Antroposofische weekspreuken
(Seelenkalender)

Aus dem Vorwort zur ersten Ausgabe 1912/13

Mit der Welt und ihrem Zeitenwandel verbunden fühlt sich der Mensch.
In seinem eigenen Wesen empfindet er das Abbild des Welten-Urbildes.
Doch ist das Abbild nicht sinnbildlich-pedantische Nachahmung des Urbildes.
Was die große Welt im Zeitenlaufe offenbart, entspricht einem Pendelschlage des Menschenwesens, der nicht im Elemente der Zeit abläuft.
Es kann vielmehr fühlen der Mensch sein an die Sinne und ihre Wahrnehmungen hingegebenes Wesen als entsprechend der licht- und wärme-durchwobenen Sommernatur. ......................


De beweging in de weekspreuken :

Vanaf Pasen gaat de beweging naar BUITEN, vanaf Michaëli gaat de beweging naar BINNEN.
We zien week 1 gespiegeld in week 52, week 2 in week 51 enz.
Met welke week komt bvb. week 38 overeen ? Reken 53 - 38 = 15


LENTE
Oster-Stimmung
 1.-6. April
1
Wenn aus den Weltenweiten
Die Sonne spricht zum Menschensinn
Und Freude aus den Seelentiefen
Dem Licht sich eint im Schauen,
Dann ziehen aus der Selbstheit Hülle
Gedanken in die Raumesfernen
Und binden dumpf
Des Menschen Wesen an des Geistes Sein.

Als uit de wereldverten
de zon spreekt tot de mensenzin
en vreugde uit de zielediepten
zich in het zien met 't licht verbindt,
dan dringen uit de omhulling van het zelf
gedachten in de verre ruimte
en verbinden, onbewust,
het wezen van de mens met het geestelijk zijn.
Zweite April-Woche 
 7.-13.April
2
Ins Äußre des Sinnesalls
Verliert Gedankenmacht ihr Eigensein;
Es finden Geisteswelten
Den Menschensprossen wieder,
Der seinen Keim in ihnen,
Doch seine Seelenfrucht
In sich muß finden.

Daarbuiten in de zintuigwereld
verliest gedachtenmacht 't zelfstandig zijn;
nu vinden geesteswerelden
de mensenloot weer terug,
die wel zijn kiem in hen,
doch die zijn zielevrucht
in zich moet vinden.
Dritte und vierte April-Woche
3
14.-24. April
Es spricht zum Weltenall,
Sich selbst vergessend
Und seines Urstands eingedenk,
Des Menschen wachsend Ich:
In dir, befreiend mich
Aus meiner Eigenheiten Fessel,
Ergründe ich mein echtes Wesen.

Zo spreekt tot het wereld-Al
- zich zelf vergetend,
en indachtig 't eigen oer-bestaan -
het groeiend mensen-ik :
In U, mijzelf bevrijdend
uit boeien van mijn eigenheid,
doorgrond ik pas mijn ware wezen.
Vierte April-Woche bis erste Mai-Woche
25. April-4. Mai
4
Ich fühle Wesen meines Wesens: 
So spricht Empfindung, 
Die in der sonnerhellten Welt 
Mit Lichtesfluten sich vereint; 
Sie will dem Denken 
Zur Klarheit Wärme schenken 
Und Mensch und Welt 
In Einheit fest verbinden.

Ik voel het wezen van mijn wezen :
zo spreekt het voelen,
dat in de zonverlichte wereld
met 't stromend licht tot eenheid smelt;
het wil aan 't klare denken
nu ook warmte schenken
en mens en wereld
in eenheid hecht verbinden.
Erste Mai-Woche
5.-11. Mai
5
Im Lichte, das aus Geistestiefen 
Im Räume fruchtbar webend 
Der Götter Schaffen offenbart: 
In ihm erscheint der Seele Wesen 
Geweitet zu dem Weltensein 
Und auferstanden Aus enger 
Selbstheit Innenmacht.

