Over onze bewaarengel en het karma van de antroposoof

Door Jan Vermeir

In De Brug nr. 30 verscheen er een artikel over de lotsbestemming van de mens (pag. 22). Enkele lezers hadden nogal wat vragen over de inhoud van de laatste paragraaf van dit artikel. Hun kritiek is terecht, want de tekst is te algemeen en te beknopt; bovendien ontbreekt de bronvermelding.

Kort samengevat wordt er in de betreffende paragraaf beweerd dat er sedert de 9e eeuw twee van elkaar gescheiden engelengroepen bestaan. Dit zou dan complicaties kunnen teweegbrengen in het lot van karmisch verbonden mensen. Want de bewaarengel van de ene mens moet samenwerken met de bewaarengel van de andere mens opdat er karma kan afgelost worden, en als die engelen nu juist niet tot dezelfde groep behoren, dan kan er van het aflossen van karma geen sprake zijn.

Wij ontvingen o.a. een bericht van een lezer met de volgende opmerkingen en vragen :
- J.V. suggereert dat er mensen zijn met goede bewaarengelen en mensen met slechte bewaarengelen;
- ik heb al gans mijn leven de indruk dat mijn bewaarengel zijn werk niet goed doet, waaruit ik moet besluiten dat hij tot de afvalligen behoort;
- zou ik mijn slechte bewaarengel niet beter links laten liggen ?
- kan ik hem aan de deur zetten en hem vervangen door een andere ?
Deze lezer zou graag enige verduidelijking willen omtrent deze punten. Wij zullen proberen om die te geven. Op de volgende bladzijden staan veel uittreksels uit voordrachten die Rudolf Steiner in 1924 gehouden heeft. Alle citaten (tenzij anders vermeld) kan men terugvinden in "Esoterische Betrachtungen Karmischer Zusammenhšnge" - Band III (GA 237).

Om de hiernavolgende dingen in hun juiste context te zien, lijkt het aangewezen om vooraf een korte samenvatting te geven van enkele gebeurtenissen die zich sedert het Mysterie van Golgotha op aarde en in de geestelijke wereld afgespeeld hebben.

In de eerste eeuwen na Christus waren er twee verschillende groepen christenen ontstaan. De ene groep stond onder het kerkelijk Rooms gezag, de andere groep vertegenwoordigde mensen die hun christen-zijn vroom en rein wilden beleven. Maar dezen werden door de Kerk als ketters beschouwd (onder hen behoorden o.a. de ManicheeŽrs en de Katharen) en mettertijd werden zij onderdrukt door, of onderworpen aan het Ahrimanisch geworden kerkelijk Christendom. Maar het verlangen om hun godsdienst op een waarachtige en zuivere manier te belijden, doofde niet uit in de zielen van deze "ketters".

In de vroege middeleeuwen stond de mensheid nog grotendeels onder de invloed van de "kosmische intelligentie" die door de aartsengel MichaŽl beheerd werd; m.a.w. instinctief werden de mensen nog geleid door de raadsbesluiten die de hemelse hiŽrarchieŽn hun dicteerden. De mensheid moest echter haar volle vrijheid kunnen verwerven en MichaŽl moest afstand doen van het beheer over de kosmische intelligentie; de intelligentie daalde af naar de aarde en werd daar het exclusief bezit van de mensen, maar tegelijk verloor zij haar spiritueel karakter.

En Ahriman, die lang tevoren al zijn invloed op aarde had doen gelden, zag in deze nieuwe ontwikkeling een uitgelezen kans om de mensheid nu definitief in zijn greep te krijgen. MichaŽl die tot elke prijs de intelligentie spiritueel wil houden, merkte vanuit de zonnesfeer wat er op aarde aan het gebeuren was, en om de Ahrimanische invloed tegen te gaan verzamelde hij in de 15e eeuw in de geestelijke wereld een groot aantal toen niet-geÔncarneerde mensenzielen rond zich. Het waren juist die (ketterse) zielen die altijd een groot verlangen naar het ware christendom hadden gehad, die hij bij zich riep. En in die bovenzinnelijke school onderrichte MichaŽl hen over de aan gang zijnde evolutie op aarde, hoe de kosmische intelligentie op aarde neergedaald was en daar een Ahrimanisch karakter aangenomen had. Hij liet hen bezinnen over de toekomst, over het nieuwe MichaŽltijdperk dat in 1879 zou aanbreken, want vanaf dan zou het mogelijk worden om de aards geworden intelligentie een spirituele impuls te geven. In het begin van de 19e eeuw vond er nog eens, ook onder MichaŽls leiding, zo een conferentie plaats in de geestelijke wereld.

MichaŽl wil niets anders van de mensenzielen die die bovenzinnelijke scholen bijgewoond hebben, dan dat zij zich tijdens hun volgende incarnatie in zijn dienst stellen om de intelligentie op aarde te vergeestelijken.

