|
De Brug 14 van december 1996 Attila Varnai over de toekomstOp zaterdag 21 september 1998 gingen er in het Centrum Emile Verhaeren (Renbaanlaan 127 te 1050 Elsene) twee voordrachten door. Attila Varnai, de voorzitter van de Anthroposofische Vereniging van Frankrijk sprak 's morgens over "Wetenschap, kunst en godsdienst, of de religiositeit van de toekomst". 's Namiddags zou hij het dan hebben over "666, het getal van het beest van de Apocalyps, en de toekomst". Een veertigtal mensen waren opgedaagd, ook enkele Nederlandssprekenden, waaronder schrijver dezes. Bij de eerste voordracht is hem eigenlijk de lijn van het betoog ontsnapt, ofwel omdat hij niet genoeg Frans kent, ofwel omdat hij geen anderhalf uur kan geconcentreerd blijven. Dat maakt dat hij zich slechts fragmenten kon herinneren, waaruit hij evenwel toch het volgende kon distilleren: We hebben de Aarde als mikrokosmos, die een afspiegeling is van de grote makrokosmos. Daartussen bevindt zich als mesokosmos de mens, als rechtopstaand wezen. Dat is een soort basisdriedeling die als uitgangspunt kan dienen om de verhouding tussen de driedeling lichaam-ziel-geest of ook wetenschap-kunst-religie te bestuderen. In de mens zelf vinden we een driedeling, maar ook bvb. in de traditionele huizen- en kerkbouw:
Het middendeel is overal de ruimte vor de ontmoeting, net zoal in de mens de makrokosmos en de mikrokosmos elkaar ontmoeten. Bvb. in de mens: de longen, waar het aderlijke en slagaderlijke bloed elkaar "ontmoeten".
Maatschappelijk gezien zijn kunst, godsdienst en wetenschap lange tijd niet gescheiden geweest. De vorm van de maatschappij werd bepaald door religieuze waarheden die tevens wetenschappelijke waarheden waren, en de kunst beeldde die uit, ze gaf niet iets zuiver persoonlijk weer zoals nu. De scheiding tussen godsdienst, wetenschap en kunst, die in onze tijd vanzelfsprekend wordt gevonden, is het resultaat van een eeuwenlang proces. In de Egyptische tijd verenigde de farao in zich nog de geestelijke en de wereldlijke macht, maar er begon zich al een priesterkaste te vormen die het goddelijke liever voor zich reserveerde en de invloed van de farao wilde beperken tot het wereldlijke ( daardoor mislukte de poging van Amenhotep IV om van de zonnegod Aton de enige god te maken).
Wat de kunst betreft, die drukt de innerlijke toestand van het menselijk wezen uit. Wetenschap en godsdienst streefden uit elkaar: artsen verloren hun priesterroeping. Een symptoom voor de veranderende geestesgesteldheid: in de vijfde eeuw v.C. ontdekte Alkmaeon van Croton de dubbele bloedsomloop, hij was zo stoutmoedig om te verklaren dat de mens denkt met zijn hersenen. Het kostte hem bijna zijn leven: toentertijd dacht men dat de gedachten overal in het lichaam konden zitten, in het hart, in de nieren, alleen niet in de hersenen; en het duurt lange tijd vooraleer de gemeenschap even ver is geëvolueerd als de individuele voorlopers. Harvey, die de gesloten bloedsomloop herontdekte in de 17de eeuw was lijfarts van Karel I, op dat ogenblik vond men zo'n ontdekking dus niet meer aanstootgevend. In onze tijd is het noodzakelijk om wetenschap, kunst en religie terug te verenigen om voor de problemen waarvoor de mensheid zich gesteld ziet, een oplossing te vinden die aangepast is aan de nieuwe tijdsgeest. De natuur moet met eerbied benaderd worden: de laboratoriumtafel moet terug een altaar worden.
De tweede voordracht, over "666, het getal van het Beest van de Apocalyps, en de toekomst", zal menig toehoorder teleurgesteld hebben. Attila Varnai legde immers de klemtoon van deze voordracht op "toekomst", terwijl velen een sensationele, occulte verklaring van het getal 666 en het Beest verwacht hadden.
Om deze wezens te kunnen bestrijden hebben wij inzicht in de werking van de hiërarchieën en de tegenmachten nodig.
Dat een mens leert denken, dat bewerken de Engelen. In dat denken wil Lucifer een enthousiasme, een idealisme stimuleren dat de mens zijn belangstelling voor de aarde, voor zijn medemens doet verliezen. Het maatschappelijk gebied waar Lucifer actief is, is het geestesleven. Daar moet vrijheid heersen, maar niet de onverantwoordelijke, egoïstische vrijheid die Lucifer nastreeft.
Al deze wezens bestrijden in feite Christus, in de sfeer waar hij terug zal komen: de etherische. In deze sfeer moet Christus het voornamelijk tegen Ahriman opnemen. Hij wordt daarbij geholpen door een formidabel wezen, eigenlijk een Aartsengel, maar die nu opstijgt tot het niveau van een Archè: dat is Michaël. fdw
* * * * * * * * * * *
Michaëlische moeddoor François De Wit Op vrijdag 4 oktober 1996 ging in de Rudolf Steinerschool te Gent een euritmie-avond door rond het thema "Michaëlische moed". Er was aangekondigd dat het Rembrandt-eurythmiegezelschap een korte voorstelling zou brengen; daarna zouden de aanwezigen zelf eurythmisch bezig zijn; het derde deel zou dan een korte voordracht door de lesgever-euritmist inhouden. Een twintigtal mensen vonden het programma interessant genoeg om erop af te komen. Centraal stond de spreuk van Rudolf Steiner:
Het Rembrandt-eurythmiegezelschap maakte de beweging van deze spreuk zichtbaar. Daarna probeerden de deelnemers eveneens op het spoor te komen van die beweging.
Als we zo gekomen zijn tot een bewust vatten van de houding ik-zonder-meer, dan kunnen we overgaan tot de volgende stap: van het Ik-gebaar naar het Wij (Wir).
