De Brug 3
maart 1994

Het aangezicht openbaart de mens

door Jan Vermeir

Inleiding

Rudolf Steiner heeft de drie vermogens van de mensenziel -denken, voelen en willen- in verband gebracht met bepaalde lichaamsfuncties : - Het denken staat in verband met het "zenuw-zintuigstelsel" ; door middel van onze zintuigen doen wij immers waarnemingen, die via de zenuwbanen naar de hersenen gestuurd worden en daar verwerkt worden tot voorstellingen en gedachten.
- Het voelen hangt samen met het "ritmisch stelsel", dat wat te maken heeft met ademhaling,hartslag, bloedsomloop. Gevoelens (bvb. angst, opwinding) beïnvloeden onze ademhaling en hartslag. Het is dus terecht als men zegt dat de gevoelens uit het hart, het centrum van het ritmisch stelsel, komen.
- Het derde zielsvermogen, de wil, staat in directe verbinding met het "stofwisselings- en ledematenstelsel" : de spijsverteringsorganen zorgen in grote mate voor de stofwisseling die rechtstreeks onze wilsactiviteit beïnvloedt, en deze wilsactiviteit komt vooral tot uiting in de bewegingsimpulsen van de ledematen.
Aldus wordt in de antroposofie gesproken over het drieledige verband tussen lichaam en ziel :

- het denkend element: het hoofd
- het voelend element: de borst
- het wilselement: het onderste lichaamsgedeelte en de ledematen.

Niemand zal ontkennen dat denken, voelen en willen het uiterlijk voorkomen van de mens kunnen beïnvloeden. Deze drie componenten van de ziel manifesteren zich in het uiterlijk van de mens, niet alleen d.m.v. bewegingen. mimiek e.d., maar door hun werking en innerlijke kracht kunnen zij zelfs grondige veranderingen teweegbrengen in de fysieke opbouw en vormgeving van het lichaam (vooral wat betreft het aangezicht).

Een Duits antroposofisch arts, Norbert Glas, wijdde een groot deel van zijn leven aan waarnemingen en onderzoekingen betreffende deze materie, en zijn bevindingen heeft hij in een aantal geschriften gepubliceerd. Hierna (in de volgende nummers wordt dit voortgezet) volgt een uiteenzetting over een aantal van deze bevindingen.

Hoewel het hoofd in zijn geheel wordt beschouwd als de zetel van het denkvermogen, kan het eveneens in een denk-, gevoels- en wilsgebied onderverdeeld worden.

Aan het aangezicht valt onmiddellijk op dat het drieledig opgebouwd is :
- het voorhoofd dat het eigenlijke denkcentrum is (zenuwstelsel),
- het middengedeelte met als middelpunt de neus (ademhaling, ritmisch stelsel), dat het gevoelselement uitbeeldt,
- het onderste gedeelte met de mond als centrum (eten, stofwisselingsgebied) dat het wilselement voorstelt.

Het denkgebied reikt van de haaraanzet tot de neuswortel, het gevoelsgebied vanaf de neuswortel tot het onderste van de neus, het wilsgebied van vlak onder de neus tot het onderste van de kin. Wanneer deze drie gebieden ongeveer dezefde lengte hebben kan men stellen dat voelen, denken en willen zich over het algemeen harmonisch tot elkaar verhouden (afb. 1).

Een hoog voorhoofd duidt op een sterk ontwikkeld denkvermogen. Wanneer het middendeel van het gelaat groter is dan de andere twee delen, dan primeert het gevoel; opvallend in dit verband is de uitgesproken neusomvang van vele musici en andere kunstenaars. Een sterk uitgebouwde mond- en kinpartij treft men bij vele mensen aan (cholerisch kenmerk* ). Deze mensen zijn wilstypen; zij hebben de drang om steeds tot daden over te gaan.

De fysionomie van het aangezicht wijzigt voortdurend in de loop van het leven. Vergelijkt men een persoon op zijn zestigste met hoe hij was op zijn twintigste, dan merkt men dat het uitzicht van het voorhoofd, de blik van de ogen, de bouw van de neus en mond grondige veranderingen ondergaan hebben.

Het oor

Een uitzondering hierop is het oor. Het oor is het enige gedeelte van het hoofd dat vanaf de geboorte zijn definitieve vorm heeft. Aan de plaats waar de oren zich aan het hoofd bevinden, kan men reeds vermoeden dat zij niet echt actief aan het leven deelnemen. Zij kijken a.h.w. toe (of liever: luisteren) vanaf de zijlijn, terwijl het aangezicht in het midden van het leven staat, en door het leven getekend wordt. Volgens Norbert Glas moet de vorm van het oor beschouwd worden als een totaalbeeld van de voorbije aardelevens die een mens heeft doorgemaakt: wat iemand aan vaardigheden en gebreken uit de voorbije levens meebrengt in dit leven, openbaart zich in de bouw van het oor.

Norbert Glas gaat uit van een ideale oorvorm. Hij vestigt er nochtans de aandacht op dat de oren van elke mens afwijken van deze ideale vorm.

De stand van de oren

De verticale stand van het oor moet min of meer parallel lopen aan de lijn die men kan trekken van het voorhoofd tot de neusspits (afb. 1,A en B). Oren die te schuin naar achteren staan, zodat de evenwijdigheid verbroken is, zouden wijzen op de neiging om de eigen intellectuele capaciteiten te overschatten, of op overdreven fantasie die neigt naar fantasterij.

Van groot belang is dat de oren op dezelfde hoogte van de neus staan (afb. 1, vak b). Een te lage oorstand verraadt een te sterke verbinding met de aardekrachten, met de materie. Een te hoge stand wijst op een te losse verbinding met de aardse realiteit (dromerij, theoretische gedachten zonder grond van werkelijkheid). Belangrijk is ook dat de oren niet te ver van het hoofd staan. Mensen met afstaande oren hebben het moeilijk om de vormkrachten -de krachten die het lichaam vorm geven- op de gepaste wijze aan te wenden. Hun geestelijk wezen stuit op moeilijkheden om de woekeringen van het fysieke materiaal onder controle te krijgen. Niet zelden treft men bij kinderen met afstaande oren nog andere symptomen aan die wijzen op zwakke vormkrachten (opgezette amandelen, verkromming van de wervelkolom, platvoeten...)

De vorm van de oren

Ook het oor wordt onderverdeeld in een denkgebied (afb. 2,1), een gevoelsgebied (afb. 2,2) en een wilsgebied (afb. 2,3).
De oorlijst (helix), behorend tot het denkgebied, kan opgesplitst worden in drie delen :

(2,a) = vormkracht, oprichtingskracht. Het kind gebruikt deze krachten om zijn lichaam te vormen en zich op te richten. Wanneer het lichaam gevormd is (rond het zevende jaar), komen deze krachten vrij en worden zij omgevormd tot waarnemingskrachten.
(2,b) = denkkrachten: de waarnemingen worden overdacht.
(2,c) = spraakvermogen: het uitdrukken van de gedachten.

Een goed geproportioneerde oorlijst heeft een gelijkmatige ovale ronding en de naar binnen gekrulde rand blijf een beetje open. Is het achterste deel van de oorlijst (2,a) naar verhouding te dik en te week, dan wijst dit op te zwakke vormkrachten.

Te zwakke vormkrachten verhinderen een stevige opbouw van het organisme en vertragen bij kinderen het vermogen om zich te leren oprichten en te leren lopen; ook innerlijk wordt onvoldoende levendigheid opgewekt zodat de reacties eerder traag verlopen. Het organisme blijft hangen in het waterige element (flegmatische type). De tegenovergestelde toestand bewerkt dat de vomkrachten te sterk inwerken op het organisme (melancholisch type), en dit leidt in de meeste gevallen tot reumatische toestanden en aderverkalking. Het overeenstemmende deel van het oor is dan te dun en krult zich naar buiten.

In het bovenste deel van de oorlijst (2,b) drukt zich het denkvermogen uit, zowel het fantasievolle denken als het denken in klare begrippen. Een geometrische, halfcirkelvormige ronding van dit deel wijst op een gezond denken; een spits naar boven toe verlopende vorm verraadt een te fantasierijke denkwijze die kan ontaarden in onwaarachtigheid en leugenachtigheid; een afvlakking van dit deel wijst op zwakke of oppervlakkige gedachten. Het derde gebied (2,c) van de oorlijst heeft betrekking op het spraakvermogen, en hoe regelmatiger de ovale ronding verloopt, hoe vlotter het spreken tot stand komt. Een onderbreking of een knak in deze ovale ronding duidt op een fysisch spraakgebrek of op een innerlijk onvermogen om de gedachten in woorden om te zetten. Op deze wijze vormen de delen van de oorlijst één geheel : de vormkracht die tot waarneming wordt, de waarneming die overdacht wordt, en de gedachten die uitgesproken worden.

Het middendeel van het oor bestaat uit de antihelix en uit de eigenlijke oorholte (afb. 2,2). Dit deel heeft betrekking op het ritmisch systeem van de mens, dat zich afspeelt in de ademhaling en in de bloedcirculatie. De vorm van de oorholte vertoont trouwens opmerkelijk veel gelijkenis met de vorm van het menselijk hart, terwijl de twee benen van de antihelix kunnen beschouwd worden als een afbeelding van de twee longvleugels. Het middengedeelte, het gevoelsgebied, verbindt zich naar boven toe met het denkgebied, en naar onderen toe met het wilsgebied : de beide benen van de antihelix streven naar omhoog, naar een "voelend denken", en de oorholte streeft naar beneden, naar een "voelend willen".

Een goed gebouwde antihelix moet een regelmatige draaiing vertonen, de benen mogen niet te vlak of te smal zijn en zij moeten in een harmonische vork in de oorlijst uitmonden.

Een afwijking hiervan doet vermoeden dat het organisme niet op de juiste manier doorademd wordt. Een afvlakking van het been dat uitmondt in het denkgebied van de oorlijst (2,b) kan betekenen dat de gedachten droog en abstract zijn, niet van gevoel doortrokken zijn. Een geringe ontwikkeling van het been eindigend in het spraakgebied van de oorlijst (2,c) wijst op een spraakgebrek.

Vervolgens is er de oorholte. Deze moet een voldoende diepte hebben en aan de buitenzijde een ongebroken ronding die ongeveer een derde van een cirkelomtrek uitmaakt. Zo'n vorm wijst op een sterke, gezonde gemoedsstemming, op een goede bloedcirculatie en op een sterk hart.

Ook hier treft men uiteraard afwijkingen aan. Zo kan de uitbochting van de ronding zo hevig zijn dat de antihelix weggedrongen wordt; deze onregelmatigheid treft men dikwijls bij mensen aan die te sterk in hun gemoed leven of te zeer in zichzelf teruggetrokken zijn.

Het onderste deel van het oor bestaat uit twee kraakbeenachtige uitsprongen (tragus en antitragus) met daartussen een uitsnijding (incisura intertragica) en een oorlel. Dit deel is veel vleziger dan de rest van het oor; het heeft dan ook met de stofwisseling te maken.

Het midden van het oor houdt verband met het gevoelsvermogen, en het onderste gedeelte met het wilsvermogen, en uit de bouw van tragus en antitragus die grenzen aan het oormidden kan men afleiden hoe de verhouding is tussen beide vermogens. Ook hier geldt een harmonische bouw als ideaalvorm : de insnijding mag niet te nauw en niet te wijd zijn, m.a.w. tragus en antitragus mogen niet te ver uit elkaar staan.

Een te nauwe aansluiting van tragus en antitragus snijdt de verbinding met het middenoor af, zodat er geen samenwerking is tussen wil en gevoel; de gevoelsimpulsen kunnen zich niet in daden omzetten, of het ontbreekt de daden die door de wil tot stand komen, aan de bezieling van het gevoel. Het tegenovergestelde, nl. dat de tragus en antitragus te ver uit elkaar staan, komt veelvuldig voor; in dat geval is de grens tussen het gevoelsgebied en het wilsgebied vervaagd : voelen en willen grijpen willekeurig in elkaar in en kunnen elkaar niet beheersen en controleren (sanguïnisch type).

Het wilsleven heeft zijn voedingsbodem in de stofwisseling, die zich duidelijk in de oorlellen afspiegelt. De oorlel is dan ook het deel van het oor dat voornamelijk met de wil samenhangt. De ronde oorlel die in grootte ongeveer een vierde van het ganse oor beslaat, is de ideale vorm. Mensen zonder of met kleine oorlellen worden geboren met en zwakke wil.

Er bestaan verschillende vormen van oorlellen. Zo bvb. de oorlel die spits naar onder toeloopt. Deze vorm duidt op een instinctieve wilskracht, nl. de sexuele drift of voortplantingskracht; in die optiek kan het dragen van oorbellen opgevat worden als een symbool voor de wil tot voortplanting.

En tenslotte is er nog een andere vorm die enige aandacht verdient, nl. de brede, vierkantige oorlellen. Mensen met dergelijke oorlellen vindt men dikwijls onder de doordrijvers, de echte wilsmensen (cholerisch type).

Toegevoegd op 23-11-2001, uit Het Laatste Nieuws van 15-11-2001:

Buitenland nu al geïnteresseerd in Belgische ooridentificatie

Kurt WERTELAERS

BRUSSEL- Honderden Belgen kunnen mee aan de basis liggen van een doorbraak in het onderzoek naar slachtofferidentificatie. Politiecommissaris Joan De Winne, leider van het Disaster Victim Identification Team, vermoedt dat hij en zijn team een nieuwe methode hebben gevonden om mensen te identificeren via hun oren. Maar hij zoekt nog tal van vrijwilligers die willen meewerken aan de studie. "We gaan ervan uit dat elk oor uniek is», aldus De Winne. "En dat we enkel aan de hand van een oor een naam kunnen plakken op een onbekende." Nooit eerder werd dit uitgeprobeerd. De rest van de politiewereld wacht nu al vol spanning af.

"Oorbiometrie moet soelaas bieden waar andere identificatietechnieken falen", zegt De Winne. "We kunnen op dit moment al slachtoffers identificeren aan de hand van kledij, tatoeages, vingerafdrukken, littekens of moedervlekken. En zelfs aan de hand van tanden of vroegere operaties. Maar soms is dat allemaal niet meer mogelijk. Met de treinramp in Pécrot, enkele maanden geleden, vonden we een stuk hoofdhuid. Met enkel nog een oor aan."

"Oorbiometrie zou ons toelaten om dat oor te gaan opmeten. En te vergelijken. Want een oor is uniek. We hebben dat al intern, binnen ons team, getest. Succesvol. Maar om de studie te staven, hebben we heel wat vrijwilligers nodig."

Als je toch vergelijkingsmateriaal nodig hebt, kan je toch evengoed een DNA-staal nemen?

"Een DNA-analyse duurt véél langer, soms weken of maanden, en kost enorm veel geld. Oorbiometrie, simpel uitgedrukt, is een foto nemen, afmeten, een beetje wiskunde, en wat vergelijken. Een halfuurtje werk en stukken goedkoper."

Kan oorbiometrie altijd gebruikt worden?

"Afgezien van branden, eigenlijk wel. Bij grote treinrampen, als die in Pécrot, bijvoorbeeld. Of vliegtuigcrashes... Heel vaak vinden we hooguit nog uit elkaar gerukte lichaamsdelen of fragmentjes terug. Oorbiometrie moet in de eerste plaats dienen om slachtoffers te identificeren. Later zal blijken of we er ook criminelen mee kunnen pakken. Oorafdrukken worden al gebruikt in politie-onderzoeken. Maar dat is een heel andere techniek."

Wat moeten de vrijwilligers doen ?

"Als ze zich inschrijven, nodigen we hen uit voor een eerste gesprek. We gaan dan foto's van de oren nemen. Dat duurt allemaal niet lang. En dan vergelijken we. Met wat precies, houden we bewust geheim. Want we zouden niet willen dat er mensen zijn die vrezen dat ze niet mógen meedoen en dus afhaken. Het moet zo representatief mogelijk blijven. Vandaar ook dat we zo'n massale oproep doen. We zoeken mannen en vrouwen van alle leeftijden. En tweelingen en zo. Want zelfs bij tweelingen zijn de oren verschillend."

Wie wil meewerken aan de studie, kan zijn naam en adres via e-mail sturen naar dvibelgium@freegates.be

De gemaakte foto's worden voor geen enkel ander doel dan het onderzoek gebruikt. Vrijwilligers krijgen een aandenken.

Joan De Winne: "Elk oor is uniek. Daarmee hopen we de identiteit van slachtoffers te achterhalen."


Het aangezicht openbaart de mens - deel twee

Deze artikelreeks is gebaseerd op een studie die Nobert Glas, een Duits arts en antroposoof, gemaakt heeft in verband met de vorm van het aanzicht. Deze studie, geheel in de lijn van de antroposofie, wil aantonen dat het innerlijk van de mens zich weerspiegelt in het uitzicht, in de fysionomie van het aangezicht.
Deze fysionomie van het aangezicht is gegrondvest op de drieledige structuur van de mens, zowel lichamelijk als geestelijk:

- het denken (voorhoofd) is verbonden met het zenuw- zintuigstelsel
- het voelen (neus) is verbonden met het ritmisch stelsel (ademhaling en bloedsomloop)
- de wil (mond) hangt samen met de stofwisseling.

De vorige keer werd het oor behandeld; nu komen de schedel met het voorhoofd en de neus aan bod.

De schedel

Het hoofd, voorzover daarmee de hersenen en de schedel bedoeld wordt, is het centrum van het menselijk denken. Aan het voorhoofd zijn vormkrachten werkzaam die dit enerzijds willen samentrekken en anderzijds laten uitdijen.

Het bovenste deel van het voorhoofd welft naar boven en streeft een kosmische vorm na; hierin drukt zich symbolisch het beeldend voorstellingsvermogen uit, in tegenstelling tot het abstracte denken. Onderaan trekt het voorhoofd zich samen omdat dit deel in zijn bouw sterk beïnvloed wordt door de oogkassen. Nu zijn de ogen de belangrijkste zintuigen voor het waarnemen van de fysieke wereld, en zo drukt zich in het onderste voorhoofdsgedeelte dat soort denken uit, dat met het aardse, met het waarneembare te maken heeft. Over het algemeen primeert bij de vrouw het beeldende, fantasievolle denken, tegenover het logisch-abstracte denken van de man. Beeldend denken reikt naar het kosmische, abstract denken trekt zich samen in het fysieke. In het verschil in opbouw tussen het vrouwelijk en het mannelijk voorhoofd is dit waar te nemen: het voorhoofd van de vrouw zal eerder een schoon gewelfde vorm vertonen, terwijl dat van de man onderaan compacter en meer uitgesproken is.

Rudolf Steiner zegt hierover:

" De vrouw leeft zich niet zo diep in het materiële in, ze houdt haar lichamelijkheid weker. Ze distantieert zich niet zo ver van het geestelijke. Het is karakteristiek voor de vrouw dat ze veel meer spiritualiteit behoudt en daardoor zich minder met de materie bezighoudt en vooral haar hersenen soepeler houdt ... De mannelijke natuur is minder buigzaam, harder, materiëler. Nu zijn stroeve hersenen vooral geschikt als instrument voor het intellectuele, minder voor het psychische. Het intellectuele heeft nl. veel meer met de fysieke wereld te maken. Wat men het intellectuele van de man kan noemen, komt van zijn stijvere, stevige hersenen. "

Welk aandeel heeft nu het middenhoofd in het denksysteem?

Het denken wordt nog door andere zielsprocessen begeleid: gevoelens zoals moed, angst, opwinding of verveling kunnen zeer snel vanuit het onderbewustzijn aan de oppervlakt treden en het denken beïnvloeden. Fysionomisch drukken die gevoelsimpulsen zich uit in de omgeving van de slapen; het gevoelsleven staat in nauw verband met het bloed en de ademhaling, en aan het opzwellen van de aders aan de slapen kan men merken wanneer iemand zich door zijn gevoel laat overweldigen.

De vorm van het middenhoofd in de omgeving van de slapen kan inzicht geven hoe denken en voelen zich tot elkaar verhouden. Een evenwichtige bouw, d.w.z. wanneer de slapen niet te breed uitwijken of niet te nauw bij elkaar staan, getuigt van harmonie tussen denken en voelen.