In 't licht dat uit de geestesdiepten
in ruimte vruchtbaar wevend,
het scheppen van de goden openbaart :
daarin verschijnt het zielewezen
uitgebreid tot het wereldzijn
en opgestaan
uit d' innerlijke macht van het benauwend zelf.
Zweite Mai-Woche
12.-18.Mai
6
Es ist erstanden aus der Eigenheit
Mein Selbst und findet sich
Als Weltenoffenbarung
In Zeit- und Raumeskräften;
Die Welt, sie zeigt mir überall
Als göttlich Urbild
Des eignen Abbilds Wahrheit.

Verrezen is uit het eigen zijn
mijn zelf om zich te vinden
als wereldopenbaring
in tijd- en ruimtekrachten;
de wereld toont mij overal
als goddelijk oerbeeld
het ware wezen van wat in mij werd afgebeeld.
Dritte Mai-Woche
19.-25.Mai
7
Mein Selbst, es drohet zu entfliehen, 
Vom Weltenlichte mächtig angezogen. 
Nun trete du mein Ahnen 
In deine Rechte kräftig ein, 
Ersetze mir des Denkens Macht, 
Das in der Sinne Schein 
Sich selbst verlieren will.

Mijn zelf dreigt te ontvluchten,
door 't wereldlicht sterk aangelokt.
Kom nu nabij mijn voelen
en laat je rechten krachtig gelden;
vervang de macht van het denken
dat in de glans der zinnen
zich zelf verliezen wil.
Vierte Mai-Woche
20.-31.Mai
8
Es wächst der Sinne Macht
Im Bunde mit der Götter Schaffen,
Sie drückt des Denkens Kraft
Zur Traumes Dumpfheit mir herab.
Wenn göttlich Wesen
Sich meiner Seele einen will,
Muß menschlich Denken
Im Traumessein sich still bescheiden.

Steeds sterker wordt de macht der zinnen,
verbonden met het goddelijk scheppen;
zij dooft de kracht van 't denken
tot het omfloerst en dromerig wordt.
Wanneer een goddelijk wezen
zich met mijn ziel verenen wil,
moet menselijk denken
tot een dromend zijn zich stil beperken.
Erste Juni-Woche
1.-8. Juni
9
Vergessend meine Willenseigenheit, 
Erfüllet Weltenwärme sommerkündend 
Mir Geist und Seelenwesen; 
Im Licht mich zu verlieren 
Gebietet mir das Geistesschauen, 
Und kraftvoll kündet Ahnung mir: 
Verliere dich, um dich zu finden.

Vergetend 't eigene van mijn willen,
vervult de wereldwarmte, zomer-verkondend,
mijn geest en zielewezen.
Mij te verliezen in het licht
gebiedt mij nu de geestesschouw,
en krachtig zegt mijn voelen :
Verlies jezelf om juist jezelf te vinden.
Zweite Juni-Woche
9.-15. Juni
10
Zu sommerlichen Höhen
Erhebt der Sonne leuchtend Wesen sich; 
Es nimmt mein menschlich Fühlen 
In seine Raumesweiten mit. 
Erahnend regt im Innern sich 
Empfindung, dumpf mir kündend, 
Erkennen wirst du einst: 
Dich fühlte jetzt ein Gotteswesen.

In hoge zomerverten
verheft zich 't stralend wezen van de zon;
het neemt mijn menselijk voelen
ver met zich mee in wijde ruimte.
Vermoedend komt een dof gevoel
in mij tot leven, zeggend,
Eens zal het inzicht komen :
Een goddelijk wezen heeft je nu gevoeld.
Dritte Juni-Woche
16.-22.Juni
11
Es ist in dieser Sonnenstunde 
An dir, die weise Kunde zu erkennen: 
An Weltenschönheit hingegeben, 
In dir dich fühlend zu durchleben: 
Verlieren kann das Menschen-Ich 
Und finden sich im Welten-Ich.

