstellingen hadden die naar de toekomst wezen; ze betrokken alles op een afgeleefd verleden. Het verleidelijke en tegelijk perfide geheim van ieder rechts-extremisme is misschien dat ze de woorden van de tegenstander bezetten, ondergraven. uithollen, om dan het woordkadaver, de huls van het woord op te vullen met eigen inhouden die uit het verleden stammen. De frase wordt op de troon gezet.

Het nationaal-socialisme verdraaide geestelijk alles wat zich als een noodzaak voor deze tijd wilde realiseren nl. een echt Michaëlstijdperk.
Karl Heyer drukt het zo uit: "Het was het satanische tegenbeeld van wat de anthroposofie voor Midden-Europa had moeten worden."

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

De spirituele betekenis van vergeving

Dit is de titel van een boek van Sergej O. Prokofieff, dat dit jaar in een Nederlandse vertaling verscheen (bij de uitgeverij Vrij Geestesleven).

Het is een zeer interessant boek, hoewel niet gemakkelijk voor de lezer: tijdens de lectuur wordt hij er zich steeds maar weer van bewust hoe ver hijzelf nog afstaat van deze vergaande vergevingsgezindheid, en hoezeer het nodig is om deze ingesteldheid te bereiken ...

In plaats van een boekbespreking bieden wij u drie fragmenten aan.

Vergeving en de karmische activiteit van Christus

Door vergeving kunnen we nog in een ander opzicht dienaar en helper van Michaël-Christus op aarde worden. Om dat beter te begrijpen, stellen we ons voor wat er occult gezien in het omgekeerde geval, bij niet-vergeven, optreedt.

Als iemand door een ander wordt gekrenkt of kwaad wordt gedaan, treden direct alomvattende karmische wetten in werking. Deze zijn erop gericht, soms nog in dit leven, doorgaans echter in een volgend, situaties te scheppen waarin de betrokkenen elkaar weer ontmoeten, maar dan zo dat de tweede persoon zijn daad tegenover de eerste op de een of andere wijze kan goedmaken, dat wil zeggen, hem in de nieuwe situatie zoveel goed kan doen als hij hem in het vorige leven kwaad heeft berokkend.

Als we ons realiseren hoe ingewikkeld en gecompliceerd ons lot op aarde met dat van anderen vervlochten is, ook ten aanzien van de karmische vereffening van 'schulden', en hoe talrijk bovendien de karmische verbindingen zijn van individuen met hun volk en met de hele mensheid (hun tijdperk), dan kunnen we ons voorstellen welk kolossaal, de kosmos omspannend werk de machten van het karma moeten verrichten om, met ijzeren consequentie, voor elke menselijke daad, emotie of gedachte vroeger of later vereffening te verschaffen.

Daarom zijn ook alle negen goddelijk-geestelijke hiërarchieën bij de vervulling van deze veelomvattende karmische noodzakelijkheid, die tegelijk de hogere gerechtigheid van onze kosmos is, betrokken. Rudolf Steiner schetst dat zo: "Dit menselijk karma is op het eerste gezicht een coulisse, een sluier. Kijken we achter deze sluier, dan weven en werken en vormen daaraan archai, archangeloi, angeloi; kyriotetes, dynameis, exousiai; serafijnen, cherubijnen en tronen." Het maakt voor deze hiërarchieën zeker uit of de ene mens de andere vergeeft of niet. Doet hij het niet, dan 'dwingt' hij de hiërarchieën het wereldkarma, en daarmee de toekomstige ontwikkeling van mens en wereld, aan te passen volgens de onwrikbare karmawet, die vroeg of laat van elke wandaad een rechtvaardige en volledige vereffening eist. In dat geval moeten door alle negen hiërarchieën enorme geestelijke inspanningen worden geleverd om op aarde de situatie te scheppen die vereffening mogelijk maakt. Dat wil zeggen dat elk niet-vergeven uitbreiding vergt van het kosmische netwerk van onwrikbare karmische consequenties.