Breed uitwijkende slapen treft men aan bij mensen die hun denken te vlug en te hevig door hun gevoelsimpulsen laten overweldigen. Voor het cholerische temperament is deze vorm zeer karakteristiek, maar ook voor menig flegmaticus die zijn gedachtengang in een gezapige gelijkmoedigheid laat drijven.
Ingedrukte of te nauw bij elkaar liggende slapen kunnen een aanwijzing zijn dat het gedachtenleven droog en abstract is, zonder enige gevoelsinhoud. Ook wanneer de gedachten ten gevolge van een zekere gevoelszwaarte hun natuurlijke bezieling verliezen, wordt een dergelijke vorm vaak aangetroffen (melancholisch type).

Een bijzondere eigenschap van de mens is dat hij vanuit een bewuste voorstelling in staat is om tot handelen over te gaan; dieren daarentegen reageren vanuit instinctieve impulsen. Hoe meer de mens zijn denken beheerst, des te meer zal hij ondervinden dat samen met dit denken een gecontroleerde wilsimpuls tot stand komt.

Hoe de wil het denken begeleidt komt tot uiting in de bouw van het achterhoofd. Enerzijds is er het sterk naar achter gewelfde achterhoofd (afb. 1), een vorm die laat vermoeden dat het denken in staat is om de wil te beheersen. Anderzijds is er het achterhoofd dat rechtlijnig doorloopt tot de hals, de zgn. stierenek (afb. 2), kenmerkend voor mensen die hun wilsimpulsen de vrije loop laten zonder na te denken.

De neus

Terwijl de oren al vanaf de geboorte en de schedel vanaf ongeveer twee jaar (wanneer de fontanellen gesloten zijn) hun definitieve vorm hebben, duurt het veel langer vóór de vorm van de neus vastligt. De neus krijgt een ander uitzicht naarmate het gevoelsleven van het kind tot ontplooiing komt, vooral rond de puberteit, en men kan stellen dat de neus zijn uiteindelijke vorm heeft rond het twintigste jaar.

In het middengebied van het aangezicht weerspiegelen zich het ritmisch systeem van de mens (ademhaling en bloedsomloop), en zijn psychisch equivalent, het gevoelsvermogen. Centraal in dit gebied staat de neus. Bovenaan grenst de neus aan het zenuwstelsel-denkgebied, en onderaan aan het stofwisselings-wilsgebied. Daartussen ligt het eigenlijke gevoelsgebied, en Norbert Glas onderscheidt hierin en 'longdeel' en een 'hartdeel'.

De onderste helft van de neusrug noemt hij het longdeel, omdat de lucht tot het midden van de neus ingeademd wordt vooraleer naar beneden te gaan tot in de longen. De bovenste helft is het hartdeel: hier bevindt zich nl. de eigenlijke reukzin, die ons gemoed, dus ons hart in niet geringe mate beïnvloedt (welke contrasterende gevoelens worden er niet opgewekt bij het ruiken van bvb. rozen en rotte eieren !).

Norbert Glas beweert dat personen met een (te) smal of (te) kort 'hartdeel' in de neus dikwijls hartlijder zijn of een hartafwijking hebben. Psychisch kunnen zulke personen nerveus (sanguïnisch type) of overgevoelig zijn: de gevoelens kunnen immers niet op de gepaste manier naar buiten treden omdat het organisme te eng of te kort bevonden wordt. Een verdikking of vervorming aan het onderste deel van de neusrug (het 'longdeel') zou wijzen op zwakke longen.
De neus die lang en krachtig uitgebouwd is -vooral in het 'hartdeel'- duidt niet zelden op een gemoedsdiepte die ook in staat is om uit te drukken wat er in het hart leeft; dikwijls treft men bij kunstenaars een dergelijke neus aan (voorbeeld: de dichter Novalis).

Uit de vorm van de neus kan in zekere mate afgeleid worden hoe het gedachtenleven enerzijds en het wilsleven anderzijds op het menselijk gemoed inwerken.

Van bovenaf, vanuit de kracht van het zenuw-zintuigstelsel dringt het denken het gevoelsleven binnen, en het is van belang in welke mate die kracht op de neus inwerkt. Wanneer de neuswortel krachtig vanuit zijn grondlaag naar buiten gestuwd wordt, dan werken voorstellen en denken levendig op het gemoed in. Maar de plastische kracht van het zenuw-zintuigstelsel kan ook te zwak zijn, zodat de neus zich weinig profileert en zijn kinderlijke vorm blijft behouden; in dit geval schijnt het zieleleven niet in staat te zijn om klare voorstellingen en begrippen op te nemen en te verwerken.

Van onderen uit, vanuit de stofwisselingskracht, werkt het wilsleven in op het gemoed. Vooral aan de neusgaten is deze uitwerking zichtbaar. Een treffend voorbeeld hoe de stofwisselings- en hongerinstincten voortdurend op het gevoelsleven inwerken zijn de wijd opengesperde neusvleugels bij zuigelingen.
Brede neusgaten en bolle, naar buiten staande neusschelpen zijn ook karakteristiek voor cholerische types; door een overactieve lever- en galwerking -kenmerkend voor de cholericus- worden wil en daadkracht tot diep in het gevoelsleven gestuwd, waardoor deze typisch breed openstaande neus ontstaat. Galstenen en leverziekten komen dikwijls voor bij personen met zulke neusvorm, omdat de overdadige gal- en leverwerking de organen te veel belast.

Er is nog een andere vorm waarbij een uitzetting van de neusvleugels optreedt, echter niet bolvormig zoals bij het cholerisch type, maar eerder vlak en star. Bovendien worden de neushoeken hier dikwijls nog door twee diepe plooien met de mondhoeken verbonden, wat het voorkomen een verstarde en krampachtige aanblik geeft.

Deze fysionomie verraadt een duidelijke melancholische geaardheid: men maakt zich teveel zorgen, met de neiging om alles in zichzelf op te kroppen. De zielekommer kan niet geabsorbeerd worden en tast het spijsverteringsstelsel aan, vooral in de omgeving van de maag: er ontstaan zweren aan de maag en de dunne darm.

Nog een voorbeeld hoe aan de mens te merken is dat het wilsleven -in dit geval het driftleven- in het gevoel ingrijpt, is de vorm waarbij de neusvleugels zeer wijd uitgezet zijn en onderaan de neustop uitwijken, zodat de inwendige slijmhuid zichtbaar wordt. Bij sommige primitieve volkeren, waar de geslachtsfuncties nog graag tentoon gespreid worden, bestaat het gebruik om door het zgn. septum (het tussenschot binnenin de neus) een ring of een ander siervoorwerp te steken. Fysiologisch is die plaats die doorboord wordt zeer merkwaardig: daar bevinden zich nl. kleine bloedvaatjes die opzwellen tijdens de menstruatie.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Karma

Tussen onze dood en nieuwe geboorte verblijven wij in de geestelijke wereld. De duur van dat verblijf hangt af van de manier waarop we ons laatste aardeleven geleefd hebben. Hebben we ons veel met spirituele zaken bezig gehouden dan blijven we er langer, waren we erg materialistisch dan komen we vlugger terug (zie De Brug 2). Het gemiddelde is ongeveer 1000 jaar : de omstandigheden op aarde moeten voldoende veranderd zijn zodat we totaal nieuwe ervaringen kunnen opdoen (om die reden worden we ook afwisselend als man en vrouw geboren-in de regel !).

Hoe nu dat verblijf in de geestelijke wereld er zal uitzien, dat hangt eveneens af van ons voorgaand aardeleven. In de katholieke overlevering sprak men van hemel en hel, maar met deze voorstellingen kan een moderne mens niets meer aanvangen. Toch is het zo dat mens na zijn dood dienstbaar wordt aan een bepaald soort wezens, wezens die de ontwikkeling van de mensheid remmen, of wezens die de ontwikkeling van de mensheid bevorderen. Rudolf Steiner sprak erover (in GA 140). Hij legt daar ook uit dat het niet zinloos is als kinderen of jonge mensen sterven.

Gemakzucht


[...] "Iets anders dat zich voor het geestesoog van de helderziende stelt zijn de mensen die tussen hun dood en nieuwe geboorte dingen te doen hebben waar men niet erg vrolijk van wordt, tamelijk onsympathieke zaken. Wij moeten ons niet voorstellen dat we tussen dood en nieuwe geboorte niets te doen hebben. De meest verscheiden bezigheden, afhankelijk van onze bekwaamheden moeten wij verrichten. De ziener kan vaststellen dat er zielen zijn die in dienst staan van bvb. de geest die wij Ahriman noemen. Ahriman leren wij onmiddellijk kennen als een bijzondere wezenheid, eens we het land boven de fysieke wereld betreden. Alles wat in het mysteriedrama "De wachter op de drempel" voorgesteld wordt als het rijk van Ahriman en Lucifer dat zijn reële werelden. Ahriman heeft zijn opdracht. De helderziende vindt zielen die hierboven in het rijk van Ahriman ondergebracht zijn. Ze moeten Ahriman dienen. Waarom ? De ziener onderzoekt dit: waardoor zijn deze zielen veroordeeld om Ahriman te dienen ? Men komt tot in het laatste leven van deze zielen terecht en onderzoekt de meest in 't oog springende eigenschappen die deze zielen vertoonden. Men vindt dat ze aan een kwaal geleden hebben, dat ze aan een kwaal onderworpen waren, en deze kwaal is: de gemakzucht, het zich-gemakkelijk-maken.

Gemakzucht behoort tot de meest verspreide eigenschappen van de tegenwoordige mensheid. Als we vragen: hoe komt het dat de meeste mensen dit of dat níet doen ? Het is gemakzucht ! Wij kunnen de belangrijkste of de meest bijkomstige zaken van het menselijk leven bezien: gemakzucht is het, wat het ganse mensenleven doordringt. Bij het oude blijven en niet van dit oude kunnen loskomen: dat is blijven hangen in de gemakzucht. De mensen zijn niet zo slecht als men aanneemt, niet uit slechtheid hebben ze Giordano Bruno, Savonarola verbrand, Galileï behandeld zoals het gebeurd is. Het is ook niet uit slechtheid dat men grote geesten tijdens hun leven niet naar waarde wil schatten, maar uit gemakzucht ! Vooraleer mensen eens gaan anders denken, anders leren voelen, duurt het lang, en wel uit gemakzucht. Gemakzucht is een algemene, zeer verspreide eigenschap, en ze maakt ons heel geschikt om na onze dood in het leger van Ahriman ingelijfd te worden. Want Ahriman is -naast zijn andere "ambten"- de geest van de hindernissen. Overal waar zich hindernissen voordoen is Ahriman de baas. Hij remt het leven en de mensen. Zij die het zich hier gemakkelijk gemaakt hebben die helpen dan mee om alles af te remmen wat uit de bovenzinnnelijke wereld naar de fysieke wereld gestuurd wordt. Gemakzucht ketent dus de mensen in het bestaan tussen dood en nieuwe geboorte aan geesten die onder leiding van Ahriman hindernissen opwerpen."[...]


