De ontwikkeling van het Ik in de Openbaring
De zeven wezensdelen in de Openbaring

De Aarde als woonplaats van de mens maakt in haar ontwikkeling zeven stadia door. Tijdens elk van die stadia krijgt een wezensdeel van de mens meer vorm:

Aarde Mens
1. Saturnus Fysiek lichaam
2. Zon Ether- of levenslichaam
3. Maan Astraal- of zielelichaam
4. Aarde Ik
5. Jupiter Geestelijk Zelf of manas
6. Venus Levensgeest of boedhi
7. Vulcanus Geestmens of atma

Sedert het midden van de Aardefase, dat nu al achter ons ligt, werd de mens een zelfstandig wezen doordat hij het Ik verwierf. Voordien kon hij nog niet bewust zijn ontwikkeling in eigen handen nemen, de goden deden dat voor hem. Maar sinds de komst van Christus op aarde is daar verandering in gekomen. De mens is nu in staat om bewust -door middel van zijn Ik en de Christuskracht in hem- te werken aan de ontplooiing van zijn hogere wezensdelen. Weliswaar zullen die wezensdelen pas in de toekomstige ontwikkelingsfasen van de Aarde verworven worden, maar om dat doel te bereiken is het noodzakelijk dat de mens nu al, in de loop van de tweede helft van de Aardefase, de krachten daartoe ontwikkelt.

Niet alleen de geesteswetenschap heeft het over de zeven wezensdelen van de mens. Rudolf Steiner beweert dat er in de Openbaring van Johannes, o.m. in het deel dat handelt over de brieven aan de zeven gemeenten, op gewezen wordt dat elk van deze gemeenten speciaal moet aandacht schenken aan telkens één van die wezensdelen. Hier wordt evenwel ieder wezensdeel gekoppeld aan een cultuurperiode. Dat is niet ongewoon. Immers, binnen iedere grote zevendelige cyclus zijn er kleinere cycli waarin op kleinere schaal gewerkt wordt aan hetzelfde onderdeel dat ook in vroegere of latere grote cycli ontwikkeld wordt. Zie in dit verband het schema in De Brug nr. 11 of "De Wetenschap van de Geheimen der Ziel" van Rudolf Steiner.

Over welke periode gaat de Apokalyps ?

Op dit ogenblik leven wij in de vijfde cultuurperiode van het vijfde tijdvak van de fysieke toestand van de Aarde.
Het vierde tijdvak was Atlantis.
Ons tijdvak, het vijfde dus, wordt onderverdeeld in zeven cultuurperioden, en het zijn deze perioden die bedoeld worden met de zeven gemeenten. Aan elk van die gemeenten richt Jezus Christus, door bemiddeling van zijn dienaar Johannes, een boodschap.
Tegen het einde van de zevende cultuurperiode komt de zgn, oorlog van allen tegen allen, en dan volgt nog het zesde en zevende tijdvak (in de Openbaring aangeduid als de tijdperken van resp. de zegels en de bazuinen). Daarna lost de fysieke aarde op en gaat zij over in een etherische toestand.

Sedert het laatste derde deel van het Atlantisch tijdvak begonnen de Ik-krachten zich te manifesteren in het fysieke mensenlichaam. Wij mogen echter niet veronderstellen dat onze Atlantische voorouders een Ik-bewustzijn hadden dat van dezelfde aard was als het onze, want de kracht van het denken hadden zij niet. De hersenen van de Atlantiërs waren nog te week omdat er slechts een losse samenhang was tussen het fysieke hoofd en het etherhoofd - dat daar bovendien ver over uitreikte. Ten gevolge van die uitdijende etherkrachten stond de Atlantische mens dan weer wel in verbinding met de geestelijke wereld. Maar geleidelijk aan trok het etherhoofd zich samen tot ongeveer binnen de grenzen van het fysieke hoofd waardoor de hersenen vaster van structuur werden en de denkkracht zich begon te ontwikkelen. Tegen het einde van het Atlantisch tijdvak waren enkelen - dat waren de ingewijden van destijds- zover gevorderd dat zij de aanleg tot logisch denken aangekweekt hadden; zij waren de mensheidsleiders die na de Atlantische catastrofe een nieuwe impuls moesten geven aan het volgende tijdvak.