Alle echte antroposofen, heeft Rudolf Steiner gezegd, hebben aan tenminste ťťn van die bovenzinnelijke bijeenkomsten deelgenomen:

"Wie werkelijk een drang naar antroposofie heeft, die heeft tegenwoordig - nu nog onbewust, nu beseft men daar nog niets van, maar men zal het wel leren kennen - de nawerking in zijn ziel van het feit dat hij toen in de kring rond MichaŽl de hemelse antroposofie die aan de aardse voorafging, opgenomen heeft. Want de leer van MichaŽl was van dien aard dat daardoor voorbereid werd wat op aarde antroposofie zou worden."

Het is hoegenaamd geen simpele opdracht die MichaŽl van de antroposofen verlangt. Maar de impulsen van MichaŽl zijn zo sterk, zegt Rudolf Steiner, dat zij vanuit het geestelijke tot in de ganse mens doorwerken. Zij werken vanuit het geestelijke naar de ziel, en van daar uit tot in het lichamelijke. Precies om die MichaŽlische impuls, die als het ware in de antroposofenziel ingegrift is, roept hij de antroposofen op om hun karma moedig en oprecht te dragen:

"... Mensen die behoren tot de Antroposofische Vereniging, zijn ronduit voorbestemd om hun karma zwaarder te beleven dan anderen. En als men voorbijgaat aan dit zware lot, als men zijn karma op een gemakkelijke manier wil beleven, dan wreekt zich dat op ťťn of andere manier. Een antroposoof moet zijn lot oprecht kunnen dragen; een echte antroposoof moet opmerkzaam zijn voor zijn lotsbestemming. De wens om het karma gemakkelijk te willen beleven, leidt er juist toe dat dit zich wreekt in ziektes, ongevallen en dergelijke."

Hier volgt dan een deel van een voordracht van Rudolf Steiner waarin hij beweert dat er twee van elkaar gescheiden engelengroepen bestaan (hij spreekt niet over "goede" en "slechte" engelen; in de geestelijke wereld zijn "goed" en "slecht" trouwens zeer relatieve begrippen).

"...In het jaar 869 vond het algemeen Oecumenisch Concilie van Constantinopel plaats. Dat was een belangrijke, betekenisvolle gebeurtenis, want daar werd geordonneerd dat de oude opvatting over de drie-eenheid - dat de mens uit lichaam, ziel en geest bestaat - als ketters moest opgevat worden: de mens bestaat enkel [zo werd daar beslist] uit lichaam en ziel, zij het dat men aan de ziel enkele geestelijke eigenschappen kan toekennen. Terwijl zich objectief het feit voltrok dat de intelligentie overging op de individuele mens, werd op aarde -en wel op zo een nadrukkelijke wijze dat niemand binnen de Europese beschaving het wagen kon dit tegen te spreken- gedecreteerd dat de drie-eenheid vals, ketters is.

Niemand durfde er nog over spreken dat de mens bestaat uit lichaam, ziel en geest, maar slechts van lichaam en ziel durfde men spreken waarbij men aan de ziel enkele geestelijke eigenschappen toeschreef. Hierdoor was er op aarde iets gebeurd waarvan men in de rijken van MichaŽl enkel kon zeggen: nu zal in de zielen van de mensen de overtuiging binnendringen dat het geestelijke een eigenschap van de ziel is, dat het geestelijke niet het goddelijke is dat in de loop van de mensheidsontwikkeling werkt. 'Kijk omlaag naar de aarde' -zo sprak MichaŽl-, 'daar verdwijnt het bewustzijn van de geest.' ...

Ik heb gezegd dat de kosmische intelligentie afgedaald was naar de individuele mensen. Maar dat is slechts een abstractie, beste vrienden. Want wat is intelligentie? ... Intelligentie ontspruit uit de onderling geregelde verhoudingen tussen de hogere hiŽrarchieŽn. Wat zij doen, hoe zij zich ten opzichte van elkaar verhouden, dat is kosmische intelligentie. En aangezien wij natuurlijk als mensen de blik richten op het rijk dat direct boven het onze staat, dan betekent de kosmische intelligentie concreet voor ons: de som van de wezens uit de hiŽrarchie der engelen. Concreet gezien kunnen wij niet spreken over een som van intelligentie, maar over een som van engelen; dat is de realiteit. Dat de kerkvaders zich in het jaar 869 onderhielden over de vraag of men wel van een geest kon spreken, was het gevolg van het feit dat een aantal engelwezens zich afscheidden van het MichaŽl-rijk waartoe zij tot dan behoorden, omdat zij tot de opvatting kwamen dat zij voortaan enkel nog te maken konden hebben met de aardemachten, dat zij voortaan enkel nog vanaf de aarde de leiding over de mensheid konden in handen nemen. Stelt u zich eens voor wat dat in werkelijkheid betekent! De engelen zijn wezens die de mens van aardeleven naar aardeleven leiden. Deze wezens die in de geestelijke wereld rechtstreeks boven ons staan, zij zijn het, die ons door het leven tussen de dood en een nieuwe geboorte begeleiden en ons opnieuw de weg naar het aardeleven wijzen, zij zijn het, die de afzonderlijke aardelevens tot een samenhangend geheel van het totaalleven van de mens maken. Een aantal engelwezens dat die opgave had en dat tot het MichaŽlrijk behoorde, ging weg uit dat rijk.

