De schijnbare onverenigbaarheid van de wet van het karma met de vergeving der zonden

Door Jan Vermeir

Als men het begrip karma beschouwt, en men stelt daarnaast " de vergeving der zonden door Christus", dan worden vele antroposofen voor een dilemma geplaatst. Hoe kan vergeving van zonden nu immers verenigbaar zijn met karma? Want als er een zonde vergeven wordt, dan valt ook de schuld weg die ontstaan is ten gevolge van die zonde, en dat druist regelrecht in tegen de onverbiddelijke karmische wet die bepaalt dat iedere schuld moet vereffend worden. Tijdens een voordracht van 15/05/1914 (GA 155) loste Rudolf Steiner het probleem van deze klaarblijkelijke tegenstrijdigheid op. Hij sprak er over twee soorten karma: het individueel karma van ieder mens afzonderlijk dat iedereen voor zichzelf moet vereffenen, en het aardekarma dat het gevolg is van de zonden van alle mensen. Door de zonden van de mensen wordt de wereld in haar totaliteit slechter, en slechter worden houdt in dat er schuld gecreerd wordt. De mensen kunnen deze schuld niet vereffenen, ook de wereld zelf niet, maar Christus neemt die schuld op zich. Dit staat zelfs in het evangelie, waar Johannes de Doper getuigt op het ogenblik dat hij Jezus gaat dopen; niet het weinig betekenisvolle "Zie het lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt", maar wel: "Zie het lam Gods dat de zondelast van de wereld op zich neemt" (Joh. 1:29). Dit betekent eenvoudig dat de last die ontstaan is door de zonden der mensen en die de wereld moet dragen, door Christus overgenomen wordt. Wij laten Rudolf Steiner aan het woord:

"...Beschouwt men de onderlinge verhouding tussen 'schuld en zonde' en 'karma', dan zeggen vele antroposofen simpelweg: wij geloven aan karma, en dat betekent: een schuld die iemand in n of andere incarnatie maakt, die draagt hij mee met zijn karma, en later lost hij ze af; bijgevolg komt er in de loop van de incarnaties een vereffening tot stand. Maar nu ontstaat er een probleem als men zich afvraagt of dit verenigbaar kan zijn met het christelijk begrip van de vergeving der zonden door Christus. Want de zondenvergeving is een waarachtig christelijk principe. Men hoeft bijvoorbeeld slechts aan het volgende te denken: Christus aan het kruis. De misdadiger aan zijn linkerzijde drijft de spot met hem en spreekt hem toe: 'Zijt gij niet de Christus? Red dan uzelf en ons!' (Lk. 23:29). De misdadiger ter rechterzijde van Christus verwijt daarop de andere dat hij zo niet moet spreken, omdat zij beiden terecht krijgen wat zij verdiend hebben, maar dat Christus, hoewel hij onschuldig is, hetzelfde lot moet ondergaan. En hij voegt er aan toe: 'Jezus, denk aan mij, wanneer gij in uw rijk komt'. Daarop antwoordt Christus hem: 'Waarlijk, ik zeg u, heden nog zult gij met mij in het paradijs zijn' (Lk. 23:42-43). Dit antwoord kan men niet zomaar wegcijferen, het is integendeel zeer belangrijk en betekenisvol. De antroposoof wordt hier voor een probleem gesteld wanneer hij bedenkt dat net als de misdadiger aan de linkerzijde, ook de misdadiger aan de rechterzijde op grond van zijn karma moet uitdelgen wat hij misdaan heeft, terwijl Christus als het ware vergevensgezind zegt: 'Heden nog zult gij met mij in het paradijs zijn'. Waarom maakt Christus een onderscheid tussen de misdadiger rechts en deze links van hem? Het lijdt geen twijfel dat de antroposofen met hun karma-opvatting hiermee een probleem hebben. En dit probleem is ook niet gemakkelijk op te lossen; maar het is oplosbaar indien men met geesteswetenschappelijk onderzoek dieper in de christelijke leer tracht door te dringen [...] De grond van de zaak is dat Christus een wezen is dat niet hetzelfde is als de andere wezens op aarde, dat dit wezen, dat voordien niet op aarde was, bij de doop in de Jordaan in het lichaam van Jezus van Nazareth binnengegaan is. Wij hebben hier te maken met een wezen dat met recht tot zijn leerlingen kan zeggen: 'Gij zijt uit de diepten, ik ben uit de hoogten' (Joh. 8:23), hetgeen betekent: ik ben uit het rijk der hemelen, gij zijt uit het rijk der aarde. En wat daaruit volgt, is dit: wat een aards oordeel is, volkomen gerechtigd voor de aarde, een oordeel dat iedereen moet vellen voor zover hij een aardewezen is, moet dat ook het oordeel zijn van dat kosmisch wezen dat tijdens de doop in de Jordaan in het lichaam van Jezus gekomen is? Dat kosmisch wezen oordeelt niet op aardse, maar op hemelse wijze, het moet anders dan de mensen oordelen. En laat ons nu eens de uitzonderlijke betekenis beschouwen van het woord dat daar op Golgotha is uitgesproken. De misdadiger links gelooft niet dat Christus een wezen is dat tot een bijzonder rijk behoort, dat niet het aardse rijk is. Maar de misdadiger ter rechterzijde komt vlak voor zijn dood tot het besef: uw rijk, o Christus, is een ander; gedenk mij, wanneer gij in uw rijk komt. Op dat ogenblik laat deze misdadiger blijken dat hij er een voorgevoel van heeft dat Christus tot een ander rijk behoort, waar gans andere oordeelskrachten dan op aarde heersen. En zo kan Christus, zich ervan bewust dat hij in zijn eigen rijk staat, antwoorden: waarlijk, omdat gij iets vermoedt van mijn rijk, zult gij vandaag nog, bij uw dood, met mij in mijn rijk zijn. Hier hebben wij een verwijzing naar de bovenaardse Christuskracht, die in staat is de menselijke individualiteit te laten opstijgen naar een geestelijk rijk. Volgens het aards of menselijk oordeelsvermogen moeten natuurlijk, ingevolge de wet van het karma, de beide misdadigers hun schuld vereffenen. Maar voor het hemels oordeel geldt er iets anders. Dit is echter nog maar het begin van het probleem, want uiteraard kan men nu opwerpen: ja, dan is het hemels oordeel eenvoudig tegenstrijdig met het aardse oordeel. Hoe kan Christus vergeven, wanneer het aardse oordeel juist een karmische gerechtigheid vordert? Ja, beste vrienden, dat is een moeilijke vraag, maar wij zullen deze kwestie toch eens van naderbij beschouwen. Ik wil er u echter uitdrukkelijk attent op maken, dat we hiermee n van de allermoeilijkste vragen uit de occulte wetenschap aanraken... Wij moeten namelijk een onderscheid maken, die de menselijke ziel niet graag maakt, omdat zij niet graag een beschouwing tot in haar laatste consequenties uitdiept wanneer er enige moeilijkheden mee gepaard gaan. Dus ik maak er u attent op, dat wij een moeilijk onderwerp zullen behandelen, en dat het wellicht noodzakelijk zal zijn dat u dat wat hier zal besproken worden dikwijls in uw ziel zult moeten overpeinzen om de zaak te begrijpen.

