Over de warmtezin

Norbert Glas schreef ooit een boek over de twaalf zintuigen, hoe ze belaagd worden en hoe ze kunnen behoed worden. We vertaalden en bewerkten het hoofdstuk dat gaat over de warmtezin.

Bij de warmtezin stuiten wij al direct op een probleem dat zich bij de andere zintuigen niet zo sterk stelt. Rudolf Steiner wees erop dat we bij warmte voortdurend kunnen gewaarworden hoe het fysische de ziel en de ziel het fysische beïnvloedt; want juist bij warmte voelen wij hoe de warmte van buiten innig verwant is met het element van de innerlijke ziele-warmte. Als we de oorzaak daarvan willen op het spoor komen, moeten we verschillende feiten bekijken. Waar nemen we de gewoonlijke warmte waar ? Het orgaan dat de warmte waarneemt is de huid, bevindt zich dus aan de oppervlakte van het lichaam. Bijzonder merkwaardig is dat alles wat door dit orgaan waargenomen wordt, het lichaam aanzet tot de grootste activiteit. Misschien moeten we toch wel benadrukken dat de warmtezin zowel koude als warmte voelt. We doen dit omdat de fysiologie vastgesteld heeft dat de huid zowel koude- als warmtepunten telt; zoals bekend zijn er veel meer koude- dan warmtepunten (250.000 tegenover 30.000). De laatste liggen wat dieper in de huid, dus verder weg van de lichaamsoppervlakte dan de koudepunten. Dat wijst er ons al op dat de mens van natuur uit gevoeliger moet zijn voor koude dan voor warmte. Het warmteproces in de mens is voortdurend en ononderbroken actief. Gewoonlijk zijn we ons daarvan niet bewust. We stralen warmte uit door onze huid, met onze ademhaling stoten we, ongeveer 18 maal per minuut, warmte af bij de uitademing, en nemen een portie koude op met de inademing. Ook iedere opname van voedsel en drank verstoort een warmte-evenwicht, want deze hebben bijna nooit de zelfde temperatuur als het lichaam. De warmte van ons lichaam wordt van binnenuit door het bloed bepaald. Een ongewoon grote activiteit van het lichaam is nodig om constant 37° Celsius te kunnen aanhouden. Door warmte af te geven verliezen we onszelf telkens een beetje, door het standvastige aanwakkeren van de warmteproductie kunnen we onszelf handhaven. Het is dankzij de warmtezin dat ons lichaam te weten komt waar en hoe de warmte moet bezorgd worden. In de grond is het aanwakkeren van de warmteproductie iets dat in het zielsgebied ligt. Vandaar slaat het onmiddellijk in het bloed en werkt zich lichamelijk uit. Daardoor ontstaat die voortdurende pendel tussen het fysieke en de ziel. (In het bloed is het meer bepaald het ijzer van het hemoglobine dat de warmte draagt. In het ijzer zitten de marskrachten, die beletten dat de mens samen met de warmte uit zichzelf uitvloeit).

Het is dus zeer belangrijk dat de mens zijn warmtezin naar behoren ontwikkelt. De vroege jeugd is daarvoor van doorslaggevende betekenis. In die periode werkt de nog slapende ziel met alle warmtekracht in het lichaam. Het zwakke lichaampje, aan het begin van zijn groei, heeft bijlange nog niet de nodige warmteregulatie gevonden. Enerzijds wil de ziel het lichaam doordringen, maar anderzijds kan ze zelf de warmtehuishouding nog niet in stand houden. Daarom heeft het jonge organisme een steun en zorg van buitenaf nodig. In het moederlichaam wordt het kind wat zijn warmtebehoefte betreft volkomen beschut. Als bij de geboorte moeder en kind gescheiden worden, dan heeft dit laatste nog veel warmte nodig. Wordt hieraan niet of onvoldoende tegemoet gekomen, dan lijdt de warmtezin daaronder. Een oog bvb. dat niet goed op korte afstand ziet, wordt zwakker als men het daartoe dwingt, zelfs op latere leeftijd. Een kind dat te weinig warmte krijgt van de omgeving -omdat het bvb. niet warm genoeg gekleed wordt- verliest de gevoeligheid van zijn warmtezin. Die warmtezin wordt dan later een slechte overbrenger van de warmtestroom, d.w.z. het organisme verliest zijn zekerheid waarheen op een bepaald ogenblik warmte moet gestuurd worden. Rudolf Steiner heeft dikwijls gewaarschuwd voor de methodes om het lichaam te harden; hij wees er bij gelegenheid op hoe mensen die in hun jonge jaren schijnbaar zeer gehard waren, op latere leeftijd veel moeilijker de zomerwarmte konden verdragen. Dat is fysiologisch gemakkelijk te verklaren. Door ons te harden verlammen we in de eerste plaats de koudepunten, waarvan we er zoveel meer hebben, en als die verzwakt zijn, dan verhoogt daardoor de gevoeligheid voor warmte. Door een "koudekuur" in de jeugd wordt de warmtezin nodeloos overbelast. Die moet altijd aangeven waarheen er warmte moet gevoerd worden, maar dat gaat niet omdat het organisme nog niet genoeg ontwikkeld is. Tot op zekere hoogte wordt er dus nutteloze arbeid verricht. Het zintuig geraakt overwerkt en verliest zijn levendigheid. Dat blijkt dan als men volwassen is of ouder wordt. Dikwijls ontbreekt de noodzakelijke verbinding tussen het zintuigorgaan en het innerlijk functioneren van een orgaan.
De gevolgen zijn niet altijd zo "onschuldig" als het niet kunnen verdragen van de zomerwarmte. De warmtezin die niet goed werkt, merkt niet als er in de omgeving te lage temperaturen heersen. In plaats dat op een verlaging van de huidtemperatuur gereageerd wordt met meer warmteproductie, wordt de kou gewoon te diep in het lichaam toegelaten. Aldus staat de innerlijke orgaanwereld open voor invloeden van buitenaf. Daardoor kan de afweerkracht tegen bepaalde ziekten geneutraliseerd worden waardoor griepachtige ziekten de mens als een harde gesel kunnen treffen. Men mag nog zoveel energie steken in preventieve maatregelen, zolang men het warmtezintuig van de kinderen blijft verknoeien zal men in fysiologische zin niet veel bereiken. Vaccins en antibiotica zijn in de strijd tegen verkoudgheden slechts uiterlijke middelen, die op de diepere oorzaken niet inwerken. De eigenlijke menselijke weerstand wordt er niet door gesterkt.

Het hard maken van kinderen door ze kou te leren verdragen, wordt tegenwoordig niet meer als pedagogisch principe gehanteerd. Het gevaar komt nu uit een andere hoek: - de mode om vooral meisjes, zelfs zeer jonge, met de lenden bloot te laten lopen; - het dragen van kleding uit synthetische vezels, met groot volume maar weinig warmte; - de ouders die de kinderen zelf hun kledij laten bepalen, zodat ze letterlijk en figuurlijk "cool" worden; -ouders die de kledij meer aanpassen aan de autoverwarming dan aan de temperatuur op de speelplaats.

Het spijtige is dat oorzaak en gevolg zo ver uiteen liggen, waardoor het verband niet gezien wordt. Zo ken ik bvb. een oude vrouw die in haar jeugd goed gehard werd tegen de kou, zij kreeg geen kans om te "verwekelijken". Koel en hard werd zij opgevoed. Op het einde van de middelbare leeftijd kreeg zij een gewrichtsziekte die nog altijd voortschrijdt (arthritis deformans). Maar nog altijd heeft ze de gewoonte om haar kamer fris en koel te houden. Ondanks een zeer slechte bloedsomloop, met blauwkleurige ledematen, voelt zij geen kou, en zij laat de vensters openen bij temperaturen die een gezond mens doen rillen. Haar warmtezin werd in haar jeugd bedorven. Het moet niet altijd zolang duren -in het bovenstaande geval zo'n 45-50 jaar- voraleer de gevolgen van een verkeerde aanpak van de warmtezin duidelijk worden. Er bestaat een heel land dat als voorbeeld kan dienen om te bestuderen waartoe een vroegtijdige onderkoeling van de menselijke natuur leidt ! In Engeland bvb. is het een regelrecht volksgebruik geworden dat het in een ruimte niet echt warm mag worden als men daar nog goed en correct wil werken. Zeker in de slaapkamer mag het daar niet warm zijn. En zo slapen kinderen van kleins af aan, net zoals de volwassenen, in onverwarmde slaapruimtes, in de winter, bij om 't even welke temperatuur. Als men ervan uitgaat dat dat veelgeprezen "harden" kan bereikt worden door de mens veel en lang bloot te stellen aan koude, dan zouden Engelsen, die aan koude kamers gewend zijn, de mensen met het meeste weerstand moeten zijn. En toch is juist het volkomen tegendeel waar. Want nergens ter wereld zijn er in de winter en in de tussenseizoenen meer verkoudheden dan in Engeland. Bij de verkoudheden moeten gerekend worden, behalve snotteren, hoesten, ontsteking van de slijmvliezen van de luchtwegen, bronchitis, en vele vormen van longontsteking, ook nog: lumbago, ischias, bepaalde neuralgieën en keel- en middenoorontstekingen. Vele van deze ziektes