De gemeente van Efese (Openb. 2:1-7), de Oer-Indisch periode.

Het is het tijdperk waarin vooral zorg moet besteed worden aan het fysieke leven hier op aarde, aangezien de aarde de enige plaats is waarop de mens kan werken aan zijn verdere ontplooiing. Maar de oude Indiër had geen boodschap aan de aarde. Hij leefde nog met de herinnering aan de geestelijke wereld waarmee hij verbonden was ten tijde van Atlantis; de fysieke wereld was voor hem slechts illusie, zinsbegoocheling. Maar de mensenzielen willen steeds weer incarneren want zij hebben de aarde, "de eerste liefde", nodig voor hun ontwikkeling. Omdat zij de aarde waardeloos bevonden, daarom richt de schrijver van de Openbaring aan de mensen van de eerste cultuurperiode de volgende vermaning: "Ik heb tegen u dat gij van uw eerste liefdekracht zijt afgeweken".
Maar hij vervolgt:
"Wie overwint
zal ik geven
te eten van de boom des levens
die is in het paradijs bij God."
De "boom des levens" is een symbool voor het drievoudig goddelijk principe: manas, boedhi en atma. In het Oud Testament wordt verhaald dat de mens mocht proeven van de vruchten van deze boom, wat betekent dat de mens die drie hogere principes als een te ontwikkelen aanleg in zijn wezen heeft meegekregen van de Goden. Na zijn verdrijving uit het Aards Paradijs mocht hij niet meer eten van de boom. In de toekomst zal dat weer mogelijk zijn, maar niet eerder dan dat de mens zelf, door eigen arbeid, het hoogste van die drie godddelijke hoedanigheden, namelijk het veredelen van het fysieke lichaam tot geestmens, verwezenlijkt heeft.

De gemeente van Smyrna (Openb. 2:8-11) , de Oer-Perzische periode

In dit tijdperk moet het levenslichaam tot ontwikkeling komen. De Oer-Perzen waren akkerbouwers. Zij bewerkten de aarde a.h.w. in het zweets huns aanschijns, want in de geestelijke wereld werd er om de aarde strijd gevoerd: de Zonnegeest (Christus) moest het opnemen tegen de Geest der Duisternis (Ahriman). Zarathoestra, de grote leider van de Perzen, onderwees zijn volk over de tegenstelling tussen licht en duisternis, tussen leven en dood.
"Word getrouw tot in de dood
en ik zal u de kroon des levens geven"
staat er in de Openbaring. 'De kroon des levens' is een andere uitdrukking voor het etherlichaam.
En vervolgens:
"Wie overwint, hij zal geen schade lijden door de tweede dood".
Als er een tweede dood bestaat, is er ook een eerste dood. Wat betekenen "de eerste en de tweede dood ?"
Tegen het einde van de aardefase kan de mens zijn astraal lichaam volledig omgevormd hebben tot geestelijk zelf en hij kan dit slechts verwerkelijken door het Christuswezen in zijn Ik op te nemen. Zolang dit niet gebeurd is, blijven driften en begeerten achter in het astraal lichaam, en die kunnen slechts bevredigd worden door middel van het fysieke lichaam. Op een bepaald tijdstip zal de fysieke substantie van de aarde oplossen en zal zij overgaan in een etherische toestand; dan zal ook ieder mens zijn allerlaatste fysieke dood meegemaakt hebben, en wiens astraal lichaam dan nog niet veredeld is zal een brandende begeerte ondergaan bij gebrek aan een fysiek lichaam. Dat is de eerste dood. De door Christus gelouterde mens zal het afleggen van zijn allerlaatste fysieke lichaam echter nauwelijks voelen. Maar ook het etherlichaam bezit lagere neigingen onder de vorm van temperamenten, bepaalde diepgewortelde karaktertrekken enz. Tijdens de aardefase is de mens zelf nog niet in staat om zijn etherlichaam te transformeren tot levensgeest, maar op Jupiter zal hij dat wel kunnen. Op aarde is het desondanks wel mogelijk, mar alleen met de hulp van Christus. Door bemiddeling van Christus werkt het gelouterde astraal lichaam zodanig in op het etherlichaam dat dit eveneens veredeld wordt. Ook de aarde vergeestelijkt verder, want na de etherische toestand neemt zij een astrale vorm aan, en dan moet ook het etherlichaam verdwijnen. Onopgemerkt zal dit voorbijgaan aan de zielen die van Christus vervuld zijn. Maar uit de anderen zal het etherlichaam uitgerukt worden, en dat ervaren dezen als een tweede sterven, als een "tweede dood."