In deze zomer-zonnegloed
is het aan jou het wijze woord te horen :
In overgave aan wereldschoonheid,
je in jezelf belevend te ervaren :
Verliezen kan zich 't mensen-Ik
en vinden zich in 't wereld-Ik.
Johanni-Stimmung
23.-29. Juni
12
Der Welten Schönheitsglanz, 
Er zwinget mich aus Seelentiefen 
Des Eigenlebens Götterkräfte 
Zum Weltenfluge zu entbinden; 
Mich selber zu verlassen, 
Vertrauend nur mich suchend 
In Weltenlicht und Weltenwärme.

De glans van schoonheid over de wereld
dwingt mij uit diepten van mijn ziel
mijn eigen goddelijke krachten
te bevrijden tot wijde vlucht;
mijzelve te verlaten
om vol vertrouwen mijzelf te zoeken
in wereldlicht en wereldwarmte.
Fünfte Juni-Woche bis erste Juli-Woche
30. Juni-6. Juli
13
Und bin ich in den Sinneshöhen, 
So flammt in meinen Seelentiefen 
Aus Geistes Feuerwelten 
Der Götter Wahrheitswort: 
In Geistesgründen suche ahnend 
Dich geistverwandt zu finden.

En ga ik op in wereldglans,
dan vlamt in diepten van mijn ziel
vanuit het vurig geestesoord
het ware woord der goden :
In geestes-oergrond zoek - voorvoelend -
je verwantschap met de geest.
ZOMER
Erste Juli-Woche
7.-13.Juli
14
An Sinnesoffenbarung hingegeben 
Verlor ich Eigenwesens Trieb, 
Gedankentraum, er schien 
Betäubend mir das Selbst zu rauben, 
Doch weckend nahet schon 
Im Sinnenschein mir Weltendenken.

In overgave aan de wereld
verloor ik kracht van het eigen zijn;
het leek alsof gedachtendromen
bedwelmend mij van 't zelf beroofden,
doch wekkend nadert reeds
het in de zintuig-glans verborgen wereld-denken.
Zweite Juli-Woche
14.-20.Juli
15
Ich fühle wie verzaubert
Im Weltenschein des Geistes Weben.
Es hat in Sinnesdumpfheit
Gehüllt mein Eigenwesen,
Zu schenken mir die Kraft,
Die, ohnmächtig sich selbst zu geben,
Mein Ich in seinen Schranken ist.

Ik voel hoe in de wereldglans
het weven van de geest betoverd ligt.
Met vele zintuigsluiers
omhulde het mijn innerlijke wezen,
om mij de kracht te schenken,
die mijn Ik in zijn beperktheid
niet bij machte is zich zelf te geven.
Dritte Juli-Woche
21.-27. Juli
16
Zu bergen Geistgeschenk im Innern, 
Gebietet strenge mir mein Ahnen, 
Dass reifend Gottesgaben 
In Seelengründen fruchtend 
Der Selbstheit Früchte bringen.

Het geest-geschenk diep in mijn hart te sluiten,
ik voel het als een streng gebod.
Opdat de goddelijke gave
kan rijpen op de bodem van mijn ziel
om zo tot vrucht te worden voor het zelf.
Vierte Juli-Woche
28. Juli-3. August
17
Es spricht das Weltenwort, 
Das ich durch Sinnestore 
In Seelengründe durfte führen: 
Erfülle deine Geistestiefen 
Mit meinen Weltenweiten, 
Zu finden einstens mich in dir.

Zo spreekt het wereldwoord,
dat ik door zintuigpoorten
mocht brengen naar de bodem van mijn ziel:
Vervul de diepten van je geest
met heel mijn wijde wereld
om eens mij in jezelf te vinden.
Erste August-Woche
4.-10. August
18
Kann ich die Seele weiten, 
Daß sie sich selbst verbindet 
Empfangnem Welten-Keimesworte ? 
Ich ahne, daß ich Kraft muß finden, 
Die Seele würdig zu gestalten, 
Zum Geisteskleide sich zu bilden.