moeten opgevat worden als een poging om het warmte-organisme terug in orde te brengen wanneer dat dreigt uiteen te vallen. Dit orde-scheppen wordt spijtig genoeg verhinderd door de gewoonte van het land om deze ziektes met chemische en antibiotische middelen te bestrijden. Een innerlijke gezondwording is aldus onmogelijk. Natuurlijk lukt het vaak om het lijden te verkorten door deze middelen, maar op deze manier kan men de weerstand van het lichaam niet vergroten. De warmtezin, die al zwak was, wordt nog zwakker in plaats dat hij gesterkt uit de ziekte tevoorschijn komt. Door een voortijdig ongevoelig maken voor koude, geraakt de mens in een eigenaardige toestand. Hij verliest een natuurlijk en instinctief reactievermogen t.o.v. de omgevingstemperatuur. Hij kan het bvb. niet verdragen om samen met andere mensen in een goed verwarmd lokaal te zitten, hij vindt het terstond "stikkend" heet. Hij krijgt het gevoel niet meer te kunnen ademen of denken. Dat spreekt natuurlijk vanzelf: de warmtezin is defect, de verdeling van de warmte wordt niet meer fijn genoeg geregeld. Zo'n mens z'n kop wordt door zijn eigen hittegolven overspoeld want het bloed stijgt hem snel naar het hoofd. Hij gooit het venster open om frisse lucht te hebben, of hij zoekt een plek in de tocht op. Zoals iemand door verkeerde eetgewoonten, vooral in de jeugd, een gezond voedingsinstinct kan verliezen, zo kan hij ook verleren om warmteverhoudingen juist in te schatten.

Mensen hunkeren naar een omgeving met zielewarmte. Dat geldt in de hoogste mate voor de kinderen. Gedachten en gevoelens die iemand innerlijk voor anderen koestert, stromen uit in de buitenwereld en hebben hun werking. De tuinier die graag planten ziet, de boer die graag beesten ziet, voeden en stimuleren hun planten en dieren totaal anders als een koel calculerende agronoom. Maar nog meer dan bloemen en planten hebben kinderen het warmte-element uit de zielekrachten van moeder, vader en opvoeders nodig. Spijtig genoeg is, hoewel het lichamelijk harden geen mode meer is, het harden van de ziel een principe dat nog vaak toegepast wordt. Een deel van de jonge moeders, nog vaker de jonge vaders, vinden dat een kort aangebonden spreekwijze, een koud naleven van orde en discipline, de beste opvoedingsstijl is. Bij zo'n behandeling bevriest de kinderziel. Het gevolg is dat het kind z'n levenskrachten verarmen, dat het fantasieloos denkt en oncreatief blijft. Het orgaan dat met zielewarmte verbonden is, is het hart. In het hart stroomt van overal in het lichaam warmte binnen, wordt zeer fijn gemengd en kan door de ziel waargenomen worden. Het menselijk hart is een heel gevoelig zintuig voor de warmte in het bloed. Het idee dat het hart het bloed in het lichaam verdeelt kwam pas op toen men het hart tot een soort pomp gedegradeerd had. De werkelijkheid ziet er veel meer zo uit: enerzijds stroomt alle warmte met het bloed in het hart, zoals gezegd, vermengt zich, temperatuurverschillen verdwijnen, het stroomt verder. Anderzijds wordt, niet veel natuurlijk, voortdurend warmte geproduceerd door de hartspier en afgegeven aan het bloed. Belangrijk is dat de warmte, opgenomen door het zintuigorgaan "hart", de weg naar de ziel vindt. De ziel neemt dus de warmte van alle organen waar, en omgekeerd zal de zielewarmte die wij in ons binnenste koesteren naar alle organen gaan, het eerst naar het hart (terwijl de warmte uit de omgeving pas op 't laatste het hart bereikt !).

Als men het hart beschouwt als een zintuigorgaan dat de subtielste innerlijke warmtestralingen van het bloed moet opvangen, dan kan men vele ziekmakende processen begrijpen. Een zielehouding die leidt tot een koel, berekend, snel en zonder gevoel handelen, geeft het hart niets van wat het zou moeten krijgen aan innerlijke warmte. Men geeft het hart eenvoudig niet genoeg tijd om het warmtemengsel, het warmteverschil, te doorvoelen. De koude die van buitenaf in het organisme doordringt veroorzaakt vooral in het ademhalingssysteem ziektes; de koelte die van de ziel komt werkt op het hart zelf en op het stromende bloed. Als we iets doen, maar ook als we iets denken, waar het hart zich niet kan of wil mee verbinden, leggen we een eerste kiem voor een hart- of vaatziekte. De hart- en vaatziekten die aldus ontstaan zijn van het verhardende, sclerotiserende type; verkramping van de vaten, sclerosen, agina-achtige toestanden, angina pectoris, sclerose van de aorta, fibrillatie enzomeer. In de kinderjaren uit zich dat natuurlijk niet. De warme vitaliteit die een kind nog heeft, biedt genoeg tegengewicht. Al wat een kind doet, vooral na het derde levensjaar, gaat gepaard met een actieve hartwarmte. Opvoeding en omgeving zorgen ervoor dat die vurige gemoedsstormen gedempt en afgekoeld worden - hetgeen tot op een zeker niveau te rechtvaardigen is. Voor het wezen van het kind blijft een te grote hartkoelte gering: dat gebeurt pas als de omgeving storend ingrijpt. Met welk een begeestering spelen kinderen niet, luisteren ze naar begripvolle leraars, beklimmen ze bomen, zitten ze verwachtingsvol voor het gordijn vóór de voorstelling begint. Er zijn oude mensen die het nog altijd warm krijgen als ze zich hun jeugd herinneren. Zelfs de herinnering laat dus nog van die hartwarmte opleven, en voor onze oude dag is dat heel belangrijk. Hoe meer zielswarmte en hoe meer echte vreugde wij in onze jeugd konden verzamelen, hoe groter voorraad wij organisch en psychisch opgeslagen hebben, iets waaraan wij ons op onze oude dag kunnen warmen. Spijtig genoeg is de arbeidende mens van tegenwoordig precies aan het tegenovergestelde blootgesteld. Hij moet zich haasten om op tijd op zijn werk te zijn; daar mag hij geen tijd verliezen; alles is uitgerekend opdat hij op de kortst mogelijke tijd zoveel mogelijk werk kan verzetten. Komt hij er niet met zijn gewone werkuren, dan gauw nog wat overuren. Het noodlottige daarbij is dat de arbeid slechts als een last beschouwd wordt, men kan er steeds minder een warm gevoel mee verbinden. Het is dan ook geen wonder dat de mensen een slechte bloedsomloop krijgen, ziek worden van hun afgekoelde hart, als ze eerst tientallen jaren een beroep uitgeoefend hebben dat hen onverschillig (koud) laat. Gezondheidsstatistici der meeste cultuurlanden vragen zich altijd maar weer af hoe het komt dat, ondanks kanker en andere ziektes, de meeste mensen van nu toch nog het slachtoffer worden van een ziekte van de bloedsomloop. De "manager-ziekte" is zeer modern en algemeen geworden. Dat is natuurlijk geen wonder met onze manier van leven. Daarbij komen dan nog bepaalde nefaste levensgewoontes. Zo bvb. de deugd, of liever de ondeugd, om te pas en te onpas zwarte koffie te drinken. Die verwekt een deel warmte in het hart, vuurt het aan - maar wel gewelddadig, niet vanuit de werkelijke menselijke bloedsomloop. Als dan de werking van de koffie wegebt, volgt een verslappende reactie; het hart wordt beroofd van een levende kracht* . Roken werkt anders. Het koelt het hart geleidelijk af omdat het een vernauwing van de vaten teweegbrengt. De bloedsomloop vertraagt, voert minder warmte mee, en mettertijd ontstaan verhardingen en zgn. verkalkingen. Waarom rookt de manager dan zoveel ? Hij wil beletten