Inhoudstafel van Brug 57 (september 2007)

De sluier ontsluierd
Jezus was geen universeel leraar
De christeliijke impuls vanuit Midden-Europa
De bijen geven het op
Karma
L.F.C. Mees : anekdotes


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


Beste Lezer,

Onlangs zagen we op een internet-boekwinkeltje een boekje met de titel : “Een Zwak Imaan - Symptomen, oorzaken en hoe te genezen", geschreven door een zekere : Moh’ammed Saalih ‘Al-Moenaddjied. Het kost vijf euro. De begeleidende tekst gaf volgende uitleg :

"Het verschijnsel van een zwak imaan is wijdverspreid onder moslims en veel mensen klagen over de hardheid van hun hart. Vaak horen we mensen zeggen: “Ik voel dat mijn hart hard is," of “ik voel geen vreugde meer in aanbidding," of “ ik voel me alsof mijn Imaan is uitgeput, het lezen van de Qor-aan doet me niks meer, ik bega zo gemakkelijk zonden “enz. De effecten van deze kwelling kunnen we in veel mensen terugzien en dit probleem is de oorzaak van veel ziekte en tegenspoed."

Ergens klinkt het wel bekend, ook zonder dat we nu precies weten wat imaan is. Eerst dachten we dat imaan zoiets als ons antroposofisch Ik zou zijn, maar het blijkt als “geloof" vertaald te moeten worden. In ieder geval komen de beschreven symptomen waarschijnlijk bij antroposofen ook wel voor : geen vreugde bij het bijwonen van de leesgroep, geen goesting om nog eens een voordracht van Rudolf Steiner te lezen, geen kracht om de dagelijkse meditatie vol te houden enz.

Voor slechts 5 euro krijgt de moslim een hart onder de riem gestoken door zo’n eenvoudig boekje. Misschien kan De Brug voor de antroposoof hetzelfde betekenen : voor weinig geld een aansporing om te blijven volharden.

François De Wit.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

De sluier ontsluierd

door Lieven Debrouwere

De laatste jaren zie ik steeds meer gesluierde vrouwen en meisjes in het straatbeeld verschijnen. Afhankelijk van het soort sluier vind ik dat vreemd tot akelig. Maar getatoeëerde skinheads en vrouwen met groen haar vind ik ook akelig. Ik denk er evenwel niet over dergelijke uiterlijkheden te (laten) verbieden, want dan mag ik er zelf niet meer uitzien zoals ik wil. Dus verdraag ik die soms bizarre eigenaardigheden. Ze zijn een nevenverschijnsel van de vrije samenleving, en die wil ik graag behouden. Verdraagzaamheid is de prijs die ik daarvoor moet betalen. Maar ik ben uiteraard niet verplicht met die gesluierde, gepiercede of getatoeëerde mensen om te gaan. Ik kan ze vermijden en negeren. Dat kan ik echter niet als ze achter het loket van een overheidsdienst zitten. Dan moét ik wel met ze omgaan, en vooral in het geval van de gesluierde moslima ervaar ik dat als een aanslag op mijn vrijheid. Mijn gevoel zegt me dat dit absoluut niet kan, dat hier een grens ligt. Als ik die sluier achter het loket tolereer dan verandert mijn verdraagzaamheid in permissiviteit en laat ik toe dat de vrije samenleving ondergraven wordt. Mijn politiek-correcte medemens ziet het heel anders. In zijn ogen is de gesluierde moslima juist een bewijs van die vrije samenleving. Hij vindt mijn reaktie bijzonder onverdraagzaam, om niet te zeggen racistisch. Tijd dus om mijn verstand erbij te halen.

Het loket van een openbare dienst (of iedere andere plek waar overheidsambtenaren in kontakt komen met het publiek) is namelijk een heel bijzondere plaats. Twee werelden ontmoeten er elkaar: die van de burger en die van de overheid. De wereld van de burger is – althans in onze kultuur – de wereld van de vrije samenleving. De wereld van de overheid is die van de wetten en voorschriften die de burger dient te gehoorzamen als hij deel wil uitmaken van de vrije samenleving. Want dat is de paradox: om vrij te kunnen zijn moet hij een deel van zijn vrijheid afstaan. Hij moet een deel onvrijheid accepteren omdat het de enige mogelijkheid is om een vrije samenleving in stand te houden. Je kunt het vergelijken met een boer die een deel van de graanoogst opzij zet als zaaigoed. Doet hij dat niet, dan heeft hij volgend jaar geen eten meer. Op dezelfde manier verliest de burger zijn vrijheid als hij niet een deel ervan ‘in bewaring’ geeft aan de overheid.

Het deel vrijheid dat de burger – vrijwillig – afstaat, wordt door de overheid in algemeen geldende wetten en regels gegoten. Daardoor krijgt de overheid natuurlijk heel wat macht en is het uitermate belangrijk dat ze die niet misbruikt. Ze mag zich met andere woorden zelf geen vrijheden veroorloven, ze moet zich geheel en al ten dienste stellen van de burger. Vandaar dat ‘minister’ dienaar betekent en dat we dezelfde stam ook terugvinden in ‘bediende’. Wil de burger vrij zijn, dan moet de overheid onvrij zijn. Het rechtsleven is in een vrije samenleving het gebied waar mensen vrijwillig onvrij zijn. Het is, zou je kunnen zeggen, een heilige plaats waar ze hun vrijheid offeren op het altaar van de vrije samenleving.

Deze plaats kan maar ‘heilig’ blijven als aan drie voorwaarden wordt voldaan. De ‘offeraars’ moeten ten eerste vrij willen zijn. Dat is niet vanzelfsprekend, want heel wat mensen vragen niet liever dan dat men hen zegt wat ze moeten doen. Dan hoeven ze niet na te denken, dan zijn ze vrij (sic) van alle beslommeringen die de vrijheid met zich meebrengt. Als ze die vrijheid werkelijk willen, moeten ze vervolgens inzien dat een offer noodzakelijk is. Het moet met andere woorden een vrijwillig offer zijn, anders doet het afbreuk aan hun vrijheidsstreven. En ten derde moeten ze dat offer kunnen brengen in een sfeer van wederzijds vertrouwen. Want het afstaan van (een deel van) je vrijheid houdt natuurlijk een risico in. Als de ander namelijk niet hetzelfde doet, dan raak je in zijn macht. Als de overheid bijvoorbeeld bezwijkt voor de verleiding om al die geofferde vrijheid voor eigen doeleinden aan te wenden, dan ontstaat er geen vrije samenleving maar een dictatuur. Omgekeerd moet ook de overheid erop kunnen vertrouwen dat de burger de wetten en voorschriften zal gehoorzamen, anders ontstaat er chaos en anarchie. Zonder dit wederzijdse vertrouwen kan het rechtsgebied geen plek zijn waar het zaad van de vrijheid wordt gezaaid. Het wordt dan een zwart gat waarin de vrijheid verdwijnt.

Wanneer ik nu een gesluierde moslima achter het loket zie zitten, dan wordt mijn vertrouwen in de overheid geschokt. Op een plaats waar geen vrijheid hoort te heersen, zie ik iemand zitten die ostentatief haar vrijheid opeist – en ze ook krijgt. Dat de sluier het werk van de moslima niet beïnvloedt, doet niet ter zake. Waar het om gaat is dat de overheid via die sluier te kennen geeft dat ze zich niet aan de afspraak houdt. Ze weigert haar persoonlijke vrijheden op te geven. Qua ‘signaal’ kan dat tellen, want het betekent dat ze de hele vrije samenleving op de helling zet.

Ziet de overheid dat dan niet in? Begrijpt zij niet dat de vrije samenleving niet kan blijven bestaan als zij zich allerlei vrijheden gaat permitteren? Ik kan dat moeilijk geloven, want ze zijn toch niet dom, al die ministers? Bovendien worden ze nauwlettend in het oog gehouden door de media en via hen door iedereen die begaan is met de vrije samenleving. En al dat verzamelde verstand zou niet kunnen begrijpen hoe essentieel de grens is tussen de vrijheid van de burger en de onvrijheid van de overheid?

Nee, dat kan er bij mij niet in. Er moet een andere verklaring zijn. Het vertrouwen tussen de overheid en de burger is al lang zoek. Nu lijkt er ook geen begrip meer te zijn voor de fundamenten van de vrije samenleving. Dat kan volgens mij alleen maar betekenen dat steeds meer mensen de vrije samenleving niet meer willen. Van de gesluierde moslima kan ik dat nog begrijpen. Zij is afkomstig uit (of zij bekent zich tot) een kultuur die niet vrij wil zijn, die alleen het woord van God wil gehoorzamen. Maar wat kan mensen die niet meer in God geloven – en dat is toch het geval voor de meeste Westerse intellektuelen – ertoe brengen om niet meer in een vrije samenleving te willen leven? Wat zet hen ertoe aan om – onder andere via hun steun aan gesluierde moslima’s achter het loket – hun eigen vrijheid te ondergraven, de vrijheid die ze zo hoog in het vaandel beweren te dragen?

Om een antwoord te vinden op die vraag moet ik doordringen in het wilsleven van de moderne mens, en dat is geen eenvoudige zaak. De wil is als een ijsberg: slechts het topje ervan is zichtbaar. De rest onttrekt zich aan ons bewustzijn. Maar dat grote, duistere gebied van de wil maakt zich wel kenbaar door middel van beelden: mythische beelden, religieuze beelden, kunstzinnige beelden. Zij slaan de brug tussen de onbewuste wil en het bewuste denken. Maar dan moet dat denken die beelden wel … ontsluieren, want ze spreken een heel andere taal dan de ratio. Ze moeten vertaald worden in woorden en begrippen. Door dat vertaalwerk kunnen we een idee krijgen van wat zich afspeelt in de diepten van het wilsleven en van wat de Westerse mens ertoe brengt de vrijheid af te wijzen die hij zolang en met zoveel kracht heeft nagestreefd.

Steiner heeft telkens weer gesproken over het grote keerpunt dat we nu meemaken. In de diepten van de menselijke ziel, zei hij, spelen zich belangrijke processen af die eigenlijk geestelijk van aard zijn en zich niet beperken tot de fysieke wereld. Hij doelde daarmee op de zieleprocessen die samenhangen met het einde van het Kali Yuga en met de wederkomst van Christus. Over de aflossing van het Duistere door het Lichte Tijdperk zijn ons weinig beelden bekend, over Christus des te meer. Het is dan ook niet moeilijk om in de bijbel de (oer)beelden te vinden die ons helpen begrijpen welke ommekeer er vandaag plaatsvindt.

. De moderne mens, en dan vooral de ontwikkelde Europeaan, geeft zich over aan een even hartstochtelijke als onbewuste imitatio Christi. Zonder dat hij het beseft gedraagt hij zich als was hij Christus zelve: hij heeft zijn vijanden lief, hij ontvangt de verdrukten der aarde met open armen, hij is zachtmoedig en geweldloos, hij neemt alle zonden van de wereld op zich, enzovoort. Althans zo lijkt het, want in werkelijkheid gedraagt hij zich als een Judas. De kus die hij liefdevol op de wang van de moslima drukt is een verraderskus. Hij treft er de vrije samenleving mee in het hart, en wanneer die samenleving – door deze trahison des clercs – ten gronde gaat, zal de moslima daar het eerste slachtoffer van zijn. Ze zal van haar duur bevochten vrijheden worden beroofd, te beginnen met de godsdienstvrijheid.

Er is nog een derde bijbelse figuur waarin we de moderne Westerse mens herkennen, en dat is Pontius Pilatus. Hij aarzelt tussen Jezus en Judas. Hij voelt wel dat Jezus geen schuld treft, maar hij is een opportunist. Hij denkt vooral aan zijn eigen hachje en in plaats van partij te kiezen wast hij zijn handen in onschuld. Niets is typischer voor de moderne mens dan die weigering om partij te kiezen. We pendelen heen en weer tussen tegengestelde overtuigingen en kiezen ieder moment wat ons het beste uitkomt. Zo zijn we nu eens overtuigde voorstanders van de vrije samenleving, maar als die in botsing komt met islamitische opvattingen nemen we met evenveel overtuiging de handschoen op voor de moslims. En die gespletenheid, dat gebrek aan overtuiging beschouwen we als een bewijs van onze onschuld. Christus heeft echter dat merkwaardige woord gesproken: wie niet voor mij is, is tegen mij. Wie weigert te kiezen omdat hij zijn handen in onschuld wil wassen, die kiest voor Judas en verraadt Christus. De hedendaagse intelligentsia verraadt de vrije samenleving en doet alsof ze haar liefheeft, net zoals Judas Christus verraadde door hem te kussen. Als we willen weten wat haar daartoe brengt, dan moeten we de figuur van Judas begrijpen.

De eerste – en zelden gestelde – vraag die daarbij rijst, is: waarom moest Judas Christus verraden? De Farizeeërs kenden Christus toch? Ze hadden vaak genoeg met hem gedebatteerd. Maar volgens Steiner was Christus nauwelijks te onderscheiden van zijn leerlingen. Dat was niet alleen een kwestie van uiterlijke gelijkenis. Het Christus-ik dat in Jezus leefde, werkte ook door zijn leerlingen, zelfs in die mate dat mensen ervan overtuigd waren Christus voor zich te zien terwijl het ‘maar’ om een leerling ging. Er was dus een insider nodig om de ‘echte’ Jezus Christus aan te wijzen, anders riskeerde men dat hij weer zou ontsnappen, zoals hij al zo vaak gedaan had. Ook de geest van de vrije samenleving kan niet door buitenstaanders gevangen worden genomen. De islam heeft geen verhaal tegen die geest, behalve wanneer hij verraden wordt. Alleen vrije mensen kunnen de vrije samenleving aan haar vijanden overleveren.

Maar waarom zouden ze dat doen? Waarom heeft Judas het gedaan? Was hij dan zo’n slecht mens? Ik denk het niet, want hoe zou een slecht mens het zolang bij Christus uitgehouden hebben? Maar Judas was wel de meest moderne der apostelen, degene die het meest op ons lijkt. In tegenstelling tot de meeste andere apostelen, die eenvoudige vissers waren, was hij een ontwikkeld man, een intellektueel. Hij beheerde ook het geld van de gemeenschap, wat op zijn verwantschap met de materie wijst. En ten slotte werd hij bezield door een hartstochtelijke vrijheidsdrang. In een vorig leven was hij Judas Makkabeus geweest, de leider van het joodse verzet tegen de Romeinse overheersing. Zijn grote droom was de bevrijding van Israël en toen hij Jezus ontmoette voelde hij dat zijn droom in vervulling zou gaan. Maar in plaats dat Jezus zijn goddelijke macht aanwendde om de joden te bevrijden van het Romeinse juk, deed hij net het tegenovergestelde. Hij deed stap voor stap afstand van zijn almacht en werd een mens onder de mensen in plaats van een heerser over de mensen. Dat moet Judas wanhopig gemaakt hebben en in een laatste poging om Jezus te dwingen zijn macht alsnog te gebruiken, leverde hij hem over aan de opperpriesters. Maar Christus liet zich niet dwingen en bleef consequent afstand doen van zijn macht. Zelfs de dood kon hem daar niet vanaf brengen. Daardoor werd hij – in de meest volmaakte zin – de eerste minister van de mensheid, de eerste overheid die helemaal dienstbaar werd en afstand deed van haar vrijheid om die van haar onderdanen te waarborgen. Door zijn offer werd Christus de grondlegger van de vrije samenleving.

De moderne overheid weigert in toenemende mate om dienstbaar te zijn. Zij wil haar vrijheden niet langer opgeven zoals de afspraak was (‘zoals in de Schrift geschreven staat’). Dat blijkt uit de gesluierde moslima’s die ze achter haar loketten laat plaatsnemen. En ze doet dat onder het mom van haar solidariteit met de armen en de verdrukten. Ook daarin herkennen we Judas. Toen Maria Magdalena Jezus aan de vooravond van zijn offer zalfde met nardus-olie, viel Judas verontwaardigd tegen haar uit. Had die kostbare olie niet veel beter verkocht kunnen worden om met de opbrengst de armen te helpen? Maar Judas’ solidariteit met de armen was schijn(heiligheid). Het was iets heel anders dat zijn verontwaardiging opwekte. Judas stond bekend als een gierigaard en de bijbel noemt hem zelfs een dief, suggererend dat hij geld uit de kas ontvreemdde. Wat hem door anderen werd toevertrouwd, hield hij voor zichzelf. En daar herinnerde Maria hem onbewust aan.

Ook de moderne machthebbers zijn verontwaardigd over de discriminatie van allochtonen, over het feit dat we onze rijkdom niet met hen willen delen. Maar wie zich niet blindstaart op de onvermijdelijke excessen, stelt vast dat we ons heel gastvrij gedragen tegenover de allochtonen. Er is vaak meer sprake van positieve dan van negatieve discriminatie. De politiek-correcte solidariteit met de armen en de verdrukten is dan ook slechts een voorwendsel. Wat daarachter schuilgaat is niets anders dan diefstal. De overheid is, net als Judas, uit op macht. Zij wil dat de burgers steeds meer vrijheid aan haar afstaan, vrijheid die ze niet van plan is te offeren op het altaar van de vrije samenleving. Nee, ze wil die (geofferde) vrijheid voor zichzelf houden, ze wil er haar macht mee vergroten. Het offer waartoe ze de vrije burger door morele chantage dwingt, is ze zelf niet bereid te brengen. En dat verbergt ze achter haar vermeende solidariteit met de gesluierde moslima achter het loket.

Waarom is Judas zo ontzet als Maria Magdalena de albasten kruik met olie breekt en de inhoud uitgiet? Het is een beeld van het ergste wat hemzelf kan overkomen, namelijk dat zijn kluis met geld (met vrijheid, met macht) wordt opengebroken en het geld eruit vloeit, zodat hij het niet meer voor zichzelf kan houden. Met haar rituele handeling – de zalving van Jezus, die op het punt staat zijn lichaam te laten ‘breken’ opdat zijn bloed vergoten zou worden voor de mensheid – herinnert Maria Magdalena Judas onbewust aan zijn taak. En even onbewust begrijpt hij haar. De kruik is een beeld van zijn materialistische zelf, van zijn verharde ego dat zich helemaal afgesloten heeft van de (geestelijke) wereld. Maar in Maria’s daad schuilt geen enkele veroordeling van dat ego, wel integendeel. De verharding ervan maakt juist mogelijk dat de kostbare olie van de vrijheid bewaard kan blijven. Dat is absoluut noodzakelijk, even noodzakelijk als de menswording van Christus. Maar nu is het moment gekomen dat de kruik gebroken moet worden zodat de geur van zijn inhoud zich door het hele huis kan verspreiden, zoals de bijbel het uitdrukt.

Judas is geschokt. Het dringt tot hem door welk offer Christus gaat brengen en dat besef verscheurt hem. Diep van binnen heeft hij Christus lief. Hij herkent hem onbewust als de Messias, als degene waar zijn diepste verlangen naar uitgaat. Maar zijn bewustzijn herkent Christus niet, integendeel. Verhard als het is, heeft het een materialistische voorstelling gemaakt van de Messias als een politiek leider die alle volkeren der aarde aan zich zal onderwerpen en zo het koninkrijk Gods op aarde brengen. Aan die dode voorstelling heeft zijn verlangen zich met toenemende hartstocht gehecht, en nu moet het zich daarvan losmaken om het levende origineel te volgen. Het zwakke Pontius Pilatus-ik van Judas weet niet wat het moet doen, het pendelt radeloos heen en weer tussen Christus en zijn materialistische tegenbeeld. En uiteindelijk zwicht Judas en kiest voor het tegenbeeld. Want een gulden middenweg is er niet. Christus is immers de gulden middenweg. Wie niet voor hem kiest, kiest voor de extremen.

Tweeduizend jaar later herhaalt deze geschiedenis zich. Christus komt opnieuw op aarde, dit keer niet in een fysiek lichaam, maar in een etherische gedaante. Hij manifesteert zich niet in het zintuiglijke gebied, maar in het wilsgebied van de mens, dat alleen toegankelijk is voor de bovenzintuiglijke waarneming. Maar wie is vandaag nog helderziend? Net als Judas zijn we allemaal intellektualistisch geworden: ons bewustzijn is gebonden aan onze fysieke hersenen. Het zit met andere woorden opgesloten in onze schedel. Die ‘kruik’ moet nu (figuurlijk) gebroken worden zodat de olie van ons heldere bewustzijn zich over ons hele wezen kan verspreiden en de wereld vervullen met haar geur. Anders gezegd, ons bewustzijn moet zich losmaken van zijn identificatie met de materie en doordringen in de geestelijke dimensie van het bestaan. Alleen op die manier kan de mens bewust voor Christus – en voor de vrije samenleving – kiezen in plaats van ten prooi te vallen aan een coalitie van moderne Romeinen en schriftgeleerden.

Maar dit breken van de kruik, dit bevrijden van ons bewustzijn uit de gevangenis van ons hoofd, is een risicovolle onderneming. Het gevaar is groot dat we daarbij ons bewustzijn niet verruimen, maar het gewoonweg verliezen. In plaats van de materiële én de geestelijke dimensie van de dingen waar te nemen, nemen we ze dan geen van beide meer waar. Het politiek-correcte denken van de Westerse intelligentsia illustreert hoe groot dat gevaar is. Het heeft geen oog meer voor de konkrete realiteit, noch voor het geestelijke karakter ervan. En nochtans heeft die realiteit nog nooit zo’n intens geestelijk karakter gehad. Alles wat vandaag gebeurt draagt het stempel van de wederkomst van Christus. Alleen, we zien het niet. Ofwel blijven we er blind voor omdat ons bewustzijn gevangen blijft in ons hoofd. Ofwel bevrijden we ons bewustzijn uit zijn materialisme, maar wordt het verblind door de geestelijke krachten waarmee het dan te maken krijgt.

Het is tragisch om te zien hoe mensen van goede wil, mensen die bewogen worden door hun liefde voor de wedergekomen Christus, diezelfde Christus verraden en hem overleveren aan beulsknechten en schriftgeleerden. Ze zijn de vrije samenleving met hart en ziel toegedaan en toch verkopen zij haar door de moslima achter het loket hun Judaskus op de wang te drukken. Want ze zijn niet bij machte hun onbewuste Christus-wil te verbinden met hun heldere bewustzijn. Ze vallen bij wijze van spreken in slaap wanneer ze zich overgeven aan Christus en merken niet dat iemand anders zijn plaats inneemt. Want waar Christus is, is ook altijd de Antichrist, dat heeft de geschiedenis van de twintigste eeuw maar al te duidelijk bewezen. Om een herhaling van die geschiedenis te vermijden, is het dus van het grootste belang dat we onderscheid leren maken tussen die twee geesten die vandaag zo aktief zijn in ons onderbewuste. En dat kan alleen met een bewustzijn dat niet in slaap valt wanneer het de wilswereld betreedt en in kontakt komt met de geestelijke dimensie van het bestaan.

Zo’n bewustzijn hebben we niet. Ons rationele denken – waaraan we onze vrijheid te danken hebben – ontleent zijn helderheid aan zijn binding met de materie. Zonder de steun van die materie valt het in onmacht. Het kan (nog) niet op eigen benen staan. Maar we kunnen het wel oefenen. De snelste – maar ook meest risicovolle – manier is de rechtstreekse konfrontatie met de hedendaagse werkelijkheid, zowel in materiële als in geestelijke zin. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de uiterlijke scholing door omgang met andere kulturen, of aan de innerlijke scholing door geestelijke oefeningen. Een tragere, maar veiliger manier is wat je het imaginatieve denken zou kunnen noemen: je probeert de zintuiglijke werkelijkheid te zien als een beeld, een beeld van een bovenzintuiglijke werkelijkheid. Je probeert met andere woorden de werkelijkheid waarin we leven te … ontsluieren.

Dat is ook wat de werkelijkheid van ons vraagt, dringend vraagt zelfs. De moslima achter het loket wil ontsluierd worden. Ze draagt haar sluier niet om respekt te eisen of om haar godsdienstvrijheid te verdedigen. Ze weet helemaal niet waarom ze die sluier draagt, althans niet bewust. Diep van binnen weet ze echter wel, maar ze kan het alleen uitdrukken met een beeld: de sluier. Natuurlijk wil ze niet dat we haar die sluier afnemen. Wat ze wil is dat we haar beeld ontsluieren, dat we haar sluier zien als een beeld. Eigenlijk houdt ze ons een spiegel voor: de sluier die haar hoofd bedekt is een beeld van de sluier die ons bewustzijn bedekt en die ons belet doorheen de materiële werkelijkheid te kijken. Neem jullie sluier weg, dan zal ik ook mijn sluier afnemen, lijkt ze ons te zeggen. En daarvoor brengt ze een offer. De vrijheid die ze hier als vrouw gekregen heeft offert ze (gedeeltelijk) op door een sluier te gaan dragen. En ze speelt hoog spel, want als we haar offer niet beantwoorden dan raakt ze haar pas verworven vrijheid weer kwijt. Het wederzijdse offer dat het hart van de vrije samenleving vormt, kan pas tot stand komen als het ook in ons bewustzijn plaatsvindt, als we ons denken ten dienste stellen van de beelden waarmee we gekonfronteerd worden, als we die beelden een stem geven. En als ze eenmaal beginnen spreken, komen we tot de verrassende conclusie dat het vandaag in de eerste plaats de moslims zijn die ons vertellen over de komst van Christus – niet met hun woorden uiteraard, maar met de beelden die ze op ons netvlies branden.

.

Jezus was geen universeel leraar

door François De Wit


Wanneer we deze titel aantreffen in een Vlaamse krant, dan kunnen we rustig de schouders ophalen in de wetenschap dat de krantenschrijvers van nu totaal onbevoegd zijn om over spirituele zaken te schrijven. Vanuit hun materialistisch en dus atheïstisch geloof komen zij er nooit toe om zich enigszins te verdiepen in een onderwerp dat zij in al hun verwaande hoogmoed beschouwen als opium voor het volk.
Wanneer we echter deze stelling terugvinden in een voorwoord van een populaire uitgave van de Koran, het heilig boek van de moslims, dan is dat wat anders. De schrijver van dat voorwoord is meer dan waarschijnlijk beroepsmatig bezig met zijn godsdienst. Zijn woorden hebben daardoor meer gewicht. Reden voor ons om ons eens te verdiepen in de argumenten die hij aanhaalt :

“Christelijke zendingen zijn tot in alle delen van de wereld getrokken doch Jezus zelf koesterde een dergelijk plan niet. Het gaat hier niet om hetgeen de christelijke gelovigen trachten te doen. Het gaat hierom wat was het voornemen van Jezus zelf. Wat was de bedoeling van God die Jezus zond? Er is niemand die dit beter kan zeggen dan Jezus zelf en Jezus zeide duidelijk :
“Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. “ (Matth 15: 24)

De leerstelling van Jezus is daarom alleen voor Israël, niet voor anderen. Men zegt dat Jezus zijn volgelingen vermaande naar andere volkeren te gaan:
“Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes." (Matth. 28: 19)

Doch het is niet juist hierom te betogen, dat Jezus zijn volgelingen had geboden zijn boodschap aan andere volkeren dan Israël over te brengen. Het betekent slechts dat aan de volgelingen van Jezus door hem werd geboden zijn boodschap aan alle stammen Israëls te prediken en niet aan alle naties en volkeren als zodanig. Jezus zegt in duidelijke bewoordingen:
“Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte wanneer de Zoon des mensen op den troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten" (Matth. 19 : 28)

Verder lezen wij:

“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls."
(Matth. 10: 5-6)

Niemand moet in de waan verkeren dat het hier de bedoeling is, dat christelijke predikers eerst naar Israëlietische steden en vervolgens naar andere steden moesten gaan. Want, naar de verloren schapen Israëls te gaan betekent niet alleen hun steden te bezoeken, doch hen tot het Christendom te bekeren. De bedoeling is daarom dat, voordat de Israëlieten Christenen zijn geworden, aan anderen geen aandacht mag worden geschonken. Jezus doet duidelijk uitkomen dat de taak om te preken tot Israël en het bekeren van Israël niet vóór Zijn wederkomst zal zijn voltooid. Zo lezen wij:
“Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, gij zult niet alle steden van Israël zijn rondgekomen, voordat de Zoon des mensen komt. “ (Matth. 10: 23)

Hieruit, blijkt dus, dat Mattheus 28 : 19 eist dat Christenpredikers in de steden Israëls het Christendom zouden vestigen en die steden niet slechts zouden bezoeken. Het wordt duidelijk aangetoond, dat de plicht tot prediking aan de Israëlieten niet zal ophouden voor de wederkomst. Door dus aan anderen te prediken, terwijl de wederkomst van Jezus nog niet heeft plaats gehad, handelen Christenpredikers in strijd met de leer van Jezus. Ook de apostelen beschouwden het als onjuist het evangelie aan niet-Israëlieten te prediken. Zo lezen wij:
“Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stephanus plaats vond, trokken verder tot Phoenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden." (Hand. 11: 19)

Zo ergerden zich de apostelen ook, toen zij hoorden dat Petrus in een bepaalde plaats het evangelie aan niet-Israëlieten had gepredikt :
“En toen Petrus naar Jeruzalem gegaan was, verschilden zij die uit de besnijdenis waren, met hem van mening, en zij zeiden: Gij zijt binnen gegaan bij onbesnedenen en hebt met hen gegeten." (Hand 11: 2—3)

Na dit alles besluit de auteur :

DE HEILIGE QOR’AAN IS VOOR ALLE VOLKEREN

Vóór de komst van de Heilige Profeet van de Islam had dus niemand tot het gehele mensdom een boodschap gericht. Het was de Heilige Profeet die verklaarde:

Zeg: ,,O mensdom, ik ben u allen tot een boodschapper van Allah". (Q,or’aan 7:159)

De openbaring van de Qor’aan had daarom tot doel de verschillen en scheidingen op te heffen, die tussen godsdiensten en tussen volkeren waren ontstaan en die in de eerste plaats hun oorsprong vonden in de onvermijdelijke beperkingen van de vroegere leerstellingen. Indien de Qor’aan niet was gekomen zouden die scheidingen hebben voortgeduurd. De wereld zou nooit hebben geweten, dat zij slechts Eén Schepper had; noch zou zij hebben beseft, dat haar schepping slechts één groot doel beoogde.
De verschillen tussen godsdiensten vóór de Islam schenen de komst van een Leer, die hen alle zou verenigen, juist eerder te vereisen dan die af te weren.

Tot zover dit uittreksel.
Wat moeten we daar nu van denken ? Het staat inderdaad klaar en duidelijk bij Mattheus : “Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls". (15: 24)

Had Jezus dan toch alleen een taak voor de Joden ? De ganse passage waarin deze uitspraak voorkomt, maakt het nog duidelijker :

En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.
22 En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere!
Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
23 Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.
24 Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.
25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
26 Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.
27 En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.
28 Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.

. Op wie kan dat slaan, het huis Israël ?
We weten dat Israël de tweede naam is van Jacob, die hem gegeven werd door de engel met wie hij een ganse nacht streed. De gebruikelijke vertaling van het woord luidt : God zal strijden. De afstammelingen van Jakob worden de kinderen van Israël genoemd. Zuiver genetisch slaat deze term dus op de biologische afstammelingen van Jacob, en dat zouden alleen de huidige Joden zijn. Maar aangezien christenen “niet uit het bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil van een man, maar uit God geboren “ worden, net zoals Jacob, zo kunnen wij onszelf, niet-Joden, zien als kinderen van Israël.

Het is terug Rudolf Steiner die het Christendom hier uit de nood helpt.
In GA 93a, “Grundelemente der Esoterik" lezen we hoe we “Israël" moeten interpreteren en in welke bredere context dit moet gebeuren :

“Stelt u zich Europa, Midden-Azië, Egypte eens voor, bezaaid met wat gevormd werd onder invloed van de inwijdingsscholen. Uit hun midden sturen deze inwijdingsscholen nu de grondlegger van het vierde onderras uit, die zich in hun schoot lang heeft voorbereid. Dat is de persoonlijkheid die de Bijbel Abraham noemt; hij stamt uit Ur in Chaldea en is gevormd als een extract van de drie oude culturen. De opdracht die met Abraham gerepresenteerd wordt is om in het menselijke al datgene te introduceren wat in het uiterlijke vereerd werd, om ingewijden te laten optreden die een grote waarde hechten aan het menselijke, om personencultusen in het leven te roepen. Vandaar dat persoonlijke eigenschappen zichtbaar worden bij de joodse patriarchen. Met list en lef gaan ze eigenlijk te werk.
Een Jacob haalt het omdat hij met list en lef datgene wat hij wil van zijn broer afneemt. Het is de werkelijkheid van waaruit onze huidige cultuur ontwikkeld werd. Die is gebaseerd op het verstand en de hebzucht. Op grandioze wijze komt dat naar voor als een soort ochtendgloren in de vertellingen van het oude testament. Een geweldiger beeld van de oorsprong kan onmogelijk geschilderd worden. Esau is nog behaard, dat wil zeggen dat hij staat voor een mensentype dat nog meer in het fysieke gevangen is. Jacob is het beeld van de mens die vertrouwt op zijn verstand en geslepenheid en daardoor bereikt wat zich effectief in de menselijke natuur ontwikkelt. Een overwinning van het verstand op de fysieke kracht wordt hiermee ingeleid. De voorlopers laten niet altijd iets groots zien, maar wel datgene wat er noodzakelijkerwijze staat aan te komen.
“Israël" betekent : die de mens tot de onzichtbare God leidt, die in het innerlijk leeft. Isra-el : El = het doel, Isra de onzichtbare God.
Tot hiertoe was hij een zichtbare God, was hij te zien in de grote visioenen van de Indiërs, of hoe hij aanzette tot het Goede of het Boze bij de Perzen, of die zijn lichaam in de sterrenwereld had, in het universum, hij werd altijd ervaren als iets zichtbaars.

En nu zien we daar een Joodse inwijding bij Jozef en zijn twaalf broers. Het is een schone, geweldige allegorie. Het allegorische doet nu zijn intrede. Waar het verstand wil werkzaam worden, daar wordt het allegorisch.
Eerst wordt beschreven hoe Jozef ingewijd wordt : hij wordt uit het gewone leven uitgelicht, verkocht voor twintig zilverlingen en in de lege waterput geworpen, waar hij drie dagen in blijft. Dat staat voor de initiatie. Dan geraakt hij in Egypte en werkt daar vernieuwend. En nu krijgt u op een fijnzinnige manier aangeduid de ommekeer die toen plaatsvond van de sterrengodheid naar de mens. Jozef werd uitgestoten omdat hij dromen had. Hij droomde dat de zon en maan en elf sterren voor hem bogen. De elf sterren staan voor de elf dierenriemtekens. Hij ervaart zichzelf als het twaalfde. Het symbool van de sterrengodsdienst wordt nu in het menselijke overgebracht. In de twaalf broers, het uitgangspunt van de twaalf stammen, wordt het kosmisch-goddelijke in het persoonlijke ingebracht. “Nu, je gaat toch niet willen beweren" zegt de vader, “dat je broers zich voor jou gaan buigen." – Daarmee is de ommekeer ingezet. De hemelssterrenkunde wordt overgezet in een boodschap die in het persoonlijk-menselijke wortelt. Dat wordt verder uitgebouwd in het Mozaïsme. Uit de drie oude culturen wordt door inwijding van de Joodse patriarchen deze vierde cultuur, de Oerjoodse, afgeleid, waarvan dan feitelijk alles afstamt wat wij als vierde onderras kennen, want daar horen ook de Oudhelleense en de Oudromeinse culturen bij. Ook het Griekse en het Romeinse (Romeinse recht) zijn groot geworden, juist door dat persoonlijke element, tot dan deze gedachte incarneert en op een hoger niveau verschijnt in het christendom. En zo komt juist in deze kleinere tak de eigenlijke stroming van het vierde onderras tevoorschijn. De Grieks-Latijnse stroming is een hogere vorm van de Joodse, het persoonlijke wordt daar intensiever.

. Het persoonlijke moest effectief tot uitdrukking komen zoals in de Esau- en Jacobsage, om dan zijn loutering te vinden in het schone mensdom van de Grieken en in de grootsheid van de Romeinen. In Odysseus overwint nog de list de oude priestercultuur (van de Trojanen –fdw). Uit deze cultuur kan zich pas het christendom ontwikkelen dat inderdaad alle oude culturen in zich omvat en ze daardoor ook opnemen kan.
Jezus Christus wordt volgens zijn afkomst een Galileër genoemd. Galileër betekent : de “vreemdeling" die er eigenlijk niet bij hoort. Galilea was een kleine enclave waar iemand kon opgevoed worden die in zijn volksmilieu niet alleen het Joodse, maar alle oude culturen moest opnemen."

Zelfs een wezen dat zo hoog verheven is als de Christus moet rekening houden met het ontwikkelingsniveau van de mensheid. In de tijd toen Christus op aarde wandelde beleefde de mens zijn eigen identiteit voor het grootste deel als lid van een clan of volksgroep. Het is dus volstrekt normaal dat Jezus de mensen van het volk van waaruit Hij Zijn werkzaamheid moest aanvangen, aansprak op hun volkseigenheid, als een gemeenschap die van de ontelbare andere volksgemeenschappen scherp kon onderscheiden worden. Maar de woorden van het Johannes-evangelie laten er geen twijfel over bestaan :

“Het waarachtige Licht dat iedere mens verlicht …"

Het is niet toevallig dat de argumentatie van de Moslim volledig overeenstemt met die van de moderne mens. We hebben ooit in De Brug 11 eens de kritiek van Bertrand Russell aangehaald uit diens boek “Waarom ik geen Christen ben". Ook daar vonden we het letterlijk nemen van Bijbelcitaten en het zuiver verstandelijk interpreteren. In een van de voordrachten voor de arbeiders aan het Goetheanum legt Rudolf Steiner uit hoe dat komt :er traden drie stromingen op in het Christendom. De eerste, Oosterse stroming hechtte meer belang aan de cultus. De tweede stroming ging van Rome uit, daar werd er minder belang gehecht aan cultus, het rituele, en meer aan de leer, de prediking.
Daarna kwam er een andere invloed :

“De Islam vertoont een bijzondere eigenschap : hij verenigt in zijn godsdienst het fantastie-element met een ontzaglijk nuchter verstandselement. Het kernpunt van de moslimgodsdienst is : er is maar één god en Mohammed is zijn profeet.
Waarom legde Mohammed er zo sterk de nadruk op dat er maar één god is ?
Mohammed kende het christendom en het christendom heeft dan wel geen drie goden, maar het heeft toch drie aspecten van het goddelijke. Tegenwoordig wordt dat niet meer aangevoeld. Men voelt tegenwoordig niet meer dat het christendom in zijn oorsprong niet drie goden bezat, maar drie goddelijke gestalten : Vader, Zoon en de zgn. Heilige Geest.
Wat betekent dat ? Ziet u, “persona" in het Latijn betekent namelijk oorspronkelijk niets anders dan figuur, masker, datgene wat zich naar buiten openbaart. En in het oorspronkelijke christendom sprak men niet over drie goden, maar van drie gestalten, waarin zich één God openbaart."

En Rudolf Steiner gaat verder : men wist toen nog voor wat deze drie gestalten staan :
De Vader staat voor de mens als fysiek wezen, onderworpen aan de krachten van de natuur. De Zoon is overal waar er sprake is van een vrije wil. Maar die vrije wil maakt dat de mens in waarde kan achteruitgaan, namelijk wanneer hij slechte keuzes maakt. In zekere zin is het niet “eerlijk" dat de mens op een hoger niveau, dus wanneer hij begiftigd wordt met een vrije wil – minder waard kan worden dan wanneer hij op zijn natuur-niveau was gebleven.
Daarom heeft de mens nog een derde godheid nodig, die hem helpt om zijn wil weer goed te maken, helemaal goed te maken, om zijn ongezonde wil te heiligen, en dat is dan de Heilige Geest.

. “Nu heeft Mohammed schrik gekregen : hij heeft gezien dat het oude heidendom, dat vele goden kende, geweldig ontaardde, degenereerde, de mensheid ruïneert. Hij heeft het christendom zien opkomen en bedacht : daaruit kan ook veelgoderij ontstaan, want ze spreken van drie goden. Hij heeft niet ingezien dat het over drie aspecten gaat. Vandaar dat hij in oppositie ging en zeer nadrukkelijk verkondigd heeft : er is maar één god en Mohammed is zijn profeet, en al het overige wat over goden verteld wordt is verkeerd.
Deze leer werd met een immens fanatisme verbreid.
Dus, de Islam heeft zich ertoe beperkt om over één god te spreken, die dan eigenlijk als de Vadergod aangevoeld werd. En daarom heeft de Islam ook altijd meer gedacht : wel, zoals de natuurproducten, steen, boom, geen vrije keuze hebben om te groeien of te bloeien zoals ze willen, geen vrije wil om een rode of gele bloem te vormen, zo groeit ook al het menselijke vanuit de natuur. Daardoor is die starre lotsbestemmingsidee in de Islam ontstaan, men noemt het fatalisme, dat de mens zich moet schikken in een onveranderbaar, star lot : is hij gelukkig, dan heeft de Vadergod het zo beschikt, is hij ongelukkig, dan is dat ook door de Vadergod zo gewild. Hij moet zich maar overleveren aan dit fatum, zoals men zegt."

Het Natuur-aspect lag ook aan de basis van de heidense godsdiensten. Daarom liet het christendom dit links liggen en richtte de aandacht meer op de vrije wil (Zoon en Heilige Geest). Mohammed herkende in de heidense godsdiensten het Natuuraspect, het Vadergod-element, en had geen moeite om aan te sluiten bij de oude kunst en wetenschap. Daardoor konden deze in het islamitische Oosten bloeien terwijl tezelfdertijd het Westen in de duistere Middeleeuwen zat. Door de kruistochten kwam de primitieve christelijke wereld in aanraking met de rijke cultuur van het Oosten, en dat was het begin van de ontwikkeling van het moderne wetenschappelijke denken. Het Arabische verstandelijk denken lag aan de oorsprong van het moderne verstandelijk denken.
Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de argumenten van een islamitische theoloog en van een Westerse geleerde gelijkaardig klinken. Die overeenstemming vinden we zelfs terug in het wereldbeeld dat beiden erop na houden. Rudolf Steiner wijst erop in GA 194 “De Opdracht van Michaël" :

“In werkelijkheid is een groot aantal van de onder ons levende mensen niets anders dan moslims ( Toen Rudolf Steiner deze woorden uitsprak leefde er in het Westen gewoon geen enkele moslim –fdw). Want in hun geloof zit juist hetzelfde fatalisme als in de Islam – hoewel het fatalisme vaak als een natuurwet aangekleed wordt. Het Mohammedanisme is veel meer verbreid dan men denkt. Ziet men niet naar de woorden maar naar de ziele-geestelijke inhoud, dan zijn vele christenen in feite moslims. Vele mensen noemen zich christen terwijl ze Christus beleven zoals ze God de Vader beleven. Ik moet u maar het klassieke voorbeeld van een moderne theoloog, Adolf Harnack, aanhalen, die het boek “Het Wezen van het Christendom" schreef. Neemt u gerust de proef op de som, schrap in dat boek overal de naam van Christus en vervang hem door de naam van God, en er verandert juist niets aan de inhoud van dit boek."

. Over het wezen van de Islam vertelt Rudolf Steiner in GA 273 “Das Faust-Problem", blz. 91 :

“Wat heeft Mohammed gevonden ? Nu, u weet dat Mohammed in de eerste plaats naar een wereld streefde, waarvoor hij een uitdrukking had, het is maar één woord : God. De wereld wordt een monon, een monistische uitdrukking van God. Deze wereld heeft niets van het wezen van het christendom, dat spreekt vanzelf. Maar toch schouwt Mohammed in de geestelijke wereld, hij komt tot in de elementaire wereld. Hij belooft zijn gelovigen dat ze zullen binnentreden in deze geestelijke wereld wanneer ze door de poort van de dood zijn gegaan. Maar hij kan hun slechts vertellen over de geestelijke wereld die hijzelf heeft leren kennen. En wat is dat voor een geestelijke wereld ? Deze geestelijke wereld, waarover Mohammed zijn gelovigen vertelt, is de luciferische wereld, die hij beschouwt als het paradijs, de wereld die nu moet nagestreefd worden.

Ik geloof dat het een diepe indruk op onze zielen moet maken wanneer we zo aan de hand van een belangrijk fenomeen in het wezen van een historische ontwikkeling kunnen dringen. Het moet ons bedachtzaam stemmen wanneer we in de ontwikkeling van het religieuze leven zien dat daar een profeet optrad met de dwaling dat de luciferische wereld het paradijs is. Ik zou niet willen dat dit in uw ziel binnendringt als nog maar eens een abstracte waarheid, ik geloof dat het de ziel werkelijk dooreen schudt wanneer men dit gegeven op zich laat werken. Maar, wat doet de moslim om in zijn geestelijke wereld binnen te geraken ?
Er zullen er onder u waarschijnlijk niet al te veel zijn die de Koran gelezen hebben. Het is ook niet gemakkelijk om de Koran volledig te lezen, met zijn eindeloze herhalingen, met datgene wat de Westerse mens in de beschrijving zo ontzettend langdradig vindt. Bij de mohammedanen zijn er echter mensen die hem in hun leven 70.000 keer gelezen hebben van het begin tot het einde, dat wil zeggen dat ze een woord dat bestemd is om de ziel te bereiken, in hun ziel hebben laten levend worden !
En al kunnen wij inhoudelijk van deze religieuze gemeenschap niets leren, dan mogen wij wel erkennen dat binnen die mensengemeenschap totaal anders omgegaan wordt zelfs met geestelijke dwalingen, als bij ons met hetgeen wij zouden moeten erkennen als geestelijke waarheden. Wat een Europeaan hoogstens doet is Goethes “Faust" lezen, en wanneer hij hem vergeten is, hem nog eens lezen, en wanneer hij hem terug vergeten is, nogmaals leest. Maar u zult ver moeten zoeken naar iemand die honderd keer de “Faust" gelezen heeft. Dat is ook begrijpelijk vanuit de tegenwoordige scholing. Hoe kan men ook al wat in het Westen gedrukt wordt 70.000 keer lezen, het is zeer begrijpelijk dat zoiets niet kan.
Maar wij moeten toch beseffen dat het totaal anders is of men zich eenvoudigweg informeert over een zaak die voor de ziel belangrijk is, of dat men met die inhoud leeft, altijd maar weer, tot men er volledig één is mee geworden."

Ook voor een antroposoof is het beter om één voordracht van Rudolf Steiner 70 keer te lezen dan 70 voordrachtenreeksen na mekaar te lezen. Dit laatste is een neiging die bij veel beginnende antroposofen voorkomt, een neiging die door de moderne overvloed aan informatie in de hand gewerkt wordt. Wij kunnen ons bewust tegen deze neiging verzetten, zonder in het extreme te vervallen zoals de mohammedaanse veroveraar van Alexandrië in 642, kalief Oemar. Toen men hem vroeg wat er moest gebeuren met de immense beroemde bibliotheek van die stad, antwoordde hij : ofwel stemt de inhoud van de boeken overeen met de Koran, en dan zijn ze overbodig, ofwel zijn ze niet in overeenstemming, en dan zijn ze niet gewenst, de vlam erin !

.

De christelijke impuls vanuit Midden-Europa

door François De Wit.

Waarom noemen we het Oosten luciferisch ? Omdat in het Oosten de neiging leeft om het aardse bestaan gering te schatten, meer belang te hechten aan het spirituele.
In het Westen daarentegen leeft de neiging om het geestelijke te ontkennen en zich volledig op het aardse te concentreren. Dat is een ahrimanische impuls .

… en die is in onze tijd volkomen gerechtvaardigd. De technologische verwezenlijkingen die onder invloed van deze impuls aan de mensheid geschonken worden, maken de mens los van het natuurlijk gebonden-zijn met de aarde, met de gang van de seizoenen. Deze instinctieve, traditionele verbinding moet eerst verdwijnen opdat de mens bewust en in vrijheid een verbinding met de aarde, met de natuur kan aangaan. Hetzelfde doet zich voor met de instinctieve, natuurlijke verbinding van de mens met zijn volk, zijn familie, zelfs zijn gezin. Die vanzelfsprekende band gaat verloren omdat het ook een onvrijheid betekende voor het individu. Het is de bedoeling dat wij volbewust een verbinding aangaan met de mensen die op ons pad komen en die meewerken aan onze persoonlijke scholingsweg. Aldus moeten wij ook bewust met de technologie omgaan en bewust bepaalde uitvindingen niet wíllen gebruiken.

We rekenen Europa tot het Westen, maar dat is al een overwinning van Ahriman. In feite zouden wij hier een eigen plaats tussen de twee extremen moeten innemen en vanuit het rechtsleven een nieuwe sociale orde inspireren, waarin zowel plaats is voor een vrij geestesleven als voor een menselijke economie.
Dat is wat we noemen de christelijke impuls en die zou Lucifer en Ahriman binnen hun respectieve grenzen moeten houden.
De ideeën voor een menselijke economie zijn er (vanuit de sociale driegeleding), maar om deze te kunnen realiseren dient de Europese mensheid er eerst kennis van te nemen. Dat kan alleen met een vrij geestesleven en dat vreest Ahriman. Onder zijn impuls wordt het geestesleven aan banden gelegd. Hij wil immers ook in Europa een termietenstaat inrichten met één uniform geestesleven, met een menselijke in plaats van een goddelijke religie (holocaustaanbidding), en vooral met een – men zou zeggen bijna instinctieve – leugenachtigheid die mensvijandige maatregelen steeds voorstelt als de opperste progressiviteit, als steeds weer een stap om de hemel op aarde te realiseren. Dat laatste is belangrijk voor Ahriman : de illusie van een hemel op aarde in stand houden, de mensen doen vergeten dat er nog iets hoger, onzichtbaar, geestelijks bestaat. Hij wil dat al onze gedachten, gevoelens en daden uitsluitend gericht worden op het aardse, materiële.
Met een boosaardige intelligentie wordt alles ingericht om over gans de wereld één uniforme massa van willoze, als het ware gehypnotiseerde automaten te verkrijgen. Geraffineerde leugens worden duizendmaal herhaald als mantra’s. “Diversiteit" klinkt het dan, maar wie vasthoudt aan zijn eigen volksaard en traditionele zeden, wordt afgeschilderd als een achterlijke. En zo worden we constant herinnerd aan de Holocaust zogezegd om goed te beseffen waartoe het “Eigen volk eerst"-principe kan leiden, en tegelijkertijd zien we dat de nakomelingen van de holocaustslachtoffers in Israël een staat grondvesten op juist ditzelfde principe !

Als er al een les te leren valt uit de Holocaust, dan is het wel : “Burger, negeer wetten en voorschriften van welke autoriteit dan ook wanneer ze tegen je geweten indruisen”. Dat komt dan in de buurt van Rudolf Steiners ethisch anarchisme en zou een eerste stap betekenen in de richting van een betere samenleving. We gaan daar in een volgende Brug verder op in.


. Hetzelfde met het afschaffen van de doodstraf : “Respect voor het leven" klinkt het, maar tegelijk wordt actieve propaganda gevoerd voor abortus.
Op dit ogenblik ligt Polen daardoor onder vuur, zoals we lazen in de Metro van 07/09/07

Polen gooit weer zand in Europese machine
“De Poolse regering blijft weigeren om een gemeenschappelijke verklaring van de EU-lidstaten tegen de doodstraf te ondertekenen. De Poolse ambassadeur argumenteerde onder meer dat zo’n verklaring enkel zin heeft als ze ook het ongeboren leven beschermt. De Poolse dwarsliggerij lokte bij diverse lidstaten zeer misnoegde reacties en ongezouten commentaren uit. Hoe het nu verder moet, is niet duidelijk. De gemeenschappelijke EU-verklaring komt er op vraag van Italië, dat ook een resolutie bij de Verenigde Naties heeft ingediend. Commissievoorzitter Barroso onderstreepte tijdens een bezoek aan Roemenië dat het verzet tegen de doodstraf tot de fundamentele Europese waarden behoort."

Dus : misdadigers terechtstellen is niet humaan, maar ongeboren, onschuldige kinderen vermoorden, dat is blijkbaar wel humaan. Daar zit natuurlijk meer achter dan wat de Europese wetgevers zelf kunnen vermoeden : er is een nuttigheids en kosten-baten-principe in de moraal geslopen.
Door de jarenlange indoctrinatie vinden wij abortus absoluut geen moreel probleem meer, het gaat toch maar om het verwijderen van wat “zwangerschapsweefsel". Zozeer werden de mensen al gewoon gemaakt aan het beginsel dat leven mag gedood worden als het niet (meer) waardig kan geleefd worden. En waardig leven wordt begrepen als : over een lichaam en over zintuigen beschikken die een mens in staat stellen om van het materiële leven te genieten.
En al die vrouwen die deze “vrijheid", dit “baas-in-eigen-buik" beginsel willen behouden ?
In feite zijn ze wanhopig, zoals ook de Indianen die door de Spaanse conquistadores gedwongen werden om zich in de zilvermijnen dood te werken, wanhopig waren en hun eigen nageslacht doodden. Ze zagen geen toekomst voor hun kinderen.
De oplossing ligt in het creëren van een maatschappij waar plaats is voor kinderen, niet met woorden en slogans, maar met daden. Waarom geeft de overheid 25 euro per dag en per kind dat in de opvang gaat ? En waarom niet hetzelfde bedrag aan moeders die kiezen om zelf hun kinderen op te voeden ? Het is de taak van Europa om bewust het rechtsleven als middengebied tussen geestesleven en economie vorm te geven (zie ook Oskar Hansen hierover in De Brug 36). En wie is in dit geval Europa ? In feite zouden dat de antroposofen moeten zijn. Maar aangezien we te weinig in getal en te krachteloos zijn, moeten we ons verbinden met andere krachten die in dezelfde richting als wij werken en, niet als Vereniging, maar als individu, stelling nemen en partij kiezen, bvb. : met de Polen tegen abortus, met de revisionisten vóór het Vrije Woord.

Wat abortus betreft : in De Brug 50 haalden we al de woorden van Rudolf Steiner aan :

“Als de mensen wisten wat ze deden zouden ze het nooit doen."

In GA 316 “Meditative Betrachtungen und Anleitungen zur Vertiefung der Heilkunst" vinden we wat meer uitleg :

“Op de vraag of men bij een abortus die gebeurt om het leven van de moeder te redden, ingrijpt in het karma van de moeder en het kind, is het volgende te zeggen : beide karma’s worden voor korte tijd in andere banen geleid, maar spoedig keert de loop van de twee karma’s weer terug naar het oorspronkelijk pad, zodat van deze kant nauwelijks van een verstoring van het karma kan worden gesproken.
Daarentegen vindt er een sterk ingrijpen plaats in het karma van wie de abortus uitvoert. Deze mens moet zich afvragen of hij bewust een daad op zich wil nemen die hem in een karmische verbinding brengt die er zonder de ingreep niet zou geweest zijn.
Maar dit soort vragen zijn niet in ’t algemeen te beantwoorden, veel hangt af van het specifieke geval, zoals zoveel dat ook in het zuiver ziele-cultuurleven een ingreep in het karma betekent en tot diepe, tragische levensconflicten kan leiden."

We mogen niet vergeten dat bovenstaand geval uitgaat van een situatie waarin de moeder niets zelf beslist, maar wel de arts in haar plaats. En die heeft later karmisch iets goed te maken. Wanneer vrouwen zelf bewust kiezen voor abortus, en dit in de maatschappij endemisch wordt, dan begint de zaak immens tragisch te worden vanuit karmisch oogpunt.

Een ongelooflijk ingewikkeld kluwen van karmische verbindingen ontstaat op die manier en we mogen vrezen dat zelfs de engelen en de hiërarchieën er niet meer aan uit geraken. Vandaar misschien ook de tegenwoordige chaotische gezinssituaties en de vervreemding tussen gezinsleden : waren ze wel voorbestemd om samen te leven ?

Daar kunnen wij als antroposoof onze medeburgers die ervoor openstaan op attent maken. En misschien moeten we ook even inventief zijn als Johannes Lerle !

Dr. Johannes Lerle uit Erlangen is in Duitsland een bekende anti-abortusactivist.
In juni 2007 werd hij tot 1 jaar effectief veroordeeld wegens … negationisme, meer bepaald “wegens het opruien van het volk door openlijk nationaal-socialistische gruwelen te loochenen of te vergoelijken op een manier die de openbare orde zou kunnen verstoren."
Hoe dat gekomen is lezen we in een interview met hem op de katholieke website www.kreuz.net Wat bij ons negationisme heet, is in het Duits : Holocaust-leugner, dus letterlijk loochenaar. Wij vertaalden dit ook zo om de eerste vraag (en het antwoord) te kunnen begrijpen.

Dr. Lerle, bent u een holocaustloochenaar ?

Wanneer men een andersdenkende een loochenaar noemt, dan zit men in de religieuze sfeer. Zo zijn er mensen die de Drievuldigheid loochenen, de Onbevlekte Ontvangenis, de Verrijzenis enz.

Wat bedoelt u ?

De uitdrukking holocaustloochenaar, die u gebruikt, verraadt dat het hier klaarblijkelijk om een geloofsartikel gaat. Want geschiedkundige feiten mag je loochenen zoveel je wil.

Voorbeelden ?

Je mag vele geschiedkundige feiten loochenen : de oorlogsmisdaden van het Sovjetleger bij de “bevrijding" van Duitsland, de oorlogs- en na-oorlogsmisdaden van onze zogenaamde Amerikaanse vrienden, ja zelfs de huidige kindermoorden in het moederlichaam, die op een veel grotere schaal plaatsvinden dan de nationaal-socialistische gruwel …. Dat alles mag men loochenen, alleen de Hitlermisdaden niet.

Is dat een probleem ?

Ja, een groot. Want het grondrecht van de vrije meningsuiting mag alleen beperkt worden door algemene wetten, en niet door uitzonderingswetten die enkel en alleen het loochenen van Hitlermisdaden bestraffen, terwijl alle andere misdaden probleemloos en straffeloos ontkend en vergoelijkt kunnen worden.

En de volkerenmoord op de Joden ?

Door een uitzonderingswet die onverenigbaar is met de grondwet, wordt de holocaust tot een geloofsleer door de Staat opgelegd. Het loochenen daarvan wordt strafrechterlijk vervolgd, net zoals de ketterij in vroegere eeuwen.

Dus de holocaust is een nieuwe religie ?

Ja. Maar het probleem bestaat daarin dat alleen God een geloofsartikel kan bepalen, niemand anders. En over de nationaal-socialistische gaskamers staat nu eenmaal niets in de bijbel. Daarom mogen ze ook geen geloofsartikel zijn.

Geen geloofsartikel van God, maar dan toch van de mensen ?

Natuurlijk. Maar mensen kunnen dwalen, en mensen kunnen liegen, zelfs bewust.

Hebt u redenen om dat aan te nemen ?

Tijdens de Hitlertijd heb ik niet geleefd. Maar ik heb in de school de leugen geleerd dat tijdens het nationaal-socialistische regime zeep gemaakt werd van mensenbeenderen en lampenkappen van mensenhuid.

Wat concludeert u daaruit ?

Ik heb met mijn eigen oren gehoord dat er tegen ons gelogen werd over Hitlers misdaden. Hoe gaat het spreekwoord ook al weer :"Einem Lügner glaubt man nicht, wenn er auch die Wahrheit spricht."

“Een leugenaar wordt niet geloofd, al zweert hij bij zijn ziel en hoofd.” Vele aanklachten tegen de Nazi-kopstukken op het proces van Nüremberg, vooral die van Sovjet-zijde, bleken later gebaseerd te zijn op valse getuigenissen en oorlogspropaganda, zoals bvb. de zeep en de lampekappen, maar ook de gaskamers in Dachau : die zijn er nooit geweest. Wat precies in Auschwitz gebeurd is, mag nog altijd onderzocht worden, maar de conclusies van het onderzoek moeten steeds in overeenstemming zijn met wat ondertussen in vele Westerse landen al wettelijk vastgelegd is : “Er zijn 6 miljoen Joden vergast”. Wie graag eens totaal verzonnen holocaustervaringen leest verwijzen we naar het werk van Benjamin Wilkomirski uit 1995 (pas drie jaar later ontmaskerd, maar ondertussen gelauwerd en bejubeld door alle prominenten, zelfs nadat het bedrog uitgekomen was !). Zie www.skepsis.nl/wilkomirski.html

U trekt dus de nationaal-socialistische volkerenmoord in twijfel ?

Ik heb de Holocaust niet openlijk geloochend, enkel maar aangetoond dat ons zogenaamde Holocaustfeiten voorgeschoteld werden die verzonnen waren. De moraal daarvan ?

Welke uitspraken ik als waar of onwaar aanvaard, zeker als die uit een milieu komen waarin erop los gelogen wordt, dat is een vrije mening in de zin van het grondwettelijk recht op vrije meningsuiting.

Hoe kwam u, als anti-abortusactivist, op het nationaal-socialistische thema ?

Op dat thema kwam ik als reactie op een schrijven aan het Grondwettelijk Hof (Bundesverfassungsgericht).

Waarover ging het ? Ik werd veroordeeld wegens belediging van een beroepskindermoordenaar. Volgens mij was die veroordeling in strijd met de grondwet, maar het Hof verklaarde mijn klacht niet ontvankelijk met onder andere volgende motivatie :
“ Ook de strijd tegen een vermeend onrecht geeft de klager niet het recht om van zijn kant anderen onrecht aan te doen."

Wat stoort u in deze motivatie ?

Drie rechters van de hoogste Duitse rechtsinstantie noemen opzettelijke mensendodingen “vermeend onrecht".
Om de publieke opinie bewust te maken van deze monstruositeit heb ik deze zelfde hoogstrechterlijke uitdrukking – om zo te zeggen als juridische vakterm – voor opzettelijke mensendodingen gebruikt in de context van de Hitlermisdaden, door te schrijven over het “vermeende onrecht in Auschwitz".

Een provocatie ?

Ik heb deze formulering zeer bewust als rode lap gebruikt om het gerecht in zijn farizeïsche huichelarij te ontmaskeren.

Hoe reageerde het gerecht en de procureurs ?

Als een wildgeworden stier stormden ze op mij, kleine man, af, terwijl geen haar op hun hoofd eraan denkt om de werkelijk gevaarlijke volksopruiers – de rechters Grimm, Papier en Hömig van het Grondwettelijk Hof – achter de tralies te steken, zij die opzettelijke mensendodingen als “vermeend onrecht" betitelen.

Wat besluit u daaruit ?

Dit meten met twee maten bewijst dat voor het gerecht niet iedereen gelijk is zoals de grondwet het voorschrijft, maar dat het gerecht handelt volgens het spreekwoord : de kleintjes hangt men op, de groten laat men lopen.

En de Hitlermisdaden ?

Wij Duitsers worden constant herinnerd aan de Hitlermisdaden opdat, zoals men zegt, het niet terug zou gebeuren. Dat doet denken aan de Farizeërs, wier woorden Christus als volgt weergeeft : “Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, zouden wij ons niet zoals zij schuldig hebben gemaakt aan de moord op de profeten." (Mat. 23.30) Nu zou het klinken :
“Als wij geleefd hadden in de tijd van Hitler, zouden wij niet zoals zij Joden vergast hebben."

Wat is dan de waarheid ?

Doordat deze zogenaamde antifascisten een babycaust ( In Duitsland alleen al meer dan 12 miljoen sinds de tweede wereldoorlog ) propageren, die de Hitlerholocaust in grote mate overtreft, bewijzen ze dat ze geestelijk verwant zijn met de zo gemaledijde dictator, net zoals de Farizeërs geestelijk verwant waren met de profetenmoordenaars. De criminele energie van de heersers van deze staat en de vijanden van Jezus Christus beperkt zich niet tot de babycaust. Zij willen de kinderen en de jeugd ver van Christus weg houden. Waarover heeft u het ?

Daar dient de zogenaamde seksuele voorlichting op school voor. In waarheid is dat porno-onderwijs.

Kunt u deze stelling onderbouwen ?

In het schooljaar 1998/99 werden derdeklassers in een school in Darmstadt verplicht zich met volgende vragen bezig te houden : “Waarom wordt bij een vrouw de vagina vochtig ? Waarom wordt bij een man die een vrouw ziet die hem bevalt, de penis stijf en lang ? Wat voor een gevoel is het wanneer vagina en penis met elkaar in contact komen ?"

Kan men dit ene geval veralgemenen ?

Spijtig genoeg wel, want volgens een gerechtelijke uitspraak betekent dergelijk obsceen onderwijsmateriaal geen “ontoelaatbare grensoverschrijding."

Wat is volgens u het doel van dergelijk onderricht ?

Het is geen doel op zich om derdeklassers met dergelijke smeerlapperijen tot ontucht te verleiden. De pornokraten weten dat Gods woord luidt :
“Ontuchtplegers noch afgodendienaars, overspeligen, schandknapen noch knapenschenders, dieven noch geldwolven, dronkaards, lasteraars noch uitbuiters zullen deel hebben aan het koninkrijk van God." (1Kor 6.9)

Hoe kan de kinderziel aan deze invloed ontkomen ?

Dat is niet zo eenvoudig. Vaders en moeders van kroostrijke gezinnen met kleine kinderen, die hun kinderen niet naar die pornoscholen sturen en zelf onderwijzen, worden in de gevangenis gegooid.

Kan men de rechtbanken niet meer vertrouwen ?

De ene rechtsinstantie na de andere, tot het Grondwettelijk Hof toe, buigt het recht bewust ter wille van een godsdienstoorlog tegen Gods volk.

Een krasse uitspraak …

Hoe moet je het anders noemen wanneer een uitspraak van het Grondwettelijk Hof moordenaars die gespecialiseerd zijn in het doden van ongeboren kinderen, een grondrecht toekent om “onwettig" te moorden ?

Uw conclusie ?

We moeten er ons bewust van zijn dat de duivel een vernietigingsoorlog voert tegen Gods volk. De dienaren van de duivel in het Grondwettelijk Hof deinzen niet terug voor de verkrachting van het recht.

Wat is er volgens u te doen ?

Als soldaten van Christus moeten wij ook strategisch denken. Daarbij hoort dat wij de zwakke plekken van de vijand uitbuiten. Onze tegenstrever is de duivel. De duivel is een leugenaar en de vader der leugen (Joh. 8.44). Maar leugens hebben korte benen.

( … )


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

De bijen geven het op

door François De Wit

In november en december 1923 hield Rudolf Steiner 9 voordrachten over het wezen der bijen. De aanleiding daartoe was een voordracht van een zekere Müller over bijenteelt, waarin gesproken was over de kunstmatige koninginnenkweek, die toen in zwang begon te komen. Rudolf Steiner reageerde daarop :
“Door de kunstmatige bijenteelt kan men de honingproductie, het werk, ja zelfs de werkcapaciteit van de bijen ongelooflijk verhogen. Maar we zullen zien dat wat op korte termijn een buitengewoon gunstige maatregel lijkt, er toch kan voor zorgen dat het binnen 100 jaar gedaan is met de ganse bijenkweek."

Ondertussen is het zover. We beginnen met wat informatie van

http://www.gnn.tv/print/3063/Please_Lord_not_the_bees

Het gaat slecht met de bijen. Een vreemde nieuwe ziekte doet het ene bijenvolk na het andere verdwijnen. De ziekte heeft natuurlijk al een naam gekregen, nietszeggend omdat men nog altijd niet weet wat de oorzaak is van het verdwijnen van de bijen. Men spreekt dus in Amerika over Colony Collapse Disorder of CCD.
De eerste berichten kwamen ook eerst uit Amerika, in de herfst van 2006. Ondertussen is de ziekte al opgedoken in verschillende landen in Europa, in Brazilië, Taiwan en waarschijnlijk Canada. Hoe verloopt de ziekte ? De bijen schijnen hun korf of kast te verlaten of vergeten om terug te keren van hun zoektocht naar nectar. De bevolking van de kast vermindert en stort ineen wanneer er te weinig bijen zijn om het volk te onderhouden. Typisch is dat er geen dode bijen in of rond te kast te vinden zijn, hoewel de koningin en enkele werksters kunnen achterblijven.

Wat het probleem ook is, het treft de volwassen bijen. De larven blijven normaal ontwikkelen, ook in het midden van de desintegratie van het volk. Aangetaste bijenvolken kunnen normaal lijken van buitenaf, maar wanneer de imkers de kast openen, dan vinden ze een klein aantal volwassen bijen die zorgen voor een groot aantal jonge en groeiende bijen.
Normaal gezien gaan alleen de oudste bijen op zoektocht naar nectar en pollen, terwijl het jongere bijen zijn die zorgen voor de larven en voor het proper houden van de kast. Een gezonde korf telt in het midden van de zomer zo’n 40.000 tot 80.000 bijen.

Misschien het meest onheilspellende aan deze CCD, tevens één van de belangrijkste karakteristieken, is dat bijen en dieren die in de buurt leven de honing en pollen van de aangetaste kast niet komen roven. Bij andere gevallen van dode bijenvolken – absoluut geen zeldzaamheid – stelde men altijd vast dat die energierijke voorraden vlug buitgemaakt werden. Maar met CCD duurt het langer eer de bijenplagen als de bijenwasmot en de kleine bijenkever de korf binnendringen.

Mogelijke schuldigen aan de CCD zijn : een schimmel, een bacterie, een virus, een pesticide of een combinatie ervan, genetisch gewijzigde gewassen met een pesticide-gen, ongewone weersomstandigheden, of zelfs straling van GSM’s.

De eerste melding kwam van een bijenkweker in Pennsylvania, die 2900 kasten liet overwinteren in Florida. Er overleefden er maar 1000. Sommige commerciële bijenhouders rapporteerden een verlies van meer dan de helft van hun kasten. Autopsies van CCD-bijen toonden hogere concentraties van schimmels, bacteriën en andere pathogenen, evenals een verzwakt immuunsysteem. Het is alsof de bijen een soort AIDS kregen.

In april 2007 verscheen een bericht in The Independent dat sprak van een verlies van 60% van bijenpopulaties aan de Westkust en zelfs 70% aan de Oostkust.
In de Amerikaanse landbouwindustrie zijn bijen goed voor een waarde van 15 miljard dollar of meer. Bijen worden commercieel gebruikt om verschillende gewassen te bestuiven : amandel, broccoli, perzik, sojaboon, appel, peer, kers, framboos, braambes, veenbes en aardbei. Er kunnen andere insecten gebruikt worden voor de bestuiving van bepaalde gewassen, maar alleen bijen zijn betrouwbaar op een commercieel niveau. Zonder bijen zou het aanbod in de supermarkt er heel wat soberder uitzien.
Hoewel dit een nieuw verschijnsel is, was er ook al een grote bijensterfte in de lente van 2005, die toen toegeschreven werd aan de varroa-mijt, die op Amerikaanse bijen begon te parasiteren in 1987. Dit beestje is het schrikbeeld van alle bijenhouders over gans de wereld behalve China, want de mijt komt van daar en de Chinese bijen zijn er resistent tegen. Ook toen overleefden vaak 60% van de bijenvolken de besmetting niet.

Een ander perspectief …

Sharon Labchuk is sinds lang een milieu-activiste en deeltijds ecologische imker op het eiland Prince Edward. Ze deed al twee keer mee aan de parlementsverkiezingen in Canada voor de groene partij. Zij vertelt :

“Ik sta in contact met ongeveer 1000 ecologische bijenkwekers, voor het grootste deel Amerikanen, en niemand in de bio-wereld, ook de commerciële kwekers niet, heeft last van deze plaag. Het probleem met die grootschalige bijenkwekers is dat ze hun kasten behandelen met pesticiden om de varroa-mijt buiten te houden, en hun bijen ook antibiotica geven.
Daarbij verslepen ze hun kasten met vrachtwagens van hier naar daar om meer te kunnen verdienen met bestuivingsopdrachten. Dat brengt een geweldige stress mee voor de bijen." De meeste bijenkwekers bestrijden de varroa-mijt. Ik prijs mij gelukkig dat mijn grootste probleem is om mijn kernkolonies de winter door te krijgen of kasten te vinden die mijn rug niet te veel belasten of betere manieren te bedenken om de bijen te voeden. Dat ik geen strijd moet leveren tegen de varroa-mijt is te danken aan het feit dat ik gekozen heb voor cellen van natuurlijk grootte. Voor het geval je het niet weet, en lange tijd wist ik het ook niet, de raatbasis die doorgaans gebruikt wordt, laat veel grotere bijen uitkomen dan in een natuurlijke raat. Een raat voor werkster-eieren is 4,6 mm doorsnee, maar de meeste kwekers gebruiken een raatbasis voor werksters van 5,4 mm. De bij die daaruit komt is anderhalf keer groter dan normaal. Wanneer je de bijen zelf hun raten laat bouwen, dan verdwijnen de problemen met mijten : de cellen zijn kleiner, de werksters kunnen meer cellen per dag afsluiten en ook vlugger, omdat ze kleiner zijn, de mijt heeft dus minder kans om in de cel binnen te dringen en er te vermenigvuldigen.

Het moet ons niet verbazen dat je in de nieuwsberichten nooit leest dat de stervende bijen in feite overgefokte variëteiten zijn, bijen die in een veel te groot fysiek lichaam geforceerd worden. Het is net de vleesindustrie.
Iedereen denkt dat deze ziekte zomaar uit het niets komt opduiken en dat er dus een of ander organisme verantwoordelijk voor is, maat misschien is er gewoon een biologische grens bereikt. We hebben de bijen te veel gepusht, en dan hongeren we ze nog uit door hun honing weg te nemen, ze kunstmatig te voeden en ze duizenden kilometers ver te transporteren. Eens de stresslimiet is bereikt, kunnen de bijen gewoon door om ’t even wat teloor gaan : parasieten, lange koude winters of lentes, pesticiden of genetisch gewijzigde gewassen."

In Het Nieuwsblad van 17 april 2007 lazen we :

Bijen verdwijnen ook in Vlaanderen

,,Paniek heerst er nog niet, maar we zijn wel ongerust. Met reden.'' Ook in Vlaanderen staan imkers met de handen in het haar: hun bijen verdwijnen in groten getale. De verdwijningsziekte, noemt men het in Amerika.

“In de Zwalmstreek is 70 procent van de bijen verdwenen'', vertelt Maurice Dewaele, van de afdeling Oost-Vlaanderen van de Koninklijke Vlaamse Imkersbond. ,,Van mijn dertien korven schieten er nog vier over.'' Reinilde Van Menen van de afdeling Antwerpen beaamt: ,,In Hoogstraten zijn heel wat grote imkers hun bijen kwijt.'' Spreek dezer dagen om het even welke imker aan en hij zucht: ,,De verdwijningsziekte, meneer.''

Verlies en sterfte horen bij het bestaan van een bijenkweker, omdat een specifieke bijenmijt al jaren de kolonies aantast. Maar wat er nu gebeurt, is van een andere orde: de bijen zijn simpelweg spoorloos. En het gebeurt niet alleen in België. In de VS zijn in sommige staten 50 tot 90 procent van de bijen verdwenen. In Zwitserland gaat het om 40 procent en in Engeland zijn er berichten over 50 tot 75 procent.

In het tijdschrift van de BD-Vereniging ging het nummer drie van dit jaar o.m. over de biologisch-dynamische bijenteelt. In een artikel wijst Jan Saal erop dat een bijenvolk in feite een wezen is :

“Dan begin je je af te vragen wat het voor zo’n wezen betekent, wanneer het volk bijvoorbeeld in het zwermseizoen elke negen dagen wordt opengemaakt en alle koninginnecellen er uitgebroken worden. Wat het betekent wanneer zwakke volken worden samengevoegd om daardoor één sterk volk te creëren. Wat het betekent wanneer grote hoeveelheden volken worden gedood, om de honingoogst eenvoudiger te maken, zoals in sommige delen van Amerika gewoonte geworden is. Ook het jaarlijks invoeren van een jonge koningin, die in een ander volk is gekweekt, hetgeen in de gangbare imkerij heel gebruikelijk is, ziet er dan ineens anders uit.

Ik kan me heel goed voorstellen dat het geestelijke bijenwezen er dan ineens geen zin meer in heeft. Ook mensen kunnen levensmoe worden, wanneer ze elke dag naar de dokter moeten en wanneer ze van de ene operatie naar de andere gedwongen worden. Zodra dat bij mensen het geval is, zie je ze snel achteruit gaan en worden ze vatbaar voor allerlei infecties of aandoeningen. Wanneer er geen verbeteringen optreden kan dan het levenseinde snel naderbij komen.
Ik denk dat in sommige gebieden van de wereld deze grens dicht wordt genaderd. Dan is er niet veel tegenslag nodig voor bijenvolken om in een situatie te komen dat ze het niet meer redden. Gedurende de winter is het leven altijd wat moeilijker en dan kunnen allerlei ziektes ineens toeslaan. Gelukkig is dat niet overal het geval. 0p tal van plaatsen worden de bijenvolken nog met eerbied en respect bejegend, al sluit dat niet altijd uit, dat er toch heel discutabele methoden worden gebruikt, in het licht van het voorgaande.

De BD-imkers zijn altijd op zoek naar imkermethoden die wel recht doen aan het geestelijke wezen dat in een bijenvolk belichaamd is. Zij beginnen steeds meer vat te krijgen op het geheel van de volken en leren daarbij inzien dat enkelvoudige maatregelen wel belangrijk zijn maar niet de oplossing. Pas wanneer er voldoende samenhang bestaat tussen de verschillende maatregelen en tussen het bijenvolk en een wijde omgeving, zien we positieve resultaten, doordat de energie in volken terugkeert. Er is nog een lange weg te gaan voordat dergelijke gezichtspunten zijn verwoord en overgedragen, Ik hoop maar dat de bijen het zo lang met ons volhouden."

Er is niet alleen de samenhang tussen het bijenvolk en de wijde omgeving, het geldt in het algemeen voor de samenhang tussen mens, landschap en de dieren, het eco-systeem dus. Zo stelde men in Groot-Brittannië ook het verdwijnen van de hommel vast. Maar in één regio doen ze het zeer goed, namelijk in Neath Port Talbot, dat uitgeroepen werd tot hommel-hoofdstad van Wales. Daar vond men 15 soorten hommels die zeer goed gedijen. De reden : het lokale bestuur laat “onkruid" en wilde bloemen staan op de wegbermen.

De Nederlandse BD-imkerwerkgroep gaf een mooie folder uit, te verkrijgen via de webstek www.bdimkers.nl
Daarmee deed deze werkgroep een oproep :

Nieuwe bijenvrienden gezocht
“Het aantal imkers loopt sinds jaren terug. De gemiddelde leeftijd van imkers ligt boven de zestig jaar. Bijen zijn onvervangbaar voor mens en natuur. Ze hebben ons mensen nodig.
Zonder verzorging van de imker kan de honingbij niet overleven. Iedereen kan imker worden, al is het maar met één volk. Ambachtslieden, huisvrouwen, kunstenaars, werklozen, wetenschappers, artsen, boeren, leraren en ondernemers zijn imker."

En net zoals het forceren van de bijen op lange termijn hun ondergang betekent, zo is ook het forceren van de koeien noodlottig. We hadden het al over Steiners voorspelling in De Brug 12 toen we over de dollekoeieziekte schreven, maar ook in de bijenvoordrachten zegt hij :

“Eén ding weet ik zeer goed : wanneer men zo doorgaat, wanneer een koe meer dan 30 liter melk per dag moet geven, wanneer men ze zo mishandelt, dan gaat na verloop van tijd de ganse vee-industrie eraan."

Ondertussen slaagt men er al in om een koe in de tweede en derde maand nadat ze gekalfd heeft, 40 tot 50 l melk te laten geven !
Dat de helft van de koeien lijdt aan mastitis (uierontsteking) neemt men er maar bij, met massieve antibiotica-dosissen kan dat wel blijven duren voor een 3 of 4 jaar. Want, hoewel een koe 25 jaar kan worden, worden melkkoeien toch na drie, vier jaar geslacht : ze zitten vol verzwakkingsziektes en al hun calcium is weg !

Dus : kies voor BD-melk, BD-boter en zorg voor je eigen honing !

.

Karma

In “Anthroposophie weltweit" (nr. 5/07) verscheen een artikel dat we interessant genoeg vonden om het voor u te vertalen.

Dankbaar voor wat het lot haar schonk

De Australische Kelly Connor veroorzaakte op haar 17de een verkeersongeval waarbij een dode viel, de 77-jarige Margaret Healy stierf kort na de aanrijding. Voor Connor is dit het begin van een levenstragedie : de plotse schok en een immens schuldgevoel waar ze niet kan mee omgaan maken dat ze in het dagelijkse leven niet meer terechtkomt. Haar familie is niet in staat om haar op een of andere manier psychisch op te vangen, is met die taak overvraagd en … het ongeval wordt doodgezwegen, het wordt een soort taboe in de familie. Connor voelt zich door haar familie verstoten, geïsoleerd van de buitenwereld.

Kelly Connor zoekt vertwijfeld naar hulp, jarenlang, maar ze treft alleen maar ondeugdelijke methodes en mensen zonder medelijden. Ze beleeft spirituele ervaringen die gelijken op demonische rechtbanken of beproevingen, uiterst pijnlijk om te verdragen. Ze belandt in de psychiatrie, een gesloten afdeling. De neerwaartse spiraal zet zich door, steeds hopelozer wordt haar zoeken naar hulp, haar toestand altijd maar labieler en losgeslagen. Ten slotte onderneemt ze een zelfmoordpoging : ze wil haar eigen leven offeren voor dat van het verkeersslachtoffer Margaret Healy. Na een overdosis tabletten is ze twaalf uur lang bewusteloos – later herinnert ze zich dat ze in een tussenrijk een ontmoeting had met Margaret Healy.

Wanneer ze ontslagen wordt uit de psychiatrie, is ze 23 jaar als ze langs allerlei omwegen in Groot-Brittannië aankomt. Daar begint een nieuwe levensdraad zichtbaar te worden die op het eerste zicht geen uitzonderlijke oplossing van haar levensprobleem belooft : ze leert een man kennen en treedt in het huwelijk. Op dat ogenblik verschijnt een nieuw element in haar leven, waarvan men –zoals dat zo vaak het geval is – pas veel later beseft wat het werkelijk betekent : ze wordt na twee jaar huwelijk zwanger.
Vóór de conceptie beleeft ze een duidelijke waarneming van een wezen dat haar gezelschap opzoekt en haar beslissingen stuurt. Pas veel later wordt het duidelijk dat de geboorte van haar kind ook haar eigen (figuurlijke) wedergeboorte betekent.

Het kind wordt schoolplichtig en dat is de aanleiding tot een opmerkelijke verandering van levenskoers : bij een voorstelling van verschillende schoolnetten kiest ze voor de Steinerschool. Op die manier komt Kelly in contact met de antroposofie en verdiept zich erin. Een groot probleem voor haar als overtuigde atheïst is de christelijke opvoeding in de Steinerschool, die voor haar hetzelfde is als een ideologische indoctrinatie. Na enkele jaren neemt ze haar kind van de school, ze hoort dat er een niet-christelijke Steinerschool is in Australië, ze besluit om onmiddellijk te verhuizen, duizenden kilometers ver, om haar kind in die school te kunnen inschrijven.

Na korte tijd gebeuren er merkwaardige voorvallen in die school. Haar kind valt en bezeert zijn knie : er wordt niet naar omgekeken. Er heerst een sfeer van onverschilligheid en onmeedogendheid. Voor Kelly Connor wordt duidelijk dat dit ook niet de juiste school is.
Vertwijfeling, radeloosheid : is gans die verhuis voor niets geweest ? Wat nu met het kind ? Ze zit in de zetel en weet niet wat, dan hoort ze klaar en duidelijk een stem :
“De antroposofie heeft de opdracht om de mensen tot Christus te brengen."
Kelly Connor heeft als het ware een stroomstoot gekregen, ze moét het christendom leren kennen. Ze neemt contact op met een priester van de Christengemeenschap en laat zich door hem onderwijzen. Het kind gaat terug naar een “christelijke" Steinerschool. Zijzelf besluit om te gaan studeren aan het “Parsifal College" in Sydney. Twee jaar lang bestudeert ze intensief de antroposofie, duikt erin onder, leert haar levenslot kennen – het proces van genezing is begonnen.

Lang daarvoor had ze zich al dikwijls afgevraagd : wat zou er van mij geworden zijn indien ik Margaret Healy niet had aangereden ? Ze stelt zich concreet-beeldend haar leven voor zoals het zou verlopen zijn zonder dat noodlottig ongeval. Ze ziet vóór haar geestesoog haar vroegere hang naar het materiële en haar neiging tot oppervlakkigheid. Onmiddellijk komt er een gevoel van diepe dankbaarheid op t.o.v. het eigen lot.

In de loop der jaren leert Kelly Connor haar eigen lot en dat van Margaret Healy geesteswetenschappelijk te beschouwen, zelfs al blijven dan nog vele vragen open. Het gevoel van schuld maakt langzamerhand plaats voor een gevoel van genade. Ze voelt nu zeer duidelijk de tegenwoordigheid en begeleiding van overledenen, niet alleen van Margaret Healy.

Haar ervaringen heeft Kelly Connors neergeschreven in een boek : “To cause a Death – the Aftermath of an Accidental Killing". Het zorgde in de Britse media voor veel ophef. In de eerste drie weken na het verschijnen in 2004, gaf Kelly 23 interviews. De reden voor die sterke interesse ligt waarschijnlijk in het feit dat hier voor het eerst het trauma van een dader belicht wordt in plaats van het trauma van de familie van het slachtoffer. Wat nog meer verbazing wekt bij deze belangstelling is dat het boek zeer open en uitdrukkelijk de weg tot de antroposofie als een weg van genezing karakteriseert. Zo beschrijft Connor aan het einde van haar boek met uitvoerige citaten uit “Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" op aangrijpende wijze hoe dit werk van Rudolf Steiner haar spiritueel heeft wakker gemaakt.

Tegenwoordig is Connors levensthema : de verbinding met overledenen en de zorg en begeleiding van individualiteiten over de drempel. Daarover geeft zij seminaries en voordrachten.

Een ander verhaal van hoe iemand op onverwachte wijze tot de antroposofie komt vinden we in een boekje van L.F.C. Mees (1902 – 1990). Hij vertelt over zijn eigen moeder :

“We waren een gezin van zeven mensen: mijn moeder met vijf kinderen en haar moeder, mijn grootmoeder dus, die bij ons inwoonde. Mijn vader was vroeg gestorven en had het gezin in moeilijke omstandigheden achtergelaten. Men kan eigenlijk beter van behoeftige omstandigheden spreken, want het pensioentje van mijn moeder was volledig ontoereikend en de sociale voorzieningen waren destijds praktisch nihil. Daarenboven was mijn oudste zusje zwaar invalide en eiste dag en nacht veel aandacht.
We woonden in een dorp en hebben, als kinderen, van de armoede betrekkelijk weinig gemerkt, omdat een groot aantal vrienden ons, ongevraagd, altijd weer uit de nood hielp. Leveranciers schreven wel rekeningen, maar rekenden er niet op dat ze betaald konden worden en bleven toch leveren. Inderdaad was het sociale gevoel in die tijd dikwijls veel sterker ontwikkeld dan dat we nu meemaken.
Daarbij kwam echter nog iets anders: de persoonlijkheid van mijn moeder. Ze was een uiterst sympathieke, onzelfzuchtige vrouw en, om de sfeer in ons gezin te karakteriseren, hoef ik slechts te vermelden hoe daarover gesproken werd door de dorpsgenoten: bij jullie thuis schijnt altijd de zon!
Zo was het ook. Ik heb mijn moeder nimmer gedeprimeerd, of wat dan ook, gezien, ze was altijd inventief, wist altijd nog hier en daar een uitweg te vinden. Een voorval dat dit bevestigt, was een opmerking van een student die ons later eens bezocht en zei; ‘Wat heb jij voor een moeder!’
Met één ding moest je bij mijn moeder niet komen aanzetten; met ‘God’. ‘Er kan geen God bestaan’, placht ze te zeggen. ‘Als er werkelijk een God van goedertierenheid was, zou Hij mij niet zo’n verschrikkelijk moeilijk leven gegeven hebben’.
Toen in 1914 de eerste wereldoorlog uitbrak, zag zij daarin slechts de bevestiging van haar uitspraak. ‘Nou zie je dat er geen God bestaat, want dan zou Hij die vreselijke oorlog niet goed gevonden hebben’.

In die tijd gebeurde het dat een vriendinnetje van een van mijn zusjes, ene Noortje, op school naar haar toe kwam en zei: ‘Je moet eens aan je moeder vragen of je bij ons op zondagsschool mag komen, daar is een oude juffrouw die ons sprookjes vertelt en verhalen uit de mythologie en het is er erg gezellig en het kost niets’. Dat dat laatste een voorwaarde was, sprak vanzelf.
In een arm gezin als het onze toen was, bestond het woord ‘nee’ vrijwel niet, dus toen mijn zusje aan mijn moeder vroeg of ze naar een zondagsschool mocht, was het vanzelfsprekende antwoord: ‘Ga jij maar rustig naar die zondagsschool’. - Maar toen mijn zusje met een verheugd gezicht de kamer wilde verlaten, riep moeder haar terug en vroeg nog even: ‘Wat voor een zondagsschool is het eigenlijk? want dat wilde ze toch wel weten. Ja, hier aarzelde mijn zusje even, want het was zo’n moeilijk woord maar het had iets met ‘geloof in een leven na de dood’ te maken. Toen ze dit hoorde, rezen er echter bij mijn moeder enige bezwaren: ‘Ach nee schat, doe me een genoegen en ga daar níet heen, ik geloof dat die mensen met de doden te doen hebben, het zal zoiets als ‘spiritisme’ zijn; hè nee, dat moet je liever niet doen’.
Mijn zusje zou nooit iets gedaan hebben wat niet volledig moeders instemming had, dus ging ze naar haar vriendinnetje toe en zei haar, dat haar moeder het niet goed vond, omdat ze op die zondagsschool met de doden te doen hadden, waarop dat vriendinnetje naar de oude juffrouw ging en vroeg of het waar was wat het meisje Mees gezegd had, dat ze met de doden te doen hadden, waarop de oude juffrouw zei dat ze dan wel eens met mevrouw Mees zou willen praten, waarop het vriendinnetje naar mijn zusje ging en zei: ‘Ze wil eens met je moeder praten’, waarop mijn zusje naar mijn moeder toeging en zei: ‘Die juffrouw wil met je praten’.

Ik heb al gezegd, bij mij moeder bestond feitelijk geen ‘nee’ en ze antwoordde dus spontaan: ‘Laat haar maar komen’. Zo kwam op een donderdagmiddag om 2 uur, in september 1914, de oude juffrouw bij mijn moeder en om 4 uur was mijn moeder overtuigd van de werkelijkheid van de reïncarnatie.
Waarom?
Toen moeder aan de oude juffrouw over haar moeilijke leven had verteld, had deze geantwoord: ‘Alles wat u aan moeilijkheden ontmoette, heeft u voor uw geboorte zelf gewild. Al deze dingen hangen samen met gebeurtenissen uit vorige levens, ze horen bij u !’
Voor mijn moeder was het alsof de hemel openging geen onrechtvaardige God, geen ‘pech’, nee, het hoorde bij haar, het was van haar ! Ze was zichzelf in al die dingen, om zo te zeggen, tegengekomen; Ze voelde zich plotseling weer ingeschakeld in een totaliteit, waar ze een tijdlang het contact mee had verloren, maar haar innerlijke zuiverheid had er voor gezorgd, dat een orgaan dat diep in haar ziel leefde en waardoor ze op de juiste manier kon antwoorden op deze ontmoeting, nog niet was ingeslapen."

Uit hetzelfde boekje (“Eén voor een, korte geschiedenissen uit een lang leven", Zevenster, 1988) presenteren we u ook enkele andere anekdotes :

.

Uit de studententijd van Dokter L.F.C. Mees

1)
Een ander beeld van de belichting van weten en wijsheid leeft in een kostelijke herinnering aan professor S. Mendes da Costa, hoogleraar in de huid- en geslachtsziekten, een uiterst zachtzinnig en minzaam mens. Op de polikliniek werden wij geconfronteerd met de vele aspecten en problemen die huiduitslagen kunnen opleveren. Hierbij mag even opgemerkt worden, dat het herkennen van huiduitslag tot de moeilijkste dingen in de geneeskunde behoort, Alleen een langdurige ervaring kan hier zekerheid verschaffen.
Mendes da Costa nam zelf het gebruikelijke tentamen af. Dat ging heel correct en officieel. Aan een tafeltje zat de professor, naast hem zijn assistent, die alle vragen en antwoorden keurig registreerde; de hoogleraar was wat hardhorend en boog zich, bij het aanhoren van de antwoorden, met de hand aan het oor, iets naar de student toe. We kregen altijd drie vragen gesteld, nooit meer, nooit minder. Maar nu komt het: voor zover ik weet is er nooit iemand gezakt. De vragen waren zo belachelijk makkelijk, dat vrijwel iedereen - ook een niet-medicus met een beetje ‘common sense’ - ze zou hebben kunnen beantwoorden! Dat ging jaren zo door. Tot mijn groep behoorde een lange student met een klein hoofd en een enigszins ‘kritische’ geest, die zei: ‘Ik wil toch eens weten wat daar de bedoeling van is. Dat is toch al te gek’.
Toen hij zijn tentamen had afgelegd en de drie overgemakkelijke vragen tot bevrediging had beantwoord, vatte hij moed en zei: ‘Professor, mag ik u ook eens een vraag stellen?’
‘Zeker, gaat u rustig uw gang’.
‘Professor, mag ik u vragen waarom u ons altijd alleen maar drie zulke onvoorstelbaar makkelijke vragen stelt?’ ‘Zeker, dat mag u gerust vragen en ik zal er u ook graag een antwoord op geven. Ziet u, als ik u drie iets moeilijker vragen zou stellen en u zou ze kunnen beantwoorden, dan zou u zich kunnen verbeelden iets van dit vak af te weten en dat wil ik angstvallig voorkomen!’

2)
Professor 0. Lanz stond in zijn operatiezaaltje. Aan weerszijden zaten ongeveer veertig studenten. Een man werd door de zuster binnengebracht, met zijn jas losjes over zijn schouders. Hij had duidelijk een bochel, hij liep ook krom. Toen hij voorzichtig ontkleed werd, bleek ‘de bochel’ heel wat anders te zijn; het was een karbunkel (een grote steenpuist) van ongeveer 40 cm middellijn en een hoogte (dikte) van zowat 10 cm. In het midden was een felrood gerande krater met een gele, necrotische massa. De krater had verschillende openingen, bij elkaar ter grootte van een handpalm. Zelfs voor een ervaren arts een dramatische aanblik ! De man vertelde dat hij die ‘puist’ al bijna drie weken had. De huisarts had vochtige compressen met salicylspiritus voorgeschreven.
Professor Lanz legde ons uit dat het er bij furunkels en karbunkels altijd om ging zo conservatief mogelijk te zijn. Als chirurg had hij er een af keer van om in een zo sterk geïnfecteerd terrein te gaan opereren. Het ging hier echter om een steeds verder woekerend, inflammatoir (ontstekingsachtig) proces, dat blijkbaar niet tot liquefactie (vervloeiing) neigde. ‘]a’, zei hij, ‘in zo’n geval blijft er tenslotte geen keus. We zullen de patiënt onder narcose brengen, met een thermocauter (gloeiend snijapparaat) de bedekkende huid op een paar plaatsen klieven, vanuit het midden naar de rand de huid af prepareren en dan de centrale weefselklont als een maligne tumor verwijderen. Het is een ontsierende operatie, mijne heren. Het huiddefect zullen we waarschijnlijk met autotransplantaties weer moeten helpen dichten. Dat kan maanden in beslag nemen’.
Er waren geen vragen. De ingreep zou aansluitend gebeuren. ‘Neemt u de patiënt mee, zuster, en maakt u hem gereed voor de operatie’. De man liep langzaam achter de zuster aan. Lanz keek hem wat peinzend en hoofdschuddend na en zei zachtjes, meer tot zichzelf: ‘Ik heb nog nooit zo’n grote steenpuist gezien’.
Toen draaide de man, die dit nog net gehoord had, zich om en zei: ‘Perfester, hij is nog groterder geweest’.
- Waarop Lanz, na een fractie van een seconde nagedacht te hebben, als volgt reageerde: ‘Zuster, wacht u eens even’. Zij kwam weer met de patiënt terug.
‘Dames en heren’, sprak de hooggeleerde toen tot ons, ‘als deze grote ontstekingstumor onder salicylspiritus-compressen de laatste dagen een beetje kleiner geworden is, zullen we hem de kans geven met dezelfde behandeling nóg een beetje kleiner te worden’.
De man heeft nog bijna zes weken in het ziekenhuis gelegen, met als behandeling alleen compressen. Hij is zonder enige complicatie of verdere chirurgische ingreep volledig hersteld.
Wijsheid kan zich ook uiten in het betrachten van geduld.

3)
Bij professor Cornelia de Lange (kindergeneeskunde) was een baby van enkele dagen opgenomen met een complete anus-atresie (geen uitgang aan de darm). Zij bracht dit kindje zelf naar professor Lanz. De aandoening was - wat wel eens meer voorkomt - niet onmiddellijk ontdekt, hetgeen de kans op een geslaagde operatie altijd al kleiner maakt. Zoals het kindje er bij lag, was het duidelijk ‘sub finem vitae’ (aan het eind van zijn levenskrachten). Ik was toen getuige van het volgende gesprek.
Men stelle zich daarbij de twee personen voor: professor de Lange, een uiterst sympathieke persoonlijkheid met een warm hart, beweeglijk en actief, en daarnaast de magere, stille gestalte van Lanz, met zijn lange baard, zijn rustige, eerder koele, grijze ogen en zijn zachte stem. Het gesprek verliep vrijwel woordelijk als volgt:
Professor de Lange: ‘Als u dit kindje niet opereert, gaat het vanzelfsprekend dood’. Professor Lanz: ‘Maar ik opereer dit kind niet, want dan gaat het absoluut zeker dood’. Professor de Lange: ‘Ik begrijp u best, maar laten we zeggen, een kans van één op de miljoen is al een reden om het toch te proberen. Er blijft volgens mij altijd een kans, al is die nog zo minimaal’.
Professor Lanz: ‘Maar mijn antwoord, collega, blijft: ik opereer dit kind beslist niet, want dan gaat het absoluut zeker dood’.
Het kind is niet geopereerd en is enkele uren later overleden.
Als toeschouwer kon ik, jonge co-assistent, toen niet anders dan achter de gedachte van professor de Lange staan. Pas veel later begon ik professor Lanz meer en meer te begrijpen. De twee standpunten, of beter gezegd gezichtspunten, stonden op geheel verschillende bladzijden van eenzelfde boek. Aan de rug komen de pagina’s tezamen, doch ze gaan daarna hun eigen weg en blijven gescheiden. Aan de ene kant een puur rationele gedachtengang: elke kans benutten die theoretisch denkbaar en dus verantwoord is. Aan de andere kant: een besluit dat eerder spontaan aandoet en geheel op eigen verantwoordelijkheid berust. Ik meen dat ook dit gerespecteerd moet worden. Of zou men Lanz hier van passieve euthanasie hebben kunnen beschuldigen?
We kunnen er echter uit leren dat op bepaalde momenten, een arts een besluit kan, zal en moet mogen nemen, zuiver en alleen omdat hij dit op dat ogenblik voor het juiste houdt, zonder zich in een ander vlak ten opzichte van derden te hoeven rechtvaardigen. En ook zo’n besluit kan op diepe wijsheid berusten.

4)
Het speelde zich af in mijn studietijd voor het kandidaatsexamen. De colleges fysiologie werden in het fysiologisch laboratorium op het Jonas Daniël Meijerplein te Amsterdam gegeven. Ook de practica vonden daar plaats.
Er waren twee soorten fysiologie: de chemische en de fysiologische. De chemische fysiologie wordt nu biochemie genoemd. De fysiologische werd en wordt voor een groot deel in beslag genomen door dierproeven. Dat betekende (en betekent) dus: vivisectie. Over dit laatste werden toen en worden nog altijd discussies gehouden. De tegenstanders pleiten voor een vivisectieloze geneeskunde, de voorstanders zeggen dat het voor de ontwikkeling der wetenschap een onvermijdbaar euvel is.
Het spreekt vanzelf, dat dit hier niet verder besproken kan worden. Het is voldoende te vermelden, dat ik zelf destijds zeer veel weerstand ten opzichte van dierproeven koesterde, niet zozeer omdat ik ze voor overbodig hield (wat wisten wij er toen nog van!), maar eenvoudig omdat het mij tegen de borst stuitte. Er werd van ons verwacht zulke gevoelens te onderdrukken.
De bewuste scène, waarover het hier gaat, speelde zich af toen we voor het eerst proeven met kikkers deden. We moesten ze van tevoren doodmaken. Men pakte de kikker daartoe met een handdoek stevig beet, drukte hem dan op de tafel en met een enkele knip van een schaar in de nek, werd de kop halverwege van de romp afgescheiden. Het geheel duurde slechts enkele seconden. Van een kwellen kon niet gesproken worden.
Niettemin, ik had er een grote afkeer van. Reeds het beetpakken van een spartelend dier vond ik naar. De hele behandeling moest bovendien met enig geweld uitgevoerd worden. We werden bij dit alles voorgelicht en begeleid door een assistente van professor Van Rijnberk, mejuffrouw Keizer. Zij was een zeer lange, magere, uiterst kalme en bijzonder sympathieke persoonlijkheid. Men zou kunnen zeggen dat dit enigszins contrasteerde met het ‘vak’. Zij liep rustig langs de tafels om toe te zien en toen zij bij mij kwam vroeg ik: ‘Neemt u mij niet kwalijk, zoudt u mijn kikker even willen doodmaken, want ik vind het bijzonder onaangenaam’. Ze nam de kikker stevig beet, nam met de andere hand de schaar en deed wat ik vroeg, terwijl ze rustig zei: ‘Dat komt dan goed uit, want ik vind het juist bijzonder prettig’.
Toen keek ze me even aan: niet vaak zullen twee mensen elkaar zo van ‘ik’ tot ‘ik’ aangekeken hebben. In die blik van haar lag geen enkele uitdrukking, geen enkele beoordeling. Hij was volkomen open, het was of ik zelf diep in haar de oorsprong van haar antwoord moest ontmoeten en leren begrijpen.
Er steeg een gevoel van schaamte in mij op, van een ongekende sterkte. Het was of ik door de grond zonk. Ik heb het natuurlijk verder altijd zelf gedaan. Ik had mijn les geleerd.

.

In de eerste Steinerschool te Stuttgart

1)
Toen ik in 1930 afgestudeerd was werd ik benoemd als schoolarts aan de Vrije School in Den Haag, waardoor ik aan de destijds gestelde voorwaarde moest voldoen behalve arts, ook leraar in bepaalde vakken te zijn. De stichter van de Waldorf-scholen, Rudolf Steiner, had daar altijd veel waarde aan gehecht. Het is te begrijpen dat aan deze eis tegenwoordig moeilijk voldaan kan worden.
Ik reisde naar Stuttgart om daar door Eugen Kolisko, schoolarts en leraar aan de Waldorf-school aan de Kanonenweg (thans Hausmannstrasse), ingewerkt te worden. Ik werd daar op een morgen ontvangen door enigen der ‘groten’, dr. Hahn (leraar en schrijver), dr. Schickler (arts, bij wie ik woonde), dr. Kolisko en vooral dr. Karl Schubert, leraar van de zogenaamde hulpklas (heilpedagogie). Deze laatste, die een grote rol in mijn leven zou spelen, was een kleine, gezette, vierkante, uiterst beminnelijke cholericus. Degenen die hem nog gekend hebben, zullen het met deze beschrijving waarschijnlijk eens zijn.
Nadat ik voorgesteld was liepen we langzaam de gang door naar de spreekkamer van dr. Kolisko. We passeerden verschillende klaslokalen; achter een van de deuren ging het kennelijk zeer luidruchtig toe. Plotseling werd de deur van dat lokaal opengegooid, een klein meisje rende naar buiten, zag ons, stond onthutst even stil en wilde weer naar binnen rennen, maar Karl Schubert kreeg haar nog juist te pakken en vroeg haar wat er aan de hand was, dat de klas zo’n lawaai maakte. ‘Onze juffrouw is niet gekomen’, was het antwoord.
Ja, dat was niet onze zaak, daar hadden we geen verantwoordelijkheid voor. We stonden enigszins weifelend bij die klas, maar ik had niet in de gaten hoe Schubert achter zijn rug om zijn hand naar mij uitstrekte, plotseling mijn pols greep, mij met een ruk om zich heen naar zich toetrok, mij met veel kracht die klas induwde en de deur achter mij dicht deed. Men moet zich voorstellen dat dit alles zich in slechts weinige seconden afspeelde. Daar stond ik voor het eerst van mijn leven voor een klas met zo’n dertig kinderen, die natuurlijk min of meer geschrokken, zeer verbaasd en wat bedremmeld naar die vreemde meneer keken, die ze nog nooit gezien hadden.
Wat moest ik beginnen? Alles was zo volkomen onverwacht gegaan dat ik zelfs geen tijd had om verward of zenuwachtig te worden. Ik moest eenvoudig van het begin af aan doen alsof ik de situatie volkomen meester was.
Nu had ik in de jaren daarvoor veel reizen gemaakt en op een daarvan had ik een paar maanden in Egypte gewoond. Ik herinnerde me het interessante beeld van de kamelen en ook het feit dat zoveel Arabieren op ezels reden. Ik had zelf ook op beide dieren tochten gemaakt. Wat lag meer voor de hand, dan dat ik het daar maar eens over zou hebben. ‘Kinderen’, zo begon ik (natuurlijk in het Duits), ‘ik ben onlangs een tijd in Egypte geweest, in de woestijn en daar heb ik zulke rare dieren gezien, met een lange hals, met één of twee bulten...’ Nu, de halve klas schreeuwde al vol geestdrift ‘een kameel’. Dat was ook zo. Ik wilde gaan vertellen hoe die kamelen beladen werden, hoe ze gingen zitten en hoe ze gingen opstaan en hoe het iemand te moede is, die bij al deze houdingsveranderingen op een kameel moet kunnen blijven zitten, maar ik werd al spoedig onderbroken door een vingertje in de lucht. ‘Ik heb ook eens een kameel gezien’, zei een meisje en ze zei mij ook in welke dierentuin dat geweest was; maar ik kon niet lang verder praten want er was een volgend vingertje: ‘Ik heb óók een kameel gezien’. Elk kind wou beslist zeggen dat het óók eens een kameel gezien had en waar dat geweest was, maar veel meer konden ze niet zeggen, want dan kwam de volgende weer. Dertig kinderen vertelden waar ze een kameel gezien hadden.
Ik wilde iets over mijn volgende ervaring vertellen en begon over de ezel te spreken, het geluid dat hij maakte (in Egypte was het balken van een ezel een destijds veel voorkomend geluid op straat) en dat hij daarbij zijn staart naar achteren strekt, maar ik hoefde niet verder te vertellen want ik werd in de rede gevallen door een ‘vingertje’, dat ook al eens een ezel gezien had en wat het daaraan had opgemerkt. En toen kwam er weer een volgend vingertje, enzovoort, totdat dertig kinderen hun opgekropte weten, dat ze eens een ezel gezien hadden, kwijt waren.
Tweemaal dertig kinderen hadden gezegd dat ze een kameel en een ezel gezien hadden. Toen waren er zowat 60 minuten voorbij.
Lesgeven in een eerste klas is niet moeilijk. Je vertelt maar dat je een kameel en een ezel gezien hebt... en de rest komt dan wel. De bel ging, het uur was om. Zelden ben ik zo voldaan geweest over mijzelf...

2)
Bij dezelfde dr. Schubert, waar ik het in het verhaal over mijn eerste les in een eerste klas over had, heb ik. enige maanden lang in de zogenaamde hulpklas gehospiteerd. Er waren ongeveer 20 kinderen, tussen de 7 en 20 jaar. Van deze twintig konden er misschien drie spreken, sommigen enkele woorden stamelen, velen zeiden überhaupt niets. Dat ik nu van vrijwel al die kinderen de namen nog weet, pleit voor het feit hoe sterk men met hen verbonden wordt in zo korte tijd.
Deze kinderen hadden ook een lesrooster, waar men zich nauwkeurig aan hield. Een van de lessen was ‘schilderen’. De kinderen zaten alle in hun bank - in hulpklassen is het weliswaar nooit helemaal rustig, doch ook vrijwel nooit chaotisch - en Schubert begon het papier uit te delen, nat te maken (men schildert daar ‘nat in nat’), de potjes verf te voorschijn te halen, er water bij te doen, de penselen erbij te leggen, hetgeen zeker alles tezamen 20 minuten duurde. Ik kan me niet meer herinneren wat er daarna gepresteerd is. Lang hebben ze zeker niet ‘geschilderd’, want we waren net over de helft van het uur heen, toen hij de penselen en de potjes verf weer op ging halen, het papier van elk van de kinderen van z’n onderlaag los maakte, met misschien hier en daar nog een enkel bewonderend woord, en daarmee verstreek de rest van het uur.
Daar ik zelf in die dagen over vrij veel vrije tijd beschikte en deze graag beschikbaar wilde stellen, ging ik naar dr. Schubert toe en zei, dat ik bereid was de volgende keer papier, verf en penselen van tevoren klaar te leggen, zodat de kinderen langer zouden kunnen schilderen. Hij keek me met een typisch scheef gehouden hoofd vriendelijk aan en zei met warme overtuiging, dat ik nooit meer vergeten zal: ‘U begrijpt er blijkbaar nog niets van. Of deze kinderen schilderen en of ze iets presteren speelt feitelijk geen rol. Het enig werkelijk belangrijke is, dat ze zien hoe alles klaar gemaakt en voor ze neergezet wordt en hoe alles weer weggehaald en zorgvuldig opgeborgen wordt’.
Het pleit voor de persoonlijkheid van Schubert dat men zich door zo’n opmerking nooit uit het veld geslagen voelde . Zonder enige emotionele gevoelens kwam men tot de overtuiging dat men er nog niets van begrepen had- en een schone ervaring rijker was geworden.

3)
Ik zei al: Schubert was een cholericus, hetgeen met zich meebracht dat hij al die jaren dat hij de hulpklas leidde, beslist niet als een ‘doetje’ voor de kinderen stond. Hij was, hoe paradoxaal dit ook klinkt, zelf buitengewoon streng tegen ze. Vooral op één ding lette hij: dat de kinderen met een maximum aan bewustzijn, waar ze over beschikken konden, bij hetgeen wat hij vertelde - men zou kunnen zeggen - ‘aanwezig’ zouden zijn. Hij wist daarbij haarfijn wat hij van elk kind kon verwachten.
Ik herinner me een van de jongens, Georg, met dikke brilleglazen, een klein hoofd en een vrij lange gestalte. Hij was een jaar of veertien en was een van de weinigen die kon praten; men kon zelfs een eenvoudig gesprek met hem voeren. Op deze Georg had Schubert het vaak gemunt, juist omdat hij hem zo diep in zijn hart gesloten had; maar hij eiste van dit kind dan ook dat het zich, ten bate van zichzelf en van de sfeer in de hele klas, op bepaalde tijden maximaal zou inspannen om ‘erbij te blijven’, een zekere rol te spelen in deze groep. Men moet zich zo’n klas voorstellen: twintig mensen- wezens, die in een gedeformeerd lichaam wonen, waardoorheen ze enkel en alleen met behulp van de persoon van de heilpedagoog met de wereld contact kunnen krijgen. Deze is om zo te zeggen de verbinding, de trait-d’union tussen deze ‘gering-aanwezigen’ en hun eigenlijke wezen, dat zich niet volledig kan incarneren.
Eens tekende Schubert voor mij op een blad papier een beeld van elk kind. Hij tekende met een blauw potlood twaalf kruisjes, die de tekens van de dierenriem voorstelden, naast elkaar. Dan beschreef hij, hoe bij het ene kind het ene teken, bij het andere kind het andere teken, soms meerdere, niet ‘doorklinken’ Die streepte hij dan weer door met een dikke streep. Het doet er niet toe of wij daar iets mee kunnen beginnen als we dit horen, het gaat erom dat men hier iemand meemaakte, die met een volledige zekerheid en geheel zelfstandig zulke gedachten in zich droeg.
Terwijl de kinderen met iets bezig waren, boetseren, schilderen, knutselen of wat dan ook, was een van zijn vaste gewoonten gedichten van Novalis luid te reciteren. De weinige kinderen die spreken konden, deden dan zo goed en zo kwaad als het ging, mee. Een van de gedichten die hij daarbij bij voorkeur uitkoos, was:

‘Wenn alle untreu werden
So bleib’ ich dennoch treu,
Daß Dankbarket auf Erden
Nicht ausgestorben sei …’

De reden dat ik dit verhaal opschrijf is, dat ik eens iets meemaakte wat een onuitwisbare indruk op mij gemaakt heeft.
Het was gedurende de zeer hete zomer van 1930 en Schubert zelf leed onder die hitte, maar de kinderen hadden er ook moeite mee en dreigden in een soort versufte passiviteit te raken. Doch dat was iets wat Schubert met zorg vervulde en vooral Georg, die er wat afwezig bij zat, moest het ontgelden. Met luide stem reciteerde Schubert:
‘Wenn alle untreu werden. ..

en pakte op een gegeven ogenblik de arm van Georg, schudde hem krachtig (maar altijd liefdevol) door elkaar en bulderde hem toe: ‘So bleib’ ich dennoch treu’, zoals een ander een kind zou toeroepen: ‘Slaapkop, word eens wakker’, of misschien nog krachtiger woorden gebruikt zou hebben. Men stelle zich dit contrast voor: een donderende stem (Schuberts stem was zeer luid), een boze klank (Schubert meende het oprecht), een persoonlijke vermaning in zijn stembuiging en als inhoud een gedicht van Novalis, waar deze zijn liefde en dankbaarheid aan de Christus uitspreekt. Woorden van minder allooi konden echter, ook op dat ogenblik niet over zijn lippen komen. Het ging er immers om het wezen van de hele klas zo intensief mogelijk aanwezig te doen zijn.
Een scène als deze kan men haast niet beschrijven, men moet ze voordoen en ik hoor nog in mijn oren, terwijl hij Georgs arm schudde: ‘Wenn alle’ - schudden - ‘untreu’ - schudden - ‘werden’ - schudden - en met nog meer stemverheffing: ‘So bleib ich’, enzovoort. Zou zoiets ooit wel eens meer voorgekomen zijn, wat ik ‘vloeken’ met gedichten van Novalis noem?

EEN DROOM DIE GEEN BEDROG WAS


De heer Patijn was een stille man. Hij was zeer belezen, uiterst bescheiden en behept met een bijzondere begaafdheid. Van beroep was hij schriftkundige bij de rechtbank … Eens vertelde hij mij en een paar aanwezige vrienden het volgende verhaal.

Hij was kort na de oorlog door het ministerie naar Duitsland gestuurd, samen met een groep beambten, om mee te helpen bij het registreren en verder verzorgen van displaced persons’, in zijn geval speciaal kinderen. Er waren honderden, ja duizenden kinderen die door de oorlogshandelingen hun ouderlijk huis kwijt waren geraakt, die opgevangen moesten worden, voor wie gezorgd moest worden, waarvan men de familie moest opsporen, enz.; een ongelooflijk moeilijk werk, dat eindeloos veel tijd kostte. Deze mensen hebben iets goeds verricht en er buitengewoon hard voor moeten werken.
Hij zelf was, zo vermeldde hij toen, over de ‘Autobahn’ naar München gereden om daar voor een groep kinderen te zorgen. Hij vertelde ook hoe alle bruggen door de geallieerden vernietigd waren en er bij elke rivier noodbruggen gelegd waren, zodat men van de snelweg over een geïmproviseerde weg naar de rivier moest afdalen en dan over de noodbrug aan de overkant op een evenzo geïmproviseerde weg weer op de ‘Autobahn’ terug kon komen. Dat het rijden over deze wegen destijds geen plezier was, laat zich horen.
Mijn vriend had in München de hele dag gewerkt en was blij, ‘s avonds weer naar Frankfurt terug te kunnen rijden, waar kennissen van hem woonden, Op het laatste ogenblik kwam er echter nog een bericht voor hem binnen dat er een zwaar zieke vrouw in een hospitaal lag, die nog mededelingen over een kind van haar wou doen. Hij reed er dus heen, zette zich aan het bed van de desbetreffende vrouw die hem aanstaarde; hij pakte haar hand beet, doch zij reageerde niet meer, zij sloot de ogen en stierf. Hij moest onverrichterzake weer weggaan.

‘Ik reed’, zo vervolgde hij zijn verhaal,’over de autoweg weer terug, werkelijk doodmoe en voelde, zoals vele automobilisten wel kennen, de bekende neiging om in te slapen over mij komen. Ik wist dat er binnenkort weer een brug moest zijn en dat er aan de andere kant een snackbar stond, waar ik een kop koffie wou gaan drinken en misschien wat eten, om wat bij te komen. Terwijl ik me dit voornam, moet ik ingeslapen zijn. Ik droomde dat ik in een grote zaal stond, waar een feest gehouden werd, de dames in avondkleding, de heren in smoking. Er heerste een zeer opgewekte stemming en kelners liepen rond met bladen wijn. De zaal was aan het einde afgesloten met zware fluwelen gordijnen. Plotseling werden deze gordijnen van elkaar gereten. De vrouw, die ik juist stervend verlaten had, stort naar voren en gilt mij toe: “In Godsnaam, word wakker!" Blijkbaar heb ik onmiddellijk gereageerd, ik ben bovenop mijn rem gaan staan en bracht de auto tot stilstand, op één meter afstand van de afgrond, van de afgebroken brug’.
De aanwezige vrienden waren, evenals ik, allen onder de indruk. Wie zou dat niet geweest zijn! Wat is het, dat aan bepaalde mensen in nood op een gegeven ogenblik zulk een verrassende hulp kan bieden?


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*********************



Terug naar het thuisblad

*

*

*

*

*