Kan wijd mijn ziel nu worden,
opdat zij zich verbinden kan
met het kiemkrachtig wereld-woord dat ik ontvangen heb ?
Ik voorvoel dat ik kracht moet vinden
mijn ziel zo waardig om te vormen
dat zij kan worden tot een mantel voor de geest;
Zweite August-Woche
11.-17. August
19
Geheimnisvoll das Neu-Empfang'ne 
Mit der Erinn'rung zu umschließen, 
Sei meines Strebens weitrer Sinn: 
Er soll erstarkend Eigenkräfte 
In meinem Innern wecken 
Und werdend mich mir selber geben.

Vol tedere geheimzinnigheid het nieuw-ontvangene
in de herinnering te bewaren,
dit zij de zin van al mijn verder streven.
Hij moet, steeds sterker, eigen krachten
in mijn innerlijk wekken
en wordend mij mijzelve schenken.
Dritte August-Woche
18.-24. August
20
So fühl ich erst mein Sein,
Das fern vom Welten-Dasein
In sich sich selbst erlöschen
Und bauend nur auf eignem Grunde
In sich sich selbst ertöten müsste.

Zo beleef ik pas mijn zijn,
dat ver weg van het wereld-zijn
in zich, zich zelf zou doven,
en bouwend slechts op eigen grond
in zich, zich zelf zou moeten doden.
Vierte August-Woche
25.-31.August
21
Ich fühle fruchtend fremde Macht
Sich stärkend mir mich selbst verleihn, 
Den Keim empfind ich reifend 
Und Ahnung lichtvoll weben 
Im Innern an der Selbstheit Macht.

Ik voel hoe vruchtbaar vreemde macht
sterk wordend mij mijzelve schenkt,
de kiem beleef ik rijpend
en een voorvoelen lichtend weven
in mij aan de macht van 't eigen zijn.
Erste September-Woche
1.-7. September
22
Das Licht aus Weltenweiten, 
Im Innern lebt es kräftig fort: 
Es wird zum Seelenlichte 
Und leuchtet in die Geistestiefen, 
Um Früchte zu entbinden, 
Die Menschenselbst aus Weltenselbst 
Im Zeitenlaufe reifen lassen.

Het licht uit wereld-verten,
in mij leeft het krachtig voort:
het wordt tot zielelicht en zendt
zijn glans in diepten van de geest,
om vruchten los te maken,
die 't mensenzelf uit 't wereldzelf
in de loop der tijd tot rijping brengen.
Zweite September-Woche
8.-14. September
23
Es dämpfet herbstlich sich 
Der Sinne Reizesstreben; 
In Lichtesoffenbarung mischen 
Der Nebel dumpfe Schleier sich. 
Ich selber schau in Raumesweiten 
Des Herbstes Winterschlaf. 
Der Sommer hat an mich 
Sich selber hingegeben.

Herfstig wordt getemperd nu
bekoring van de zinnen;
in openbaring van het licht
mengen zich dichte nevelsluiers.
Ikzelf aanschouw in wijde ruimte
de herfst in winterslaap.
De zomer heeft zich zelf
aan mioj gegeven.
Dritte September-Woche
15 .-21. September
24
Sich selbst erschaffend stets,
Wird Seelensein sich selbst gewahr; 
Der Weltengeist, er strebet fort 
In Selbsterkenntnis neu belebt 
Und schafft aus Seelenfinsternis 
Des Selbstsinns Willensfrucht.

Door zich zelf steeds nieuw te scheppen,
wordt zielezijn zichzelf gewaar;
de wereldgeest streeft altijd verder
in zelfkennis opnieuw gewekt
en schept uit 't zieleduister
de wilsvrucht van het zelfgevoel.
Vierte September-Woche
22.-28. September
25
Ich darf nun mir gehören
Und leuchtend breiten Innenlicht 
In Raumes- und in Zeitenfinsternis. 
Zum Schlafe drängt natürlich Wesen, 
Der Seele Tiefen sollen wachen 
Und wachend tragen Sonnengluten 
In kalte Winterfluten.