dat er teveel warmte in zijn innerlijk, vooral in zijn hart, ontstaat. Hij wil koel berekenen, zijn hart mag hem daarbij niet storen; daarom is het beste volgens hem om het hart te onderkoelen. Dat kan heel eenvoudig met een gif als nicotine. Jaren later wreekt zich dat natuurlijk, de gezonde hartwerking is ondermijnd, angina pectoris kondigt zich aan. Ook als men regelmatig overwerkt geraakt, bederft men zijn hart. Een echte menswaardige arbeid brengt vreugde en bevrediging of enthousiasme. Wordt de arbeidslast echter te groot, dan verdwijnt alle vreugde, er komt in het hart eveneens een teveel van koude, met als fysiek gevolg storingen van hart en bloedsomloop. Om deze ziektes enigszins te voorkomen zou de mens het roken en koffiedrinken moeten opgeven, dat spreekt vanzelf, maar in de eerste plaats zal hij zich toch een ziele-eigenschap moeten aankweken, die men de opgroeiende mens moet bijbrengen, en die de volwassene voortdurend moet onderhouden, en dat is het geduld. Precies omdat het warmte-element zoiets vluchtig in zich heeft, hebben we geduld nodig om dit element te kunnen beheersen. Eigenlijk zou iedere warmtestroom die uit het hart losgelaten wordt, rustig het orgaan moeten bereiken waarvoor hij bestemd is. Dat is even moeilijk als bvb. maar één gevoel in de ziel toelaten en het vasthouden tot het verdwijnt. Als we bvb. medelijden krijgen met een mens, dan is het moeilijk dit gevoel langere tijd vast te houden. Er komt misschien een gevoel van liefde bij, of een bewondering voor de betreffende, of ook nog diepe treurnis; al deze gevoelsgolven slaan over en vermengen zich, geen enkele deint afzonderlijk tot het einde uit. Door ons geduld te oefenen zouden we ertoe moeten komen om alles rustig te verdragen en zijn gang te laten gaan (zonder onverschillig te worden natuurlijk - fdw). Ook als een mens ons iets zeer langdradig vertelt moeten we opmerkzaam luisteren, evenwel niet alleen uiterlijk, maar vooral innerlijk rustig; dat geeft de ander warmte. Ja, kunnen wachten tot het juiste ogenblik aangebroken is -in de zin van Goethes sprookje-, dat brengt harmonie in onze warmtestroom, dat sterkt hem, houdt hem levendig voor lange tijd. Als volwassene kunnen we een gevoel krijgen voor het belang van geduld door af en toe op ons leven terug te kijken. Men neemt bvb. enkele oude brieven en bedenkt welke emoties ze toentertijd losgemaakt hebben, welke verwachtingen, welk ongeduld: was dat werkelijk de moeite waard ? Had een stil afwachten ons niet verder gebracht ? Omgekeerd stellen we ook vast dat mensen die lijden aan de hierboven genoemde ziektes, geweldig ongeduldig kunnen worden. Bij iedere gelegenheid bruisen ze op. We verwijzen terug naar het manager-type, en de vicieuze cirkel: door zich altijd te haasten, wat het ongeduld bevordert, hebben ze hun warmte- en hartorganisatie verzwakt. De verzwakte constitutie wordt op haar beurt een oorzaak van ongeduld. Wat kunnen we aanbevelen om een generatie te kweken met meer geduld en minder vaatziektes ? In de eerste kinderjaren een zorgzaam omgaan met het warmte-organisme. Leraars en opvoeders die een voorbeeld moeten zijn. In de eerste zeven jaar, wanneer de nabootsing zo'n grote rol speelt, wordt het kind tot in zijn organen geduldig en doorwarmd als de omgeving eveneens geduldig blijkt. Spijtig genoeg valt het de volwassenen zwaar om het kind in zijn vele ritmische en zeer gezonde herhalingen niét te storen. Wordt het kind te vaak gestoord, dan wordt het ongeduldig, nerveus, en zijn warmtezin wordt geschaad. Hoe meer de mens weet over zijn leefwereld, hoe beter hij deze verstaat - en des te geduldiger stelt hij zich op. De moderne levenswijze doet echter alles om de mensen ongeduldiger te maken. Om dit te ervaren moet men maar