Schenkt iemand daarentegen waarachtig vergiffenis, dan ziet hij vrijwillig af van de 'schadeloosstelling' waarop hij een objectief recht heeft in de kosmos, wanneer een ander hem onrecht heeft aangedaan. Door af te zien van de compensatie die hem in een volgend leven anders onvermijdelijk geboden zou moeten worden, bevrijdt de mens talloze krachten van de hogere hiërarchieën van de noodzaak op aarde steeds weer nieuwe situaties te scheppen waarin oud karma kan worden vereffend.

Door vergiffenis te schenken komen krachten van de hogere hiërarchieën vrij. Deze kunnen, nu ze niet meer aan de uitvoering van de onwrikbare karmawet gebonden zijn, in een geheel nieuwe vorm worden ingezet als vrij aan de wereld geofferde hogere krachten, die vanuit de aardse ontwikkeling als 'genade' kunnen worden aangeduid. Met andere woorden, deze vrijgekomen krachten kunnen in de geest van Christus gebruikt worden als bouwstenen voor het gebouw waaraan hij werkt, de morele kosmos, waarover Rudolf Steiner aan het slot van De wetenschap van de geheimen der ziel spreekt. Daardoor ontstaat in de schoot van het rijk waarin de alomvattende wet van het karma heerst, geleidelijk aan een nieuw rijk, waarin karma tot zegen wordt en noodzakelijkheid in volledige vrijheid verkeert, een rijk waarin Christus werkt als Heer van het karma. Elke daad van vergeving schept als het ware een vrije ruimte in het karmische weefsel waarin Christus kan werken en waartoe de luciferische en ahrimanische machten geen toegang hebben.

Zo verandert de mens met iedere vergevingsdaad een deel van het karmische veld dat onze kosmos met een dicht net van wetmatigheid doortrekt, in een nieuw werkgebied van Christus als Heer van het karma. Omdat Christus juist in onze tijd Heer van het karma wordt, heeft vergeven nu en in de toekomst in toenemende mate een onschatbare betekenis voor de menselijke ontwikkeling.

Wie vergeeft komt daardoor zelf in een volkomen verhouding tot Christus te staan, waardoor hij op den duur een steeds bewustere 'medewerker' van Christus kan worden in het veranderingsproces van onze kosmos. Tegelijkertijd kan Christus veel sterker op het individuele karma van een mens inwerken dan wanneer deze geen vergeving oefent. Daarom kunnen we zeggen dat het principe 'niet ik, maar Christus in mij' zich op het moment van vergeven reëel in de mens begint te verwerkelijken, terwijl bij niet-vergeven het tegengestelde principe 'niet ik, maar Jahweh in mij' tot gelding komt. Daaruit volgt dat iedereen aan de mate waarin hij kan vergeven, uit de praktijk en niet uit abstracte overwegingen, kan afleiden in hoeverre hij nog oudtestamentisch is, iemand die in overeenstemming met de wet van het karma niets en niemand vergeeft ("Mij komt de wraak toe en de vergelding", Deut. 32:35), of dat hij de weg betreden heeft die voert tot de geboorte van de nieuwtestamentische mens, als een bloem die naar de Christus-zon groeit, naar de vrijheid, de liefde en de zegen van Christus.

Dat houdt rechtstreeks verband met de ingrijpende verandering die in onze tijd plaatsvindt in de 'aan de aarde grenzende' geestelijke wereld, waar de etherische Christus Heer van het karma van de aardse ontwikkeling wordt. Rudolf Steiner karakteriseert deze verandering als volgt.

In het verre verleden ontmoette iedere overledene uit de beschaving van het avondland, voordat hij in het kamaloka kwam, twee bovenzinnelijke gestalten: een cherubijn met een vlammend zwaard als behoeder van de kosmische gerechtigheid, zoals het geestelijke wezen dat eens Adam en Eva uit het paradijs verdreef, en Mozes met de 'tafelen der wet', die de onverbiddelijkheid van de wet van het karma aanschouwelijk maakten.