Ik mag mijzelf nu toebehoren,
mijn innerlijk licht helder verspreiden
in duisternis van ruimte en tijd.
Natuurlijk wezen dwingt tot slapen,
in zielediepten moet men waken
en wakend dragen zonnegloed
in koude wintervloed.
Michaeli-Stimmung
29.September-5.Oktober
26
Natur, dein mütterliches Sein,
Ich trage es in meinem Willenswesen; 
Und meines Willens Feuermacht, 
Sie stählet meines Geistes Triebe, 
Dass sie gebären Selbstgefühl 
Zu tragen mich in mir.

Natuur, Uw moederlijk bestaan
ik draag het in mijn willend wezen;
en vuurmacht van mijn willen
kan nu mijn geestkracht stalen,
waaruit het zelfgevoel geboren wordt
mijzelf in mij te dragen.
HERFST
Erste Oktober-Woche
6.-12. Oktober
27
In meines Wesens Tiefen dringen: 
Erregt ein ahnungsvolles Sehnen, 
Daß ich mich selbstbetrachtend finde, 
Als Sommersonnengabe, die als Keim 
In Herbstesstimmung wärmend lebt 
Als meiner Seele Kräftetrieb.

In diepten van mijn wezen binnendringen
wekt een verwachtingsvol verlangen,
dat ik in mijn zelfbeschouwing
mijzelve vind als zomerzongeschenk,
dat als een kiem in herfsstemming verwarmend leeft
als drijfveer van mijn ziel.
Zweite Oktober-Woche
13.-19. Oktober
28
Ich kann im Innern neu belebt 
Erfühlen eignen Wesens Weiten 
Und krafterfüllt Gedankenstrahlen 
Aus Seelensonnenmacht 
Den Lebensrätseln lösend spenden, 
Erfüllung manchem Wunsche leihen, 
Dem Hoffnung schon die Schwingen lahmte.

In 't eigen innerlijk nieuw gewekt
kan ik mijn wezens-wijdheid voelen
en vol van kracht gedachtenstralen schenken
uit zielezonnemacht
om levensraadsels te ontwarren,
en menige wens vervullen
waarvan hoop reeds de vleugels verlamde.
Dritte Oktober-Woche
20.-26.Oktober
29
Sich selbst des Denkens Leuchten
Im Innern kraftvoll zu entfachen,
Erlebtes sinnvoll deutend
Aus Weltengeistes Kräftequell,
Ist mir nun Sommererbe,
Ist Herbstesruhe und auch Winterhoffnung.

Mijn eigen lichtend denken
in mijn innerlijk nu krachtig te ontsteken,
belevenissen zinvol duidend
uit de krachtbron van de wereldgeest,
dat is voor mij nu erfgoed van de zomer,
rust in de herfst en hoop voor wintertijd.
Vierte Oktober-Woche
27. Oktober-2. November
30
Es sprießen mir im Seelensonnenlicht 
Des Denkens reife Früchte, 
In Selbstbewußtseins Sicherheit 
Verwandelt alles Fühlen sich. 
Empfinden kann ich freudevoll 
Des Herbstes Geisterwachen: 
Der Winter wird in mir 
Den Seelensommer wecken.

In 't zielezonnelicht ontspruiten
de rijpe vruchten van mijn denken;
in zelfbewuste zekerheid
verandert al mijn voelen zich.
Beleven kan ik vreugdevol
het geestelijk ontwaken in de herfst:
De winter zal in mij
een zielezomer wekken.
Erste November-Woche
3.-9.November
31
Das Licht aus Geistestiefen,
Nach außen strebt es sonnenhaft.
Es wird zur Lebenswillenskraft
Und leuchtet in der Sinne Dumpfheit,
Um Kräfte zu entbinden,
Die Schaffensmächte aus Seelentrieben
Im Menschenwerke reifen lassen.

Het licht uit diepten van de geest,
naar buiten streeft het zonnemachtig :
het wordt tot wilskracht voor het leven
en zendt zijn glans in doffe zintuigwereld
om krachten los te maken,
die scheppingsmacht uit zielekracht
in het menselijk werk tot rijping brengen.
Zweite November-Woche
10.-16.November
32
Ich fühle fruchtend eigne Kraft
Sich stärkend mich der Welt verleihn; 
Mein Eigenwesen fühl ich kraftend 
Zur Klarheit sich zu wenden 
Im Lebensschicksalsweben.

Ik voel hoe vruchtbaar d'eigen kracht
sterk wordend mij aan de wereld schenkt;
mijn eigen wezen wint aan kracht
om tot helderheid te komen
in het weven van het levenslot.
Dritte November-Woche
17.-23.November
33
So fühl ich erst die Welt,
Die außer meiner Seele Miterleben 
An sich nur frostig leeres Leben 
Und ohne Macht sich offenbarend, 
In Seelen sich von neuem schaffend, 
In sich den Tod nur finden könnte.

Zo beleef ik pas de wereld,
die zonder medeleven van mijn ziel
op zich een kil leeg leven voert
en zonder macht zich openbarend,
in zielen zich steeds weer vernieuwend,
in zich de dood slechts vinden zou.
Vierte November-Woche
24.-30.November
34
Geheimnisvoll das Alt-Bewährte
Mit neu erstandnem Eigensein
Im Innern sich belebend fühlen:
Es soll erweckend Weltenkräfte
In meines Lebens Außenwerk ergießen
Und werdend mich ins Dasein prägen.

Vol tedere geheimzinnigheid het lang-bewaarde
met het herrezen eigen-zijn
in mij tot nieuw leven voelen komen :
het moet, opwekkend, wereldkrachten
uitgieten in 't werk dat ik de wereld geef
en wordend mij met 't zijn verweven.
Erste Dezember-Woche
1.-7.Dezember
35
Kann ich das Sein erkennen, 
Dass es sich wiederfindet 
Im Seelenschaffensdrange ? 
Ich fühle, dass mir Macht verlieh'n, 
Das eigne Selbst dem Weltenselbst 
Als Glied bescheiden einzuleben.

Kan ik het zijn zo kennen,
dat het zichzelve terugvindt
in zielescheppingsdrang ?
Ik voel, dat mij de macht geschonken is,
om het eigen zelf bij het wereld-zelf
als wezensdeel bescheiden in te lijven.
WINTER 
Zweite Dezember-Woche
8.-14.Dezember
36
In meines Wesens Tiefen spricht 
Zur Offenbarung drängend 
Geheimnisvoll das Weltenwort: 
Erfülle deiner Arbeit Ziele 
Mit meinem Geisteslichte, 
Zu opfern dich durch mich.

In diepten van mijn wezen spreekt,
dringend om aan het licht te komen,
vol van geheim, het wereldwoord :
Vervul het doel van al je arbeid
nu met mijn geesteslicht
en offer je door mij.
Dritte Dezember-Woche
15.-21.Dezember
37
Zu tragen Geisteslicht in Weltenwinternacht 
Erstrebet selig meines Herzens Trieb, 
Dass leuchtend Seelenkeime 
In Weltengründen wurzeln, 
Und Gotteswort im Sinnesdunkel 
Verklärend alles Sein durchtönt.

Het geesteslicht in wereldwinternacht te dragen,
is nu het gelukkig streven van mijn hart,
zodat de zielekiemen lichtend
in wereldgronden wortel schieten
en 't goddelijk woord in 't duistere rijk der zinnen
hel-stralend door al het zijnde klinkt.
Weihe-Nacht-Stimmung
22.-28. Dezember
38
Ich fühle wie entzaubert
Das Geisteskind im Seelenschoß; 
Es hat in Herzenshelligkeit 
Gezeugt das heil'ge Weltenwort 
Der Hoffnung Himmelsfrucht, 
Die jubelnd wächst in Weltenfernen 
Aus meines Wesens Gottesgrund.

Ik voel als uit betovering verlost
het geesteskind in mijn zieleschoot;
in lichte klaarheid van het hart
verwekte het heilig wereldwoord
de hemelse vrucht van de hoop,
die jubelend groeit naar wereldverten
uit de godsgrond van mijn wezen.
Fünfte Dezember-Woche
29. Dezember-4.Januar
39
An Geistesoffenbarung hingegeben
Gewinne ich des Weltenwesens Licht.
Gedankenkraft, sie wächst
Sich klärend mir mich selbst zu geben,
Und weckend löst sich mir
Aus Denkermacht das Selbstgefühl.

In overgave aan de openbaring van de geest
verwerf ik licht van het wereldwezen.
De kracht van het denken groeit in mij
om dan steeds klaarder wordend mij mijzelf te schenken,
en wekkend maakt zich in mij los,
uit macht van 't denken, het zelfgevoel.
Erste Januar-Woche
5.-11.Januar
40
Und bin ich in den Geistestiefen, 
Erfüllt in meinen Seelengründen 
Aus Herzens Liebewelten 
Der Eigenheiten leerer Wahn 
Sich mit des Weltenwortes Feuerkraft.

En daal ik af in geestesdiepten,
dan vult op de bodem van mijn ziel
uit liefdewereld van het hart
de lege waan van het eigen zijn
zich met de vuurkracht van het wereldwoord.
Zweite Januar-Woche
12.-18.Januar
41
Der Seele Schaffensmacht,
Sie strebet aus dem Herzensgrunde,
Im Menschenleben Götterkräfte
Zu rechtem Wirken zu entflammen,
Sich selber zu gestalten
In Menschenliebe und im Menschenwerke.

Van uit het diepste van het hart
streeft de scheppingsmacht der ziel
om in 't mensenleven goddelijke krachten
tot vruchtbare werkzaamheid te doen ontvlammen,
en zelf gestalte aan te nemen
in mensenliefde en in 't menselijk werk.
Dritte Januar-Woche
19.-25.Januar
42
Es ist in diesem Winterdunkel
Die Offenbarung eigner Kraft
Der Seele starker Trieb,
In Finsternisse sie zu lenken
Und ahnend vorzufühlen,
Durch Herzenswärme, Sinnesoffenbarung.

In deze donkere wintertijd
is openbaring van de eigen kracht
de sterke drijfveer voor de ziel
om duisternissen te doordringen
en door de hartewarmte, vol verwachting,
de zintuigopenbaring te voorvoelen.
Vierte Januar-Woche
26.Januar-1.Februar
43
In winterlichen Tiefen
Erwarmt des Geistes wahres Sein;
Es gibt dem Weltenscheine
Durch Herzenskräfte Daseinsmächte;
Der Weltenkälte trotzt erstarkend
Das Seelenfeuer im Menscheninnern.

In diepten van het wintertij
neemt 't ware geestelijk zijn in warmte toe;
het schenkt aan wereldglans
door hartekrachten wezensmachten;
het zielevuur in 't mensen-innerlijk
trotseert steeds sterker wordend de wereldkoude.
Erste Februar-Woche
2.-8.Februar
44
Ergreifend neue Sinnesreize 
Erfüllet Seelenklarheit, 
Eingedenk vollzogner Geistgeburt, 
Verwirrend sprossend Weltenwerden 
Mit meines Denkens Schöpferwillen.

Bij 't opnemen van nieuwe zintuig-indrukken
vervult nu zieleklaarheid,
indachtig
de geboorte van de geest die zich voltrokken heeft,
't verwarrend kiemend leven overal
met het scheppend willen van mijn denken.
Zweite Februar-Woche
9.-15.Februar
45
Es festigt sich Gedankenmacht 
Im Bunde mit der Geistgeburt, 
Sie hellt der Sinne dumpfe Reize 
Zur vollen Klarheit auf. 
Wenn Seelenfülle
Sich mit dem Weltenwerden einen will, 
Muss Sinnesoffenbarung 
Des Denkens Licht empfangen.

Steeds sterker wordt de macht van 't denken,
verbonden met de geestgeboorte.
Door haar wordt de omfloerste zintuigindruk
tot volle klaarheid opgehelderd.
Wanneer de zielerijkdom
zich wil verenigen met wereld-wording
moet zintuigopenbaring
van het denken 't licht ontvangen.
Dritte Februar-Woche 
16. -22.Februar
46
Die Welt, sie drohet zu betäuben 
Der Seele eingebor'ne Kraft; 
Nun trete du, Erinnerung, 
Aus Geistestiefen leuchtend auf 
Und stärke mir das Schauen, 
Das nur durch Willenskräfte 
Sich selbst erhalten kann.