Door een dergelijk ingreep moest het mensenlot wel beÔnvloed worden. Want wie zijn er natuurlijk in de eerste plaats betrokken bij het tot stand komen van het karma, bij het verwerken van de aardse daden, gedachten en gevoelens in het leven tussen de dood en een nieuwe geboorte ? Dat zijn de engelen! Wanneer nu deze engelwezens een gans andere plaats in de kosmos innemen, wanneer zij het zonnerijk verlaten en in de plaats van hemelse engelen aardse engelen worden, wat moet er dan gebeuren? Hier ligt waarachtig achter de uiterlijke feiten een groot geheim verborgen over de ganse ontwikkeling van Europa. Weliswaar is er een aantal engelen in het MichaŽlrijk gebleven. In de grote leerschool aan het begin van de 15e eeuw waren ook engelwezens die bij de mensen hoorden die toen in het MichaŽlrijk waren. Bij alle zielen van de mensen die toen in het MichaŽlrijk leefden behoorden engelwezens die in dat rijk gebleven waren. Maar de anderen waren uitgetreden en identificeerden zich met het aardewezen.

Nu kunt u zich afvragen: ja, hoe komt het dan eigenlijk, dat een aantal engelen uit het rijk van MichaŽl plots de inval krijgt om dit rijk te verlaten? Ik moet erkennen dat dit ťťn van de moeilijkste vragen is die men stellen kan met betrekking tot de meer recente ontwikkeling van de mensheid. In wezen is dit een vraag waarbij de mens al zijn innerlijke krachten moet aanwenden, wil hij zich in dit probleem verdiepen. Dit is een vraag die diep en innig verbonden is met het ganse mensenleven.

Ziet u, daaraan ligt een kosmisch feit ten grondslag. U weet uit mijn voordrachten die ik hier gehouden heb, dat wat men ziet als een fysieke planeet, in werkelijkheid een verzameling van geestelijke wezens is. Wanneer wij een ster bekijken, dan is datgene wat wij fysiek zien, slechts een uiterlijke verschijningsvorm; in werkelijkheid hebben wij hier te maken met een verzameling van geestelijke wezens. Nu bestaat er een bepaalde tegenstelling- die er altijd geweest is gedurende de aardeontwikkeling -tussen de zonne-intelligentie en de intelligenties van de andere planeten. Aan de ene kant staat de zonne-intelligentie en aan de andere kant staan de planetenintelligenties. En altijd is het zo geweest dat de zonne-intelligentie voornamelijk onder de heerschappij van MichaŽl stond, en de planetenintelligenties onder de heerschappij van de andere aartsengelen ... Maar het was altijd zo, beste vrienden, dat men niet kan zeggen dat enkel MichaŽl de zonne-intelligentie beheert. De totale kosmische intelligentie bestaat gezamenlijk uit de zonne-intelligentie en de planetaire intelligentie (Mercurius, Venus, Mars, enz.), en de kosmische intelligentie wordt door de afzonderlijke wezens uit de hiŽrarchie der aartsengelen meebeheerd, maar boven allen is het toch MichaŽl die de beheerder is van de totale kosmische intelligentie ... Maar toen de betreffende eeuwen aanbraken, de 8e, 9e, 10e, begonnen de planetaire intelligenties er zich rekenschap van te geven dat de aarde veranderd was, dat ook de zon veranderd was. Wat zich uiterlijk voordoet en wat ook de astronomen beschrijven, is slechts de buitenzijde van hetgeen er zich afspeelt. Zij weten dat er ongeveer om de elf jaar een periode voorkomt waarin de zon vlekken vertoont; vanaf de aarde gezien vertoont de zon dan op bepaalde plaatsen donkere vlekken. Dat is niet altijd zo geweest.

In vroeger tijden glansde de zon als een gelijkmatige schijf, zonnevlekken kwamen toen niet voor. Na verloop van duizenden jaren zal de zon veel meer vlekken hebben dan nu, zij wordt al maar duisterder. Dat is het uiterlijk teken dat de MichaŽlkracht, de kosmische kracht van de intelligentie geleidelijk afneemt.