De gemeente van Pergamon (Openb. 2:12-17), de Egyptische cultuurperiode.

De periode waarin het zielelichaam (of astraal lichaam) moet tot wasdom komen.
De mensheid stond daar op een tweesprong. Enerzijds begon in de verte de Ik-cultuur al te dagen: in het oude Egypte werd reeds wiskunde, meetkunde, sterrenkunde beoefend, en zulke kennis oefent een heilzame werking uit op het zieleleven. Maar anderzijds waren er overblijfselen bewaard gebleven van oude in verval geraakte geestelijke gaven die de zielen in een soort somnambule helderziendheid dompelden. Het zijn zulke oveblijfselen -het tegendeel van een helder denken- die het zieleven verduisteren. Onder andere Balaäm (of Bileam), een zwartmagiër, was één van diegenen die deze decadent geworden atavistische geestesgesteldheid cultiveerde. Hierom de volgende vermaning aan Pergamon:
"Maar toch heb ik iets tegen u.
Gij hebt enigen onder u
die aan de leer van Balaäm vasthouden ..."
"... Maar hem die overwint", zo wordt vervolgd, "zal ik geven van het verborgen manna;
en hem zal ik geven een lichtend witte steen, en op de steen zal geschreven zijn een nieuwe naam, die niemand weet dan die hem neemt". Het manna, dat nog als een kiem verborgen zit in het menselijk wezen, zal later gegeven worden aan diegenen die hun lagere zielenatuur kunnen overwinnen. Manna heeft etymologisch dezelfde oorsprong als 'manas', en dat is het geestelijk zelf. De 'nieuwe naam die niemand weet dan die hem neemt' is het Ik. Maar de mens verwerft die nieuwe naam niet zonder moeite: hij moet zijn ontluikende Ik-krachten zodanig activeren dat hij zijn naam zelf kan nemen.

De gemeente van Tyatira (Op.. 2:18-29), de Grieks-Romeinse cultuurperiode.

In deze periode kwam het Ik tot volle wasdom, en verscheen Christus in een fysieke gedaante op aarde om het voorbeeld te geven hoe het ware Ik zich dient te ontplooien.
Duidelijk wordt hiernaar verwezen in het boek der Openbaring:
"En wie overwint en wie mijn werken tot in het geestesdoel voor ogen houdt, geven wil ik hem de macht, zich te openbaren als wezen boven de volkeren; en weiden zal hij hen met de ijzeren staf - als aarden vaten zullen zij stukgeslagen worden; geven wil ik hem de kracht van het Ik, zoals ook ik deze van mijn Vader ontvangen heb, En ik zal hem de morgenster geven."