Volgens het geesteswetenschappelijk inzicht van Rudolf Steiner gaan deze twee gestalten van nu af aan steeds vaker vergezeld van een derde figuur, die geleidelijk de plaats van de Mozesgestalte gaat innemen, te weten Christus. Het verschijnen van zijn gestalte in plaats van die van Mozes betekent dat 'ons karma met Christus verbonden raakt, Christus vergroeit met ons eigen karma'. En dat is -niet abstract, maar geestelijk concreet- de overgang van de oudtestamentische naar de nieuwtestamentische mens waarover hierboven is gesproken. De bewuste en vrije ontwikkeling van vergevingsgezindheid kan deze overgang in aanzienlijke mate bevorderen en vormt er daarom een belangrijk onderdeel van. [ ... ]

Vergeven is niet eenvoudig. We moeten onszelf overwinnen:

[ ... ] Om de noodzaak van zelfoverwinning bij elke vergevingsdaad beter te begrijpen, moeten we ons realiseren dat bij elke vergevingsdaad het hogere ik het lagere ik met zijn krachten en substantie doordringt. Dat betekent echter dat alle omlaag strevende tendensen van het lagere ik moeten worden overwonnen. Het hogere ik kan zich alleen doen gelden waar de neigingen van het lagere ik in voldoende mate worden beheerst door de menselijke wil tot moraliteit. Met andere woorden, waarachtig vergeven heeft altijd een offerkarakter.

Ook de bovenzinnelijke uitstraling ervan wordt vooral bepaald door de mate van offervaardigheid, dus door een tenminste gedeeltelijke beheersing van het lagere ik door het hogere. Want het eerste verzet zich door zijn egoïsme op alle mogelijke manieren tegen de vergevingsdaad. Het klampt zich vast aan elk voorwendsel of elke uitvlucht die zich aandient, om deze innerlijke stap niet te hoeven zetten. Van nature is het lagere ik rancuneus en niet bereid 'vrijwillig' te vergeten, omdat het in dat vergeten een aantasting van zijn egoïstische identiteit ziet.

Het tweede kenmerk van waarachtige vergeving is de innerlijke activiteit. Schijnbare vergeving kost geen moeite; echte vergeving wel. We nemen daarbij niet alleen het besluit het kwaad of het onrecht dat ons is aangedaan te 'vergeten', maar we nemen bovendien de verplichting op ons de objectieve schade, die niet alleen wij, maar ook de wereld als geheel door dat kwaad heeft geleden, te herstellen. Met andere woorden, we nemen bij waarachtige vergeving vrijwillig, uit volle innerlijke vrijheid de verplichting op ons de wereld naar beste kunnen evenveel medelijden, liefde en goedheid te schenken als haar door de wandaad ontstolen werd. [ ... ]

Over de betekenis van vergeving voor het leven na de dood

[ ... ] Bij elke waarachtige vergeving begint degene die vergeeft het karma van de ander, die hij vergiffenis heeft geschonken, op zich te nemen. Daardoor kan na hun beider dood de eerste voor de tweede gedurende hun verblijf in het kamaloka en lichtende ster in diens verduisterde gezichtskring zijn. De eerste ziel verschijnt in opdracht van Christus aan de tweede om haar tot ontwaken in het geestelijk licht van de zelfkennis te brengen. Want in het kamaloka lijdt die ziel het meest, die niet bereid is haar schuld in te zien en de gevolgen van haar op aarde gemaakte fouten, van haar verkeerde daden, gevoelens en gedachten op zich te nemen. Bij dit zoeken naar zelfkennis en bij de -uit het oogpunt van het hogere ik en van de geestelijke kosmos- juiste beoordeling van wat in het aardse leven is volbracht, kan nu de ene ziel de andere, die zij ooit tijdens het leven heeft vergeven, helpen. Nu kan ze in opdracht van Christus -dat wil zeggen omdat ze het oerbeeld van het hogere ik van ieder mens in zich draagt- als zijn afgezant in de ander een helder bewustzijn wekken van diens fouten, misstappen en wandaden, waadoor tegelijkertijd diens vermogen om in het geesteslicht waar te nemen toeneemt.