De wereld dreigt nu te bedwelmen
de in de ziel geboren kracht;
kom nu nabij, herinnering,
en straal je licht uit diepten van de geest,
maak sterk mijn innerlijk schouwen,
dat slechts door krachtig willen
zich zelf in stand kan houden.
Vierte Februar-Woche
23.Februar-1.März
47
Es will erstehen aus dem Weltenschoße, 
Den Sinnenschein erquickend, Werdelust. 
Sie finde meines Denkens Kraft 
Gerüstet durch die Gotteskräfte, 
Die kräftig mir im Innern leben.

Verrijzen wil uit de wereldschoot,
het zintuigrijk verkwikkend, wordingsvreugd.
Zij vinde nu mijn denkvermogen
gesterkt door goddelijke krachten
die krachtig in mijn innerlijk leven.
Erste März-Woche
2.-8.März
48
Im Lichte, das aus Weltenhöhen 
Der Seele machtvoll fließen will, 
Erscheine, lösend Seelenrätsel, 
Des Weltendenkens Sicherheit, 
Versammelnd seiner Strahlen Macht, 
Im Menschenherzen Liebe weckend.

In 't licht dat uit wereldhoogten
machtig wil stromen tot de ziel
verschijne, zieleraadselen ontwarrend,
de zekerheid van het werelddenken,
verzamelend zijn stralen-macht,
in 't mensenhart de liefde wekkend.
Zweite März-Woche
9.-15.März
49
Ich fühle Kraft des Weltenseins: 
So spricht Gedankenklarheit, 
Gedenkend eignen Geistes Wachsen 
In finstern Weltennächten, 
Und neigt dem nahen Weltentage 
Des Innern Hoffnungsstrahlen.

Ik voel de kracht van het wereld-zijn :
zo spreekt het heldere denken,
indachtig de eigen geestelijke groei
in donkere wereldnachten,
en wijdt aan de nabije werelddag
zijn hoopvervulde zielestraling.
Dritte März-Woche
16.-20.März
50
Es spricht zum Menschen-Ich, 
Sich machtvoll offenbarend 
Und seines Wesens Kräfte lösend, 
Des Weltendaseins Werdelust: 
In dich mein Leben tragend 
Aus seinem Zauberbanne, 
Erreiche ich mein wahres Ziel.

Zo spreekt tot het mensen-ik,
zich machtig openbarend
en zijn wezens-eigen kracht bevrijdend,
de wordingsvreugd van het wereld-zijn :
In U mijn leven dragend
vanuit zijn toverban,
bereik ik pas mijn ware doel.
Frühling-Erwartung
21.-25.März
51
Ins Innre des Menschenwesens 
Ergießt der Sinne Reichtum sich, 
Es findet sich der Weltengeist 
Im Spiegelbild des Menschenauges, 
Das seine Kraft aus ihm 
Sich neu erschaffen muss.

In 't innerlijk van het mensenwezen
stort zich de rijkdom van de zintuigwereld uit,
de wereldgeest vindt zichzelve terug
in het spiegelbeeld van het menselijk oog,
dat nu zijn kracht uit hem
opnieuw moet putten.
Fünfte März-Woche
20.-31.März
52
Wenn aus den Seelentiefen
Der Geist sich wendet zu dem Weltensein
Und Schönheit quillt aus Raumesweiten,
Dann zieht aus Himmelsfernen
Des Lebens Kraft in Menschenleiber
Und einet, machtvoll wirkend,
Des Geistes Wesen mit dem Menschensein.

Als uit de diepten van de ziel
de geest zich wendt tot 't wereld-zijn
en schoonheid openbloeit uit heel de wijde ruimte,
dan dringt uit hemelverten
de levenskracht in 't mensenlichaam
en verenigt, machtig werkend,
het wezen van de geest met het menselijk zijn.


Naar het thuisblad.