Wij weten dat het Joodse volk krachtig vasthield aan het instandhouden van de bloedbanden. Maar bloedbanden bewerken dat het individuele niet naar de oppervlakte komt, omdat de groepsgeest een overwegende invloed behoudt. Christus heeft erop gewezen dat het gemeenschappelijk Ik dat uit bloedverwantschap voortkomt, uit de tijd was en moest verdwijnen; alleen door het verwerven van een vrij, individueel Ik is de mens in staat op te stijgen naar geestelijke hoogten. Dat is de verklaring die ligt achter de woorden:
"Geven wil ik hem de macht zich te openbaren als wezen boven de volkeren; en weiden zal hij hen met de ijzeren staf - als aarden vaten zullen zij stukgeslagen worden;"

En wat betekent 'de morgenster' ? Die ster is Mercurius, niet de planeet van ons zonnestelsel, maar de Mercurius-invloed in occulte zin, die overheersend is voor de tweede helft van de Aarde-fase. Voor een duidelijker begrip hierover citeren wij uit "Antroposofie en de wijsheid van de Rozenkruisers"

"Gedurende de eerste helft van het aardestadium is de invloed van de planeet Mars beslissend voor de ontwikkeling van de aarde, evenals dat voor de tweede helft de invloed van de planeet Mercurius is. Mars heeft de aarde het ijzer gegeven, en de invloed van Mercurius wordt op Aarde merkbaar doordat deze de menselijke ziel steeds vrijer maakt zodat zij steeds onafhankelijker kan worden. Daarom wordt de ontwikkeling van de aarde in de occulte wetenschap zo opgevat dat er gesproken wordt over twee helften van deze ontwikkeling, over de Marshelft en de Mercuriushelft. Terwijl met de overige namen een hele planeet wordt aangeduid, spreekt men over de ontwikkeling van de aarde als die van Mars-Mercurius. Met Mars en Mercurius worden hier niet de tegenwoordige hemellichamen bedoeld, maar datgene wat gedurende de eerste en tweede helft van de aardeontwikkeling deze kenmerkende invloeden uitoefent."

De gemeente van Sardes, onze huidige cultuurperiode (Openb. 3:1-6)

Dit is de periode waarin een begin moet gemaakt worden met de omvorming van het astraal lichaam tot geestelijk zelf. Iedereen kan voor zichzelf uitmaken in welke richting de mensheid heden ten dage evolueert. Maar het is opmerkelijk dat, afgezien van de zevende brief, de schrijver van de Openbaring in geen enkele van de vijf andere brieven zoveel vermaningen en waarschuwingen aan de mensheid richt als in de vijfde. Een opsomming:

"Ik ken uw werken, dat gij een naam hebt, dat gij leeft, en en dode zijt gij."

Wij hebben onze individualiteit, onze eigen naam verworven, maar wij leven alsof wij - onderworpen aan het materialisme- geestelijk dood zijn.

"Word wakende, en versterk het overige, want het dreigt geheel af te sterven ... "

Vanaf nu moeten ook astraal-, ether-, en fysiek lichaam door de Christuskracht die het Ik opneemt, omgevormd worden tot resp. geestelijk zelf, levensgeest en geestmens. Wat gebeurt er indien dit ontwikkelingsproces niet zal plaatsvinden, indien de mens de Christusimpuls niet opneemt in zijn wezen ? Het fysieke lichaam en het etherlichaam moeten verdwijnen (de eerste en de tweede dood), het ongelouterde astraal lichaam zal tot een verdierlijkte vorm degenereren en zal tenslotte als een onvruchtbare uitwas uit de verdere wereldevolutie gestoten worden.

"Indien gij niet waakt, zal ik komen gelijk een dief en niet zult gij weten op welk uur ik over u kom."

Christus spoort ons hier aan om wakende te blijven zodat wij ons zelfbewustzijn niet verslapen, zoniet zal ook nog ons Ik afgenomen worden. Maar toch zijn er

"enige weinige mensen in Sardes die niet hun gewaden hebben bezoedeld; zij zullen met mij wandelen in witte gewaden, want zij zijn waardig."

Dit zijn degenen wier ziel rein geworden is, die hun lagere zelf overwonnen hebben en het geestelijk zelf verworven hebben.

De gemeente van Philadelphia, de zesde cultuurperiode (Openb. 3:7-13)

Het tijdperk waarin boedhi moet beoefend worden, d.i. het transformeren van het levenslichaam in levensgeest. Dit tijdperk volgt op het onze, en in een niet eens zo verre toekomst. Het onze is begonnen rond 1413 en zal ongeveer 2160 jaar duren, dus tot in 3573. Daarna komt de periode waarover wij het nu hebben; zij zal eveneens 2160 jaar duren en een fundamentele geestesimpuls moeten voortbrengen om de basis te leggen voor het volgende (zesde) tijdvak, het tijdvak dat in de Openbaring beschreven staat als dat van de zeven zegels. De gemeente van Philadelphia is zeer belangrijk voor een heilzaam verloop van de verdere aardeontwikkeling, en de toon die in de Openbaring over deze gemeente doorklinkt is dan ook zeer hoopvol en bemoedigend. Maar wat is boedhi ? Boedhi is eigenlijk een hogere geestelijke beleving van manas. Manas ontstaat wanneer de mens zijn egoïstische aandriften en zijn zuivere persoonlijke belangen die in het astraal lichaam zitten, kan overwinnen; het is de metamorfose van het astraal lichaam in het geestelijk zelf. Men kan zich hierover ook op de volgende manier een voorstelling maken: de aardse intelligentie die de mens aanwendt voor zijn persoonlijke belangen vormt hij om -door de kracht van zijn Ik en door de Christuskracht in zichzelf- tot kennis omtrent het ware en het goede. In een volgend stadium kan die wijsheid dan zo diep beleefd worden dat zij a.h.w. een karaktertrek wordt, dat zij werkelijk met de ziel vergroeit, en dan wordt zij tot een levendig en allesoverheersend gevoel voor het ware en het goede. De mens weet dan niet alleen, maar hij voelt dan ook vanuit zijn diepste wezen dat alle nog ongezuiverde en ongelouterde gevoelens de bron van alle lijden en onheil zijn. Een immens medeleven met zijn lijdende medebroeder welt dan op in zijn ziel, en gedreven door een onweerstaanbare drang zal hij dit lijden willen verzachten. Dat is het beoefenen van Boedhi. In de gemeente van Philadelphia zal de ware broederliefde tevoorschijn komen. De naam van die gemeente betekent overigens broederliefde.

"En aan de engel van de gemeente in Philadelphia schrijf: zo spreekt de drager van het heil en van de onvergankelijke waarheid die de sleutel van David heeft: die opensluit en niemand zal toesluiten, en sluit, en niemand sluit open ... "

Rudolf Steiner legt uit: "De mens zal zijn Ik ontwikkelen tot een zodanige hoogte dat hij zelfstandig wordt en in vrijheid ieder ander wezen tegemoet treedt ... Dan zullen wij het individuele Ik op een hoger niveau in onszelf gevonden hebben zodat geen macht van buitenaf ons kan beïnvloeden als wij dat niet willen; zodat wij kunnen afsluiten en niemand tegen onze wil kan opendoen, en als wij opendoen, dat geen vijandige macht dan kan afsluiten. Dat is de "sleutel van David".

" ... gegeven heb ik dat voor uw aangezicht de deur wijd geopend is; niemand vermag haar te sluiten wijl uw kracht klein is .... "

"Wijl uw kracht klein is", het lijkt wel in contradictie te zijn met wat Steiner zegt over de sleutel van David, maar neen: die "kleine kracht" duidt op de persoonlijke belangen die nog niet vergeestelijkt zijn, en die zullen bij de Boedhi-mens geen grote rol meer spelen, nog weinig kracht hebben. Rudolf Steiner benadrukt echter dat slechts weinigen in deze zesde cultuurperiode zozeer zullen doorchristelijkt zijn dat zij de ware naastenliefde kunnen beoefenen. Maar het is deze kleine groep die in zich de kiemkrachten zal dragen om na de grote oorlog van allen tegen allen, een nieuwe geestescultuur uit te dragen.