In het vorige nummer schreef Jan Vermeir in het artikel over ongeborenheid iets over het geweten. Het is zoiets als een stem uit de geestelijke wereld die helpt om ons zieleleven te regelen, die helpt bij het maken van de juiste (morele) keuzes: we zijn van plan iets te doen: kan het door de beugel of niet ? Ons geweten zegt het ons.

Nu zijn er mensen die naar deze innerlijke stem niet willen luisteren; zulke mensen noemen we gewetenloos. Gewetenloosheid belast het karma: na zijn dood kan men daardoor een dienaar worden van de geesten die ziekte en dood in de wereld brengen.

.

Gewetenloosheid

[...]"Een kind wordt geboren; de moeder sterft tijdens de bevalling, het kind is op zijn geboortedag al een halve wees. Op dezelfde dag hoort de vader dat gans zijn vermogen dat hij in een zeeschip had geïnvesteerd verloren gegaan is: hij hoort dat het schip schipbreuk heeft geleden, wordt zwaarmoedig en sterft, het kind blijft achter als wees. Het kleine meisje wordt geadopteerd door een vermogende dame. Deze heeft het meisje heel graag, en vermaakt haar fortuin aan haar. De vrouw sterft als het meisje nog jong is. Men controleert het testament, het is niet correct opgesteld, het meisje krijgt geen cent. Voor de tweede maal staat ze zonder middelen van bestaan in de wereld. Ze moet gaan werken als meid en vuile karweitjes opknappen. Ze wordt verliefd op een man, maar door de vooroordelen in de maatschappij -ze hebben een verschillend geloof- kunnen ze niet trouwen. De man ziet het meisje heel graag. Hij belooft dat hij tot haar geloof zal overgaan eens zijn vader, die al zeer oud is, gestorven zal zijn. Hij gaat naar het buitenland; daar hoort hij dat zijn vader ziek geworden is. Zijn vader sterft; hij bekeert zich tot het geloof van het meisje, maar terwijl hij zich terugspoedt naar haar, is deze ziek geworden en gestorven. Als hij aankomt is ze dood. Hij wordt verteerd door smart en kan niet anders dan het graf laten openmaken om haar nog eenmaal te zien. Uit de positie van het lijk ziet men dat het meisje schijndood begraven is.

Dit is een sage -Hamerling heeft ze in zijn werken naverteld-, het is een sage die niet waar is, maar in de werkelijkheid kan het nog 100 maal erger zijn. We zien dat een mensenziel niet alleen sterft in de bloei des levens, maar van in 't begin achtervolgd wordt door tegenslag.
Zulke omstandigheden nu worden bewerkt door de zielen die door gewetenloosheid dienaren zijn geworden van de geesten van ziekte, dood en tegenslag. Zo moeten dergelijke gewetenloze zielen werken om zo'n zware lotsbestemmingen in de wereld te brengen: dat is de samenhang ! Dat vertoont zich voor de helderziende bijzonder bij zulke rampen als de Titanic-katastrofe. Hoe daar zielen gewerkt hebben die door gewetenloosheid dienaren geworden zijn van de geesten van ziekte en tegenslag.
Het karma moet zich voltrekken, dat kan niet anders, maar het is toch een droevig lot voor de zielen die daarin verstrikt zijn, die na hun dood in zo'n slavenjuk geband zijn."[...]

.

Een vroege dood

[...] "Als we de blik richten op mensen die in de bloei van hun leven door ongeluk of ziekte het fysieke vlak verlaten hebben, dan zien we dat zulke zielen die dus hun fysiek lichaam als een omhulsel afgelegd hebben voordat het eigenlijk opgebruikt was, hoe deze zielen nog krachten bezitten die, indien ze niet gestorven waren, gediend zouden hebben voor de uitbouw van het fysieke lichaam en het fysieke leven. Deze krachten dragen ze door de poort van de dood in een hogere geestelijke wereld. Zulke zielen komen daar op een andere menier aan dan zielen die zgz. hun aards leven uitgeleefd hebben.

Het is bijzonder betekenisvol zulke zielen na hun dood te bekijken als ze dus in de bloei van hun leven gestorven zijn, zielen die door een ongeluk hun lichamelijk omhulsel verloren hebben en die dan verder "leven". Zij brengen in de hogere wereld krachten binnen die eigenlijk moesten dienen voor het fysieke aardeleven. Wat gebeurt er met die krachten ?

Deze krachten worden op één van de mooiste manieren gebruikt in de bovenzinnelijke wereld. Wanneer we nl. de wezens der hogere hiërarchieën volgen die de voortgaande ontwikkeling besturen en leiden, dan vinden we dat deze wezens der hogere hiërarchieën de krachten bezitten die ze nodig hebben om de voortschrijdende evolutie te leiden. Maar -en dat is geen onvolkomenheid in de wereld maar dat hangt samen met een ander soort volmaaktheid- alle krachten, ook die der hogere hiërarchieën zijn op een bepaalde manier begrensd, ze gaan niet tot in het oneindige. Nu zijn er tegenwoordig reeds vele aardemensen die, wanneer ze door de poort van de dood gegaan zijn, als ziel in de geestelijke wereld aankomen, en de geesten van de hogere hiërarchieën, die de volledige vooruitgang bevorderen, -dus ook die tussen dood en nieuwe geboorte-, kunnen niets met hen aanvangen. Het blijft wel juist wat ik reeds dikwijls onderstreept heb, dat we vandaag nog niet moeten vertwijfelen wanneer we sommige zielen zien die absoluut geen begrip willen tonen voor de voorstellingen die de huidige mens over de bovenzinnelijke wereld moet hebben, zielen die door en door materialistisch zijn en zich totaal afsluiten van de geestelijke wereld. Als deze zielen door de poort van de dood gaan is het op een bepaalde manier moeilijk voor de geestelijke wezens der hogere hiërarchieën om met hen iets aan te vangen; want deze geestelijke wezens der hogere hiërarchieën hebben krachten voor de vooruitgaande gang der mensheidsontwikkeling -maar alleen voor de vooruitgaande gang ! Als er zich nu zielen afsluiten van deze vooruitgaande beweging, dan hebben ze a.h.w. een te grote zwaarte, die de geesten der hogere hiërarchieën niet kunnen overwinnen.

Zoals gezegd, het blijft waar dat er nog redding mogelijk is voor deze zielen, want pas in de 6de na-Atlantische periode wordt het voor zulke zielen gevaarlijk en pas in de Venustijd kunnen ze volledig uit de voortgaande ontwikkeling uitgestoten worden. Maar als er in de evolutie niets anders zou gebeuren, als de wezens der hogere hiërarchieën alleen zouden beschikken over hun eigen krachten, dan zouden deze zielen al veel vroeger afvallen, dan zouden de hogere hiërarchieën niets met hen kunnen doen.

Het is ook zo dat zich vandaag moeilijkheden voordoen wat betreft de eisen die aan de mensheid worden gesteld. Het is nu eenmaal zo dat voor een groot aantal aardemensen vandaag de dag de Christus-impuls nog niet iets is waar ze een echt diep gevoel kunnen voor hebben. De aarde is echter in een ontwikkelingsstadium gekomen waar de mensenziel de Christus-impuls nodig heeft als ze op de juiste manier het verblijf tussen dood en nieuwe geboorte wil doorlopen, en ergens is het toch gevaarlijk voor zielen die zonder enige verbinding met de Christus-impuls door de poort van de dood gaan : de wezens van de hogere hiërarchieën die de vooruitgang leiden, hebben eenvoudig niet genoeg krachten voor de zielen die zichzelf uit de evolutie uitsluiten en zich door hun eigenwillig leven voorbestemmen tot de ondergang. De wezens der hogere hiërarchieën kunnen deze zielen slechts daardoor toch nog helpen doordat ze extra-krachten toegevoerd krijgen door de zielen die voortijdig hun aards lichaam afgelegd hebben. Daardoor komen onverbruikte krachten in de bovenzinnelijke wereld, krachten die hier op aarde nog gebruikt hadden kunnen worden; doordat het lichaam voortijdig werd afgelegd zijn ze niet gebruikt geworden voor het aardse lichaam.

Bedenken wij eens hoeveel zielen in de bovenzinnelijke wereld gekomen zijn door bvb. de Titanic-katastrofe of de aardbeving van Messina (in 1908 : 83.000 doden) of de talrijke doden die de laatste tijd op de aarde het leven verloren vooraleer het "uitgeleefd" was. Bedenken wij hoeveel krachten die voor de aarde hadden kunnen worden gebruikt die nu opgestegen zijn naar de hogere werelden. Deze krachten worden gevoegd bij die van de wezens der hogere hiërarchieën en versterken de krachten die deze wezens al hebben, maar die tekort schieten om de zielen -die anders uit de ontwikkeling zouden uitgestoten worden-, terug te laten aansluiten bij de evolutie.

Ons karma moeten wij natuurlijk uitleven. Speciaal als we een zaak zoals deze bekijken moeten we erop wijzen dat het karma moet volbracht worden. Het zou een vreselijke zonde tegen de wijsheidsvolle wetten van de wereld zijn, als de mens zelf iets deed om zo dienaar te worden door onverbruikte krachten te besteden aan zielen die gevaar lopen om uitgestoten te worden. De mens mag daar zelf niets toe bijdragen, maar als het zijn karma is om in de bloei zijner jaren te sterven, dan wordt hij helper op de schoonste, zaligste manier: doordat de krachten die hij hier niet meer kan aanwenden, opstijgen naar de hogere werelden en zo de krachten van de wezens der hogere hiërarchieën laten toenemen, gaan er zielen niet verloren die anders wel verloren zouden gaan. Het is de schoonste bestemming van zielen die in de bloei der jaren heengaan; dat is iets dat ons kan troosten wanneer we overmand worden door smart over te vroeg gestorvenen. Dat zijn de ogenblikken waarop wij ons een overzicht kunnen verschaffen over de wijze wereldleiding."


Ondanks alles : harmonie

" Hoe merkwaardig stelt de kringloop van het bestaan zich toch voor het geestesoog ! Aan de ene kant zien we gewetenloze zielen die zich door hun gewetenloosheid klaarmaken om ziekte, voortijdige dood, ongelukken in onze wereld te bewerkstelligen, en wij zien mensen die dan lijden door ziekte, voortijdige dood en ongelukken.
We zien dat daardoor het karma der gewetenloosheid de kans krijgt om zich uit te leven. Onze ziel gaat reeds gebukt onder deze vaststelling -want zo'n waarneming behoort inderdaad tot dat soort gruwelijke waarnemingen die een ziener kan meemaken als hij de diepere samenhang en de geheimen van het bestaan aanschouwt. Men stelt zich dikwijls het schouwen in de geestelijke wereld voor als iets zaligs, maar als men in hogere gebieden der geheimen doordringt, dan is er veel dat met die waarnemingen samenhangt om van te gruwen. Bijzonder het karmisch verband tussen mensen is voor de blik van de ziener -als het onderzoek gewetensvol wordt uitgevoerd en als alles wat er te zeggen valt werkelijk uit de hogere werelden komt, en er geen hersenspinsels of andere zaken inspelen-, dat is iets dat de ziener zeer intensief meebeleeft, en wat een zware belasting voor zijn krachten betekent. Maar toch komen dan ook die zaken -zelfs midden tussen de gruwelijkste en vreselijkste dingen- die ons laten inzien hoeveel wijsheid er in het ganse bestel schuilt. Zelfs als we het noodlot van bepaalde gewetenloze zielen zich zien voltrekken en door die voltrekking ziekte en vroege dood vanuit de geestelijke wereld in de fysieke wereld zien komen, toch zien we aan de andere kant ook wat er gebeurt met de mensen die het slachtoffer worden van een voortijdige dood. Hun krachten versterken andere krachten tot heil en redding van mensen. Alleen hun krachten kunnen dat.

Dat is dan het wonderbare dat ons kan verzoenen: enerzijds moet de mogelijkheid bestaan dat mensen fouten maken, op het gevaar af van uit de ontwikkeling uitgestoten te worden; als dat niet mogelijk was, als de mensen niet konden afdwalen, tot het kwade vervallen, dan kon de mens zijn zending op aarde niet vervullen. En als dit ene mogelijk is, dan moet ook al het andere mogelijk zijn dat vandaag besproken werd, dan moet met de aardeontwikkeling verbonden zijn dat bepaalde mensen in de bloei der jaren sterven. Want deze zijn het op wie de wezens der hogere hiërarchieën aangewezen zijn om extra-krachten te verkrijgen om de mensen te redden en te verlossen; anders zouden ze die niet hebben -dat ziet men als men de helderziende blik daarop richt.

Dat is het grote verzoenende, het wonderbare dat over ons komt als we, gedwongen om te kijken naar het gruwelijke aan de ene kant, dan terug kunnen blikken op de wijze wereldleiding die juist dit gruwelijke nodig heeft om de hogere wijsheid te kunnen verwerkelijken. Ten opzicht van deze zaken wordt het onzinnig om zo op abstracte wijze de vraag te stellen of de geestelijke machten, zonder zo een omweg te maken, voor alle mensen en wezens niet een sympathiek bestaan hadden kunnen inrichten. Wie dat verlangt wil ongeveer hetzelfde als iemand die zegt dat het toch zeer onvolmaakt is dat de goden het nodig gemaakt hebben dat een cirkel niet vierkant kan zijn. Men ziet natuurlijk niet direct dat de eerste vraag dezelfde waarde heeft als de laatste, maar zo is het. Net zoals er geen licht zonder schaduw kan zijn, zo kunnen ook die onverbruikte krachten niet ten goede komen aan de geestelijke wereld, als niet aan de andere kant het karma van de zielen die in een bepaalde incarnatie gewetenloos zijn geworden, zich kon volbrengen.

Deze zaken zijn goed geschikt om, als wij al eens de neiging hebben het één of het ander onvolmaakt te vinden in de wereld, in de mensen, om ons toch met het gevoel te doordringen dat wij alleen maar iets onvolmaakt vinden omdat wij nog veel te weinig inzicht hebben om alle samenhangen te kennen. "[...]


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Over de mieren


Zovele mensen hebben het er moeilijk mee zich iets voor te stellen dat ze niet kunnen zien. Als ze horen dat Rudolf Steiner gesproken heeft over elfen en kabouters, over engelen en spoken, dan is dat voor hen genoeg om gans de antroposofie af te doen als science-fiction, als iets dat absoluut niet met de waarheid in overeenstemming kan zijn. Het toppunt van logica en gezond verstand lijkt voor hen: alleen geloven wat je ziet. Aangezien al die wezens waar Steiner over spreekt, niet kunnen gezien worden, bestaan ze ook niet !

Moeten we zulke mensen een gebrek aan fantasie toeschrijven, of een gebrek aan wetenschappelijk denken ?

Zowel het één als het ander. Laten we beginnen met het laatste, gebrek aan wetenschappelijk denken want:
alleen geloven wat men ziet is niet wetenschappelijk.

De mens met zijn gezond verstand staat 's morgens op, hij ziet de zon in het Oosten. Tegen de middag staat ze in het Zuiden,'s avonds gaat ze onder in het Westen. Wat heeft de mens gezien ? De zon die zich voortbeweegt in een boog over de aarde. Hij heeft juist gezien. Als hij de volgende dagen hetzelfde zich ziet herhalen, concludeert hij: de zon draait rond de Aarde. Stemt dit overeen met de waarheid ? Helemaal niet. De ervaring brengt de mens in dit geval niet dichter bij de waarheid, hij moet het wetenschappelijk denken ter hulp roepen, abstractie maken van al zijn ervaringen en een theorie opstellen die de waargenomen verschijnselen beter verklaart.
Het is in die zin dat we de inzichten van de anthroposofie moeten opvatten: als we ze aannemen als werkhypothese kunnen we een groter aantal verschijnselen verklaren.
Het is waar dat men al die boven- en onderzintuiglijke wezens waarover Rudolf Steiner spreekt niet kan zien, maar hun werking kan men zeer goed waarnemen. Net zoals niemand een electrische stroom in een leiding kan zien, maar wel de werking ervan op de omgeving: verhitting, verlichting, magnetisme, enz.
De mens beschikt over een aantal zintuigen die hem toelaten een bepaald deel van de werkelijkheid waar te nemen. Maar er is ook een werkelijkheid buiten het deel dat de mens ziet. Een mens die 's nachts in een bos loopt zal geen dieren zien, maar de meeste dieren zullen hem gezien (en zéker gehoord) hebben. Welke details ziet een mens nog op 50m afstand ? Een muis in het gras is voor hem onzichtbaar, maar niet voor de torenvalk. Dus: omdat men iets niet ziet, wil dat nog niet zeggen dat het niet bestaat.

Dat de mensen dat niet altijd willen inzien berust ook op en gebrek aan fantasie.

Er werd al dikwijls vastgesteld dat dieren als honden en slangen weten dat er een aardbeving gaat komen, ze kruipen naar buiten, ze beginnen te janken. Soms zien de mensen zelfs een lichtschijn op de plaats waar de aardbeving zich gaat voordoen. De wetenschap zegt: dat komt door de verandering in het magnetisch veld, dat optreedt vóór de aardbeving. Maar daarmee is er juist niets verklaard, er wordt alleen een andere naam gegeven aan een werking. De oorzaak van deze werking zijn wezens.
Voorlopig ziet de mens alleen het gevolg van hun activiteiten, niet de wezens zelf (tenzij hij helderziend is). Om hier een beter inzicht in te krijgen zou men zich eens in de plaats van MIEREN moeten stellen. We stellen ons een mierenhoop voor, ergens in een tuin. De mieren leven ongestoord en doen wat ze moeten doen zolang er geen tuinman in de buurt is. We nemen aan dat de tuinman 's morgens werkt, 's avonds sproeit en 's middags gewoon geniet van zijn tuintje.

De komst, het voorbijgaan van de tuinman betekent voor de mieren een geweldige verduistering aan de hemel. Uit ervaring weten ze dan dat er rampen kunnen optreden. Als de tuinman midden in hun mierennest trapt: een grote aardbeving. Begint hij te sproeien: een grote overstroming. Gebruikt hij insecticiden: een grote sterfte. De komst van de tuinman kan ook goede gevolgen hebben: als hij een gewas kweekt in de buurt van de mierenhoop, waar de mieren smakelijk voedsel kunnen op vinden. De mieren vragen zich wel af: waarom moeten wij zoveel lijden ? Wat is de zin van een leven dat zo gevuld is met rampen ?
De mierepriesters antwoorden dan: "Het Oppertuinmanwezen dat zorgt voor ons dagelijks brood heeft het zo beschikt, maar met ons miereverstand kunnen wij niet begrijpen welke drijfveren Hem daartoe aanzetten. Er is echter niets in de wereldtuin dat gebeurt zonder reden."
Het is waar: waarom een tuin überhaupt bestaat, dat kunnen mieren nooit vatten, dat weet alleen een tuinman.

Onder het mierenvolk nu groeit het bewustzijn: enkele snuggere miereprofessoren gaan op zoek naar 'natuurwetten'. Ze vinden het volgende:

1. Driemaal per dag treden er verduisteringen op.
2. Bij iedere verduistering kan er zich een aardbeving voordoen (de stap van de tuinman).
3. Overstromingen komen alleen voor bij avondverduisteringen (als de tuinman sproeit).
4. Grote sterftes treden alleen op bij ochtendverduisteringen (als hij bij zijn werk 's morgens insecticide gebruikt).