Meer nog, de ziel van degene die vergeven heeft, kan in het kamaloka de andere ziel de weg naar de kosmische sfeer van Christus wijzen. Want dat is de geestelijke macht van ware vergeving: ze kan de ziel van hem die vergiffenis heeft geschonken na de dood het vermogen geven om het licht van Christus te dragen, dat de krachten van het hogere ik in alle zielen wekt -niet alleen bij hen die in het kamaloka verkeren, maar ook bij hen die nog op de aarde leven.

Zodoende neemt de mens door vergiffenis te schenken al op aarde de Christus-impuls zo intens in zijn ziel op, dat hij voortaan niet alleen zijn hele omgeving tot zegen kan zijn, maar ook na de dood de macht van de Christus-zon kan binnendragen in het door karmische wetten omspannen rijk van de geest, om daardoor aan de transformatie van die wetten in zegen en liefde helpend deel te nemen.

De werking van vergeving in het hiernamaals heeft nog een aspect dat in dit hoofdstuk aan de orde moet komen. Wandaden en fouten tijdens het aardse leven begaan, maken dat het lagere ik in toenemende mate de overhand krijgt over het hogere ik, ze leiden als het ware tot een verduistering van de geest. Dat betekent dat de door het hoger ik werkende beschermengel steeds minder invloed heeft op het aan hem toevertrouwde individu. Dat geldt in het bijzonder wanneer iemand die een wandaad heeft begaan overlijdt; deze moet dan de eerste tijd na zijn dood, althans voor een zekere periode, de hogere leiding ontberen.

De beschermengel heeft echter volgens een wetmatigheid van de geestelijke wereld de opdracht het leven van de mens na de dood zoveel mogelijk in harmonie met de geestelijke kosmos te brengen, wat een van de voorwaarden is voor een zinvol bestaan van de ziel na de dood. Blijkt deze nu in het hiernamaals te zeer met negatief karma belast en verzet ze zich bovendien -wat dikwijls gebeurt- uit alle macht tegen echte zelfkennis, wil ze haar schuld niet onder ogen zien, dan dreigt voor zo'n ziel door haar disharmonie met de kosmos een kwellend, ondraaglijk lijden.

De ziel heeft in deze situatie de subjectieve beleving alsof de haar omgevende geestelijke wereld haar terugstoot in de duistere regionen van het kamaloka die het evangelie 'de duisternis daarbuiten' noemt (Mat. 22:13 en 25:30). Daardoor, maar vooral ook door de 'kosmische eenzaamheid' die optreedt wanneer de engel zich van de ziel verwijdert, nemen in het hiernamaals de kwellingen toe, om tenslotte zo erg te worden dat de ziel alle gevoel voor tijd verliest, d.w.z. het gevoel geleidelijk op te stijgen naar de hogere sferen van de geestelijke wereld. Ze ervaart haar toestand als 'eeuwig'. De ervaring is in zekere zin te vergelijken met de indruk van een onmetelijke, geheel verlaten, doodse ruimte, waar geen enkele beweging is, geen ontwikkeling - waar de tijd stilstaat. Daaruit komt de middeleeuwse voorstelling voort van de 'eeuwige hel' of de 'eeuwige' kwellingen na de dood, een denkbeeld dat helaas tot op de dag van vandaag noch door de Grieks-orthodoxe, noch door de westerse kerken is herzien of geesteswetenschappelijk onderzocht.