De gemeente van Laodicea, de zevende na-Atlantische cultuurperiode

In de brief aan Laodicea benoemt Christus zichzelf als de "Amen" hetgeen betekent: "Ik ben degene die het echte Wezen van het Einde waarheen alles op weg is, in zich sluit".
Amen en atma hebben in oorsprong dezelfde betekenis. Met atma heeft de mens zijn einddoel bereikt als menselijk wezen; zijn lagere wezensdelen heeft hij herschapen in hogere bestaansvormen, want degenen die hun astraal- en etherlichaam vergeestelijkt hebben zullen in deze laatste periode van ons tijdvak ook de krachten hebben om de geest tot in hun fysiek lichaam te laten doorschijnen; de gehele mens wordt dan geest-mens. De weinigen die dat niveau bereiken zullen de ingewijden van die tijd zijn, maar de rest, en dat is de overgrote meerderheid, zal "lauw zijn, noch heet, noch koud" (Openb. 3:16). Deze groep zal geen nieuwe impulsen meer voortbrengen, zij zal een "soort overrijpe vrucht zijn die geen kiem van vooruitgang in zich draagt".
Rudolf Steiner spreekt er als volgt over:
"Dezen zullen al hun geraffineerdheid aanwenden om de fysieke natuurkrachten te benutten, maar zij hebben de nodige graad van onbaatzuchtigheid niet bereikt. Zij zullen de oorlog van allen tegen allen inleiden, en dat betekent de ondergang van onze cultuur ... Sterke, immense krachten zullen uitgaan van ontdekkingen die de ganse aardbol tot een soort zelffunctionerend elektrisch apparaat zullen omvormen".

"Tijdens de zevende cultuurperiode zal de aarde bevolkt zijn met mensen die noch voor het geestelijke, noch voor het zintuiglijk bestaan interesse kunnen opbrengen; zelfs voor dit laatste zullen zij te geblaseerd zijn ... Hier op aarde zullen in alsmaar meer verhardende lichamen mensen leven die de grootste uitvindingen en ontdekkingen zullen doen. Deze in de materie verstrikte mensen zullen niet veel meer te vrezen hebben van de geesteswetenschap want op aarde zullen dan niet veel mensen meer te vinden zijn die zich nu en in de zesde cultuurperiode met spiritualiteit beziggehouden hebben."

Slot

Tijdens en na de zevende cultuurperiode zal de grote oorlog van allen tegen allen woeden. Het zal geen oorlog zijn zoals nu oorlogen gevoerd worden. Het zal een strijd worden van individu tegen individu waarin iedereen met een uiterste hardvochtigheid en meedogenloosheid zijn eigen egoïstische belangen zal proberen te verdedigen en te vrijwaren. Na deze oorlog begint het zesde tijdvak, en dan zal die kleine groep die de ware broederliefde beoefend heeft opnieuw op aarde verschijnen. Die groep zal één doel voor ogen hebben: de kwade gezindheid van de mensheid ten goede keren. Rudolf Steiner:

[ ... ] "Na de oorlog van allen tegen allen zullen er twee stromingen zijn onder de mensen: aan de ene kant die van Philadelphia met het beginsel van de vooruitgang, de innerlijke vrijheid en de broederliefde, een handjevol mensen, afkomstig uit alle groepen en naties, en aan de andere kant de grote massa van degenen die nu lauw zullen zijn, de stroming van Laodicea. En na de grote oorlog van allen tegen allen zal het erom gaan dat langzamerhand de boze stroming door het goede 'ras', door de goede stroming tot het goede wordt geleid. Dat zal na de grote oorlog van allen tegen allen een van de belangrijkste opdrachten zijn: te redden wa er te redden valt uit het getal van degenen die er na de grote oorlog alleen op uit zijn om elkaar te bestrijden, om het Ik zich te laten uitleven in een uiterste vorm van egoïsme. In de sfeer van het occultisme worden ten behoeve van zulke mogelijkheden in de wereld altijd maatregelen genomen" [ ... ]

Dat goede ras, dat zijn de Manicheeërs, de stroming die reeds kort na onze jaartelling het fundament gelegd heeft voor haar toekomstige opdracht: het kwade niet veroordelen of verdrijven maar omvormen tot het goede. Hierover zullen wij het een volgende keer hebben.

jv

Terug naar de inhoudstafel A - D.