Door de toename van de zonnevlekken in de loop van de kosmische ontwikkeling wordt het verval van de zon zichtbaar. Al maar matter wordt de zon en daaruit blijkt haar ouder worden in de kosmos. En door het toenemen van die zonnevlekken hebben de andere planetaire intelligenties afgeleid dat zij niet meer door de zon wilden beheerst worden. Zij namen zich voor om de aarde niet langer afhankelijk van de zon te laten zijn, maar rechtstreeks van de ganse kosmos. Dat gebeurde door de planetaire raadsbesluiten van de aartsengelen, en met name onder de leiding van [de aartsengel] OriphiŽl voltrok zich de emancipatie van de planetaire intelligentie ten opzichte van de kosmische intelligentie. Hierdoor kwam er een volledige scheiding tot stand van wereldmachten die tot dan toe hadden bijeengehoord. Zo geraakten de zonne-intelligentie van MichaŽl en de planetaire intelligentie geleidelijk aan in een kosmische oppositie tot elkaar.

Ja, ook al schrijven wij de wezens uit de hiŽrarchie der engelen een gans andere soort zielskracht, en gans andere innerlijke geaardheid toe, toch moeten wij hun ook de besluiten en de overwegingen overlaten met betrekking tot de hier voornoemde dingen. Wij mensen nemen toch ook onze beslissingen op grond van de ervaringen die wij meemaken en van de feiten die zich voordoen. Voor ons zijn de aardse feiten tussen geboorte en dood bepalend, maar voor de wezens uit de hiŽrarchie der engelen zijn gebeurtenissen in de planetaire sfeer van belang. Zo koos de ene engelenschare voor de aarde-intelligentie en daardoor tegelijkertijd voor de planetaire intelligentie; de andere schare bleef trouw aan de MichaŽlsfeer om dat wat MichaŽl voor eeuwig beheert, verder te dragen naar de toekomst. Dat nu is van doorslaggevende aard, of MichaŽl zijn opdracht vermag uit te voeren in de verdere toekomst, nu alle macht onder de mensen is en de fysieke zon duisterder wordt en stilaan verdwijnt.

Zo zien wij -door een kosmische gebeurtenis teweeggebracht- een breuk ontstaan tussen de engelen uit de MichaŽlsfeer. Maar deze wezens zijn nu juist mee bepalend voor de karmische ontwikkeling. Beschouwen wij nu hoe het eraan toegaat in het leven tussen de dood en een nieuwe geboorte. Daar kan geen mensenziel haar weg alleen gaan en ook de engel niet die haar begeleidt, omdat de hiŽrarchie der engelen daar moet samenwerken. Door deze samenwerking wordt namelijk het karma beleefd. Het spreekt vanzelf dat wanneer iemand in verbinding treedt met iemand anders en het resultaat daarvan uitgewerkt moet worden in een volgend aardeleven, dat de engel van de ene mens ook met de engel van de andere mens moet samenkomen. Er moet een samenwerking tot stand komen, en meestal was dat ook zo. Nu is het buitengewoon schokkend, ik mag wel zeggen verbijsterend, wat er zich op aarde tijdens het Concilie van 869 afgespeeld heeft. Het was het signaal voor iets ongelooflijks wat er zich daarboven in de geestelijke wereld begon te voltrekken en wat steeds meer en meer voorkomt : dat namelijk de engelen van karmisch verbonden mensen niet meer samenkomen, want de ene engel van twee karmisch verbonden mensenzielen bleef in de MichaŽlsfeer, en de andere engel daalde af naar de aardesfeer.

Wat moest daaruit volgen ? Wanorde moest er optreden in het karma van de mensen! ...Hiermee is ťťn van de belangrijkste feiten aangeduid met betrekking tot de recente historische ontwikkeling van de mensheid. In de toekomst zullen niet meer alle belevenissen op de juiste manier door het karma verwerkt worden. Allerlei chaos, sociale chaos, cultuurchaos, die de moderne geschiedenis kenmerkt, is het gevolg van de wanorde die in het karma ontstaan is door de breuk in de engelenhiŽrarchie..."

Door toedoen van de mens kan de breuk tussen de beide engelengroepen nog groter worden, want hoe vreemd het ook mag klinken : een mens kan zijn eigen engel beÔnvloeden. De aanleiding hiertoe is een gebeurtenis die zich in de 19e eeuw in de geestelijke wereld afgespeeld heeft. Een korte toelichting : gedurende elke cultuurperiode (zo'n periode duurt 2160 jaar) hebben zeven aartsengelen afwisselend de leiding over de mensheid. In ieder cultuurtijdperk regeert elk van die zeven aartsengelen dus ongeveer 300 jaar, en in 1879 was het opnieuw de beurt aan MichaŽl om de fakkel van zijn voorganger over te nemen.

Maar dat is niet zonder slag of stoot gebeurd, omdat een aantal (vooral) Ahrimanisch geÔnspireerde engelen en aartsengelen - Rudolf Steiner noemt ze "de Geesten der Duisternis" - hevig gekant waren tegen MichaŽls heerschappij. MichaŽl wil namelijk dat de bovenzinnelijke wereld openbaar wordt voor de mensheid, dat de mensen inzicht krijgen in de geesteswereld, terwijl de Geesten der Duisternis dat hoegenaamd niet willen ; zij proberen de bovenzinnelijke wereld voor de mensen verborgen te houden en willen hen doen geloven dat er geen andere wereld dan de zintuiglijk waarneembare bestaat. Zo ontstond er in de hemel strijd tussen MichaŽl en de Geesten der Duisternis. Die strijd begon in 1841 en duurde totdat de Geesten der Duisternis in 1879 uit de hemel verdreven werden. Deze kwamen op aarde terecht, waar zij sedertdien proberen hun intenties verder te realiseren.

Nu deze Geesten der Duisternis midden onder ons zijn, kunnen wij denken dat wij er veel slechter aan toe zijn dan voorheen, maar eigenlijk is het tegendeel waar, want de geestelijke wereld wordt nu niet meer versluierd door deze duistere machten ; wij zijn vrijer geworden, want wij kunnen nu bewust een keuze maken : ofwel geven wij ons over aan de Geesten der Duisternis, ofwel richten wij ons naar MichaŽl. En de "hemelse antroposofie" die in de kring rond MichaŽl ontstaan is had zich niet op aarde kunnen ontwikkelen, indien de Geesten der Duisternis niet ten val waren gebracht.

Rudolf Steiner beweert dat de mensen wel degelijk invloed kunnen uitoefenen op hun bewaarengel :

"Veronderstellen wij eens dat het in iemands karma ligt dat hij in allereminentste zin, met hart en ziel door de antroposofische impulsen aangegrepen wordt. Ja, dan is er iets noodzakelijk dat uitgesproken vreemd en paradox klinkt : het is noodzakelijk dat zijn engel dan iets moet leren. En dat is iets van buitengewoon belang. Het antroposofenlot dat zich afspeelt tussen antroposofen en niet-antroposofen, veroorzaakt een deining in de wereld van de engelen. Dat leidt tot een scheiding der geesten in de engelenwereld. De engel die de antroposoof begeleidt naar zijn volgende incarnatie, leert nog beter dan hij voordien kon, de geestelijke rijken begrijpen.

En de engel die bij de niet-antroposoof hoort, die zinkt naar omlaag. Aan het lot van de engelen wordt zichtbaar hoe de grote scheiding zich voltrekt. Thans is het zo -en dat is iets, beste vrienden, waarop ik u ten zeerste zou willen wijzen-, dat er uit een nog betrekkelijk samenhangend engelenrijk twee engelenrijken ontstaan, ťťn dat naar hogere werelden neigt en een ander dat naar lagere werelden neigt. Terwijl hier op aarde de MichaŽlgemeenschap vorm krijgt, kunnen wij boven deze MichaŽlgemeenschap in wording opstijgende en afdalende engelen schouwen. Wanneer men dieper in de wereld schouwt, kan men tegenwoordig -het heeft iets hartverscheurends- deze twee stromingen voortdurend waarnemen."

Wellicht heeft onze lezer hiermee een afdoend antwoord gekregen op zijn eerste opmerking. Maar nu er een gespleten engelenrijk bestaat, hoe moet het dan verder met de vereffening van het karma? Ook daarop heeft Rudolf Steiner een antwoord:

"De mensen die in hun huidige incarnatie door de antroposofie de impulsen van MichaŽl opnemen, bereiden daardoor hun ganse wezen zo voor, dat dit diep doordringt in de krachten die anders enkel bestemd zijn voor rassen- en volkssamenhangen.

Bedenkt u eens wat dat betekent: iemand behoort tot een bepaald volk. Men kan aan hem zien dat hij een Rus, een Fransman, een Engelsman of een Duitser is. Men ziet aan hem waar hij vandaan komt. Maar degenen die tegenwoordig met een waarachtige innerlijke zielskracht in hun hart de antroposofie opnemen als hun sterkste levenskracht, die zullen geen specifieke volkskenmerken meer vertonen wanneer zij opnieuw naar de aarde afdalen. Men zal zich afvragen: 'Waar komen die dan vandaan? Die behoren niet tot een bepaald volk of ras, het is alsof zij boven alle rassen en volkeren uitgestegen zijn ... '

Zulke mensen ontdoen zich van alle rasinvloeden, van alles wat vanuit het natuurlijk bestaan zijn stempel op de mens drukt. Eens zal aan deze mensen te zien zijn hoe de geest -laten wij ons daar in alle bescheidenheid van bewust zijn- vorm kan geven aan de fysionomie en aan de mensengedaante.