Dit -voor de deelnemers- actieve gedeelte van de avond was eigenlijk veel te kort, maar het gaf toch een idee van het élan van de Michaëlsgedachte. Hierover werd de lesgever dan explicieter in het derde deel. Brauchen das rechte Gehör Für des Geistes Morgenruf, Den Morgenruf des Michael. Geist-Erkenntnis will Der Seele erschließen Dies wahre Morgenruf-Hören.
" In de "L" hebben we de klank van de vrije, innerlijke ontplooibaarheid. De armen worden eerst naar onder gebracht met een beweging die a.h.w. iets uit de aardbodem wil uithalen, uitscheppen, schapen; dan wordt het aldus gevormde met de handen dicht bijeen naar omhoog gebracht om het daar als een bloesem te laten openbloeien in een beweging die naar beide zijden uitstroomt en terug naar omlaag gaat, zodat de kringloop terug kan beginnen."
* * * * * * * * * * *
De rol van Michaël in onze huidige tijdDr. Hériard-Dubreuil, een antroposofisch arts uit Soissons sprak in het Centre Emile Verhaeren over "Le rôle de Michael à l'époque actuelle".
De spreker begon met uiteen te zetten hoe het wetenschappelijk denken doorgedrongen is tot in alle lagen van de maatschappij. Alles wordt wetenschappelijk onderzocht en beschreven, en die kennis wordt weggestopt in immense bibliotheken en databanken. Schematisch:
Bij niet-gelovigen kan het er zo uitzien:
Maar dit naast elkaar bestaan van twee gebieden is de oorzaak van veel (onbewust) lijden. Een aantal mensen vlucht: ofwel zoeken ze een enclave waar de moderne beschaving hen niet kan bereiken, bvb. ergens in de natuur, ofwel nemen ze hun toevlucht tot drugs en andere middelen die het bewustzijn vertroebelen.
Een eigenschap van het wetenschappelijk denken is dat het de wetten die toepasbaar zijn op de buitenwereld, ook laat gelden voor het innerlijke van de mens, bvb. de wet van behoud van energie, volgens dewelke in een systeem de energie constant is, en enkel een andere vorm aanneemt (vb.: chemische energie wordt omgezet in mechanische). De draak van het wetenschappelijk denken is ongelofelijk arrogant en alomtegenwoordig. Hij wil alle geledingen van de maatschappij beheersen. Met minachting en hoon wordt neergekeken op al wie op een "alternatieve" manier iets probeert door te voeren tot heil van de mens. Als bvb. antroposofische artsen een kruidengeneesmiddel willen voorschrijven dat effectief werkt, dan wil de draak van het wetenschappelijk denken dat er eerst een objectief, dubbelblind onderzoek uitgevoerd wordt, dat de werkzame bestanddelen in een labo geïsoleerd worden en liefst nog chemisch nagemaakt worden door de farmacologen.
Michaël is sterker dan de draak, hoewel het er de schijn van heeft dat het omgekeerde waar is. Want Michaël maakt niet veel lawaai, hij is niet agressief, terughoudend zelfs; hij respecteert de totale vrijheid van de mens.
Op dat ogenblik stapte Dr. Hériard-Dubreuil van achter zijn tafeltje, door de kamer, naar het grote raam dat uitzicht biedt over de tuin en een stuk van de Brusselse hemel. Niet iedereen begreep direct wat er aan de hand was, maar het was ondertussen 15u 30, de gedeeltelijke zonsverduistering was al begonnen: voor onze ogen speelde zich een strijd af tussen het licht en de duisternis . . . fdw * * * * * * * * * * *
Voeding uit de bio-dynamische landbouw
Vele mensen vinden dat de prijzen van producten uit de natuurvoedingswinkel niet in verhouding staan tot de kwaliteit. Consumentenorganisaties als Test-Aankoop houden deze overtuiging in stand. Ze geven toe dat de kwaliteit van biologische en bio-dynamische voeding beter is dan die van de gangbare producten, maar uiteindelijk blijft een verkeerd economisch denken het halen en verkiest men niet de beste kwaliteit, maar de beste kwaliteit/prijs-verhouding.
In 1923 hield Rudolf Steiner een voordrachtenreeks over het wezen van de bijen. Ook daar kwam reeds het probleem van de prijs ter sprake.
[ ... ] "Vandaag zou men in de grond eigenlijk niet over de prijsverhoudingen moeten beginnen te discuteren, want tegenwoordig zijn alle prijsverhoudingen verkeerd, en men moet op veel bredere basis vanuit economisch oogpunt over de prijs discuteren. Men bereikt er niet veel mee als men over de prijs van afzonderlijke levensmiddelen discuteert, en honing is een levensmiddel, niet alleen een genotsmiddel of een luxe-artikel. In een gezond sociaal organisme zou vanzelfsprekend ook een gezonde honingprijs tot stand komen. Daaraan valt zeker niet te twijfelen. Maar doordat we vandaag niet in gezonde sociale verhoudingen leven, worden alle vragen in een verkeerd daglicht gesteld. Ziet u, u kunt vandaag op grote boerderijen komen, en wat de agronoom - op grote boerderijen is er in de regel een agronoom en geen boer- u daar zegt over de hoeveelheid melk die hij uit zijn koeien krijgt: dat is horribel. Hij krijgt zoveel liter melk per dag dat iemand die het wezen van de koe kent, weet: dat is onmogelijk, dat men uit een koe zoveel melk haalt. En toch haalt men dat eruit ! Ongelooflijk maar waar. Bij velen is het zo dat ze voor mijn part bijna het dubbele bereiken van wat een koe aan melkproductie kan geven. Daardoor wordt de boerderij zeer rendabel, vanzelfsprekend. En men kan niet eens zeggen dat het sterk opvalt dat die melk niet dezelfde kracht heeft als melk die men op een meer natuurlijke wijze verkrijgt. Men kan dus niet eens direct bewijzen dat daar iets slecht gebeurt.< > Maar ik wil u bij wijze van voorbeeld het volgende vertellen. Wij hebben proeven ondernomen met een middel tegen mond- en klauwzeer bij het rund, zoals wij de laatste jaren vele proeven ondernomen hebben. We hebben dat zowel op grote als op kleinere boerderijen uitgeprobeerd, waar er niet op zo'n grote schaal melk geproduceerd wordt. Het middel bleek heel effectief te zijn. Als u die proeven uitvoert, dan kunt u iets vaststellen. U ziet dat kalveren die van koeien stammen die teveel op het melkproduceren gekweekt worden, wezenlijk zwakker zijn. Dat kunt u aan de werking van het geneesmiddel zien. De werking of niet-werking wordt ontzaglijk vergroot. Een kalf groeit in ieder geval als het niet sterft aan mond- en klauwzeer. Maar een kalf dat afstamt van een koe die u overvoert om er meer melk te kunnen uithalen, zo'n kalf is reeds zwakker dan kalveren die van koeien komen die minder op melkproductie gedresseerd zijn. U kunt dat zien bij de eerste, tweede, derde, vierde generatie. Het verschil is zo klein dat het niet opgemerkt wordt. Dit soort melkproductie bestaat nog niet zo lang, maar een ding weet ik zeer goed: als men zo verder gaat dat een koe meer dan dertig liter melk per dag moet geven, als men de beesten zo mishandelt, dan gaat überhaupt de ganse runderveeteelt teloor. Dat is onvermijdelijk. Nu, zo erg is het natuurlijk niet bij de bijenkweek omdat de bij een dier is dat altijd zichzelf nog kan helpen, ze staat nog dichter bij de natuur dan de koe die zo kunstmatig gehouden wordt. Daarbij is het nog niet eens zo erg dat de koe dusdanig mishandeld wordt met die melkproductie als ze nog op de weide gebracht wordt. Maar dat gebeurt bij die grote kwekers al niet meer, er wordt in de stal gevoerd. De koe wordt gans uit haar natuurlijk milieu losgerukt. [ ... ] Wie de mens goed kent, kan bijvoorbeeld het volgende zeggen: de ene mens is op zijn vijfenzestigste nog tamelijk fris, zo zijn er nietwaar; een andere is niet meer zo fris omdat hij aan aderverkalking enzomeer lijdt. Het is uiterst interessant om dit waar te nemen en in verband te brengen met wat zich in de jeugd afgespeeld heeft. Men kan bvb. een kind melk geven die van koeien komt die teveel eten opnemen dat samenhangt met een kalkbodem. Daardoor kan het kind reeds met de koemelk waarmee het gevoed wordt iets van de kalkbodem opnemen. Dat merkt men niet onmiddellijk. En nu komt daar zo'n dokter van de huidige soort, die wijst een kind aan dat met koemelk werd grootgebracht, ook van een kalkbodem, en een ander dat met moedermelk werd opgevoed, en hij zegt: dat maakt geen verschil. Maar het kind dat met met moedermelk werd grootgebracht, is op zijn vijfenzestigste nog fris, het kind dat groot werd met koemelk, dat verkalkt op zijn vijfenzestigste ! Dat komt omdat de mens een geheel is en wat op een bepaalde leeftijd werkt, dat werkt nog op latere leeftijd na. Iets kan op een bepaalde leeftijd gezond zijn, toch werkt het na." [ ... ]
Ondertussen zijn we al meer dan 70 jaar verder; in allerlei populaire brochures en publicaties, dikwijls gesponsord door grote voedingsmiddelenfirma's, probeert men door chemische analyses aan te tonen dat de kwaliteit van moedermelk eigenlijk te slecht is voor de zuigeling: alleen de speciaal samengestelde poeders zouden echt volwaardig zijn.
Met welk soort melk die dan wel gemaakt zijn, dat is een ander verhaal. Rudolf Steiner vond het gruwelijk dat een koe meer dan dertig liter melk per dag moest geven, maar tegenwoordig staat het "wereldrecord" melkproductie voor 1 koe op 1 jaar op 29.000 liter ! Indien de koe iedere dag zou melk geven -wat niet kan want men moet rekening houden met de lactatieperiode- dan komt dit al neer op 80 liter per dag. De koe is dan een melkproductie-eenheid geworden, en moet ondersteund en gestimuleerd worden met hormonen, kunstmatige vitaminen, mineralen, pensbuffers en dies meer.
Volgens labo-testen is deze melk identiek aan melk van koeien die rustig op de wei staan ...
Wat de bijen betreft: in "Seizoenen", het tijdschrift van VELT, lezen we in het oktobernummer van 1996 :
[ ... ] "Onze bijen zijn zo hulpbehoevend geworden dat zij niet meer in staat zijn deze ziekten (het gaat over Nosema - fdw) door natuurlijke selectie het hoofd te bieden."
Nochtans is het probleem van gezonde voeding gemakkelijk op te lossen. Als iedereen bereid is om een eerlijke prijs te betalen voor zijn voeding, en de goedkope, maar levenloze voeding links (onverkocht) laat liggen, dan schakelen binnen de kortste keren alle boeren om !
En er is hoop: in West-Europa is het biologisch landbouwareaal op 10 jaar tijd gestegen van ongeveer 100.000 ha in 1985 naar een miljoen ha in 1995.
* * * * * * * * * * *
Antroposofie en racisme
De laatste tijd kwam de antroposofie enkele keren in het nieuws, vooral in Nederland en Duitsland: antroposofie zou racistisch, ja zelfs fascistisch zijn. Vanwaar komen de beschuldigingen
"In de jaren 70 en 80 werd de Steinerschoolbeweging zeer sterk gedragen door geïnteresseerde mensen uit links-alternatief-ecologische middens.
Dit opstel, geschreven in een links cursusboek, werkte enigszins als een vonk en opende voor vele jonge mensen de weg naar de Steinerpedagogie. Het rassenbegrip bij Rudolf Steiner Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie en de Steinerpedagogie, heeft op verschillende plaatsen in zijn werk, dikwijls in telkens andere samenhangen, ook over rassen gesproken. En wij staan nu voor de vraag wat Steiner onder ras verstond, en hoe het begrip ras een rol speelt in de antroposofie. Steiner probeert aan te tonen hoe de mensen zich in de loop van een lange geschiedenis afgezonderd hebben uit vroegere bloeds- en taalverbanden. "Uit de grote, reusachtige verbanden van de oorspronkelijke mensheidsgroeperingen zonderden zich volkeren af, uit de volkeren dan de stamverbanden, dan uit de stammen de clans, uit de clans de grootfamilies, daaruit tenslotte de individuele familie, waaruit zich dan gans op het eind het individu, de afzonderlijke mens losmaakte."
Ik
Als Steiner over rassen spreekt, dan is het belangrijk om niet uit het oog te verliezen, dat hij het altijd enkel over tijdperken uit een zeer ver verleden heeft, toen de mens wat betreft lichamelijke, ziele- en geestelijke ontwikkeling nog maar pas aan het begin stond. In het bijzonder spreekt hij over de "atlantische tijd" waar de mensen nog volledig in grotere rasverbanden ingebed waren. 1) Vooreerst het taalgebruik van Rudolf Steiner. Tegenwoordig voelt men zich al ongemakkelijk bij het woord "neger" omdat men daar een discriminatie in hoort. Totaal ongepast is ook het woord "ariër" geworden. Na de holocaust kan ook het rassenbegrip niet meer zonder meer toegepast worden - dat is terecht en te begrijpen. Rudolf Steiner echter leefde in een tijd -en dat mag men niet vergeten- die op dit gebied nog meer onbevangenheid toeliet. Een kritiek die een taal die 70 jaar geleden gesproken werd, uitsluitend beoordeeld vanuit het heden, blijft oppervlakkig en onhistorisch. (1) 2) De rassenthematiek is bij Steiner altijd gekaderd in een totaalvisie op de mens. Kind-zijn of jeugd is op zich niet slechter of minder waard dan volwassenheid en ouderdom. Het zijn periodes in het leven van een zich ontwikkelende mens. Tot zo'n totaalvisie hoort ook dat de rassen niet beschouwd worden als mekaar uitsluitende tegenstellingen, maar als polariteiten die mekaar noodzakelijkerwijze aanvullen in een levende organische eenheid. "Het is nu zo bij het mensengeslacht, dat de mensen over gans de aarde eigenlijk allemaal op elkaar aangewezen zijn. Ze moeten elkaar helpen. Dat volgt reeds uit hun natuurlijke aanleg." (2)
3) Steiner benadrukt op verschillende plaatsen dat, wanneer hij van rassen spreekt, de wezenskern van de mens als unieke individualiteit daar niets mee te maken heeft. Het ras is slechts een werktuig voor het Ik van de mens, het ras is nooit de ganse mens. Men moet er steeds op letten om de vergankelijke lichamelijke kant van de mens te onderscheiden van zijn geestelijke kant. Het doel van Steiners onafgebroken inspanningen was juist om de individuele geestelijke kant van de mens, die in de nieuwere tijd altijd maar vrijer wordt, te behoeden voor een materialistische mensvisie die al het geestelijke loochent. 4) Steiner gaat uit van de eeuwigheidsnatuur van het Ik. Vandaar volgt voor hem als consequentie de reïncarnatiegedachte: ieder mens maakt met zijn Ik doorheen verschillende reïncarnaties alle verschijningsvormen mee waarin de mensheid zich uitdrukt. Eenzijdigheden vullen elkaar aan en versmelten in een zich verder ontwikkelende persoonlijkheid tot een geheel. 5) Als het rassenbegrip bij Steiner hier en daar ook voor latere tijden gebruikt wordt, zelfs tot bij het beschrijven van onze huidige tijd, dan moet men er altijd van uitgaan dat het om nawerkingen en overblijfselen uit een lang vervlogen tijd gaat. In de laatste bloemlezing van Steiner-voordrachten rond het thema "De opgave van de antroposofie" is er een zeer lezenswaardige voordracht te vinden in verband met ons onderwerp, met als titel: "Het Ik, de God in het innerlijk en de God in de uiterlijke openbaring - het teloorgaan van het ras en de vorming van de zelfstandige individualiteit". "Nu leven we namelijk precies in de huidige tijd in de eminentste zin in een overgangstijd. Alle groepszielelementen moeten geleidelijk afgeschud worden. Net zoals de afgronden tussen de afzonderlijke naties altijd meer verdwijnen, net zoals de verschillende delen van de naties elkaar altijd meer en meer begrijpen, zo zullen ook de andere groepszielaspecten afgeschud worden, en altijd meer zal het individuele van de afzonderlijke mens op de voorgrond treden. [ ... ] In de atlantische tijd hebben we de mensen gegroepeerd volgens uiterlijke kenmerken in hun lichaamsbouw, nog veel sterker als vandaag. Wat we vandaag rassen noemen, zijn slechts een overblijfsel van de belangrijke verschillen tussen de mensen zoals dat in het oude Atlantis voorkwam. Eigenlijk is dat rassenbegrip alleen maar op dat oude Atlantis van toepassing." De poging om Steiner bij extreem-rechts te klasseren Jutta Ditfurth schrijft: "Tot het wezen van de antroposofie hoort een nauwe verbinding met het fascisme. "
In plaats van een commentaar zou ik hier liever feiten willen aanhalen. Altijd weer werd en wordt geprobeerd om Rudolf Steiner direct te treffen en hem in een hoek te duwen waar hij niet thuishoort. Dat het gewoonweg belachelijk is hem te willen afschilderen als nationalist of antisemiet tonen volgende feiten: - Reeds in 1897, nog vóór Emile Zola, koos Steiner openlijk partij voor de jood Alfred Dreyfuß die als Franse officier wegens vermeend landverraad onschuldig veroordeeld en naar het beruchte Duivelseiland verbannen werd. - In 1901 schreef Steiner een reeks essays voor het blad "Mededelingen van de Vereniging tegen het Antisemitisme". - Van 1899 tot 1904 doceerde Steiner geschiedenis aan de sociaal-democratische arbeidershogeschool in Berlijn die door Wilhelm Liebknecht was gesticht. - In 1919 riep Rudolf Steiner samen met geëngageerde mensen uit de burgerij en de arbeidersklasse de beweging voor sociale driegeleding in het leven. In maart 1921 viel Hitler Steiner aan in de krant "Völkischer Beobachter" en noemde de driegeleding van het sociale organisme een joodse methode om de normale geestesgesteldheid van de volkeren te vernietigen. - Eveneens in 1919 waarschuwde Steiner voor de zgn. Protocollen der Wijzen van Zion -een vuig antisemitisch maakwerk. Hitler nam in 1924 bepaalde delen over in zijn "Mein Kampf". - In 1920 waarschuwde Steiner in twee voordrachten (en daarna nog eens in een voordracht in 1923) voor het zwart-magisch misbruik van het hakenkruis.
- In 1922 werd Rudolf Steiner door de antroposoof Hans Büchenbacher op de hoogte gebracht van het feit dat hij als nummer 8 of 9 op de lijst stond van Duitse prominente persoonlijkheden die moesten worden neergeschoten. Samen met antroposofische vrienden richtte Büchenbacher een private zaalwacht op, en het agentschap dat de openbare voordrachten organiseerde huurde enkele boksers en worstelaars. Dat was nl. in die dagen in München bij al die rellen de gewoonte. Op 15 mei 1922 hield Steiner een voordracht in het hotel "De vier jaargetijden". Op het einde van de voordracht stormden plots militante rechtsradicale vechtjassen op Steiner af. "Er begon een korte slachtpartij, maar de aanwezige politie kwam niet tussenbeide. De volgende morgen moest Steiner in het geheim uit de stad geloodst worden. Hij keerde er niet meer terug, het was te gevaarlijk voor hem geworden. Tot zijn dood kwam hij in Duitsland alleen maar in Stuttgart, en dan nooit in 't publiek. En ondertussen waren er andere machten actief in Duitsland." Hoe reageerden anthroposofen op Hitlers machtsovername ?
Wat deden anthroposofen in 1933 ?
Deze stemmen kunnen als voorbeeld dienen . Ze maken duidelijk dat de houding van de anthroposofische beweging niet uniform was. Men kan zeker stellen dat het overgrote deel, het gros van de Duitse anthroposofen met een bewust innerlijk afwijzen tegenover het nationaal-socialisme stond. Van andere anthroposofen moet gezegd worden dat ze het nationaal-socialisme verkeerd inschatten, en zich overgaven aan vele illusies, hoewel de leidende nazi's anthroposofie streng afwezen. Misschien ontbrak het menig anthroposoof nog de nodige wakkerheid, de helderheid van geest, en de ernstige, nuchtere blik voor wat zich in Duitsland op politiek gebied werkelijk afspeelde.
Pruisische Geheime Staatspolitie Berlijn, de 1ste november 1935.
Uit de historische ontwikkeling van de Anthroposofische Vereniging volgt dat ze internationaal georiënteerd is; ook vandaag onderhoudt ze nog nauwe contacten met buitenlandse vrijmetselaars, joden en pacifisten. De onderwijsmethoden die opgebouwd zijn op de pedagogiek van stichter Rudolf Steiner, worden in de nog bestaande anthroposofische scholen toegepast. Ze beogen een individualistische opvoeding, gericht op de afzonderlijke mens, en hebben dus niets gemeen met de opvoedingsprincipes van het nationaal-socialisme.
Als gevolg van de tegenstelling tot het volksgedachtengoed dat het nationaal-socialisme vertegenwoordigt, bestaat het gevaar dat door verdere activiteit van de Anthroposofische Vereniging de belangen van de nationaal-socialistische staat geschaad worden.
getekend Heydrich
Wat maakte het zo moeilijk om het echte karakter van het nazisme te doorgronden ?
Hier stuiten we op een taalkundig fenomeen. Nazi's en anthroposofen gebruikten gedeeltelijk dezelfde woorden. Beide spraken van gezondheid, gezonde aarde, heil, gansheid, organisme, Duitsland en, zoals we reeds zagen, van ras. Maar met wat een verschil ! Alleen de zeer wakkeren hebben toentertijd de diabolische strijd om woorden doorzien.
De biologisch-dynamische landbouw sprak van de gezonde aarde en probeerde de landbouw te bedden in een ecologische en kosmische samenhang. En weer zijn de begrippen duivels gelijkluidend. Want ook de nazi's spraken van een gezonde aarde. Het gezondmaken van de landbouw en de boerenstand was zelfs een van de voornaamste beloften van Hitler. Uiteindelijk kwam er in plaats van een gezonde aarde het waanzinnige bevel van Hitler: de verbrande aarde.
Steiner vernoemde in zijn voordrachten meermaals de naam Michaël. In deze aartsengelfiguur verborg zich voor hem de zeer belangrijke opdracht voor de mensen: het materialisme vergeestelijken, d.i. zich naar binnen keren, door een spirituele verdieping in zich de vernietigende krachten van het bloed, het instinct, de wraak, de haat overwinnen, om zich dan veranderd en gesterkt in liefde tot de buitenwereld te wenden, tot het vreemde, tot het nieuwe ... Wij zouden deze beschouwing kunnen verderzetten, maar het is ondertussen toch al duidelijk geworden dat we bij een centraal punt gekomen zijn. Nazi's en anthroposofen gebruikten dezelfde woorden bij dezelfde onderwerpen. Voor kritiekloze critici is het besluit vlug genomem: wie dezelfde woorden gebruikt, heeft ook dezelfde doelen en zit dus in dezelfde boot. Het probleem met zo'n kritiek is dat ze op het vlak van de letterlijke betekenis blijft. Steiner zelf heeft er altijd weer op gewezen dat het er tegenwoordig op aan komt, niet meer te blijven staan bij de analyse van het omhulsel, van de uiterlijke façade van het woord, maar dat de belangrijkste vraag moet worden: wie spreekt er en hoe resp. vanuit welke innerlijke houding wordt er gesproken ? De nazi's wisten dat ze geen begrippen en voorstellingen hadden die naar de toekomst wezen; ze betrokken alles op een afgeleefd verleden. Het verleidelijke en tegelijk perfide geheim van ieder rechts-extremisme is misschien dat ze de woorden van de tegenstander bezetten, ondergraven. uithollen, om dan het woordkadaver, de huls van het woord op te vullen met eigen inhouden die uit het verleden stammen. De frase wordt op de troon gezet.
Het nationaal-socialisme verdraaide geestelijk alles wat zich als een noodzaak voor deze tijd wilde realiseren nl. een echt Michaëlstijdperk.
* * * * * * * * * * *
De spirituele betekenis van vergeving
Dit is de titel van een boek van Sergej O. Prokofieff, dat dit jaar in een Nederlandse vertaling verscheen (bij de uitgeverij Vrij Geestesleven).
Het is een zeer interessant boek, hoewel niet gemakkelijk voor de lezer: tijdens de lectuur wordt hij er zich steeds maar weer van bewust hoe ver hijzelf nog afstaat van deze vergaande vergevingsgezindheid, en hoezeer het nodig is om deze ingesteldheid te bereiken ...
In plaats van een boekbespreking bieden wij u drie fragmenten aan.
Vergeving en de karmische activiteit van Christus Door vergeving kunnen we nog in een ander opzicht dienaar en helper van Michaël-Christus op aarde worden. Om dat beter te begrijpen, stellen we ons voor wat er occult gezien in het omgekeerde geval, bij niet-vergeven, optreedt. Als iemand door een ander wordt gekrenkt of kwaad wordt gedaan, treden direct alomvattende karmische wetten in werking. Deze zijn erop gericht, soms nog in dit leven, doorgaans echter in een volgend, situaties te scheppen waarin de betrokkenen elkaar weer ontmoeten, maar dan zo dat de tweede persoon zijn daad tegenover de eerste op de een of andere wijze kan goedmaken, dat wil zeggen, hem in de nieuwe situatie zoveel goed kan doen als hij hem in het vorige leven kwaad heeft berokkend. Als we ons realiseren hoe ingewikkeld en gecompliceerd ons lot op aarde met dat van anderen vervlochten is, ook ten aanzien van de karmische vereffening van 'schulden', en hoe talrijk bovendien de karmische verbindingen zijn van individuen met hun volk en met de hele mensheid (hun tijdperk), dan kunnen we ons voorstellen welk kolossaal, de kosmos omspannend werk de machten van het karma moeten verrichten om, met ijzeren consequentie, voor elke menselijke daad, emotie of gedachte vroeger of later vereffening te verschaffen. Daarom zijn ook alle negen goddelijk-geestelijke hiërarchieën bij de vervulling van deze veelomvattende karmische noodzakelijkheid, die tegelijk de hogere gerechtigheid van onze kosmos is, betrokken. Rudolf Steiner schetst dat zo: "Dit menselijk karma is op het eerste gezicht een coulisse, een sluier. Kijken we achter deze sluier, dan weven en werken en vormen daaraan archai, archangeloi, angeloi; kyriotetes, dynameis, exousiai; serafijnen, cherubijnen en tronen." Het maakt voor deze hiërarchieën zeker uit of de ene mens de andere vergeeft of niet. Doet hij het niet, dan 'dwingt' hij de hiërarchieën het wereldkarma, en daarmee de toekomstige ontwikkeling van mens en wereld, aan te passen volgens de onwrikbare karmawet, die vroeg of laat van elke wandaad een rechtvaardige en volledige vereffening eist. In dat geval moeten door alle negen hiërarchieën enorme geestelijke inspanningen worden geleverd om op aarde de situatie te scheppen die vereffening mogelijk maakt. Dat wil zeggen dat elk niet-vergeven uitbreiding vergt van het kosmische netwerk van onwrikbare karmische consequenties. Schenkt iemand daarentegen waarachtig vergiffenis, dan ziet hij vrijwillig af van de 'schadeloosstelling' waarop hij een objectief recht heeft in de kosmos, wanneer een ander hem onrecht heeft aangedaan. Door af te zien van de compensatie die hem in een volgend leven anders onvermijdelijk geboden zou moeten worden, bevrijdt de mens talloze krachten van de hogere hiërarchieën van de noodzaak op aarde steeds weer nieuwe situaties te scheppen waarin oud karma kan worden vereffend. Door vergiffenis te schenken komen krachten van de hogere hiërarchieën vrij. Deze kunnen, nu ze niet meer aan de uitvoering van de onwrikbare karmawet gebonden zijn, in een geheel nieuwe vorm worden ingezet als vrij aan de wereld geofferde hogere krachten, die vanuit de aardse ontwikkeling als 'genade' kunnen worden aangeduid. Met andere woorden, deze vrijgekomen krachten kunnen in de geest van Christus gebruikt worden als bouwstenen voor het gebouw waaraan hij werkt, de morele kosmos, waarover Rudolf Steiner aan het slot van De wetenschap van de geheimen der ziel spreekt. Daardoor ontstaat in de schoot van het rijk waarin de alomvattende wet van het karma heerst, geleidelijk aan een nieuw rijk, waarin karma tot zegen wordt en noodzakelijkheid in volledige vrijheid verkeert, een rijk waarin Christus werkt als Heer van het karma. Elke daad van vergeving schept als het ware een vrije ruimte in het karmische weefsel waarin Christus kan werken en waartoe de luciferische en ahrimanische machten geen toegang hebben. Zo verandert de mens met iedere vergevingsdaad een deel van het karmische veld dat onze kosmos met een dicht net van wetmatigheid doortrekt, in een nieuw werkgebied van Christus als Heer van het karma. Omdat Christus juist in onze tijd Heer van het karma wordt, heeft vergeven nu en in de toekomst in toenemende mate een onschatbare betekenis voor de menselijke ontwikkeling. Wie vergeeft komt daardoor zelf in een volkomen verhouding tot Christus te staan, waardoor hij op den duur een steeds bewustere 'medewerker' van Christus kan worden in het veranderingsproces van onze kosmos. Tegelijkertijd kan Christus veel sterker op het individuele karma van een mens inwerken dan wanneer deze geen vergeving oefent. Daarom kunnen we zeggen dat het principe 'niet ik, maar Christus in mij' zich op het moment van vergeven reëel in de mens begint te verwerkelijken, terwijl bij niet-vergeven het tegengestelde principe 'niet ik, maar Jahweh in mij' tot gelding komt. Daaruit volgt dat iedereen aan de mate waarin hij kan vergeven, uit de praktijk en niet uit abstracte overwegingen, kan afleiden in hoeverre hij nog oudtestamentisch is, iemand die in overeenstemming met de wet van het karma niets en niemand vergeeft ("Mij komt de wraak toe en de vergelding", Deut. 32:35), of dat hij de weg betreden heeft die voert tot de geboorte van de nieuwtestamentische mens, als een bloem die naar de Christus-zon groeit, naar de vrijheid, de liefde en de zegen van Christus. Dat houdt rechtstreeks verband met de ingrijpende verandering die in onze tijd plaatsvindt in de 'aan de aarde grenzende' geestelijke wereld, waar de etherische Christus Heer van het karma van de aardse ontwikkeling wordt. Rudolf Steiner karakteriseert deze verandering als volgt. In het verre verleden ontmoette iedere overledene uit de beschaving van het avondland, voordat hij in het kamaloka kwam, twee bovenzinnelijke gestalten: een cherubijn met een vlammend zwaard als behoeder van de kosmische gerechtigheid, zoals het geestelijke wezen dat eens Adam en Eva uit het paradijs verdreef, en Mozes met de 'tafelen der wet', die de onverbiddelijkheid van de wet van het karma aanschouwelijk maakten. Volgens het geesteswetenschappelijk inzicht van Rudolf Steiner gaan deze twee gestalten van nu af aan steeds vaker vergezeld van een derde figuur, die geleidelijk de plaats van de Mozesgestalte gaat innemen, te weten Christus. Het verschijnen van zijn gestalte in plaats van die van Mozes betekent dat 'ons karma met Christus verbonden raakt, Christus vergroeit met ons eigen karma'. En dat is -niet abstract, maar geestelijk concreet- de overgang van de oudtestamentische naar de nieuwtestamentische mens waarover hierboven is gesproken. De bewuste en vrije ontwikkeling van vergevingsgezindheid kan deze overgang in aanzienlijke mate bevorderen en vormt er daarom een belangrijk onderdeel van. [ ... ] Vergeven is niet eenvoudig. We moeten onszelf overwinnen: [ ... ] Om de noodzaak van zelfoverwinning bij elke vergevingsdaad beter te begrijpen, moeten we ons realiseren dat bij elke vergevingsdaad het hogere ik het lagere ik met zijn krachten en substantie doordringt. Dat betekent echter dat alle omlaag strevende tendensen van het lagere ik moeten worden overwonnen. Het hogere ik kan zich alleen doen gelden waar de neigingen van het lagere ik in voldoende mate worden beheerst door de menselijke wil tot moraliteit. Met andere woorden, waarachtig vergeven heeft altijd een offerkarakter. Ook de bovenzinnelijke uitstraling ervan wordt vooral bepaald door de mate van offervaardigheid, dus door een tenminste gedeeltelijke beheersing van het lagere ik door het hogere. Want het eerste verzet zich door zijn egoïsme op alle mogelijke manieren tegen de vergevingsdaad. Het klampt zich vast aan elk voorwendsel of elke uitvlucht die zich aandient, om deze innerlijke stap niet te hoeven zetten. Van nature is het lagere ik rancuneus en niet bereid 'vrijwillig' te vergeten, omdat het in dat vergeten een aantasting van zijn egoïstische identiteit ziet. Het tweede kenmerk van waarachtige vergeving is de innerlijke activiteit. Schijnbare vergeving kost geen moeite; echte vergeving wel. We nemen daarbij niet alleen het besluit het kwaad of het onrecht dat ons is aangedaan te 'vergeten', maar we nemen bovendien de verplichting op ons de objectieve schade, die niet alleen wij, maar ook de wereld als geheel door dat kwaad heeft geleden, te herstellen. Met andere woorden, we nemen bij waarachtige vergeving vrijwillig, uit volle innerlijke vrijheid de verplichting op ons de wereld naar beste kunnen evenveel medelijden, liefde en goedheid te schenken als haar door de wandaad ontstolen werd. [ ... ] Over de betekenis van vergeving voor het leven na de dood [ ... ] Bij elke waarachtige vergeving begint degene die vergeeft het karma van de ander, die hij vergiffenis heeft geschonken, op zich te nemen. Daardoor kan na hun beider dood de eerste voor de tweede gedurende hun verblijf in het kamaloka en lichtende ster in diens verduisterde gezichtskring zijn. De eerste ziel verschijnt in opdracht van Christus aan de tweede om haar tot ontwaken in het geestelijk licht van de zelfkennis te brengen. Want in het kamaloka lijdt die ziel het meest, die niet bereid is haar schuld in te zien en de gevolgen van haar op aarde gemaakte fouten, van haar verkeerde daden, gevoelens en gedachten op zich te nemen. Bij dit zoeken naar zelfkennis en bij de -uit het oogpunt van het hogere ik en van de geestelijke kosmos- juiste beoordeling van wat in het aardse leven is volbracht, kan nu de ene ziel de andere, die zij ooit tijdens het leven heeft vergeven, helpen. Nu kan ze in opdracht van Christus -dat wil zeggen omdat ze het oerbeeld van het hogere ik van ieder mens in zich draagt- als zijn afgezant in de ander een helder bewustzijn wekken van diens fouten, misstappen en wandaden, waadoor tegelijkertijd diens vermogen om in het geesteslicht waar te nemen toeneemt. Meer nog, de ziel van degene die vergeven heeft, kan in het kamaloka de andere ziel de weg naar de kosmische sfeer van Christus wijzen. Want dat is de geestelijke macht van ware vergeving: ze kan de ziel van hem die vergiffenis heeft geschonken na de dood het vermogen geven om het licht van Christus te dragen, dat de krachten van het hogere ik in alle zielen wekt -niet alleen bij hen die in het kamaloka verkeren, maar ook bij hen die nog op de aarde leven. Zodoende neemt de mens door vergiffenis te schenken al op aarde de Christus-impuls zo intens in zijn ziel op, dat hij voortaan niet alleen zijn hele omgeving tot zegen kan zijn, maar ook na de dood de macht van de Christus-zon kan binnendragen in het door karmische wetten omspannen rijk van de geest, om daardoor aan de transformatie van die wetten in zegen en liefde helpend deel te nemen.
De werking van vergeving in het hiernamaals heeft nog een aspect dat in dit hoofdstuk aan de orde moet komen. Wandaden en fouten tijdens het aardse leven begaan, maken dat het lagere ik in toenemende mate de overhand krijgt over het hogere ik, ze leiden als het ware tot een verduistering van de geest. Dat betekent dat de door het hoger ik werkende beschermengel steeds minder invloed heeft op het aan hem toevertrouwde individu. Dat geldt in het bijzonder wanneer iemand die een wandaad heeft begaan overlijdt; deze moet dan de eerste tijd na zijn dood, althans voor een zekere periode, de hogere leiding ontberen. De beschermengel heeft echter volgens een wetmatigheid van de geestelijke wereld de opdracht het leven van de mens na de dood zoveel mogelijk in harmonie met de geestelijke kosmos te brengen, wat een van de voorwaarden is voor een zinvol bestaan van de ziel na de dood. Blijkt deze nu in het hiernamaals te zeer met negatief karma belast en verzet ze zich bovendien -wat dikwijls gebeurt- uit alle macht tegen echte zelfkennis, wil ze haar schuld niet onder ogen zien, dan dreigt voor zo'n ziel door haar disharmonie met de kosmos een kwellend, ondraaglijk lijden. De ziel heeft in deze situatie de subjectieve beleving alsof de haar omgevende geestelijke wereld haar terugstoot in de duistere regionen van het kamaloka die het evangelie 'de duisternis daarbuiten' noemt (Mat. 22:13 en 25:30). Daardoor, maar vooral ook door de 'kosmische eenzaamheid' die optreedt wanneer de engel zich van de ziel verwijdert, nemen in het hiernamaals de kwellingen toe, om tenslotte zo erg te worden dat de ziel alle gevoel voor tijd verliest, d.w.z. het gevoel geleidelijk op te stijgen naar de hogere sferen van de geestelijke wereld. Ze ervaart haar toestand als 'eeuwig'. De ervaring is in zekere zin te vergelijken met de indruk van een onmetelijke, geheel verlaten, doodse ruimte, waar geen enkele beweging is, geen ontwikkeling - waar de tijd stilstaat. Daaruit komt de middeleeuwse voorstelling voort van de 'eeuwige hel' of de 'eeuwige' kwellingen na de dood, een denkbeeld dat helaas tot op de dag van vandaag noch door de Grieks-orthodoxe, noch door de westerse kerken is herzien of geesteswetenschappelijk onderzocht. Het belangrijkste dat de engel de ziel na de dood biedt is besef van tijd. Dit besef komt voort uit de beleving van een geleidelijk en harmonisch opgaan in steeds ruimere en steeds verhevener sferen van de geestelijke kosmos. Als iemand echter tijdens zijn leven veel kwaad heeft gesticht of zelfs misdaden heefdt begaan, kan zijn engel hem niet naderen, en verliest deze de mogelijkheid zijn opdracht ten aanzien van die mens te vervullen. Nu de engel niet in staat is de ziel door de opeenvolgende regionen van de geestelijke wereld te leiden, vegeet hij als het ware -in aardse taal uitgedrukt- voor een zekere tijd de aan zijn leiding toevertrouwde ziel. Zulke zielen zonder oriëntatie in de geestelijke wereld proberen op alle mogelijke manieren aan hun ondraaglijke lijden te ontsnappen en wenden zich dikwijls om hulp tot demonische wezens. Als prijs voor een zekere vermindering van hun lijden raken zij al gauw in de macht van deze wezens en moeten zij deze dienen in de aan de aarde grenzende geestelijke sfeer. Van daaruit brengen zij dan ziekten, epidemieën en ongelukken op aarde, en werken zij in het bijzonder aan de verbreiding van alle mogelijke kwade neigingen in de zielen van de mensen. [ ... ] Uit deze fragmenten blijkt wel dat dit boek van Prokofieff absoluut niet gemakkelijk is. Het overtuigt ons van het belang van vergevingsgezindheid, maar hoe dikwijls komen we niet in situaties waarvan we denken: "Hier kan ik nu toch echt niet vergeven !", of " Moet ik nu echt altijd met mijn voeten laten spelen ?" Denken we maar aan onze positie als opvoeder. Deze vragen werden ook vaak aan de schrijver gesteld, en hij gaat er op in in het nawoord: soms moet het vergeven een zuiver innerlijke aangelegenheid blijven, terwijl naar buiten toe het kwaad en de leugen met open vizier tegemoet dient te worden getreden. * * * * * * * * * * *
Pedagogie - anecdoteOp 8 december 1994 overleed Erica von Baravalle (geb.: Smith). Zij was van Ierse afkomst en wilde leerkracht worden. Ze leerde de leraars kennen die later de eerste Steinerschool in Engeland zouden stichten, en woonde voordrachten van Rudolf Steiner bij, zowel in Torquay als in London. Tijdens een van die voordrachtenreeksen over pedagogie deed zich het volgende voor. Op een namiddag liet Rudolf Steiner verstaan dat hij vóór het begin van de volgende voordracht over pedagogie een belangrijke mededeling zou doen. Iedereen zat al klaar met zijn notaboek. Rudolf Steiner stond vooraan en begon het papiertje van rond een stuk krijt te doen - alsof hij op bord ging verduidelijken wat hij zou zeggen. Hij hield het stukje papier tussen de vingers en keek rond om de papiermand te vinden. Maar er was geen papiermand (waarschijnlijk wist hij dat al wel). Een deelnemer sprak:"Gooit u dat papiertje maar rustig in de hoek, Herr Doktor, wij zullen dat achteraf wel opruimen". Maar Rudolf Steiner liet een papiermand halen en liet er heel ostentatief het papiertje in dwarrelen. De pennen die klaar gehouden werden om te noteren zakten al terug. Dan sprak Rudolf Steiner: "Wat ik wil zeggen, is het volgende: u mag nog zo veel pedagogische kennis hebben; als u echter het krijtpapiertje op de grond laat vallen in plaats van in de papiermand, dan heeft al uw kennis niet de minste waarde ! Het is niet bekend hoeveel andere deelnemers dit voorval onthouden hebben. Voor Erica von Baravalle was het doorslaggevend voor haar latere pedagogische werkzaamheid: orde en netheid, niet alleen uiterlijk, maar ook in de ziel, waren cruciaal in haar onderwijs. Ze kwam uiteindelijk terecht in de school in Stuttgart, waar ze Engelse les gaf. Rex Raab, van wie we deze anecdote overnamen, herinnert zich dat een lesuur niet begon vooraleer de klas goed opgeruimd was, "neat and tidy", "spick and span". Ze nam ook nooit een schrift aan voordat het in 't net geschreven was . . . Terug naar anecdotes.
* * * * * * * * * * *
|