Wij moeten dus allereerst een onderscheid maken. Eerst zullen wij nagaan wat er bewerkstelligd wordt door een objectieve gerechtigheid in het karma. Het moet ons volkomen duidelijk zijn, dat de mens in elk geval aan zijn karma gebonden is, dat hij karmisch moet vereffenen wat hij misdaan heeft. En welbeschouwd zal de mens niet anders willen. Want veronderstel eens dat iemand ergens een onrecht doet. Hij is daardoor onvolmaakter geworden, en hij kan de graad van volkomenheid die hij had vr hij het onrecht deed, slechts opnieuw bekomen wanneer hij het onrecht ongedaan maakt. De mens moet dus de wens hebben om zijn wandaden te vereffenen, want alleen daardoor kan hij de graad van volkomenheid bereiken die hij had vr zijn wandaden. Zo kunnen wij voor onze eigen vervolmaking alleen maar wensen, dat het karma als een objectieve gerechtigheid bestaat. In de grond van de zaak kan er bijgevolg, als wij de menselijke vrijheid willen respecteren, helemaal niet de wens ontstaan dat er ons n of andere zonde vergeven wordt in de zin van bijvoorbeeld, als wij vandaag iemand de ogen uitsteken en ons deze zonde dan vergeven wordt, dat wij dan de schuld die door deze zonde ontstaan is, niet meer moeten vereffenen. Iemand die een ander de ogen uitsteekt is onvolmaakter dan iemand die dat niet gedaan heeft, en volgens de wet van het karma zal hij daarvoor later een overeenkomstige goede daad moeten verrichten; dan is hij als mens opnieuw even volkomen als hij was, vr hij zijn wandaad verrichtte. Wanneer men werkelijk over het wezen van de mens nadenkt, kan derhalve absoluut niet de gedachte opkomen dat, wanneer een mens een ander de ogen uitsteekt, hem dat zou vergeven worden waarmee zodoende zijn karma zou vereffend zijn. Zo is het karma volkomen gerechtigd, wij worden ons als het ware geen centiem kwijtgescholden, alles moeten wij terugbetalen. Maar ten opzichte van de schuld is er nog iets anders. De schuld die wij op ons laden door de zonden die wij begaan, belangt niet alleen ons aan, maar zij heeft ook gevolgen voor de wereld, zij is ook een objectieve wereldaangelegenheid. En hier moeten wij nu een onderscheid maken. Wat wij misdaan hebben, vereffenen wij door ons karma; wanneer wij iemand de ogen uitgestoken hebben, dan is dat een gebeurtenis die zich werkelijk heeft voorgedaan, en ondanks het feit dat wij dan in een volgende incarnatie iets doen dat die misdaad goedmaakt, blijft voor de wereld toch het werkelijke feit bestaan dat wij zovele eeuwen terug iemand de ogen uitgestoken hebben. Dat is een objectief feit in het wereldgebeuren. De fout die wij gemaakt hebben, vereffenen wij voor onszelf later door ons karma, maar voor de wereld is zij een objectief gegeven, voor de wereld blijft de fout bestaan, en daaraan kunnen wijzelf niets veranderen. Wij moeten dus een onderscheid maken tussen de gevolgen van een zonde voor onszelf, en de gevolgen voor de wereld. Het is uitermate belangrijk dat wij dit onderscheid maken. En nu wil ik hier een occulte beschouwing tussenvoegen, waardoor de zaak wellicht een beetje begrijpelijker wordt.

Wanneer men de mensheidsontwikkeling bekijkt vanaf het mysterie van Golgotha, en men schouwt -zonder doordrongen te zijn van het Christuswezen- in de akasha-kroniek (*), dan kan men zich zeer gemakkelijk vergissen. Want in deze akasha-kroniek neemt men dan beelden waar, die zeer dikwijls niet overeenstemmen met wat te vinden is in de karmische ontwikkelingsgang van de afzonderlijke mens. Ik bedoel daarmee het volgende: veronderstellen wij dat, wat mij betreft, in het jaar 733 ergens een mens geleefd heeft en toen een zware schuld op zich geladen heeft. Nu onderzoekt men de akasha-kroniek, zonder dat men ergens iets heeft van een verbinding met Christus. En kijk daar, men kan de betreffende schuld niet vinden in de akasha-kroniek. Onderzoekt men nu het karma van die mens, dan vindt men in diens karma dat deze nog iets te vereffenen heeft; en dat zou in de akasha-kroniek moeten opgetekend staan, maar het staat er niet in.

(*) De geestelijke sfeer waarin alle gebeurtenissen die in de fysieke wereld plaatsvinden, worden ingeschreven en waar zij blijven bestaan. De ingewijde kan door het "lezen" in deze geestelijke sfeer de geschiedenis van mens en wereld leren kennen. Wanneer men het karma onderzoekt, ziet men: ja, hij moet de schuld vereffenen, en dan zou men die schuld uit die betreffende incarnatie ook in de akasha-kroniek moeten terugvinden, maar ze staat er niet in. Wat een tegenstrijdigheid! Dat is een volkomen objectief feit dat zich in talrijke gevallen kan voordoen. Ik kan vandaag een mens ontmoeten, en wanneer het mij door genade gegeven wordt iets te weten te komen over diens karma, kan ik wellicht zien dat n of ander ongeluk of een slag van het noodlot dat hem treft het gevolg is van zijn karma, dat het de vereffening is van een schuld uit het verleden. Ga ik de zaak na in vroegere incarnaties en vind ik wat er toen gebeurd is, dan zie ik niets daarvan in de akasha-kroniek opgetekend. Waardoor komt dat? Dat komt omdat Christus werkelijk de objectieve schuld op zich genomen heeft. Vanaf het ogenblik dat ik mij met het Christuswezen doordring, dat ik met de Christus in mijn gemoed de akasha-kroniek onderzoek, vind ik de schuld! Christus heeft ze in zijn rijk opgenomen en draagt ze verder met zich mee; maar als ik er Christus niet bij betrek, kan ik de schuld niet vinden in de akasha-kroniek. Dit onderscheid moet men in acht nemen: de karmische gerechtigheid blijft bestaan, maar met betrekking tot de werkingen van een schuld in de geestelijke wereld treedt Christus op; HIJ neemt deze schuld in zijn rijk op en draagt ze verder mee. Het is de Christus die in staat is, omdat hij tot een ander rijk behoort, onze schulden en zonden in de wereld te delgen en op zich te nemen.

Hoe spreekt dan eigenlijk de Christus aan het kruis op Golgotha tot de misdadiger aan zijn linkerzijde? Hij spreekt het weliswaar niet uit, maar juist doordat hij niet spreekt maakt hij deze misdadiger duidelijk: wat ge gedaan hebt, zal niet alleen in de fysieke wereld, maar ook in de geestelijke wereld verder werken. Maar tot de misdadiger aan zijn rechterzijde zegt de Christus: 'Vandaag nog zult ge met mij in het paradijs zijn'. Dat betekent: ik ben bij uw daad; weliswaar zult gij door uw karma later de gevolgen van uw daad voor uzelf moeten ondergaan, maar wat uw daad voor de wereld beduidt, dat is mijn zaak, zegt de Christus. Het is alleszins een zeer belangrijk onderscheid dat wij hier maken, en de zaak heeft niet alleen betekenis voor de tijd na het mysterie van Golgotha, maar ook voor de tijd ervoor. Sommigen van onze vrienden hier zullen zich herinneren dat ik in vroegere voordrachten opgemerkt heb dat Christus -en dat is niet zomaar een legende- na zijn dood werkelijk afgedaald is naar de toen gestorven zielen, en daar hetzelfde gedaan heeft voor die zielen, die in de voorafgaande tijden schuld en zonde op zich geladen hebben [...] Karma is een aangelegenheid van de opeenvolgende incarnaties van de mens. Karmische gerechtigheid behoort tot het gebied van de aarde; wat Christus voor de mensheid doet, is een beslissing die afkomstig is uit andere werelden dan de aarde. En wat zou er gebeuren indien dit niet zo zou zijn? Laat ons daarvoor eens kijken naar de toekomst, naar het einde der aardetijden, wanneer de mensen aan het eind van hun aardse incarnaties zullen zijn. Zeer zeker zullen dan alle schulden tot de laatste duit moeten afbetaald zijn. De menselijke zielen zullen dan hun karma moeten vereffend hebben. Maar stellen wij ons eens voor dat alle schuld dat de aarde moet dragen zou blijven bestaan, dat al die schuld haar werking zou uitoefenen in de aarde. Dan zouden de mensen met hun vereffend karma wel het einde der aardetijden bereikt hebben, maar de aarde zou niet klaar zijn om zich tot Jupiter [d.i. de fase die volgt op de huidige aardefase, in de Apokalyps aangeduid als 'het nieuwe Jeruzalem'] te ontwikkelen en de mensheid zou geen woonplaats vinden, zij zou geen mogelijkheid hebben om zich op Jupiter verder te ontwikkelen. Dat de ganse aarde zich mede ontwikkelt met de mensheid, is het gevolg van Christus' daad. Zonder dit zouden alle door de mens veroorzaakte vernietigingskrachten waarmee de aarde belast is, haar in de duisternis stoten, en wij zouden geen planeet hebben voor onze verdere ontwikkeling [...]

Wij schouwen hier in diepe geheimen van de aardeontwikkeling. Maar wat is er noodzakelijk om de werkelijkheid op dit gebied te doorgronden? Noodzakelijk is dat men de mogelijkheid heeft, of men nu een zondaar of een rechtgeaard mens is, de Christus te aanschouwen, dat men geen lege ruimte ziet waar Christus zich zou moeten bevinden. De verbondenheid met Christus is noodzakelijk. Zelfs de misdadiger aan de rechterzijde laat in zijn woorden zijn verbondenheid met Christus blijken. En wanneer de Christus aan degenen die in zijn geest handelen, in zekere zin de opdracht gegeven heeft om zonden te vergeven, dan is daarmee nooit ofte nimmer bedoeld dat er afbreuk wordt gedaan aan het karma; wat er wel mee bedoeld wordt, is dat ten behoeve van degenen die met Christus in verbinding staan, de aarde bespaard blijft van de geestelijke gevolgen van schuld en zonde, ook wanneer zij door het karma vereffend worden. Wat betekent het voor de menselijke ziel, wanneer degene die in opdracht van Christus de volgende woorden spreekt: 'Uw zonden zijn u vergeven' ? (Mat. 9:2). Het betekent dat deze kan bekrachtigen: weliswaar moet ge u verwachten aan een karmische vereffening, maar uw schuld en zonde heeft Christus omgewend, opdat ge later niet het ontzaglijk leed moet ondergaan, terug te kijken naar uw schuld door dewelke gij een stuk van de aarde vernietigd hebt. Christus delgt de schuld. Daartoe is echter een zeker bewustzijn noodzakelijk, dat vereist wordt van degene die vergeven wil: het bewustzijn dat men schuld heeft en het bewustzijn dat de Christus deze schuld op zich kan nemen. Aldus hebben de woorden 'uw schulden zijn u vergeven' een kosmische betekenis en niet een karmische betekenis[...]"

Terug naar de inhoudstafel.