Dat is tot nu toe nog nooit in de wereldgeschiedenis vertoond. Tot nu toe werd de fysionomie gevormd vanuit het volkselement en de fysieke krachten. Tegenwoordig kunnen wij nog aan de fysionomie van de mensen zien vanwaar zij afstammen, vooral wanneer zij jong zijn en nog niet gerimpeld door de zorgen des levens of door vreugde en verheven stemming, de goddelijke kanten van het leven. Eens zullen er mensen zijn aan wier fysionomie wij zullen kunnen zien hoe zij in hun vorige incarnatie geweest zijn, indien zij toen het spirituele in zich opgenomen hebben. De anderen zullen dan naast hen staan - en wat zal het karma dan nog betekenen? Dan zullen de gewone karmische verbindingen geen betekenis meer hebben. Wie het leven ernstig neemt moet dan beseffen: karmisch was men, of is men het nog, verbonden met velen die niet ontvankelijk zijn voor spiritualiteit. En naast een wellicht diepe levensverwantschap voelt men toch ook een diepe vervreemding: de karmische band die in het leven bestaat valt weg, verdwijnt. En voor iemand met een materialistische gezindheid blijft er niets anders over -maar dat blijft dan ook over- dan dat hij degene met een spirituele gezindheid moet aanschouwen, dat hij bijzondere aandacht voor deze krijgt. Mensen die nu een spiritueel leven leiden, zullen in de toekomst naast anderen staan met wie zij in een vroeger aardeleven karmisch verbonden geweest waren. Karmische banden zullen in de toekomst nog weinig betekenen, maar wat er zal van overblijven is dat de materialistisch gezinden zullen moeten opkijken naar de spiritueel gezinden. Dat zal dan overgebleven zijn van het karma.

Alweer een schokkend feit, beste vrienden! En waarom? Nu, dat berust op een wijs goddelijk wereldplan.
Waardoor laten de materialisten zich tegenwoordig iets bewijzen? Doordat zij het voor ogen hebben, doordat zij het met de handen kunnen grijpen. In de toekomst zullen zij aan de fysionomie, aan de ganse fysieke gestalte van de mensen met wie zij vroeger karmisch verbonden waren, kunnen zien wat geest is, zij zullen kunnen vastgrijpen wat geest is. Zo zal kunnen bewezen worden hoe de geest scheppend in de wereld werkt. Het ligt in het karma van de antroposofen om de materialisten aan te tonen dat het geestelijke bestaat, doordat de geest zichzelf -door de raadsbesluiten van de goden- zal openbaren in de uiterlijke gedaante van de mensen."

Met het oog op de belangrijke opdracht die de antroposofen in de toekomst te wachten te staat heeft Rudolf Steiner er meermaals op aangedrongen dat zij zoveel mogelijk hun individueel karma vereffenen, en zo weinig mogelijk persoonlijk karma bijcreŽren. Niet vereffend karma vormt immers een belemmering voor de geestelijke ontwikkeling, hetgeen de opdracht van de antroposofen alleen maar kan bezwaren. Die opdracht zal zijn: het karma van anderen helpen dragen of, zoals Paulus schreef in de brief aan de Galaten (6:1-2):

"Broeders, zelfs indien iemand betrapt wordt op een overtreding, helpt gij hem dan als geestelijke mensen terecht met zachtmoedige geest ! En let op uzelf, dat gij ook niet in verzoeking komt. Draagt elkanders lasten ! Zo zult gij de wet van Christus vervullen."

In de voordracht van 30 juni 1908 (in GA 104) zei Steiner dat de antroposofen nog maar de voorbereiders van de voorbereiders zijn. Daarmee duidde hij aan dat de antroposofie enkel een tussenstadium is dat moet leiden naar een nog belangrijker geestesstroming, namelijk het manicheÔsme. Het doel van de antroposofie is om in eerste instantie spiritueel inzicht te verwerven, terwijl het manicheÔsme de door de antroposofie verworven geestelijke inzichten daadwerkelijk in de wereld moet toepassen. Het grondbeginsel van het manicheÔsme is: het kwade niet verwerpen, maar proberen om het om te vormen tot het goede (zie ook De Brug nrs. 26, 28 en 29).

Dat zal het karma van de antroposoof worden: dat hij niet alleen zal begaan zijn met zijn eigen lot, maar dat hij zich ook zal bekommeren om het lot van zijn medemensen die er nog niet in geslaagd zijn dezelfde spirituele hoogte te bereiken. En naarmate deze laatste meer spiritualiteit opnemen, zullen ook de twee van elkaar gescheiden engelengroepen dichter naar elkaar toegroeien.

In dezelfde voordracht zegt Rudolf Steiner:

" Wij staan aan het begin van de spirituele beweging en zij zal groeien, en men zal wel zeer verstokt, zeer verhard moeten zijn om hart en ziel af te sluiten voor de geweldige indrukken van die toekomst. De zielen die nu leven in lichamen waarin harten wonen die de antroposofische wereldbeschouwing kunnen horen en voelen, deze zielen bereiden zich daardoor voor op een toekomstig leven in lichamen waarin hun de kracht zal zijn gegeven om zich in dienst te stellen van die medemensen die hun hart tot op dat ogenblik nog niet zo voelden kloppen ..."

Wat de tweede opmerking van onze lezer betreft (namelijk dat hij de indruk heeft dat zijn bewaarengel zijn werk niet goed doet), heeft hij na het lezen van al het voorgaande zijn mening misschien al herzien. Want het is best mogelijk dat zijn bewaarengel zijn werk juist wel goed doet. In elk geval volgen hierna nog twee korte fragmenten van Rudolf Steiner waarin nader wordt ingegaan op het antroposofenlot.

"Wanneer een mens zo sterk verbonden is met geestelijke impulsen die rechtstreeks op zijn ziel inwerken, dan kan hij zich op een minder intensieve manier zoals dat bij anderen het geval is, in zijn fysieke lichaam invoegen wanneer hij afdaalt uit de geestelijke wereld. Men kan stellen dat allen die zich in de MichaŽls-stroming ingeleefd hebben, voorbestemd zijn om met een zekere reserve in het fysieke lichaam binnen te gaan. Dat is zonder meer het lot van de antroposofenzielen.

Bij degenen die zich tegenwoordig vanuit een innerlijke gevoel zeer bewust en angstvallig verre houden van alles wat met antroposofie te maken heeft, vindt men steeds een volledig vastzitten in de fysieke lichamelijkheid. En bij degenen die zich tegenwoordig tot het geestelijk leven keren dat de antroposofie wil geven, is er een lossere verbinding merkbaar, tenminste wat betreft het astraal lichaam en de Ik-organisatie ten opzichte van het fysieke lichaam en de etherorganisatie. Dat heeft echter tot gevolg dat zo'n mens minder gemakkelijk zijn weg in het leven vindt, gewoonweg omdat hij tussen meer mogelijkheden moet kiezen dan anderen, aangezien hij gemakkelijker loskomt van dat waar anderen juist in vastgroeien.

Bedenkt u eens in welke sterke mate menig mens tegenwoordig precies dat is, wat hij door zijn uiterlijke levensomstandigheden geworden is, en het is zo, hoewel dat dikwijls op een merkwaardige wijze kan gebeuren, dat hij perfect zijn plaats vindt in de wereld. Men ziet een ambtenaar, een handelsattachť, een bouwondernemer, een fabrikant enzoverder: zij zijn wat zij zijn, met een absolute vanzelfsprekendheid. Zeker, ook onder zulke mensen heeft men er die zeggen: ik lijk voor iets beter geboren, of tenminste voor iets anders - ; maar dat wordt dan niet zo ernstig bedoeld. Vergelijk daarbij de eindeloze moeilijkheden waarmee mensen te kampen hebben die door hun innerlijke drang naar de spiritualiteit van de antroposofie gedreven worden ..."

"De mensen die verbonden zijn met wezens uit de hiŽrarchie der engelen die in het MichaŽlrijk gebleven zijn, hebben het moeilijk zich aan te passen aan de aardse intelligentievormen. Zij streven ernaar om hun persoonlijke intelligentie zodanig te benutten dat zij kan verbonden blijven met de verering van MichaŽl. De zielen die deelgenomen hebben aan de bovenzinnelijke bijeenkomsten in de 15e en in de 19e eeuw, voelen nog een diepe drang naar MichaŽl en zijn sfeer wanneer zij opnieuw naar de aarde afdalen. En toch moeten zij volgens de ontwikkelingsprincipes van de mensheid de persoonlijke intelligentie opnemen. Zij worden daar voor een dilemma geplaatst dat moet opgelost worden door een spiritueel leven te leiden dat enerzijds moet rekening houden met hun eigen persoonlijke activiteiten en anderzijds met wat de geestelijke werelden tegenwoordig willen openbaren. De anderen wier engel afvallig is - wat uiteraard met het karma samenhangt, want een engel wordt afvallig wanneer hij verbonden is met mensenkarma dat dienovereenkomstig is - nemen als vanzelfsprekend de persoonlijke intelligentie op, maar zij werkt dan ook automatisch in hen, zij werkt door de lichamelijkheid."

Dan nog de twee laatste vragen van onze lezer.
- Kan men zijn bewaarengel links laten liggen ?
Ja, dat kan men, als men zijn lot wil ontlopen. Maar de wet van het karma is onwrikbaar, en als men zijn lot ontloopt zal dit ofwel leiden tot nog grotere karmische verwikkelingen in dit leven of in het toekomstig leven, ofwel zal dit zich wreken -zoals we reeds zagen- in ziektes, ongevallen e.d.