Het belangrijkste dat de engel de ziel na de dood biedt is besef van tijd. Dit besef komt voort uit de beleving van een geleidelijk en harmonisch opgaan in steeds ruimere en steeds verhevener sferen van de geestelijke kosmos. Als iemand echter tijdens zijn leven veel kwaad heeft gesticht of zelfs misdaden heefdt begaan, kan zijn engel hem niet naderen, en verliest deze de mogelijkheid zijn opdracht ten aanzien van die mens te vervullen. Nu de engel niet in staat is de ziel door de opeenvolgende regionen van de geestelijke wereld te leiden, vegeet hij als het ware -in aardse taal uitgedrukt- voor een zekere tijd de aan zijn leiding toevertrouwde ziel. Zulke zielen zonder oriëntatie in de geestelijke wereld proberen op alle mogelijke manieren aan hun ondraaglijke lijden te ontsnappen en wenden zich dikwijls om hulp tot demonische wezens. Als prijs voor een zekere vermindering van hun lijden raken zij al gauw in de macht van deze wezens en moeten zij deze dienen in de aan de aarde grenzende geestelijke sfeer. Van daaruit brengen zij dan ziekten, epidemieën en ongelukken op aarde, en werken zij in het bijzonder aan de verbreiding van alle mogelijke kwade neigingen in de zielen van de mensen. [ ... ]

Uit deze fragmenten blijkt wel dat dit boek van Prokofieff absoluut niet gemakkelijk is. Het overtuigt ons van het belang van vergevingsgezindheid, maar hoe dikwijls komen we niet in situaties waarvan we denken: "Hier kan ik nu toch echt niet vergeven !", of " Moet ik nu echt altijd met mijn voeten laten spelen ?" Denken we maar aan onze positie als opvoeder. Deze vragen werden ook vaak aan de schrijver gesteld, en hij gaat er op in in het nawoord: soms moet het vergeven een zuiver innerlijke aangelegenheid blijven, terwijl naar buiten toe het kwaad en de leugen met open vizier tegemoet dient te worden getreden.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Pedagogie - anecdote

Op 8 december 1994 overleed Erica von Baravalle (geb.: Smith). Zij was van Ierse afkomst en wilde leerkracht worden. Ze leerde de leraars kennen die later de eerste Steinerschool in Engeland zouden stichten, en woonde voordrachten van Rudolf Steiner bij, zowel in Torquay als in London. Tijdens een van die voordrachtenreeksen over pedagogie deed zich het volgende voor.

Op een namiddag liet Rudolf Steiner verstaan dat hij vóór het begin van de volgende voordracht over pedagogie een belangrijke mededeling zou doen. Iedereen zat al klaar met zijn notaboek. Rudolf Steiner stond vooraan en begon het papiertje van rond een stuk krijt te doen - alsof hij op bord ging verduidelijken wat hij zou zeggen. Hij hield het stukje papier tussen de vingers en keek rond om de papiermand te vinden. Maar er was geen papiermand (waarschijnlijk wist hij dat al wel). Een deelnemer sprak:"Gooit u dat papiertje maar rustig in de hoek, Herr Doktor, wij zullen dat achteraf wel opruimen". Maar Rudolf Steiner liet een papiermand halen en liet er heel ostentatief het papiertje in dwarrelen. De pennen die klaar gehouden werden om te noteren zakten al terug.

Dan sprak Rudolf Steiner: "Wat ik wil zeggen, is het volgende: u mag nog zo veel pedagogische kennis hebben; als u echter het krijtpapiertje op de grond laat vallen in plaats van in de papiermand, dan heeft al uw kennis niet de minste waarde !

Het is niet bekend hoeveel andere deelnemers dit voorval onthouden hebben. Voor Erica von Baravalle was het doorslaggevend voor haar latere pedagogische werkzaamheid: orde en netheid, niet alleen uiterlijk, maar ook in de ziel, waren cruciaal in haar onderwijs.

Ze kwam uiteindelijk terecht in de school in Stuttgart, waar ze Engelse les gaf. Rex Raab, van wie we deze anecdote overnamen, herinnert zich dat een lesuur niet begon vooraleer de klas goed opgeruimd was, "neat and tidy", "spick and span". Ze nam ook nooit een schrift aan voordat het in 't net geschreven was . . .

Terug naar anecdotes.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .