De Brug 25 van september 1999

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

De zonsverduistering van 11 augustus 1999.

Het is nu bijna twee maand geleden dat de zon ook voor Europa verduisterd werd.
Voor vele mensen een grote teleurstelling, niet alleen wegens de bewolking.
Ondergetekende begaf zich naar de Pfalz, een streek in Duitsland tussen Saarbrücken en Karlsruhe, niet ver van de centrale lijn van de verduistering. In het stadje Dahn dacht hij vanop een oude burcht, de Drachenfels, in alle rust het schouwspel te kunnen gadeslaan. Een kleine prospectie de dag voordien wees uit dat de plek ontoegankelijk was wegens restauratiewerken. Dan maar een nabijgelegen heuvel beklommen. Het was een vermoeiende klim langs duistere bospaadjes.

De natuur wachtte niet op de zonsverduistering om stil te worden: in augustus zijn er zo al maar weinig vogels aan ´t zingen in de bossen. De moeite was niet tevergeefs; eerst leek het of het uitzicht op de heuveltop onmogelijk werd gemaakt door de vele bomen, maar een paadje leidde naar een opening in de begroeiing: aan de zuidelijke kant van de heuveltop steekt er een rots uit, afgeplat, zo´n vier meter breed en twaalf meter lang, verdeeld in twee door een inzinking van ongeveer twee meter. De begroeiing bestaat uit enkele lage pijnboompjes die het uitzicht vrij laten over een breed dal en de tegenoverliggende heuvels van oost tot west. Een betere uitkijkplaats konden we ons niet indenken (op dat ogenblik toch).

De volgende ochtend kwamen we anderhalf uur voor de totale verduistering boven. Het uiterste deel van de rots was al ingenomen door een tiental mensen. Wij namen plaats voor de inzinking, aan de westkant van de rots, naast een pijnboompje. Voor onze voeten was er nog een zestig cm tot aan de rand. Geïnteresseerden bleven toekomen en drumden om een plaatsje te bemachtigen: niet zonder gevaar trouwens, want een misstap volstond om tientallen meters lager in het bomendak te belanden.

De meeste mensen hadden korven en picknickmanden mee, enkele met champagne zelfs. Fotoapparaten werden opgesteld, de brilletjes uitgehaald. Er werd vrolijk gekletst, de sfeer was kermisachtig. Wie naar hier gekomen was met de verwachting iets te beleven zoals Adalbert Stifter in 1842 (zie onder) moest inzien dat het op deze plek en met deze mensen niet mogelijk zou zijn. We laten even ons racisme de vrije loop: met de Duitsers viel het nog mee, die werden stiller en aandachtiger naarmate de maan meer en meer voor de zon schoof, maar een roedel Hollanders had zich blijkbaar voorgenomen om in géén geval iets als een gewijde stilte te laten ontstaan. Vanaf een uur voor de totale verduistering tot twee minuten na de terugkeer van het licht bleven ze luidruchtig praten en commentaar geven. De aanvoerder van de bende bazuinde alle natuurwetenschappelijke informatie die hij de laatste weken uit de kranten had gehaald luidkeels uit terwijl zijn kompanen het geduld van de overige toeschouwers op de proef stelden door tussen de ingenomen plaatsen te laveren op zoek naar nog een beter plekje. Toen de verduistering bijna compleet was riep de aanvoerder alle aanwezigen op om niet alleen naar de zon maar ook naar het landschap eens te kijken. Dat deed hij in het Nederlands ! Pas dan werd het de lijdzame Duitsers te veel en klonk het van overal "shhhhhh".

Ikzelf had mijn hooggestemde verwachtingen onmiddellijk teruggeschroefd toen de Hollanders gearriveerd waren, ik liet geen ergernis opkomen. Ook niet toen drie minuten voor de totale verduistering en jonge Nederlander mijn uitzicht kwam belemmeren door voor mij aan de rand van de rots te gaan staan. Even overwoog ik om hem met een klein duwtje in de diepte te laten verdwijnen, maar ik bedacht dat er dan nog meer commotie zou ontstaan, waardoor mijn concentratie hoogstwaarschijnlijk bemoeilijkt zou worden. Daarom beet ik hem kort toe: "Wilt ge maken dat ge hier wegkomt ?" De knaap was zichtbaar geschrokken, hij mompelde een verontschuldiging en glipte weg. Hij wist duidelijk niet waar hij het had: een mof die Nederlands sprak !

De bewolking ging dan toch even open toen de zon volledig verduisterd was zodat ik een glimp van de parels van Bailly kon opvangen. Spijtig genoeg geen sterren, geen Venus, zelfs geen pikzwarte duisternis. Zeer donker blauw, paars eigenlijk. In het dal had iemand een vuur aangelegd en dat versterkte de nacht-indruk. Alle zintuigen tot het uiterste gespannen en blijven waarnemen ... en dan opeens terug licht, in een fractie van een seconde. Het was al voorbij ! De champagnekurken knalden, er werd getoast alsof het Nieuwjaar was. Vijf minuten later was het grootste deel van de toeschouwers al verdwenen. Toen wijzelf een kwartier later afdaalden beleefden wij het indrukwekkendste van gans deze middag: het weer was al gans de dag bewolkt tot zwaar bewolkt maar het was droog gebleven; tijdens de afdaling langs de doodstille paadjes begon het echter te regenen, te regenen, te gieten effenaf. Het was alsof een oneindige droefheid zich meester maakte van de natuur, en al het opgekropt verdriet ineens moest uitgeweend worden.

Later hoorden we dat 10 km verder de hemel onbewolkt was op het moment van de verduistering. In Stuttgart daarentegen stonden 200.000 mensen in de gietende regen.

´s Anderendaags kocht ik de "Badische Zeitung". Op blz. 3 las ik in het verslag: "Kein Stifterse Andacht sondern unromantische Freudenrufe ..." (nergens stille bewondering zoals bij Stifter, alleen onromantische vreugdekreten ). Het was dus overal een beetje hetzelfde, de mensen zijn dusdanig in de ban geraakt van een materialistische natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing dat ze het vermogen hebben verloren om de grootsheid, het ontzagwekkende van de zon, van een zonsverduistering nog te kunnen aanvoelen.

Hoe anders was dat nog in de tijd van Adalbert Stifter, de bekende Oostenrijkse schrijver(1805-1868) die de zonsverduistering van 1842 in Wenen meemaakte. In verschillende publicaties werden gedeelten van zijn verslag opgenomen. Wij vertaalden nagenoeg de volledige tekst. De lectuur ervan maakt ons pas goed duidelijk hoe afgestompt de mensheid geraakt is, en dat op 150 jaar tijd !

.

De zonsverduistering van Adalbert Stifter

" Er zijn dingen die men op zijn vijftigste weet, en als men eenenvijftig is staat men paf van het gewicht en de inhoud van die dingen. Zo was het tenminste bij mij met de volledige zonsverduistering die wij in Wenen meemaakten op 8 juli 1842, zeer vroeg in de morgen, in de beste weersomstandigheden.

Hoe de zaak in elkaar zit, dat kon ik op papier met schets en berekening heel vlot neerpennen. Ik wist ook dat op dat bepaald uur de maan onder de zon zou schuiven en dat de aarde een stuk van die kegelvormige schaduw zou afsnijden. Doordat de maan haar baan voortzet en de aarde rond haar as draait, wordt er dan een zwarte streep getrokken op het aardoppervlak. Op verschillende plaatsen ziet men op verschillende tijdstippen een zwarte schijf voor de zon glijden zodat na een tijdje alleen maar een smalle sikkel overblijft die ten slotte ook verdwijnt. Op aarde wordt het dan donkerder en donkerder tot aan de andere kant terug een smalle sikkel verschijnt en groeit en het licht op aarde sterker wordt tot het terug volledig dag is. Dat alles wist ik op voorhand en wel zo goed dat ik dacht een zonsverduistering te kunnen beschrijven alsof ik ze al gezien had.

Maar zie, nu deed zich een echte zonsverduistering voor en toen ik het fenomeen met eigen ogen aanschouwde vanop een uitkijkpost hoog boven de stad gebeurden er gans andere dingen, die ik nooit had kunnen dromen en waar niemand kan aan denken die het wonder niet zelf gezien heeft. Nooit of nooit in heel mijn leven was ik zo geschokt, geschokt door de indruk en de grootsheid, dan in die twee minuten. Het was alsof God opeens een duidelijk woord had gesproken en ik het verstaan had. Ik steeg van mijn uitkijkpost naar beneden ongeveer zoals Mozes duizenden jaren geleden van de brandende berg afdaalde, met een verward en verdoofd hart.

Het was zo een eenvoudig ding. Een hemellichaam belicht een ander en dat werpt een schaduw op een derde: maar die lichamen bevinden zich op dusdanige afstanden dat wij er in onze voorstelling geen maat meer voor hebben, ze zijn zo reuzegroot dat ze alles wat wij groot noemen overschrijden; er is zo´n geheel van fenomenen verbonden met dit eenvoudig ding, zo´n moreel geweld ligt er in dit fysiek gebeuren dat het in ons hart aangroeit tot een onbegrijpelijk wonder. Duizend maal duizend jaar geleden heeft God het zo ingericht dat het vandaag juist op deze seconde kan geschieden; in onze harten echter heeft Hij de vezels gelegd die het met gevoel kunnen gewaar worden.

Geschreven in de sterren stond Zijn belofte dat het ging komen na duizend en duizend jaar, onze voorvaderen slaagden erin deze schrift te ontcijferen en de seconde te voorspellen waarop het zich ging voordoen. Wij, late nakomelingen, richten onze ogen en telescopen naar de zon op het ogenblik dat uitgerekend is, en zie: het komt eraan - het verstand zegeviert reeds omdat het de pracht en inrichting van Gods hemel nagerekend en afgekeken heeft ( en inderdaad, dit is een van de meest gerechtvaardigde triomfen van de mens). Het komt, stil groeit het verder - maar zie, God gaf het ook iets voor het hart mee, wat we niet op voorhand konden weten en dat miljoenen maal meer waard is dan wat het verstand begreep en van tevoren kon berekenen. Hij gaf het woord mee:

"Ik Ben - niet daarom ben ik omdat deze hemellichamen er zijn en dit fenomeen, nee, ik ben omdat jullie hart het jullie op dit ogenblik bevend zegt, en omdat dit hart ondanks dit beven zijn eigen grootheid gewaar wordt."

Het dier heeft gevreesd, de mens heeft aanbeden.

In de volgende regels wil ik proberen voor de duizend ogen die tegelijk naar de hemel blikten, het beeld, en voor de duizend harten die tegelijk bonkten, de indruk te beschrijven en vast te houden voorzover een zwakke menselijke pen dit kan doen.

Ik beklom om 5 uur mijn uitkijkpost boven op huis nr. 495 in de stad. Van daar heeft men niet alleen een uitzicht over de ganse stad, maar ook op het omliggende land, tot aan de verste horizon waar de Hongaarse bergen als tere luchtspiegelingen trillen. De zon was reeds op en scheen vriendelijk op de nevelige Donauweiden, op het spiegelende water en op de veelkantige vormen der stad, vooral op de Stephanskerk die we als het ware konden aanraken zoals ze daar als een donker, rustig gebergte boven de stad uitstak.

We keken naar de zon met een zeldzaam gevoel want binnen enkele minuten zou er zo iets merkwaardig met haar gebeuren. Ver weg, waar de grote stroom ligt, lag een dikke, langgerekte nevellijn en ook aan de zuidoostelijke horizon kropen nevel en wolkenballen rond, waarvoor wij vreesden. Grote delen van de stad lagen in een waas. Ter hoogte van de zon bevonden zich enkel zeer flauwe sluiers en ook die lieten grote blauwe eilanden zien. De instrumenten werden opgesteld, de zonneglazen hield men klaar, maar het was nog te vroeg. Beneden ging het geratel van de karren, het geloop en het gedoe verder, boven verzamelden de toeschouwers zich; onze uitkijkpost geraakte vol, uit de dakvensters van de naburige huizen kwamen koppen tevoorschijn, op de nokken verschenen gestalten, allen opkijkend naar dezelfde plaats aan de hemel. Zelfs op de uiterste spits van de Stephanstoren, op het laatste platform van de bouwstelling stond een zwarte groep, zoals een struikje groen op een kale rots. Hoeveel duizenden ogen zouden op dit ogenblik wel niet vanaf de omliggende bergen naar de zon kijken, dezelfde zon die eeuwenlang zegen brengt zonder dat iemand haar bedankt. Vandaag is ze het middelpunt voor miljoenen ogen, maar nog altijd, als men ze door verdonkerd glas bekijkt, zweeft ze als een rode of groene bol zuiver en mooi omcirkeld in de ruimte.

Eindelijk, op de voorspelde minuut, als het ware van een onzichtbare engel ontving de zon de zachte doodskus, een klein strookje van haar licht week voor deze kus terug, de andere rand bleef in het glas van de sterrenkijker zacht goudglanzend verderstralen. "Het komt", riepen nu ook diegenen die alleen maar door beroet glas of met het blote oog keken, "Het komt", en vol spanning keek iedereen nu hoe het verder ging. Een eerste, zeldzame, vreemde ervaring rilde door de harten, het besef dat daarbuiten, duizend en miljoenen mijlen ver, waar nooit een mens was geweest, met hemellichamen, tot welker wezen nooit een mens doorgedrongen was, nu iets gebeurde precies op de seconde die de mens lang geleden op aarde al bepaald had. Terwijl allen naar omhoog keken en men nu eens hier dan weer daar door een telescoop keek en bijregelde en men mekaar op dit of dat opmerkzaam maakte, sloop die onzichtbare duisternis altijd maar meer in het schone licht van de zon; iedereen wachtte af, de spanning steeg .

Maar zo geweldig is de volheid van de lichtzee die uit het zonnelichaam neerkomt dat wij op aarde helemaal geen tekort voelden, de wolken bleven glanzen, de strook water schitterde, de vogels vlogen en scheerden lustig langs de daken, de torens van de Stephanskerk wierpen rustig hun schaduw op het fonkelende dak, over de brug reden ruiters en karren zoals anders. Ze vermoedden niet dat ondertussen daarboven de balsem van het leven, het licht heimelijk wegstierf. Trouwens, buiten de stad, aan het Kahlen-gebergte en achter het slot Belvedere was het reeds alsof duisternis of liever een loodgrijs licht als een kwaadaardig dier naderbij sloop, maar dat kon ook gezichtsbedrog zijn; op onze uitkijk bleef het lieflijk en klaar, en wangen en aangezichten van de omstaanders waren helder en vriendelijk als altijd.

Bevreemdend was het dat dit griezelige, klompachtige, diepzwart opschuivende ding, dat langzaam de zon wegvrat, onze maan moest zijn, die schone, zachte maan, die anders de nachten zo omfloerst zilverachtig verlichtte; en toch was zij het, en in de telescoop verschenen ook haar randen met punten en oneffenheden bezaaid, de vreselijke bergen die zich stapelden op het kringetje dat ons zo vriendelijk toelachte.

Ten slotte werden ook op aarde de werkingen zichtbaar en wel altijd meer naarmate de gloeiende sikkel aan de hemel smaller werd. De stroom schitterde niet meer, maar werd een tafgrijze band, overal matte schaduwen, de zwaluwen werden onrustig, de schone, zachte glans van de hemel loste op alsof hij mat aangeslagen werd door een uitademing, een koele bries stak op en waaide ons tegen, over de weiden verstarde een onbeschrijflijk zeldzaam maar loodzwaar licht, over de wouden was met het lichtspel de beweeglijkheid verdwenen en rust heerste erover, niet de rust van de slaap maar die van de onmacht; het landschap werd vaal en verstarde.

De schaduwen van onze gestalten legden zich leeg en inhoudsloos tegen de muren, de gezichten werden asgrauw. Schokkend was dit langzame sterven midden in de morgen die kort voordien nog zo fris was. Wij hadden ons de schemering voorgesteld als een avond-worden maar zonder de rode gloed; hoe spookachtig een avond-worden zonder rode gloed wel was, dat hadden wij ons niet voorgesteld. Maar bovendien was deze deemstering iets gans anders, het was een drukkend, griezelig vervreemden van onze natuur. Over het zuidoosten lag een vreemde geelrode duisternis, en de bergen en zelfs het Belvedere werd er door opgeslorpt.

De stad verzonk aan onze voeten altijd dieper als een wezenloos schaduwspel; het geloop en gerij over de brug zagen we als in een zwarte spiegel, de spanning steeg ten top. Eén blik wierp ik nog in de telescoop, het was de laatste; zo smal, als met de snede van een pennemes in de duisternis gekerfd, stond daar de gloeiende sikkel die ieder ogenblik kon uitdoven, en toen ik opkeek zag ik dat alle anderen reeds hun zonneglazen laten zakken hadden en met het blote oog keken. Er was ook geen glas meer nodig. Want niet anders dan de laatste vonk van een uitdovende lampepit smolt juist ook de laatste zonnestraal weg, waarschijnlijk in de engte tussen twee maanbergen. Het was een ontzettend treurig ogenblik. Een schijf bedekte een andere - dit moment was het dat eigenlijk hartverscheurend werkte. Dat had niemand voorzien.

Een eenstemmig "Aah" uit alle monden, en dan doodse stilte, het was het moment dat God sprak en de mensen luisterden. Daar waar eerst het geleidelijke verbleken en wegdeemsteren van de natuur ons bedrukt en onbehaaglijk had gemaakt, een gebeuren waarvan wij dachten dat het ging uitmonden in een soort doodstoestand, daar werden we nu plots opgeschrikt en meegesleept door de schrikaanjagende kracht en het geweld van de beweging die opeens over de ganse hemel lag. De wolken aan de horizon die we eerst gevreesd hadden hielpen nu pas goed om het fenomeen op te bouwen, ze stonden recht als reuzen, vanaf hun schedel liep een vreselijk rood en in een diep, koud, zwaar blauw welfden ze zich onderaan en verdrukten de horizon. Mistbanken die reeds lang aan de uiterste zoom van de aarde opkwelden en alleen maar kleurloos geweest waren, lieten zich gelden en beefden in een zachte, vreesaanjagende glans die over hen liep. Kleuren, door geen oog ooit gezien, zwermden door de hemel.

De maan stond midden in de zon, maar niet meer als zwarte schijf, ze was als het ware transparant, met een lichte stalen schijn, rondom geen zonnerand maar een wonderlijke, mooie kring van schemer, blauwachtig, roodachtig, uiteenspattend in stralen, niet anders als goot de bovenstaande zon haar lichtvloed op de maanbol uit zodat het ringrond uiteenspatte. Het prachtigste aan lichtwerking dat ik ooit zag !

Ik heb altijd de oude beschrijvingen van zonsverduisteringen voor overdreven gehouden, zoals waarschijnlijk een latere tijd ook deze beschrijving voor overdreven zal houden, maar allemaal, ook deze, komen ze woorden tekort, ze kunnen de waarheid niet omvatten. Wat er te zien is kunnen ze schilderen, maar slecht, wat iemand voelt, nog slechter. Al helemaal niet kunnen ze weergeven de onbeschrijflijk tragische muziek van kleur en licht die over de ganse hemel ligt - een requiem, een Dies Irae dat ons hart splijt opdat het God zou zien en zijn dierbare doden en het moet uitroepen: "Heer, hoe groot en heerlijk zijn Uw werken, hoe zijn wij stof voor U dat Gij ons enkel door het wegblazen van een lichtdeeltje kunt vernietigen, en onze wereld, dit lieftallig vertrouwde woonoord, in een vreemde ruimte verandert waarin lege maskers staren !"

Buiten, ver weg over het Marchveld, lag scheef een lange spitse lichtpiramide, vuil geel van kleur, opvlammend in zwavelkleur, met een onnatuurlijke blauwe rand; het was de verlichte atmosfeer buiten de schaduwzone, maar nog nooit scheen een licht zo weinig aards en zo vreselijk, en precies dat was het licht waardoor wij nu iets konden zien.

Het fantoom van de Stephanskerk hing in de lucht, de rest van de stad was een schaduw; al het geratel was verstomd, alle ogen waren naar de hemel gericht. Nooit of nooit zal ik die twee minuten vergeten - het was de onmacht van een reusachtig lichaam, van onze aarde.

Maar zoals alles in de schepping de juiste maat heeft, zo ook dit gebeuren. Op het ogenblik dat de mensen begonnen hun beleving onder woorden te brengen, dus toen de spanning verzwakte en men uitriep: "Hoe ontzaglijk, hoe indrukwekkend", op dat ogenblik was het al voorbij. Opeens was die andere wereld verdwenen en de normale terug daar, een enkel lichtdruppeltje kwam aan de bovenste rand tevoorschijn als een druppel witgloeiend metaal, en wij kregen onze wereld terug; het worstelt zich naar boven, dit druppeltje, alsof de zon zelf blij was dat ze overwonnen heeft, direct schiet een straal door de ruimte, een tweede erachter aan - maar voor men tijd heeft om uit te roepen "Aah !" bij de eerste schicht van het eerste atoom was de dode maskerwereld al verdwenen en de onze terug daar: en het loodgrauwe licht, dat ons voor de verduistering zo beangstigens scheen, was nu verkwikkend, lafenis, vriend en bekende; de dingen kregen hun schaduw, het water glansde, de bomen waren groen, we keken elkaar in de ogen - triomfantelijk kwam nu straal na straal; en hoe smal, hoe onooglijk smal eerst nog de lichtende sikkel ook was, het scheen alsof ons een oceaan van licht geschonken werd. Men kan het niet onder woorden brengen, en wie het niet meegemaakt heeft gelooft het nauwelijks, wat voor zegevierende verlichting in ons hart opleefde: wij schudden elkaar de hand, wij zeiden dat we het van gans ons leven niet zouden vergeten dat we dit samen beleefd hadden. Overal hoorde men nu kreten, hoe mensen elkaar toeriepen vanop daken en in de stegen. Het gerij en de drukte herbegon, zelfs de dieren voelden het: de paarden hinnikten en de mussen op de daken hieven een vreugdeconcert aan, zo schril en uitbundig zoals ze gewoonlijk doen wanneer ze zeer opgewonden zijn., en de zwaluwen schoten bliksemsnel en rakelings voorbij, omhoog, omlaag, door de lucht."


In het juli/augustusnummer van "Erziehungskunst" staat een bijdrage van Georg Glöckler.
De schrijver benadert hier o.m.

De zonsverduistering vanuit een spiritueel gezichtspunt.

"We leven tegenwoordig in een tijd waarin het materiële, al wat met de zintuigen kan waargenomen worden, als de hoofdzaak, als het wezenlijkste geldt. Het geestelijke staat voor de meeste mensen gelijk met intelligentie, met intellect. Men voelt weinig voor het idee dat het geestelijke in de wereld met een morele grondkracht verbonden is. Denkt u eens aan de som van de hoeken van een driehoek, daarover moet niet gediscuteerd worden, dat is een wet. De bewegingen van de planeten verlopen volgens bepaalde wetten die Kepler ontdekt heeft. Dat heeft allemaal nog niets te maken met moraal. Wij kunnen bvb. slecht denken over andere mensen. Wij kunnen echter ook goede gedachten hebben. Een moeder die haar kind naar school brengt kan goede gedachten koesteren t.o.v. de leraar. Ze kan echter ook het tegenovergestelde doen: "Nu moet mijn schaapje weer naar die ..."

Dat dergelijke gedachten ook objectieve krachten in de wereld zijn, kan de moderne mens zich uitermate moeilijk voorstellen.

Maar wat betekent het wanneer ik over een mens slecht denk ? Het zijn negatieve krachten waar we allemaal voortdurend mee te maken hebben. Het is een strijd zoals in de mythische geschiedenis van Michaël met de draak.

Goethe heeft eens bekend dat hij tot ieder denkbare misdaad in staat was, maar hij wist ook welke kracht hem beschermde om niet aan die neiging toe te geven. Hij wist dat naast de goede krachten de tegenkrachten, het boze in de wereld, hetgeen nog niet overmeesterd is, het willekeurige, de menselijke ontwikkeling bedreigt.

Rudolf Steiner zegt in dit verband over een zonsverduistering het volgende:

"Als er een zonsverduistering optreedt, dan doet zich in het verduisterde deel van de aarde iets voor dat niet zou mogelijk zijn indien de aarde daar niet verduisterd was. We weten dat de zonnestralen tot ons dringen, en dat onze wils-stralen tot de zon doordringen; we kunnen ons dus ook voorstellen hoe een zonsverduistering op deze wils-stralen, die geestelijk zijn, een bepaalde invloed kan hebben. De lichtstralen worden door de maan tegengehouden, dat is een zuiver fysiek gebeuren. De wils-stralen daarentegen kunnen door de fysieke materie van de maan niet tegengehouden worden. Zij stralen in het duistere en gedurende de tijd van de verduistering, al is het dan zeer kort, kan nu alles wat op aarde wilsmatig is uitstromen in de ruimte op een andere manier dan wanneer er geen zonsverduistering is. Het fysieke van het zonnelicht verbindt zich anders altijd met de uitgezonden wils-stralen. Maar nu dringen de wils-stralen in een stralenkegel ongehinderd door in de wereldruimte.

De oude ingewijden wisten: in die situatie beweegt zich naar de wereldruimte alles wat de mens in zich draagt aan onbeteugelde wil, aan ongeremde instincten en driften. En de oude ingewijden legden uit aan hun leerlingen: onder gewone omstandigheden wordt datgene wat de mensen uitstralen in de ruimte aan slechte wil op een bepaalde manier verbrand door de zonnestralen, zodat de mens alleen maar zichzelf schaadt en geen schade aanricht in de kosmos. (G.G. : dat betekent dat wat de mens aan slechte wil heeft, hemzelf het meeste schaadt. Wanneer bvb. Iemand constant kritiek levert, dan verzwakt hij zijn eigen constitutie, alleen weet hij het niet.) Wanneer er echter een zonsverduistering is, dan is er ook de gelegenheid dat de slechtheid van de wereld zich uitbreidt tot alle wereldhemelen. We hebben hier dus te maken met een fysiek gebeuren dat een grote geestelijke inhoud bevat. "

Vanuit deze optiek is een geschiedkundig bericht te verklaren:

Op 22 mei 585 v.C. stonden twee legers tegenover elkaar, dat van koning Alyattes van Lydië tegenover dat van Kyaxeres van Medië.
De oorlog duurde al zes jaar. Ze stonden aan de grensrivier, de Halys. Er deed zich een zonsverduistering voor.
Thales van Milete had die weliswaar voorspeld, maar dat wisten de legeraanvoerders natuurlijk niet, en ze waren er dan ook door verrast. Het werd wel niet zo donker dat men vriend en vijand niet kon onderscheiden, niet donkerder dan bij een zwaar onweer, maar toch beleefde men het zo:
wij staan plots in de kosmos en onze emoties, onze haatgevoelens dringen ongefilterd door.
Ze kwamen op vreedzame wijze tot een overeenkomst.

De kruis-constellatie van 11 augustus 1999.

De maan staat voor de zon.
Links staat Venus, rechts staat Mercurius.
Op het ogenblik van de verduistering komt Mars op, Saturnus en Jupiter gaan onder, terwijl Neptunus en Uranus tegenover de groep Zon-Maan-Venus-Mercurius onder de horizon staan.
Verbindt men de posities, dan krijgen we een kruisfiguur.
Saturnus en Jupiter in Stier,
Uranus en Neptunus in Waterman,
Mars in Schorpioen.
Maan, Venus en Mercurius in Leeuw.
Het apokalyptische dier komt tevoorschijn zoals het door de vier evangelisten gevormd wordt:
Lukas de Stier, Johannes de Adelaar (=Schorpioen), Marcus de Leeuw en Mattheus de Mens (Waterman). Het oerbeeld voor de mens, een oproep om vier krachten in harmonie te brengen:
Schorpioen-Adelaarskracht in het denken,
Leeuwenkracht in het voelen,
Stierkracht in het willen,
De Waterman als mens tussen demon en engel.
Deze krachten moet de mens in evenwicht brengen als hij op aarde wil mens worden.

Bronnen:
http://www.astrolabium.de/astronomie/sonne/adalbert_stifter1.htm
Erziehungskunst 7/8 1999.
Lehrerrundbrief 65 - maart 1999.
Rudolf Steiner: Weltenfragen und Menschenantworten, GA 213.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Waarom is antroposofie zo weinig in trek ?


De meeste mensen vinden zichzelf eerder sympathiek, eigenlijk zijn ze regelrecht verliefd op zichzelf. Dat is een heel natuurlijk verschijnsel. Zelfs in het evangelie wordt dat niet veroordeeld, de mens wordt er alleen maar aangespoord om zijn naaste even graag te zien als zichzelf. Wanneer we nu de onzichtbare wereld willen leren kennen, dan kunnen we verstrikt geraken in de grootste illusies. Rudolf Steiner drong er dan ook op aan dat de mens eerst in de zichtbare wereld tot een correct oordeel kon komen vooraleer hij verdere stappen zou zetten in de richting van het onzichtbare, van het bovenzinnelijke. Het is in de eerste plaats nodig dat de mens zichzelf leert kennen zoals hij is, en dat hij zijn minder goede kanten op geen enkele manier probeert te vergoelijken of te minimaliseren.

Leest men nu voordrachten van Rudolf Steiner over karma, dan wordt er af en toe eens een geval besproken waarvan menig lezer zal moeten toegeven dat het ook op hem van toepassing is. Op zo'n ogenblikken heeft men de keuze: ofwel slikt men de bittere pil door, leert men zichzelf wat objectiever zien, en neemt zich voor om deze karaktertrek te bestrijden; ofwel laat men zijn oordeel beïnvloeden door ijdelheid en egoïsme, men blijft verder leven met het mooie beeld dat men over zichzelf heeft, en gooit de antroposofie over boord. Dat gebeurt misschien niet altijd volbewust: men kan ook schijnbaar geïnteresseerd geraken in andere dingen dan antroposofie, geen tijd meer vinden om te lezen en wat weet ik nog allemaal. Toegegeven, het zijn soms harde noten om te kraken.

In GA 235 legt Rudolf Steiner uit dat wij het leed dat we door onze omgeving ondervinden zelf veroorzaakt hebben door in een vorig leven te haten.

[ ... ] " Nemen we aan dat een mens zijn medemens tekort doet uit haat of uit een neiging tot antipathie. Men kan hier aan alle gradaties denken die kunnen voorkomen. De ene kan zijn medemens schade berokkenen vanuit een crimineel haatgevoel. De andere kan -ik laat de tussentrappen weg- ook criticus zijn. Om criticus te zijn moet men altijd een beetje haten, tenminste wanneer men geen lovend criticus is; maar deze laatste zijn tegenwoordig zeldzaam, want het is niet interessant om de dingen naar waarde te schatten. Het is maar interessant als men de dingen belachelijk maakt. Er zijn natuurlijk alle mogelijke gradaties op dit gebied. Maar het gaat hier dus om daden die gesteld worden vanuit een koude antipathie, een bepaalde antipathie waarover men zich niet altijd rekenschap geeft, en die tot haat kan worden. Al wat op deze manier bewerkt wordt door mensen ten opzicht van andere mensen of zelfs ten opzichte van ondermenselijke wezens, dat slaat neer in zieletoestanden die zich dan spiegelen in het leven tussen dood en nieuwe geboorte. En dan komt in het volgende aardeleven uit de haat datgene tevoorschijn wat ons toestroomt vanuit de wereld als leed, als onlust die van buitenaf komt, het tegendeel van vreugde.

U zult zeggen: ja, er komt zoveel leed op ons af, kan dat echt allemaal van grotere of kleinere haat in een vorig leven stammen ? Ik kan mij onmogelijk voorstellen dat ik zo'n slechte kerel ben geweest -zo spreekt de mens misschien- dat ik zoveel leed moet meemaken omdat ik zoveel gehaat heb.

Ja, als men op dit terrein zonder vooroordelen wil denken, dan moet men onder ogen durven zien hoe groot de illusie is en hoe vlug men er zich aan overgeeft, wanneer het erom gaat om allerlei antipathiegevoelens weg te moffelen, dat geeft immers een goed gevoel. De mensen gaan met veel meer haat door de wereld dan ze denken, tenminste met veel meer antipathie. En zo is het nu eenmaal: de haat wordt gewoonlijk niet beleefd omdat hij de ziel in eerste instantie bevrediging schenkt. Hij wordt toegedekt door de bevrediging. Wanneer hij terugkeert als leed dat van buitenaf komt, dan wordt het leed wel bemerkt.

Beste vrienden, denkt u er eens aan wat voor mogelijkheden er op dit gebied zijn bij een gewone koffieklets, zo een echte koffieklets waar een half dozijn -dat volstaat al !- tantes, het kunnen ook nonkels zijn, samenzitten en hun medemens over de hekel halen ! Bedenkt u eens hoeveel antipathieën daar op anderhalf uur -dikwijls duurt het nog langer- uitgestort worden op de mensen ! De mensen bemerken het niet op het ogenblik dat het uitgestort wordt; maar wanneer het in een volgend aardeleven terugkomt, dan wordt het maar al te goed bemerkt. En terugkomen doet het vast en zeker. [ ... ]

Niet alleen denken de mensen niet graag slecht van zichzelf, dikwijls koesteren ze de grootste illusies als het gaat om hun eigen waarde, hun eigen onbaatzuchtigheid, hun eigen belangrijkheid. Eveneens in GA 235 vertelt Rudolf Steiner een kleine anekdote. Het ging over de moeilijkheden van het karma-onderzoek bij individuele personen, hoe gemakkelijk men op dwaalsporen gezet wordt als men niet secuur te werk gaat.

[ ... ] "Ook hier was het niet terug gemakkelijk, en er traden eerst blinde vlekken op -ook deze dingen wil ik hier vermelden. Wanneer men met dit soort onderzoek begint, krijgt men altijd allerlei indrukken, dikwijls ook vreselijke indrukken. Zelf zat ik ooit eens aan tafel in een café in Boedapest, en daar waren verzameld de gereïncarneerde Jozef II, Frederik de Grote, de markiezin van Pompadour, Seneca, de hertog van Reichstadt, Marie-Antoinette, en 's avonds kwam er dan nog Wenzel Kaunitz bij. Die zaten allemaal in dat café, 't is te zeggen, die mensen dachten dat van zichzelf, ze waren van oordeel dat zij dat waren. Ik bedoel dus maar dat er gemakkelijk zo'n zaken kunnen tevoorschijn komen wanneer mensen beginnen te speculeren of met helderziende hocuspocus beginnen te goochelen. Zoals gezegd, er duiken vlug valse sporen op, omdat het erop aan komt om uit te gaan van het meest karakteristieke punt in het leven van een mens om op de juiste wijze naar zijn vorig leven geleid te worden." [ ... ]

En tot slot, nu we toch in GA 235 zijn, wijzen we nog even op een klein detail dat ook voor de meeste antroposofen een verrassing zal zijn.