- Kan men zijn bewaarengel aan de deur zetten en vervangen door een andere ?
Dat kan men niet. Men kan de vraag anders stellen: kan een bewaarengel de mens die hij behoedt aan de deur zetten? Dat wil en kan hij niet omdat hij volledig afhankelijk is van de boven hem staande geestelijke hiŽrarchieŽn, en van deze heeft hij de opdracht gekregen om de mens waarover hij de hoede heeft te begeleiden vanaf zijn eerste tot zijn laatste fysieke incarnatie, zodat diens karma op een normale manier kan vereffend worden. De engel kan niet anders dan die opdracht uitvoeren, hij zou anders zijn eigen natuur verloochenen.

*

*

*

*

*

Frederik Van Eeden (1860-1932) moet geweten hebben wat zijn bewaarengel voor hem betekende, want hij schreef er een gedicht over dat getuigt van geesteswetenschappelijk inzicht. We geven het daarom integraal weer.

Aan mijn engel bewaarder

Onzichtbaar Wezen ! dat zo lang
Al wat 'k op aard doorleefde,
Met mij gedeeld heeft, blijde of bang,
En mijnen moeielijken gang
Getrouw en stil omzweefde -
Dat zoveel kwelling heeft geduld
Door mijne schuld ! - door mijne schuld.

Vergeef mij ! - nu eerst ken ik u,
In uw zachtmoedig pogen -
Hoe menigmaal - ik weet het nu-
Heb 'k u gedachteloos en ruw
Beledigd en bedrogen -
Heilige tranen weendet gij -
En dat om mij ! ... en dat om mij ! ...

Heer Jezus zelf heeft u die plicht
Vol liefde toegewezen -
Maar ach ! 'k heb zoveel kwaads verricht,
'k durf in Zijn stralend aangezicht
niet schouwen zonder vrezen.
Hoe kan ik voor dien glans bestaan ?
Wat heb 'k gedaan ! ... wat heb 'k gedaan ! ...

Toen 'k zelf het bidden had verleerd
En speelde met de zonde,
Bleef 'k om ķw beden ongedeerd.
Gij hebt den demon afgeweerd
En, knielend bij mijn sponde
Smekend gebeden tot den Heer:
Geef hem mij weer ! - geef hem mij weer ! -

God's dienaar, die mijn voorspraak zijt,
Wil hem mijn tranen brengen !
Getuigend dat ze zijn geschreid
In brandende rouwmoedigheid.
Zal dan Zijn licht niet zengen ?
Gij kent mij goed - gij weet mijn kwaad -
Is 't niet te laat ? ... Is 't niet te laat ? ...

Waar 't niet om uw stil-zorgend licht
Ik achtte mij verloren -
Onwrikbaar is God's streng gericht.
Zou Hij der sterren evenwicht
Om mijnentwil verstoren ?
Houdt Hij den gang der uren stil
Om mijnentwil ? ... om mijnentwil

Voor ieder die mij liefde gaf
En op mijn redding wachtte
Aan deze of gene zij van 't graf
Zijt gij tot waarborg en tot staf,
Tot troostende gedachte -
Hun hopen is dat 'k word gered
Door ķw gebed ! ... door ķw gebed ! ...

Als kind heb ik God's Lach gekend
In schoonheid boven-maten,
Maar 't schijnt, of bij mijn levens-end
Hij zich van mij heeft afgewend,
Mij gans alleen gelaten.
Zie ik dien Lach nog eenmaal weer ?
Of nimmermeer ? - of nimmermeer , -

Zal ik toch eenmaal, aan uw hand
moe van mijn angstig zwerven,
opgaan in 't hemels Vaderland ?
Zal mij dan niet mijn bittre schand
de vrede gans bederven ?
Geduld'ge, die mij nooit verliet,
Begeef mij niet! ... begeef mij niet ! ...

En als 'k Maria dan aanschouw
in krans der hemelingen
zal 'k niet verteren van berouw ?
Hoe zal de glans dier reinste vrouw
mijn duister kwaad verdringen ?
Waarheen te ontvluchte' in schaamte en schrik
dien zachten blik ? ... dien zachten blik ? ...

Verwijt mij om mijn weemoed niet.
Zwaar drukken de aardse schanden.
Rechtvaardig acht ik wat geschiedt,
ik neem het bitterste verdriet
gewillig van God's handen -
Want alle smart verkeren moet
in vreugdegloed ! ... in vreugdegloed ! ...

Nu voel 'k weer, getrouwe Wacht,
uw wondere presentie.
En in het woud verkondigt zacht
Octobers gouden loverpracht
des Eeuwigen clementie,
dat eens de mens uit droeven val
verrijzen zal ! ... verrijzen zal ! ...

(November 1921)

Terug naar de gedichten.

Terug naar de inhoudstafel.