De leraar

Martin Münch vertelt :

Carl Unger zei ooit: "Wanneer iemand vertelt over zijn persoonlijke contacten met Rudolf Steiner, dan gaat het eigenlijk over de biografie van de verteller, niet over die van Rudolf Steiner." Dat was een radicale uitspraak, maar die raakte een belangrijk punt aan: wordt door het 'persoonlijke' het boven-persoonlijk formaat van de leraar van onze tijd geopenbaard of juist versluierd ? Het loskomen van een persoonlijke goeroe is een kenmerk van de nieuwe geestesopenbaring. In de grond moeten de tijdgenoten van Rudolf Steiner dezelfde ervaring van het werkelijkheidskarakter van diens werk opdoen als de latere generaties.

Toen ik 27 was las ik het proefschrift van Rudolf Steiner "Waarheid en wetenschap". Het kennistheoretisch raadsel was opgelost. Aan de persoon die dat vermocht kunnen we ook met een gerechtvaardigd vertrouwen vragen stellen over de weg naar de geestelijke werelden. "Hier is het uitzicht vrij, de geest verheven". Dat was mijn eerste en bepalende ontmoeting met dé Rudolf Steiner zoals hij door ieder van ons kan gevonden worden.

Rudolf Steiner werd dan ook mijn 'peter' in de toenmalige Theosofische Vereniging, omdat ik op mijn eentje met geesteswetenschap bezig was en geen enkel lid kende dat mij kon intoduceren, zoals dat toen de gewoonte was. "Ik zal uw aanvraag ondertekenen, dat zal volstaan", zei hij met lichte humor,"en een beginnerscursus moet u niet volgen. Komt u morgen naar de ledenavond". Pas later heb ik ingezien wat een vertrouwen in deze woorden lag en dat ik moest waarmaken en wat een inschikkelijkheid en begrip voor mijn zgz. zelfvorming.

Wie de onmetelijke arbeidslast zag die de schouders van Rudolf Steiner rustte, die ging geen vragen over persoonlijke zaken aan hem stellen. Maar velen hebben het meegemaakt dat ze midden in een openbare voordracht van hem het antwoord kregen op een onuitgesproken vraag. Wanneer Rudolf Steiner de zaal betrad of wanneer hij ze verliet dan stonden wij leden daar te wachten en als hij zijn hand uitstak en zijn "Wel, hoe gaat het ?" uitsprak, met een stem waarin de warmte van een allesbegrijpende liefde leefde, dan waren dat belangrijke ontmoetingen. Deze eenvoudige vraag wekte verantwoordelijkheidsgevoel in de leerling. Misschien was hij net begonnen met 'oefeningen' en moest al vlug inzien: dat gaat helemaal niet, ik ben nalatig, ongeconcentreerd, te weinig ernstig. Men sprak dat niet uit maar men wist dat men gehoord was, en blik en handdruk gaven moed om verder te doen.

Naarmate de beweging dan verder evolueerde waren er meer gelegenheden tot private audiënties en vragen stellen. Bij zo'n bespreking vroeg ik naar de schikking van de zeven rozen op het kruis. Onmiddellijk tekende Rudolf Steiner op een blad papier een kruis. Boven het snijpunt van de lijnen tekende hij een driehoek, onder het snijpunt een trapezium. De zeven hoekpunten van beide figuren waren de plaatsen waar de rozen ontspringen. "De lagere vierheid en de hogere drieheid" zei hij, en ik herinnerde mij het schema van het Onzevader.

Op een andere keer vroeg ik naar de verhouding tussen bewustzijn en dichterlijke productiviteit. Terug verscheen het korte, dikke potlood uit zijn vestzak en hij tekende een hoefijzervormige glazen buis. "Denkt u aan het fenomeen van de communicerende vaten" sprak hij, en arceerde de waterniveau's in de twee uiteinden van de buis. "Als hier rechts door antroposofie het inzicht vergroot", en hij arceerde rechts wat hoger, "dan stijgt links evenveel het kunst-scheppend vermogen". Dan bedekte hij met de hand -deze wonderbaarlijke hand die tegelijk kracht en gevoel uitstraalde- de boog van de buis en zei uitdrukkelijk: "De samenhang wordt niet bewust, maar de dichterlijke productie , die is er. Ziet u, Herr Münch" vervolgde hij," Ik schrijf op dit ogenblik het derde mysteriedrama. Wanneer ik een bladzijde aan 't schrijven ben weet ik niet wat er op de volgende zal staan". Deze uitspraak wijst op iets: iemand kan handelen vanuit de wil, met een tegenwoordigheid van geest gericht op het ogenblik van het scheppen, hij hoeft niet te 'weten' zoals een toeschouwer weet. Ik bedankte en ging weg, mijn hart verlicht. Vertrouwen om te streven naar geestelijk inzicht was gesterkt, en de onbevangenheid om in de vorm creatief te zijn ook.

We weten dat het een belangrijke opvoedingsmethode voor de geestesleerling is om te leren onderscheid maken tussen een reëel feit en een subjectieve mening. Voor de zintuiglijke ervaringen is dat relatief gemakkelijk, maar voor geestelijke belevingen is het moeilijk om de eigen interpretatie te scheiden van het feit. In dit verband gaf Rudolf Steiner mij eens een les die kon tellen, maar tegelijk was het een zegen voor mij. Om deze les duidelijk te maken moet ik iets persoonlijk vertellen. Rudolf Steiner had in Berlijn op de ledenavond gesproken over de manier hoe een belangrijke spirituele persoonlijkheid zijn leerlingen tot zich roept. Wij hoorden dat in een situatie die bijna de dood veroorzaakt een innerlijke stem op het laatste nippertje ingrijpt en het onheil afwendt, het verdere leven is dan als het ware een geschenk. Rudolf Steiner wees erop dat vele mensen dit al meegemaakt hebben en dat het belangrijk is om er acht op te slaan. Nu was er in mijn jonge jaren iets vergelijkbaar met mij gebeurd, ik droeg dat sindsdien als een raadsel met mij mee. Na de voordracht vroeg ik Rudolf Steiner om een bespreking en dat werd mij toegestaan. Bij deze bespreking leerde ik zeer veel maar ik ga alleen vertellen wat dat lesje was, het kan voor anderen leerrijk zijn. Ik verwees naar de genoemde ervaring en begon: "Herr Doktor, ik weet niet of het misschien geen ijdelheid is die mij doet geloven dat ik tot de uitverkoren leerlingen behoor". Kort, ernstig en zakelijk kwam het antwoord van Rudolf Steiner: "Die twee dingen kunnen gescheiden worden." Daar hads ik mijn lesje. Als een zichtbaar chymisch gebeuren vielen uiteen: feit en interpretatie. Het feit had realiteitswaarde, maar de illusie dat men daardoor bijzonder uitverkoren is, dat was nu eenmaal een illusie. Wat in werkelijkheid een opgave was dat werd door inbeelding voorgespiegeld als een teken van uitmuntendheid, en in mijn vraag lag de ganse hoogmoed van mijn ziel. Sindsdien heb ik dikwijls gelegenheid gehad om de chymische werking van dit antwoord van de grote leraar te toetsen: wezenlijk of niet wezenlijk ... "die twee kunnen uiteen gehouden worden".

Terug naar de anecdotes.