[ ... ] "Hier zou ik tussen haakjes iets willen zeggen. Ziet u, het woord karma is via Engeland naar Europa gekomen. Nu, omdat men het woord zo schrijft "KARMA", zeggen de mensen ook dikwijls "karma". Dat is verkeerd. Karma moet uitgesproken worden alsof het met "ä" geschreven was. Ik spreek het uit als "kärma" sinds ik de Antroposofische Vereniging leid en ik stel tot mijn spijt vast dat zeer vele mensen zich daardoor de gewoonte hebben eigen gemaakt om voortdurend het verschrikkelijke woord "kirma" uit te spreken. Blijkbaar verstaan deze mensen "kirma": telkens ik het woord "kärma" uitspreek. Dat is verschrikkelijk. U zult het ook al gehoord hebben dat vele, zeer trouwe leden nu al sinds enige tijd "kirma" zeggen." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Nog een merkwaardig aspect van reïncarnatie


.

Deze zomer zag ik aan de rand van een veld een boer staan in een korte broek en ik bedacht hoe een boer van 100 jaar terug tijdens zijn volwassen leven waarschijnlijk nooit zijn benen ontblootte. Ik vroeg mij af: welke gedachten gaan er door het hoofd van deze moderne boer naast zijn tractor ? Gedachten over zijn werkschema, zijn oogstplanning, zijn investeringen, allemaal wereldse beslommeringen. Qua denk- en gevoelsleven is hij helemaal een moderne mens, bijna even weinig verbonden met de aarde, met het wonder van groeien en bloeien als een stedeling.

Ik dacht aan de boeren zoals ze 100 jaar geleden leefden en voelden. In Gezelles Kerkhofblommen bvb. knielden ze op het land neer toen de begrafenisstoet passeerde:

't Was de ure dat de landman gaat,
en op zijn herte een kruise slaat
en op zijn land een kruis;
en gaande bidt, en weent, en zaait
hetgeen misschien een ander maait
en lachend voert naar huis.

en iets verder:

"De landslieden, die ons zagen voorbijgaan, prentten hunnen knie in den zachten vloer van den wijden tempel des Heelals, en, 'in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geest' wensten zij de voorbijganger goe reize naar den Hemel, zeggende: 'God gelieve zijne ziele in de eeuwige ruste ! Amen.'

Een vroomheid waar de moderne boer ver af staat - zoals zijn tijdgenoten trouwens.

Stel je voor dat de eerste boer zijn eigen overgrootvader zou ontmoeten: zouden ze het gevoel hebben van hetzelfde vlees en bloed te zijn ? Of zouden ze mekaar als een onbegrijpelijk, bijna buitenaards wezen aanstaren ?
Het laatste, zegt Rudolf Steiner.
Het is wel zo dat we allemaal in een stroom van erfelijkheid staan, van fysieke afstamming. En het is tegenwoordig de gewoonte om al wat er in de mens leeft te verklaren vanuit de genen. Men zou dus ook kunnen menen dat er tussen overgrootvader en achterkleinzoon een grote graad van verwantschap bestaat. Rudolf Steiner relativeert dit geweldig: als iemand in het water valt, dan is hij natuurlijk nat, maar zijn innerste wezenskern wordt door dat nat-zijn niet beinvloed. Even weinig heeft al wat uit de erfelijkheid stamt invloed op ons eigen Ik. En als iemand heel sterk op een voorouder lijkt, in uiterlijk of in karakter, dan heeft hij gewoon deze voorouder uitgekozen omdat hij hem wou imiteren.

( Een geweldig revolutionair idee voor de opvoeding. Het betekent immers dat ouders en opvoeders op zoek moeten gaan naar de oorspronkelijke impulsen die hun pupillen meegebracht hebben, en zich daar moeten naar richten. Iets doorgeven vanuit een traditie of vanuit een achterhaalde autoriteit doet de kinderen dus tekort. Als we dit willen onder ogen zien en er rekening mee houden, dan kan een generatiekloof eigenlijk niet meer ontstaan.)

Wij leven op dit ogenblik op de aarde, omringd door mensen die onze tijdgenoten zijn. Samen kunnen we proberen iets te realiseren wat twee generaties verder misschien terug al moet afgebroken worden. Omgekeerd mogen we er ook niet voor terugdeinzen om iets af te breken wat onze voorouders goed vonden ( bvb. bepaalde ideeën over landeigendom, geld, arbeid enz.).


Rudolf Steiner noemt in GA 235 twee grote namen aan uit de Duitse literatuur, Goethe en Jean-Paul.
De laatste is bij ons minder bekend, onder antroposofen al wat meer, omdat Rudolf Steiner af en toe een passage aanhaalt uit "Levana" van Jean-Paul waar deze beschrijft hoe hij zich rond zijn derde levensjaar ineens bewust werd dat hij Ik kon zeggen.

[ ... ] "Voor we verder gaan met onze beschouwing van de bijzonderheden van karma moeten we eerst even blijven stilstaan bij de vraag: wat is de mens ten opzichte van een andere mens waarmee hij een karmische band schijnt te hebben ? Ik moet nu een uitdrukking gebruiken die tegenwoordig nogal spottend gebruikt wordt: zo een mens is een tijdgenoot. Hij is immers tegelijkertijd met ons op aarde.

En als u dit bedenkt, dan zult u inzien: wanneer u tijdens een aardeleven met bepaalde mensen samen bent, dan was u ook in een vroeger aardeleven met deze mensen samen, en eveneens in een nog vroeger leven. Natuurlijk, als algemene regel is dat zo, de zaken kunnen ook wel verschuiven.

Ja, maar de mensen die vijftig jaar later leven dan u, die waren in een vorig leven ook samen met mensen ! Door de band zullen mensen, laat ons zeggen van de ene lichting nooit samenkomen met de andere lichting, in overeenstemming met de gedachte die wij hier ontvouwd hebben. Het is een bedrukkende gedachte, maar het is een ware gedachte. [ ... ]

Het is inderdaad zo dat het voortschrijdende leven der mensen op de aarde zich ritmisch voltrekt. De ene lichting, zou ik zo zeggen, gaat door de band van aardeleven naar aardeleven, de andere lichting gaat van aardeleven naar aardeleven, en in zekere zin zijn ze van elkaar gescheiden, in het aardeleven komen ze niet in contact met elkaar. In de lange periode tussen dood en nieuwe geboorte, daar komen ze natuurlijk wel samen; maar in het aardeleven is het inderdaad zo dat men altijd op aarde terugkeert met een beperkte groep mensen. Juist voor de herhaalde aardelevens hebben de tijdgenoten een diepere betekenis. En waarom is dat zo ?

Ik kan u verklappen dat deze vraag, die ons ook alleen verstandelijk zou kunnen bezighouden, mij werkelijk op geesteswetenschappelijk gebied de grootste pijn heeft bezorgd, omdat het nu eenmaal nodig is de waarheid naar boven te brengen, de innerlijke samenhang. En dan kan men zich afvragen - neemt u mij niet kwalijk als ik een voorbeeld gebruik dat werkelijk voor mij van betekenis is wat betreft dit onderzoek- :
Waarom waart gij niet een tijdgenoot van Goethe ?
Doordat gij geen tijdgenoot zijt van Goethe kunt ge ongeveer opmaken dat ge nooit met Goethe samen op aarde hebt geleefd. Hij behoort tot een andere lichting.

Wat steekt daar eigenlijk achter ? Hier moeten we de vraag omkeren. Maar om een dergelijke vraag om te keren moet men een vrije, open geest hebben voor het menselijk samenleven. Men moet kunnen vragen: hoe is het eigenlijk om een tijdgenoot van iemand te zijn, en hoe is het om iemand alleen maar uit de geschiedenis te kennen ? Hoe zit dat eigenlijk ?

Nu, ziet u, daarvoor moet men dus echt een vrije, open geest hebben om de intieme vraag te kunnen beantwoorden: hoe zit het met alle innerlijke randverschijnselen der ziel wanneer een tijdgenoot met u spreekt, handelt - hoe is dat ? En nadat men aldus het nodige inzicht verworven heeft moet men dat kunnen vergelijken met hoe het zou zijn indien ge zoudt samenkomen met een persoonlijkheid die niet een tijdgenoot is, die misschien nog in geen enkel aardeleven een tijdgenoot is geweest - die men desondanks toch ten zeerste kan vereren, meer dan alle tijdgenoten - hoe zou het zijn om met hem samen te komen ? Dus -excuseer mij het persoonlijke- hoe zou het zijn indien ik een tijdgenoot van Goethe zou geweest zijn ?

Ja, wanneer men geen onverschillig mens is -het spreekt van zelf dat als men een onverschillig mens is en geen begrip heeft voor wat een tijdgenoot kan betekenen, dan is die vraag niet goed te beantwoorden- dan kan men de vraag stellen: hoe zou dat geweest zijn om in de Schillersteeg te Weimar te kuieren in de richting van het Frauenplan en daar de "dikke staatssecretaris" tegen te komen, voor mijn part in 1826 of 1827 ?

Wel, dan weet men heel goed dat men het niet zou kunnen hebben verdragen ! De "tijdgenoot" die verdraagt men. Diegene met wie men geen tijdgenoot kan zijn die verdraagt men niet; hij zou op een bepaalde manier vergiftigend werken op het zieleleven. Men verdraagt hem niet omdat men in plaats van een tijdgenoot een voorloper of een nakomer is.

Natuurlijk, als men voor dit soort zaken geen gevoel heeft, dan blijven ze in het onderbewuste. Men kan zich voorstellen dat iemand een fijn gevoel voor het geestelijke heeft en weet: had ik in Weimar in de Schillerstraat gelopen richting Frauenplan en zou ik daar als tijdgenoot de dikke staatssecretaris Goethe met de dubbele kin zo tegen gekomen zijn, dan zou ik mij innerlijk onmogelijk hebben gevoeld. Diegene die daar geen gevoel voor heeft, nu ja, die zou misschien wel gegroet hebben.

Ja, ziet u, deze dingen stammen niet uit het aardeleven omdat de redenen waarom we niet de tijdgenoot van een of andere mens kunnen zijn, niet te vinden zijn binnen het aardeleven, men moet daar al inzicht in de geestelijke samenhangen hebben; daarom klinkt het voor het aardeleven dikwijls zo paradoxaal. Maar toch is het zo, helemaal.

Ik kan u verzekeren dat ik echt met veel liefde de inleiding heb geschreven bij de uitgave van het werk van Jean-Paul door Cotta´s Bibliotheek van de Wereldliteratuur. Maar had ik ooit in Bayreuth moeten samen zitten met Jean-Paul zelf ... maagkrampen zou ik zeker gekregen hebben. Dat belet niet dat ik voor hem de grootste verering koester. En zo is dat bij iedereen het geval, alleen blijft het bij de meeste mensen in het onderbewuste, het blijft in het astrale of etherlichaam, het grijpt het fysieke lichaam niet aan. Want een zielebeleving moet tot bewustzijn komen om te kunnen werken op het fysieke lichaam. Maar ook dit moet u weten beste vrienden: wanneer men inzichten over de geestelijke wereld wil bekomen, dan gaat het niet zonder dingen te horen die grotesk, paradox schijnen omdat de geestelijke wereld nu eenmaal anders is dan de fysieke wereld.