eens een van de vele sportmanifestaties meemaken, waar zowel spelers als toeschouwers opgehitst worden, en er precies het tegendeel heerst van geduld of van een harmonisch zich inleven in de omgeving. Iedere al te grote opwinding vernietigt, vooral in de jonge jaren, iets van de natuurlijkheid van de warmtezin. Ieder examenssysteem in de scholen, waarbij het kind dan nog binnen een bepaalde tijd moet klaar zijn, werkt bijzonder nefast, afgezien van al het andere schadelijke dat in zo'n testsysteem ligt. Verwoestend werkt het inspelen op de eerzucht der kinderen. Niet voor niets spreekt men van "brandende" eerzucht. Er wordt weliswaar een vuur ontstoken, maar de vlam is egoïstisch, ze wil de mens alleen dienen, en haar warmte is vernietigend voor ziel en organen. De mens brandt psychisch meer en meer uit (vgl. burnt-out-syndroom - fdw). Er worden impulsen gewekt die zeer negatief werken. Machtsstreven, gevoelens van meerderwaardigheid, onsociaal gedrag, zijn dikwijls de gevolgen. Spijtig genoeg is het schoolwezen tegenwoordig gebouwd op het principe van de eerzucht. Want het examenssysteem leidt ertoe dat iedereen "de eerste" wil zijn. Hoewel de ervaring leert dat het meestal niet de "eersten" uit school of universiteit zijn die ons de waardevolste prestaties voor de mensheid brachten, toch rolt het systeem onverstoorbaar verder. De "selectie van de bekwaamsten" geschiedt nog altijd aan de hand van examensuitslagen, en men staat er paf van als blijkt dat iemand zonder "kwalificatie" ook tot iets in staat is. Het doorworstelen van examens wordt nog altijd beschouwd als een darwinistische "strijd om het bestaan", een van de giftigste ideeën voor het menselijk denken. Een inspanning leveren ter wille van een prijs is iets dat ons moreel zeer gemakkelijk corrumpeert. In het hedendaagse sportgebeuren laten zelfs verstandige mensen zich erdoor meesleuren. Om wille van een honderste van een seconde worden mensenlevens op het spel gezet. Slachtoffers van deze recordwaanzin zijn niet alleen sportlui maar ook toeschouwers. Ze geraken psychisch en lichamelijk overhit. De warmtezin wordt overbelast en voor het leven verzwakt. Na dergelijke overwegingen voelt men het als een zegen aan dat in de pedagogiek van Rudolf Steiner alle waarde op de ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid gelegd wordt, en men alles vermijdt wat de eerzucht aanwakkert of dat op competitie lijkt. In schoolverband is dat natuurlijk alleen te verwezenlijken als men afziet van "toetsen", zoals dat in Steinerscholen het geval is. Daardoor wordt de natuurlijke warmtezin gerespecteerd. Het valt vele mensen op, en men kan objectief constateren, dat kinderen die uit de Steinerschool komen, een merkwaardige karaktereigenschap vertonen, die hen onderscheidt van scholieren uit andere scholen: een bijzonder vrij, open, warm wezen. Ze hebben het minder moeilijk om mens en wereld met een innerlijke hartwarmte tegemoet te treden. Dergelijke uitspraken hoort men van pedagogen met verschillende achtergrond.* In de hedendaagse opvoeding heeft men gekozen voor een systeem van competitie en examens, en het gevolg daarvan is een cultuurziekte die op grote schaal verspreid is, nl. het minderwaardigheidscomplex. Wat werkt de ontwikkeling van een dergelijk complex in de hand ? Het feit dat de mens moet ervaren dat een ander meer examens doorstaan heeft, daardoor tot een betere positie is geraakt, en meer gewaardeerd wordt door de maatschappij. Wat heeft dat nu met de warmtezin te maken ? Welnu, zowel machtsstreven als minderwaardigheidsgevoel beschadigen dit zintuig. Een gezonde levenswijze maakt dat warmte harmonisch en zonder wrijving of hapering de weg van het fysieke, langs het hart, naar de ziel kan nemen; in omgekeerde richting gaat de zielewarmte via het hart naar de organen. Dit subtiele over en weer van warmte in ziel en lichaam kan niet meer functioneren als de warmtezin door de opvoeding thuis en op school en door het ganse cultuurleven verknoeid wordt. Om dit in te zien moet men anders beginnen denken, dan zal men ook willen toegeven dat bvb. leren en onderzoeken vanuit een begeestering voor het onderwerp een warmte in de mens doet gloeien die kracht en uithouding brengt. De warmtezin jubelt als het ware in zulke gevallen. Maar het taaie blokken voor een examenvak blust meestal ieder enthousiasme uit, maakt het hart koud en doet het samenkrimpen, zeker als er dan nog examenstress optreedt; de vrije circulatie tussen lichaamsorgaan en de gevoelige ziel wordt onderbroken* . Het is moeilijk om deze gevaren te herkennen omdat er zoveel jaren liggen tussen het trauma, de schok, en het afsterven van de warmtezin, het afkoelen van het hart, en de sclerose die in een orgaan optreedt. Het geleidelijk afsterven van de warmtezin in de huidige cultuur is er de oorzaak van dat de mensen die om een of andere reden géén kanker krijgen, meestal aan een hartziekte bezwijken** . De individuele mens kan zich tegen de negatieve levensinvloeden vooral beschermen door geduld te ontwikkelen, hoe moeilijk dat in onze tijd ook is. Een volwassene kan geduld leren als hij zich in de loop van zijn leven oefent om de meest verschillende meningen objectief te beschouwen en naast elkaar te leggen. Dezelfde zakelijkheid moet hij aan de dag leggen bij alle grote en kleine gebeurtenissen. Eenvoudige voorbeelden uit het leven van alledag kunnen dit het best illustreren. Een auto rijdt aan een rustig tempo op de straat. Achter hem komt een andere wagen. Van de andere kant komt een tegenligger, daarom moet de tweede wagen een beetje vertragen en wachten om in te halen. Is de tweede bestuurder iemand die zijn geduld oefent, dan zal hij rustig afwachten tot hij kan inhalen. Misschien denkt hij: die hier vóór mij heeft tijd, het kan zijn dat hij wat ontspant en bekomt van een drukke dag, daarom rijdt hij op zijn gemak. Een ongeduldigaard echter wordt direct nerveus. Het bloed stijgt hem naar het hoofd omdat iemand zijn weg verspert; misschien begint hij te vloeken en te claxoneren om uiting te geven aan een opgekropt gevoel. In het voorbijsteken maakt hij ook nog een veelbetekenend gebaar naar de bestuurder die het kalmer aan doet. Voor ons is een dergelijke reactie interessant omdat de ongeduldige bij zichzelf een warmtestoot teweegbrengt. Hij treft met een te grote hittegolf zijn eigen hart. Daar blijft de warmtestuwing enkele ogenblikken aanhouden en vloeit dan af naar een ander orgaan zoals bvb. het hoofd. Geduldig wordt men als men rekening houdt met de omstandigheden, en alle situaties met begrip beschouwt. Staat iemand aan het postloket waar er vier personen vóór hem staan, dan kan hij ongeduldig van het ene been op het andere springen, en de postbeamte die zo traag zijn werk verricht naar de duivel wensen. Maar evengoed kan men zijn tijd gebruiken om andere mensen te observeren, hoe ieder terwijl hij aan 't wachten is, andere bewegingen maakt. Of men kan eens stilstaan bij het werk van de postbeamte, hoe die daar iedere dag zijn acht uren moet uitzitten, en zoveel mensen moet bedienen. Het is geen eenvoudige opdracht om dat in alle rust te doen. Terwijl men dit overweegt is men dikwijls al aan de beurt, koopt postzegels, en gaat een beetje wijzer, met meer evenwicht in de warmtehuishouding, en dus gezonder, naar buiten. Wanneer zo'n gedrag eenmaal diepe levensgewoonte is geworden, dan helpt dat om onze warmtezin krachtig te maken. En het menselijk hart zal zich ook meer in evenwicht voelen. [ ... ]

Terug naar de inhoudstafel.