Inhoudstafel van Brug 74 (december 2011)

Sampo

Statutenkwestie

Antroposofische Vereniging gekaapt ?

Mephisto in de pentagram

De AV als katholieke Kerk

Thomas Meyer – Helmuth Moltke

Vrijheid in de gemeenschap

Lieven Debrouwere over Sampo

AViB en Weihnachtstagung

Tijd voor nieuw onderwijs

De duivelse 1%


+ Groter lettertype
+ Kleiner lettertype


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*



Beste Lezer,


In dit nummer van De Brug gaat u veel lezen over de Kerstbijeenkomst van 1923 die ook bij ons algemeen bekend is als de “Weihnachtstagung”.
Deze Kerstbijeenkomst werd door alle aanwezigen, ongeveer 800 mensen, ervaren als een zeer uitzonderlijk moment in de geschiedenis, niet alleen van de Antroposofische Vereniging, maar ook van de mensheid.
Rudolf Steiner, die tot dan toe zelfs geen lid was geweest van de Antroposofische Vereniging nam het voorzitterschap op zich van een volledig nieuwe vereniging.
In de oude vereniging was het bestuurlijke, bureaucratische element zo overheersend geworden dat alle leven eruit verdwenen was, wat Rudolf Steiner in een brief aan Edith Maryon deed verzuchten ( op 25 maart 1923):
“Wat de Vereniging betreft heb ik eigenlijk alleen maar te zeggen dat ik het liefst van al niets meer met haar te maken zou hebben. Alles wat het bestuur doet, stuit mij tegen de borst.”

Vanuit deze nieuwe vereniging had een impuls moeten komen om de Westerse beschaving op een ander spoor te zetten. Negen maand later werd Rudolf Steiner ziek, nog eens zes maand later was hij dood. In de Vereniging steekt het menselijk-al-te-menselijke de kop op, alle energie gaat naar onderlinge twisten, de antroposofische cultuurimpuls breekt niet door.

In 1935 schrijft Ita Wegman aan Dunlop over iets dat zwaar op haar weegt :
“Het inzicht dat de idee van de Weihnachtstagung op aarde kapot is, maar in de geestelijke wereld toch nog bestaat.”

Tientallen jaren proberen individuen en kleine groepen om de impuls van de Weihnachtstagung te doen herleven, maar de meerderheid van de antroposofen, het bestuur van de Vereniging, wensen geen radicale veranderingen.
Nu, 150 jaar sinds de geboorte van Rudolf Steiner, lijkt terug maar eens een moment aangebroken waarop iets in beweging kan worden gebracht, vooral in het bewustzijn.
Daartoe willen wij in deze Brug een bijdrage leveren.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Het verhaal van Sampo

Op de laatste Algemene Vergadering van de Antroposofische Vereniging in België (voorjaar 2011) sprak Bert Penninckx over de huishoudvereniging van de Leuvense leden. De tijd was te kort en de uiteenzetting was ook niet direct duidelijk. De aanwezige leden vroegen toen om er een artikel over te schrijven in het ledenblad. De redactie van het ledenblad vond dat het artikel ook niet duidelijk genoeg was en wilde het daarom niet opnemen in het septembernummer 2011. Wijzelf kregen het originele artikel opgestuurd door de auteur en het was inderdaad niet echt duidelijk. De onduidelijkheid was voornamelijk te wijten aan het feit dat Sampo enerzijds een naam is, die van de Leuvense huishoudvereniging, maar anderzijds een begrip, de naam van een organisatieprincipe. Dit Sampo-begrip bevindt zich nog in ‘statu nascendi’, de bevalling is nog aan de gang, dat werd ons duidelijk bij de lectuur en tijdens gesprekken met de initiatiefnemers.
Wij bewerkten de tekst voor het tijdschrift De Brug en kregen het gevoel dat we hiermee de initiatiefnemers wat bijgestaan hebben bij de geboorte van hun geesteskind. Ze hebben onderstaande bewerking gelezen en goedgekeurd. Aan het woord is nu Bert Penninckx :

Wat beogen we met sampo ?

In het Leuvense is sinds de oprichting van de Leuvense Steinerschool De Zonnewijzer steeds een werkgroep rond antroposofie blijven bestaan.
Ik heb drie zomers geleden het initiatief genomen om minstens elke zomer de praktische kanten te bespreken van wat er aan noden en initiatieven leeft.
Ondertussen zijn we twee jaar geleden in Leuven met de ledenwerking heropgestart. We kwamen eerst één keer per jaar bijeen om te horen welke initiatieven er genomen worden. Daarna wilden we elk trimester bij elkaar komen. Met de voorbereiding van de Nieuwjaarsreceptie vorig jaar voelden we dat sommige leden dat toch niet ervoeren als ledenbijeenkomsten maar als werkbijeenkomsten. Het voorbereiden van een activiteit vroeg betere samenwerking en we voelden dat dit werkkarakter niet in de ontmoetingsvereniging thuis hoort.

Geleidelijk zijn er dan de “huishoudbijeenkomsten” ontstaan. De ruime kring van leden had het gevoel dat daar op elke vraag die de leden stelden een antwoord moest komen. We denken dan aan het houden van de receptie, het meedoen met de viering in Schoten (150 jaar Rudolf Steiner), het inrichten van meditatieavonden, het zoeken naar een eigen lokaal, het inrichten en toegankelijk stellen van de bibliotheek, het maken van uitnodigingen, het verzorgen van een adressenlijst, contacten met de culturele dienst van de stad Leuven enz.
Na een tijdje vonden enkele leden dat we die huishoudvereniging een eigen naam moesten geven. Dit was duidelijk de economische entiteit in de Leuvense Antroposofische Vereniging. We zijn die huishoudvereniging sampo gaan noemen naar de wonderbaarlijke molen die zout, meel, en goud produceert voor de mensen van het Finse Kalevala epos.

De Kalevala is een lied dat verhaalt van de grote zanger Väinämöinen en de wereldsmid Ilmarinen die in het mythische Noordland Pohjola, naar een wonderbaarlijke jonkvrouw op zoek gaan. “Zij is doorzichtig als kristal: door haar vlees ziet men haar botten, door haar botten nog het merg”. De boosaardige heerseres van Pohjola echter eist, voordat ze de jonkvrouw loslaat, dat iemand eerst de mysterieuze sampo smeedt, waartoe alleen Ilmarinen in staat is. De zegenbrengende sampo wordt door de heerseres van het Noordland opgesloten in een berg, maar tenslotte door de helden bevrijd. (De onstuimige Lemminkäinen vervoegt ondertussen het tweetal.) Dit betekent – ook als hij tenslotte in een strijd tussen de heerseres van het Noordland en de drie helden in splinters wordt geslagen – de grootste zegen voor het land, daar iedere splinter een bron van leven, geluk en voorspoed is. – B.P.

We zien de huishoudvereniging als een associatievereniging. Achteraf hebben we gezien dat de Allgemeine Anthroposofische Gesellschaft ook door Steiner gedacht werd als een associatievereniging. We zien dat er indertijd de Ita Wegman kliniek, de uitgeverij en de administratie van de “Antroposofische Gesellschaft” mee in associatie stonden. Allicht waren er veel meer organisaties die er mee in associatie konden gaan. Dus toen wij hier aan het denken waren over dat economische in de vereniging, met zovele mogelijke initiatieven die kunnen ontstaan ( associaties van scholen, bedrijven, LETS systemen, ouderenzorg, landbouw en geneeskunde), toen dacht ik direct aan de sampo in de Kalevala. En alle aanwezigen hadden dat ook direct herkend.

En als we nu merken wat een tumult die sampo al in beweging heeft gebracht denk ik dat het juist is. Iedereen wordt wakker. In het Leuvense volgt het ene initiatief na het andere, in de AViB beginnen we met een virtueel secretariaat; ieder lid wordt ook secretaris als hij dat wil. We hebben gelijkaardige samp?'s herkend in andere ledengroepen, plotseling is iedereen er mee bezig. En toch stelt sampo concreet nog niets voor. Dat het zoveel rumoer geeft moet er op duiden dat het wel een belangrijke snaar heeft geraakt.

We zien dus sampo als een associatievereniging. Als een samenwerkingsvereniging. Het belangrijkste zijn de afspraken die gemaakt worden tussen sampo en andere initiatieven, personen en verenigingen. Sampo is als het ware een afsprakenregister. Als we eigen gebouwen verwerven dan maakt Samp? met de net opnieuw opgerichte Stichting Vaste Grond afspraken om het gebouw daar in onder te brengen. Zo kunnen we ook met Levana vzw afspraken maken dat Levana met de burgemeester contacten legt om voor Antroposofie.Nu ruimte ter beschikking te stellen. De burgemeester vraagt bvb. dat er een vzw is en Antroposofie.Nu of Sampo is dat niet maar Levana wél. En zo kunnen veel samenwerkingsmogelijkheden die er nu ook zijn, werkelijkheid worden.
In feite is het geheim van de economie hoe men kan samenwerken. Of hoe er associaties gemaakt kunnen worden. We hadden het gevoel dat sampo het samenwerkingsprincipe vertegenwoordigt.

Verschillende wakkere leden stelden ons vragen zodat we het beeld van Sampo verder konden verduidelijken.

Iemand vroeg: "Waarom niet gewoon een feitelijke -open- vereniging van mensen die graag samenkomen in het Leuvense? Ik begrijp niet goed hoe zo'n structuur ons vrijer zou maken. En ik geef ook eerlijk toe: ik heb geen zin om lid te worden van nog een extra vereniging."

Ik kon toen slechts als antwoord geven: "Sampo is open voor elk lid. Alleen wordt er een engagement gevraagd en moet men mensen die de vereniging willen schaden eruit kunnen zetten ( bvb. als iemand lid wordt en andere mensen aanmaant om dat ook te doen en zo met de kas gaat lopen omdat hij een meerderheid heeft). Dergelijke vragen komen economische geledingen tegen en daarom willen we deze onderscheiden van het ontmoetingskarakter van de Anthroposofische Gesellschaft.

Sampo is inderdaad een deelledengroep

In de zin dat Sampo openstaat voor alle leden van de antroposofische beweging ! - fdw

maar dat heeft men ook met de leesgroep of de deelnemers aan cursussen enz. Die krijgen na een tijd een meer besloten karakter. Dus sociologisch een normaal fenomeen. Wat we met Sampo echter beogen is dat mensen die zich "economisch" willen inzetten zich groeperen. Want anders krijgen de nieuwe leden de indruk dat zij verplicht zijn zich te engageren.

We willen vermijden dat bij ledenbijeenkomsten een vermenging ontstaat met het ontmoetingskarakter en het voorbereidende karakter van activiteiten. Het loopt natuurlijk altijd wat door elkaar (daarom spreken we van driegeleding en niet van driedeling), maar in het bewustzijn dient er alvast een onderscheid gemaakt te worden tussen ontmoetingskarakter, werkkarakter en onderzoek. Men mag het vergelijken met een bedrijfsleider die zal vermijden dat zijn klanten met zijn medewerkers in discussie verzeild geraken hoe een bepaalde dienstverlening gegarandeerd wordt. Een ondernemer maakt immers onderscheid in onderzoek en ontwikkeling, marketing en productie.

Ook kan ik mij inbeelden dat mensen die biologisch-dynamische voedingsmiddelen verkiezen en die iets in de antroposofie zien zich niet meteen engageren om feesten te organiseren of geld te gaan inzamelen.
We willen de drempel tot lidmaatschap zo laag mogelijk houden. Want vele leden konden al veel langer lid zijn van de Antroposofische Vereniging. Velen worden na 15 jaar activiteit pas lid. Zij zijn dus in feite al lang Sampo lid omdat zij al actief zijn.
Er is iets dat hen belet om zodra zij iets in de antroposofie zien lid te worden van de AViB, de drempel schijnt veel te hoog te zijn.

Wij willen hier in het Leuvense zelf de drieledige vereniging ontwikkelen zoals wij denken dat Steiner dat zag. Want hij zag de Anthroposofische Gesellschaft als de meest moderne vereniging en de meest open vereniging die er kan zijn.
De Anthroposofische Gesellschaft kan geen cultuurfactor worden of zijn als er slechts 1% van mensen die zich met antroposofie inlaten ook lid worden.
Sampo is zodanig ontworpen dat de oude structuren kunnen blijven en dat de nieuwe kunnen ontstaan, d.w.z. de huidige leden kunnen lid blijven van de "gemengde" vereniging en geleidelijk aan lid worden van Sampo. En de nieuwe leden worden lid van Antroposofie.Nu, dat is de naam voor de Leuvense hartevereniging of de principiënvereniging. En als zij actief willen zijn kunnen ze ook met Sampo meedoen. Sampo bevordert dus het initiatief nemen.

De Dornachse reis.

Dan zijn we naar de jaarvergadering van de Allgemeine Anthroposofische Gesellschaft in Dornach getrokken. De aanleiding was dat er vele moties waren ingediend die op die algemene vergadering zouden behandeld worden. Ook dit jaar waren er weer moties bij ivm het constitutievraagstuk. Het constitutievraagstuk heeft doorheen de geschiedenis van de Vereniging verschillende keren de kop op gestoken. In dit vraagstuk en zijn oplossing, zoals ze bijvoorbeeld reeds in 1997 worden voorgesteld door de groep van ‘Initiatief aan allen’ (3), vonden wij de historische rechtvaardiging voor het idee van Sampo dat wij vanuit ons hart hadden aangevoeld. In zijn brochure met de titel “Wie is de Allgemeine Antroposofische Gesellschaft? Initiatief ter verheldering van haar identiteit.” geeft Wilfried Heidt (van het Kulturzentrum Achberg) zijn visie op de vereniging.(4)

(3) Uitgave van het ‘Initiatief aan allen’, werkgroep ter verheldering van de constitutievraag in de Algemeine Anthroposofische Gesellschaft.

(4) “Wer ist die Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft? Studiën zum Konstitutionsproblem, darstellung – Klärung – Vorschlag zur Lösung”, Edition Medianum im Achberger Verlag.

(5) GA 260 “Die Weihnachtstagung zur Begründung der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft“.

Toen Rudolf Steiner in 1923 de Antroposofische Vereniging vormde, met als basis de 15 principes(5), gaf hij hiermee de grondslagen voor het werken en samenleven in een menselijke vereniging, die uit de geestelijke impulsen van onze tijd kunnen ontstaan. Een vereniging van het hart, een gevoelsvereniging, waar ontmoeting en uitwisseling centraal staat en de drempel zo laag mogelijk is. Zoals in principe 4 vermeld wordt, dat iedereen er lid van kan worden, die het bestaan van een instituut zoals het Goetheanum in Dornach als Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, als zinvol ziet. Dat proberen wij gestalte te geven in Antroposofie.nu.

Daarnaast wou Steiner een tweede vereniging oprichten, die het economische deel (zoals het in de driegeleding bedoeld wordt) zou oppakken. Een vereniging van de wil. Deze vereniging was gedacht om al het vormelijke en organisatorische aan te pakken. Er zou daarbinnen een onderscheid gemaakt worden tussen ‘actieve’ leden en bestuur die stemrecht hadden en ook verstand van zaken enerzijds en anderzijds niet-stemgerechtigde, steunende leden. Deze structuur had Steiner al gebruikt in de Johannes-bau vereniging die ontstaan was ten tijde van de bouwplannen in München en verder was blijven bestaan om het Goetheanum mogelijk te maken.

Het drama dat zich na 1923 dan heeft voltrokken (en heeft kunnen plaatsvinden omwille van verschillende redenen) is dat het deze Johannes-bau vereniging is die is blijven bestaan (Steiner wou ze opheffen), die dan de naam van de Algemene Antroposofische Vereniging heeft overgenomen en ook al zijn leden. Deze leden werden op slag allemaal stemgerechtigd en moesten opeens meebeslissen in zaken waar het gros van die leden eigenlijk geen of te weinig kennis over bezaten.
En in deze situatie zitten we nu nog altijd.
Dit probleem kan ontward worden door de Algemene Antroposofische Vereniging met zetel te Dornach werkelijk te driegeleden, door alsnog de ontbrekende (economische) vereniging op dat niveau op te richten (met de juiste statuten) en de principe-vereniging zoals opgezet in 1923 werkelijk tot een plaats van ontmoeting en enthousiasme te maken.


Dornach is de enige plaats waar dit gedaan kan worden, en waar dan ook een algemene vereniging dient te zijn. Lokaal (lees ook nationaal) kan immers elke groep zich samensluiten op de manier die ze wil, met de statuten die ze wil, zelfs met een eigen lidgeld-bepaling, zolang ze maar (en dit is zeer belangrijk) niet in tegenspraak zijn met de Algemene antroposofische vereniging.

En dit is wat we in Leuven met het oprichten van enerzijds Antroposofie.Nu (als hartevereniging) en Sampo (als wilsvereniging) beogen.

In de sociale sectie van de Hogeschool voor geesteswetenschappen in België (die de zomer daarvoor was opgericht bij ons) hebben we dit thema voor onze afreis naar Dornach behandeld, naast het bespreken van de verschillende moties die tijdens de jaarvergadering behandeld zouden worden.
De leden van de sociale sectie begrepen onze motieven en vroegen ons zelfs om in Dornach die verschillende moties aan te grijpen om de Sampo voor te stellen. Maar er was daar in feite geen gesprek. Alles lag al vast.
Toch slaagden we erin een afspraak te maken met Paul Mackay. Paul is wel een diplomaat en heeft van ons de bevestiging gekregen dat de sociale sectie opgericht is. (De sociale sectie in België is vorige zomer opgericht met het oog op het zoeken naar een goede vorm voor de AViB).

We hebben hem ook meegedeeld dat wij in het Leuvense een eigen huishoudvereniging samp? opgericht hebben met eigen statuten. En dat we een onderscheid maken tussen actieve leden en leden die alleen lid zijn van de hartevereniging of de principiënvereniging.
Paul Mackay bevestigde dat de Leuvense leden groep Antroposofie.Nu een eigen lokale afdeling is en in feite een eigen branche is. Dat beseften we toen zelf nog niet. Inderdaad is Antroposofie.Nu een branche van de AAG geworden. Dat kan, want in de "principiën" staat dat elke lokale afdeling zich zelf moest organiseren zolang het niet in tegenspraak is met de principiën. Welnu Leuven erkent Dornach en zal zelf leden aanmelden bij Dornach. De Leuvense leden, of de Antroposofie.Nu leden, zijn wat wij noemen de principiën leden. Als men verantwoordelijkheid wil nemen wordt men ook "statutair" lid bij Sampo. Dus een gezondere geleding.

Er moeten volgens mij voorbeelden gesteld worden. De toekomst is aan de afzonderlijke twijgen, dus de afzonderlijke Goetheanums. Hopelijk kunnen die voorbeelden stellen. Er moeten meer autonome twijgen komen. Alleen met een werkelijk begrip zullen leden het ook realiseren.

Tijdens één van de pauzes was er ook een korte ontmoeting met Sebastian Boegner, een man uit de ledengroep van Berlijn, die een uitgebreid naslagwerk heeft samengesteld over wat er tijdens en na 1923 met de vereniging gebeurd was, en welke gevolgen dit had. Zijn conclusie strookte met de onze.

“Wie wollte Rudolf Steiner die ‘einheitliche Konstituierung’ erreichen?”, Sebastian Boegner, mercurial-publikations GmbH, email:
leserservice@mercurial.de

Dan hadden we ook nog een afspraak met Judith Von Halle. Ze heeft ons min of meer verklaard dat "haar" Berlijnse groep (branche) volgens het Sampo principe werkt.
Toen is ons duidelijk geworden dat de heling van de AAG slechts kan gebeuren als de afzonderlijke afdelingen het Sampo-principe toepassen.
Zij heeft in feite ook een Sampo runnen in Berlijn met 2000 leden. Dus een eigen twijg maar met de nieuwe manier van werken. Zij snapt volkomen onze manier van werken.

En we voelen aan dat een volgende conferentie ééntje met alle wereldwijde Samp?'s zou kunnen zijn.
Want ondertussen is er ook in Nederland beweging hierrond. Zo heeft het bestuur van de AViN een forum opgezet waarin volgende oproep staat :

“Het bestuur van de AViN (de Antroposofische Vereniging in Nederland) heeft de leden laten weten op de jaarvergadering van 2012 te zullen aftreden om plaats te maken voor vernieuwing.
Ze deed in Motief van juli/augustus de dringende oproep om ideeën over de toekomst van de antroposofie en de vorming van een nieuw bestuur bij haar in te dienen.”

Wie graag meer hierover te weten wil komen kan eens een kijkje nemen op www.antroflora.nl.
Er bestaat ook de mogelijkheid om met ons over dit artikel van gedachten te wisselen via het emailadres:
info@antroposofie.nu
Ook aan de gespreksgroep die we ondertussen hebben opgericht onder antroposofie.nu kan je (indien gewenst) deelnemen door een mailtje te sturen naar
info@antroposofie.nu
Veel van de ideeën rond Sampo en antroposofie.nu zijn in deze gespreksgroep ontstaan of worden daar onder de loep genomen.


*

*

*

*

*

*

*


Bert Ilmarinen, de schone jonkvrouw uit het Noorden, vermaalt de gemengde structuur van de Antroposofische Vereniging met zijn Sampo


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Bovenstaande tekst is dus een bewerking van een langere originele tekst van Bert Penninckx. Door de onduidelijkheden in die tekst zagen we ons verplicht om ons te verdiepen in de fameuze statutenkwestie. Toen deze kwestie in Dornach eens voorgoed ging geregeld worden op de bijeenkomst in december 2002, waren wij daar ook. Wij hadden ons nooit verdiept in die zaak maar we gingen ervan uit dat het bestuur wel zou weten wat het deed. Wij stemden dus braaf mee met de voorstellen van het bestuur, in vertrouwen, maar zonder kennis van zaken. Een oefening in positiviteit als het ware : och dat arme bestuur heeft het al moeilijk genoeg, laat ons deze mensen wat steunen. Onvergeeflijke naïviteit !
Dat er iets niet klopte begon zo’n beetje te dagen tijdens het verloop van de bijeenkomst. Wij hadden dezelfde indruk als Bert Penninckx negen jaar later : alles lag al vast. Voor de schijn liet men al de indieners van amendementen vijf minuten aan het woord. Dan denk je : behandel je zo je mede-antroposoof ? Dat is toch niet ernstig. Meer en meer kregen we zo’n flashback-gevoel : hebben wij hier al niet eens gezeten ? Misschien lang geleden op een Rooms-katholiek concilie waar de ketters in de ban werden gedaan.
En effectief werden er achteraf voor de zoveelste keer dissidenten uitgesloten uit de Vereniging. Maar toen, en tot voor kort, trokken we ons van al deze saaie, formele kwesties van het verenigingsleven niet veel aan. En hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de grote meerderheid der antroposofen. In het tijdschrift De Brug hebben we het nooit gehad over het verenigingsleven of over de statutenkwestie. Enerzijds bestaat daarvoor het ledenblad ‘Antroposofie Vandaag’ en anderzijds kon het ons ook niet veel schelen of er nu al dan niet statuten waren en of het de goede waren. Wij deden ons ding en lieten anderen hun ding doen, indachtig het motto uit de Filosofie der Vrijheid.

“Leven en laten leven, met het volste begrip voor wat een ander wil doen.” - Filosofie der Vrijheid, hoofdstuk 9

Na de lectuur van het boek van Wilfried Heidt dat Bert in zijn artikel aanhaalde kwamen we tot een ontstellend inzicht :
Door ons niet te (willen) verdiepen in de statutenkwestie zijn wij mede verantwoordelijk voor het onwerkzaam zijn van de antroposofie in de wereld !
De antroposofie kon niet werkzaam zijn omdat ze niet in de juiste vorm zat. Het is bijna alsof een uitermate talentvol en energiek individu terecht komt in een fysiek lichaam dat meervoudig motorisch gehandicapt is : het grote potentieel kan zich niet manifesteren. De spirituele vereniging Weihnachtstagung heeft een uiterlijke vorm gekregen die Rudolf Steiner helemaal niet gewild heeft. En die vorm heeft ze nu nog.

Het feit dat Sampo nu opduikt betekent dat de oplossing van 2002 in feite niets opgelost heeft, en een betere oplossing ligt volgens ons nu ook in de lijn van Sampo : het onderscheid maken en behouden tussen de Antroposofische Vereniging als ontmoetingsvereniging voor alle antroposofen, nee, voor iedereen ongeacht geloof, stand, volk enz. zoals het in het 4de statuut staat – en de huishoudvereniging, waarin het organisatorische, bestuurlijke geregeld wordt, met alleen leden die zich willen engageren. - fdw

Wilfried Heidt, in het voorwoord van “Wer ist die Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft?” zag het zo ( in 1998) :

“Er is een constitutieprobleem in de AAV en dat probleem is er de oorzaak van dat de Vereniging in de 75 jaar van haar bestaan niet kon vervullen wat “de tekens van de tijd met lichtende letters tot de harten der mensen spreken.”
Rudolf Steiner zag vanuit zijn geesteswetenschappelijk onderzoek als missie van de antroposofische beweging “het redden van de aarde, van de aardebeschaving, voor het dreigend verval.”
Dit moest op het einde van de 20ste eeuw definitief beslecht zijn. Dat betekent : “spirituele vernieuwing die ook het intellectuele naar het spirituele kan leiden.”
Dat dit effectief plaatsvindt, dat mogen de mensen van de 20ste eeuw niet rateren ! Maar aangezien alles vandaag van de vrije wil afhangt, zo zal het ervan afhangen of dit gebeurt – namelijk of de met elkaar verbonden partijen van platonici en aristotelici kunnen afdalen om te werken aan een her-spiritualisering van de cultuur van de 20ste eeuw - of de AV verstaat om op de juiste manier en toegewijd de antroposofie te verzorgen.
Rudolf Steiner voegt eraan toe : “Het gaat om iets groots, iets reusachtigs”, het gaat erom dat “de strijd van Ahriman tegen het Michaëlisme” in het voordeel van de Michaël-impuls uitgevochten wordt. Nu staan we aan het eind van de eeuw en moeten geschokt vaststellen : in de 75 jaar van het bestaan van de AV is er uit de antroposofische beweging niet één project van historisch belang gekomen. De aardebeschaving steekt dieper dan ooit in de afgrond van het materialisme. Van een diepgrijpende spirituele vernieuwing is niets te zien. Blijkbaar ontbreken ook de voorwaarden voor het uitkomen van de Michaël-profetie.

Rudolf Steiner gebruikte dit begrip in meerdere voordrachten in “Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge”. In engere zin is daaronder zijn voorspelling te verstaan dat in de beslissende tijd rond de wisseling van de 20ste en de 21ste eeuw de leidende individualiteiten van de platonische en de aristotelische geestesstromingen – die tot dan toe nooit tegelijk op aarde gewerkt hebben – hun krachten zullen bundelen opdat de antroposofie een zeker hoogtepunt in de aardebeschaving kan bereiken en dat impliceert dat “vele wetmatigheden van de reïncarnatie aan de kant zullen worden geschoven zodat ook diegenen die in de eerste jaren van de 20ste eeuw door hun karma met de antroposofische beweging verbonden waren, terug zullen verschijnen om dan datgene wat ze nu kunnen doen in antroposofische dienst van de Michaël-heerschappij, tot hoogtepunt, tot volle uitdrukking te brengen. – W.H.

Dankzij het monumentale werk van Rudolf Steiner konden antroposofen – en alleen zij – weten en verstaan wat noodzakelijk was en wat had moeten voorbereid worden om die taak te volbrengen. Maar het noodzakelijke gebeurde niet. Wanneer wij nu zeggen : dit versagen is te wijten aan het constitutieprobleem, dan moet daar meteen aan toegevoegd worden : en ook daaraan dat dit probleem door de leidende figuren van de Vereniging onbegrijpelijkerwijze tientallen jaren uitdrukkelijk ontkend werd.
Pas de laatste tijd komt daar verandering in.
Het schijnt niet gemakkelijk te zijn om zich voor te stellen dat in de grote geesteskamp van onze tijd niet alleen de diepste esoterie, maar ook de grootste wakkerheid in het exoterische nodig is om deze strijd met succes aan te vatten.
Want het is zo dat alle esoteriek door één enkele exoterische pennetrek kan verlamd worden. Wil zeggen : Rudolf Steiner zag in dat de antroposofische beweging voor haar welzijn, d.i. ook om haar opdrachten te kunnen waarnemen, een antroposofische vereniging nodig had. En wel een vereniging met een zeer bepaalde vorm resp. constitutie. En dat was wat Rudolf Steiner beoogde met de Weihnachtstagung.”

Hieronder geven we een schematisch overzicht van hoe die statutenkwestie ineen zit, de details kunt u terugvinden bij W. Heidt (die erop wijst dat de details al terug te vinden waren in “Wer war Ita Wegman?” van J.E. Zeylmans). We beginnen met blz. 277 uit zijn boek :

“De “Antroposofische Vereniging” (der Weihnachtstagung) werd als rechtspersoon opgericht op 28 december 1923 in de voormiddag door het aannemen van statuten door de stichtingsvergadering na een driemalige voorlezing.

Voor een goed begrip van gans deze kwestie moet men zich altijd voor ogen houden dat er in die tijd nog geen fotokopies bestonden. Er werd veel voorgelezen wat natuurlijk veel vlugger tot misverstanden leidt en waarbij men wegens de vluchtigheid van het gesproken woord veel aandachtiger moet zijn om een fout op te merken. De Weihnachtstagung-statuten werden al vlug gepubliceerd, die van de AAV pas tien jaar later, en het duurde nog tientallen jaren vooraleer de protocollen van de beslissende vergaderingen te raadplegen waren. - fdw

Er duiken al misverstanden op door het feit dat Rudolf Steiner deze Antroposofische vereniging zowel tijdens de Weihnachtstagung als daarna altijd weer als algemene Antroposofische Vereniging karakteriseert. Reeds bij zijn begroeting van de leden klinkt het : “Ik kan jullie aankondigen dat onze kerstbijeenkomst met als doel het oprichten van de algemene Antroposofische Vereniging hiermee geopend is.”
Ik schrijf het woord ‘algemeen’ met een kleine letter in tegenstelling tot de schrijfwijze in GA 260. Schrijft men namelijk het woord met een hoofdletter dan is het een deel van een eigennaam. Maar dat zou fout zijn in dit geval. Want de vereniging die op 28 december1923 gesticht werd heet niet algemene Antroposofische Vereniging, maar : Antroposofische Vereniging. Ze staat in de continuïteit van de in het jaar 1912 opgerichte AV, maar ze wil voor de doelstellingen die toen vastgelegd werden een zelfstandig uitgangspunt scheppen dat aangepast is aan de ware geest van deze tijd.(GA 260, blz152) Wat verstaan we onder ‘algemeen’?
Rudolf Steiners oorspronkelijke bedoeling was om de Antroposofische beweging een nieuw elan te geven na alles wat zich in de voorgaande jaren had afgespeeld (massieve tegenkanting, brandstichting). Daartoe wou hij een internationale antroposofische vereniging oprichten. Die zou moeten tot stand komen door een samenvoegen van de ondertussen in alle landen gevormde landelijke verenigingen. Die zouden voor zichzelf een centrum grondvesten. Rudolf Steiner ijverde in deze richting gedurende het jaar 1923. Wat ten slotte tot stand kwam was volgens hem blijkbaar niet draagkrachtig genoeg voor wat noodzakelijk was. Want hoewel op de uitnodiging nog stond “ met het doel om de internationale antroposofische vereniging op te richten”, spreekt Rudolf Steiner in zijn openingsvoordracht tot de 800 aanwezigen het hartelijk verzoek uit om het woord internationale vereniging nooit te gebruiken maar alleen te spreken van een algemene antroposofische vereniging, die haar middelpunt hier in Dornach wil hebben. Uit wat Rudolf Steiner daarna karakteriseert kunnen we duidelijk afleiden wat met het woord ‘algemeen’ bedoeld was. Iets dat zelfstandig staat t.o.v. de landelijke verenigingen (dus niet door hen of uit hen samengesteld) dat op het zuiver menselijke gericht is, niet op principes gebaseerd, boven al het principe-achtige uitstijgend, een poging om door wat in het Goetheanum gedaan wordt de mensheidsontwikkeling op een of andere manier te ondersteunen en voor de Antroposofische Vereniging de complete openheid te laten gelden.
Deze antroposofische vereniging ontstond dus niet- zoals eerst voorzien- vanuit de periferie door het samengaan van autonome landelijke vereniging, maar Rudolf Steiner bouwt deze vereniging vanuit het centrum op.
De statuten van deze antroposofische vereniging, die geen statuten-verenigingen maar een gezindheids- vereniging zou moeten zijn, drukken alleen maar uiterlijk uit wat levend in de zielen zit. Ze heten: statuten der Antroposofische Vereniging.
Ze zijn door Rudolf Steiner zo geformuleerd dat al het bestuurlijke, al wat ooit zou kunnen aanleiding geven om bureaucratie te worden, uit deze statuten uitgesloten is. Wie lid wil worden verklaart daarmee in te stemmen met “wat in Dornach wil gerealiseerd worden.”
Hoewel het bij de statuten van de AV om geen gewone verenigingsstatuten gaat, voldoen ze toch ook in wettelijk opzicht aan de voorwaarden voor het oprichten van een vereniging volgens de bepalingen van het Zwitsers burgerlijk wetboek (waar de statuten geen specifieke regeling voorzien, gelden gewoon de wettelijk voorziene).”

Schematisch kunnen we de AV – Weihnachtstagung aldus voorstellen :

Deze spirituele vereniging moest een aardse vorm krijgen, een rechtspersoon worden. Dat kon perfect met deze vorm en deze statuten : een FV (feitelijke vereniging) naar Zwitsers recht vormen.
Maar Rudolf Steiner vond dat er een relatie moest gezocht worden tussen het bestuur van deze vereniging en de drie andere initiatieven die vanuit de antroposofische beweging waren ontstaan, te weten : de uitgeverij van Marie Steiner, de kliniek van Ita Wegman en het Goetheanum –Verein dat de grond en het gebouw van het Goetheanum in eigendom had en beheerde. Dat bestuur zou aldus de vier onderdelen van een nieuw op te richten vereniging, de Algemene Antroposofische Vereniging, naar buiten toe kunnen vertegenwoordigen. Deze vereniging diende ook ingeschreven te worden in het handelsregister vermits er een vermogen was en commerciële activiteiten. De AV in engere zin, de Weihnachtstagungvereniging dus, zou één van de vier onderdelen zijn. Alleen de administratie zou deel uitgemaakt hebben van deze AAV. Schematisch zou het er zo moeten uitgezien hebben :

Nu was er een probleem met het oprichten van die nieuwe handelsrechterlijke vereniging. Deze zou het vermogen van het Goetheanum-Verein overnemen en dan diende er een pak belastingen betaald te worden. Om deze belastingaanslag te vermijden stelde de notaris voor om geen nieuwe vereniging op te richten, maar om gewoon het Goetheanum-Verein te behouden, de naam te veranderen in Algemene Antroposofische Vereniging, en de statuten aan te passen in de zin van de Weihnachtstagung. De nieuwe structuur zou er dan als volgt uitzien :

Na een aantal vergaderingen waar Rudolf Steiner niet meer bij kon zijn werden de statuten van het Goetheanum-Verein bepalend, maar waar vroeger alleen de bestuursleden vanuit hun competentie stemrecht hadden, kregen nu alle leden op de jaarvergadering stemrecht. Het resultaat zag er dus zo uit :

Albert Steffen besefte na de laatste vergadering hieromtrent (op 8 februari 1925) dat er iets niet meer klopte want hij noteert op 9 februari 1925 in zijn dagboek :
“Ieder lid heeft nu stemrecht. De Vereniging ( bedoeld is de Antroposofische Vereniging van de Weihnachtstagung) kan nu zeggen : geen bouw ! Geen kliniek. Een ander bestuur enz.”
Maar hij zag geen reden om de consequenties van deze regeling in vraag te stellen. (Heidt, blz. 56) De consequenties waren immens : in de nieuwe vorm werden de Weihnachtstagung-statuten gedegradeerd tot Prinzipien, iets wat Rudolf Steiner uitdrukkelijk niet wilde (Heidt, blz. 331). Bepalend werden nu de statuten van een zeer gewone verenigingsvorm naar Zwitsers recht, en het gevolg was volgens Heidt (blz. 219) :

“In het actieve centrum van de antroposofische beweging, in het Goetheanum in Dornach, vond een fundamentele wisseling van soeverein plaats waardoor het spoor vrijgemaakt werd voor een wereldhistorische verlamming van de antroposofische beschavingsimpuls, die tot vandaag voortduurt. Het leidingspincipe dat een wezenlijk element was in het vrijheidsorganisme van “de modernste vereniging die er kan zijn”, werd op zijn kop gezet en blijkbaar doorzag niemand wat er gebeurde. Voor het beleid was nu niet meer bepalend de competentie van mensen die geroepen waren, maar de sturing van de massa die in aanloop van en tijdens de jaarvergaderingen beïnvloed werd. Competentie moest voortaan gelegitimeerd worden door het democratische stemmen, wat in onze tijd de allergrootste verlokking voor leiders meebrengt om de vrijheid van het volk door gepaste arrangementen en manipulaties te sturen en op die manier het beleid dat door een kleine groep bepaald wordt een schijn van basisdemocratie te geven d.w.z. dat op veelvuldige wijze het proces van oordeelsvorming en wilsbesluiten beïnvloed wordt.
Maar dat is nu precies de basisstructuur van het moderne machtsfenomeen, het bonapartisme, d.w.z. men richt de zaken zo in dat de massa denkt dat zij de competentie heeft om het beleid van de top te bepalen maar tegelijk heeft de leiding alle machtsmiddelen in de hand om de basis te sturen doordat ze bvb. geen vrije initiatieven toelaat die op vrije en gelijkberechtigde wijze kunnen bestaan en bekend geraken naast de initiatieven van de leiding.
Wat er op die fatale 8 februari 1925 gebeurde is voor de leden van de AV zo moeilijk te doorgronden omdat de verlamming resp. de likwidering van hun vrijheidsorganisme – het organisme dat juist de voorwaarde was dat de kracht van de antroposofie zou kunnen ontstaan en in de 20ste eeuw tot beschavingsprincipe zou kunnen worden – niet geschiedde door een directe ingreep in de statuten. Het was door de omweg dat de leden niet bemerkten dat ze – door het bestuur (dat het ook niet doorhad) van hun vereniging daartoe uitgenodigd – in een ander organisme terecht waren gekomen, dit organisme illegitiem bezetten en de soevereiniteitsrechten uitoefenden die hun niet toekwamen, in de overtuiging dat ze zich nog altijd bevonden waar ze zich wilden bevinden : in de Antroposofische Vereniging. Omdat dit in realiteit niet het geval was, deden ze ook geen moeite om de hun bekende authentieke structuur van hun vereniging –namelijk haar statuten – met leven te vervullen. Ze schoven deze structuur aan de kant, deklasseerden ze tot Prinzipien en vervolgden hun eigen ontwikkeling als verenigingsgeheel volgens de regelen van een vereniging die zich in niets meer onderscheidde van een gewone, democratisch ingerichte vereniging. Daarmee werd Rudolf Steiners concept van een constitutie compleet en volledig verlaten.”

“Niet alleen Steffen, maar ook Emil Leinhas voelde nattigheid. In een brief aan Günher Wachsmuth van 30 maart 1926 vernoemt deze “dat niet alleen voor de leden in ’t algemeen, maar ook voor de prominente personaliteiten in de Vereniging deze statuten – bedoeld zijn die van 8 februari 1925 die de basis vormden voor de jaarvergadering van 29 december 1925 – tamelijk onduidelijk zijn. Er wordt algemeen aangenomen dat er altijd maar zeer weinig leden stemgerechtigd waren. Een generaal-secretaris heeft mij gevraagd of het niet mogelijk zou zijn om tenminste de generaal-secretarissen een afschrift van de statuten te bezorgen. Ikzelf vraag me ook af of het geen goed idee zou zijn om de statuten bij gelegenheid in het Mededelingenblad te publiceren.”

Het is al kras dat deze brief duidelijk maakt dat de leden van de AV op 29 december 1925 handelden op een rechtsbasis die ze niet eens kenden. Maar nog krasser is dat Günther Wachsmuth gans zijn leven volgehouden heeft dat Rudolf Steiner te kennen had gegeven dat hij niet wilde dat de statuten van de AAV aan de leden bekend gemaakt werden.
Misschien heeft Rudolf Steiner dat zo wel gezegd. Maar hoe was het bedoeld ?
Toch wel zo dat hij daar geen reden toe zag omdat het toch de leden van de AV-Weihnachtstagung niet betrof. Omdat een openbaar maken van deze nieuwe statuten de vele leden van de AV (WT) – die er niets mee te maken hadden – in verwarring zou brengen, dáárom heeft Rudolf Steiner misschien gezegd om ze niet openbaar te maken, maar toch vast en zeker niet om iets voor de mensen te verbergen en het tegelijkertijd tot bindende rechtsorde van de AV te verklaren. Dat is gewoon een absurde voorstelling ! Maar toch : men heeft de theorie van Wachsmuth geaccepteerd en tot vandaag is ze op het Goetheanum het geldende dogma.
Uit de brief van Leinhas blijkt dan toch dat velen die aan de vergaderingen van 29 december 1925 hadden deelgenomen, achteraf geïrriteerd waren omdat men ze als stemgerechtigde leden had behandeld. Ze vroegen zich af: waarom dan toch ? Want ze wisten dat in de praktijk van het Goetheanum-Verein tot dan toe alleen maar de kleine kring van verantwoordelijken kon beslissen.” (Blz. 63 )

“Wanneer men de zaken van een besloten verantwoordingsgemeenschap (het bestuur) tot een aangelegenheid maakt van een open vrijheidsgemeenschap (Weihnachtstagung), dan hoeft het niet te verwonderen dat men de deur wagenwijd openzet voor demonen allerhande. Onder ander ook omdat naast de basisdemocratische macht bijna vanzelf een illegitieme piramidespits tevoorschijn komt in de vorm van een functionaris-elite (bestuur enz.), die vanuit hun legitieme geestelijke ambities, omdat de basis macht heeft, nu zal proberen om die basis te beïnvloeden.
Als er in een kleine kring van verantwoordelijken controversen opduiken, dan vindt men gemakkelijker een gemeenschappelijke noemer om overeen te komen, maar als de controversen “gedemocratiseerd” worden, dan leidt dat tot starre partijfronten, kliekvorming en vetes, tot onbeheersbare, door emoties aangevuurde ruzies en ten slotte tot het doorvoeren van de inzichten van wie het meeste aanhangers heeft.
Zijn het niet dergelijke fenomenen die de AAV tientallen jaren overheerst hebben en verhinderd hebben dat de antroposofische beweging zich krachtig kon ontwikkelen om de ontsporingen van deze tijd tegen te werken ?
Was de AAV niet tientallen jaren voornamelijk bezig met haar eigen interne conflicten ? In de jaren dertig : het inquisitieproces, in plaats van de midden-europese impuls te verdedigen. In de jaren veertig en vijftig : de ruzie om de nagelaten geschriften (Nachlass) terwijl Europa opgedeeld werd in communisme en kapitalisme.
Eind van de jaren zestig : in Oost en West grote sociale bewegingen, zoeken naar en derde weg, maar in Dornach nog altijd de ‘boekenkwestie’.
In 1989 : overal klinkt “Wij zijn het volk” – waar was het direct-democratische voorbeeld van Zwitserland, vanuit de Sociale Sectie voorbereid ? Nee, in Dornach waren de bouwplannen belangrijker. In 1993 vindt men de zeven ‘geheimen’ uit en verkondigt dat als het centrale werkprogramma tot 2000 – volledig losgekoppeld van het tijdgebeuren ! Parallel daarmee komt de propaganda op gang om de miljoenen binnen te rijven die nodig waren voor het renoveren van de Grote Zaal, de ondergrondse parking en andere prioriteiten.

De Grote Zaal, waar zich overigens dezelfde tragedie van vermenging afspeelde : men heeft vormelementen uit het eerste Goetheanum willen inbrengen in het tweede, dat echter vanuit een volledig ander concept was ontstaan. – W.H.

Tot ten slotte in 1995 een nieuw conflict, deze keer rond het tijdschrift “Das Goetheanum” de schijnbare harmonie kwam verstoren …” (Blz. 67 )

“Vaak wordt als het wezenlijke van de Weihnachtstagung gewezen op het feit dat daarmee Vereniging en Beweging één zijn geworden. Maar waardoor gebeurde dat en : bleef het daarbij ?
Rudolf Steiner spreekt daar zeer duidelijke taal :
“Ik heb vaak, vooraleer we hier aan het Goetheanum onze Weihnachtstagung hadden, moeten benadrukken dat men een onderscheid moest maken tussen de antroposofische beweging die een spirituele stroming in haar spiegeling op aarde is, en de Antroposofische Vereniging, die nu eenmaal een vereniging is die op een uiterlijke manier bestuurd werd doordat men functionarissen door verkiezing of op een andere manier aanstelde. Sinds Kerstmis moet het tegendeel gezegd worden. Men kan geen onderscheid meer maken tussen antroposofische beweging en Antroposofische Vereniging. Ze zijn beide één : want door het feit dat ikzelf voorzitter van de Vereniging ben geworden, is de antroposofische beweging één geworden met de Antroposofische Vereniging.” Dat betekent : Vereniging en beweging werden één omdat Rudolf Steiner de leiding van de Vereniging overnam en daarmee zijn karma met het lot van de Vereniging verbond. Nu ging alles wat binnen de Vereniging gebeurde een rechtstreekse uitwerking op hem hebben. Daarom ligt er zo’n grote ernst in zijn woorden als hij verklaart dat het niet gemakkelijk is “om binnen de antroposofische beweging als verantwoordelijke te werken.”
“Deze leiding, wat houdt die in ? Ik heb vaak sinds de Weihnachtstagung op het heel bijzondere moeten wijzen wat deze leiding van de antroposofische beweging inhoudt. Ze houdt in dat ikzelf in staat moet zijn om alles wat in een samenhang met mij gebeurt, aan de geestelijke wereld te brengen. U moet deze gedachte maar eens laten doordringen, wat het betekent t.o.v. de geestelijke wereld de antroposofische beweging te verantwoorden. En welke moeilijkheden eruit voortvloeien voor hem die voor één of andere zaak moet verantwoording afleggen t.o.v. de geestelijke wereld wanneer hij dan moet meebrengen al wat uit de persoonlijke ambities van de deelnemende mensen komt. Dat veroorzaakt werkelijk de huiveringwekkendste terugslag vanuit de geestelijke wereld voor hem die deze dingen mee tot de geestelijke wereld moet brengen.”

Hoe moest zich dat op het karma van Rudolf Steiner uitwerken dat er niet alleen vele persoonlijke ambities, persoonlijke tendensen optraden, maar ook dat door de gebeurtenissen van 1925 – tot vandaag niet ingezien en gecorrigeerd - de ontplooiing van de levensvoorwaarden van de Vereniging verhinderd werd ? Wat betekent dat voor de vraag naar wat voor leiding van de Vereniging en voor de verhouding tussen Vereniging en beweging ?” (Blz. 314)

.

Is de Antroposofische Vereniging gekaapt door een anti-Geest ?

“Als gevolg van de koerswissel van 8 februari 1925 is de AAV een slecht sociaal instituut. Markus Sieber citeert Rudolf Steiner :
“Wat bvb. een slechte werking uitoefent op het etherlichaam, dat zijn onrechtvaardige, slechte wetten, verkeerde maatregelen of slechte sociale structuren in een of andere gemeenschap. Alles wat bvb. tot onvrede leidt, wat de ziel beleeft door het verkeerde in de relaties van mens tot mens, door wetten die op een verkeerde manier straffen (de uitsluitingspagraaf in de AAV !), alle slechte inrichtingen, dat werkt door de slechte stemming in het samenleven der mensen, zodanig dat die werking tot in ons etherlichaam doordringt.
En deze werkingen worden “in een grandioos gebeuren ’s nachts tot wezens.”
Wij zouden ons fysiek lichaam ’s morgens dood vinden als we alleen op onszelf aangewezen waren. We treden immers uit dit fysieke lichaam met onze hogere krachten die het verzorgen, met het Ik en astraal lichaam. Die zijn uit het slapende fysiek en etherlichaam, die blijven nu alleen achter. Maar zonder een geestelijk principe kunnen die niet bestaan. Wat wij niet doen ’s nachts, dat doen andere wezens. Hoge, verheven wezenheden, die ooit het fysieke en het etherlichaam geschapen hebben, verzorgen het ’s nachts.”

Maar als deze wezens daar de werkingen aantreffen van slechte sociale inrichtingen, dan geraakt dat in conflict met de hogere werelden. Daardoor wordt er iets nieuws gecreëerd. Er worden delen van de substanties van de hogere wezens afgesnoerd. Deze delen zijn zelf wezens, boosaardige elementenwezens die Rudolf Steiner spektren of spookgeesten noemt.
Als de mens ’s morgens met zijn Ik en astraal lichaam weer bezit neemt van zijn lichamelijkheid, dan stromen deze wezens uit hem en leiden dan een zelfstandig bestaan tussen de werelden. Hun werking is veelzijdig, remmend, tot in het karmische.
Deze fenomenen worden nog erger want men ziet hoe snel slechte regelingen enerzijds huichelarij en leugens veroorzaken en anderzijds vooroordelen en aanpassingsdwang, en dat op zijn beurt leidt tot gelijkaardige afsnoeringen van zgn. fantomen en demonen.
Deze wezens werken altijd in de richting van waar ze ontstaan zijn. Wanneer ze ontstaan zijn door slechte wetten, dan werken ze eveneens zo dat ze de mensen aanzetten om nog meer slechte wetten te maken.
Markus Sieber vraagt zich af :
“Is het niet zo dat spookgeesten die door een slechte verenigingsvorm gecreëerd worden, de neiging hebben om zich aaneen te sluiten ? Zou er niet zo’n etherische aaneensluiting vooral dan kunnen geschieden wanneer een hoger geestelijke entiteit verenigend en leidend in dat ‘leger’ afdaalt ? Zou niet, als de omstandigheden daartoe geschikt zijn, een ahrimanisch wezen dat kunnen doen ? En zou dat dan niet betekenen dat het rechtslichaam van de AAV, als dat ongeschikt is voor en in tegenspraak met de geestelijke inhouden van de AAV – daarmee een vorm voor een ahrimanisch wezen aanbiedt, een wezen dat we als tegengeest of schaduw van de AntropoSofia, voor wie het eigenlijk bedoeld was, moeten beschouwen, en benoemen als dubbelganger van de AAV ?
En is wellicht niet Ahriman zelf, als vorst van het intellect, die zich op de Zon afgesplitst heeft en wiens wezenskern een geest van wijsheid is, deze AntiSofia ?”
( blz. 15 )

Ja, het boek van W. Heidt is geen prettige lectuur. Maar de laatste vraag moeten we durven stellen.
Denken we maar aan de jaarvergadering in Dornach van 16 april 2011 waar Bert Penninckx en Peter Van Den Broeck aanwezig waren en meededen aan het new-age-ritueel waartoe de leden werden uitgenodigd . Gabriela Swierczynska heeft daar zo haar idee over ( in ‘Der Europäer nr. 8 van juni 2011) :

“Een beeld voor het minimaliseren van de mistoestanden was het initiatief om een menselijke ketting rond het Goetheanum te vormen, voor het begin van de jaarvergadering, als beschermingsring “zich bezinnend in gedachten en gevoelens over Rudolf Steiners impuls en bedoeling met de AAV”.
Er waren echter niet genoeg mensen die daar hand in hand wilden aan meedoen zodat er achter het Goetheanum een stuk open bleef. Wat daarvan het gevolg was bij de pentagram in Goethes Faust is bekend. Wat met problemen gebeurt die op een kleutertuinmanier benaderd worden, in plaats van ze ten gronde aan te pakken, dat blijft in het midden.”

.

Ter herinnering : hoe zat dat daar met Faust ?

Concreet gaat het als volgt. Mephistopheles wil terug vertrekken maar kan niet weg omdat hij in een pentagram staat. Faust vraagt hem hoe hij erin geraakte (vers 1396) :

Faust :
De vijfhoek is niet naar uw zin ?
Ei, zoon der helle, deel mij mede,
Als dat u bindt, hoe kwaamt gij er dan in ?
Hoe liet zo’n geest zich dus verlokken ?

Mephistopheles :
Bezie het wel ! Het is niet goed getrokken :
De ene hoek, die naar de buitenzij,
Is, zo gij ziet, een weinig open.

Over deze scène vonden we een commentaar die toevallig goed aansluit bij ons onderwerp (op :
http://mercuriaan.info/index.php?p=6&aid=4 )

Studeerkamer met poedel (I vers 1180 tot 1525)

Faust, helemaal nog ondergedompeld in de Paasvreugde, gaat in het Nieuwe Testament het Johannes evangelie vertalen.  Zijn gedachtengangen worden telken male door de hond verstoord, omdat de begrippen voor de hond (Mephisto) ondraaglijk zijn.  Faust spreekt over
de liefde,
de rede,
het goede en het schone,
het woord,
de gedachte,
de kracht,
de daad.
De hond neemt allerlei gedaanten aan, en Faust, die met magie vertrouwd is, probeert dit af te wenden door de elementen aan te roepen: vuur/salamander - water/undinen - lucht/sylphen - aarde/kobolden.  Wanneer Mephisto in z'n gedaante verschijnt, en Faust vraagt wie hij is, kan Faust geen genoegen nemen met diens antwoord:
"Gij noemt uzelf een deel, en staat toch gans voor mij?" (I 1345)
Individualiteit is juist datgene wat de mens tot mens maakt, de naam die alleen elke mens tot zichzelf kan zeggen: ik.
Mephisto weert dit onmiddellijk af en probeert de kamer te verlaten.  De drudenvoet (pentagram) verhindert dit.  Ook Faust wil Mephisto niet laten gaan.
"Wie 'n duivel heeft, hij hou' hem vast!
Zo'n kans komt niet zo gauw voor 'n tweede maal" (I 1425)
Maar nu kunnen we beleven, hoe Faust toch niet sterk genoeg is, en Mephisto hem in een opeenvolging van onsamenhangende beelden alle kracht tot denken en waarnemen ontneemt, waardoor hij inslaapt.

Is dit in onze tijd ook niet een opgave?  Doorheen de stroom van beelden die ons overspoelen, nog de samenhang te vinden en ons staande te houden?

Hier bemerken we terug: Faust die enerzijds zich wil verheffen tot de geestelijke wereld zonder bekwaamheid (Luciferisch), anderzijds, Faust die het geestelijke in de gebondenheid van het materiële zoekt (Ahrimanisch).


*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

En nu we toch bij een gesloten kring zijn : misschien kan het onderstaande beeld ons helpen om een ander perspectief te vormen :

Vaticaan-tendensen zijn er altijd geweest in Dornach. Twee voorbeelden (uit het boek “Wer war Ita Wegman” van J.E. Zeylmans) :

- Günther Wachsmuth gaf in 1931 een financieel overzicht en daarbij riep hij op om geen financiële middelen meer naar bedrijven, speciale fondsen, nieuwe initiatieven te laten vloeien maar uitsluitend naar Dornach. Volgens hem ging er niet alleen geld voor het Goetheanum verloren door nieuwe initiatieven, maar ook geestelijke opmerkzaamheid voor het centrum, voor Dornach. Zij die daarover een andere mening hadden (volgens Steffen “een onjuiste opvatting van de antroposofie”) wilden het tegendeel : Ita Wegman, Elisabeth Vreede.
- Albert Steffen vond dat de “Verenigde Vrije Groepen” in 1934 zich zelf uitgesloten hadden.
J.E. Zeylmans : “Dat is de antroposofische pendant van de excommunicatio ipso facto van de katholieke kerk : wie de dogma’s van de Kerk openlijk loochent, sluit zich daardoor zelf uit.”
(Zeylmans, deel 3, blz. 31)

Zij die alles bij het oude willen laten, verwijzen naar de uitspraak van Rudolf Steiner dat het bestuur van de Vereniging een initiatiefbestuur moest zijn, én een esoterisch bestuur, én een administratief bestuur !
Ten eerste moeten we ons de vraag stellen : voor wie was deze instructie bedoeld ? Alleen voor het specifiek bestuur van 1923 ? Was dat ook bedoeld voor alle volgende besturen, zowel die in Dornach als die van de landelijke verenigingen ?
Ten tweede kan dat zelfs volgens de visie van Wilfried Heidt. Dat het bestuur administratief is, spreekt vanzelf; dat het esoterisch is : alleen voor zover de bestuursleden klasselezers zijn (en dan nog … ), dat het initiatief neemt :
daarmee staat het dan op gelijke voet met de andere ledengroepen (auf örtlichem of sachlichem Felde ).
Ten derde : als men geen mensen meer vindt die zich in staat voelen om aan deze eisen te voldoen – wat dan ?


*

*

*

*

*

*

*

*


.

Iemand die zeer kritisch staat t.o.v. wat in Dornach gebeurt (en niet gebeurt !) is Thomas Meyer, de bekende Zwitserse auteur en uitgever van het tijdschrift “Der Europäer”. Hij sprak op 21 en 22 oktober 2011 in Brussel. Hij herinnerde ons eraan dat naar aanleiding van de herdenking van het begin van de Eerste Wereldoorlog terug de gebruikelijke leugens i.v.m. de schuldvraag zullen opgerakeld worden. Eén van de bronnen die antroposofen kunnen gebruiken om weerwerk te bieden is wat de chef van de Duitse generale staf, Helmuth von Moltke, neergeschreven heeft over het begin van de oorlog. Daaruit blijkt duidelijk dat Duitsland die oorlog niet gewild heeft. In latere afleveringen van dit tijdschrift zullen we dieper ingaan op het boek dat Thomas Meyer over Helmuth von Moltke uitgaf.

Thomas Meyer, “Helmuth von Moltke, Leben und Wirken, Basel, Perseus Verlag, 2003.

Uit dit werk nemen we deze keer alleen een beschouwing over die in verband staat met de toekomst van de antroposofie omdat dit nauw samenhangt met de statutenkwestie, Sampo en met de vraag : hoe moet het nu verder ? Dit thema werd ook behandeld op zaterdag 22 oktober 2011 in de Troonstraat in Brussel.
De titel van de beschouwing komt van Helmuth von Moltke (boodschap na zijn dood) en werd door Rudolf Steiner neergeschreven op 23 maart 1919.






“Bruggenbouwers moeten de mensen worden . . . “ – een aforistische beschouwing

door Thomas Meyer

Eén basismotief loopt als een rode draad door het leven van Helmuth von Moltke : het motief van het brug-bouwen. Het is het pontifex-motief uit zijn incarnatie als paus Nicolaas de Grote ( paus van 858 tot 867 ) dat Moltke ook in de 20ste eeuw de kloof tussen de zintuiglijke en de geestelijke wereld laat overbruggen. En het is zeker geen toeval dat Rudolf Steiner in de herdenkingstoespraak op 20 juni 1916 spreekt over de brug die door Moltkes leven tussen deze twee werelden is geslagen.
Het motief werd in de loop der eeuwen geïndividualiseerd.
Nicolaas was wellicht de laatste paus die kon doorgaan als drager van de geest, die als representant van velen hier op aarde en binnen een gemeenschap van nog onmondige geesten terecht op een pontifex-autoriteit kon bogen. Dan kwam 869, de “afschaffing van de geest”, en daarmee had het pausdom in feite zijn spirituele legitimiteit als herderlijke instantie ingeboet.
Want, wanneer de Romeinse pontifex tot dan toe de mensen letterlijk voorbeeldig tot de geest leidde, dan was nu, na de afschaffing van de geest, deze opdracht nietig geworden. Het pausdom werd een machtspositie. Dat tonen de eeuwen die volgen op de 9de in toenemende mate. Het absolute dieptepunt werd in de Renaissance bereikt met de Borgia-pausen. Of moet men het huidige terugvallen op een normatief-ethisch fundamentalisme zoals dat in de nieuwe catechismus klaar naar voor komt, beschouwen als een nog groter dieptepunt ?

Net zoals men Nicolaas de laatste ware paus kan noemen omdat hij nog door de geest geïnspireerd was, net zo kan Rudolf Steiner beschouwd worden als de initiator van het waarlijk individuele pontifex-principe voor de huidige en toekomende tijd. Dit komt tot uitdrukking in zijn ethisch individualisme. Waaruit bestaat in wezen het nieuwe pontifex-principe ?
Het overbruggen van de fysieke naar de boven-fysieke wereld is niet meer het privilege van weinigen of van een enkel individu, het kan nu door iedere ziel bereikt worden, los van de spirituele autoriteit van een of andere hiërarchische bevoogding. De mensen moeten zich niet langer, aan deze kant van de grote wereldstroom die fysieke en bovenzinnelijke wereld scheidt, allemaal over één en dezelfde brug laten leiden wanneer ze aan de andere kant willen geraken.
Want sinds de 20ste eeuw kunnen ontelbare individuele bruggen hier en daar geslagen worden, zo vele als er zielen zijn die ontwaken in de geest. Over de oude brug van het geloof kon vroeger het individu, in een doffe dromende gemeenschap met velen, oversteken. De moderne brug van het inzicht moet nu eenieder voor zichzelf bouwen en bewandelen. De bouwstenen voor deze brug heeft Rudolf Steiners geesteswetenschap in rijke mate daartoe aangedragen.
Deze stenen heeft Helmuth von Moltke, na zijn derde maanknoop, dus rond de tijd dat hij in 1904 Rudolf Steiner leerde kennen, eerst met aarzelend scepticisme, daarna met al maar grotere zekerheid gebruikt. “Die liggen mij het nauwst aan het hart, die zo veel moeite hebben om het aan te nemen” zei Rudolf Steiner eens van iemand die grote innerlijke weerstanden moest overwinnen om tot de geesteswetenschap te komen. Hij had hetzelfde van Moltke kunnen zeggen. Als waarlijk middeneuropese geest moest deze man de troebele oceaan van de twijfel oversteken. De vrucht van zijn arbeid kon pas na zijn dood rijpen. Maar de oogst was toen des te rijkelijker.
Terwijl hij tijdens zijn leven in zijn dagbewustzijn vaak met twijfels t.o.v. de geestelijke wereld stond, na zijn dood wordt deze wereld voor hem niet alleen klaarder en duidelijker, ook de invloed van deze wereld op de aardewereld onthult zich voor hem tot in de details.
Na het herinvoeren van de individuele geestelijkheid in de cultuur van de 20ste eeuw door Rudolf Steiner stond de voormalige vertegenwoordiger van het oude pontifex-principe tegenover de ware initiator van het ethisch individualisme. En doordat de Moltke-individualiteit in staat was de kiem van de geesteswetenschap langzaam maar zeker in zich op te nemen, werd het principe van plaatsvervangend en spiritueel voogdijschap van het oude pausdom, alleen door deze daad van hem, in de archieven van de wereldgeschiedenis geklasseerd. In Moltkes eigen persoonlijkheid is de overgang van het oude naar het nieuwe geïndividualiseerde pontifex-principe wereldhistorische realiteit geworden. Daaraan zal in de toekomst het voortbestaan van de bevoogdende spiritualiteit vanuit een gezagspositie, zoals in de katholieke kerk en aanverwante stromingen afgemeten worden.

*

Door het verder werken van de Nicolaas-individualiteit in een volgende incarnatie is de oude spiritualiteit die zich concentreerde rond één opperhoofd van de Kerk door de poort van de dood gegaan om in een veranderde vorm terug op te staan midden in de antroposofische beweging en voortaan het ethisch individualisme te dienen. Waar dit door de individuele mens gerealiseerd wordt is geen plaats meer voor spiritueel centralisme. Geen plaats meer ook voor exoterische of esoterische kennis waarvan het gebruik door weinigen moet gehoed worden, of, zoals de dragers van het oude pontifex-streven meestal verkiezen : beschermd moet worden.
Want na het herinvoeren van het individuele geest-principe is het het individu dat nu geroepen is om zelf “centraal” te worden, in zichzelf het geestelijk centrum op te richten van waaruit de brug naar de geestelijke wereld kan geslagen worden. En daardoor wordt de afschaffing van de geest in 869 langs de afzonderlijke daden van de afzonderlijke individuen stuk voor stuk terug ongedaan gemaakt.

*
Waar niet het individu de brug bouwt tot de geestelijke wereld, daar kan in werkelijkheid ook een oude pontifex niets meer doen. Totaal andere wezens springen dan in, die niet tot een vrije daad kunnen overgaan en onvrijwillig moéten werken. Hoe zegt Mephistopheles het in Goethes Faust als deze hem een toverdrank wil laten brouwen : “Dat waar’ mij een mooi tijdverdrijf ! Ik kon terwijl wel duizend bruggen bouwen !” (I, 2368-2369)

Ook de tegengeest is actief als bruggenbouwer, alleen vertrekt hij van de andere oever. Dat betekent: waar niet het individu zelfstandig de brug slaat naar de geestelijke wereld, daar bouwen de bewoners van die wereld op hun manier een brug naar het mensen-innerlijk ! En voor Mephistopheles en zijn scharen is het voortbestaan van de oude pontifex-gezindheid zeer welgekomen, het laat een veel groter speelruimte voor hun eigen plannen . . .

*

We mogen ons de vraag stellen : in hoeverre is de aardse vereniging die voor de antroposofische beweging a.h.w. de stroombedding is, in hoeverre is zij vrij van het oude pontifex-principe ?
Ook maar voor zover de laatste zware blokken van het oude spirituele centralisme en de plaatsvervangende geestelijkheid verwijderd worden, zullen de krachtimpulsen ongehinderd door het stroombed van deze geest-beweging kunnen vloeien.
Ieder afzonderlijk vanuit zijn eigen geest-centrum, juist daardoor echter en op deze wijze bouwend, verder bouwend aan de grote zichtbaar-onzichtbare gemeenschap van waarlijk vrije geesten.

*
.

Tot daar Thomas Meyer. We mogen zijn laatste vraag gerust wat radicaler stellen : hebben we nog een geografisch centrum nodig in deze tijd ? Of een esoterisch bestuur ? Als iedereen voor zich tegenwoordig pontifex is, zelf de weg naar de geest kan vinden, waarom nog een bestuur dat meer is dan een zuivere ledenadministratie ?

In de Witte Werf van december 2001 legde Jos Verhulst uit waarom het pausdom een onding is, maar is het onderstaande ook niet toepasselijk op een esoterisch bestuur van de Antroposofische Vereniging ?

"De eigenlijke `ecclesia' is niet één of andere Kerk, maar het onzichtbare weefsel van warmterelaties en betrokkenheid dat tussen de mensen aanwezig is en dat de eigenlijke substantie uitmaakt van de samenleving. Het moge duidelijk zijn dat dit `mystieke lichaam' aan de zwaarste aanvallen blootstaat. Waarop moeten we steunen, om dit onzichtbare warmte-organisme tot ontwikkeling te laten komen? We vinden in het evangelie een éénduidig antwoord. De figuur van Petrus speelt in het evangelie de rol van de feilbare, goedmenende, reëel bestaande mens (Matt.26, 31-35 en 69-75). Petrus zakt bij gebrek aan geloof door het water, zet eerst een grote bek op maar verloochent nadien uit angst driemaal Christus. Hij is geen held. In feite is hij de Lambik van het evangelie. Het is precies van deze feilbare mens, dat Christus zegt:
"Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn" (Mattheus 16, 18-19). Deze woorden zijn tot het individu Petrus gericht, en zijn opvolgers zijn wij feilbare maar goedmenende mensen, allemaal.
Het is een absolute corrumpering en omdraaiing van deze woorden, wanneer men beweert dat ze slaan op de installatie van een soort verlicht geestelijk despotisme, waarbij één mens een voorrangsrelatie heeft met het Woord, en waarbij één instituut in de plaats komt van de reële mensengemeenschap.
De uitspraak heeft betrekking op de regels en wetten die de mensen samen maken : Christus zegt dat de aldus gemaakte regels het hemelse zullen weerspiegelen."

.

Dezelfde conclusie kunnen we ook trekken uit Joh. 5 :

Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het Hebreeuws den bijnaam Bethesda draagt, met vijf zuilengangen. Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden [ die wachtten op de beweging van het water. Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neder in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst in kwam na de beweging van het water, werd gezond, wat voor ziekte hij ook had ]. En daar was een man die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was. Deze zag Jezus liggen en daar Hij wist dat hij daar reeds langen tijd was, zeide Hij tot hem : wilt gij gezond worden ? De zieke antwoordde Hem : Here, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een ander vóór mij af. Jezus zeide tot hem : sta op, neem uw matras op en wandel. En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs.

Dicht bij de schaapspoort : een verwijzing naar de mens als groepsdier.
Het bad met de 5 zuilenrijen : het menselijk Ik met de 5 zintuigen. Die zintuigen geven een beeld van de wereld als maja en maken dat we niet tot onze wezenskern kunnen doordringen : wie alleen op zijn zintuigen rekent is in feite een van de gebrekkigen daar.
Op bepaalde ogenblikken is de gelegenheid gunstig om ons hoger Ik te activeren : door de ingreep van een engel en een gunstige omstandigheid in onze levensloop (38 jaar = tweede maanknoop).
Vóór Christus had men een helper nodig om contact met het hoger ik te maken, die ons a.h. w. in het bad moest gooien. Het woord van Christus en onze wil is nu voldoende : sta op en ga uws weegs.

Als we horen dat op de laatste jaarvergadering in Dornach een motie van wantrouwen werd ingediend, dat ieder bestuurslid afzonderlijk gewogen en uiteindelijk toch niet te licht bevonden werd, dan voelt men toch dat daar iets niet klopt. Er is onvrede over hoe het bestuur de zaken aanpakt. En dan wordt er gestemd door een zeer beperkt aantal leden, diegenen die dicht bij Dornach wonen of er toevallig kunnen zijn (1300 van 50.000, dat is minder dan 3% van het totale aantal leden). Ook over Weleda moeten die mensen dan stemmen ! Met welke competentie ? Het herinnert ons aan de beruchte vergadering die stemde over de uitsluiting van Ita Wegman, Elisabeth Vreede en duizenden anderen. Die zaak werd beslist door een kleine groep leden en niet eens representatief : de meeste waren Zwitsers.
Dat allemaal in wat de meest open, meest vrije vereniging hoorde te zijn.
Bodo von Plato verklaarde dat hij zich niet aanmatigde om te beoordelen wie al dan niet lid mag zijn, maar in dezelfde adem deelt hij mee dat iemand uitgesloten werd wegens rechtsradicale opvattingen ( volgens ‘Der Europäer nr. 8 van juni 2011). Is er soms in de statuten van de Weihnachtstagung een paragraaf die verbiedt om rechtsradicale ideeën te koesteren ? Maar ja, het is altijd veiliger om politiek-correct mee te zwemmen met de stroom dan radicaal het recht op vrije meningsuiting voor iedereen te verdedigen.
Hoe ging Rudolf Steiner om met oppositie ? Daar kan men (terug maar eens) iets van leren.
Alice Sauerwein leidde sinds 1913 het antroposofisch werk in Frankrijk en vertaalde het werk van Rudolf Steiner.
Op de Weihnachtstagung benoemde hij haar tot contactpersoon van de op te richten Antroposofische Vereniging in Frankrijk. In Parijs was niet iedereen daarmee akkoord. Rudolf Steiners reactie :

“Bij deze dingen komt het aan op de juiste manier van voorstellen. Men kan niet zeggen dat Mej. Sauerwein deze functie opgenomen heeft want dan is de volgende vraag wie haar die toegekend heeft enz. In een vereniging die werkelijk op vrijheid berust moet dat anders. Mej. Sauerwein heeft zich bereid verklaard om in Frankrijk alles te doen wat ze kan om daar een Antroposofische Vereniging op te richten. En door hetgeen ik over Mej. Sauerwein weet, kon ik haar een papier geven –daar heeft u het toch over nietwaar – waarin staat dat ik Mej. Sauerwein erken als generaal-secretaris van de Franse Antroposofische Vereniging en dat ik voor haar zal doen wat van mij verlangd wordt voor de Franse AV.
Daar komt het op aan dat men zo in absolute vrijheid zelf kan bepalen wat men doet. Wie Mej. Sauerwein niet wil erkennen, die hoeft dat niet te doen, maar zij zal in de toekomst diegene zijn voor wie ik mij bereid heb verklaard te doen wat van mij verlangd wordt.
Men moet deze zaak in alle details bestuderen, dan zal men erachter komen hoe men de dingen praktisch moet doorvoeren zodat in de twee richtingen vrijheid heerst.
Maar dat heeft men nu juist tot nu toe altijd vermeden, juist deze principes van de “Grundsätze” ernstig te nemen., die tonen hoe de Antroposofische Vereniging op vrijheid gegrondvest is.
Als er ergens een positieve missie moet ontstaan, dan kan die slechts vanuit dergelijke vrijheid ontstaan. Waar het hier om gaat is dat als een AV in Frankrijk opgericht wordt en die wil iets van mij hebben, dan zal ik alleen doen wat ik in vertrouwen tot Mej. Sauerwein zal doen.
Dat is de vrijheid van iedere mens om alleen maar iets te doen voor de zaak die hij zelf wil.”

(Uit : “Wer war Ita Wegman ?” door Zeylmans, deel 1, blz. 211-212.)


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Terug naar de Sampo .
Lieven Debrouwere probeert het Sampo-verhaal te begrijpen. Dit zijn zijn impressies :

Een beeld dat in dit verband bij me naar boven is gekomen (en dat wel meer bij me naar boven komt), is dat van de geboorte. Alle praktische antroposofische initiatieven ontstaan in de schoot van een geestelijke vereniging, in eerste instantie in de individuele mens zelf. Zij zijn de 'kinderen' van de antroposofie, van het vrouwelijke wezen Antroposofia.

Moeder en kind leven eerst 9 maanden in symbiose, in een toestand van 'vermenging'. Een idee moet eerst 'rijpen' voor het in praktijk kan worden gebracht. Maar dan komt het moment dat het kind moet geboren worden: het praktische initiatief moet gescheiden worden van de ideële moeder, het moet zelfstandig worden. Zo zie ik Sampo: als een praktisch initiatief dat zich afscheidt van de schoot waarin het ontstaan is, en die 'schoot' is de vereniging als een ontmoetingsplaats waar mensen ideeën, gevoelens en impulsen delen. Maar Sampo verschilt van de gebruikelijke antroposofische initiatieven door wat ik haar zelfbewustzijn zou willen noemen: ze wéét namelijk wat er gebeurt, ze is zich bewust van het feit dat en de reden waarom ze gescheiden moet worden van de moedervereniging. Samen met het lichaam (het praktische initiatief, de huishoudvereniging zoals jullie ze noemen) wordt ook een geest geboren. En die geest is nieuw.

Er zijn al vele antroposofische initiatieven 'geboren', steinerscholen bijvoorbeeld. Maar als ik kijk naar bv de Gentse steinerschool, die ik toch een hele tijd gekend heb, dan zie ik hoe de antroposofische geest daar langzaam uit verdwenen is. Zoals een bestuurslid me destijds onder vier ogen zei: dit is allang geen steinerschool meer. Nochtans was de oorspronkelijke geest bruisend, enthousiasmerend en zeer aantrekkelijk. Zoals ik het nu zie, was dat niet de geest van de school zelf, maar van de 'moeder', van een antroposofische vereniging, en die vereniging bedoel ik hier heel concreet als de verzameling mensen die de geboorte van de school mogelijk hebben gemaakt. Maar door de onvermijdelijke en noodzakelijke afstand die er in de loop der jaren ontstond tussen moeder en kind (van de oorspronkelijke 'moedergroep' bleef na 21 jaar vrijwel niemand meer over) verloor de school het contact met de oorspronkelijke 'moedergeest'. Vandaag is de school een heel keurige vorm, maar inhoudelijk, dwz geestelijk-antroposofisch gezien, stelt ze waarschijnlijk niet veel meer voor.

Nu wordt zo'n kind groot, dwz het wordt zelf een 'schoot' waaruit nieuwe kinderen kunnen geboren worden. Een steinerschool is, naast een praktisch initiatief (een plek waar kinderen worden onderwezen), ook een ontmoetings-plek voor mensen, waar nieuwe verenigingen kunnen ontstaan, die op hun beurt weer nieuwe intiatieven kunnen genereren. Je ontmoet op een steinerschool inderdaad mensen die je anders nooit zou tegenkomen. Dat is een bijzonder kostbaar aspect van zo'n school. Ik heb echter altijd betreurd dat dit aspect, deze ontmoetings-mogelijkheid, als het ware 'verzoop' in het praktische werk. Ik heb in De Mare destijds nog bepleit dat er tijdens een 'klusdag' mensen de taak op zich zouden nemen om van die klusdag ook een ontmoetingsdag te maken en bijvoorbeeld voor eten te zorgen en een hoekje vrij te maken waar mensen konden komen uitblazen en in gesprek komen met anderen. Maar daarmee kwam ik in botsing met de mensen die zeiden dat we daarvoor geen tijd hadden, dat er dingen klaar moesten zijn en dat alle handen nodig waren. Ik bracht daartegen in dat er misschien heel wat meer mensen zouden komen klussen als die klusdag niet louter korvee was, als je er ook iets gezelligs van maakte, iets waar mensen met plezier naartoe kwamen en niet (alleen) omdat het nodig/verplicht was.

Zoals ik het nu - in het licht van Sampo - zie, wilde ik toen die twee aspecten - het praktisch-concrete en het sociaal-menselijke - uit elkaar halen zodat ze elkaar des te beter konden bevruchten. Maar niemand had daar oren naar, en ik was noch praktisch, noch sociaal genoeg om die idee zelf in praktijk om te zetten.

Maar goed, ik weid uit. Wat ik wilde zeggen is dat de 'oorspronkelijke geest' die moeder en kind in dit geval (de gentse steinerschool) bezielde, bij het uiteengroeien van moeder en kind, niet alleen bij het kind, maar ook bij de moeder verdween. Het antroposofische verenigingsleven stelt hier in Gent niks meer voor. Het heeft hetzelfde lot ondergaan als de school.

Dat brengt me op het idee dat die 'oorspronkelijke geest' leeft in de relatie tussen moeder en kind. Als hij verdwijnt bij het kind, dan verdwijnt hij ook bij de moeder. Het is dus niet zo dat praktische antroposofische initiatieven in de greep komen van het alomtegenwoordige materialisme, terwijl de 'moeder' - de Antroposofische Vereniging - het contact met de oorspronkelijke geest behoudt. Nee, ze delen samen hetzelfde lot. De antroposofische geest verdwijnt als de relatie tussen moeder (verenigingsleven) en kind (praktisch initiatief) verdwijnt.

Wat de relatie tussen moeder en kind - en dus de antroposofie - het meest bedreigt, is niet de geboorte en het zelfstandig worden van het kind, ofschoon daarbij een verwijdering kan ontstaan waar beiden onder lijden. Nee, het grootste gevaar is dat de geboorte niét plaatsvindt en dat moeder en kind 'verenigd' blijven. Want dan beginnen ze elkaar te vernietigen: de moeder houdt het kind gevangen en verstikt het, terwijl het kind het leven van de moeder in gevaar brengt. En dàt is wat vandaag overal gebeurt, dàt is het drama van deze tijd: de Ik-mens wil geboren worden, maar hij zit gevangen in de moederschoot en wordt daar langzaam verstikt.

Dàt is ook wat ik meen te herkennen in Sampo: deze huishoudvereniging is het 'kind' van de Antroposofische Vereniging. Door het geboren te laten worden, dwz door het van de moeder te scheiden, worden kind én moeder 'verlost'. En Sampo is een bijzonder kind omdat het deze dingen wéét. Het is niet slechts een lichaam dat geboren wordt, het is ook een geest. Het is ahw een 'geestelijk lichaam'. Dat maakt het ook zo onvatbaar, denk ik. Enerzijds is Sampo iets heel concreets, het is bijna banaal in z'n concreetheid: een vereniging die zich met praktische dingen bezighoudt, die zich louter met het 'lichaam' van de AV bezighoudt. Anderzijds is Sampo een idee dat veel groter is dan dit kleine 'lichaampje'. En het is ook geen idee dat beperkt is tot dat lichaam, tot die huishoudvereniging. Het is een idee dat zowel in het kind als de moeder leeft, en bestaat bij de gratie van hun relatie. Maar het moet wél een bewuste relatie zijn, niet een onbewuste zoals in de moederschoot. Het is een relatie die de zelfstandigheid van het kind (en de moeder) veronderstelt, een relatie zoals die ontstaat wanneer het kind, na los van de moeder zijn zelfstandigheid veroverd te hebben, de band met zijn moeder herstelt, zij het dit keer op een bewust en vrij niveau.

Al die dingen zijn volgens mij begrepen in de geboorte van klein Sampootje. Alleen als ik het zo zie, kan ik iets begrijpen van de hele zaak. Het verklaart bijvoorbeeld waarom je zegt dat Sampo nauwelijks iets voorstelt. Zo is dat met een pasgeboren kind ook: het is een onooglijk wurm, dat tot niks anders in staat is dan hard schreien, slapen en jeweetwel. Maar rond dat kind zweeft een heel grote geest die niemand onberoerd laat, ofschoon hij onzichtbaar is.

Ik heb al eens de vergelijking gemaakt tussen de geboorte van Sampo en de 'geboorte in de stal' tussen de os en de ezel : het is een jonge-zielenaangelegenheid, uiterlijk onaanzienlijk maar innerlijk des te aanzienlijker. Een enorm verschil met de (nu bestaande) AV die duidelijk des oude ziels is en bestuurd wordt vanuit Dornach, het Jeruzalem van de antroposofische schriftgeleerden.

Ik denk trouwens dat de nieuwe vereniging die Steiner tijdens de Weihnachtstagung opgericht heeft (in een stal!) bedoeld was zoals Sampo: een tegelijk concrete én geestelijke vereniging, een moeilijk te vatten iets, iets dat alleen door het hart kon worden opgenomen en pas (veel) later door het hoofd begrepen. Maar dat hoofd wilde zolang niet wachten. Het heeft die nieuwe vereniging in een oude vorm gestoken, zodat ze niet meer zo vreemd en ongrijpbaar was, zodat ze 'controleerbaar' werd. Men heeft de nieuwe AV verbonden met de Johannesbau-Verein, men heeft het kind als het ware weer in de moederschoot gestoken en 'gematerialiseerd'. En dat keurslijf heeft het sindsdien zijn kwijnend leven geleden, wachtend op verlossing.

Het heeft me getroffen dat in de Kalevala, Sampo gezocht wordt door 2 mensen, een zanger en een smid. Dat lijken me duidelijk een oude en een jonge ziel. Als ik denk aan de weerstanden die het zielenthema oproept, dan komt het me voor dat ze in de eerste plaats het (onder)scheiden van die 2 groepen geldt. Want het grote (postmoderne) ordewoord is: eenheid, verbinding, gelijkheid. En op zich is dat streven zeer terecht, maar wat eraan ontbreekt is: bewustzijn. Voor dat bewustzijn is scheiding nodig: het (onder)scheiden van beide zielengroepen is voorwaarde voor hun bewuste samenwerking.

Wat we vandaag zien is geen samenwerking maar 'vermenging', zoals je dat ook ziet in de multiculturele samenleving. En die vermenging haalt beide groepen naar beneden. Gisteren kwam er in dat verband nog een beeld in me op: de multiculturele samenleving is als een autoverkeer waarbij twee verschillende reglementen van kracht zijn: de ene groep stopt voor het rode licht, de andere voor het groene. Het resultaat is dat niemand zich aan de reglementen kan houden, en dat het verkeer een jungle wordt. Twee soorten reglementen naast elkaar is hetzelfde als géén reglementen.

Met oude en jonge zielen is het volgens mij net zo: ze hanteren een verschillende set van 'regels', van principes waar ze zich aan houden. In de praktijk komt het erop neer dat niemand zich nog aan regels houdt en dat het (menselijke) verkeer zo zwaar bemoeilijkt wordt dat het zowat stilvalt. Als daarentegen oude en jonge zielen zouden weten volgens welke 'regels' de ander leeft, en bovendien zouden zien dat die regels complementair zijn, zou er kunnen gewerkt worden aan nieuwe 'regels' die boven de oude uitgaan en een veel vrijer en vruchtbaarder verkeer mogelijk maken.

Ik begin te vermoeden dat het lot van de AV en het lot van het zielenthema nauw met elkaar verbonden zijn. Beide bevinden zich in wat ik een 'gemengde' toestand noem. Er is geen onderscheid, zoals tussen moeder en ongeboren kind. Men heeft de geboorte van de nieuwe AV (tijdens de Weihnachtstagung) nagenoeg meteen ongedaan gemaakt. Men heeft ze omgekeerd: het kind weer in de moederschoot gestoken. Dat heeft men ook gedaan met het zielenthema: het onderscheid tussen beide groepen was net zo nieuw als de AV, maar men heeft het 'begraven', wellicht met de beste bedoelingen. Maar daardoor heeft men wel 'gezondigd' tegen de geest van de nieuwe AV, men heeft de ware aard van de Weihnachtstagung niet begrepen.

Je zou Sampo (en de beweging waarin het blijkbaar past) dus kunnen zien als een heropleven van de impuls van de Weihnachtstagung. Maar als dat zo is, moet je ook rekening houden met sterke en geslepen weerstanden. De tegenmachten hebben destijds onmiddellijk gereageerd op de Weihnachtstagung, al vond die in een 'stal' plaats. De kans is klein dat ze dat vandaag niet zullen doen. Kijk maar naar de manier waarop ze het nieuwe bestuur van de AV hebben laten struikelen! Maar juist daaruit kunnen lessen worden getrokken. Bijvoorbeeld dat het struikelblok - inderdaad - de vermenging was van de twee gebieden die Sampo uit elkaar wil halen (zie hieronder). Maar ook dat kleine, kleinmenselijke en schijnbaar banale dingen worden aangegrepen om het nieuwe te kelderen.

Ik denk in dat verband bijvoorbeeld (qua vorm) aan de manier waarop jullie Sampo schrijven, met die hoofdletters A en O. Ik struikel daarover en ik vraag me af of niet ook andere mensen daarover zullen struikelen, zo van: ze willen zich interessant maken. Of: wat is dat voor iets raars. Is het dat waard, vraag ik me af. Ik heb ook moeite met de naam Sampo, maar daar wen ik al aan, mede doordat ik geloof dat hij deel uitmaakt van jullie 'inspiratie'. Maar jullie verklaring voor die O en die A klonk me geforceerd en intellectualistisch in de oren. Volgens mij maakte die schrijfwijze geen deel uit van die inspiratie. Maar daar kan ik me natuurlijk in vergissen.

Iets anders, en nu hebben we het over de inhoud, is dat ik al een paar keer heb menen te merken dat jullie dingen zeggen die me strijdig klinken met de Sampo-idee. Ik kan het me niet duidelijk herinneren, maar er ging wel een alarmbelletje bij me af. Ik denk dat de tegenmachten er alles zullen aan doen om jullie initiatief al bij de wortel te verzieken. Ze reageren zo vlug dat je het niet eens merkt. Alleen een buitenstaander kan het soms waarnemen.

Als ik zo'n buitenstaander kan zijn, dan graag. Zoals ik al zei, ik kijk met een glimlach naar jullie jonge-zielenvoortvarendheid. Zelf voel ik me heel erg moe. Ik ben zelf het slachtoffer van een 'vermenging', namelijk die van kunst en wetenschap. Ik ben veel te wakker dan dat ik voluit kunstenaar zou kunnen zijn (daarvoor heb je een soort droomtoestand nodig), en ik ben teveel kunstenaar dan dat ik m'n ideeën helder en duidelijk zou kunnen formuleren. Het is ontzettend moeilijk om die twee uit elkaar te halen en bewust (weer) te verbinden. Ik probeer dat al m'n hele leven en het enige wat het opgeleverd heeft, is het besef dat ik het alleen nooit zal kunnen. En misschien ook het zintuig om waar te nemen waarmee jullie bezig zijn...


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Weihnachtstagung en de Antroposofische Vereniging in België

Door François De Wit

Na al wat we tot hiertoe gelezen hebben, rijst natuurlijk de vraag : wat moeten we hier in België doen om de zaak terug in de vorm te krijgen die Rudolf Steiner had gewild ?
De leden van de vzw Antroposofische Vereniging in België zouden moeten inzien dat hun lidmaatschap van deze vzw volledig los staat van hun lid zijn van de Weihnachtstagung-vereniging.
Het is toch zo dat iemand die lid wil worden van de Antroposofische Vereniging op een of andere manier enthousiast is geworden voor de antroposofie en/of voor Rudolf Steiner; hij wil in de eerste plaats lid worden van de vereniging die door Rudolf Steiner werd opgericht, en dat is de Weihnachtstagungsvereniging. Hij staat er in ’t begin niet bij stil dat hij dit lidmaatschap verwerft via de plaatselijke vereniging. Hij wordt dan wel formeel lid van een of andere vzw, in België of in Zwitserland, maar uiteindelijk doen deze vzw’s niets meer dan de lidkaart uitreiken die hem lid maakt van een quasi etherische vereniging, een vereniging in de geest, de Weihnachtstagung-vereniging. Deze vereniging gedijt maar als er bewustzijn en wakkerheid leeft, bewustzijn van de eigen kracht tot initiatief, bewustzijn van de eigen verantwoordelijkheid t.o.v. de geest.
Hier is geen bestuur aan wie men taken kan delegeren, dat voor ons initiatieven gaat nemen of de esoterische ontwikkeling gaat leiden. Neen, alleen wijzelf kunnen dat doen. Het bestuur van de vzw AV in België, ook dat van de AAV in Dornach zou dat altijd goed moeten benadrukken : wij doen alleen de administratie, hoe onzichtbaarder wij zijn, hoe beter; wij nemen geen ruimte in, wij trekken ons integendeel terug zodat er ruimte kan ontstaan, het is aan jullie om die ruimte te vullen met een inhoud die aan de tijd is; vertrouw op je morele intuïtie.

De meeste leden zijn dus lid van de Weihnachtstagung geworden via de plaatselijke groep “Antroposofische Vereniging in België”, in de toekomst kan dat zo blijven, maar geïnteresseerden kunnen ook lid worden via een andere plaatselijke groep die door Dornach erkend is, bvb. de groep “Antroposofie.nu” in Leuven. Deze groepen reiken een kaart uit en vragen evt. de kosten voor het aanmaken van de kaart, maar dat is het dan. Je wordt niet meer automatisch lid van welke vzw dan ook, niet in België, noch in Zwitserland. De bestaande leden zouden een verklaring moeten bezorgen aan de vzw AViB dat ze zich beschouwen als lid van de Weihnachtstagungsvereniging maar dat ze niet wensen lid te zijn van de formele vereniging vzw AViB. Idealiter blijven dan alleen de bestuursleden over als leden van de vzw en zij zijn dan de enigen die stemrecht hebben. Voor de jaarvergadering nodigen ze alle antroposofen uit die ze kennen (in principe zijn dat diegenen die hun kaart via deze vzw gekregen hebben), en die kunnen naar hun rekenschapsbericht komen luisteren en naar de projecten en budgetontwerp voor het volgende werkjaar, maar deze genodigden beslissen daar niet in mee. Die betalen ook geen lidgeld meer, maar ze storten een bijdrage als schenkgeld voor zover ze zich kunnen terugvinden in wat het bestuur van de vzw voorstelt of uitvoert.
Het lijkt ons zeer belangrijk om dit onderscheid te maken : je betaalt in alle vrijheid je schenkgeld, want dat is wat nu in feite ook gebeurt (Van de ong. 500 Belgische leden betaalt 140 geen bijdrage, ergens voelen ze aan dat een lidgeld van 150 euro per jaar om lid te zijn van een zeer gewone vereniging veel geld is).
Het is juist dit zeer moderne geldbewustzijn dat ons op het spoor brengt van het revolutionaire van de Weihnachtstagungsvereniging.
De AAV en de vzw AViB zoals ze nu werken, zijn een afspiegeling van de klassieke staat: die int een verplichte bijdrage van ieder lid van de samenleving/vereniging en in theorie wordt de hoogte van het bedrag en de besteding ervan democratisch beslist. In de praktijk van de staat is het ondertussen wel duidelijk dat de staat in de eerste plaats voor zichzelf zorgt, voor de mensen die het apparaat in stand houden. Een deel van het geld wordt ook gebruikt om de burgers ervan te overtuigen dat ze best de hogere instanties laten betijen, want die hebben het beste voor met de gemeenschap.
In verenigingen is dit gevaar ook altijd aanwezig. Ze worden opgericht met nobele bedoelingen maar voor latere bestuurders kan de vereniging even goed het doel worden dan het middel, dus het in stand houden van de vereniging als structuur wordt belangrijker dan het realiseren van de oorspronkelijke doelstellingen (een verwijt dat organisaties voor ontwikkelingshulp regelmatig horen).
Ook in de AAV en de AViB was/is deze tendens aanwezig alleen al door de structuur.
Door een zeer open verenigingsvorm te kiezen zoals de Weihnachtstagung bedoeld was, heb je een quasi autonoom, maar zeer beperkt bestuur. De leden betalen een zeer klein lidgeld, alleen om de minimale werkingskost te dekken. Voor de rest schenken de leden hun geld aan het project dat ze nuttig of nodig vinden, ze hoeven daarvoor de vereniging niet te passeren. Een mooi voorbeeld is de viering 150 jaar Rudolf Steiner. We zagen daar buiten de vereniging om een associatie ontstaan van mensen die een zelfde doel wilden bereiken, ze zochten en vonden het nodige geld; nadat het project gerealiseerd was, verdween de associatie. Dat is volgens ons het oerbeeld van hoe Rudolf Steiner de Weihnachtstagungsvereniging wou zien werken : ontstaan en vergaan van associaties, en, zoals het echte leven, heeft de ene associatie door haar specifiek doel een langere levensduur dan de andere.

Het bestuur van de VZW AViB of de AAV zorgt alleen voor de administratie, dat wil zeggen de adressenlijst bijhouden van allen die ooit te kennen hebben gegeven dat ze lid wilden worden en een kaart ontvangen hebben. Zolang deze mensen niet dood zijn en de kaart niet teruggegeven hebben worden ze als lid beschouwd van de Weihnachtstagung-vereniging. Er is geen sprake van dat ze ooit uit de vereniging kunnen gezet worden wegens het koesteren van politiek niet-correcte ideeën.
Verder beheren de bestuursleden het eventuele vermogen van de Vereniging en beslissen hoe het schenkgeld dat toch bij hen terecht komt, gaat besteed worden. Daarover geven ze ieder jaar rekenschap en als blijkt dat ze niemand kunnen overtuigen van de zinvolheid van de gekozen bestedingen, dan zal de schenkgeldstroom vlug opdrogen. Een verschijnsel dat zich nu al voordoet als we de zien hoe moeilijk het Goetheanum het financieel heeft.

Het secretariaat van de vereniging kan rustig in Gent blijven. En dat secretariaat kan ook een ontmoetingsplek zijn voor de leden. Maar omdat het in hoofdzaak leden uit het Gentse zijn die van deze ontmoetingsgelegenheid genieten, is het maar logisch dat de Gentse leden voor deze kosten instaan. Want anders kan iedere groep in iedere stad beginnen aanspraak maken op verenigingsgeld voor hun plaatselijke ontmoetingsplek.

Waar vroeger een bestuur lidgelden inde en besliste over de bestedingen, daar zagen we een slaperigheid optreden, de mensen laten de zaak over aan het bestuur vermits het er nu toch is om te besturen. Als duidelijk wordt dat er op het bestuur niet moet gerekend worden om iets voor het geestesleven te doen (vermits de bestuursleden idealiter alleen de administratie van de vereniging opnemen), daar zullen meer leden het gewicht van de verantwoordelijkheid voelen en wakker worden, wat bewezen werd door het initiatief 150 jaar Rudolf Steiner.

Wat nodig is, is een bewustzijnssprong : als ik het niet doe, doet niemand het, als ik niets schenk, dan schenkt niemand. Alleen op die manier kan de Weihnachtstagungsvereniging een oefenveld worden om tot een dynamische maatschappijvorm te komen, een voorbeeld voor de verhouding tussen burgers en staat, een middel om in de bestaande structuren weer beweging te brengen en de tendens tot verkalking, tot sclerotisering te neutraliseren.

Is het niet in die zin dat Rudolf Steiner dacht toen hij op 17 augustus 1923 in Ilkley zei :

“Het liefst zou ik hebben dat wij de antroposofische beweging iedere week een andere naam konden geven. Ik weet natuurlijk dat dit een vreselijke wanorde zou veroorzaken, maar toch zou ik het zo graag zien. Want namen veroorzaken juist in onze tijd onnoemelijk veel schade. Natuurlijk, wanneer men bedenkt dat iedere week een ander briefhoofd op de correspondentie verschijnt, dat mensen dan een brief krijgen met de naam van de antroposofische vereniging van de week daarvoor die nu niet meer bestaat, - men kan zich voorstellen wat een verwarring daardoor in de hoofden van de mensen zou ontstaan ! Maar toch zou het voor de antroposofische beweging iets uitzonderlijk positief zijn als ze geen vaste naam meer had; want zo’n naam is er de oorzaak van dat een groot deel van de mensheid zich alleen nog maar om de naam bekommert en helemaal niet ingaat op het wezen van de zaak.”


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Tijd voor een nieuw type onderwijsinitiatief

Door Jos Verhulst

In de vorige Brug drukten we een artikel af uit de krant De Morgen. Het ging over de Steinerscholen in België, die het niet slecht doen, vandaar de titel “Profeet Steiner heeft steeds meer volgelingen.”
Dat is natuurlijke maar uiterlijke schijn, de ‘profeet’ Steiner heeft helemaal niet meer volgelingen en zeker niet in de Steinerscholen, want antroposofen zie je daar nauwelijks. En de praktijk in die scholen staat mijlenver af van wat Rudolf Steiner op pedagogisch gebied wilde gerealiseerd zien. Om de oppervlakkige goed-nieuws-show van het krantenartikel te nuanceren nemen we nu een artikel over van Jos Verhulst. Met zijn ervaringen in de Steinerschool staat hij helemaal niet alleen !

Toen ik mij in 1983 vol vertrouwen en entoesiasme engageerde in de Antwerpse Steinerschool, ging ik vanzelf uit van de gedachte, dat dit type school in grote lijnen overeenkwam met datgene wat Rudolf Steiner voor ogen stond. De praktijk viel tegen. Niet alleen was er binnen de school veel ruzie. Erger nog was dat de pupillen zelf zich in de alledaagse praktijk gedroegen zoals leerlingen in andere scholen: dezelfde gebrekkige aandacht, dezelfde problemen met pesten en spieken, dezelfde uitgelatenheid wanneer ‘s namiddag eindelijk de lessen waren afgelopen. Er gebeurde veel positiefs. Doch opbouwende en baanbrekende activiteiten waren altijd het resultaat van individuele inzet en persoonlijk initiatief en inspiratie; het goede gebeurde niet dank zij de schoolstructuur, doch ondanks de schoolstructuur.

In tamelijk isolement las en herlas ik, in de loop van de jaren, de vele voordrachten die Steiner aan opvoedkundige onderwerpen had gewijd. Daarbij werd me stapsgewijs duidelijk, dat Steiner over het schoolwezen opvattingen huldigde die radicaal ingaan tegen wat op ‘vrije scholen’ alias ‘Steinerscholen’ als vanzelfsprekend werd beschouwd. Wat is er bijvoorbeeld voor een school meer vanzelfsprekend dan een uurrooster? Welnu, Steiner was een radicale tegenstander van lesroosters op school. Met ‘lesrooster’ (Duits: ‘Stundenplan’) wordt het schema bedoeld waarin wordt bepaald welke vakuren op welke dagen worden gegeven: eerst lesuur: rekenen, tweede lesuur: aardrijkskunde; derde lesuur: Engels enz. Steiner zegt hierover:

“Concentratie, dat is wat we moeten bereiken bij de kinderen. Dat kunnen we maar bereiken, tenminste op de manier zoals de moderne mens dat nodig heeft, als we iets afschaffen wat tegenwoordig nog zeer geliefd is : het vervloekte uurrooster, dat moordend wapen voor iedere werkelijke ontwikkeling van de menselijke krachten( … ). Wie denkt er tegenwoordig aan dat het uurrooster een moord is voor een echte opvoeding van de mens?”
(“Die Erziehungsfrage als soziale Frage” Dornach 10-08-1919, GA 296, p.50-51)

Zo’n uitspraak kan paradoxaal lijken, gegeven dat in de eerste Waldorfschool in Stuttgart wel degelijk een ‘Stundenplan’ van kracht was, met als enige nuance dat tijdens de twee eerste lesuren, in blokken van vier tot zes weken, periodeonderricht wordt gegeven, zoals dat ook nu nog in Steinerscholen wordt toegepast. Steiner zag dit echter als een triestig compromis:

“We zullen vanzelfsprekend vandaag nog moeten rekening houden met de leerplannen die de zogenaamde Staat vastlegt. We zullen de kinderen dit jaar tot op een of ander niveau moeten brengen, we zullen dus compromissen moeten sluiten, maar we zullen toch ook iets kunnen meegeven van wat de menselijke natuur werkelijk verlangt.”
(ibid. p.51).

Normaal zou onderricht, bijvoorbeeld over wiskunde, gedurende twee tot drie maanden de voormiddagen in beslag nemen (ibid. p.51). Men dient dus, op basis van deze commentaren van Steiner, de praktijk op Steinerscholen te beschouwen als een zeer verregaand compromis, waarbij van het ‘verfluchte Stundenplan’, deze ‘Mord der wirklichen Erziehung des Menschen’, enkel zeer partieel wordt afgeweken tijdens de eerste twee lesuren. Op basis van de eigen thuisonderwijservaring kan ik bevestigen, dat het bloksgewijs bestuderen van één of ander onderwerp gedurende twee tot drie maanden, bij radicale afwezigheid van enig verder uurrooster, een rendementsvoordeel meebrengt dat op 1000% kan worden geschat (dwz men heeft ongeveer tienmaal minder tijd nodig om hetzelfde te leren). Ik heb meermaals, wanneer ik deze vaststelling signaleerde, meesmuilend horen opmerken dat snel en efficiënt leren niet het doel kan zijn, waarna ik fijntjes op het belang van ‘het sociale’ werd gewezen, alsof sloom en omslachtig leren op één of andere manier ‘sociaal’ zou zijn. Steiner daarentegen beschouwde juist de ‘Ökonomie der Erziehung’ als essentieel:

“We moeten de krachten die in de menselijke kinderziel ontwikkeld kunnen worden, sterk ontwikkelen opdat de mens ze later kan ophalen uit de ontwikkeling van in zijn kindertijd. En zonder de boog al te zeer te spannen, niet door inspanning, maar door een goede huishouding (Ökonomie der Erziehung’), moeten wij concentratie bij de kinderen bereiken.”(ibid.). Het is deze ‘Ökonomie der Erziehung’ die hem leidt tot de verwerping van het schoolse lesrooster.

Eén van mijn bezwaren tegen de huidige Steinerschoolpraktijken is precies, dat men de zeer pijnlijke compromissen die Steiner bij de opstart van de eerste Waldorfschool moest sluiten, zoals bijvoorbeeld de acceptatie van het lesrooster, volledig als norm is gaan beschouwen. Het besef dat Rudolf Steiner het fenomeen lesrooster als uiterst mensvijandig beschouwde, was totaal afwezig. Ik ben ruim een kwart eeuw ‘Waldorfleraar’ geweest, en in al die tijd heb ik over kwesties als deze nooit iets vernomen, en ik heb alles moeten ontdekken door in eenzaamheid Steiners pedagogische teksten te bestuderen.
Analoge verdringing of veronachtzaming vindt men ook op andere gebieden. Leerplannen bijvoorbeeld, konden niet rekenen op Steiners sympathie. Hij stelde zelfs radicaal dat er in de school in Stuttgart geen sprake was van een leerplan of programma. Meer in het algemeen bevestigt hij dat het onmogelijk is om een Steinerschool (‘Waldorfschule’) te laten draaien binnen de oude maatschappelijke verhoudingen.

"Want niet daarop kan het aankomen dat we binnen het huidige systeem scholen oprichten waarin surrogaat-onderwijs verschaft wordt door simpelweg de cursus te volgen die ik gegeven heb. Het komt erop aan dat men op dit gebied als principe volgt : vrijheid in het geestesleven. Dan is zo’n school tegelijk het begin van de driegeleding. Laat u de mensen niet in de waan leven dat men braafjes binnen de bestaande verhoudingen kan blijven functioneren en toch Waldorfscholen kan oprichten. U moet benadrukken dat in de school in Stuttgart werkelijk een vrij geestesleven bestaat. Want daar is geen programma of leerplan, maar daar staan leerkrachten met hun feitelijk kunnen, niet met een diploma dat ‘bewijst’ wat ze zouden moeten kunnen. Men heeft daar met een werkelijke reële leraar te maken. Het is nog altijd beter wanneer men een slechte, maar reële leraar heeft, dan een die ambtenaar is en uitvoert wat niet reëel is. En als men lesgeeft, dan heeft men te maken met de leerlingen en met wat zich tussen de zes klaswanden bevindt en niet met wat men in de omzendbrieven lesmateriaal, leermethode enz. noemt. En dat is het waarop men moet wijzen : dat men zou moeten werken met realiteiten.
(GA 338, Stuttgart 15 februari 1921, p.126).

Tot het einde van zijn leven is hij zich in deze zin blijven uitlaten:

“Er bestaat geen voorschrift, er bestaat alleen een geest der Waldorfschool. Het is zeer belangrijk dat men dat goed begrijpt. De leraar is autonoom. De leraar kan vanuit deze geest volledig datgene doen wat hij als juist beschouwt. U zult zeggen : ja, als iedereen kan doen wat hij wil, dan kan het meest chaotische in de school gebeuren. Dan komt men in klas 5A en daar wordt weet ik wat voor hocuspocus verricht. Dan gaat men naar 5B en daar wordt misschien schaak gespeeld. – Maar dat is nu het wezenlijke dat dit juist niét gebeurt in de Waldorfschool. U vindt overal vrijheid en toch is in iedere klas de geest die overeenstemt met de leeftijd van de kinderen.”
(Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit” GA 311 Torquay 13 08 1924 p.36).

Steiner was ook van mening dat door de staat aan leraren opgelegde diploma- of kwalificatievereisten strikt onverenigbaar zijn met het concept van de Waldorfschool, en dat er daarom geen tweede Waldorfschool zou komen:

“De mensen willen het niet onder ogen zien, maar er zal geen tweede Waldorfschool komen wanneer overal vereist wordt dat alleen leerkrachten kunnen aangesteld worden die een staatsgehomologeerd diploma hebben. Wij konden de Waldorfschool alleen maar oprichten omdat toen in Württemberg nog niet zo’n wet van kracht was.”
(“Apokalypse und Priesterwerken” GA 346 14 09 1924, p.148-149).

Steiner dacht dat een tweede Waldorfschool niet meer realiseerbaar was, hij verwachte een sluitingsbevel voor de oorspronkelijke school te Stuttgart (in 1935 was het zover) en hij stelde dat men zich enkel via een wereldschoolbeweging zou kunnen weren tegen de bemoeialwetten die oprichting van verdere scholen verhinderen:

“We kunnen het Waldorf-principe alleen maar tot model maken. Een tweede school zullen we niet meer kunnen oprichten. Ze zal model blijven, zodat we in feite niets anders moeten doen dan deze school als model te houden tot men ze uit woede verbiedt. Alleen met een wereldschoolvereniging kunnen we iets tegen deze wetgeving doen. Het is de hoogste tijd voor een wereldschoolvereniging. We moeten die in het leven roepen zodat er een massale beweging ontstaat die internationaal ijvert voor de verzelfstandiging van het onderwijs, voor de bevrijding van het schoolwezen.”
(http://anthroposophie.byu.edu/vortraege/300.pdf “Lehrerkonferenzen“ GA 300, 26 05 1921, p.288).

Niettemin treft men nu over de hele wereld scholen aan die zichzelf weliswaar Waldorfschool of Steinerschool noemen doch waar tegelijk van leraren systematisch de door de staat geëiste diploma’s worden gevergd; en dit zonder dat één haan hiernaar kraait. Ikzelf ben één en ander slechts op het spoor gekomen na heel wat jaren leraarschap, en via individuele leesactiviteit.
Men kan de voorbeelden vermenigvuldigen. Steiners opvattingen omtrent de betekenis van ‘vrij geestesleven’ waren revolutionair, en hielden in dat onderwijs diende te gebeuren zonder staatstussenkomst op het vlak van lesinhouden, programma’s, methodes, leerdoelen, diplomavereisten enz. Staatsinterventie in het schoolsysteem beschouwde Steiner over de hele lijn als grondig negatief: mensen die staatsonderwijs hebben doorlopen kunnen volgens Steiner slechts een klein deel ontwikkelen van het potentieel dat ze als kind nog hadden, en het leerproces zelf verloopt radicaal oneconomisch. De omstandigheden waarin de eerste Waldorfschool werd opgericht, beschouwde Steiner als voorlopig, en allerhande compromissen die hijzelf niet acceptabel vond (zoals diplomavereisten voor leraren) zijn nu gemeengoed in de aan staatscontrole zich onderwerpende scholen die zichzelf ‘Steinerschool’ noemen.

Het is evident, gegeven de huidige onderwijswetgeving en algemene maatschappelijke en politieke situatie, dat ‘erkend’ Steineronderwijs die naam waardig volstrekt onmogelijk is geworden. Daarmee wil ik geen afbreuk doen aan de inspanningen van individuele leerlingen en leraren; doch ik stel dat een ‘Waldorfschool’ in de gebruikelijke zin allang een onmogelijkheid is geworden. In de 21ste eeuw dient men totaal nieuwe samenwerkingsvormen te vinden, waarbij wordt afgestapt van het klassieke institutionele beeld dat we doorgaans met het woord ‘school’ verbinden. Het vrije onderwijs van de toekomst zal gedecentraliseerd en geïndividualiseerd moeten worden; het hoort te ontstaan uit vrije overeenkomsten tussen gezinnen en leraren en kan zich best inspireren op Steiners menskunde. Het zal onvermijdelijk de vorm aannemen van een soort vreedzame, geestelijke guerilla, waarbij als ‘bevrijde zones’ losse opvoedingsverbanden tussen lerarenverenigingen en gezinnen ontstaan, eilanden van educatieve beschaving, geïnspireerd door een reële menskunde die uitgaat van de mens als geestelijk wezen.

Zo’n samenwerkingsverbanden kunnen zich ontwikkelen wanneer voldoende mensen bewust voor thuisonderwijs kiezen en vanuit dat vertrekpunt overeenkomsten sluiten met leraren en met elkaar. Uiteraard zal men dan nog steeds geconfronteerd worden met de tirannie van de staat. Een welbewuste inspanning zal nodig zijn om de confrontatie met de staat aan te gaan en de juridische strijd te voeren ter behoud van de laatste resten onderwijsvrijheid die op sommige plaatsen (zoals Vlaanderen) nog overblijven. Niet alleen dient het abstracte recht op vrij onderwijs te worden gevrijwaard, het is ook nodig om een einde te maken aan de massale plundering die de staat doorvoert om zijn eigen onderwijs financieel te bevoordeligen. Dat betekent dat een kind, dat op een gegeven tijdstip het leerresultaat heeft behaald gelijk aan het leerresultaat dat de norm is in het staatsgecontroleerd onderwijs, dezelfde som geld moet krijgen. Een redelijke overgangsregeling kan erin bestaan, dat men het kind of het betrokken gezin dit geld toekent na het slagen bij dezelfde examens die ook gelden voor kinderen die onderwijs volgen in staatsgecontroleerde scholen. Wanneer een ASO-leerling voor de school per schooljaar bijvoorbeeld 7.000 euro aan subsidies oplevert (zodat een normale middelbare schoolcarrière over zes jaar 42.000 euro oplevert), dan dient een vrijlerend kind dat ASO-eindexamens met succes aflegt hetzelfde bedrag te krijgen.

Indien er in de loop van deze eeuw geen welbewuste vreedzame opstand uitbreekt op onderwijsgebied, zou het met de menselijke beschaving wel eens heel slecht kunnen aflopen. De mensheid zou kunnen belanden in een totalitaire nachtmerrie waaruit geen ontsnappen meer mogelijk is, met een oppermachtige staat die in handen is van de slechtsten en de meest machtwellustigen, en met een dwangonderwijs onder staatscontrole, dat bij iedereen van kindsbeen af het potentieel breekt voor opstanding en verzet.

******************************

Het handboek hierboven is van Grace Llewellyn, 1991. Dat hieronder van Grace Llewellyn en Amy Silver, 2001.







Uit de Metro van 14 oktober 2011 leren we iets nieuw over de geplande onderwijshervorming. Onomwonden stelt de ‘onderwijsexperte’ dat de sterkere leerlingen zullen afgeremd worden. De nieuwe doelstelling van het onderwijs is dus om de kinderen dom te houden, een conclusie die voor John Taylor Gatto al duidelijk was in 1992.

Een nieuw boek van John Taylor Gatto “The Underground History of American Education: A School Teacher's Intimate Investigation Into the Problem of Modern Schooling” is gratis te downloaden op http://www.lewrockwell.com/gatto/gatto-uhae-pre.html
In een volgende Brug wordt daar zeker een uittreksel uit overgenomen.

«Zet belangstelling boven begaafdheid»

De hervorming die Vlaams onderwijsminister Pascal Smet (sp.a) wil, doet de sector steigeren. Hoewel het plan nog in een ontwikkelingsfase zit, is de kritiek niet mals. Leraren Latijn vrezen dat hun vak wordt gedegradeerd en schooldirecteuren morren dat het praktisch onhaalbaar wordt. Toch mag er wel wat veranderen, vindt Bieke De Fraine van het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -Evaluatie aan de K.U. Leuven.

«We mogen fier zijn op het niveau van het Vlaamse onderwijs. Tegelijk zien we dat 10,9% van de meisjes en 18,3% van de jongens het secundair onderwijs verlaat zonder diploma. Dat zijn toch hoge percentages.»

De geplande hervorming is ingrijpend. Schieten we niet met een kanon op een mug?

«Het alternatief is wat gerommel in de marge, waarbij je enkel kleine veranderingen maakt. Zo behaal je weinig effect. We hadden al hervormingen in het hoger en het basisonderwijs, maar het secundair onderwijs heeft de laatste 20 jaar geen grootschalige structuurhervormingen gekend. En de huidige structuur van ASO - TSO - BSO - KSO zit echt ingebakken in de hoofden van de mensen.»

Minister Smet wil de schotten daartussen opbreken.

«In het verleden zijn al vaak mooie initiatieven genomen om het TSO op te waarderen, maar die hebben niet geholpen. Er is een duidelijke hiërarchie, waarbij ASO wordt beschouwd als datgene waar je het meest trots op mag zijn. Door de hervorming zullen leerlingen meer kunnen kiezen vanuit belangstelling in plaats van algemene begaafdheid.»

Hoe gaat dat dan concreet?

«De eerste twee jaren maken alle leerlingen kennis met een aantal belangstellingsgebieden. Ze krijgen dus allemaal economie, techniek, klassieke culturen en Engels. Leerlingen die nu meer technische opties kiezen, zullen in het nieuwe onderwijs én techniek én klassieke culturen, zoals Latijn of Grieks, krijgen. De klassen worden heterogene groepen.»

Als je het heel zwart-wit stelt, zal iemand die voor kapper wil studeren in dezelfde klas komen te zitten als iemand die ingenieur wordt.

«Dat is inderdaad ongenuanceerd, want hun beroep worden ze pas acht à negen jaar later. Dat is net het idee: onderwijs aanbieden aan iedereen en dus nog verschillende uitwegen open laten.»

De kritiek is dat daardoor de sterke leerlingen achteruit zullen gaan.

«De zwakkeren zullen worden meegetrokken, maar de sterken worden inderdaad een stuk afgeremd. Dat zal zo zijn. Maar de voordelen voor de zwakkeren zijn groter dan de nadelen voor de sterkeren. Bovendien wil de minister ook differentiëren: een aantal uur per week zou gereserveerd worden om de zwakke leerlingen bij te spijkeren. Dat is ook de plek waar de sterkere leerlingen kunnen excelleren en extra leerstof verwerven.»

( … )

“De zwakkeren zullen worden meegetrokken, maar de sterken worden inderdaad een stuk afgeremd.”

Dat laatste zal wel waar zijn, maar of het eerste realistisch is …
Al zet je een IQ van 80 tien jaar naast een van 120, het blijft een IQ van 80.
Maar als je iemand met een IQ van 120 geen stof biedt waaraan hij zich kan ontwikkelen, dan riskeer je dat hij er helemaal de brui aan geeft. Maar misschien is dat net de bedoeling : met middelmatigen kun je een hiërarchie opbouwen, niet met uitblinkers, die ondanks alle indoctrinatie uiteindelijk toch zelf beginnen nadenken en het systeem in vraag stellen.

Hoever men komt met dit programma «Zet belangstelling boven begaafdheid» zien we in de V.S. :

Het “National Institute for Literacy” schat dat 47% van alle volwassenen (meer dan 200.000 individuen) in Detroit functioneel analfabeet zijn, d.w.z. dat ze in alledaagse situaties niet kunnen terugvallen op een basiskennis van lezen, spreken en rekenen. Van deze 200.000 mensen hebben er ongeveer de helft een diploma van middelbare school.

Bron : http://cbsdetroit.files.wordpress.com/2011/05/basicskillsreport_final.pdf


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

De duivelse 1%

door Llewellyn H. Rockwell, Jr.

Niet alleen uit het geestesleven moet de Staat zich volledig terugtrekken, ook in het economische moet hij zo weinig mogelijk tussenkomen. Daarom terug eens een artikel om het bewustzijn omtrent de Staat aan te scherpen. Het lijkt evident om “de rijken de crisis te doen betalen”, maar deze slogan is in feite gebaseerd op nijd en jaloezie. Als iemand erin slaagt om een glas gekleurd suikerwater te verkopen voor 1 euro terwijl hem dat maar 1 cent kost, dan kan hij een fortuin vergaren en we kunnen het hem niet kwalijk nemen : hij heeft nooit iemand verplicht om zijn brouwseltje te kopen. Het probleem is dat deze persoon zijn fortuin kan gebruiken om de rest van de economie te verstoren. Maar dat is dan weer een ander probleem : inzicht in het wezen van het geld. Daar zullen we het in een volgende Brug eens over hebben.

De “Bezet Wall Street”-beweging steunt op de bewering dat 99% uitgebuit worden door de 1%, en daar zit een waarheid in. Alleen : ze hebben het over de verkeerde groep. Zij denken dat het probleem ligt bij de 1% van de grootste rijkdombezitters. Maar bij die 1% zitten enkele van de meest briljante en vindingrijke mensen in het land, de mensen die materiële zegen voor de hele bevolking uitvinden, klaarmaken voor de markt en de distributie. Zij bezitten ook het kapitaal dat groei en productiviteit ondersteunt.
Maar daar is een ander 1% en dat zijn zij die als parasieten leven van de bevolking en de 99% uitbuiten. Een lange intellectuele traditie, die teruggaat tot de late Middeleeuwen vestigt onze aandacht op het vreemde fenomeen dat een piepkleine minderheid leeft van het werk van de overgrote meerderheid. Ik spreek van de Staat, die ook vandaag maar bestaat uit een zeer kleine laag van de bevolking, maar toch de directe oorzaak is van al de armoebrengende oorlogen, inflatie, belastingen, reglementeringen en sociale conflicten. Het is deze 1% die de directe oorzaak is van geweld, censuur, werkloosheid en een pak armoede daarbij.
Kijk naar de cijfers, afgerond volgens de laatste gegevens : de bevolking van de V.S. is 307 miljoen. Daarvan werkt ongeveer 20 miljoen voor de staat, op alle niveau’s, dat maakt dus 6,5%. Maar 6,2 miljoen daarvan zijn leerkrachten, die we toch niet echt kunnen beschouwen als de heersende elite. Dat brengt ons tot 4,4%.
Een ander half miljoen kunnen we aftrekken, dat zijn de postbedienden, en ongeveer hetzelfde aantal werkt in ondergeschikte diensten in de ministeries. Een ander miljoen werkt zeker niet voor de gewapende arm van de staat, en dan is er nog de verbazingwekkende hoeveelheid overbodige werkers die we bij alle overheidsdiensten aantreffen. De lokale besturen zorgen (gewoonlijk) niet voor de nationale problemen, en hetzelfde kunnen we zeggen van de 50 staten. Het echte probleem is het federale niveau (8,5 miljoen), waar we kunnen van aftrekken : de overbodigen, de werkbijen en de lagere diensten.
Dat maakt dat we overblijven met ongeveer 3 miljoen mensen die samen datgene vormen wat we gewoonlijk de Staat noemen. In ’t kort kunnen we deze mensen de 1% noemen.
Deze 1% produceren zelf niets van rijkdom, al wat ze hebben dat hebben ze door het af te pakken van anderen, onder bescherming van de wet. Zij leven op onze kosten. Zonder ons zou de Staat als institutie sterven.

En hier komen we tot de kern van de zaak. Wat is de Staat en wat doet hij ? Er bestaat een grote verwarring rond dit onderwerp, voor zover er überhaupt over gesproken wordt. Honderden jaren lang hebben mensen gedacht dat de staat een soort organisch instituut is dat vanzelf ontwikkelt vanuit een soort sociaal contract. Of misschien is de staat een weldoener die voor diensten zorgt die we anders zelf niet zouden kunnen leveren.
In de klaslokalen en in politieke discussies is er weinig eerlijkheid over wat de staat is en doet. In de traditie van de libertariërs is de kwestie veel duidelijker. Van Bastiat tot Rothbard, het antwoord ligt open en bloot voor onze ogen. De Staat is de enige instelling in de maatschappij die door de wet toegelaten geweld kan gebruiken tegenover personen en eigendom.

Een eenvoudig voorbeeld maakt dat duidelijk. Laat ons zeggen dat je een restaurant binnengaat en het behang staat je niet aan. Je kunt je beklag doen bij de eigenaar en proberen hem te overtuigen om het opnieuw te behangen. Als hij dat niet wil, dan kun je besluiten om daar weg te blijven. Maar als je inbreekt, geld uit de kassa neemt, verf gaat kopen en zelf de muren gaat overschilderen, dan zul je aangeklaagd worden wegens misdadig gedrag en misschien in de gevangenis terecht komen. Iedereen in de maatschappij zal zeggen dat je verkeerd hebt gehandeld. Voor de Staat is dat anders. Als die het behang niet graag ziet, dan kan hij een wet uitvaardigen ( en zelfs dat is niet eens nodig) en bepalen dat het moet veranderen. De staat moet de muren niet overschilderen, hij kan jou verplichten om dat werk te doen en als je weigert, dan ben jij schuldig en word jij als wetsovertreder bestempeld.

Twee verschillende manieren om hetzelfde doel te bereiken, twee verschillende manieren van criminaliteit. De Staat is de instelling die misdadig gedrag zodanig herdefinieert dat hijzelf ontsnapt aan de wet die voor alle anderen geldt. Dat is zo voor iedere belasting, iedere reglementering, iedere verplichting en ieder woord van de federale wetgeving. Allemaal dwang. Zelfs op het gebied van geld en bankwezen is het de Staat die geen mededingers duldt en belet dat mensen gouden of zilveren munten maken, of innovatief te zijn op dit terrein. En op een bepaalde manier is dat de vreselijkste ingreep van allemaal omdat de Staat daardoor in een oogwenk ons geld kan vernietigen.

Denken we maar aan de operatie Gutt in 1949 : de staat vernietigde met één wet een massa geld die de economie ontwrichtte en die ontstaan was door de acties van een andere staat ! - fdw

De Staat is iedereens vijand. Waarom hebben de demonstranten dat niet door ? Omdat ze het slachtoffer zijn van de staatspropaganda die er in de scholen ingepompt wordt en die al het menselijk lijden wijt aan acties van privé-personen en ondernemers.
Ze begrijpen niet dat de ware vijand de instelling is die hen hersenspoelt om te denken zoals ze denken. Ze hebben gelijk als ze zeggen dat de maatschappij bol staat van conflicten, en dat er geen eerlijke kansen zijn voor iedereen. Het is inderdaad de 99% tegen de 1%. Alleen zitten ze ernaast wat betreft de identiteit van de vijand.
http://lewrockwell.com/rockwell/the-evil-1-percent194.html

Bij ons wordt voorlopig nog niet het behang voorgeschreven door de staat maar zelf bouwen door particulieren wordt quasi onmogelijk gemaakt. En dan is er natuurlijk nood aan sociale woningen, en dan wordt daarvoor weer meer belast. En als je denkt dat er niets meer te belasten valt dan onderschat je de vindingrijkheid en inhaligheid van de duivelse 1 %.
Op 8 november 2011 kondigde het Amerikaans ministerie van Landbouw aan dat er een heffing van 15 cent zal geïnd worden op iedere kerstboom. Met dat geld gaat een commissie opgericht worden die een programma zal uitwerken met het doel de kerstboomindustrie te helpen met promotie, onderzoek, evaluatie en informatie en met het behouden en uitbreiden van afzetmarkten. Er worden in de V.S. ieder jaar meer dan 100 miljoen kerstbomen verkocht, welke reden is er voor de staat om zich ook met deze economische activiteit bezig te houden ? En dan heeft de verantwoordelijke topambtenaar Shipman nog het lef om te beweren dat deze 15 cent geen taks is, want het is geen inkomen voor de Federale regering, het geld zou allemaal gaan naar die speciale commissie. Terug maar eens een ‘dienst’ die de Staat ‘aanbiedt’ zonder dat één mens daar naar vraagt, en de burger staat machteloos tegenover deze struikroverij.
In de E.U. is het overigens niet beter :

“In het jaar 1977 besloot de Europese Raad om per jaar 90 miljoen euro uit te trekken om de consumptie van melk op scholen te bevorderen. De Rekenkamer kwam op het idee om eens na te gaan wat met dit geld gebeurde en het antwoord was : eigenlijk niets. In geen enkel land zou er minder melk gedronken worden op school als die 90 miljoen er niet waren. Maar die uitgave wordt niet geschrapt.”
(bron : Journaal 614 van Mark Grammens )



Terug naar het thuisblad

*

*

*

*

*