En zo zouden ze grote leerboeken kunnen vullen door ook de samenhang tussen de "verduisteringen" en de seizoenen op te zoeken (minder in de winter, meer in de lente), het verband tussen de intensiteit van de verduistering en de grootte van een aardbeving, enz. enz.
Een ganse wetenschap wordt zo in het leven geroepen, objectief en volledig logisch. Dat er een hoger bewustzijn achter al deze gebeurtenissen schuilt wordt niet ingezien.
Stellen we ons nu voor: op een dag verklaart een snuggere mier: wat de wetenschap verkondigt is allemaal waar, maar eigenlijk, wat er aan de basis van al deze verduisteringen ligt, dat is... de Mens ! Groot misbaar onder de miereprofessoren. De Mens ! Wat is dat nu voor iets, dat is toch niet zichtbaar ?
Antwoordt de pientere mier: nee, maar alleen omdat Hij zo groot is zien we Hem niet, wat Hij doet dat zien we des te beter, de Mens is de oorzaak van al het goede en kwade in de wereld.
De argumenten die de andere mieren tegen dit standpunt zullen inbrengen zijn te vergelijken met hetgeen de mensen van nu inbrengen tegen het bestaan van engelen, aartsengelen, en nog hogere (of lagere) wezens: mieren-argumenten !



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Atlantis

In het tweede nummer van de Brug beloofden we iets meer te vertellen over cultuurperiodes. We zullen beginnen met Atlantis. De meeste mensen denken bij deze naam aan het mythologische verzonken continent.In antroposofische lectuur komt men deze naam regelmatig tegen, maar daar staat Atlantis zowel voor het continent als voor een cultuurperiode.

Rudolf Steiner noemt onze Westerse cultuur de 5de na-Atlantische periode. Dat betekent dat er 4 andere aan voorafgegaan zijn : de oud-Indische, de oud-Perzische, de Egyptisch-Chaldeeuwse, de Grieks-Romeinse. Dit zijn dus onderverdelingen van het na-Atlantische tijdvak. In de ontwikkeling van onze aarde als een fysiek lichaam onderscheiden we de volgende tijdvakken:

1) Polaire tijdvak
2) Hyperborea
3) Lemurië
4) Atlantis
5) Huidig tijdvak (Arische)

Tussen 4 en 5 kwam de Atlantische katastrofe, ongeveer 7 of 8 duizend jaar v.C., wat men gewoonlijk de IJstijd noemt. De Atlantische cultuurperiode zou ongeveer samenvallen met het Tertiair. Dit tijdvak begon volgens de gangbare geologie ongeveer 65 miljoen jaar geleden. Het Lemurische tijdvak zou ongeveer samenvallen met het mesozoïcum, het Hyperboreïsche met het paleozoïcum.


Rudolf Steiner was het niet eens met de gangbare geologie wat betreft de ouderdom van de aarde. Volgens hem gaat deze wetenschap op een verkeerde manier te werk, ze houdt geen rekening met het feit dat ook de Aarde een levend organisme is. Steiner maakt de volgende vergelijking: als men de groei van een mens bestudeert van zijn 6de tot zijn 12de jaar, zou men kunnen vaststellen dat hij bvb. met 50% groeit. Met dit gegeven kan men nu verder rekenen: binnen 200 jaar zal de mens die bepaalde lengte bereikt hebben. Omgekeerd kan men terug rekenen hoe groot hij 200 jaar geleden was. Logisch gezien zeer juist, maar toch stemt dit niet overeen met de werkelijkheid: 200 jaar geleden was die mens er immers nog niet, en over 200 jaar zal hij er evenmin zijn. De mens is een levend wezen dat ontwikkelt volgens andere principes dan rechtlijnig-mathematische. En dat geldt ook voor onze Aarde; alleen wordt het daar niet zo vlug bemerkt omdat het over langere periodes gaat.


Dat Atlantis werkelijk bestaan heeft is moeilijk te bewijzen met de uiterlijke wetenschap. De wereld zag er toen immers volledig anders uit, fysieke overblijfselen die de archeologie zou kunnen bestuderen zijn er niet omdat alle materie, de mens incluis, nog niet zo verhard was als nu. Nochtans zijn er resten die wijzen op het bestaan van een continent op de plaats waar nu de Atlantische oceaan ligt.

1) Volgens Rudolf Steiner werd Atlantis omsloten door een soort warme stroom die uit het zuiden langs de Baffin-baai over het noorden van Groenland naar het oosten vloeide, afkoelde, over de Oeral en de oostelijke Karpaten -Rusland en Siberië lagen toen nog onder water- terugdraaide over het gebied dat nu de Sahara is, en ter hoogte van de golf van Biskaye uitmondde. De resten van deze stroom noemen we nu de Golfstroom.

2) Slechts kleine groepen mensen overleefden de Atlantische katastrofe. De belangrijkste groep trok over het huidige Ierland naar Azië en werd de grondlegger van de eerste na-Atlantische cultuur: de oud-Indische. We weten dat daarop de Perzische, de Egyptisch-Chaldeeuwse, en de Grieks-Romeinse culturen volgden. De Grieken bezaten nog een vage herinnering aan Atlantis, getuige daarvan hun wereldbeeld: het ziet eruit als een eiland, omstroomd door een grote rivier, de Okeanos ! Bij Plato lezen we dat voor de Egyptische hogepriesters het bestaan van Atlantis iets vanzelfsprekend was.

3) Misschien heeft U zich al eens afgevraagd als U de 5 na-Atlantische cultuurperiodes bekeek: waar moet nu de Chinese cultuur geplaatst worden ? Volgens Rudolf Steiner is de Chinese cultuur een overblijfsel uit de Atlantische tijd. Hij is totaal verschillend van de andere na-Atlantische culturen, er is iets tijdloos aan, iets star. Hij heeft eeuwen bestaan zonder dat er wezenlijke invloeden van buitenaf op inwerkten, een eilandcultuur als het ware. De Chinezen zijn (eigenlijk:waren) zich heel goed bewust van de uitzonderingspositie die hun cultuur in de wereld inneemt. Ze noemen hun rijk het Rijk van het Midden. Een deel van het schriftteken dat China voorstelt is niet voor niets een soort vierkantje met een vertikale streep erdoor.

Een fenomeen als de Chinese muur is niets anders dan een (onbewuste) poging van een volk om zijn land de eilandvorm te geven, die het zich nog herinnert uit een vroeger cultuurstadium.

4) Ook bij de mensen die vanuit Atlantis naar het Westen trokken leefde de herinnering verder. Het is opvallend hoeveel plaatsnamen er bvb. tussen Mexico-City en Veracruz te vinden zijn met de stam -ATL erin : Teziutlan, Papantla, Tihuatlan, Zacatlan, Atlixco, enz.

5) Op dezelfde manier kan men ook de ondergang van Atlantis op het spoor komen. In talloze mythen en sagen van alle volkeren wordt er over een zondvloed gesproken. Het bekendste document is natuurlijk de Bijbel. Het is ook niet toevallig dat na de zondvloed voor het eerst een regenboog verschijnt. Rudolf Steiner verklaart dat als volgt: vóór de Atlantische katastrofe was er eigenlijk nog geen scheiding tussen water en lucht. Het water was toen lichter dan nu, de lucht niet zo helder, eerder nevelig. De wezens die zich in deze brij voortbewogen waren kwal-achtig, ze bezaten bijlange niet de vaste contouren die ze nu hebben. Toen het water zwaarder werd en uit de lucht viel, steeg het niveau van de zeeën. Samen met het zinken van het continent zorgde dat voor vloedgolven, die in het Noorden natuurlijk onmiddellijk bevroren. De mammoeten die men in Siberië intact in het ijs gevonden heeft, zijn waarschijnlijk verrast door zo'n vloedgolf en levend ingevroren. Een verschijnsel als de regenboog is niet mogelijk in een nevelachtige atmosfeer. Hij ontstaat niet waar lucht en water gemengd zijn, maar waar deze elementen in wisselwerking treden.

De mens ten tijde van Atlantis

Hoewel we van een Atlantische cultuur kunnen spreken, toch mogen we ons die niet zo materieel voorstellen als de huidige. Dat komt omdat de mens in een omgeving leefde die totaal verschilde van de onze; in het eiwit-waterachtige milieu waarin de mens toen leefde kon hij wel vormen scheppen, maar deze bleven niet lang voortbestaan. Net zoals een wassen beeld vlugger vergaat dan een beeldhouwwerk uit steen. De mens bezat toen ook andere vaardigheden dan nu : op dezelfde manier dat de mens nu de krachten uit de minerale wereld gebruikt (steenkool, ertsen), zo kon hij toen de krachten uit de plantenwereld gebruiken, de krachten die in plantenzaden sluimeren. Hij beheerste m.a.w. de levenskracht ; hij kon de groei van planten zo beïnvloeden dat die bvb. met hun takken ineengroeiden en zo een soort woning vormden. Hoe raar het ook klinkt: de kracht uit een graanhoop kon hij in technische kracht veranderen om er voertuigen mee te laten voortbewegen. Die voertuigen waren natuurlijk aangepast aan de toenmalige "atmosfeer", die veel dikker was.
Er bestaat een nauwe samenhang tussen de levenskrachten en het water, en het misbruik van deze krachten (het gebruik voor persoonlijke doeleinden) leidde uiteindelijk tot de Atlantische katastrofe. De Atlantische mens beschikte over een geweldig geheugen, maar had nog geen logisch, combinerend verstand. Naar een mens met veel ervaring, met een rijk verleden, werd opgekeken. Afstamming, traditie, voorouders speelden een grote rol, zelfs tot lang na de Atlantische katastrofe (pas in de 5de na-Atlantische cultuurperiode lijkt dit voorgoed te verdwijnen). De mensen zelf zagen er ook anders uit, ze hadden nog niet het harde skelet dat ze nu hebben, ook niet dezelfde longen, maar wel kraakbeen en kieuwen: ze zagen er half mens, half vis uit. Uit de beschrijving die Steiner geeft kunnen we opmaken dat het om een wezen gaat met het uitzicht van wat nu een menselijk embryo is, maar dan wel fors vergroot. Overigens was de menselijke vorm niet constant gedurende gans de Atlantische periode: in het begin was hij veel weker, naar het einde toe werd hij harder. In die laatste periode week het hoge voorhoofd van de oude Atlantiërs terug en verhardde, de mens kreeg het uitzicht van de Neanderthaler. Steiner noemt dit geen voorloper van de mens, maar een nakomer ! Later werd het voorhoofd dan terug hoger, bij wat men de homo sapiens noemt.

Evenals ons huidig tijdvak, het Arische, was ook het Atlantische onderverdeeld in 7 cultuurperiodes, die ieder een eigen naam en eigen kenmerken hebben. Het is dus niet zo dat we over één uniforme Alantische cultuur kunnen spreken : er vond eenzelfde bewustzijnsontwikkeling plaats als in het huidige tijdvak.
Om te eindigen geven we nog de namen van de 7 Atlantische cultuurperiodes, voor meer details verwijzen we de geïnteresseerden naar de Akasha-kroniek (GA 11).

1) Rmoahals
2) Tlavatli-volkeren
3) Tolteken
4) Oer-Toeraniërs
5) Oer-Semieten
6) Akkadiërs
7) Mongolen


Over de verdere ontwikkeling na Atlantis

François De Wit

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Steinerpedagogie

Indien een school de methodes en gebruiken overneemt die in een Steinerschool gangbaar zijn, wordt ze daardoor ook een Steinerschool ?
Oppervlakkig gezien misschien wel, maar het wezenlijke van een Steinerschool ligt hem niet in de eerste plaats aan methodes. Pedagogische technieken alleen schieten tekort als men opvoedkunde tot opvoedkunst wil maken. Voor het fijnere pedagogische werk is antroposofie onontbeerlijk.
Rudolf Steiner sprak daarover voor de leerkrachten (uit het gewone onderwijs) van Bazel en omgeving, op 29 april 1920):

[...]

"En dit brengt mij op een bijzonder interessante vraag die mij gesteld werd, die volledig samenhangt met wat ik zojuist uitgelegd heb.
Het meisje van twaalf jaar en half waar het over ging had een twee voor gedrag. Bij de bespreking van een opstel vertelde ze: ook in mijn vorige school had ik altijd een goed rapport, maar altijd een twee voor gedrag. Toen kregen we een leraar die ik zeer graag had en bij hem had ik nooit een twee. Later kreeg ik les van zijn zoon, en terug liep het verkeerd met mij, tot op nu, in deze school.

Deze vraag (nl. hoe dat kwam-vert.) werd in alle ernst gesteld, en ik denk dat precies zo'n vraag buitengewoon kan stimuleren in verband met de zaken die vandaag werden besproken. Want, ziet U, er zijn twee dingen noodzakelijk in het onderricht en in de opvoeding. Enerzijds moet men de kunst verstaan om uit het kind zoveel mogelijk uit te halen, in de eerste plaats via voorstellingen (dus niet via het abstracte denken-vert.). Anderzijds moeten wij de mogelijkheid hebben om met het kind zodanig samen te zijn dat het kind ons op zijn manier kan liefhebben.

Nu zijn er zovele dingen die men zich mits enige moeite kan aankweken, in sommige gevallen ook als instinct. Dat is een gecompliceerd psychologisch probleem, waar we voor het ogenblik niet kunnen op ingaan. Maar het is zo dat datgene wat de ene zich met moeite aankweekt, voor de andere er vanzelf is, die bezit dat instinctief : zulke mensen worden door een kinderschaar als vanzelf graag gezien. Dat is iets dat zeer mooi kan zijn als het zich voordoet. Maar in het licht van onze cultuur- en beschavingsontwikkeling gaat het erom dat we zoiets ook door een soort zelfopvoeding kunnen bereiken. En wij kunnen dit bereiken als we proberen ons zo tegenover de wereld te stellen, zoals we dat doen wanneer we met geesteswetenschap bezig zijn.

Wij kunnen niet, zoals ik al zei, geesteswetenschap bedrijven zoals we in een bioscoop zitten en kijken, wij kunnen geesteswetenschap alleen maar beoefenen door "innerlijkst" mee te doen. Ik zei reeds : als U mijn "Wetenschap van de geheimen der ziel" zo leest, zonder dat U dit innerlijk beleeft en als datgene wat U leest in U alleen maar uw eigen gedachten prikkelt, dan blijft die ganse geesteswetenschap voor U eigenlijk kaf. Ze blijft daardoor voor vele mensen kaf. Maar leest U zo alsof U een partituur voor U heeft, die U eigenlijk slechts heeft, wanneer U zelf alle elementen ervan uit uw binnenste moet halen, dan ontwikkelt U door deze activiteit krachten in Uzelf die anders in de menselijke natuur verborgen blijven, die er niet uitkomen.

Het is precies die kracht die verhoudingen, in 't bijzonder tot kinderen ontwikkelt, die kinderen a.h.w. op ons opmerkzaam maakt. Hebben we dit proces, dit naar boven halen van geestelijke krachten, in ons doorgemaakt, dan smeden wij een band van ziel tot ziel tussen ons en het kind. En deze band is voor de gemoeds- en wilsopvoeding van onschatbare waarde. U zult er nauwelijks toe komen een klas waar 40% der kinderen echte bengels zijn, die in moreel en gemoedsopzicht werkelijk ongemanierd zijn, te kalmeren door met vermaningen op het gemoed of de moraliteit te werken, als met abstracte regels. U kunt dikwijls door de toon of de energie van uw stem voor korte tijd iets bereiken. Maar in wezen wordt daardoor niets bereikt.

Maar probeert U eens, en bereidt U voor op uw lessen door bij uw gewoonlijke voorbereiding nog een soort meditatieve voorbereiding erbij te nemen. Iets dat met het onderricht dat U moet geven niet het minste te maken heeft, dat echter wel iets te maken heeft met het verheffen van de eigen ziel, dat te maken heeft met het doordringen van een of andere stof, een of andere gewaarwording, een of ander gevoel dat ons de wereld openbaart.

Als U 's avonds zo'n meditatieve, innerlijke -ik mag deze uitdrukking wel gebruiken- beschouwing hebt doorgemaakt en deze beschouwing levendig maakt door er 's morgens terug aan te denken en ze enigszins opnieuw te beleven, dan zult U een werking bemerken als U in de klas binnenstapt.
Het klinkt alsof het bijgeloof is, maar dat zijn nu dingen die men niet met theorieën moet te lijf gaan, maar die men moet observeren. Wie dit observeert zal dit bevestigen. Daar komt het op aan. De meerderheid van de tegenwoordige mensheid is niet erg geneigd om zulke zaken te observeren. Maar wij zullen ons moeten gewoon maken om zoiets waar te nemen, willen we uit de misère van de tegenwoordige tijd geraken. Dat zal de mensheid tot de opvattingen brengen die uit dat soort waarnemingen groeien, in 't bijzonder voor de pedagogische kunst.

Als wij te doen hebben met een meisje, zoals dat waar het hier over ging, dan wijst zij er ons zeer duidelijk op, dat in het bijzondere geval, waar zij zei dat ze de leerkracht graag had, haar wilsopvoeding onder de onmiddellijke invloed van deze persoonlijke verhouding stond.
Maar alle wilsopvoeding zal altijd onder de indruk van een persoonlijke verhouding staan bij kinderen, ook nog na de geslachtsrijpheid.

Men mag daarover filosoferen zoveel men wil, iedere filosofie die iets anders zegt dan dat de persoonlijke band voor de gemoeds- en wilsopvoeding doorslaggevend is, zal tegen het leven zondigen. Dat moet men nu eenmaal levensinzicht noemen : er niet voor terugdeinzen op deze kanten van het leven in te gaan. En als men de dingen serieus neemt, die kunnen ontstaan door de bevruchting van de opvoedkunst door de geesteswetenschap, dan zullen zich vele zaken openbaren die anders helemaal niet aan de oppervlakte komen."[...]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Aprilse grillen

Op een mooie aprilmorgen in 1921 verscheen Rudolf Steiner voor een voordracht. Het was de tweede reeks voordrachten over geneeskunde. Zoals altijd was hij stipt op tijd, en zoals altijd, had hij ook een regenscherm mee.
Manfred von Kies, een van de deelnemers, vertelt:

"Na de voordracht was er een kleine pauze. Voor de deur, in de zonneschijn, verliepen levendige gesprekken. Men trof er een bont gezelschap aan: zowel oude, ervaren geneesheren als jonge studenten, zowel oude antroposofen als mensen die pas lid (van de antroposofische vereniging) waren geworden. Voorzover ik mij herinner was er zelfs iemand van de firma Bayer A.G., die niet eens lid was, enkel geïnteresseerde.

Onder de jongeren waren er ook enkele die zich tegenover Rudolf Steiner zonder de minste schroom gedroegen. Het moet een van deze geweest zijn die op een bepaald moment uitriep: "Herr Doktor, waarom bent U eigenlijk op zo'n mooie dag met een regenscherm naar hier gekomen ? Als er iemand is die weet wat voor weer het gaat worden, dan moet U dat toch zijn, U bent toch een ingewijde !"

Er viel een pijnlijke stilte en iedereen voelde zich ongemakkelijk over zo'n onbeschaamdheid ... maar Rudolf Steiner repliceerde lachend en met twinkelende ogen: "Wel, ik heb het er reeds vaak over gehad dat in de natuur een wezen werkzaam is, dat men vroeger de godin Natura noemde, of, als U wil, Persephone. In ieder geval is het een godin -dus een dame ! En bij dames kan zelfs een ingewijde niet voorspellen aan welke grillen ze nu weer eens onderhevig zullen zijn !"


Terug naar de anecdotes.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Driegeleding

Als men bij Steiner leest dat het noodzakelijk is dat de maatschappij heden ten dage een driegelede structuur krijgt -waarbij in het geestesleven vrijheid, in het rechtsleven gelijkheid en in het economische leven broederlijkheid moet heersen-, dan stelt men zich dikwijls de vraag: hoe moeten we eraan beginnen ?

Rudolf Steiner wees er zelf op dat de driegeleding niet iets is dat zomaar kan ingevoerd en uitgevoerd worden, bij manier van spreken, als een politiek programma.

In de eerste plaats moet iedereen inzicht krijgen in deze driegeleding en dan kunnen de mensen zelf aan de slag gaan en zoekend een driegelede weg vinden; in het begin op kleine schaal, ieder op de plaats waar hij in 't leven gesteld is, later in grotere verbanden.

Hoe verkrijgt men nu inzicht in de principes die achter die driegeledingsidee staan ? Men kan de boeken en voordrachten van Rudolf Steiner lezen en herlezen, op zich laten inwerken, erover nadenken. Ook de werken van auteurs die zich intensief met deze materie hebben bezig gehouden (Dieter Brüll, Stefan Leber).
Of men kan cursussen en seminaries volgen.
De Vrije Volkshogeschool in Berchem (is ondertussen de Rudolf Steiner Academie geworden) organiseerde dit werkjaar ( 1994) een cyclus rond sociale wetmatigheden. Om de theorie wat aanschouwelijker te maken werden in februari twee mensen uitgenodigd om over hun initiatief te spreken: Mia Stockman en Luuk Humblet. Zij baten samen met een derde persoon, Marian Coessens, in Gent een natuurvoedingswinkel uit: de Blauwe Bloem.

Onderstaande informatie is ondertussen al verouderd, de Blauwe Bloem bestaat niet meer, en de Rudolf Steiner Academie ook niet meer.

Daar proberen zij ook om de driegeledingsidee in de praktijk om te zetten.

Zij begonnen dit initiatief in de tijd toen biologisch-dynamische producten nagenoeg onbekend waren. In die periode begon de antroposofische gedachte in het Gentse uitbreiding te nemen en vanuit een kring van geïnteresseerde mensen kwam de vraag naar producten die geteeld waren op een organisch correcte manier. Om aan deze vraag te voldoen ontstond de winkel. Het doel van de initiatiefnemers was dus niet: zoveel mogelijk te verkopen, maar wel: de (voedings)behoeften van de klanten te bevredigen.

Na verloop van tijd echter merkten de uitbaters dat het doel van hun onderneming nauwelijks meer te realiseren viel: de druk van de "markt" werd te groot. Aan de kant van de leveranciers werd het aanbod groter, maar daarmee ook de voorraden en de onverkochte goederen. Bijna onmerkbaar groeide bij de winkeliers de reflex om zoveel mogelijk van hun stock -zeker van de bederfbare waren- kwijt te geraken, daar waar men in eerste instantie wou voldoen aan de vraag van de klant. Tegelijkertijd werd de concurrentie groter. Het gewone marktmechanisme verhindert dan dat de prijzen (en daarmee de winstmarges) stijgen, dus moet de winkelier zijn omzet proberen te vergroten om er nog een leefbaar inkomen aan over te houden.

De initiatiefnemers stonden voor de keuze: het spel meespelen of de zaak fundamenteel anders inrichten. Ze gingen hun licht opsteken in Nederland, bij "alternatieve" voedingswinkels, bij driegeleders, en, geholpen door omstandigheden, begonnen ze op een nieuw adres met een nieuwe winkel, met een nieuwe manier van werken.

Hoe werkt de winkel nú ?

In de winkel staat een grote tafel waar de uitwisseling klant-winkelier plaats vindt, op de volgende manier: Op de tafel liggen bestelbons. Daar staan de produkten op die tot het vaste gamma behoren, op de achterkant de aanbiedingen van de dag (groenten en fruit). De klant maakt zijn keuze -evt. aan de hand van de catalogi van de leveranciers- en duidt de dag aan dat hij zijn bestelling komt afhalen.

Op het eind van de dag weet de winkelier wat hij tegen de volgende openingsdag moet in voorraad hebben, hij contacteert de leveranciers, en zorgt ervoor dat de bestelling van iedere klant klaarligt op de afgesproken datum. Op die dag komt de klant zijn bestelling afhalen en betaalt, voorzover hij dat niet reeds op voorhand gedaan heeft. Hij vult evt. een nieuwe bestelbon in.

De initiatiefnemers vonden ook dat ze moesten rekening houden met de sociale hoofdwet die Rudolf Steiner als volgt formuleerde: "Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestaties, d.w.z. naarmate hij meer van deze opbrengsten afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties, maar door de prestaties van anderen worden bevredigd."

In de situatie van en winkelier betekent dit dat hij zijn inkomen niet uit een winstmarge moet halen, maar dat hij zijn klanten moet vragen om hem een inkomen te bezorgen dat hem toelaat zich bezig te houden met hun voedingsbehoeften.

Men besloot in de Blauwe Bloem om de prijzen voor de klant doorzichtig te houden, teneinde deze loskoppeling van arbeid en inkomen te bereiken.

Hoe komt de prijs van een produkt tot stand ?

De prijs is samengesteld uit twee delen:
1) de aankoopprijs (groothandelsprijs)
2) een percentage van de aankoopprijs dat dient om de vaste kosten te dekken (huur, verwarming, koeling, verlichting, afschrijvingen). In de Blauwe Bloem bedraagt dit 17% (in deze sector loopt dat dikwijls op tot het dubbele !). Als er klanten bijkomen dan daalt dit percentage natuurlijk.

In de gewone handel komt daar dan nog de winstmarge van de winkelier bij. Daar ziet men in de Blauwe Bloem dus principieel van af. Hoe komen die mensen dan aan een inkomen ? Welnu, zij bepalen zelf wat zij nodig hebben om deze diensten te kunnen verlenen aan hun klanten, zij delen dit mee, en al de klanten samen zorgen ervoor dat ze dit bedrag bijeenkrijgen: ze betalen iedere maand een medewerkersbijdrage. De hoogte van dit bedrag bepalen ze voor zichzelf. Een richtlijn zou kunnen zijn: totaal gevraagd bedrag gedeeld door het aantal klanten = bijdrage per klant. Maar zo eenvoudig is het niet : klanten die arbeidsintensieve bestellingen plaatsen nemen verhoudingsgewijs een groter deel van de tijd van de winkelier in beslag.

Bijvoorbeeld: 2 klanten besteden per maand hetzelfde bedrag, maar de ene koopt eens in de maand een bak met 12 flessen fruitsap, de andere iedere week 3 flessen en dan nog verschillende soorten. Het is duidelijk dat de winkelier aan de tweede klant veel meer tijd en werk moet besteden.

Er zijn dus verschillende factoren die (kunnen) meespelen, ook het belang dat een klant hecht aan het voortbestaan van dit soort winkel, evt. de hoogte van zijn inkomen kan een factor zijn.

Ondermeer om deze zaken te bespreken worden er geregeld klantenavonden georganiseerd. Daar kan dan ook, voorzover dit in de winkel niet al gebeurd is, ingegaan worden op vragen van de klanten,bvb. iemand wenst dat er vleeswaren zouden moeten verkrijgbaar zijn : is het ingaan op deze vraag te rijmen met het doel dat de initiatiefnemers zich gesteld hadden, nl. het leveren van bio-dynamische producten ? Eén of andere antroposoof wenst meer geest in zijn voedingspakket en vraagt naar geestrijke dranken : kan dat ? Allemaal vragen die in het gesprek tussen klant en winkelier opgelost kunnen worden.

Enkele voordelen van dit systeem :

voor de winkelier:

1) hij is niet verplicht de klanten zoveel mogelijk op te solferen, hij levert wat zij vragen.
2) Erkenning : een aantal mensen is bereid om hem en inkomen toe te staan voor zijn werk.
3) Minder financieel risico: hij moet geen grote voorraden aanleggen, hij blijft bijna nooit met onverkochte waren zitten (de uitval in de Blauwe Bloem; 2% ! Ter vergelijking: de groenten-fruitafdeling in een grootwarenhuis moet tot 40% weggooien ; dit verlies wordt natuurlijk op voorhand in de prijs verrekend).
5) Efficiëntie : in samenspraak met de klant kan er afgesproken worden om slechts op beperkte tijdstippen open te zijn.

voor de klant:

1) hij koopt wat hij nodig heeft, en niet wat hem in 't oog springt.
2) Hij weet waarop de prijs die hij betaalt gebaseerd is.
3) Hij betaalt minder ; daar er geen bederfbare waren moeten weggegooid worden wegens niet verkocht, wordt dit verlies ook niet in de prijs ingerekend.
4)Hij loopt nauwelijks het risico dat wat hij nodig heeft al uitverkocht is als hij 10 minuten voor sluitingstijd komt: zijn bestelling is klaar.
5) Menselijk contact met winkelier en andere klanten.
6) Bewuster consumeren en leven.

voor de economie:

efficiëntie : er wordt geproduceerd waar echt vraag naar is, en ook niet meer dan de vraag. Niet zoals het huidig systeem : zoveel mogelijk produceren, dan middels dure reclamecampagnes dit proberen te verkopen, en, desnoods door productie te vernietigen, de winst hoog houden.

Vandaag de dag wordt er geproduceerd voor weinig bewuste consumenten. Mensen staan er niet bij stil welke gevolgen het voor de ganse maatschappij heeft als ze op ieder moment van de dag (nu ook al 's nachts en in het weekend) welgevulde rekken met alle mogelijke waren willen hebben. Dat leidt noodzakelijkerwijs tot verspilling.

Verwende consumenten zullen het spijtig vinden om niet te kunnen "shoppen" in die overgevulde warenhuizen, met een waaier aan keuzemogelijkheden, die we, denkend aan de derde wereld, hemeltergend mogen noemen. Een aantal mensen zien hier waarschijnlijk zelfs hun vrijheid in, in dat ondoordachte consumeren. En terzelfdertijd laten ze zich hun echte vrijheid ontnemen in ruil voor wat brood en spelen. (Maar daarmee zitten we reeds in het geestesleven, en dit keer gingen we in het economisch leven blijven.)

Aan de hand van dit voorbeeld is, geloof ik, duidelijk hoe broederlijkheid al op kleine schaal kan werken. Vanuit een (voorlopig) kleine groep mensen gaat toch al een zekere druk uit naar de leverancier, en vandaar naar de producent, en voor men het weet is de ganse maatschappij driegeleed !

Om af te sluiten keren we even terug naar de theorie.
Een initiatief als de Blauwe Bloem bevindt zich in het economisch leven omdat het gaat over het verhandelen van waren, maar toch kunnen we er de drie gebieden in onderscheiden:

-geestesleven : de initiatiefnemers zijn vrij om hun doelstelling, en de manier om dit doel te verwezenlijken, te bepalen.

-rechtsleven : er worden afspraken met de klanten gemaakt, t.t.z. met mensen die akkoord kunnen gaan met de doelstelling van de initiatiefnemers.

-economisch leven : het eigenlijke winkelbedrijf, waar producent, tussenpersonen en afnemers zoveel mogelijk proberen aan mekaars behoeften te voldoen : broederlijkheid !

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .