De Brug 18 van december 1997

Over geelzucht

In de antroposofische geneeskunde houdt men rekening met het bestaan van wezensdelen. Fysiek lichaam, ether- en astraal lichaam en Ik moeten in de juiste verhouding tot elkander staan en elkaar op de juiste manier doordringen, zoniet ontstaan er ziektes.
Het onderstaande artikel biedt ons een dieper inzicht in de werking van en het verband tussen de menselijke wezensdelen. Tevens wordt duidelijk dat, als ziektes een geestelijke oorzaak hebben, de remedie niet (alleen) in het farmacologische kan liggen, er moet aan het geestelijke gewerkt worden.
Het artikel is van Dr. Fritz Schnurmann en verscheen in de derde jaargang (1928-1929) van "Natura", het tijdschrift dat door Ita Wegman in het leven werd geroepen. De auteur verwijst dikwijls naar het kleine werkje dat Dr. Wegman samen met Rudolf Steiner schreef: "Grondslagen voor een verruiming van de geneeskunst". Deze verruiming is zeker merkbaar in onderstaand artikel: soms overdonderend, meestal zeer verhelderend zijn de grote verbanden tussen planeten, organen, elementen, natuurprocessen enz. die de auteur op overtuigende wijze legt.

Eerst iets over de lever

De offerpriesters uit de voorbije cultuurperiodes bestudeerden levers om inzicht te krijgen in de kosmische constellaties. De oude helderziende kracht liet hen toe om alle planeteninvloeden te zien, zoals die samengevat zijn in de lever. Antroposofische geesteswetenschap geeft de mens van vandaag de mogelijkheid om zich langs nieuwe wegen een begrip te verwerven voor die oude waarheden, die de mensheid moest vergeten - tragisch, maar noodzakelijk om zijn vrijheid te veroveren. Als we de lever geesteswetenschappelijk bekijken volgens fysiek lichaam, ether- , astraal lichaam en Ik, dan vinden we inderdaad de planetenkrachten terug als een makrokosmos die tot een mikrokosmos is verdicht.

De krachten van Jupiter werken in het organisme van de mens dusdanig, dat ze uitstralen van het hoofd, meer bepaald het voorhoofd, en tot rust komen in het vormen van de lever. Bijzonder duidelijk zien we deze vormende werkzaamheden bij het embryo. In de zesde week maakt de lever de helft van het totale lichaamsgewicht uit. In de derde maand vult hij bijna de ganse lichaamsholte. Naast de lever is het hoofd met de hersenen overheersend wat betreft volume. De Jupiterkrachten werken in de omvang, omvangrijk. In de plantenwereld bvb. leeft Jupiter in het ronde van de boomkruin (cfr. Usteri). De ronde "O" is de klank van Jupiter.
Naarmate de embryonale ontwikkeling verdergaat, nemen de hersenen in oppervlakte toe door het vormen van plooien, de lever verkleint echter (relatief). Maar tot de derde maand is het een symmetrisch orgaan, met twee vleugels zoals de longen. De volledig gevormde lever, één vleugel slechts, is eigenlijk een gemetamorfoseerde longvleugel die 90° gedraaid is. De vertikale richting van de longvleugels, gericht naar de aarde, wijst erop dat er een verband is met het aarde-element. De horizontale richting van de lever komt overeen met het water-element. In het pathologisch fenomeen van de "hepatisatie", de "verlevering" van de long*,

hebben we eens te meer een aanwijzing van de relatie tussen de twee organen, een relatie waaraan eveneens planeet-invloeden ten grondslag liggen, namelijk die van Mercurius. Zoals de Jupiterkrachten, uitgaande van het voorhoofd en tot rust komend in de lever, de vorm, het fysieke aspect van de lever bewerken, zo gaan Mercuriuskrachten uit van de lever en komen tot rust in de longen.

De Mercuriuskrachten werken in het etherische van de lever. Deze is, naar een uitdrukking van Rudolf Steiner, de grote "chemicator" van het menselijk organisme. De chemische ether verbindt de lever met het vloeibare en legt zijn hoofdas in het horizontale. Chemisch gezien herkennen we in de lever een polariteit tussen koolhydraatprocessen en vetprocessen, en dit op drie niveau's :

- Anatomisch: in het glycogeenhoudend gedeelte vindt men weinig vet, het vethoudend gedeelte is glycogeenarm.
- Fysiologisch: uit suikers maakt de lever glycogeen, vetten worden door de gal afgebroken. (Bij de vetafbraak is de hulp van de alvleesklier wezenlijk - fylogenetisch vormt deze samen met de lever één orgaan.)
-Pathologisch: de storing in de suikerstofwisseling bij diabetes berust op een te zwak ingrijpen van de Ik-organisatie in het astraal lichaam en in de fysiek-etherische lichaamsorganen. De storing in de vetafbraak bij icterische processen (geelzucht) berust op een te sterke inwerking van Ik-organisatie en astraal lichaam op het fysiek lichaam - zoals we later zullen aantonen.

Midden tussen deze polaire processen (koolhydraten en vetten) staan de eiwitprocessen. Enerzijds bouwt de lever eiwit op uit aminozuren, anderzijds splitst hij aminen af uit de aminozuren. Uit deze laatste vormt hij de urine die door de nieren afgescheiden wordt.

Om de betrekking bloot te leggen tussen lever en nieren, moeten we uitgaan van de stikstofwerkzaamheid in het menselijk organisme. Het is stikstof dat op een wezenlijke manier in de luchtorganisatie der nieren werkt, die van hun kant een centrum zijn voor het werken van het astraal lichaam in het ganse menselijke organisme. Anderzijds moeten we de ons omringende stikstof in verband brengen met het leversysteem van de mens, zo leert ons Rudolf Steiner. Van het menselijk eiwit bouwt de lever het stikstofdeel. "Stikstof is de lever van de uiterlijke wereld." Zo vinden we in het werken van de stikstof de brug tussen nieren- en leverorganisatie. Een afbeelding van deze brug is de vaatverbinding tussen poortader en nierader, wat kenmerkend is voor de vogels als luchtdieren. Fysiologisch drukt zich dat bij de mens bvb. uit doordat het urinezuur dat in de lever gevormd wordt uit stikstof, door de nieren wordt uitgescheiden. In het stikstof, via het astrale eigenlijk, stralen nierkrachten, d. i. planeetkrachten van Venus, in de lever in.

Het astraal lichaam van de lever werkt in het afscheiden van sappen. De afgescheiden vloeistof mag dan de alkalische gal zijn, toch bevat ze galzuren. Gal en galblaas horen bij de planeet Mars.

Tussen haakjes mag er hier op gewezen worden dat de bewering van de geesteswetenschap dat de galblaas, net zoals de urineblaas, een zuigende werking uitoefent, zonder meer aan de anatomie van de galwegen kan afgelezen worden. Het is immers een mechanische onmogelijkheid dat de gal uit de ductus hepaticus in de ductus cysticus zou invloeien langs de scherpe hoek, terwijl ze zomaar in de ductus choledochus kan vloeien. Zelfs als men aanneemt dat de papilla Vateri de ductus choledochus tijdelijk afsluit, dan blijft de scherpe hoek van de ductus cysticus een genetische onmogelijkheid. Slechts een actieve zuigwerking van de galblaas kan het anatomisch feit verklaren.

Zoals de stikstof a.h.w. een brug bouwt van de nieren naar de lever, evenzo bouwt waterstof een brug van het bloed naar de lever. Op een bepaalde manier hoort waterstof bij het bloed-hartsysteem. Waterstof, het lichtste, meest onaardse onder de elementen, wordt tot water als het brandt. In het bloed werken samen vuur en water. In de warmte van het menselijk bloed leeft het meest geestelijke, onaardse van de menselijke wezensdelen, de Ik-organisatie. De warmtestructuur van het organisme waarin de Ik-organisatie leeft, heeft zijn centrum in de warmtestructuur van het lever-galsysteem. Fysisch kunnen we dat met de thermometer aantonen: de lever heeft een temperatuur van ca. 38 à 39°. Het warmte-wezen van Saturnus straalt erin. Saturnusinvloeden liggen aan de oorsprong van de fysiologische en nauwe pathologische betrekkingen tussen milt en lever.

Talrijk zijn de fenomenen die wijzen op de volgende samenhang: Ik-bloed-lever. De lever heeft met de poortader zijn eigen bloedsomloop. Die ontgift het bloed. De gal zelf zit in een belangrijke kringloop: zij ontstaat door de werkzaamheid van de lever uit het bloed en zij brengt door haar verterende activiteit voedingsstoffen terug in het bloed. Bij geelzucht (icterus) is deze kringloop doorbroken: de gal gaat de weg terug naar het bloed/de lever. De pathologie maakt galstenen of galwegspasmen verantwoordelijk voor de geelzucht. Maar de echte oorzaak moeten we zoeken in de verhouding van Ik-organisatie en astraal lichaam, zoals we later zullen zien.

Uit de rode kleurstof van het bloed, de hemoglobine, resp. het ijzerhoudende hematine, vormt de lever bilirubine en biliverdine, de gele resp. groene kleurstof van de gal. Van bloed tot gal doorloopt hier een substantie het kleurenspectrum van de rode warmtepool tot het midden naar een chemisch werkzame pool. Het rode bloed draagt warmte, de groene gal verteert. Het geel van het midden is de uitdrukking van de bijzondere Ik-werkzaamheid (zie verder). Het oude gal-geneesmiddel, stinkende gouwe (Chelidonium majus), toont ons in de uiterlijke wereld het ontstaan van de galkleurstof. Chelidonium is een papaverplant. Het heldere rood van de papaverbloem is bij deze plant gemetamorfoseerd, afgezwakt tot geel, het bleef niet in de bloem zitten, maar verspreidde zich als geel over gans de plant: van het gele sap der stengel tot het gele sap van de wortel (cfr. Grohmann).

Er bestaan nog andere merkwaardige wisselwerkingen tussen bloed en gal. Galzure zouten bvb. lossen rode bloedlichaampjes op. Omgekeerd: grotere toevoer van rode bloedlichaampjes in de lever verhoogt de galproductie. Een nieuwe therapie behandelt pernicieuse anemie (een kwaadaardige bloedziekte) door grote hoeveelheden leversubstantie toe te dienen. De oude naam "melancholie" (= zwartgalligheid) duidt op de betrekking tussen lever-galsysteem en het Ik. Gelijkhebberij, starre begripsvorming, depressie kunnen symptomen van leverziektes zijn.
De hedendaagse mens, die aan zijn Ik lijdt, dat zijn meest acute probleem is geworden, neigt in toenemende mate tot leverziektes.
Ook in de taalgeest leeft dit verband. "Het ligt hem op de lever": hij is geremd in de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid. Zoals in het Duits in het woord "Licht" het woordje "Ich" verborgen is, zo vinden we in het Tschechische woord voor lever "Jatra" ook "Ja" (= ik) terug* . [ ... ]

Over het wezen van de geelzucht

Fosfor dat in kleine doses wordt ingenomen, werkt eerst opwekkend en dan, na enkele uren, slaapverwekkend. Fosfor (letterlijk: lichtdrager) draagt het Ik en met het Ik het astraal lichaam eerst in het ether- en fysiek lichaam, daarna draagt hij de twee eerste terug uit de laatste, het is als een in- en uitademing, een zachte ritmische werking.
Neemt men fosfor in grote doses in, dan stoot die het Ik met verwoestend geweld in het fysiek lichaam. Daarbij doet hij de rode bloedlichaampjes barsten en vernietigt hij de lever. Op de tweede plaats bij de meest voorkomende oorzaken van levercirrhose (= verschrompeling) staat chronische fosforvergiftiging. Ik-organisatie / bloed / lever is dus een baan van de vernietigende fosforwerking. Een andere baan is, zoals onderkaaksbeennecrose ons toont: Ik-organisatie / beendergestel. Steiner: " Het skelet is het fysieke beeld van de Ik-organisatie".

We hebben dus enerzijds dit zachte eenmalige in- en uitademingsritme van het Ik, veroorzaakt door kleine fosfordoses, en anderzijds de zware fosforvergiftiging die de Ik-organisatie in het fysieke lichaam perst met verwoestende kracht. Maar tussen deze twee ligt er een tussentoestand waarbij de Ik-organisatie intensiever, met een ritmisch herhalen, in de bloedlichaampjes indringt en uitgaat. De zachte in- en uitademing van de heilzame fosforwerking heeft zich a.h.w. verdicht tot een pulserend pendelen tussen fysiek lichaam en Ik-organisatie, dat zich in het bloed in de richting van de lever afspeelt. We proberen nu dit ritmische ineenspelen van Ik en astraal lichaam enerzijds en ether- en fysiek lichaam anderzijds uit te leggen als zijnde het wezen van de geelzucht.

Deze voor geelzucht karakteristieke toestand moeten we zoeken op de weg Ik-bloed-lever. Fosforvergiftiging kan geelzucht zonder cirrhose en levercirrhose zonder geelzucht veroorzaken -dat is duidelijk-, maar tevens levercirrhose met geelzucht. Men moet niet denken dat, als de cirrhose aanduidt dat het Ik volledig in het fysiek lichaam gedrongen is, dat dan een ritmisch heen en weer pendelen niet meer mogelijk is. Men moet zich eerder voorstellen dat in een levend en (evenwichts)zoekend organisme beide toestanden op verschillende plaatsen van dezelfde weg kunnen optreden.

Alcohol heeft met fosfor wezenlijke fenomenen gemeenschappelijk. Het is een brandstof: het brandt fysiologisch onze smaak, het brandt fysisch met vaalblauwe vlam, het heeft een relatief hoge brandwaarde. Zoals fosfor trekt alcohol eerst het Ik in het fysieke lichaam, hij wekt de mens, prikkelt hem geestelijk en lichamelijk en duwt dan weer het Ik uit het lichaam uit, waarbij afmatting en moeheid of, naargelang de dosis, bewustzijnsvermindering en een roes optreden. De meest voorkomende oorzaak van levercirrhose en de icterische en subicterische symptomen die daarbij optreden is de chronische alcoholvergiftiging, vooral ten gevolge van sterke-drankmisbruik. Met het niveau van sterke-drankgebruik in een streek hangt de frequentie van levercirrhose samen. [ ... ]

We kennen allen de uitdrukking "verlamd door schrik". Schrik en andere sterke gemoedsbewegingen kunnen inderdaad verlammingsachtige verschijnselen oproepen. Het is ook zo dat daarbij de Ik-organisatie te diep in de ledematen, in het fysiek lichaam is gedoken. De geelzucht die onmiddellijk na hevige schrik of ergernis optreedt kunnen we eveneens verklaren door te wijzen op het hierboven gekarakteriseerd samenspel van Ik en fysiek lichaam* .

In het lichaam van de moeder woont het Ik noch in de omhullingen van het embryo. Bij de eerste inademing ontplooien de longen zich. Hart en bloedsomloop ondergaan met acuut geweld een ingrijpende verandering. Langs de zintuigorganen, samen met de ingeademde lucht golft de buitenwereld tegen hetgeen tot dan toe ingebed in het etherwerken van de moederlijke sappen, slapend groeide. In de verbrandingswarmte van de eerste instromende luchtzuurstof, het Prometheusvuur, werpt het Ik in het astraal lichaam zich tegen de etherprocessen van het kinderlichaam in bloed en lever. Het heen en weer golven van deze processen in een ritmische afwisseling leidt tot de bekende Icterus neonatorum (de gele kleur van pasgeborenen). Dit komt bij twee derden van alle borelingen voor. Het verschijnsel verdwijnt als er een evenwicht bereikt is.

Bij een geelzuchtige worden alle weefsels van het lichaam doordrongen met de galkleurstof behalve het kraakbeen, de hoornhuid van het oog, de beenderen, zenuw- en hersenweefsel, en hersen- en ruggemergsvloeistof. De uitzondering bij kraakbeen en hoornvlies is te verklaren omdat er geen bloed in zit, bij de beenderen omdat er weinig bloed in zit en ze daarbij nog hard zijn ook. Voor hersen- en zenuwweefsel, vooral voor het hersenvocht volstaat een mechanische verklaring niet. Deze weefsels en vochten blijven vrij van de gele kleurstof omdat ze, als zenuw-zintuigpool van ons organisme, alleen nog maar het -naar het minerale neigende- aangrijpingspunt zijn van de geestelijke activiteit van het Ik.

De geelzuchtige krijgt last van jeuk. Een trillende beweging tussen fysiek en etherlichaam enerzijds en Ik en astraallichaam anderzijds breidt zich uit van de binnenkant naar de ganse huidopervlakte. Jeuk, een gevoel dat zo verschilend is van ontstekingspijn of wondpijn of pijn door uiterlijk letsel, kan heel duidelijk en direct als een oscilleren gevoeld worden. Jeuk is iets dat op weg is om pijn te worden. Door te krabben veroorzaakt men de pijn en daardoor houdt hij min of meer op. (Kiezel is een werkzaam middel tegen zo'n jeuk, het leidt door zijn vormkracht het Ik krachtig in de periferie en bedaart daardoor wat voorheen oscilleerde.)

Doordat het Ik in de lever tegengehouden wordt, ontstaan de psychische nevenverschijnselen van de geelzucht, het slecht humeur, de depressie, de patient die in zich verkrampt, een toestand neigend naar "melancholie".

De pendelslag van het Ik tegen het fysiek lichaam, dat de grondslag van de geelzucht vormt, kan in het bloedsysteem zo'n kracht krijgen dat bloed en vaatwand eronder lijden. Bij alle vormen van geelzucht stelt men bloeduitstortingen in de weefsels vast. Bij zware vormen daarbij nog verminderde bloedstolling en hemolytische verschijnselen (bloedontaarding). Uit wat de pathologie vastgesteld heeft bij het vooralsnog onduidelijk ziektebeeld van "hemolytische geelzucht" wordt met zekerheid duidelijk dat de Ik-organisatie het bloedsysteem (waarbij hier ook de milt wordt gerekend) ondermijnt, en dan op die manier in tweede instantie de lever verwoest.
Hierbij behoort ook de icterus die bij anemieën optreedt. Aan de basis van anemie en leukemie ligt een overwegen van het etherische van de stofwisseling t.o.v. de Ik-organisatie in het bloed. Het verdwijnen van de rode bloedlichaampjes en van de bloedkleurstof wijst erop dat de Ik-organisatie aan de verliezende kant is. Het vermeerderen van de witte bloedlichaampjes betekent dat het etherische vanuit de stofwisseling het lymfevormend proces verschuift tot in het bloed. Doordat nu de Ik-organisatie zich weert, ontstaat door het ritmische "gebeuk" de icterus, geelzucht dus.
Maar nog op een andere wijze kan een stuwing van de Ik-organisatie in haar fysiek aangrijpingspunt, de lever, ontstaan. Langs het bloed of vanuit de darm kan naar de lever toe het astrale overwegen. In het overwoekerend astraal lichaam breiden vreemde organismen zich uit naar de lever toe. Vanuit het bloed bvb. bij icterus infectiosus (ziekte van Weil) of bij gele koorts. Vanuit de darm bij gewone icterus catarrhalis en bij icterus van het type abdominalis en paratyfus ("opstijgende infectie van de galwegen"). Het ineenspelen van Ik en fysiek lichaam in het bloed ontstaat doordat de Ik-organisatie zich weert tegen haar verdringing door het astraal lichaam. Gele koorts treedt slechts op in de tropen en de ziekte van Weil bijna uitsluitend in de zomer, dus op plaatsen en tijden dat het Ik sowieso al losser in het organisme zit.
Icterus catarrhalis, te verklaren door een stuwing van het astraal lichaam naar de lever toe, brengt ons tot de icterus graviditatis (geelzucht door zwangerschap). We kunnen die niet mechanisch verklaren, door druk op en stuwing van de gal. Want soms treedt zij op voordat er sprake kan zijn van mechanische druk, en daarnaast hebben we nog de menstruele en premenstruele geelzucht. Eerder doet zich het volgende voor: Ik-organisatie en astraal lichaam van de zwangere vrouw trekken zich uit het onderlichaam terug en geven de ganse lichaamsholte over aan de inwerking van kosmische vormkrachten. Ik en astraal lichaam worden opgestuwd in de buurt van het middenrif. Vandaar dat 's morgens, als Ik en astaal lichaam in het fysiek lichaam terugkeren, de braakneiging optreedt, lang voordat er sprake kan zijn van een druk op de maag (door de zich ontwikkelende foetus - fdw).
Terug eens geelzucht als uitdrukking van een wisselwerking tussen enerzijds Ik en astraal lichaam, opgestuwd in de buurt van de lever, en anderzijds fysiek en etherlichaam.

Nawoord: over de biologie van het geelzijn

We probeerden hier het geel worden van een mens te verklaren als een karakteristiek indalen van het Ik in het fysiek lichaam langs bloed/lever. Misschien kunnen we dit grondfenomeen wel uitbreiden tot het geel worden van een mensenras. Rudolf Steiner deelt ons mee dat uit de atlantische mensheid het rode ras ontstaan is doordat bij een mensengroep voortijdig het beendergestel (fysiek lichaam) verhardde. Het zwarte ras doordat bij een mensengroep voortijdig het stofwisselingssysteem (etherisch lichaam) verhardde. Het maleisische ras doordat bij een mensengroep voortijdig het zenuwsysteem (astraal lichaam) verhardde. Bij de mensengroep die dan het gele ras is geworden verhardde voortijdig het Ik in het bloed.

Dit brengt ons misschien zelfs tot het wezen van het geel worden in de natuur zonder meer. In de herfst, als het Ik der Aarde vanuit de kosmos begint in te trekken in het fysiek aardelichaam, dan worden de groene blaren van de plantenwereld, de huid van de aarde a.h.w., geel. In de plantkunde spreekt men van het kapotgaan van het chlorofyl, een verklaring voor het geel en rood worden van de plantenwereld geeft ze niet. Wij hebben hierboven gesproken van de metamorfose van de rode bloedkleurstof tot gele en groene galkleurstof. Rood/geel/groen: zo verloopt deze metamorfose bij de mens. Groen/geel/rood is de volgorde bij de plant in de herfst, het omgekeerde beeld. En chlorofyl is het hemoglobine der plant, beide stoffen zijn dragers van het ijzer* .

Toen de oerklank van het Ik, de 'i', uit geestelijke hoogten neerdaalde om zich in de euritmie te belichamen, en toen de euritmische klank verdichtte tot een fysieke, symbolische gestalte, toen kreeg deze figuur een geel gewaad met rode sluier.

Icterus zou zijn naam gekregen hebben naar een sage van een gele vogel Ikteros, en van het zien alleen al van deze vogel verwachtte de geelzuchtige genezing. Was deze mythische vogel de gevleugelde 'i', de Ik-vogel ?




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Waarom geen Chinese cultuurperiode ?

door François De Wit


In de ontwikkeling van mens en aarde kunnen we verschillende grotere en kleinere tijdseenheden onderscheiden. Zo heeft de Aarde al stadia doorlopen die we aanduiden met de benaming van een hemellichaam, bvb. Saturnus, Zon, Maan. Zoals bekend leven we nu in de vijfde cultuurperiode van het vijfde tijdvak. Na het vierde tijdvak, Atlantis genaamd, volgde de zondvloed. Dan kwam de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische, de Egyptisch-Babylonische en de Grieks-Romeinse. Het lijkt erop dat de antroposofie alle grote, bekende culturen een plaats geeft, behalve een: de Chinese.
Dat heeft te maken met de sterke nawerking van Atlantische elementen in deze cultuur.
Sigismund von Gleich ging op zoek naar de oorsprong van verschillende volkeren, en legde daarbij interessante verbanden bloot ( in : "Der Mensch derEiszeit und Atlantis", Mellinger Verlag, 1936).

Een aantal begrippen die hij gebruikt, worden in de moderne antropologie niet meer gehanteerd (Indogermaans is bvb. Indo-Europees geworden), maar de moderne wetenschap vindt verklaringen uit de geesteswetenschap sowieso al onzin. We laten dus het verhaal maar beginnen, bij Noah:


Manoe of Noah leidde het bruikbaarste deel van het vijfde Atlantisras (de zgn. Oer-Semieten - fdw) uit het ondergaande Atlantis naar Binnen-Azië. Daarom representeert Noah de oerkiem die uit de zondvloed gered werd en verder ontwikkelde tot het vijfde wortelras (het na-Atlantische of Arische).
Noah had drie zonen: Japhet, Ham en Sem. Hoe moeten we deze nu historisch-ethnologisch duiden vanuit de inzichten van de geesteswetenschap over ijstijd-wereldgeschiedenis ?

Japhet stelt de hoofdmoot van de Indo-Germaanse mensheid voor. De volkeren die in Genesis genoemd worden, laten dat duidelijk zien: "Javan" zijn de Ioniërs, "Madai" de Meden, "Gomer" de Cimbren. Eigenlijk is het de Europees-Kaukasische mensheid die door Japhet voorgesteld wordt. Bij de Grieken heet hij Japetos, wiens zoon Prometheus door Zeus-Jupiter aan de rotsen van de Kaukasus geketend werd. Dit beeld zegt ons: De prometheïsche denkkracht, die de Arisch-Kaukasische mensheid in de na-Atlantische periodes moest ontwikkelen, wordt vooreerst met het hoge rotsgebergte van het hoofd verbonden, het Jupiter-denken krijgt een zetel in de hersenen. Japetos en Prometheus staan aan de spits van de Griekse stambomen. In de Oudheid werden de Grieken en Ioniërs beschouwd als een Zeus-Jupitervolk, een denkervolk zonder meer. Rudolf Steiner beschreef Plato als een typische vertegenwoordiger van deze geest.
De landstreek van de zee van Azow (of Asa-zee) tot aan de toppen van de Kaukasus, waar Europa overgaat naar Azië, werd in de Oudheid altijd Asia genoemd. "De Gotische en Scandinavische volkeren noemden de voet van de Kaukasus in hun Noorse heldenleer het Asaland, Asahaimur. Het is het oerverblijf der Asen, hun goden- en heldengeslacht, en in alle sagen trekt Odin van daar uit naar het Europese Noorden . . . Prometheus' moeder of gemalin was Asia. De verheven Kaukasus zelf heeft als oerverblijfplaats der Asen nog het oerwoord 'Asi' in zijn laatste lettergreep. Alle volkeren aanzien hem als een heilige bergketen." Asia is dus het land van de goden of engelen en wel speciaal van de Jupiterwezens waarmee de Arisch-Kaukasische of Indogermaanse volkeren van Europa zich verbonden voelden omdat deze goden in hen als vormkrachten vanuit de streek van de Kaukasus werkten !

[...] De oorsprong van zowel Indogermanen als Semieten moet worden gezocht bij dat deel van het Atlantische wortelras, dat ooit het Noordwesteuropese deel van Atlantis bewoonde, tot aan het Hyperboreërgebied, en dat naar Binnen-Azië werd geleid. Deze volksgroep mag 'Noah' genoemd worden, voorzover ze de zondvloed overleefd heeft. Uit deze Noah, de kiem van de Eurazisch-Arische mensheid stamt Japhet af, het Indogermanendom.
Sem of het Semietendom ontsprong weliswaar uit dezelfde kiem, maar vormde een aparte vertakking. In het Semietendom werkt namelijk het Toeraanse element verder.

De geesteswetenschap heeft vastgesteld dat op een bepaald moment de Noord-Atlantische volkerstroom samengekomen is met de zuidelijke stroom van Toeraniërs die alover Afrika Atlantis verlieten. Het Semietendom ontstond als een eigenaardige mengeling. "Alles wat bij de Toeraniërs decadent was, werkte eliminerend en omvormend bij het Hebreeuwse volk." (Rudolf Steiner legt uit in het "Mattheus-Evangelie" dat de oude Atlantische helderziendheid bij de Hebreeuwen zich niet manifesteerde in een lager astraal helderzien, maar naar binnen sloeg en het innerlijk leven organiseerde - fdw).
Sem is de pre-Ariërkiem die met de Noord-Aziatische, Toeraans-Mongoolse wereldstroming verbonden werd. Daardoor is Sem tegelijk datgene wat van het pre-Arische element, vooral in het Chinezendom verder leefde, hoewel daar het Mongoolse element sterker en doorslaggevender is geworden. Tenslotte is Sem het Semietendom van de latere tijd waarin het Eurazisch-Arisch element het Toeraanse element in de positieve zin heeft omgewerkt - dit in tegenstelling tot het Chinezendom.

Hieruit resulteert een zeer bijzondere polariteit tussen Semietendom en het Mongools-Toeraans Chinezendom. Het zijn twee verwante, maar polair tegengesteld-verwante elementen ! In deze beide volkergroepen, sterk in het bloed georganiseerd, werken naast de algemeen menselijke zonnekrachten vooral de Marskrachten der Toeraniërs. Maar bij de Mongolen overweldigen deze de zonnewerkingen, bij de Semieten is het omgekeerde het geval. Toch zijn beide rassen zeer oorlogszuchtig. Rudolf Steiner beschrijft dat in detail in de cyclus over de volkszielen (GA 121).

Het is een van de belangrijkste signaturen van de tweede na-Atlantische cultuurperiode, die in het teken van de Tweelingen staat: het ontstaan van het Semietendom en het polair tegengestelde Chinezendom, die in veel opzichten als licht en schaduw samenhoren. De oudchinese cultuur, die dan rond 3100 vanuit Binnen-Azië (Toerkistan) oostwaarts stromend aan het daglicht kwam, wilde het Luciferische geesteslicht van Atlantis bewaren; maar de oerperzische en de oudsemitische -die er parallel mee loopt- doken moedig onder in het duister van de materie en streden met de aarde-donkerte. De lichte Irancultuur stond tegenover de donkere magie van Toeran en bereidde het Christendom voor. Tegenover het Perzische dualisme van Ormuzd en Ahriman stond het oerchinese van Yin en Yang - het hemelse en aardse in polariteit.
Maar tegelijkertijd vormde zich uit de Toeraans-Arische vermenging de semitische Tweeling, wiens hebreeuwse tak het Christendom verder voorbereidde, terwijl de arabische tak als schaduw van het semitisme zich achteraf tegen deze laatste keerde. Maar ook in het Hebreeuwendom zelf, dat met Abraham begon, zoals het Arabierendom met Ismaël, openbaarde zich in de loop van de geschiedenis te allen tijde het Tweelingen-principe. Tegen het einde van de Tweelingen-periode verscheen het Semietendom -dat in de streek van de Kaspische Zee uit het contact met het Toeraniërdom ontstaan was- voor het eerst in Noord-Babylonië en veroverde door zijn oorlogszucht al vlug Voor-Azië, nadat het zich in Arabië, als in een secundair centrum, ingeburgerd had.


Ieder die het echte semitisch-hebreeuwse gezichtstype met bvb. het klassiek-turkse (Toeraanse) vergelijkt, zal de grote overeenkomst opvallen. Semieten en Chinezen zijn volkeren die enerzijds het rekenen en alle wiskunde, en anderzijds het geldwezen en alle handelsactiviteiten misschien wel het volmaakst beheersen ! Daarbij moet men in 't oog houden dat bij de Semieten behalve de Hebreeuwen van oudsher de Assyriërs, de Babyloniërs (sinds 2000 v.C.), de Syriërs, en natuurlijk de Arabieren gerekend worden. Mathematisme en monisme zijn de wereldbeschouwingen die klassiek zijn geworden dank zij het Semietendom.
Zo wordt het klaar en duidelijk hoe de leer van de atlantische Manoe vanuit Binnen-Azië enerzijds naar het Westen in het getoeraniseerde Semietendom en anderzijds in oostelijke richting in het arisch beïnvloede Toeraniërdom, d.i. Chinezendom, ingestroomd is. De Hebreeuwse Je-ho-va komt overeen met de Chinese naam van God "I-Hi-Wei", wiens drieëenheid Lao-Tse diepzinnig verklaarde:

"Naar wie ge kijkt en ge ziet hem niet, die wordt met de naam I genoemd. Naar wie ge luistert en ge hoort hem niet, die wordt met de naam Hi genoemd; naar wie ge met de handen grijpt en ge vat hem niet, die wordt met de naam Wei genoemd. Deze drie zijn ondoorgrondelijk; dusdanig zijn ze vereend."
[ ... ]


Zo zien we maar weer hoe misleidend schema's kunnen werken. Ze geven de indruk alsof ieder tijdvak of cultuurperiode een afgerond geheel is, terwijl in werkelijkheid voorlopers en achterblijvers tegelijk met de hoofdstroom actief zijn. Hieronder proberen we even in kaart te brengen wat hierboven besproken werd.
Voor de volledigheid vermelden we nog dat uit Ham het Hamietendom is ontstaan, meer bepaald door een vermenging van het vijfde en zesde Atlantisras. Hugo Obermaier schrijft daarover:

" De Oud-Egyptenaren zijn de belangrijkste vertegenwoordigers der Hamieten, dat zijn blanke Noordafrikanen, gelijkend op Europeanen, die naar huidskleur, haartype en on-negroïde gelaatstrekken meer bij het westelijke, middellandsezee-ras, moeten gerekend worden."



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Over de warmtezin

Norbert Glas schreef ooit een boek over de twaalf zintuigen, hoe ze belaagd worden en hoe ze kunnen behoed worden. We vertaalden en bewerkten het hoofdstuk dat gaat over de warmtezin.


Bij de warmtezin stuiten wij al direct op een probleem dat zich bij de andere zintuigen niet zo sterk stelt. Rudolf Steiner wees erop dat we bij warmte voortdurend kunnen gewaarworden hoe het fysische de ziel en de ziel het fysische beïnvloedt; want juist bij warmte voelen wij hoe de warmte van buiten innig verwant is met het element van de innerlijke ziele-warmte.

Als we de oorzaak daarvan willen op het spoor komen, moeten we verschillende feiten bekijken.

Waar nemen we de gewoonlijke warmte waar ? Het orgaan dat de warmte waarneemt is de huid, bevindt zich dus aan de oppervlakte van het lichaam. Bijzonder merkwaardig is dat alles wat door dit orgaan waargenomen wordt, het lichaam aanzet tot de grootste activiteit. Misschien moeten we toch wel benadrukken dat de warmtezin zowel koude als warmte voelt. We doen dit omdat de fysiologie vastgesteld heeft dat de huid zowel koude- als warmtepunten telt; zoals bekend zijn er veel meer koude- dan warmtepunten (250.000 tegenover 30.000). De laatste liggen wat dieper in de huid, dus verder weg van de lichaamsoppervlakte dan de koudepunten. Dat wijst er ons al op dat de mens van natuur uit gevoeliger moet zijn voor koude dan voor warmte. Het warmteproces in de mens is voortdurend en ononderbroken actief. Gewoonlijk zijn we ons daarvan niet bewust. We stralen warmte uit door onze huid, met onze ademhaling stoten we, ongeveer 18 maal per minuut, warmte af bij de uitademing, en nemen een portie koude op met de inademing.

Ook iedere opname van voedsel en drank verstoort een warmte-evenwicht, want deze hebben bijna nooit de zelfde temperatuur als het lichaam. De warmte van ons lichaam wordt van binnenuit door het bloed bepaald. Een ongewoon grote activiteit van het lichaam is nodig om constant 37° Celsius te kunnen aanhouden. Door warmte af te geven verliezen we onszelf telkens een beetje, door het standvastige aanwakkeren van de warmteproductie kunnen we onszelf handhaven. Het is dankzij de warmtezin dat ons lichaam te weten komt waar en hoe de warmte moet bezorgd worden. In de grond is het aanwakkeren van de warmteproductie iets dat in het zielsgebied ligt. Vandaar slaat het onmiddellijk in het bloed en werkt zich lichamelijk uit. Daardoor ontstaat die voortdurende pendel tussen het fysieke en de ziel. (In het bloed is het meer bepaald het ijzer van het hemoglobine dat de warmte draagt. In het ijzer zitten de marskrachten, die beletten dat de mens samen met de warmte uit zichzelf uitvloeit).

Het is dus zeer belangrijk dat de mens zijn warmtezin naar behoren ontwikkelt. De vroege jeugd is daarvoor van doorslaggevende betekenis. In die periode werkt de nog slapende ziel met alle warmtekracht in het lichaam. Het zwakke lichaampje, aan het begin van zijn groei, heeft bijlange nog niet de nodige warmteregulatie gevonden. Enerzijds wil de ziel het lichaam doordringen, maar anderzijds kan ze zelf de warmtehuishouding nog niet in stand houden. Daarom heeft het jonge organisme een steun en zorg van buitenaf nodig. In het moederlichaam wordt het kind wat zijn warmtebehoefte betreft volkomen beschut. Als bij de geboorte moeder en kind gescheiden worden, dan heeft dit laatste nog veel warmte nodig. Wordt hieraan niet of onvoldoende tegemoet gekomen, dan lijdt de warmtezin daaronder. Een oog bvb. dat niet goed op korte afstand ziet, wordt zwakker als men het daartoe dwingt, zelfs op latere leeftijd. Een kind dat te weinig warmte krijgt van de omgeving -omdat het bvb. niet warm genoeg gekleed wordt- verliest de gevoeligheid van zijn warmtezin. Die warmtezin wordt dan later een slechte overbrenger van de warmtestroom, d.w.z. het organisme verliest zijn zekerheid waarheen op een bepaald ogenblik warmte moet gestuurd worden. Rudolf Steiner heeft dikwijls gewaarschuwd voor de methodes om het lichaam te harden; hij wees er bij gelegenheid op hoe mensen die in hun jonge jaren schijnbaar zeer gehard waren, op latere leeftijd veel moeilijker de zomerwarmte konden verdragen. Dat is fysiologisch gemakkelijk te verklaren. Door ons te harden verlammen we in de eerste plaats de koudepunten, waarvan we er zoveel meer hebben, en als die verzwakt zijn, dan verhoogt daardoor de gevoeligheid voor warmte. Door een "koudekuur" in de jeugd wordt de warmtezin nodeloos overbelast. Die moet altijd aangeven waarheen er warmte moet gevoerd worden, maar dat gaat niet omdat het organisme nog niet genoeg ontwikkeld is. Tot op zekere hoogte wordt er dus nutteloze arbeid verricht. Het zintuig geraakt overwerkt en verliest zijn levendigheid. Dat blijkt dan als men volwassen is of ouder wordt. Dikwijls ontbreekt de noodzakelijke verbinding tussen het zintuigorgaan en het innerlijk functioneren van een orgaan.

De gevolgen zijn niet altijd zo "onschuldig" als het niet kunnen verdragen van de zomerwarmte. De warmtezin die niet goed werkt, merkt niet als er in de omgeving te lage temperaturen heersen. In plaats dat op een verlaging van de huidtemperatuur gereageerd wordt met meer warmteproductie, wordt de kou gewoon te diep in het lichaam toegelaten. Aldus staat de innerlijke orgaanwereld open voor invloeden van buitenaf. Daardoor kan de afweerkracht tegen bepaalde ziekten geneutraliseerd worden waardoor griepachtige ziekten de mens als een harde gesel kunnen treffen. Men mag nog zoveel energie steken in preventieve maatregelen, zolang men het warmtezintuig van de kinderen blijft verknoeien zal men in fysiologische zin niet veel bereiken. Vaccins en antibiotica zijn in de strijd tegen verkoudgheden slechts uiterlijke middelen, die op de diepere oorzaken niet inwerken. De eigenlijke menselijke weerstand wordt er niet door gesterkt.

Het hard maken van kinderen door ze kou te leren verdragen, wordt tegenwoordig niet meer als pedagogisch principe gehanteerd. Het gevaar komt nu uit een andere hoek:

- de mode om vooral meisjes, zelfs zeer jonge, met de lenden bloot te laten lopen;

- het dragen van kleding uit synthetische vezels, met groot volume maar weinig warmte;

- de ouders die de kinderen zelf hun kledij laten bepalen, zodat ze letterlijk en figuurlijk "cool" worden;

-ouders die de kledij meer aanpassen aan de autoverwarming dan aan de temperatuur op de speelplaats.

Het spijtige is dat oorzaak en gevolg zo ver uiteen liggen, waardoor het verband niet gezien wordt. Zo ken ik bvb. een oude vrouw die in haar jeugd goed gehard werd tegen de kou, zij kreeg geen kans om te "verwekelijken". Koel en hard werd zij opgevoed. Op het einde van de middelbare leeftijd kreeg zij een gewrichtsziekte die nog altijd voortschrijdt (arthritis deformans). Maar nog altijd heeft ze de gewoonte om haar kamer fris en koel te houden. Ondanks een zeer slechte bloedsomloop, met blauwkleurige ledematen, voelt zij geen kou, en zij laat de vensters openen bij temperaturen die een gezond mens doen rillen. Haar warmtezin werd in haar jeugd bedorven. Het moet niet altijd zolang duren -in het bovenstaande geval zo'n 45-50 jaar- voraleer de gevolgen van een verkeerde aanpak van de warmtezin duidelijk worden.

Er bestaat een heel land dat als voorbeeld kan dienen om te bestuderen waartoe een vroegtijdige onderkoeling van de menselijke natuur leidt !

In Engeland bvb. is het een regelrecht volksgebruik geworden dat het in een ruimte niet echt warm mag worden als men daar nog goed en correct wil werken. Zeker in de slaapkamer mag het daar niet warm zijn. En zo slapen kinderen van kleins af aan, net zoals de volwassenen, in onverwarmde slaapruimtes, in de winter, bij om 't even welke temperatuur. Als men ervan uitgaat dat dat veelgeprezen "harden" kan bereikt worden door de mens veel en lang bloot te stellen aan koude, dan zouden Engelsen, die aan koude kamers gewend zijn, de mensen met het meeste weerstand moeten zijn. En toch is juist het volkomen tegendeel waar. Want nergens ter wereld zijn er in de winter en in de tussenseizoenen meer verkoudheden dan in Engeland. Bij de verkoudheden moeten gerekend worden, behalve snotteren, hoesten, ontsteking van de slijmvliezen van de luchtwegen, bronchitis, en vele vormen van longontsteking, ook nog: lumbago, ischias, bepaalde neuralgieën en keel- en middenoorontstekingen. Vele van deze ziektes moeten opgevat worden als een poging om het warmte-organisme terug in orde te brengen wanneer dat dreigt uiteen te vallen. Dit orde-scheppen wordt spijtig genoeg verhinderd door de gewoonte van het land om deze ziektes met chemische en antibiotische middelen te bestrijden. Een innerlijke gezondwording is aldus onmogelijk.

Natuurlijk lukt het vaak om het lijden te verkorten door deze middelen, maar op deze manier kan men de weerstand van het lichaam niet vergroten. De warmtezin, die al zwak was, wordt nog zwakker in plaats dat hij gesterkt uit de ziekte tevoorschijn komt.

Door een voortijdig ongevoelig maken voor koude, geraakt de mens in een eigenaardige toestand. Hij verliest een natuurlijk en instinctief reactievermogen t.o.v. de omgevingstemperatuur. Hij kan het bvb. niet verdragen om samen met andere mensen in een goed verwarmd lokaal te zitten, hij vindt het terstond "stikkend" heet. Hij krijgt het gevoel niet meer te kunnen ademen of denken. Dat spreekt natuurlijk vanzelf: de warmtezin is defect, de verdeling van de warmte wordt niet meer fijn genoeg geregeld. Zo'n mens z'n kop wordt door zijn eigen hittegolven overspoeld want het bloed stijgt hem snel naar het hoofd. Hij gooit het venster open om frisse lucht te hebben, of hij zoekt een plek in de tocht op.

Zoals iemand door verkeerde eetgewoonten, vooral in de jeugd, een gezond voedingsinstinct kan verliezen, zo kan hij ook verleren om warmteverhoudingen juist in te schatten.

Mensen hunkeren naar een omgeving met zielewarmte. Dat geldt in de hoogste mate voor de kinderen. Gedachten en gevoelens die iemand innerlijk voor anderen koestert, stromen uit in de buitenwereld en hebben hun werking. De tuinier die graag planten ziet, de boer die graag beesten ziet, voeden en stimuleren hun planten en dieren totaal anders als een koel calculerende agronoom. Maar nog meer dan bloemen en planten hebben kinderen het warmte-element uit de zielekrachten van moeder, vader en opvoeders nodig. Spijtig genoeg is, hoewel het lichamelijk harden geen mode meer is, het harden van de ziel een principe dat nog vaak toegepast wordt. Een deel van de jonge moeders, nog vaker de jonge vaders, vinden dat een kort aangebonden spreekwijze, een koud naleven van orde en discipline, de beste opvoedingsstijl is. Bij zo'n behandeling bevriest de kinderziel. Het gevolg is dat het kind z'n levenskrachten verarmen, dat het fantasieloos denkt en oncreatief blijft.

Het orgaan dat met zielewarmte verbonden is, is het hart. In het hart stroomt van overal in het lichaam warmte binnen, wordt zeer fijn gemengd en kan door de ziel waargenomen worden. Het menselijk hart is een heel gevoelig zintuig voor de warmte in het bloed. Het idee dat het hart het bloed in het lichaam verdeelt kwam pas op toen men het hart tot een soort pomp gedegradeerd had. De werkelijkheid ziet er veel meer zo uit: enerzijds stroomt alle warmte met het bloed in het hart, zoals gezegd, vermengt zich, temperatuurverschillen verdwijnen, het stroomt verder. Anderzijds wordt, niet veel natuurlijk, voortdurend warmte geproduceerd door de hartspier en afgegeven aan het bloed. Belangrijk is dat de warmte, opgenomen door het zintuigorgaan "hart", de weg naar de ziel vindt. De ziel neemt dus de warmte van alle organen waar, en omgekeerd zal de zielewarmte die wij in ons binnenste koesteren naar alle organen gaan, het eerst naar het hart (terwijl de warmte uit de omgeving pas op 't laatste het hart bereikt !).

Als men het hart beschouwt als een zintuigorgaan dat de subtielste innerlijke warmtestralingen van het bloed moet opvangen, dan kan men vele ziekmakende processen begrijpen. Een zielehouding die leidt tot een koel, berekend, snel en zonder gevoel handelen, geeft het hart niets van wat het zou moeten krijgen aan innerlijke warmte. Men geeft het hart eenvoudig niet genoeg tijd om het warmtemengsel, het warmteverschil, te doorvoelen. De koude die van buitenaf in het organisme doordringt veroorzaakt vooral in het ademhalingssysteem ziektes; de koelte die van de ziel komt werkt op het hart zelf en op het stromende bloed. Als we iets doen, maar ook als we iets denken, waar het hart zich niet kan of wil mee verbinden, leggen we een eerste kiem voor een hart- of vaatziekte. De hart- en vaatziekten die aldus ontstaan zijn van het verhardende, sclerotiserende type; verkramping van de vaten, sclerosen, agina-achtige toestanden, angina pectoris, sclerose van de aorta, fibrillatie enzomeer.

In de kinderjaren uit zich dat natuurlijk niet. De warme vitaliteit die een kind nog heeft, biedt genoeg tegengewicht. Al wat een kind doet, vooral na het derde levensjaar, gaat gepaard met een actieve hartwarmte. Opvoeding en omgeving zorgen ervoor dat die vurige gemoedsstormen gedempt en afgekoeld worden - hetgeen tot op een zeker niveau te rechtvaardigen is. Voor het wezen van het kind blijft een te grote hartkoelte gering: dat gebeurt pas als de omgeving storend ingrijpt. Met welk een begeestering spelen kinderen niet, luisteren ze naar begripvolle leraars, beklimmen ze bomen, zitten ze verwachtingsvol voor het gordijn vóór de voorstelling begint. Er zijn oude mensen die het nog altijd warm krijgen als ze zich hun jeugd herinneren. Zelfs de herinnering laat dus nog van die hartwarmte opleven, en voor onze oude dag is dat heel belangrijk. Hoe meer zielswarmte en hoe meer echte vreugde wij in onze jeugd konden verzamelen, hoe groter voorraad wij organisch en psychisch opgeslagen hebben, iets waaraan wij ons op onze oude dag kunnen warmen.

Spijtig genoeg is de arbeidende mens van tegenwoordig precies aan het tegenovergestelde blootgesteld. Hij moet zich haasten om op tijd op zijn werk te zijn; daar mag hij geen tijd verliezen; alles is uitgerekend opdat hij op de kortst mogelijke tijd zoveel mogelijk werk kan verzetten. Komt hij er niet met zijn gewone werkuren, dan gauw nog wat overuren. Het noodlottige daarbij is dat de arbeid slechts als een last beschouwd wordt, men kan er steeds minder een warm gevoel mee verbinden. Het is dan ook geen wonder dat de mensen een slechte bloedsomloop krijgen, ziek worden van hun afgekoelde hart, als ze eerst tientallen jaren een beroep uitgeoefend hebben dat hen onverschillig (koud) laat. Gezondheidsstatistici der meeste cultuurlanden vragen zich altijd maar weer af hoe het komt dat, ondanks kanker en andere ziektes, de meeste mensen van nu toch nog het slachtoffer worden van een ziekte van de bloedsomloop. De "manager-ziekte" is zeer modern en algemeen geworden. Dat is natuurlijk geen wonder met onze manier van leven. Daarbij komen dan nog bepaalde nefaste levensgewoontes. Zo bvb. de deugd, of liever de ondeugd, om te pas en te onpas zwarte koffie te drinken. Die verwekt een deel warmte in het hart, vuurt het aan - maar wel gewelddadig, niet vanuit de werkelijke menselijke bloedsomloop. Als dan de werking van de koffie wegebt, volgt een verslappende reactie; het hart wordt beroofd van een levende kracht* .

.

Roken werkt anders. Het koelt het hart geleidelijk af omdat het een vernauwing van de vaten teweegbrengt. De bloedsomloop vertraagt, voert minder warmte mee, en mettertijd ontstaan verhardingen en zgn. verkalkingen. Waarom rookt de manager dan zoveel ? Hij wil beletten dat er teveel warmte in zijn innerlijk, vooral in zijn hart, ontstaat. Hij wil koel berekenen, zijn hart mag hem daarbij niet storen; daarom is het beste volgens hem om het hart te onderkoelen. Dat kan heel eenvoudig met een gif als nicotine. Jaren later wreekt zich dat natuurlijk, de gezonde hartwerking is ondermijnd, angina pectoris kondigt zich aan.

Ook als men regelmatig overwerkt geraakt, bederft men zijn hart. Een echte menswaardige arbeid brengt vreugde en bevrediging of enthousiasme. Wordt de arbeidslast echter te groot, dan verdwijnt alle vreugde, er komt in het hart eveneens een teveel van koude, met als fysiek gevolg storingen van hart en bloedsomloop.

Om deze ziektes enigszins te voorkomen zou de mens het roken en koffiedrinken moeten opgeven, dat spreekt vanzelf, maar in de eerste plaats zal hij zich toch een ziele-eigenschap moeten aankweken, die men de opgroeiende mens moet bijbrengen, en die de volwassene voortdurend moet onderhouden, en dat is het geduld. Precies omdat het warmte-element zoiets vluchtig in zich heeft, hebben we geduld nodig om dit element te kunnen beheersen. Eigenlijk zou iedere warmtestroom die uit het hart losgelaten wordt, rustig het orgaan moeten bereiken waarvoor hij bestemd is. Dat is even moeilijk als bvb. maar één gevoel in de ziel toelaten en het vasthouden tot het verdwijnt. Als we bvb. medelijden krijgen met een mens, dan is het moeilijk dit gevoel langere tijd vast te houden. Er komt misschien een gevoel van liefde bij, of een bewondering voor de betreffende, of ook nog diepe treurnis; al deze gevoelsgolven slaan over en vermengen zich, geen enkele deint afzonderlijk tot het einde uit.

Door ons geduld te oefenen zouden we ertoe moeten komen om alles rustig te verdragen en zijn gang te laten gaan (zonder onverschillig te worden natuurlijk - fdw). Ook als een mens ons iets zeer langdradig vertelt moeten we opmerkzaam luisteren, evenwel niet alleen uiterlijk, maar vooral innerlijk rustig; dat geeft de ander warmte. Ja, kunnen wachten tot het juiste ogenblik aangebroken is -in de zin van Goethes sprookje-, dat brengt harmonie in onze warmtestroom, dat sterkt hem, houdt hem levendig voor lange tijd. Als volwassene kunnen we een gevoel krijgen voor het belang van geduld door af en toe op ons leven terug te kijken. Men neemt bvb. enkele oude brieven en bedenkt welke emoties ze toentertijd losgemaakt hebben, welke verwachtingen, welk ongeduld: was dat werkelijk de moeite waard ? Had een stil afwachten ons niet verder gebracht ?

Omgekeerd stellen we ook vast dat mensen die lijden aan de hierboven genoemde ziektes, geweldig ongeduldig kunnen worden. Bij iedere gelegenheid bruisen ze op. We verwijzen terug naar het manager-type, en de vicieuze cirkel: door zich altijd te haasten, wat het ongeduld bevordert, hebben ze hun warmte- en hartorganisatie verzwakt. De verzwakte constitutie wordt op haar beurt een oorzaak van ongeduld.

Wat kunnen we aanbevelen om een generatie te kweken met meer geduld en minder vaatziektes ? In de eerste kinderjaren een zorgzaam omgaan met het warmte-organisme. Leraars en opvoeders die een voorbeeld moeten zijn. In de eerste zeven jaar, wanneer de nabootsing zo'n grote rol speelt, wordt het kind tot in zijn organen geduldig en doorwarmd als de omgeving eveneens geduldig blijkt. Spijtig genoeg valt het de volwassenen zwaar om het kind in zijn vele ritmische en zeer gezonde herhalingen niét te storen. Wordt het kind te vaak gestoord, dan wordt het ongeduldig, nerveus, en zijn warmtezin wordt geschaad.

Hoe meer de mens weet over zijn leefwereld, hoe beter hij deze verstaat - en des te geduldiger stelt hij zich op. De moderne levenswijze doet echter alles om de mensen ongeduldiger te maken. Om dit te ervaren moet men maar eens een van de vele sportmanifestaties meemaken, waar zowel spelers als toeschouwers opgehitst worden, en er precies het tegendeel heerst van geduld of van een harmonisch zich inleven in de omgeving.

Iedere al te grote opwinding vernietigt, vooral in de jonge jaren, iets van de natuurlijkheid van de warmtezin. Ieder examenssysteem in de scholen, waarbij het kind dan nog binnen een bepaalde tijd moet klaar zijn, werkt bijzonder nefast, afgezien van al het andere schadelijke dat in zo'n testsysteem ligt. Verwoestend werkt het inspelen op de eerzucht der kinderen. Niet voor niets spreekt men van "brandende" eerzucht. Er wordt weliswaar een vuur ontstoken, maar de vlam is egoïstisch, ze wil de mens alleen dienen, en haar warmte is vernietigend voor ziel en organen. De mens brandt psychisch meer en meer uit (vgl. burnt-out-syndroom - fdw). Er worden impulsen gewekt die zeer negatief werken. Machtsstreven, gevoelens van meerderwaardigheid, onsociaal gedrag, zijn dikwijls de gevolgen. Spijtig genoeg is het schoolwezen tegenwoordig gebouwd op het principe van de eerzucht. Want het examenssysteem leidt ertoe dat iedereen "de eerste" wil zijn. Hoewel de ervaring leert dat het meestal niet de "eersten" uit school of universiteit zijn die ons de waardevolste prestaties voor de mensheid brachten, toch rolt het systeem onverstoorbaar verder. De "selectie van de bekwaamsten" geschiedt nog altijd aan de hand van examensuitslagen, en men staat er paf van als blijkt dat iemand zonder "kwalificatie" ook tot iets in staat is. Het doorworstelen van examens wordt nog altijd beschouwd als een darwinistische "strijd om het bestaan", een van de giftigste ideeën voor het menselijk denken. Een inspanning leveren ter wille van een prijs is iets dat ons moreel zeer gemakkelijk corrumpeert. In het hedendaagse sportgebeuren laten zelfs verstandige mensen zich erdoor meesleuren. Om wille van een honderste van een seconde worden mensenlevens op het spel gezet. Slachtoffers van deze recordwaanzin zijn niet alleen sportlui maar ook toeschouwers. Ze geraken psychisch en lichamelijk overhit. De warmtezin wordt overbelast en voor het leven verzwakt.

Na dergelijke overwegingen voelt men het als een zegen aan dat in de pedagogiek van Rudolf Steiner alle waarde op de ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid gelegd wordt, en men alles vermijdt wat de eerzucht aanwakkert of dat op competitie lijkt. In schoolverband is dat natuurlijk alleen te verwezenlijken als men afziet van "toetsen", zoals dat in Steinerscholen het geval is. Daardoor wordt de natuurlijke warmtezin gerespecteerd. Het valt vele mensen op, en men kan objectief constateren, dat kinderen die uit de Steinerschool komen, een merkwaardige karaktereigenschap vertonen, die hen onderscheidt van scholieren uit andere scholen: een bijzonder vrij, open, warm wezen. Ze hebben het minder moeilijk om mens en wereld met een innerlijke hartwarmte tegemoet te treden. Dergelijke uitspraken hoort men van pedagogen met verschillende achtergrond.*

In de hedendaagse opvoeding heeft men gekozen voor een systeem van competitie en examens, en het gevolg daarvan is een cultuurziekte die op grote schaal verspreid is, nl. het minderwaardigheidscomplex. Wat werkt de ontwikkeling van een dergelijk complex in de hand ? Het feit dat de mens moet ervaren dat een ander meer examens doorstaan heeft, daardoor tot een betere positie is geraakt, en meer gewaardeerd wordt door de maatschappij.

Wat heeft dat nu met de warmtezin te maken ? Welnu, zowel machtsstreven als minderwaardigheidsgevoel beschadigen dit zintuig. Een gezonde levenswijze maakt dat warmte harmonisch en zonder wrijving of hapering de weg van het fysieke, langs het hart, naar de ziel kan nemen; in omgekeerde richting gaat de zielewarmte via het hart naar de organen. Dit subtiele over en weer van warmte in ziel en lichaam kan niet meer functioneren als de warmtezin door de opvoeding thuis en op school en door het ganse cultuurleven verknoeid wordt. Om dit in te zien moet men anders beginnen denken, dan zal men ook willen toegeven dat bvb. leren en onderzoeken vanuit een begeestering voor het onderwerp een warmte in de mens doet gloeien die kracht en uithouding brengt. De warmtezin jubelt als het ware in zulke gevallen. Maar het taaie blokken voor een examenvak blust meestal ieder enthousiasme uit, maakt het hart koud en doet het samenkrimpen, zeker als er dan nog examenstress optreedt; de vrije circulatie tussen lichaamsorgaan en de gevoelige ziel wordt onderbroken** . Het is moeilijk om deze gevaren te herkennen omdat er zoveel jaren liggen tussen het trauma, de schok, en het afsterven van de warmtezin, het afkoelen van het hart, en de sclerose die in een orgaan optreedt. Het geleidelijk afsterven van de warmtezin in de huidige cultuur is er de oorzaak van dat de mensen die om een of andere reden géén kanker krijgen, meestal aan een hartziekte bezwijken*** . De individuele mens kan zich tegen de negatieve levensinvloeden vooral beschermen door geduld te ontwikkelen, hoe moeilijk dat in onze tijd ook is.

Een volwassene kan geduld leren als hij zich in de loop van zijn leven oefent om de meest verschillende meningen objectief te beschouwen en naast elkaar te leggen. Dezelfde zakelijkheid moet hij aan de dag leggen bij alle grote en kleine gebeurtenissen. Eenvoudige voorbeelden uit het leven van alledag kunnen dit het best illustreren. Een auto rijdt aan een rustig tempo op de straat. Achter hem komt een andere wagen. Van de andere kant komt een tegenligger, daarom moet de tweede wagen een beetje vertragen en wachten om in te halen. Is de tweede bestuurder iemand die zijn geduld oefent, dan zal hij rustig afwachten tot hij kan inhalen. Misschien denkt hij: die hier vóór mij heeft tijd, het kan zijn dat hij wat ontspant en bekomt van een drukke dag, daarom rijdt hij op zijn gemak. Een ongeduldigaard echter wordt direct nerveus. Het bloed stijgt hem naar het hoofd omdat iemand zijn weg verspert; misschien begint hij te vloeken en te claxoneren om uiting te geven aan een opgekropt gevoel. In het voorbijsteken maakt hij ook nog een veelbetekenend gebaar naar de bestuurder die het kalmer aan doet. Voor ons is een dergelijke reactie interessant omdat de ongeduldige bij zichzelf een warmtestoot teweegbrengt. Hij treft met een te grote hittegolf zijn eigen hart. Daar blijft de warmtestuwing enkele ogenblikken aanhouden en vloeit dan af naar een ander orgaan zoals bvb. het hoofd.

Geduldig wordt men als men rekening houdt met de omstandigheden, en alle situaties met begrip beschouwt. Staat iemand aan het postloket waar er vier personen vóór hem staan, dan kan hij ongeduldig van het ene been op het andere springen, en de postbeamte die zo traag zijn werk verricht naar de duivel wensen. Maar evengoed kan men zijn tijd gebruiken om andere mensen te observeren, hoe ieder terwijl hij aan 't wachten is, andere bewegingen maakt. Of men kan eens stilstaan bij het werk van de postbeamte, hoe die daar iedere dag zijn acht uren moet uitzitten, en zoveel mensen moet bedienen. Het is geen eenvoudige opdracht om dat in alle rust te doen. Terwijl men dit overweegt is men dikwijls al aan de beurt, koopt postzegels, en gaat een beetje wijzer, met meer evenwicht in de warmtehuishouding, en dus gezonder, naar buiten.

Wanneer zo'n gedrag eenmaal diepe levensgewoonte is geworden, dan helpt dat om onze warmtezin krachtig te maken. En het menselijk hart zal zich ook meer in evenwicht voelen. [ ... ]




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Alcohol vroeger en nu

door Jan Vermeir


"Noah was landbouwer en hij was de eerste die een wijngaard plantte" (Gen. 9:20). Deze tekst is de oudste ons bekende verwijzing naar de wijnteelt en wellicht was Noah, de oervader van de moderne mens, inderdaad de eerste die aan wijnbouw deed. Om dit vermoeden te onderbouwen moeten we ons een beeld vormen van de levensomstandigheden in de tijden vóór de zondvloed. Na de zondvloed hebben Aarde en mens de vorm gekregen die zij nu nog hebben, maar ervoor was de toestand zeer anders. De materie van de Aarde was toen veel weker, ook zeer onderhevig aan vormveranderingen, de atmosfeer was een dichte nevel die het zonlicht tegenhield, en het menselijk fysiek lichaam was eveneens veel minder vast dan tegenwoordig het geval is. De Atlantische mens was niet aan de Aarde verknocht, en hij had evenmin een Ik, t.t.z. dit was wel in aanleg aanwezig, maar hij had het nog niet in zijn wezen opgenomen. De Atlantiër voelde zich eerder thuis in de geesteswereld dan op de fysieke aarde. Hij had weet -al was het meer een dromend dan een bewust weten- van de geestelijke wereld, en in dit bovennatuurlijk element leefde hij, temidden van geestelijke wezens. In zekere zin werd alles georganiseerd en gedirigeerd door die wezens rondom hem. Wij hedendaagse mensen weten slechts iets van het bestaan hier op Aarde, over een voorgeboortelijk leven en een leven na de dood weten wij niets. Ook dit was anders bij de Atlantiër, want deze had een continu-bewustzijn, d.w.z. dat hij zijn voorgeboortelijk leven en zijn vorige incarnaties kon overschouwen. Voor hem maakte het niet veel verschil uit of hij in een fysiek lichaam leefde of niet, want er was slechts een licht verschil tussen beide toestanden: tijdens zijn fysiek leven nam hij de geesteswereld alleen minder helder waar.

Omdat deze bestaanswijze niet eindeloos kon duren -de mensheid moet immers evolueren- moest er een fundamentele verandering teweeggebracht worden, en die heeft zich voltrokken door de zondvloed. De nevelmassa rond de Aarde zakte naar beneden en veroorzaakte zo die geweldige overstromingen die de zondvloed karakteriseren; het zonlicht kwam vrij waardoor de Aarde van een borrelende massa in een vaste substantie veranderde. Wij weten dat het zonlicht een bepalende factor is om de wijnplant te laten gedijen, en aangezien die voorwaarde slechts vervuld was na de Atlantische catastrofe, kunnen wij met recht vermoeden dat Noah de eerste was die een wijngaard plantte. Wij zullen verder nog zien welke functie de wijnstok te vervullen had in de ontwikkeling van de mensheid.

De Aardesubstantie werd dus vaster, en ook het fysieke lichaam werd steviger en vaster; daardoor echter werd de instinctieve verbinding met de geesteswereld verbroken, zodat uiteindelijk nog slechts een herinnering aan deze laatste overbleef. De band met de geestelijke wezens bestond niet meer, en de mens stond alleen, tegenover de buitenwereld, alleen tegenover een wereld die buiten hem was. En precies door de confrontatie van zijn eigen wezen met de dingen buiten hem, werd hij zich bewust van zijn zelfstandigheid. Zijn wezen stootte tegen de dingen aan, en de mens dacht: "Dat is iets dat vreemd voor mij is, dat niet tot mijn wezen behoort". Het Ik in de mens was geboren.

Nochtans had de mens aanvankelijk nog een groot heimwee naar het samenzijn met de godenwereld, voor hem was die wereld het ware bestaan, en het stoffelijke beschouwde hij als een illusie, als een onware wereld. Bovendien was de reïncarnatiegedachte nog vanzelfsprekend, waardoor de mens de neiging had zijn doel hier op aarde uit te stellen naar een volgende incarnatie, op gevaar af nooit een gepaste verhouding tot de Aarde te vinden. Rudolf Steiner zegt in dit verband dat iedereen tenminste eenmaal een incarnatie moet doormaken waarin hij niets weet van de herhaalde aardelevens, opdat hij zich volledig zou kunnen concentreren op die ene incarnatie waarin hij leeft. Dat de mens zich zou afkeren van zijn aardetaak, dat mocht niet gebeuren; er moest een middel gevonden worden om hem meer bij het fysieke te betrekken. Dat middel was de alcohol. In zijn uitstekend boek "Heilpflanzenkunde" schrijft Wilhelm Pelikan hierover: "De afsnoering van de geestelijke wereld, het zichzelf beleven in de eigen fysieke lichamelijkheid, de ontwikkeling van de egoïstische krachten, is eens, duizenden jaren geleden, een voor de ontwikkeling van de mensheid wereldnoodzakelijk proces geweest. Dat werd tot stand gebracht door het gebruik van alcohlische dranken ... Dit deed de oude helderziende krachten verdwijnen en het bedwelmde de mens totdat hij de moed vond zich in het gebied van het fysiek-materiële bestaan te wagen."

Hoe is echter het alcoholgebruik en het effect dat daardoor teweeggebracht wordt, te rijmen met de boodschap van Christus ? Want Christus' doelstelling was toch niet om het egoïsme te verbreiden, maar om de mens de volle kracht van het Ik te geven, opdat dit Ik zich in volledige vrijheid kan ontplooien, en zodoende, als een daad van vrije wil, de liefde kan schenken. Die liefde, die zich als laagste vorm manifesteert in de zinnelijke liefde, moet evolueren naar een geestelijke liefde. Het Christus-principe vertegenwoordigt deze meest verheven vorm van liefde.

Een antwoord hierop vinden wij in het Evangelie volgens Johannes, daar waar verhaald wordt over de bruiloft te Kana (Joh. 2:1-12).

De bruiloft te Kana is de geschiedenis van de Ik-ontwikkeling, samengevat in drie stappen: het groeps-Ik, het lagere Ik en het hogere Ik. Op deze bruiloft veranderde Jezus, op vraag van zijn moeder -want de wijn was op-, water in wijn. Het is misschien merkwaardig dat Jezus een huwelijk bijwoont in Kana, gelegen in Galilea, en niet bij Zijn volk in Judea. Rudolf Steiner geeft hierover deze uitleg: de Joden hielde streng vast aan het principe van de bloedverwantschap, en als dusdanig huwden zij uitsluitend binnen de eigen (grote) familie, later binnen de eigen stam. De bloedbanden bewerken dat het persoonlijke opgenomen wordt in het groeps-Ik. Daardoor wordt de individualiteit ondergeschikt aan de groepsgebondenheid. De Judeeërs voelden werkelijk de geest van hun voor- en stamvaderen door hun aders vloeien.

Het nakomelingschap uit bloedverwantschap moest verdwijnen om de eigen individualiteit te ontwikkelen, en daarom wendt Jezus zich niet tot Zijn eigen volk voor het bijwonen van een huwelijk, maar tot een volk uit Galilea, waar al een sterke rassenvermenging bestond, waar het groeps-Ik dus niet meer beleefd werd.

Jezus antwoordt op het verzoek van Zijn moeder (om water in wijn te veranderen): "Vrouw, wat is er tussen mij en u, mijn uur is nog niet gekomen". Hij wijst hier op de onverenigbaarheid van Zijn hogere Ik en het lagere Ik, dat gedetermineerd wordt door zijn verwantschap met Zijn moeder.

Tegelijkertijd weet Hij dat de mens nog niet in staat is om het hogere Ik op te nemen, vandaar de uitspraak "Mijn uur is nog niet gekomen". Toch willigt Hij de vraag van Zijn moeder in en verandert Hij het water in wijn, want Hij beseft dat het zich ontplooiende Ik nog een hulpmiddel nodig heeft om een vaste bodem te vinden.

Nietegenstaande de alcohol eens zijn rechtmatige functie gehad heeft, gaat er in deze tijd een schadelijke werking van uit. Hieronder zal gepoogd worden uiteen te zetten waarom dat zo is.

Naast eiwitten, vetten en zouten is zetmeel een der hoofdbestanddelen van de menselijke voeding. Zetmeel komt -onder de vorm van koolhydraten- vooral in planten voor. Die koolhydraten worden bij het nuttigen ervan, door ptyaline (afgescheiden door de speekselklieren) en door pepsine (maagsap) in de maag omgezet tot zetmeel, en verder wordt dit zetmeel door trypsine (pancreassap) in de darmen omgezet in suikers, die door het bloed worden opgenomen.

Alles wat verband houdt met de vorming van suikers in het lichaam staat voornamelijk onder de invloed van de Ik-organisatie; wanneer suiker rechtstreeks genuttigd wordt, treedt de Ik-organisatie onmiddellijk in werking: "Waar suiker is, daar is Ik-organisatie; waar suiker ontstaat, daar treedt de Ik-organisatie op om het ondermenselijke (vegetatieve, animale) van het lichaam in de richting van het menselijke te oriënteren" (1).

Uitgaand van het assimilatieproces kan men twee plantensoorten onderscheiden. De ene tendeert naar het produceren van zetmeel -de graangewassen-, de andere naar de productie van suikers -de fruitgewassen. In de vruchtvorming heeft de plant zijn organisatie ten top gedreven, daar heeft hij een eindpunt bereikt. Uit de koolhydraten van de plant werd in de vrucht het suiker zelf reeds bereid; eigenlijk is de vruchtsubstantie reeds van de plant afgezonderd. In tegenstelling tot de vrucht die een eindproduct is en die al in het bereik komt van ontbindingsprocessen, wordt in het zaad het vermogen tot nieuw leven opgenomen, dat wat kiem- en groeikrachten bevat.

Nu is het met de wijnstok zo gesteld dat deze een deel van de kiemkracht die in het zaad zou moeten overgaan, in de vrucht overdraagt. Rudolf Steiner hierover (2): "Wat de andere planten niet voor zichzelf gebruiken, de groeikrachten die zij bewaren voor de jonge kiem, stroomt bij de wijnstok op bepaalde wijze ook in het vruchtvlees .." Levenskracht wil zich hier vastzetten in wat in zekere zin al dode substantie is, en wat gebeurt daardoor ? De opgenomen kiemkracht wil het dode weer tot leven wekken, maar slaagt daar niet in, de levenskrachten vinden hier de voorwaarden niet om tot ontlading te komen, en daardoor ontstaat er in het vruchtvlees zo'n enorme stuwkracht dat de dode substantie van het vruchtvlees begint te gisten. Door het gistingsproces ontstaat, onder invloed van zonnekrachten, uit het druivesuiker, de alcohol. Door de werking van de alcohol wordt het druivesap wijn. Alcohol oefent op de plant, weliswaar op lager niveau, eenzelfde werking uit als de menselijke Ik-kracht op het bloed: " ... Door de zgn. gisting, de omzetting van wat in de druif zelf tot de hoogste spanning is opgevoerd, ontstaat iets dat in feite binnen in de plant een macht uitoefent die kan worden vergeleken met de macht die het Ik van de mens heeft over zijn bloed. Bij de wijn-, de alcoholproductie gebeurt dus in een ander natuurrijk hetzelfde wat de mens presteert wanneer hij vanuit zijn Ik op zijn bloed werkt." (2)

Fysieke materie is onderhevig aan drie vormen van bederf:
- verrotting van eiwitten - wordt tegengegaan door het etherlichaam,
- verzuring van vetten - tegengegaan door het astraal lichaam, en
- gisting van de suikers - tegengegaan door de Ik-organisatie.

Uit dit laatste kan afgeleid worden dat in de Ik-organisatie een kracht schuilt die groter is dan de gisting; ook in de wijn is een kracht aanwezig die groter is dan de gisting, aangezien hij deze laatste overwonnen heeft, en hieruit blijkt -en het bevestigt Rudolf Steiners bewering hierboven- dat in de wijn een vermogen schuilt dat evenwaardig is aan de activiteit die de Ik-organisatie ontplooit.

Wat gebeurt er nu bij het drinken van de wijn ? Het "tegen-Ik" van de wijn verdringt de menselijke Ik-organisatie daar waar zij haar werking uitoefent op het spijsverteringsproces, d.w.z. alle omzettingsprocessen en -stoffen zoals pepsine, ptyaline en trypsine worden omzeild, zodat de alcohol rechtstreeks in het bloed wordt opgenomen. "Terwijl het bloed, suiker bevattend, door het gehele lichaam circuleert, draagt het de Ik-organisatie hier doorheen" (1). Het tweede Ik, het alcohol-Ik, dat nu in het bloed aanwezig is, verdrijft de Ik-organisatie hieruit, en aangezien deze nu geen meester meer is over haar fysieke werktuig, het bloed, wordt zij a.h.w. verlamd, werkloos gesteld.

Door alcoholgebruik wordt het bewustzijn afgeleid naar de lagere organisatie, en uiterlijk is dit proces duidelijk te volgen: eerst treedt opgewondenheid, driftigheid op, doordat het astraal lichaam komt bloot te liggen, dit wordt immers niet meer door het Ik beheerst. Ook het etherlichaam wordt beïnvloed. Men kan namelijk merken hoe de temperamenten extra geactiveerd worden:

- een cholericus kan gewelddadig worden,
- een melancholicus vervalt in zelfbeklag,
- een sanguïnicus wordt praatziek en uitgelaten,
- een flegmaticus wordt zwijgzaam en verzinkt in apathie.

Tenslotte wordt het fysiek lichaam in beslag genomen, en de bedronkene wordt, zoals Wilhelm Pelikan opmerkt, "vooral dronken van zijn eigen lichamelijkheid, die hij krachtiger, steviger beleeft dan de nuchtere. Hij beroest zich aan de aards-fysieke zijde van het bestaan. Dat versterkt de egoïstische krachten. De bedronkene geniet van zichzelf, betrekt alles op zichzelf, totdat hij tenslotte in een roes, in zijn eigen lichamelijkheid, wegzinkt".

Tegenwoordig hebben wij ons zover ontwikkeld dat wij een soliede relatie opgebouwd hebben met de fysieke materie. Was het gebruik van alcohol destijds noodzakelijk en heilzaam, dan is dit nu overbodig geworden, meer zelfs, verder alcoholgebruik zou achteruitgang betekenen. Wij moeten nu bewust gaan zoeken naar onze geestelijke verbinding met God, en dat kunnen wij niet zonder ons vrije Ik daarbij te betrekken.

"Mijn uur is nu gekomen", zegt de Christus Jezus ons; de tijd is aangebroken om de wijn terug in water te veranderen (het water is het symbool van de zuiverheid). Wellicht zal menigeen opmerken dat het drinken van een klein beetje alcohol toch niet echt schadelijk kan zijn. Maar Rudolf Steiner is radicaal en hij antwoordt daarop: "Wie een geestelijke scholingsweg wil volgen, moet zich onthouden van iedere druppel alcohol."



Toevoeging op 5 januari 2022 :

Uit GA 94 "Kosmogonie" (uitgave 2001, blz. 304) :

"Op een bepaalde trap van de occulte ontwikkeling wordt de leer van reïncarnatie voor de mens niet enkel een theorie maar iets wat hij aan zichzelf waarneemt. Hij ziet dit helderziend aan zichzelf en anderen. Tot dit vermogen kan niemand komen die nog een druppel alcohol geniet. Andere krachten kan de mens door oefeningen verwerven, maar deze nooit."



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Wat er nodig is voor onze cultuurperiode

In een reeks voordrachten over driegeleding, over impulsen in het sociale leven, sprak Rudolf Steiner over zaken die zouden moeten veranderen in het huidige cultuurleven (in GA 190 "Vergangenheits- und Zukunftsimpulse")
Op het einde van de vierde voordracht overloopt hij er enkele.

[ ... ]
"Ziet u, het is belangrijk om dat te begrijpen. We zijn nu in het vijfde na-Atlantische tijdvak; vóór ons liggen nog het zesde en het zevende tot aan een groot breekpunt in de mensheidsontwikkeling. Tijdens dit vijfde na-Atlantische tijdvak moet de taal terugkeren tot het concrete, tot het beeldende voorstellen. Slechts op die manier kunnen wij de opdracht van dit vijfde na-Atlantische tijdvak werkelijk vervullen. Maar de taal zal des te minder terugkeren naar het beeldende voorstellen, hoe meer de Staat het geestelijk leven onder zijn juk brengt. Hoe meer scholen en andere geest-instituten "genationaliseerd" werden, des te abstracter het geestesleven geworden is. Het is pas een geestesleven dat op eigen voeten kan staan, dat dit noodzakelijke beeldend worden van het menselijk wezen kan bewerkstelligen zoals dat moét gebeuren. In de loop van het vijfde na-Atlantische tijdvak zullen zich binnen dit streven dingen voordoen die zeer storend zullen ingrijpen in het spirituele streefdoel. In dit vijfde na-Atlantische tijdvak zal slechts die mens een juist eigengevoel hebben die zich in de volgende situatie kan indenken: je staat in de wereld, je moet je bewust zijn dat je van de ene kant steeds dichter bij een luciferische wezenheid komt, van de andere kant dicht bij een ahrimanische.

Dit levendige gevoel, in deze triniteit te staan, te bestaan, als mens, dat moet de mensen in de loop van dit vijfde na-Atlantische tijdvak altijd meer doordringen; daardoor ontsnappen ze aan de grootste gevaren van dit vijfde na-Atlantische tijdvak. De meest verscheidene karakters zullen optreden tijdens dit vijfde na-Atlantische tijdvak: er zullen idealisten zijn, er zullen materialisten zijn.

Maar de idealisten zullen altijd weer gevaar lopen om met hun voorstellingen in luciferische regionen terecht te komen en dwepers, fantasten te worden, fanatiekelingen, Lenins en Trotskys, zonder werkelijke bodem onder de voeten; in hun wil kunnen ze gemakkelijk ahrimanisch worden, despotisch, tiranniek. Er is toch helemaal geen verschil tussen een tsaar en een Lenin !

De materialisten worden in hun voorstellingen gemakkelijk ahrimanisch, nuchter, droog, burgerlijk; in hun wil daarentegen kunnen ze luciferisch worden, dierlijk, begerig, nerveus, gevoelerig, hysterisch. Ik schrijf het even op:

Idealisten: Voorstellingen worden vlug luciferisch.
Dweepziek, fantast, fanatiek.
De wil wordt vlug ahrimanisch; despotisch, tiranniek.

Materialisten: Voorstellingen kunnen vlug ahrimanisch worden;
nuchter, droog, burgerlijk.
De wil kan vlug luciferisch worden;
dierlijk, begerig, nerveus, overgevoelig, hysterisch.

U ziet dat zowel idealisten als materialisten in het vijfde na-Atlantische tijdvak aan dezelfde gevaren blootstaan. Voor de idealisten dreigt van luciferische kant gevaar voor hun voorstellingen, van ahrimanische kant voor hun wil. Bij de materialisten net omgekeerd. De verschillende karakters zullen dit vertonen met de meest verscheidene nuances. Daar zal de moeilijkheid liggen om de mensheid echt vooruit te helpen, want al deze nuances zullen tegelijkertijd evenveel mogelijkheden tot dwaling voor de mensheid in zich bergen. Want nooit zal de mens alleen als idealist of alleen als materialist op de juiste manier vooruitkomen; slechts als hij de goede wil heeft om zowel in de materiële werkelijkheid met begrip door te dringen, als om zich door de geest op de juiste manier te laten verlichten, kan hij er geraken. Maar eenzijdig mag men niet worden, zelfs niet wat betreft de allerconcreetste levensinzichten.

Wie alleen maar kinderen graag heeft, loopt gevaar dat zeer sterke ahrimanische invloeden op hem werken; wie liever met ouderen omgaat, loopt gevaar dat zeer sterke luciferische invloeden op hem werken. Veelzijdigheid der interessen, dat is wat de mens nodig heeft als hij zijn steentje wil bijdragen tot een vruchtbare ontwikkeling van de cultuur naar de toekomst toe. Dat zal voornamelijk de opdracht van het vijfde na-Atlantische tijdvak zijn. De tijdvakken die nog moeten komen, zullen zeer in elkaar overlopen. Wat in het zesde tijdvak tot uitdrukking komt, moet ook in het vijfde reeds mee ontwikkeld worden, en ook wat in het zevende tot uitdrukking komt. In de toekomst kan alles niet zo gescheiden worden zoals dat in het verleden het geval was. En voor het zesde tijdvak zal vooral noodzakelijk zijn dat de mensen het zover brengen dat ze het ahrimanische kunnen beheersen, dat betekent: dat ze een juiste verhouding vinden tot de werkelijkheid.

En hoe geraken ze tot een juiste verhouding tot de werkelijkheid ? Daartoe is vooral nodig dat het rechtsleven -dat het geestesleven en het economisch leven uitgescheiden heeft-, dat dit rechtsleven, dus dat wat van mens tot mens democratisch moet leven, nu zo bewust wordt als het in de Egyptisch-Chaldeeuwse periode onbewust was. De mens moet leren, bij alles wat zich in de wereld afspeelt tussen mens en mens, om belangrijke zaken juister in te schatten. Voorstellingen moeten levendig worden zoals ze in mijn laatste mysteriedrama geschilderd zijn, in die Egyptische scène, waar door Capesius uitgesproken wordt hoe datgene wat zich daar in die kleine ruimte afspeelt, een betekenis heeft voor het ganse wereldgebeuren. Wanneer de mensen opnieuw zullen weten dat men niemand iets kan voorliegen zonder dat er in de geestelijke wereld machtige dingen razen, dan zal er iets vervuld zijn van wat in het zesde na-Atlantische tijdvak altijd meer moet vervuld worden.

En als we weer komen tot de mogelijkheid van een wijsheidsvol heidendom naast het Christendom, dan zal iets verwezenlijkt zijn van wat voor het zevende na-Atlantische tijdvak, maar ook reeds voor vandaag zeer bijzonder noodzakelijk is. De mensen zijn de verhouding tot de natuur verloren. De natuur spreekt niet meer in gebaren tot de mens. Hoeveel mensen kunnen zich tegenwoordig nog iets voorstellen als gezegd wordt: 's zomers slaapt de aarde, in de winter wordt ze wakker ? Dat is voor hen een abstractie. Het is geen abstractie ! Tot de ganse natuur moet er terug een verhouding gevonden worden zodat de mens zich kan voelen als gelijk met de ganse natuur.

Dat zijn zaken die voor het intiemere zieleleven wezenlijk zijn. Hoe ze samenhangen met wat we sociale impulsen noemen, daarover zullen we morgen verder spreken."




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel