Vierde bedrijf


Feestzaal met bankettafel.
In het midden zit de Directeur met zijn echtgenote. Naast hem de Kapitein. Daarnaast de Persmagnaat. Verder aan weerszijden heren in avondkledij, dames met lange kleren, daarbij ook de miljardair en zijn vrouw. Links aan een tafeltje Professor Fisher, Dokter Brugh en ingenieur Ohm, in gewone kledij. Men ziet direct waarom ze niet aan de hoofdtafel hebben plaatsgenomen. Ze voelen zich in dit gezelschap niet op hun gemak. Rechts de ingang voor de kelners, die met de serveertafeltjes, stapels borden, ijsemmers, flessen, glazen enz. de hoek omslaan. Ze komen door een kleine voorhal, die tegen de hoofdzaal met een glazen wand afgesloten is. Enkele stoelen daarin.
De voorgrond is vrij om te dansen.
Op de achtergrond een podium voor het orkest. Nu is het nog leeg.
Geroezemoes. Er wordt gegeten en gedronken.

Directeur (tot een kelner): Kijk eens waar de dichter zit.

Kelner (maakt en buiging en gaat naar buiten. Hij komt de arbeidersvrouw tegen, die met haar kind op de arm in de voorhal is binnengekomen): Wat hebt u hier verloren ?

Vrouw: Laat ons een beetje toekijken.

Kelner: De zaal is gereserveerd. (Hij wil haar met een aalmoes wegsturen)

Vrouw (wijst het geldstuk af): Ik ben geen bedelares. Mijn man verdient genoeg. Ik wil mijn kind alleen maar de gouden lusters tonen.

Kelner: Wat zijn jullie dan ?

Vrouw: Emigranten. Mijn man mag op het schip meewerken, als stoker. (Ze houdt het kind in de hoogte) Toe, asjeblief !

Kelner: Al goed.

(Mary en Herbert, die de vrouw gevolgd hadden, komen binnen)

Mary: Daar is ze.

Herbert: Zij zelf heeft ons teruggebracht naar de plaats die wij wilden vermijden.

Mary: Ik ga niet binnen.

Herbert: Onze plaatsen zijn al ingenomen. Dokter Brugh en ingenieur Ohm zitten naast vader.

Mary: Dan moeten we er geen gewetenszaak meer van maken.

Kelner: Mevrouw, mijnheer, men wacht op u.

Herbert: Het is toch de gewoonte om pas na het applaus in het voetlicht te treden.

Kelner: Zal ik die boodschap overbrengen ?

Herbert: Als u wil.

(Kelner af)

Mary (bekijkt de jonge vrouw met het kind): Gelijkt ze niet op een madonna ? Ik ga vragen of ik haar mag tekenen.

Herbert: Teken haar in die houding, zonder haar te storen.

Mary: Zie de ogen van het kind, glanzen ze niet alsof ze een kerstboom zagen ?

(Ze begint te tekenen; hij kijkt naar haar)
(De kelner fluistert in het oor van de Directeur)

Directeur: Zo bescheiden ? We zullen hem wel tevoorschijn doen komen.
(Hij zet zich recht en tikt zijn glas)
Dames en heren ! Het is sinds kort een publiek geheim dat zich aan boord van de Titanic een mummie bevindt. Naar ik hoor zijn daardoor enkele mensen bang geworden. Want allerlei geruchten over deze Egyptische koningsdochter doen intussen de ronde. Bijvoorbeeld: ze zou het "boze oog" hebben. Dat gerucht is door het portret dat u daarjuist gezien hebt, waarschijnlijk wel ontkracht. Men vreesde ook dat de passagiers in gevaar zouden komen. Daarmee kan ik natuurlijk alleen maar lachen. De Titanic is doodzeker en de mummie is onvergankelijk. Dus: onsterfelijkheid tot de tweede macht. De mummie is het beste symbool voor de Titanic. Bijna 4000 jaar oud bestaat ze al, nog even mooi als in haar jeugd. Ik roep haar uit tot beschermgeest van ons schip. Leve de mummie ! Op haar gezondheid !

(Applaus. Getoast met de glazen)

Directeur (vraagt stilte): Om het record te vieren dat wij ongetwijfeld gaan verbreken, hebben wij een banket gegeven. Onze cultuur, die met de Titanic een hoogtepunt bereikt, is even gigantisch als de Egyptische. Moge hij onze kinderen begeesteren tot eeuwige scheppingen. Een eerste poging hiertoe deed een hier aanwezige beloftevolle dichter. Mijn vrouw heeft het gedicht zelf uitgekozen en zal het voordragen. Laat ons toehoren !

( De vrouw van de Directeur treedt naar voor, terwijl de arbeidersvrouw met haar kind, dat onrustig is geworden, weggaat)

Vrouw (tot het jongetje): Nu gaan we naar ons bedje.

Herbert (bekijkt Mary vragend of ze de vrouw zouden volgen): Gaan we ?

Mary: Je première !

Herbert: Laat mij koud !

Mary: Laat ons naar haar luisteren !

Echtgenote van de Directeur (zegt het gedicht heel eenvoudig op):

De strijd om de mensenvorm

De wijze verklaarde het Dodenboek.
Ge kijkt terug, vele duizend jaar
volgen raadselbeelden op elkaar: heil en vloek.
De mummie lag op de leeuwenbaar
Gewikkeld in een beschilderd doek,
Bewaakt door een geestenpaar.

Aan het hoofd de vogel met het vrouwgezicht
De jakhals met mansgestalte aan de voeten.
Die voerden de ziel tot dicht
voor het oordeel om voor de dodenweeg te boeten.
Ge zaagt de schalen, het zwevend gewicht,
Een gevleugeld zonne-oog haar groeten.

Maar in de diepte werd duisternis wijd,
En waar de zielen lichamen verlaten
beheerste dood de geboorte, tot de strijd
begon om het godenbeeld te vatten
waarvan gij mensenvorm een schaduw zijt.
Engelen beminnen, demonen haten.

Nu echter gaat het beneden om het Zijn.
De godensferen zijn verschoven,
En wat de ziel een zegen was, is nu pijn.
Rebellen werkten in de hemel zich naar boven
en wilden in het aardeleven zijn.
En mensenharten staan voor klippen en kloven.

Vervliegen moet de stof en het beeld van de godheid
Waarop het mensenwezen is geijkt
in zijn oorspronkelijke toestand blijkt.
Zie hoe zo mild de heer van het lot kijkt
die u heeft uitgelezen,
het levenswater voor uw ziel heeft gewezen.
Met deze drank zult ge van de dood genezen.

Nu echter ziet ge een andere geest die tracht
in te voegen in zijn eigen vestingmacht
de resten van uw vorm, die te krijgen in zijn hand
en te ontnemen aan uw hemelse vaderland.
Ge ziet hoe hij in donker vuur schittert grijs
Ook hij heeft voor zijn gasten spijs.

Het is het gif der volkeren dat de dood
naar de ganse mensheid zendt
Ge hoort het geweeklaag en ge herkent,
in de wereldbrand de Antichrist die leeft
en wil dat ondergaat de mens die liefde heeft
in ruw bloed, barbarisering ten top.
Daar roept ge Christus aan: Ik sta weder op !

(Bedrukt zwijgen van het publiek)

Dokter Brugh (zachtjes zodat alleen zijn tafelgenoten maar niet de bankettafel het kan horen): Veel te zware kost.

Ohm (op dezelfde manier): Een spanningstest voor de titanen van de intelligentie.

Miljardair: Een vogel met een vrouwengezicht, zeer amusant.

Zijn vrouw: Een mansfiguur als jakhals, verschrikkelijk.

Professor Fisher (alleen voor zijn tafelgenoten): Ze hebben hun Darwin niet verteerd en weten niets van de sfinks in zichzelf.

Persmagnaat: Zoiets kan men het publiek niet voorschotelen.

Herbert (tot Mary, zonder dat de anderen het zien of horen): Het spijt me voor vader. De uitgever zal niet alleen mijn werk, maar ook zijn werk niet publiceren.

Mary: Arme mensen;

Persmagnaat (gaat door): "De Strijd om de menselijke Vorm" !! Gemakkelijk gezegd ! Indien de stof maar wat begrijpelijker was. Daar zitten religieuze, dus onkunstzinnige motieven in - Christus en Antichrist ! Dat is apocalyptisch, maar geen poëzie zoals onze beschaving dat verstaat. Ik verbaas me toch wat over uw smaak, Directeur.

Directeur: Ik heb het gedicht niet vooraf gelezen. Het is een misstap van mijn vrouw.

(Verlegen lachen bij het publiek)

Vrouw van de directeur (stil tot hem): Je bent hatelijk.

Mary (tot Herbert, ongezien en -gehoord) Ga je je niet verdedigen ?

Herbert: Nee, deze blamage doet mij goed.

Ohm (verheft zich van zijn plaats en treedt wat naar voor): Ik vind het gedicht ten zeerste van deze tijd. De dichter heeft bepaalde verbanden tussen de oude Egyptische cultuur en de Westeuropese beschaving met een zin voor geestelijke realiteit belicht. Wie ziet niet dat vandaag net als toen dezelfde krachten aan het werk zijn ! Al het titanische. En toch is er een verschil.

Directeur: Ik ben eens nieuwsgierig. Ohm: Vergelijkt u bvb. een Egyptische tempel met een Amerikaanse luchthaven, een irrigatiesysteem op de Nijl met een electrische centrale aan de Rijn, de godenhiërarchie en hun priesterkaste met een internationaal gezelschap van geleerden dat congresseert over eugenetica, zoals op dit ogenblik in London onder voorzitterschap van Darwins zoon ...

Directeur: De techniek van de ouden is kinderspel vergeleken met de onze. Als u de Titanic in zijn ontzaglijke gecompliceerdheid - wij hebben het daarnet op het scherm gezien- eens stelt naast die vervelende, altijd gelijkblijvende piramides.

Ohm: Hun bouwers rekenden exacter dan wij. Wat wij als breuken die niet opgaan optekenen in onze logaritmentafels, dat lazen zij nog aan de hemel als universele wetten af. Deze piramiden uit het oergesteente rijzen op tot de hemel, zoals de Finsteraarhorn met zijn eeuwige sneeuw. Ze zullen niet vervallen vóór onze beschaving ten onder is gegaan, zoals duizenden jaren geleden Atlantis, dat oude continent dat zich ooit bevond op de plaats waar nu de Titanic over de oceaan vaart. Oh, was hij maar een ark zoals die van Noach ...

Vrouw van de directeur: En waarom is hij dat niet ?

Ohm: De dichter heeft het toch gezegd.

Persmagnaat: Omdat zijn maker geen beroep doet op de deus ex machina, die de poëet zo zonder aanleiding in zijn stof tevoorschijn tovert. Christus en Antichrist ! Wat hebben die met de Titanic te maken ?

Ohm: De Christus niets, de Antichrist alles !

( Pauzeert. Een gevoel van komend onheil ontstaat.)

Directeur: U bent toch electrotechnicus en bedient de dynamo's. U werd mij toch zo voorgesteld.

Ohm: Inderdaad.

Directeur: Misschien ware het beter indien u naar uw post ging.

Ohm: Ik ben nu vrij, tot twaalf uur.

Directeur: En u benut uw vrije tijd om ons moraal te komen prediken. - Wie heeft u eigenlijk uitgenodigd voor dit diner ?

Professor Fisher: Ik bracht hem mee en verontschuldig mij daarvoor - voor dit eigenmachtig optreden.

Kapitein: Hij betrad uw domein, Directeur, zoals u daarstraks het mijne.

Vrouw van de directeur: Het is toch zo dat alle officieren en ingenieurs uitgenodigd waren.

Kapitein: Dan is de professor evenmin verantwoordelijk voor dit dispuut over de Titanic als ik voor het transport van de mummie.

Directeur: Ingenieur Ohm is maar een plaatsvervanger.

Vrouw van de directeur: Je bent onmogelijk !

Ohm: Mijnheer Directeur, het spreekt vanzelf dat ik mijn functie opgeef als u dat wenst. Mijn medewerkers zijn bekwaam genoeg en kunnen het zonder mij wel doen - voor die enkele uren tot we in de haven zijn. ( Hij wil gaan)

Vrouw van de directeur: Alstublieft ! Ik zou graag horen wat u ons nog meer te vertellen hebt. Waar was u gebleven ?

Persmagnaat: Bij de Antichrist.

Directeur: Ik ben een christen zoals de anderen en mag met een goed geweten stellen dat ik mijn schip voor de vooruitgang van de wereld gebouwd heb.

Ohm: Wat ik vertelde was helemaal niet persoonlijk bedoeld. Het ging over de techniek als dusdanig, maar niet over de technici, en daarom ook niet over u, de grote scheepsbouwer.

Directeur: Ik kan niet los gezien worden van mijn werk, ik sta of val ermee.

Persmagnaat: En dat laatste verkondigde de poëet en bevestigde zijn profeet.

Ohm: Ik wou van het standpunt van de techniek wijzen op dat keerpunt waar de dichter op wees vanuit het standpunt van de kunst. Het keerpunt dat zich in de geschiedenis van de mensheid voordeed tussen de tijd dat de mummie begraven werd en de dag van vandaag waar wij erover discuteren.

Directeur: Draait u niet rond de pot.

Ohm: Anders shockeer ik misschien de gangbare opinie.

Persmagnaat: Ik zal mijn oren dichthouden.

Ohm: De oude Egyptenaren bezaten noch onze wetenschap, noch onze techniek. En toch brachten ze die wonderwerken tot stand die de onze overleefden. Wij vragen: met welke inzichten en met welke krachten ? - Zeker niet met fysieke, geholpen door instrument en machine, zoals wij; maar met bovenzinnelijke, waarin goddelijke wezens ingrepen, met magische krachten ...

Persmagnaat: We moeten hier niet met theologische begrippen komen aandraven aangezien wij daar toch niets kunnen van weten.

Ohm: Juist daarop wil ik de aandacht vestigen. Die wijsheid is nu verloren gegaan. Wij zijn niet meer scheppend zoals de oude Egyptenaren.

Directeur: Alstublieft ! En stoom, dynamiet, electriciteit ...

Ohm: Dat is alleen maar het organiseren van vernietigingskrachten.

Directeur: Telefoon, telegraaf, radio ...

Ohm: Drijven de geest uit de gedachten, uit het woord en de klank.

Directeur: Spoorwegen, scheepsvaart, vliegtuig ...

Ohm: ... verwijderen ons van de goden.

Persmagnaat: Geest en goden - asjeblief geen holle frasen !

Ohm: Juist daarom, omdat alles wat met religie en moraal samenhangt frase geworden is, hebben wij ons geconcentreerd op de techniek.

Persmagnaat: En de Titanic gebouwd, waarop wij nu deze heerlijke uren beleven.

Ohm: De krachten die vroeger gebruikt werden om de zielen te louteren, om ingewijd te worden, om de weg naar Isis en Osiris te gaan, om in de schoot der goden uit te rusten, die gebruiken wij nu voor aardse doeleinden.

Persmagnaat: Leve de titaan van de techniek ! ( hij heft zijn glas naar de directeur)

Ohm: We zien wel iets over 't hoofd ...

Directeur: Ja ?

Ohm: Het keerpunt toen de God die de Ouden zochten in het heelal, op de aarde gekomen is om mens te worden, en sindsdien in de geschiedenis verder leeft.

Directeur: En dat ligt volgens u buiten het terrein van de techniek ?

Ohm: De techniek heeft de bewoners van de bovenaardse rijken beroofd van het geestelijk voedsel dat ze van en door de mensen kregen.

Persmagnaat: De vis smaakt voortreffelijk.

Mary tot Herbert (niemand ziet of hoort het): Het brood van de zee in plaats van het brood van het leven.

Herbert (idem): Laat ons gaan, zonder het publiek te groeten. (Ze verdwijnen)

Ohm: De geesten lijden ontbering. Ze zullen zich halen wat men hun ontnam. Ze zullen zich wreken. Tenzij ...

Vrouw van de directeur: Tenzij ...

Ohm: Tenzij wij een tegengewicht creëren voor de dood die de techniek in het leven bracht door ...

Directeur: Door ...

Ohm: Juist door dat keerpunt: het Mysterie van Golgotha !

Directeur: Toegepast op de Titanic ! ...

Ohm: Mijnheer directeur, u hebt er zelf al een begin mee gemaakt doordat u uw gasten gewezen hebt op het onsterfelijke deel van de mummie - door uw engelbeeld- en de dichter aan het woord liet. Misschien is dat het keerpunt in de omgang tussen mensen ...

Persmagnaat: In ieder geval begeven wij ons naar de uitgang als het zo verder gaat.

Miljardair: En dat zou een feestmaal moeten voorstellen.

Vrouw van de miljardair: Bedankt voor deze ganse plezierreis.

Stem uit het gezelschap: Dat die onheilsprofeet naar de duivel loopt en laat de muziek beginnen.

(De mensen worden onrustig en willen zich uit de voeten maken)

Directeur: Dames en Heren ! Hoewel wij allen christenen zijn en het belang erkennen van het keerpunt in de geschiedenis waarover daarnet gesproken werd, toch mogen we geen angsthazen worden. Dat zal ook niet de bedoeling van ons kunstenaarspaar zijn. Wij gaan dat keerpunt op onze avond hier en nu toepassen, door het bal te beginnen met het uitkiezen van een danspartner. Muziek !

(Vrolijke uitbundigheid)

Vrouw van de directeur: Jij bent echt frivool !

Directeur: Kom, we gaan dansen !

Vrouw van de directeur: Ik kies een ander.

( Het boordorkest neemt plaats. De dames kijken uit naar partners. De vrouw van de Directeur - die zelf blijft zitten- gaat naar ingenieur Ohm, die zich terug bij Professor Fisher en Dokter Brugh gezet heeft, en vraagt om de eerste dans. De Directeur is zo ontdaan over dat gedrag van zijn vrouw dat hij nauwelijks de vrouwen opmerkt die met hem willen dansen. )

Ohm (maakt eveneens een buiging): Neemt u mij niet kwalijk, maar ik dans niet.

Vrouw van de directeur ( licht ironisch): Wegens technische reden ?

Ohm: Wegens gezondheidsredenen.

Dokter Brugh: Zijn borst werd niet doorboord door Amors pijlen, maar wel door een kogel uit een automatisch pistool.

Vrouw van de directeur (onzeker): U houdt mij voor het lapje.

Professor Fisher: Helemaal niet, mevrouw, Dokter Brugh zinspeelt op een ingreep die hij heeft moeten uitvoeren.

Dokter Brugh: Op een ingreep van de mummie.

Vrouw van de directeur: Daar wil ik wel iets meer van horen. Komt u mee, wij hoeven helemaal niet te dansen. Wij lopen een beetje door de zaal.

Ohm: Als u niet bang bent voor mijn zware schoenen ...

( Zij neemt zijn arm)

Dokter Brugh (tot Professor Fisher): Die nimfen en meerminnen zijn niet ongevaarlijk.

Professor Fisher: Ik ga nu naar mijn kinderen !

(Beiden af) ( De Directeur en de Kapitein zijn alleen aan tafel gebleven)

Directeur (sarcastisch): Eigenlijk zouden wij twee, om geen pretbedervers te zijn, ook met elkaar moeten dansen.

Kapitein: Laat u mij gaan, ik moet naar de commandobrug.

Directeur: Nog een woord ! (wijst op Ohm en zijn echtgenote) Wat denkt u van hem ?

Kapitein: Een goede spreker en een slechte danser, hoewel het er naar uit ziet dat uw vrouw hem wel op prijs stelt.

Directeur: Dat doet pijn.

(Terwijl het dansen goed op gang komt, gaat de echtgenote van de Directeur aan de zijde van ingenieur Ohm op en af, zonder gehoord te worden door de anderen)

Vrouw van de directeur: Het is een tiran. Hij doet mij geweld aan. In zijn nabijheid verkommer ik, wanneer hij niet anders wordt.

Ohm: U alleen kunt hem veranderen.

Vrouw van de directeur: Alleen met uw hulp.

Ohm: Ik heb hem alles gezegd.

Vrouw van de directeur: En ... mij ?

( Het dansen wordt wilder)
( Plots gaat er een schok door het schip)
(Iedereen staat stil)
( De muziek stopt)

Directeur (stilletjes tot de Kapitein): Wat was dat ?

Kapitein: Voelt u die trilling ? Wij hebben een aanvaring gehad. Ik vrees dat we met een lek zitten. Laat geen paniek uitbreken, ik ga naar de tussenschotten kijken.

Directeur: Verder spelen !

( De muziek begint terug)
( De Kapitein verlaat onopvallend de zaal)
( Ohm wil hem achternagaan, maar wordt teruggehouden door de Vrouw van de directeur)

Vrouw van de directeur: Ziet u mijn man: Hoe zijn ogen uit hun kassen puilen ! Hij denkt dat ik verliefd ben op u .

Ohm: Gaat u onmiddellijk terug naar hem.

Vrouw van de directeur: Naar dat monster ?

Ohm: Weg, ik moet naar de dynamo's.

Vrouw van de directeur: Wanneer zien we mekaar terug ?

Ohm: Tot onze aankomst in New-York ben ik van dienst.

Vrouw van de directeur: Daar dan !

Ohm: Nee !

Vrouw van de directeur: Red mij van de hel.

Ohm: Houdt uw geweten zuiver !

Vrouw van de directeur: Bent u boos ?

Ohm: Toch niet. Maar mijn plicht roept. ( tot de Kapitein, die de deur uitgaat) Kan ik helpen ?

Kapitein: Controleer de situatie in het ketelruim. (Beide af)

Directeur (zet zich recht): Dames en Heren, danst u rustig verder. Juist zoals het schip. Het vaart met dezelfde snelheid als altijd. De machines functioneren. Maakt u zich geen zorgen. Op de Titanic bent u in veilige handen. Zelfs indien er een lek was in de scheepsromp, dan is er nog altijd een binnenste, dubbele romp. Dwarsschotten maken dat een eventueel lek in de wand zonder gevolgen blijft. De minste averij zet een alarmsignaal in gang. Heeft iemand van u al iets gehoord ? Ik niet. In geval van nood zijn er reddingsboten. Bovendien heeft iedere passagier zoals u weet onder het hoofdkussen een zwemvest, zodat het spreekwoord "Een goed geweten is het beste hoofdkussen" ook omgekeerd geldt: een goede zwemvest is het beste geweten.

Persmagnaat: U hebt gelijk, Directeur, hoewel het niet rijmt.

(Gelach) (Het dansen gaat verder)

Vijfde Bedrijf

Stookplaats Op de achtergrond een geweldige stoomketel, van waaruit aan de bovenkant links en rechts een buizensysteem vertrekt. Het geheel doet denken aan een gigant met gebogen kop en gespreide ledematen. Onderaan de ovendeur waar de kolen moeten ingegooid worden.
Daarvoor staan een hulpmachinist en een stoker, zwart van het roet.
Rechts een brits voor wie niet van dienst is.
Links een ijzeren ladder die naar de bovenverdiepingen van het schip leidt.

Hulpmachinist: Daar komt de aflossing.

(Twee andere arbeiders, een machinist en een stoker, komen langs de ladder beneden. We herkennen de laatste als Vronski, aanvoerder der emigranten.
Ze begroeten elkaar met een handdruk. De machinist gaat naar het draaiwiel.
Vronski gaat naar de hoop kolen en begint met de schop zijn werk.)

Hulpmachinist: Niks nieuw daarboven ?

Machinist: Een feest ter afsluiting van de eerste tocht van de Titanic. Eten, drinken en dansen. De ganse keukenploeg is moeten opdraven.

Hulpmachinist: Is de Kapitein er ook bij ?

Machinist: Met alle officieren. Er moeten genoeg danspartners zijn voor de miljonairsdochters.

Hulpmachinist: Banket met bal. Dat moet ik zien. ( tot de eerste stoker) Kom.

Eerste stoker: Zes verdiepingen omhoog ! Ga maar alleen, ik ben pompaf. (Hij laat zich op de brits vallen)

Hulpmachinist (kruipt langs de ladder omhoog): Tot ziens dan.

Machinist: Onze beurt komt nog wel.

Eerste stoker: Dan kunnen we lang wachten. Al duizenden jaren is het zo: de slaven aan het roeien en de zwelgers op het dek. Alles blijft hetzelfde.

Machinist: Alles verkeert in zijn tegendeel. Toen waren er roeispanen en zeilen. Nu machines en motoren. Die houden wij, klassebewuste arbeiders in de hand, niet de burgerlijke leeglopers. Zie die nokkenas hier: nu is ze boven ... nu is ze onder. Zo gaat het, met mathematische zekerheid. Vandaag bedienen wij de viertaktmotor. Morgen dansen wij een wals in viertakt-maat.

Eerste stoker: Je slaat weer op hol.

Machinist: Slaat deze machine op hol ? Zij zegt de waarheid. Versta je niet wat ze zegt als ze haar muil opentrekt en met haar ellebogen werkt ? Plaats, plaats, plaats !

Eerste stoker: Platsj, platsj, platsj zeker, tot ze zelf ontploft.

Machinist: Ja, als men het ventiel niet regelt, zoals daarboven. Men moet het regelwiel verstaan om er niet het slachtoffer van te worden. Een kwartslag te veel en de ketel explodeert.

Eerste stoker: Jij bent een geschifte kerel.

Machinist: Ik zeg je: In deze cylinder steekt meer verstand dan onder de hoge hoeden van alle angstdiplomaten. Weet je, de machine heeft ook een ziel. Toen ik haar laatst met het oliepulletje over de glimmende as streelde, heeft ze mij iets in het oor gefluisterd.

Eerste stoker: Kindersprookjes voor het slapengaan. ( Hij draait zich op de brits naar de wand)

Vronski (legt de schop neer en komt dichter) : Wat heeft de machine gezegd ?

Machinist: Luister dan en onthou het goed ! Je kunt het ginder in Amerika verder vertellen, het was toch de bedoeling dat je reclame maakt nietwaar ! De machine heeft mij gezegd: Hoe beter ík word, hoe slechter de mensen worden. Hoe productiever ik word, des te slechter gaat het de massa. Hoe meer arbeid ik overneem, des te groter wordt het aantal werklozen, tot de ganse mensheid verarmd en gedegradeerd is en door enkele rijken beheerst wordt. Maar dan keert alles om. Zoals deze drijfstangen. De meerderheid zal de minderheid overweldigen. Dan zullen de weinigen niets meer hebben en de velen alles. Dan begint het paradijs op aarde. - Dat zegt de machine tot ons, arbeiders in de mijnen, fabrieken en werkplaatsen, bij de spoorwegen, op de werven en schepen, tot de proletariërs aller landen : Verenigt u ! Tot jou en tot mij zegt ze: waar twee in mijn naam verenigd zijn, daar ben ik in jullie midden.

Vronski: Dat zegt Christus, niet de machine.

Machinist: Dat zeg ik, die aan deze schakelarm sta ! (Hij verandert zijn stem) Alle raderen staan stil wanneer jouw sterke arm dat wil !

(Plotseling gaat er een schok door het ruim. Een langgerekt gekraak volgt. De twee staan stom te luisteren.)

Eerste stoker (van op de brits) Hebben jullie dat ook gevoeld ?

Machinist: Vlug, naar boven, ga kijken wat er aan de hand is.

Eerste stoker: Ik heb mijn schoenen al uitgedaan.

Vronski (tot de Machinist): Moet ik gaan, of wil jij gaan ?

Machinist: Er moeten er twee bij de machine blijven. Dat is het dienstreglement. Ik blijf in ieder geval. Jij als beginneling kan wel de buik van de machine met kolen vullen, maar niet de stoom uit de kop laten ontsnappen wanneer er zich verwikkelingen voordoen. Ga jij maar, als je wil.

Vronski: Ik zou toch graag naar vrouw en kind gaan kijken.

Eerste stoker (heeft zich bedacht): Dat kan ik wel gaan doen. ( In een oogwenk is hij de ladder op en verdwenen.)

Machinist: Zie nu, op zijn sokken zonder zelfs zijn schoenen mee te nemen. Is dat nu lafheid of schrik ? Of alle twee ? Nu, hij zou ze toch terug moeten uittrekken als hij in het water zou willen springen.

Vronski: Serieus, wat denk je dat die schok en dat geluid kan geweest zijn ?

Machinist: De machines draaien. Het licht brandt. Alles in orde. Waarschijnlijk is een kogellager oververhit geraakt. Een schok zal de heren daarboven geen kwaad doen.

(Ohm komt langs de ladder naar beneden.)

Machinist: Wat moet die hier ?

Ohm: Kameraden, we zijn op een ijsberg gelopen.

Machinist: We zullen wat meer stoken, dan smelt hij weg.

Ohm: Grappig, maar spijtig genoeg is de situatie ernstig. De timmerlieden hebben een lek gemeld in het voorste deel van het schip. Het water is door de schotten gedrongen.

Machinist: Hoe ver ?

Ohm: Reeds door de binnenste scheepswand. We moeten er rekening mee houden dat de Titanic ondergaat. Enkele uren zal hij nog wel blijven drijven. Hopelijk hebben onze noodzenders tegen dan een ander schip naar hier gekregen. Alles hangt af van jullie tegenwoordigheid van geest en jullie plichtbewustzijn. Jullie zullen het tot het laatst moeten uithouden. Kunnen en willen jullie dat ?

Machinist: Ik verlaat mijn post niet.

Vronski: Ik zal mijn mensenplicht vervullen.

Ohm: Kijk na of alles in orde is ! Ik ga nu terug naar de dynamo's. Van daaruit hou ik jullie op de hoogte.

( Hij beklimt terug de ijzeren ladder. Tijdens het volgende gesprek doen de Machinist en Vronski hun ronde in de ketelruimte en onderzoeken de stoomketel en het machinepark.)

Machinist: Jij hebt dus een vrouw en kind. Dat wist ik niet. Hou oud ?

Vronski: Mijn vrouw is twintig. Het kind een jaar ...

Machinist: Niet eens meerderjarig ? Was het wel slim om te trouwen ?

Vronski: Helemaal niet slim ... in de ogen der anderen. Maar we zijn verliefd. Daarom emigreren we ook.

Machinist: Naar het land van belofte, naar Amerika. Let maar op dat je niet in de woestijn geraakt. Het schijnt dat de verstepping daar al fors toeslaat.

Vronski: Wij willen het niet beter hebben dan Adam en Eva, en in het zweet ons aanschijns het land bebouwen.

Machinist: Heb je je besluit nog niet beklaagd ?

Vronski: Ik ben er een mens met verantwoordelijkheid door geworden.

Machinist: Dat bewijs je, door nu hier te blijven, hoewel je misschien je geliefden nooit meer zal zien.

Vronski: Geloof je dat de Titanic zinkt ?

Machinist: Ja, vast en zeker, ik las het in de ogen van ingenieur Ohm. Maar voor je vrouw en kind moet je niet vrezen. Vrouwen en kinderen gaan voor. Voor vrouwen en kinderen zijn er reddingsboten. Alleen voor ons zullen er geen meer zijn.

Vronski: Geen reddingsboten voor ons ?

Machinist: Er zijn er wel zoveel als voorgeschreven is. Maar die volstaan niet eens voor de passagiers, laat staan voor de bemanning.

Vronski: En ik word gerekend tot de bemanning ?

Machinist: Je hebt je zelf aangeboden.

Vronski: Ter wille van mijn familie, om wat geld te verdienen tijdens de overvaart.

Machinist: En ga je die vrijwillige verplichting nu opgeven omwille van je familie ?

Vronski: Ik zal mijn plicht vervullen.

Machinist: Vronski, ik verlang dat niet van jou.

Vronski: Ik verlang dat van mezelf: wanneer voor mijn familie gezorgd wordt - en ik weet dat de Directeur dat zal doen in het geval dat ik omkom- dan mag ik niet deserteren.

Machinist: Broeder, jij hebt gelijk, niet ik. De liefde tot de mensheid, niet het klassebewustzijn, Christus, niet de Duivel in de machine ... ( Hij reikt hem de hand)

Vronski: Deze hand reikt verder dan dit leven alleen.

(De eerste stoker komt terug de ladder af)

Machinist: Zo snel terug ?

Vronski: Heb je mijn vrouw gesproken ?

Eerste stoker: Het tussendek werd versperd door matrozen. Ze waren bewapend.

Machinist: Oproer ?

Eerste stoker: Nee, dat denk ik niet. Alles is rustig. In de kajuitgangen lopen enkele passagiers over en weer en zoeken hun kennissen. Ik zag door halfgeopende deuren hoe ze hun koffers pakten. Een officier gaat op en af en roept van tijd tot tijd dat vrouwen en kinderen zich moeten klaar houden omdat ze -misschien- het schip gaan verlaten.

Machinist: Men vreest dat iedereen gaat losstormen op de reddingsboten.

Vronski: Als mijn familie maar terecht komt zonder mij !

Machinist: Ga vlug eens zien ! (wijst naar de stoker) Die zal je vervangen tot je terug bent.

Eerste stoker: Ik ben vrij, hoor.

Machinist: Jij hebt geen vrouw en kind. (tot Vronski) Zorg dat ze in een reddingsboot geraken.

Vronski: Ik ben direct terug. ( Klimt de ladder op)

Eerste stoker: Direct terug ! Daar geloof ik niet veel van.

Machinist: Ik wel ! Voor Vronski steek ik mijn hand in het vuur.

Eerste stoker: Hij is geen van ons.

Machinist: Dat zullen we nog zien.

Eerste stoker: Hij is een christen.

Machinist: En jij bent dat niet ?

Eerste stoker: Na wat ik boven gezien heb: neen !

Machinist: Wat heb je dan gezien ?

Eerste stoker: Behalve de matrozen met hun pistolen ? Passagiers die verder aten, dronken en dansten omdat de Kapitein hun iets voorloog. Mensen die een sigaret opstaken en discuteerden waarom de Titanic onzinkbaar is. Dames die hun zijden kleren in orde brachten in plaats van hun ziel. Heren die naar hun hart tastten om te zien of ze hun geld op de juiste plaats droegen.

Machinist: Verder niets ?

Eerste stoker: Een oude vrouw kreeg haar zwemvest niet aan en riep op een scheepsjongen. Hij hielp haar erin en zij schoof hem een dollarbiljet toe. - Op Christus heb ik niemand horen roepen.

Machinist: Wat zou jij dan doen in die situatie ? Toch ook eten, drinken, dansen en je vastklampen aan een illusie ! Uiteindelijk zou je ook niets beter weten dan panikerende vrouwen in een reddingsvest te helpen.

Eerste stoker: Maar zonder drinkgeld aan te nemen.

Machinist: Aan 't werk.

(De stoker grijpt de schop en bemerkt dat de bodem nat is)

Eerste stoker: Er komt water binnen.

Machinist: Nu moet je toch je schoenen nog aantrekken of je krijgt natte voeten.

(De Hulpmachinist laat zich langs de ladder naar beneden glijden)

Eerste stoker: Wat ! Je komt terug ? Dat noem ik collegiaal. Maar dom.

Hulpmachinist: Verschrikkelijk !!

Machinist: Angst ?

Hulpmachinist: Niet om mezelf.

Machinist: Wat is er ?

Hulpmachinist: Ik zag Vronski rugwaarts van de trap bij het tussendek vallen, met een kogel door het voorhoofd.

Machinist: Vronski neergeschoten ! Door wie ?

Hulpmachinist: Door onze bemanning.

Eerste stoker: Door de matrozen ?

Hulpmachinist: Hij wilde een groep vrouwen naar een reddingsboot brengen, er was nog plaats, maar ...

Machinist: Maar ...

Hulpmachinist: Daar werden juist geldzakken ingeladen. Hij riep: "De mens komt vóór het goud !" en drong naar voor. Toen klonk het schot. Ik zag het met eigen ogen.

Eerste stoker: Sla de moordenaar dood !

Hulpmachinist: Hij deed het op bevel.

Eerste stoker: Bende ploerten !

Machinist: Oordeel niet in het aangezicht van de dood !

Eerste stoker: Ik zal hem wreken.

Machinist: Dat zou hij niet gewild hebben.

Eerste stoker: En de sloep is afgevaren zonder Vronski's vrouw en kind mee te nemen ?

Hulpmachinist: Die zijn met het lijk achtergebleven.

Machinist: Zijn er nog andere sloepen ?

Hulpmachinist: Nog maar één, voor de eigenaars van het geld.

Eerste stoker: Voor de Directeur ? - Gelooft hij nog altijd dat de Titanic niet kan ondergaan ?

Hulpmachinist: Hij rekent op de stoomschepen die op weg naar hier zijn.

Eerste stoker: Zijn rekening zal niet kloppen.

Machinist: Kameraden ! Wij allen moeten onze rekening met het leven afsluiten. Nu is het ogenblik om te denken aan het woord van Christus: waar twee in Mijn naam verzameld zijn, ben Ik in uw midden.

(Hij, en met hem de hulpmachinist, buigen het hoofd, terwijl de stoker naar achter gaat en het handvat aan het draaiwiel vastpakt)

Eerste stoker: Nu heb ik ze allen op een kluitje: autokoningen, oliemagnaten, trustpresidenten, koperkoningen, houtkoningen, papierkoningen, nu voor een enkele reis naar de hel.
(Hij draait het wiel)
(De stoomketel begint roodgloeiend te stralen)

Machinist (bemerkt het en vaart uit tegen hem): Rechts draaien, jij dommerik, niet links !

Hulpmachinist: We vliegen in de lucht !

( De Machinist neemt het gloeiend handvat vast.)

Hulpmachinist: Je hand verbrandt. Het vlees schroeit eraf. Ooh neeee !!

Machinist: Schreeuw niet zo, ik hou het uit !
( Hij draait het wiel terug)
Alleen het vlees, de botten zijn nog intact.
( Hij spreidt zijn bloedend hand)
Geef je zakdoek ! - Wat, heb je dat niet, jij snotneus ?

( Terwijl de stoker hem geknield verbindt, wenkt Ohm van op de bovenste sport van de ladder)

Ohm: Aan dek, kameraden ! Het water staat al aan de patrijspoorten en kan hier ieder ogenblik instromen. Jullie kunnen hier niets meer doen. Zelfs niet voor jullie zelf.

Eerste stoker: Kom ! Of we verdrinken nog als ratten !

Zesde bedrijf

Voordek met een ronde bank. Hoog daarboven de commandobrug. Op de achtergrond rijst het silhouet van de schoorsteen op. De maan schijnt over de zee.
Op de commandobrug zien we de Kapitein nu eens hier, dan weer daar. Links van hem bevindt zich het stuurhuis met de kaarten, waarin hij van tijd tot tijd verdwijnt om de instrumenten te bekijken. Meest staat hij vooraan bij de spreekbuis.

Kapitein: (in de manoeuvreertelefoon): Waar staat het schip ? - 41.45 Noord/50.14 West.

Ohm (verschijnt aan zijn zijde): Kapitein, het stoken is afgelopen.

Kapitein: Noteer dat ! Hier gaat de Titanic onder.

Ohm: Hoe ver is het dichtsbijzijnde schip ?

Kapitein: Volgens het laatste radiobericht: één uur met onze snelheid, dus twee of drie uur voor een ander schip, minstens ... maar we zinken misschien al over een half uur. -
De laatste reddingsboot is weg. De bemanning timmert vlotten. Moedige kerels !

Ohm: De meeste passagiers geloven nog altijd aan het dogma van de onzinkbaarheid van de Titanic.

Kapitein: Ik deed zelf mijn best om dat erin te hameren en ik durf het niet ontkrachten.

Ohm: De mensen trekken zelfs niet hun reddingsvest aan.

Kapitein: Die verlengt maar de doodsstrijd.

Ohm: Doodvriezen !

Kapitein: We hebben nu de laatste stroom nodig voor de noodzender.

Ohm: Dat wil zeggen dat we de mensen het licht ontnemen vóór hun dood.

Kapitein: Uw laatste opdracht op de Titanic, ingenieur Ohm.

Ohm: Ik zou nog het telegrafie-apparaat kunnen bedienen.

Kapitein: Goed. Dan kunt u de radio-officier aflossen. Hij is totaal uitgeput. ( spreekt in de manoeuvreertelefoon) Dynamo's uitschakelen !

( Ohm verdwijnt in de accu-ruimte)
( Het toneel blijft nog enkele ogenblikken verlicht. Dan gaat overal het electrisch licht uit. De zee schijnt klaarder. Men ziet in de verte ijsbergen, beschenen door de maan.
Afzonderlijke mensen en kleine groepjes lopen voorbij)
Er wordt geroepen: Geen licht ! Maak toch licht ! Wij kunnen niets zien ! Hallo, kom langs hier ! Wat is er aan de hand ? Licht ! Licht !

Kapitein (door de spreekbuis): Rustig ! Kalmeer de mensen. Zeg dat we de stroom nodig hebben voor de zenders. Alles wordt in het werk gesteld voor onze redding. Kalmte ! Geen paniek ! Kalmte ! Kalmte !

(Het wordt weer stil. Kapitein af) Mary en Herbert verschijnen op het dek

Mary: Geen mens ...

Herbert: Ze lopen allemaal naar de loopbrug alsof ze konden uitstappen. Zie daar, de reddingsboten verdwijnen tussen de ijsschotsen. Mary: Het is zo pijnlijk dat vader daar niet in zit.

Herbert: Hij wilde jouw plaats niet aannemen.

Mary: Weet hij waar wij nu zijn ?

Herbert: Ja, hij komt ons achterna !

Mary: Ik ben zo blij dat ik bij jou mag blijven.

Herbert: En ik verwijt mezelf dat ik je niet kon overtuigen om in de reddingsboot te stappen.

Mary: Kwel je daar niet mee. Ik kan zonder jou toch niet verder leven, ik kon het al niet meer zonder ons kind, ik was al voor de helft niet meer op aarde, dat voel ik nu, nu ik volledig naar hem ga. Herbert, denk je dat het nog altijd zo klein is ?

Herbert: Nee, Mary, Ik denk dat het groot geworden is, gegroeid naar ziel en geest, zodat wij van hem kunnen leren wanneer wij gaan.

Mary: Daar zijn wij misschien als kleine kinderen, zo onervaren, en onze zoon zo wijs als een vader. Als broer en zuster gaan wij naar hem.

Herbert: Je weent.

Mary: Van vreugde, omdat wij spoedig verenigd zijn.

Herbert: Kom dichter bij mij !

Mary: Je bibbert !

Herbert: Het is koud.

Mary: Mij komt het voor alsof het lente is. Als ik de ogen sluit zie ik alleen maar bloesems. Zo brengt de zee mij toch nog wat ik verlangde: een blik in het paradijs ! Is de zee niet een korenbloem - in het blauw van de middag? Een lelie - in het schijnsel van de maan ? Een pioenroos - in het rood van de ochtend ? Spoedig zullen wij in Gods tuin zijn.

Herbert: Wij, - maar de anderen ? Die hebben schrik van de zee, van de monsters in de diepte, van de oerslang.

( Professor Fisher komt aan met de mummiekoffer op de rug, wankelt en staat op het punt te vallen, Herbert springt op hem toe en helpt hem om de kist veilig neer te zetten)

Mary: Arme vader, wat wil je met de mummie ?

Professor Fisher: Ik kan ze niet in de kajuit achterlaten, tussen de koffers met banale spullen. Dat is geen grafkelder een Egyptische priesteres waardig. Wij hebben ze uit de dodenkamer gehaald, waar de wanden gesierd waren met beelden van goden. Nu stellen wij ze onder de vrije hemel.

Herbert: Nu dat we zelf sterven ?

Professor Fisher: Stervenden mogen aan zichzelf en aan het wezenlijkste denken. Kunnen we, nu we zeker van de dood zijn, iets beter doen dan de doden een laatste dienst bewijzen ? Onze mummie moest lang wachten. Nu mag haar lichaam opgaan in het wereld-al. De zee met het sterrendak erboven zal haar begrafenisplaats zijn.

Herbert: Hoe deed u dat, die zware kist op de schouders nemen ? Ik kan hem nauwelijks op de bodem neerleggen.

Mary: U bent al zo sterk als de oude Egyptenaren, vader. Die moeten ook bovenmenselijke krachten gehad hebben toen ze uitgehouwen blokken tot tempelzuilen stapelden. Men zegt dat waanzinnigen soms ook dergelijke kracht hebben.

Professor Fisher: Misschien kon ik het omdat ik mijn schuld onder ogen zie om ze te kunnen aflossen, hier zowel als daar ! (Hij wijst naar boven)

( De Kapitein, die met Ohm uit de accuruimte terugkomt hoort dat mensen beneden onder hem praten)

Mary: Uw schuld ? Vader, waarom de uwe ?

Professor Fisher: Ik zei het toch al: Ik heb een schuld op mij genomen door de mummie uit het rotsgraf weg te halen.

Herbert: U bent nog bijgeloviger dan de Kapitein.

Kapitein ( tegen Ohm): Ze praten over schuld ! Ik moet dat horen. Gaat u alleen terug ! ( Hij leunt over de reling, zonder gezien te worden) ( Ohm terug af)

Professor Fisher: Ik zie samenhangen die niets met bijgeloof te maken hebben.

Mary: Laat ons de mummie nu toch haar rust gunnen.

Professor Fisher: Je begrijpt mij verkeerd, kind, ik geef je gelijk als je de mummie verdedigt. Zij heeft geen schuld. Maar ik ben schuldig. Het lot heeft ons met haar samengebracht opdat zij ons aan de onsterfelijkheid zou herinneren. Jullie twee hebben de boodschap ter harte genomen. Jij, Mary, door je schilderij, en jij , Herbert, door je gedicht. Door jullie kunst hebben jullie overwonnen. Ik heb met mijn wetenschap gefaald.

Mary: Dat versta ik niet.

Professor Fisher: Ik was als onderzoeker niet onbaatzuchtig, nee, ik speculeerde op een publicatie.

Mary: Uw goedheid, die de schuld van anderen op zich neemt, spreekt u tegen.

Professor Fisher: Mijn eerzucht als geleerde was groter dan mijn goedheid.

Herbert: Hoe dan, vader ?

Professor Fisher: Ik wilde het verloop van een bepaalde geschiedenisperiode met deze mummie onthullen. En nu pas dringt het mij door dat ik de zin van die periode in mijzelf moet zoeken. Op de levende geest komt het aan, niet op de dode tekens. Wij dragen het oude Egypte in onze zielen. We hebben het zelf uit het verleden meegenomen naar het heden, met al zijn werkingen. Wij moeten nu goedmaken wat wij toentertijd slecht gedaan hebben. En daarom is de schuld bij ons levenden te zoeken.

Kapitein (leunt dieper naar voor): Er is er maar één schuldig en dat ben ik, ik alleen, die koers naar het noorden zette. Ik verloochende mijn plicht als zeeman. Ter wille van het record liet ik mij ompraten. Niet uw eerzucht als geleerde heeft schuld, professor, maar mijn ijdelheid als Kapitein. Zelfs zonder mummie aan boord zou de Titanic een aanvaring met een ijsberg hebben gehad.

Professor Fisher: Kapitein, wij komen niet alleen uit de zeehaven Southampton, maar ook uit de dodenstad Thebae.

Ohm (verschijnt): Het zendapparaat werkt niet meer. Er zal ons geen schip meer vinden.

Kapitein: Dan moeten wij de sprong in het ongewisse wagen ! (door de spreekbuis) Reddingsvesten aantrekken !

( Het commando "Reddingsvesten aantrekken" weerklinkt over het ganse schip. Gejammer wordt luid en sterft weer weg)

Professor Fisher: Laten wij ons voorbereiden op de dood ! Ontzetting mag ons niet overmannen. Wij moeten ons instellen alsof wij al aan gene zijde waren !
( Ze doen de reddingsvesten aan)

Ohm: Ik haal nu ook uw reddingsvest, Kapitein ! (Af)

Mary: Vader, het enige wat mij spijt om de aarde te verlaten, is: uw wijsheid niet meer te kunnen vernemen.

Professor Fisher: Mijn kind, daarboven zul je hogere leren kennen.

Herbert: Maar die kunnen wij niet verder geven aan de levenden zoals uw wijsheid.

Professor Fisher: De wijsheid, te sterven !

Herbert: Het is niet ter wille van die wijsheid dat wij proberen om ons leven te redden. Niet voor onszelf, maar ter wille van de mensen die nog niet weten hoe ze moeten sterven.

( Een radeloze loopt voorbij. Direct daarna hoort men het schot waarmee hij een eind maakt aan zijn leven)

Mary: Ooh, hoe erg !

Kapitein: Niemand heeft zoveel recht op zelfmoord als ik.

Professor Fisher: Ook uw schuld is goed te maken, Kapitein.

Kapitein: Niet door mij.

Professor Fisher: Als u zich van het leven beroofd, maakt u het goedmaken voor de anderen zwaarder.

Kapitein: Ik moet mij rehabiliteren.

Professor Fisher: Ginds, niet hier !

(Geweeklaag op het ganse schip)

Mary: De sukkelaars ! Horen jullie dat ? Er zijn kinderen bij ! ( Zij omarmt wenend Herbert)

Kapitein: Onschuldigen ! En ik, de schuldige, kan niemand helpen !

Professor Fisher: De levenden niet, maar wel de doden.

Kapitein: Hoe kan ik mijzelf onder ogen komen !

( Hij grijpt naar zijn revolver)

Professor Fisher: Laat dat wapen. Er bestaan ook plichten t.o.v. de doden. En ik heb mij voorgenomen om zo'n plicht te vervullen. Ik zal jullie vertellen wat ik tot vandaag aan geen mens heb toevertrouwd omdat er niemand rijp was om het op te nemen. Wilt u het ook horen, Kapitein, in dit stervensuur ? Kijk naar de sarcofaag. Ik lees het af zoals het er staat.
( Hij gaat naar de sarcofaag. Mary en Herbert staan aan de kant. De Kapitein staat er vlak boven.)

" Wanneer de mens sterft en de ogen sluit, dan ontvouwt zich iets onder zijn oogleden als de bloemblaadjes van een bloesem, als de vleugels van een vlinder. In de duisternis van de ruimte zweeft met twee vleugels, een geesteszon ..." - Dat wilden de Egyptenaren openbaren wanneer ze het deksel van hun katafalken met deze raadselachtige tekens beschilderden.

Mary: Nu, vader, weet ik hoe ik zou moeten schilderen.

Professor Fisher: "Wanneer de ziel lijdt om de anderen die in een doodsnood komen die ze zelf niet kunnen overwinnen, wanneer het medelijden om de trooster roept, wekt zij in het hart dat breekt van smart, de melodieën van het Zonnelied ..." - Dat wilden de Egyptenaren ons verkondigen toen ze hun Dodenboeken neerschreven.

Herbert: Nu, vader, weet ik hoe ik zou moeten dichten.

Professor Fisher: "Wanneer het lichaam, door de eigen zwaarte dodelijk getroffen, op de aarde neerzinkt, de demonen het in de diepte trekken, dan treedt het opstandingslichaam eruit en begint zijn Zonnetocht ..."
- Dat wilden de Egyptenaren zeggen, zelfs in de dood, toen ze de sarcofagen rechtop stelden.

Kapitein: Zo wil ik ook op mijn post rechtop staan.

Professor Fisher: Wijs, schoon en rechtop gingen ze in de dood, zoals ze hun goden zelf schouwden, beminden en vereerden, - laat ons doen als zij, de kinderen van God !
( Ze stellen de sarcofaag rechtop. Het licht van de maan valt erop en verheldert het beeld van de mummie) De ziel van de mens die bij dit omhulsel hoort is duizenden jaren geleden de weg gegaan die wij nu zullen gaan. Zij heeft de Zonnegod die ze zocht, ontmoet, toen Die afdaalde naar de aarde om de dood te overwinnen. Ze wil Hem in de toekomst helpen om Zijn werk te voltooien: troosten wie lijdt, bevrijden wie schuldig is, wie stervend is naar de Verrezene brengen, tot de reis naar het andere land, in het Zonneschip !

Dokter Brugh (komt toegesneld): Ik zoek jullie al lang. Ach ! Laat de doden de doden begraven. Kom ! Wij hebben een vlot ineen getimmerd.

Professor Fisher: Mijn hart kan niet meer.

Herbert: Wij dragen u.

Dokter Brugh: Snel.

( Herbert voor, Dokter Brugh langs achter dragen Professor Fisher. Mary gaat aan de zijkant. De Kapitein kijkt hen na van op de commandobrug. Als het toneel leeg is, gaat hij naar de spreekbuis en spreekt tot de bemanning. Ohm verschijnt naast hem met een reddingsvest.)

Kapitein: De bemanning moet verzamelen in rij en gelid. Vóór de commandobrug. ( In de spreekbuis) Verzamelen ! (Het commando "Verzamelen" wordt doorgegeven)
( Officieren, ingenieurs, matrozen, machinisten, timmerlieden, stokers, stewards, bedienden, kelners, koks stellen zich op in rijen. Men moet zich voorstellen dat die aan weerszijden van het dek doorlopen.)

Kapitein: Jullie hebben goed werk geleverd. Ik dank jullie allemaal. Ingerukt !

Ohm: Leve onze Kapitein !

Bemanning: Hoera, hoera, hoera !

(Bemanning af)
(Het toneel loopt leeg)

Arbeidersvrouw (met het kind op de arm gaat voorbij): Ja mijn kind, nu gaan we naar papa, waar de gouden lichten zijn ... ( Ze ziet de mummie) Een engel !

Zevende bedrijf

Aan boord van de Karpathia.
Dit transatlantisch stoomschip dat pas de haven van New-York verlaten heeft, is veel kleiner dan de Titanic. Het zit vol passagiers die bijna nog allemaal slapen. Het schip heeft geen loopbrug met trappen aan de zijkant. Men moet zich dus voorstellen dat aan de achterkant van het toneel een reling is van een scheepswand die steil in zee steekt. De reddingssloepen die in de loop van het gebeuren neergelaten worden hangen aan die wand, zodat ze niet zichtbaar zijn. Van het dek is maar een deel zichtbaar. Erboven verheft zich de commandobrug waarop de Kapitein met een navigatieofficier staat.
Op de achtergrond de zee, sterren die verbleken.

Kapitein: Sinds twee uur geen signaal meer.

Navigatieofficier: Er is geen twijfel mogelijk: de Titanic is gezonken.

Kapitein: Blijf toch maar verdergaan met zenden "Karpathia op weg om te redden". misschien vangt een ander schip de boodschap op en komt ter hulp.

Roep van op de uitkijk: IJsbergen in zicht.

Kapitein (door de spreekbuis): Opgelet ! - Uitkijkposten verdubbelen ! - Koers naar links ! - Snelheid aanhouden zolang het gaat !

(Ochtendgloren. IJsblokken verschijnen met een rode weerschijn.)
( Enkele passagiers met overjassen komen op en turen in de verte.)

Navigatieofficier: Hier begint de gevarenzone. We moeten dicht bij de plaats van de ramp zijn.

Kapitein: Is alles klaar ?

Steward (komt dichter bij): De zalen zijn ingericht als ziekenboeg. Er zijn hete dranken, soep, koffie, thee ...

Kapitein: We zullen warme kleren nodig hebben.

Stemmen der passagiers: Hier mijn pelsmantel - mijn overjas - mijn reisdeken - mijn onderkledij - mijn bed ...

Kapitein: 't is maar voor korte tijd, wij varen met de schipbreukelingen terug naar New-York.
( tot de steward) We zullen niet genoeg verplegend personeel hebben.

Een vrouw: Ik ben verpleegster, ik wil helpen.

Andere vrouwen: Ik ook - ik ook ...

Kapitein (tot de steward): Verzamel alle mensen die willen helpen.

Uitroepen: Helpen ! Dat willen we allemaal !

( De groep gaat af met de steward)

Roep van op de uitkijk: Boot in zicht !

(Andere passagiers komen op het dek)

Roep van op de uitkijk: Tweede boot in zicht, met noodsignaal !

Kapitein: Snelheid opdrijven, als dat mogelijk is ! Gaat het zonder gevaar ?

Navigatieofficier: Ja.

Roep van op de uitkijk: Derde, vierde, vijfde boot. Ze doen teken.
Kapitein: Alle boten hier aanleggen, op een rij !

(De ijsschotsen schijnen groter) (De sirene weerklinkt)

Kapitein: Opgelet, langzaam, stoppen !
( Het schip ligt stil)
( De touwladders worden neergelaten)
( De passagiers van de Karpathia houden zich aan weerszijden klaar met overjassen en dekens)

Officieren en bemanning (beginnen het reddingswerk):
Hallo ! Hier komen de touwladders ! Hebben jullie ze ? Nu de een na de andere ! Wat ? Jullie kunnen niet omhoogklimmen ?

Stem van de Directeur (klinkt daar beneden): Ik doe het voor !

( Hij duikt op uit de diepte met een zwarte lederen mantel en een zuidwester, die hij op zijn hoofd houdt. Daaronder avondkledij.) ( De officieren groeten) ( De passagiers van de Karpathia nemen de hoed af)

Navigatieofficier (terzijde): Is dat nu een salon- of een zeeleeuw ?

Kapitein (treedt naar voor en reikt de Directeur de hand): Ik ben de Kapitein van de Karpathia.

Directeur: Ik ben de Directeur van de White-Star-Linie en ... bouwer van de Titanic.

Kapitein: Mijn deelneming bij de ondergang van uw schip.

Directeur: Ik zal een groter bouwen. ( Hij kijkt om zich heen en wendt zich dan weer tot de inzittenden van de reddingsboot die beneden wachten)
(Tot zijn echtgenote roepend): Houd moed ! Pak het touw. Word je duizelig ?
(tot de Kapitein) Ze durft niet.

Kapitein: Gooi het touw met de gordelband naar beneden. Dat ze het onder de armen vastmaakt.

Directeur: Wat ! Het doet pijn ? Verman je. Het knijpt in ieder geval minder hard dan de dood, natuurlijk ook niet zo zacht als je danspartner.

(De Vrouw van de directeur wordt omhooggetrokken. Ze verschijnt in een witte pelsmantel)

Navigatieofficier (terzijde): Een ijsbeer.

Directeur (stelt voor): Kapitein - mijn vrouw. Ze moet direct in bed. Ik vrees dat ze een longontsteking gaat krijgen.

Gemompel in het publiek: Niet in mijn kabine. ( Ze wordt weggebracht)

Directeur: Waar heb ik een goed zicht op de reddingsactie ?

Kapitein: Hier, op de commandobrug.

(De Directeur gaat de trap op en blijft met gekruiste armen toekijken)
( De schipbreukelingen verschijnen op het dek, in avondkledij met dansschoenen, meer of minder gekleed, klappertandend van de kou, als laatste groep de miljardair en zijn vrouw. De passagiers van de Karpathia houden hun overjassen bij zich wanneer ze voorbijgaan.)

Navigatieofficier (terzijde): Zijn dat nu vissen of vogels ?

Vrouw van de miljardair: Nu ben ik mijn tasje beneden nog vergeten.

Miljardair: Ik breng het.

Navigatieofficier: Hij heeft de cheques in de grote tas, zij de briljanten in de kleine.

(Ten slotte klimt de matroos naar boven die de sloep bestuurde)

Navigatieofficier: Waarom hebben jullie niet meer mensen meegenomen ?

Eerste matroos: Ze wilden gewoon niet in de reddingsboot stappen. Ze dachten dat het veiliger was om aan boord te blijven en op jullie te wachten. (Hij bedekt zijn ogen) Vreselijk, wat er toen gebeurde ! Gerommel, gekraak, een scheuren en breken, daartussen schreien en huilen ... en schoten ...

Passagiers van de Karpathia: Schoten ?

Eerste matroos: Collectieve zelfmoord.

Passagiers van de Karpathia: O wee !

Eerste matroos: Het zuigend geluid van de draaikolk die alles meetrok ...

Navigatieofficier: En jullie hebben niemand opgevist ?

Eerste matroos: De dames hadden schrik om verkouden te worden. De heren zetten ons aan tot spoed ...

Navigatieofficier: Onmens, om hen in te volgen, zo'n zootje.

Eerste matroos: Ik was alleen, zij vijf. Daarbij ben ik geen dierentemmer maar matroos en ik moest het bevel van mijn Kapitein uitvoeren om zo snel mogelijk te roeien ... Ik was liever op het schip gebleven ... tot het eind ... zoals hij.

Miljardair (komt opeens terug) Waar varen jullie heen ?

Kapitein: Terug naar New-York.

Miljardair: Zeer goed, dan kom ik nog op tijd voor de economische topconferentie.

Navigatieofficier: Als dat soort met zijn klauwen nog meer bijeenschraapt, dan komen er niet alleen aanvaringen met ijsbergen, maar wereldbranden van.

Eerste matroos: Daar zou hij ook nog winst uit halen. (Af)

(Beneden wordt "Water" geroepen)

Navigatieofficier: Geduld, straks krijgen jullie wat jullie wensen, koffie, thee, whisky.

Een meisje (gooit appelsienen naar beneden): Pas op, appelsienen !

Navigatieofficier: Onnozel wicht ! Straks doe je de ganse boot nog kapseizen ! Daar weg !

Tweede matroos ( in een jekker, zonder hemd, woedend): Waarom laten jullie ons wachten ? Zien jullie niet dat wij gewonden aan boord hebben ? Ze hebben de mensen vanaf het dek in de sloep geworpen, willen of niet. Heupen zijn gebroken en schouders ontwricht. Jullie moesten het zelf eens meemaken ! Ik sla jullie koppen tegeneen.

Navigatieofficier: Man, wat een geschreeuw, ben je waanzinnig geworden ?

( De schipbreukelingen -arme mensen- worden omhoog gehaald. De passagiers van de Karpathia springen naar voor om hun goederen weg te geven. Enkele doen kledingstukken uit en geven ze aan de behoeftigen.)

Schipbreukeling: Neem het hem niet kwalijk. Hij heeft het onmogelijke gedaan om ons te redden. En daarom mag hij dat ook van anderen verwachten. Zijn hemd heeft hij uitgetrokken en gescheurd om ons te verbinden. Tussen de ijsschotsen heeft hij gelaveerd om kameraden uit het water te trekken.

Schipbreukelinge (jammert): Ik wil niet verder leven.

Navigatieofficier: Wat heeft die vrouw ?

Tweede matroos: Zo jammert zij de ganse tijd.

Navigatieofficier: Is ze ook gewond ?

Tweede matroos (hij wijst op zijn borst): Daar binnen, waar men geen verband kan leggen. Ze heeft zich door haar zieke vader laten overhalen om in een reddingssloep te stappen.

Schipbreukelinge: Heb hem in de steek gelaten.

Tweede matroos: Maar vrouw, er mochten toch geen mannen mee, behalve diegenen die we onderweg oppikten.

Schipbreukelinge: Dat is niet waar, ik heb er zelf enkele gezien.

Tweede matroos: Niet in onze boot.

Schipbreukelinge: Maar in andere wel. Ach, ik had moeten smeken en aandringen. Maar ik heb slechts aan mijzelf gedacht, niet aan mijn arme vader, die gans zijn leven voor mij gezorgd heeft. Ik mag niet verder leven.

( Ze loopt terug naar de reling en wil zich naar beneden storten)

Navigatieofficier: Misschien heeft uw vader een plaats in een andere boot gevonden.

Schipbreukelinge: Ooh, als dat zou kunnen ! (Ze staart over de zee uit)

Tweede matroos: ( stil tot de Navigatieofficier) : U moet haar geen valse hoop geven.

Navigatieofficier: Ik kon niets anders bedenken.

Stem van op de uitkijk: Mensen met zwemvesten, tussen de ijsschotsen !

Tweede matroos: Zo zijn wij er honderden tegengekomen. Ze zijn al lang bevroren en drijven dood rond.

Kapitein: Zet alle reddingsboten uit ! Misschien vinden we er nog levende tussen.

Tweede matroos: Kapitein, kunt u mij gebruiken ?

Kapitein: Ja ! Jij kent de situatie het best. (Tot enkele matrozen) Volg hem ! (Tweede matroos af)

Navigatieofficier: Een vlot legt aan ! Met vijf mensen ! Eén ervan ligt ! Hier - de ladder !

( Hij gooit het touwladder naar beneden)

Mary (komt omhoog geklommen): Mijn vader ... hij is totaal uitgeput ... ademt nauwelijks ... wij hebben een berrie nodig om hem omhoog te halen.

Navigatieofficier (roept): Draagberrie !

Mary: Ik heb schrik dat hij in mijn armen sterft.
( Een draagberrie met dekens en kussens wordt gebracht en neergelaten. Dokter Brugh en Herbert komen langs touwladders omhoog, tussen hen Professor Fisher. Aan alle kanten helpende handen.)

Professor Fisher (op het dek, richt het hoofd op en kijkt rond): Gered ? Dan is het goed.
( Hij laat het hoofd vallen en sterft.)

Dokter Brugh: Dood ... zonder doodsstrijd !

(Terwijl Herbert en Mary naast het lijk van hun vader neerknielen, richt de Navigatieofficier zich terug tot de Schipbreukelinge)

Navigatieofficier: Zie, lieve vrouw, ook zij hebben hun vader verloren. Maar zij klagen niet.

Schipbreukelinge: Zij hebben geen schuld zoals ik. Zij hebben hem meegenomen, ik liet hem achter. Mij kan niemand helpen. ( Haar kermen doet Herbert en Mary opkijken)

Herbert: Mary, zolang wij kunnen troosten, gaan we niet troosteloos zijn.

Mary: Ja, trooster zijn ! Laat het ons proberen zoals vader het zou gewild hebben. (Zij nadert de vrouw) Vertel mij je verdriet.

Schipbreukelinge: Ach, was het maar verdriet ! Maar het is zonde.

Mary: Lijden is zonde wanneer het geen mede-lijden is.

Schipbreukelinge: Mede-lijden, dat was juist wat mij ontbrak.

Mary: En als het dat was wat je tekort kwam, moet je het daarom ook in de toekomst niet hebben ? Vele ouders hebben hun kinderen verloren, vele kinderen hun ouders. Er is hier genoeg mede te lijden.

Schipbreukelinge: En de zonde ?

Mary: Die vermindert wanneer men het leed van anderen op zich neemt.

Stem van op de uitkijk: Schipbreukeling in zicht ! Zeer dichtbij !

Kapitein: Hij duwt een koffer voor zich uit !

Herbert: Dat is een doodskist !

Mary: Geen doodskist, maar een wieg. Ziet, er ligt een kind in !

Uitroepen der passagiers: Een kind, een kind, een kind !

(Het wordt doorgezegd) ( Mensen komen op het dek gelopen)

Navigatieofficier: Hierlangs !
( De touwladder wordt naar beneden geworpen)

Ohm (komt tevoorschijn met een kind op de arm): Ik ben nat, het kind is droog. - Wie wil het overnemen ?

Allen (strekken de armen uit): Ik - Ik - Ik ...

Ohm (ontwaart Mary en Herbert): Herbert, Mary !

Mary: Geef het aan ons ! (Ze neemt het op de arm)

Herbert: Kijk, het lacht !

Dokter Brugh: Een wonder: de zuigeling in de mummiekoffer !

Ohm: Was het maar niet zo'n droevige zaak !

Directeur ( van op de commandobrug, waar hij alles uiterlijk onbewogen, maar innerlijk geschokt geobserveerd heeft): Vertelt u !
( Allen kijken bevreemd en onwillig naar hem omhoog)

Ohm:    Het laatste ogenblik van de Titanic ....
De Kapitein en ik, wij stonden beiden op de commandobrug, juist zoals u daarboven staat, mijnheer Directeur, tot ook de voorsteven, die tot dan steil omhoog stak, begon te kantelen. Toen ... waagde ik de sprong. De Kapitein bleef staan. Hij riep: de Titanic verlaten ? Nooit ! Een reddingsvest heeft hij niet aangetrokken ! Ik zwom in razende vertwijfeling weg, vele honderden verdronken rond mij. Ik zag, toen ik omkeek naar het schip, een moeder geknield voor de sarcofaag om een wieg voor haar kind te maken. Toen zonk ze weg in het water !

Mary: Arme moeder !

Ohm: De vader is ook dood. Neergeschoten toen hij anderen wilde redden.

Herbert: Arme vader !

Directeur: En toen ?

Ohm: Geschiedde het wonder dat ik mocht redden en zelf gered werd ... door het kind.

Mary: O Herbert, voel zijn handje, is het niet als een rozenknop die opengaat ?

Herbert: O Mary, kijk, op het ronde voorhoofdje is zijn hemelse afstamming af te lezen !

Mary: Misschien werd het ons van ginds gestuurd.

Herbert: Door de trooster, om je rouw weg te nemen.

Mary: Door ons eigen kind, denk je niet ?

Herbert: Door zijn eigen ouders, zeer zeker !

Mary: Hoe heet het kindje dan ? Weet niemand het ? Het kindje zelf is nog te klein om het te weten. O, het lacht naar mij alsof het mij al lang kent. - Herbert, ik wil je iets zeer belangrijk vragen.

Herbert: Ja Mary ?

Mary: Zouden we het kindje niet met onze namen kunnen benoemen ?

Herbert: Het het onze noemen, Mary, ja !

Mary: O dank.

Herbert: Dank aan het kind, dat het ons opnieuw verenigt !

Mary: Wij willen het nog hier op zee dopen. Kapitein, kan de doop hier plaatsvinden ?

Kapitein: Een scheepsdoop, ja.

Schipbreukelinge (spontaan): Dan zou ik meter willen zijn !

Kapitein: Welaan, laat ons het feest voorbereiden !
( de Kapitein, Mary, Herbert, Ohm, de Schipbreukelinge, die het kind bij zich neemt, met enkele vrouwen gaan af)

Dokter Brugh (met een blik op de Directeur): Onvoorstelbaar hoe de man daarboven staat, met zijn ijskoud hart, als de ijsberg. - Hoe staan de aandelen nu, mijnheer Directeur ?

Directeur: De aandelen ? De koers van de aandelen ... die hangt af van de geest  ...

Dokter Brugh: Hij rekent nog.

Directeur: En niet de geest van de koers van de aandelen.

Dokter Brugh: Vervloekt, nog altijd aan 't speculeren, met dit zeekerkhof voor hem, en een voorsmaak van de warmtedood der ganse mensheid.

Directeur: Het speculeren is gedaan. De koers is nul. Ik heb meer verloren dan jullie allemaal !

Dokter Brugh: U bent als levende reeds een kadaver. Slechts één ding kan u bewaren voor de zieledood - die erger is dan dit watergraf: u moet zelf redder worden, voor levenden die gevaar lopen in de ziel te sterven, zoals u, die een tweede dood zouden sterven !

Directeur: Ik weet het ! Ja, het kompas wijst naar daar (hij wijst naar boven). Ik moet een schip bouwen voor de mensen die in hun eigen leven schipbreuk hebben geleden, met geestelijke reddingsboten die deugen, met brandblusinstallaties voor de zielen, noodzenders voor het lot en alarmen voor innerlijke katastrofes - de koers naar God ! Bemanning die de weg daarheen kent, die beter is dan ik, die kan troosten, die andermans schuld op zich wil nemen, die van de doden verzoening leert ! Ik roep jullie, vrienden, als mijn leraren. Een leerling wil ik zijn op dat schip. Scheepsjongen voor mijn part.
( Tot zijn vrouw die aan zijn zijde treedt) Zie je die liever dan de Directeur ?

Vrouw van de directeur: O veel liever, veel liever.

( De Kapitein met Mary, Herbert, Ohm, de schipbreukelinge, die het kind draagt, en de vrouwen komen terug)

Kapitein: Welaan de doop kan voltrokken worden. Peter ben ikzelf volgens oude traditie. Wie gaat echter het plechtig ambt opnemen ?

Mary: De redder die ons het kind geschonken heeft.
(Ohm treedt voor het doopgezelschap)

Kapitein: Zeg hem de naam.

Herbert en Mary (tegelijk): Christoph !

Ohm (doopt het kind): Christoph Fisher !
Ik doop je in de naam van Jezus Christus die zei: vooraleer jullie niet geboren worden uit levenswater en uit geesteslucht, kunnen jullie niet in het Rijk Gods geraken.
Jullie, ouders, peter, meter, vrienden, allemaal, help opdat dit kind een Christus-drager worde.

(Het boordorkest van de Karpathia begint een choraal te spelen)

Directeur (intoneert): Laat ons een schip voor volgelingen van Christus bouwen,
Om uit te varen, om Zijn aangezicht t' aanschouwen,
Voor mensen in de wieg en in de kist
En voor de zaligen in de zonnebark.

Het anker als kruis, de geest het roer !
Bemanning: jij, o zuster, jij, o broer !
De passagiers, zonder of met schuld,

blijven steeds in de Verlossers genade.

Allen (omarmen elkaar en vallen in): Het anker als kruis, de geest het roer !
Bemanning: jij, o zuster, jij, o broer !
Wij passagiers, zonder of met schuld,
blijven steeds in de Verlossers genade.

( De eerste stralen van de opgaande zon vallen op het schip)

*************************************

Der Kampf um die Menschenform

Der Weise deutete das Totenbuch.
Du schauest rückwärts Tausende der Jahre,
der Rätselbilder Folge : Heil und Fluch.
Es lag die Mumie auf der Löwenbahre,
Gewickelt war sie in bemaltes Tuch,
Bewacht von einem geisterhaften Paare.

Am Haupt der Vogel trug ein Fraungesicht
und Mannsgestalt der Schakal zu den Füßen.
Dann führten sie die Seele zum Gericht,
sie sollte vor der Totenwaage büßen.
Du sahst der Schalen schwebendes Gewicht.
Ein Sonnenaug mit Fittichen sie grüßen.

Doch in der Tiefe wuchs die Finsternis,
und wo die Seele ihren Leib verlassen,
beherschten Tode die Geburten, bis
der Kampf begann, das Götterbild zu fassen,
von dem die Menschenform ein Schattenriß.
Die Engel lieben, die Dämonen hassen.

Jetzt aber geht es drunten um das Sein.
Die Göttersphären haben sich verschoben,
und was der Seele Segen war, ist Pein.
Rebellen, die im Himmel sich erhoben,
sie traten in das Erdenleben ein.
Und Menschenherzen stehn voor neuen Proben.

Es muß der Stoff zersprühn, damit das Bild
der Gottheit, eingeprägt dem Menschenwesen,
im Urstand leuchte. Siehe, wie so mild
der Herr des Schicksals schaut, der dich erlesen,
mit Lebenswasser deine Seele stillt.
An diesem Trank sollst du vom Tod genesen.

Nun aber siehst du einen andern Geist,
der trachtet, daß er deine Formenreste
der Himmelsheimat wiederum entreißt
und einverleibt in seiner eignen Feste.
Du siehst wie er im Dunkelfeuer gleißt.
Auch er hat seine Speise fur die Gäste.

Es ist das Gift der Völker, das den Tod
der ganzen Menscheit bringt. Du hörst ihr Wehe,
und du erkennst, vom Weltenbrand umloht,
den Antichrist, der will, daß untergehe
der Mensch, der liebt, im Blute, das verroht.
- Da rufst du Christus an: Ich auferstehe !



Terug naar het thuisblad.