Natuurlijk is het gemakkelijk om te spotten wanneer er ergens gezegd wordt: was ik een tijdgenoot van Jean-Paul geweest dan zou ik maagkrampen gekregen hebben had ik met hem samengezeten. De gewone, banale filisterwereld van het aardse leven vindt alles natuurlijk vanzelfsprekend, maar de wetten van de banale filisterwereld gelden niet voor geestelijke samenhangen. Men moet gewoon worden van in andere denkvormen te denken als men de geestelijke wereld wil verstaan. Men moet gewoon worden om voortdurend verrassingen te beleven. Wanneer het gewone bewustzijn iets leest over Goethe dan kan het natuurlijk de aandrang voelen om te zeggen: die zou ik wel graag persoonlijk eens ontmoet hebben, hem de hand schudden en zo meer. Dat is een loze gedachte, want er zijn wetten die ons voor een bepaald tijdvak voorbestemmen en maken dat wij dan kunnen leven. Juist zoals een bepaalde luchtdruk voor ons gepast is, en wij niet te veel kunnen stijgen zonder dat we ons onbehaaglijk beginnen te voelen, evenmin kan een mens die bestemd is voor de 20ste eeuw in de tijd van Goethe leven."

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Leven op Mars

Rudolf Steiner spreekt op verschillende plaatsen over het leven op Mars, maar meestal 'en passant'. Zo bvb. in GA 197. In de voordracht van 30 juli 1920 probeert hij uit te leggen waar we eigenlijk materie kunnen vinden. Samengevat gaat het ongeveer zo:

Wie zich met geesteswetenschap ernstig wil bezig houden moet twee feiten onder ogen zien. Ten eerste, dat het onmogelijk is dat er materie te vinden is in de ons omringende wereld. De fout van het materialisme is niet dat er over materie gesproken wordt, maar wel dat men ervan uitgaat dat men materie en de wetten waaraan die materie onderworpen is, in de uiterlijke wereld kan vinden. De wereld rond ons is een verschijningswereld, een wereld van fenomenen, wat men in het Oosten 'maja' noemt.

Het tweede is dat het materiële alleen maar in ons eigen innerlijk te vinden is. Vele mystici, die denken het geestelijke te vinden door zich te verdiepen in hun innerlijke, zouden moeten weten dat hetgeen ze menen te ervaren niets anders is als "de vlam die innerlijk ontstoken wordt door materiële, organische processen".

Concreet kunnen we het materiële in onszelf ervaren, zo tussen ons dertigste en veertigste jaar, door gewaar te worden hoe er een zwaarte, de zwaartekracht in ons werkt. Al wat we rond ons zien als plant en dier en wolken, sterren, rivieren en bergen, daarin kunnen we de materie niet vinden. Dan gaat Rudolf Steiner verder:

"Een Marsbewoner die door middel van welk instrument dan ook, onze aarde zou bestuderen -men zou zich kunnen indenken, zoals het in werkelijkheid ook is, dat de Marsbewoner, al is het dan ook op een andere manier, dusdanig ineen zit dat hij de aarde kan waarnemen- die zou niets zien van hetgeen wij hier zien als wolken, rivieren, bergen, hij zou niets zien van het minerale, het planten- of dierenrijk. Wat hij wel zou waarnemen, dat is hetgeen zich binnen de menselijke huid afspeelt. Al het overige zou voor de blik van de Marsbewoner verdwijnen."

Over de planeet Mars en haar bewoners spreekt Rudolf Steiner in de voordracht van 3 november 1912 in Wenen. Hij heeft het over de planetensferen die de mens passeert na zijn dood. Nadat hij door de sfeer van de Zon is gegaan, moet hij door de sfeer van Mars:

[ ... ] "Op Mars gaat de mens die zich hier op aarde begrip voor het spirituele bijgebracht heeft, nog een andere ervaring meemaken. [ ... ] Waar is de Boedha, waar is diegene die als Gautama geleefd heeft ? Hij is voor Mars hetzelfde geworden wat Christus voor de Aarde geworden is; hij heeft voor Mars een soort Mysterie van Golgotha doorgemaakt en aldus een verlossing van de Marswezens tot stand gebracht; hij leeft daar in hun midden. En voor hem zelf was zijn aardeleven de gepaste voorbereiding om de Marswezens te verlossen; deze verlossing was wel niet zoals het Mysterie van Golgotha, maar iets anders. " [ ... ]

In deze voordracht stipte Rudolf Steiner dit mysterie maar eventjes aan. De lezer zou zich dan ook terecht de vraag kunnen stellen: was er soms iets aan 't mislopen daar op Mars dat de wezens aldaar moesten gered worden door Boedha ?

In GA 130 spreekt Rudolf Steiner over Christian Rosenkreutz. Hier komen we te weten waarom het nodig was dat Boedha naar Mars ging.

.

Christian Rosenkreutz, Boedha en Franciscus van Assisi.

[ ... ] "Iemand die zoals Christian Rosenkreutz als een leidende occultist voor de wereld treedt, heeft rekening te houden met de typische eigenaardigheden van zijn tijd. Het geestesleven waar we nu in staan, is wat zijn eigenlijke karakter betreft toch begonnen toen de moderne natuurwetenschap opkwam, met Copernicus, Giordano bruno, Galileî en anderen. De huidige mensen leren het wereldstelsel van Copernicus al vroeg op school kennen en dragen de daardoor verworven indrukken hun hele leven met zich mee. In vroeger tijden ervoer de ziel iets anders: probeert u te voelen wat voor een groot verschil er bestaat tussen een mens van onze tijd en iemand die toen eeuwen geleden leefde. Voor de tijd van Copernicus geloofde elke ziel van de mensen op aarde dat de aarde in het heelal rustte en dat de zon en de sterren erom heen draaiden. De grond viel die mensen onder de voeten weg toen Copernicus de leer opstelde dat de aarde zich met reuzesnelheid onder hen in het heelal bewoog. We mogen zo´n revolutie in het denken niet onderschatten, iets wat ook een ermee gepaard gaande verandering in het gevoel veroorzaakte. Alle ideeën en voorstellingen van de mensen werden anders dan ze voor Copernicus waren. Nu zullen we ons afvragen: wat heeft het occultisme te zeggen over deze revolutie in het denken ?

Wie als occultist de vraag opwerpt hoe je met de moderne ideeën van Copernicus de wereld kunt begrijpen, die moet erkennen: met deze ideeën van Copernicus kun je veel voor elkaar krijgen wat natuurwetenschappelijk tot grote triomfen in het uiterlijke leven voert, maar je kunt er niets mee begrijpen van het geestelijke fundament van de wereld en de dingen; want de copernicaanse ideeën vormen het slechtste instrument dat indertijd in de ontwikkeling van de mensheid aanwezig was om de geestelijke fundamenten te begrijpen. Dat komt voort uit het feit dat al deze begrippen en ideeën van Copernicus door Lucifer zijn geïnspireerd. Want het Copernicanisme is één van de laatste grote aanvallen die Lucifer op de menselijke ontwikkeling heeft uitgevoerd. In de oude, voor-copernicaanse wereldbeschouwing had men buiten zich de maja; maar in wat men begreep, in wat overgeleverd wijsheidsgoed was, had men veelal de waarheid van de dingen en de wereld. Sinds Copernicus echter heeft de mens niet alleen de maja in het zintuiglijk waarnemen van de dingen om zich heen, maar de begrippen en ideeën zijn zélf maja. Tegenwoordig spreekt het voor de mens vanzelf dat de zon in het midden stilstaat en de planeten in ellipsen er omheen draaien. In de nabije toekomst zal men inzien dat de zienswijze van Copernicus voor de sterrenwereld veel onjuister is dan de vroegere van Ptolemaeus. De wereldbeschouwing volgens Copernicus en Kepler is een heel gerieflijke wereldbeschouwing. Maar om te verklaren wat de makrokosmos is, is die wereldbeschouwing niet de ware.

Christian Rosenkreutz stond zodoende voor de feitelijke wereldbeschouwing die zelf een maja is, en hij moest daarin zijn standpunt bepalen. Hij moest het occultisme redden in een tijd waarin alle wetenschappelijke begrippen zelf maja waren. In het midden van de 16de eeuw verscheen het fundamentele werk van Copernicus "Over de omwentelingen van de hemellichamen". Aan het eind van de 16de eeuw was bij de Rozenkruisers de noodzaak ontstaan om het wereldsysteem vanuit het occultisme te begrijpen aangezien het copernicaanse wereldsysteem met zijn materieel gedachte bollen in de ruimte al wat het begrip betreft maja was. Tegen het eind van de 16de eeuw vond daarom één van de conferenties plaats -zoals we hier vorig jaar hebben leren kennen, toen namelijk in de 13de eeuw Christian Rosenkreutz zelf werd ingewijd. Deze occulte conferentie van de leidende individualiteiten bracht Christian Rosenkreutz samen met die twaalf individualiteiten van toen en nog enkele andere individualiteiten die belangrijk waren in de leiding van de mensheid. Daarbij waren niet alleen personen aanwezig die op fysiek niveau geïncarneerd waren, maar ook personen die zich in de geestelijke werelden bevonden. Aanwezig bij die conferentie was ook dezelfde individualiteit die in de zesde eeuw v.C. belichaamd was als de Gautama Boedha.

De Oosterse occultisten zijn van opvatting -terecht, want dat weten is een waarheid- dat de Boedha van een boddhisattva tot een boedha werd en toen voor de laatste keer in een fysiek lichaam geïncarneerd was. Het is volkomen juist dat de individualiteit die van een boddhisattva tot een boedha wordt daarna niet meer in een fysieke incarnatie op aarde verschijnt. Maar dat is niet hetzelfde als "niet meer werkzaam zijn" voor de aarde. De Boedha is voor de aarde eveneens werkzaam in de komende tijd, ook al verschijnt hij niet meer in een fysiek lichaam op aarde, maar hij oefent zijn werkzaamheid uit vanuit de geestelijke wereld. Het inwerken van de Boedha met zijn krachten vanuit de geestelijke wereld in het astrale lichaam van de Jezus uit het Lukas-evangelie horen we in het Gloria-gezang dat ook voor de herders op het veld hoorbaar werd. Deze woorden stammen van de Boedha die werkzaam was in het astrale lichaam van het Jezuskind uit het Lukas-evangelie. Deze mooie, heerlijke boodschap van vrede en liefde is daadwerkelijk het resultaat van wat de Boedha bijgedragen heeft voor het Christendom. Maar ook later werkt de Boedha -niet fysiek, maar vanuit de geestelijke wereld- op de daden van de mensen in en hij werkt aan wat gebeuren moet voor de vooruitgang van de ontwikkeling van de mensheid.

Franciscus van Assisi, een leerling van Boedha

In de zevende en achtste eeuw bvb. Bestond er in de buurt van de Zwarte Zee een heel belangrijke inwijdingsschool, waar de Boedha in zijn geestelijk lichaam onderwees. In zulke scholen heb je leraren die in een fysiek lichaam onderwijs geven; maar voor de gevorderde leerlingen is het ook mogelijk om onderwijs te krijgen van een leraar die uitsluitend in een etherisch lichaam doceert. Zo onderwees de Boedha daar aan hen die de hogere kennis konden opnemen.

Onder de leerlingen van de Boedha was toen iemand die enkele eeuwen later weer incarneerde. We hebben hier dus te maken met een fysiek levende persoon die eeuwen later weer in een fysiek lichaam leefde, in Italië, en die we kennen als de heilige Franciscus van Assisi. De typische manier van Franciscus van Assisi, die toch zo veel overeenkomst vertoont -ook in het leven van zijn monniken- met de leerlingen van Boedha, komt voort uit de omstandigheid dat Franciscus van Assisi zelf een leerling was van de Boedha.

We moeten nu onze blik even richten op de eigenaardigheden van zo´n naar het geestelijke strevende mens als Franciscus van Assisi en zulke mensen die door de huidige cultuur in de industrie, de techniek, en de moderne ontdekkingen van deze tijd staan. Er waren vele, ook occulte personen die in hun ziel veel leed doormaakten toen ze moesten inzien dat er in de toekomst twee soorten mensen zouden moeten bestaan. Ze geloofden dat de ene klasse helemaal op het praktische leven zou gericht zijn, dat die ene klasse haar heil zou zien in het produceren van voedingsmiddelen, in het bouwen van machines enz. En de andere klasse zou die zijn waartoe mensen als Franciscus van Assisi behoren, die zich vanwege hun geestelijke leven geheel van het praktische leven afwenden.

Daarom was het een belangrijk moment toen als voorbereiding van genoemde conferentie Christian Rosenkreutz in de zestiende eeuw een aantal occultisten bijeen riep, een grotere kring mensen, en hen deze twee soorten mensen die in de toekomst zouden bestaan, voor ogen hield. Eerst riep hij een grotere, later een kleinere kring om de mensen dit belangrijks te vertellen. Christian Rosenkreutz hield deze voorvergadering een aantal jaren eerder, niet omdat het hem onduidelijk was wat er moest gebeuren, maar omdat hij de mensen tot nadenken wilde aanzetten over de perspectieven van de toekomst. Hij zei om het denken te stimuleren ongeveer het volgende: Kijk naar de toekomst van de wereld; de wereld dringt aan op praktische zaken, op industrie, op spoorwegen enz. De mensen zullen net lastdieren zijn. En zij die dat niet willen zullen als Franciscus van Assisi zijn, niet geschikt voor het praktische leven, zij zullen slechts leven voor de innerlijke ontwikkeling. - Christian Rosenkreutz maakte zijn toehoorders indertijd duidelijk dat er op aarde geen middelen zijn om de ontwikkeling van deze twee klassen mensen tegen te houden. Alles wat men voor de mensen kon doen tussen geboorte en dood kon niet voorkomen dat de mensen in deze twee klassen werden verdeeld. Voor zover de omstandigheden op aarde in aanmerking komen is het onmogelijk om ervoor te zorgen dat het ontstaan van die twee klassen wordt voorkomen. Hulp kon er alleen maar komen al er een manier van opvoeden zou worden geschapen die zich niet tussen geboorte en dood afspeelde, maar tussen dood en een nieuwe geboorte.

Laten we ons dus realiseren dat de Rozenkruisers de taak hadden om vanuit de bovenzinnelijke wereld in de individuele mens te werken. Om te begrijpen wat er te doen was moeten we het leven tussen dood en nieuwe geboorte bekijken.

Op aarde leven we tussen geboorte en dood; tussen dood en nieuwe geboorte staat de mens in een bepaalde relatie met de andere planeten. In mijn boek "Theosofie" vindt u de toestand van het kamaloka beschreven. Dit verblijf van de mens in de zielewereld is een tijd waarin de mens een maanbewoner wordt. Vervolgens wordt hij een bewoner van Mercurius, dan van Venus, dan van de zon, Mars, Jupiter en Saturnus, en daarna wordt hij een bewoner van de nog wijdere hemel- of wereldruimte. Het is niet onjuist om te zeggen dat er tussen twee incarnaties op aarde belichamingen op andere planeten liggen, geestelijke belichamingen. De mens is tegenwoordig nog niet zo ver in zijn ontwikkeling dat hij zich tijdens zijn incarnatie kan herinneren hetgeen hij doorgemaakt heeft tussen dood en nieuwe geboorte, maar in de toekomst wordt dat mogelijk. Ook al kan hij zich nu niet de dingen herinneren die hij op Mars heeft beleefd, toch heeft hij de krachten van Mars in zich, al weet hij daar niets van. Je kunt gerust zeggen: nu ben ik aardebewoner, maar de krachten in mij hangen samen met iets wat ik mij op Mars heb eigen gemaakt.

Laten we nu eens een mens bekijken die op aarde leefde na de verbreiding van de copernicaanse wereldbeschouwing. Waar hebben Copernicus, Galileï, Giordano Bruno en anderen hun vermogens vandaan in deze incarnatie ? Bedenkt u dat de individualiteit van Copernicus kort tevoren, van 1401 tot 1464, belichaamd was in Nicolaus Cusanus, de een diepzinnig mysticus was. Denkt u aan zijn "Docta ignorantia", wat voor een volkomen andere mentaliteit vinden we daarin ! Hoe zijn die krachten in deze individualiteit binnengekomen die Copernicus zo geheel anders hebben gemaakt dan die Nicolaus Cusanus ? Dat is binnengestroomd vanuit de krachten van Mars, iets wat hem vervolgens tot de astronoom Copernicus heeft gemaakt.

Zo is het ook met Galileï gegaan, ook hij heeft krachten van Mars opgenomen, die hem de bijzondere configuratie van de moderne wetenschapper hebben verleend. Ook Giordano Bruno heeft zijn krachten van Mars meegebracht, en zo is het met de gehele mensheid. Dat de mensen denken zoals Copernicus of Giordano Bruno, dat is afkomstig van de krachten van Mars die zij zich eigen maken tussen dood en nieuwe geboorte.

Maar dat men zulke krachten krijgt die van de ene naar de andere triomf leiden, dat komt van het feit dat Mars indertijd anders werkte dan daarvoor. Vroeger waren het andere krachten die van Mars uitgingen. De Mars-cultuur, die de mensen ervaren tussen dood en nieuwe geboorte, heeft een grote crisis doorgemaakt in de 15de en 16de eeuw op aarde. Zó diepgaand, zo katastrofaal was het op Mars in de 15de en 16de eeuw als op aarde ten tijde van het Mysterie van Golgotha. Net zoals ten tijde van het Mysterie van Golgotha het eigenlijke Ik van de mens geboren werd, zo werd op Mars de geestelijke richting geboren die, toen ze zich inplantte in de mens, zichtbaar werd in het copernicanisme. Nadat deze toestanden op Mars heersten, was het een natuurlijk gevolg geweest dat Mars altijd mensen naar de aarde zou hebben gestuurd die alleen maar ideeën als die van Copernicus hadden, die toch in feite maja zijn. We kijken dus naar een decadentie, naar een verval van de Mars-cultuur. Voordien waren het goede krachten die van Mars uitstroomden. Maar nu stroomden daarvandaan steeds meer krachten uit die de mensen steeds dieper in de maja zouden hebben gevoerd. Wel waren de verworvenheden die toen van Mars afkomstig waren geestrijk, maar toch waren ze maja.

U ziet dus dat men in de 15de eeuw kon zeggen: het heil van Mars en daarmee van de aarde hangt af van het feit dat de ondergaande cultuur op Mars weer een impuls in opwaartse richting krijgt. Zo ongeveer was het op Mars als bij het Mysterie van Golgotha op aarde, toen de mensen vanuit spirituele hoogten diep gezonken waren in het materialisme en de Christus-impuls voor hen betekende dat ze daaruit weer opstegen. Op Mars was in de 15de eeuw de noodzaak ontstaan om de Mars-cultuur een opwaartse impuls te geven. Dat was de grote vraag waar Christian Rosenkreutz en zijn leerlingen mee geconfronteerd werden: hoe deze opwaartse impuls aan de Mars-cultuur te geven, want van de Mars-cultuur hing ook het heil van de aarde af.

Het rozenkruiserdom stond voor de grote taak deze vraag te beantwoorden: wat moet er gebeuren opdat tot heil van de aarde de Mars-cultuur in opwaartse richting gaat ? De Marswezens konden helemaal niet weten wat hun tot heil kon dienen, want alleen op aarde kon men weten hoe het met Mars gesteld was. Op Mars ervoer men het verval helemaal niet. Om een praktisch antwoord daarop te geven werd daarom op het einde van de 16de eeuw de conferentie belegd waarover we hebben gesproken. Deze conferentie was door Christian Rosenkreutz goed voorbereid doordat de intiemste leerling en vriend van Christian Rosenkreutz de in het geesteslichaam levende Gautama Boedha was. Tijdens deze conferentie werd afgekondigd dat het wezen dat eens op aarde geïncarneerd was als Gautama Boedha nu als geestelijk wezen, in de hoedanigheid waarin hij verkeerde sinds hij een boedha geworden was, het toneel van zijn activiteit naar Mars zou verplaatsen. De individualiteit van Gautama Boedha werd door Christian Rosenkreutz als het ware van de aarde weggestuurd naar Mars. De Gautama Boedha verlaat het toneel van zijn activiteiten en gaat naar Mars; en in 1604 voltrok de individualiteit van Gautama Boedha een soortgelijke daad voor Mars als het Mysterie van Golgotha was voor de aarde.

Christian Rosenkreutz had onderkend wat het voor het gehele universum zou betekenen als de Boedha daar werkte en wat de leer van Boedha over het nirvana, de leer dat de mens zich van de aarde moet bevrijden, daar op Mars te betekenen had. Om de op het praktische gerichte aardecultuur te bevorderen was de leer van het nirvana niet geschikt. Dat bleek bij de leerling van de Boedha, Franciscus van Assisi, dat deze leer de aanhangers tot wereldvreemde mensen maakt. Maar wat in het boedhisme niet geschikt was om het praktische leven van de mensen tussen geboorte en dood te bevorderen, dat was van grote betekenis om de ziel tussen dood en nieuwe geboorte verder te helpen. Christian Rosenkreutz zag in dat de leer van Boedha het meest geschikt was voor wat er op Mars diende te gebeuren als loutering.

Eens verbleef het goddelijk liefdewezen, de Christus, op aarde in een tijdperk en in een volk dat niet erg vertrouwd was met dit liefdewezen; en evenzo steeg de vredesvorst Boedha n de 17de eeuw op naar Mars, waar oorlog en strijd heersten, om daar zijn missie te vervullen. Daar waren de zielen vooral oorlogszuchtig gestemd. Een grote offerdaad voltrok de Boedha, net als die van de drager van het goddelijk liefdewezen bij het Mysterie van Golgotha. Een kosmische offerdaad was het om Boedha te zijn op Mars. Daar was hij als het ware het offerlam, en we kunnen het als een soort kruisiging voor de Boedha beschouwen dat hij zich naar die oorlogsomgeving liet verplaatsen. De Boedha volbracht deze daad op Mars in dienst van Christian Rosenkreutz. Zo werken de grote leidende wezens in het universum samen, niet alleen op aarde, maar ook van de ene planeet naar de andere.

Sinds de tijd dat het mysterie van Mars zich door de Gautama Boedha heeft voltrokken neemt de mens andere krachten van Mars op in de tijd tussen dood en nieuwe geboorte. En niet alleen brengt de mens heel andere krachten van Mars mee naar zijn nieuwe geboorte, maar door de invloed die de geestelijke daad van Boedha uitoefent, stromen de mens vanuit Mars ook krachten toe wanneer hij zich hier aan de meditatie wijdt om in de geestelijke wereld te komen. Als de moderne geestesleerling mediteert in de door Christian Rosenkreutz gegeven zin, dan stromen ook krachten naar binnen die de Boedha als verlosser van Mars naar de aarde stuurt.

Zo verschijnt Christian Rosenkreutz ons als de grote dienaar van de Christus Jezus. Maar bij het werk dat Christian Rosenkreutz in dienst van de Christus Jezus te verrichten had, moest tegelijk datgene ter hulp komen wat de Boedha als afgezant van Christian Rosenkreutz kon bijdragen aan het werk van de Christus Jezus. Zo is de ziel van Gautama Boedha weliswaar verder niet meer op de fysieke aarde, maar deze ziel is helemaal tot helper geworden van de Christus impuls. Wat klonk er omlaag als het woord van vrede op het in het Lukas-evangelie beschreven Jezuskind ? "Gloria in de hemelhoogten en vrede op aarde !" - dat klonk omlaag vanuit Boedha´s wezen; en dat klinkt, geheimzinnig van de Boedha uitgaand, vanuit de planeet van de strijd omlaag in de mensenzielen op aarde.

Maar door het feit dat dit alles gebeurde was het mogelijk dat de deling van de mensen in twee klassen vermeden werd: de deling in mensen als Franciscus van Assisi en mensen die alleen in het materialisme opgaan. Was de Boedha direct verbonden gebleven met de aarde dan had hij zich niet kunnen bekommeren om de "praktische" mensen; en de anderen had hij tot monniken zoals Franciscus van Assisi gemaakt. Door de verlossingsdaad van Gautama Boedha op Mars is het mogelijk geworden, wanneer we een keer tussen dood en nieuwe geboorte onze ontwikkeling op Mars doormaken, om aanhanger van Franciscus van Assisi te zijn zonder dat we daardoor iets aan de aarde moeten onthouden. Het klinkt misschien grotesk, maar het is wel juist dat elke mens sinds de 17de eeuw binnen de Marssfeer een tijdlang boedhist of franciscaan, een directe aanhanger van Franciscus van Assisi is.

Franciscus van Assisi is sindsdien maar één keer als kind op aarde verschenen en tijdens de kindertijd gestorven; nadien is hij niet meer geïncarneerd. Sinds die tijd is hij verbonden met de werkzaamheid van Boedha en is hij een van de meest uitmuntende aanhangers van Boedha op Mars.
[ ... ]

Een korte praktische aanwijzing

Aan deze uiteenzettingen wil ik graag nog een korte praktische beschouwing toevoegen. Wie leerling van Christian Rosenkreutz wil worden, moet op het volgende letten: vorig jaar hebben we het erover gehad hoe je onwillekeurig te weten kunt komen dat je in een bepaald verband tot Christian Rosenkreutz kunt staan. Maar je kunt ook een vraag stellen aan het lot: kan ik mij geschikt maken om leerling van Christian Rosenkreutz te worden ?

Dat kan op de volgende manier gebeuren: je probeert je het beeld voor de geest te halen van de grote leraar van de moderne tijd, Christian Rosenkreutz temidden van zijn twaalf, de Gautama Boedha wegzendend het heelal in, in het begin van de 17de eeuw, consequent datgene vervullend wat ongeveer in de zesde eeuw v.C. is gebeurd door de prediking in Benares.

Als dit beeld ons in heel zijn betekenis voor de geest staat, als we voelen hoe van dit beeld dat een verpletterende indruk maakt, iets zodanig uitgaat dat zich aan de ziel de volgende woorden ontworstelen: o mens, gij zijt niet alleen maar iets aards, gij zijt een kosmisch wezen ! - dan mag je gerust geloven: ik kan een leerling worden die ernaar streeft Christian Rosenkreutz te volgen.

Dit beeld, dat de verhouding van Christian Rosenkreutz tot Gautama Boedha schildert, is belangrijke stof tot meditatie. Dat wilde ik in uw ziel tot leven wekken als een uit deze beschouwing voortkomend streven. Want we moeten steeds voor ogen houden:

we moeten interesse hebben voor het bestuderen van de wereld, maar vervolgens daaruit de middelen halen waardoor wij zelf onze ontwikkeling naar de hogere werelden ter hand kunnen nemen."





*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Een verklaring voor het niet aflatend oorlogsgeweld ...

... gaf Rudolf Steiner in 1917 (in GA 177).
De eerste wereldoorlog verschilde van alle voorgaande oorlog doordat er op een schaal gemoord werd die tot dan toe ongekend was. Men kan daarvoor vele oorzaken vinden in de zichtbare wereld: wapentechniek, de organisatie van de massa, de nationale staten enz. Maar al deze uiterlijke oorzaken zijn maar deelaspecten van een bepaalde geesteshouding. Rechtstreeks heeft bvb. ook de opwarming van de atmosfeer niets met het menselijk bewustzijn te maken, maar onrechtstreeks is het de brutale en verspillende manier om met de natuur om te gaan die de klimaatsverandering mee veroorzaakt. Op dezelfde manier worden oorlogen en geweld veroorzaakt door het menselijk -materialistisch- bewustzijn.
Wat Rudolf Steiner uitsprak in 1917 gaat in onze tijd nog altijd op, nog honderd keer meer zelfs.

[ ... ] "Laat die mensen maar praten die geloven dat er nu een oorlog geweest is zoals vroegere oorlogen, en dat er nu vrede gaat gesloten worden zoals er vroeger vrede gesloten werd; laat die mensen maar in hun geloof. Dat zijn mensen die houden van maja, dat zijn de mensen die waarheid en begoocheling niet kunnen uiteen houden. Laat die mensen zelfs een of andere schijnvrede sluiten: orde zal uit de chaos die tegenwoordig door de wereld trekt niet ontstaan tenzij de mensen een begin maken met het aanvaarden van een geesteswetenschappelijk standpunt.

En als in uw hart het gevoel zegt: dan zal het nog lang duren, dan zal er niet vlug orde komen - omdat u misschien gelooft dat de mensen er niet toe te brengen zijn om een geesteswetenschappelijke dageraad te laten ontwaken - dan zult u gelijk hebben. Wees er dan ook maar van overtuigd dat uit de huidige chaos nog lange tijd geen nieuwe orde zal ontstaan, want een nieuwe orde zal er niet eerder komen dan dat een geesteswetenschappelijke gezinning de menselijke harten doordringt. Al de rest zal schijn zijn, al het overige zal schijnbare rust zijn, want orde zal uit deze chaos pas ontstaan wanneer men zal begrijpen waaruit deze chaos ontstaan is.

Hij is ontstaan wegens een ongeestelijke opvatting van de werkelijkheid - ja, een on-geestelijke opvatting van de werkelijkheid. De geestelijke wereld laat men niet ongestraft links liggen. Men kan geloven dat men de geestelijke wereld ongestraft kan ignoreren; men kan geloven dat men in de wereld terecht komt met begrippen en voorstellingen die alleen maar aan de zintuiglijke wereld ontleend zijn; men kan dat geloven, en het is het algemeen geloof van de tegenwoordige mensheid. Maar waar is het niet. Neen ! De grootste dwaling die de mensheid ooit heeft gekoesterd, dat is -om het even triviaal uit te drukken- dat de geesten het zich laten welgevallen wanneer ze veronachtzaamd worden.

Beschouwt u dat voor mijn part maar als egoïsme, als een zelfzucht vanwege de geesten, maar in de geestelijke wereld geldt een andere terminologie dan hier in de zintuiglijk-fysieke wereld. Beschouwt u het dus voor mijn part maar als een egoïsme der geesten, maar de geesten wreken zich wanneer ze veronachtzaamd worden. Het is een wet, het is een dwingende wetmatigheid: de geesten wreken zich. En bij de vele karakteristieken van onze huidige tijd behoort ook: de wraak van de geesten omdat men ze zolang liet links liggen is de tegenwoordige chaos in de mensheid.

Herinnert u zich hoe vaak ik hier en op andere plaatsen gezegd heb: er bestaat een mysterieuze samenhang tussen het menselijk bewustzijn en de vernietigende krachten in het wereld-al, de ondergangskrachten van het heelal. Het is zo, die mysterieuze samenhang tussen de afbrekende krachten van het heelal en het bewustzijn, die bestaat; en wel zo, dat het ene als vervanging voor het andere enerzijds: kán dienen, - en anderzijds: moét dienen, op de volgende wijze.

Laat ons aannemen dat er een tijd was geweest, bvb. de laatste twintig of dertig jaar van de 19de eeuw, waarin de mensheid naar het geestelijke zou gestreefd hebben zoals ze nu in die periode van de 19de eeuw alleen naar materieel weten en materiële daden heeft gestreefd. Laat ons aannemen dat de mensen op het einde van de 19de eeuw naar een spiritueel beleven, naar spiritueel weten, naar spirituele daden hadden gestreefd. Wat zou het gevolg geweest zijn ? Wat zou er gebeurd zijn indien de mensen gezocht hadden om de geestelijke wereld te leren kennen en om vanuit de geestelijke wereld de fysieke wereld een karakter, een basis te geven; in plaats dat ze de laatste tientallen jaren van de 19de eeuw zuiver instinctief altijd meer en meer naar het weten gejaagd dat dan uiteindelijk zijn grote triomf vierde toen het moordtuigen kon ontwerpen; een weten dat volledig ten dienste werd gesteld om de mensheid rijker te maken aan materiële goederen ? Wat zou er gebeurd zijn indien de mensheid ernaar gestreefd had om spiritueel weten, spirituele impulsen voor het sociale leven te verkrijgen ?

Dat zou een afkoopsom geweest zijn voor de krachten der vernieling !

De mensen zouden wakkerder geweest zijn en de laatste tientallen jaren van de 19de eeuw niet verslapen hebben. De mensen zouden wakkerder geweest zijn en de eerste twintig jaar van de 20ste eeuw had niet de vernieling moeten betekenen, indien het bewustzijn sterker was geweest. Het spirituele bewustzijn moet nu eenmaal sterker zijn dan het zuiver zintuiglijk-materiele bewustzijn. Ware het spirituele bewustzijn wakkerder geweest de laatste tientallen jaren van de 19de eeuw, dan hadden er geen vernietigende krachten moeten ingrijpen in de eerste twintig jaar van de 20ste eeuw.

Het intensiefste, het indringendst -kennistheoretisch- , maar ook het wreedst neemt men dat waar wanneer men in contact treedt met vele doden die in de geestelijke wereld toegekomen zijn hetzij op het einde van de 19de eeuw, hetzij in het begin van de 20ste eeuw.

Vele zielen waren daarbij die hier op de aarde door de handel en wandel, het geloop en gejaag binnen het materiële, geen gelegenheid hadden om hun bewustzijn te wekken met spirituele impulsen. Velen zijn door de poort van de dood gegaan zonder ook maar het geringste idee te krijgen van iets dat wijst op spirituele impulsen. Was er nu hier op aarde, vooraleer deze zielen door de poort van de dood gingen, de mogelijkheid geweest om iets spiritueels in hun voorstellingen, in hun begrippen op te nemen, dan hadden ze dat kunnen meedragen door de poort van de dood. Dat zou een bezit geweest zijn dat ze na de dood goed konden gebruiken. Maar ze hebben het niet kunnen verwerven.

Wie de geestesgeschiedenis, de zogenaamde geestesgeschiedenis van de laatste tientallen jaren van de 19de eeuw en de eerste van de 20ste eeuw kent, die weet dat men toen niet meer in staat was om het woord "geest" op de juiste plaats te gebruiken; men heeft het in alle mogelijke verbanden aangewend, behalve op hetgeen werkelijk geest is. En aldus hebben de zielen niet de mogelijkheid gekregen om de geest hier te leren kennen. Ze moesten de afkoopsom betalen. Nu ze door de poort van de dood naar de geestelijke wereld gegaan zijn smachten ze, ja, waar smachten ze eigenlijk naar, deze zielen, die hier in het materialisme leefden, waar smachten ze naar ? Naar vernietigende krachten in de fysieke wereld smachten ze ! Want dat is de afkoopsom.

Deze dingen kunnen niet gevat worden met leuke begrippen. Wil men op dit gebied realiteiten leren kennen, dan moet men zich een gevoel aankweken voor wat in de Egyptische mysteriën de onverbiddelijke noodzakelijkheid werd genoemd. Hoe vreselijk het ook is, het was absoluut noodzakelijk dat er vernietiging optrad aangezien de gestorvenen een geweldige behoefte voelden tot vernietigende krachten waarin ze konden leven, nadat ze hier de afkoopsom door spirituele impulsen niet hebben kunnen opbrengen.

Er zal geen orde uit de chaos ontstaan indien de mensheid niet besluit om dergelijke zwaarwegende waarheden werkelijk in de ziel op te nemen en om dergelijke zwaarwegende waarheden in de ideeën te laten stromen die vandaag in de politiek leven. En als deze waarheden pessimistisch klinken en u bij uzelf denkt: hoe ver staat de mensheid nog af van hetgeen voor onze tijd noodzakelijk is, - dan hebt u gelijk. Maar laat dit gerechtvaardigd pessimisme voor u een innerlijke aansporing zijn, een wakker voornemen om waar u maar ook kunt, op welke plaats in het leven u ook staat, te proberen om zielen wakker te maken voor datgene waarvoor de geesteswetenschap een impuls kan geven. Vandaag is dat natuurlijk nog maar in beperkte mate mogelijk, maar men moet er echt eerlijk en oprecht naar streven om op een manier die de ene of de andere kan verstaan opmerkzaam te maken op dit concrete feit dat de moderne tijd behoeften in de gestorvenen doet ontvlammen waaraan nu tegemoet wordt gekomen met hetgeen de levenden tegenwoordig tot hun ontzetting meemaken.

Als men bedenkt hoe gemakkelijk velen het zich maken die voor hun medemens vanuit een of ander oogpunt schilderen hoe het gebied eruit ziet dat de mens betreedt na zijn dood, als men de zalvende preken hoort - en tegenwoordig wordt het voorbeeld van de kanselpredikers al gevolgd door de politici - met hun simpele voorstellingen over de geestelijke wereld, dan moet men er wel een begrip van krijgen hoever de gemakkelijke ijdeltuiterij van leidende persoonlijkheden van deze tijd verwijderd is van de realiteit. Wanneer men de uitlatingen van dergelijke leidende persoonlijkheden -die in hun leven echter juist uitmunten doordat ze van leiden niet de minste kaas gegeten hebben en doordat ze zich door alle mogelijke krachten waarvan ze zich niet bewust zijn laten leiden, behalve door de juiste- wanneer men hun uitlatingen vergelijkt met datgene wat voor onze tijd écht noodzakelijk is, dan ziet men hoe ernstig, hoe oneindig ernstig de tijd is." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Het hoger bewustzijn

Met ons gewone bewustzijn nemen we kennis van de wereld rondom ons en ook van onze eigen binnenwereld. We kunnen dit bewustzijn uitbreiden. Hoe moeten we dit aanpakken ?

Dat legt Rudolf Steiner uit in GA 10 "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" , één van zijn basiswerken. Het verscheen voor het eerst in 1909. Iemand die vroeger het pad van de geestelijke scholing wilde volgen, had een persoonlijke leraar nodig, een goeroe. In onze tijd is dat niet meer nodig en ook niet meer mogelijk: de mens van deze tijd is niet meer in staat om de hoge graad van vertrouwen op te brengen die zo'n persoonlijke begeleiding pas echt vruchtbaar kan maken. Daarom schreef Rudolf Steiner "Hoe verkrijgt men ... ". Het is een boek dat ook nuttig is voor wie zelf helemaal niet wil helderziend worden: het bevat een schat aan levenswijsheid.

We drukken hieronder enkele korte uittreksels af. De aanleiding daartoe is het merkwaardig gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk ( uit "Verworvenheden", 1927 ).


[ ... ] "Iets bereiken kan men alleen door zich telkens en telkens weer aan een zeer bepaalde gedachte over te geven en zich die geheel eigen te maken. Deze gedachte is de volgende: "Ik moet weliswaar alles doen voor de ontwikkeling van mijn ziel en geest; maar ik zal wachten tot ik door hogere machten een bepaalde Verlichting waardig bevonden zal zijn."

Wordt deze gedachte in de mens zo sterk dat zij zich tot karaktertrek begint te vormen, dan is men op de goede weg. Deze karaktertrek spreekt dan reeds door het uiterlijk. De blik wordt rustig, de mens verkrijgt zekerheid in zijn bewegingen, vastberadenheid; en alles wat men zenuwachtigheid noemt verdwijnt gaandeweg." [ ... ]

De kleine wachter spreekt:
[ ... ] " Wanneer gij mijn Drempel overschreden hebt, zal ik als een voor u zichtbare gedaante geen ogenblik meer van uw zijde wijken. Als gij in het vervolg verkeerd handelt of denkt, zult gij terstond uw schuld aan mijn gestalte waarnemen als een lelijke demonische misvorming. Pas als al uw verkeerdheden van voorheen zijn goedgemaakt en gij uzelf zo hebt gezuiverd dat het u onmogelijk is om kwaad te bedrijven, zal mijn wezen herschapen zijn in stralende schoonheid. En dan zal ik weder één met u kunnen worden, uw verdere arbeid tot heil.

[ ... ] Zo sta ik thans zichtbaar vóór u, zoals ik onzichtbaar steeds in uw stervensuur naast u stond. Eenmaal over mijn Drempel geschreden, zult gij ingaan in de gewesten, die gij vroeger betreden hebt na de fysieke dood. Nu betreedt gij ze met uw volle bewustzijn en zult voortaan, uiterlijk zichtbaar op aarde zijnd, tegelijkertijd in het rijk van de Dood - dat is in het rijk van het eeuwige Leven verwijlen. Ik ben in waarheid ook de doodsengel; maar zie, ik ben tevens de brenger van een onvergankelijk hoger leven. [ ... ].

.

DE AFGEZANT

Als uit een nevel scheen hij aangedreven
en was zelf als een nevel grijs,
toen ik hem vond zittend in avondschemer
bij mijn haardvuur. Mild leek hij en wijs,

niet blij en ook niet droef maar gelaten.
Een zweem van een glimlach plooide zijn mond
toen hij zei: 'nu zal ik u niet meer verlaten
tot de Meester zelf verschijnt, die mij zond.'

'Wie is uw meester', vroeg 'k. De naam verstierf
onhoorbaar maar ik zag zijn grijze lippen
't woord vormen dat zij niet lieten ontglippen
en 'k voelde hoe mijn blik van hem wegzwierf

naar een groot're dan hij. Zacht vroeg 'k: 'Wanneer
komt de Meester ?' - Ik zag zijn handen maken
het gebaar dat betekent: 'deze zaken
zijn mij niet bekend'. Toen was alles weer

'lijk het geweest was, enkel dacht ik dat
zo hij in één ding mij wilde inwijden,
ik in vrede den hogen Meester beiden
zou die hem zond. En daarom bad

ik tot hem: 'vriend, zo ge mijn vriend wilt wezen,
zeg mij dan dit ene, o zeg mij:
wat kan ik doen om hem te wachten, vrij
van angst en te zien nad'ren zonder vrezen ?

Vele', als zij denken dat hij komen gaat,
sluiten hun ogen en stoppen hun oren
stijf dicht om zijn vleugelslag niet te horen
maar ik zou willen wachten, het gelaat

hem toegewend, kalm gelijk dat betaamt,
vol eerbied en vol schroom en vol vertrouwen.'
Toen sloeg 'k mijn blik neer en hoorde beschaamd
zijn effen stem deze waarheid m' ontvouwen:

'Zuiver uw huis van alle ijdelheden ;
wat ijdel is kan voor hem niet bestaan ;
laat een hoge wind door uw kaam'ren gaan
en ge zult hem zien naderen in vrede.'


Voor de jongere lezers: 'beiden' in de vijfde strofe betekent afwachten of verwachten (in 't Engels 'to (a)bide ).

Terug naar Poëzie.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Ik wil niet meer reïncarneren !


Wanneer men met mensen over karma en reïncarnatie praat, dan valt het soms voor dat iemand er wel kan inkomen dat zoiets bestaat. Maar als de betreffende persoon in dit leven een behoorlijke portie miserie heeft moeten incasseren, dan kan hem iedere lust tot een herhaling van zo'n leedvol bestaan vergaan. Met zijn verstand kan hij de logica van karma en reïncarnatie begrijpen, maar met zijn gevoel begrijpt hij niet dat hij al de ongelukken en de smart die hij moest doormaken zelf gewild, voor een deel zelf veroorzaakt heeft.

Zelfs antroposofen -de meeste worden door het lot evenmin gespaard- durven zich wel eens op hun vrijheid beroepen om niet meer terug te hoeven incarneren. Na hun dood zullen ze wel anders piepen, zegt Rudolf Steiner.

In GA 235 komt eventjes de psychoanalyse ter sprake:


[ ... ]
"Ziet u, de psychoanalyse brengt dikwijls werkelijk mooie vruchten van een moerascultuur voort, onder andere bijvoorbeeld -u kunt het tegenwoordig overal lezen- dat in 't geheim, in het onderbewuste, iedere zoon verliefd is op zijn moeder of iedere dochter verliefd op haar vader, en dat vandaar levensconflicten ontstaan in de onderbewuste gebieden der ziel.

Nu, dat zijn natuurlijk allemaal dilettantische levensbeschouwingen. Wat echter wel waar is, is dat de mens, reeds voor hij neerdaalt naar een aards bestaan, verliefd is op zijn ouders, hij daalt af tot hen omdat ze hem bevallen. Nu moeten we natuurlijk een onderscheid maken tussen het oordeel dat we hier op aarde hebben over het leven, en het oordeel dat we hebben tussen dood en nieuwe geboorte, in ons buitenaards leven.

In het begin van de antroposofische beweging was er een dame, die hoorde over wedergeboorte en verklaarde: nee, al het andere van de antroposofie, dat beviel haar, maar verschillende aardelevens, die wou zij niet meemaken, zij had genoeg aan één leven, meerdere aardelevens wilde zij niet meemaken - Nu, er waren toen ook al zeer welwillende aanhangers, die probeerden haar op alle mogelijke manieren uit te leggen dat het toch een correct inzicht was en dat iedere mens nu eenmaal die verschillende aardelevens moet meemaken. Alles tevergeefs, hoewel de ene haar zus, de andere haar zo probeerde te overtuigen.

Ze is dan op reis gegaan. Na twee dagen heeft ze mij dan nog een postkaart geschreven: ze wilde onder geen beding nog een keer op aarde geboren worden !

In zo'n geval moet hij die eenvoudigweg de waarheid vanuit de geestelijke wereld te vertellen heeft, het volgende tot de mensen spreken: zeker, het kan best zijn dat u, terwijl u hier op aarde verblijft, helemaal geen lust meer hebt om nog eens terug te komen. Maar daar komt het niet op aan. Na uw verblijf op aarde gaat u door de poort van de dood naar de geestelijke wereld. Dat wilt u. Of u terug zult neerdalen, dat hangt van het oordeel af dat u zich vormt als u geen lichaam meer hebt. En dan zult u zich wel een ander oordeel vormen.

Oordelen verschillen namelijk, afhankelijk of de mens hier in het fysieke bestaan leeft, of hij zich bevindt tussen dood en een nieuwe geboorte. Ieder gezichtspunt verandert daar.

En zo is het ook. Wanneer u nu aan een mens, een jonge mens hier op aarde zegt dat hij zijn eigen vader gekozen heeft, dan zou hij eventueel kunnen repliceren: "Wat ? Een vader die mij zo afgeranseld heeft, en die zou ik mij zelf uitgekozen hebben ? - Hij heeft hem effectief gekozen omdat hij een ander gezichtspunt had vooraleer naar de aarde af te dalen. Daar was hij namelijk van oordeel dat die rammel voor hem zeer goed zou doen. (Er wordt gelachen)

Dat is absoluut niet om te lachen, het is in alle ernst dat dit gezegd wordt". [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .