Eduard Schuré over Rudolf Steiner

Vele mensen vinden het vervelend, storend, als ze de "vervoering" zien waarmee antroposofen over het werk en de persoon van Rudolf Steiner kunnen praten. De moderne mens moet nu eenmaal niets meer weten van heiligenverering. De democratische gedachte, die in ons politieke leven zou moeten heersen, heeft zich ook genesteld in het geestesleven. Maar op geestelijk gebied kan er geen sprake zijn van gelijkheid, daar bestaan de grootste verschillen. Het is niet zo dat we allemaal maar simpele mensen zijn, met dezelfde zwakheden en gebreken: er zijn effectief mensen die met kop en schouders boven de grijze massa uitsteken. En het getuigt van een zekere grootheid van geest als men de echte geestesgroten onder ons kan en wil (h)erkennen.

Edouard Schuré (1841-1929) was een begaafd Frans schrijver die met een groot enthousiasme en een diep gevoel over esoterische onderwerpen schreef. Zijn boek "De grote ingewijden" maakte hem op slag wereldberoemd; het kende verschillende herdrukken en werd in vele talen gepubliceerd. Via Marie von Sivers, de latere Marie Steiner, leerde Schuré Rudolf Steiner kennen. Het kwam tot een vruchtbare samenwerking. Op het congres van de Theosofische Vereniging in München in 1907 werd Schuré's "Het heilige drama van Eleusis" opgevoerd.

Na zijn kennismaking met Rudolf Steiner schreef Schuré ook nog "De goddelijke evolutie". Veel van wat men in "De wetenschap van de geheimen der ziel" kan lezen, vinden we daarin terug, maar alles is concreter gemaakt door middel van precieze beelden en scènes. De voorrede van dit boek is gewijd aan Rudolf Steiner. Een uittreksel:

[ ... ] "Ik zal nooit het ogenblik vergeten, waarop een wederzijdse vriendin, uw bekwame medewerkster, Marie von Sivers, u ten mijnent bracht. Op gevaar af, dat ik mensen, die dergelijke indrukken nooit gekend hebben, doe glimlachen, moet ik bekennen dat, toen ik u in mijn studeervertrek zag binnentreden, ik een van de diepste aandoeningen van mijn leven ondervond.

Ik heb slechts twee andere van gelijke aard gehad, bij mijn eerste ontmoeting met Richard Wagner en toen ik de vrouw zag, wie ik mijn "Grote ingewijden" heb opgedragen.

Het schijnt dan, alsof men in de tijd van één seconde en met een enkele blik een gehele wereld ontdekt. Ten einde de lezer het bewijs te leveren, dat ik niet de enige ben, op wie uw persoonlijkheid een zo buitengewone werking heedft uitgeoefend, zal ik hier het getuigenis aanhalen van iemand, die geen theosoof of antroposoof is en die men de scherpzinnigste en geleerdste onder de intellectuelen zou kunnen noemen. Ik bedoel Graaf M. Prozor, de vermaarde vertaler en beschrijver van Ibsen in het Frans. Twee maanden geleden zeide hij van u: "Zelden heeft men in een mens door de krachtige blik van het oog, de bewegelijke, veelzeggende gelaatstrekken, de lenigheid van lichaam en bewegingen, in die mate het voorbeeld van een sensitief wezen gezien, dat in staat is ogenblikkelijk van ingekeerdheid over te gaan tot handelen, van gemoedsaandoening tot krachtontwikkeling, en daarbij in het bezit, zoals men zien kan aan zijn machtig hoofd en de ontwikkeling van de schedel, van het vermogen om de aandrift en de verbeelding in zich te onderwerpen aan die krachtige tucht, die uit de zielsaandoeningen het kunstwerk doet geboren worden". Wat mij allereerst in dit gelaat, vermagerd en doorgroefd van het denken, trof, was de volmaakte kalmte, die de geweldige worstelingen opgevolgd had, waarvan de gelaatsuitdrukking nog de sporen droeg. Daarin lag een niet-te-beschrijven vermenging van buitengewone vatbaarheid voor gevoelsindrukken en een verwonderlijke geestkracht, die het volkomen meesterschap over zichzelf bewijzen. Heerlijke zegepraal van de wil op een natuur, in staat alles te begrijpen en alles te voelen. De ongeveinsdheid van het kind, gepaard aan de macht van de wijze, dat zeide mij de glimlach van die mond met die fijne en gesloten lippen. En daarbij straalde uit dat donker oog een lichtglans, die waarlijk de dikste sluiers leek te doorboren en te lezen in het onzichtbare. Een zedelijk en verstandelijk volkomen gekristalliseerd wezen met een geestelijk hart van stralende klaarheid - dat was het verrassende schouwspel dat gij mij boodt.

Onze vertrouwelijke gesprekken, het volgen van een reeks uwer voordrachten, zo verbazend rijk aan denkbeelden, en het lezen van uw voornaamste werk"De wetenschap van de geheimen der ziel", bevestigden krachtig deze eerste indruk.

Aan een verheven intuïtie en buitengewone helderziendheid paart gij een grote wetenschappelijke en wijsgerige ontwikkeling, die u in staat stelt uw uiteenlopende waarnemingen nauwkeurig na te gaan en met elkaar in evenwicht te brengen en daaruit en homogeen geheel te vormen. De volmaakte samenhang van uw gedachten, die elkaar wederkerig aanvullen en waarvan het geheel verband houdt met een gemeenschappelijk kernpunt, is het bewijs voor hun juistheid. Wanneer een verheven helderziendheid u uw hoogste kennis verschaft, dan erkent ge die niet, aleer gij die nauwkeurig gezift hebt en naar hun graad ingedeeld in de rangorde der verschijnselen, onder de grote wet van de oorzakelijkheid en der universele overeenkomsten. Niet door blinde onderwerping en het opzeggen van een uit-het-hoofd-geleerde catechismus wekt gij uw leerlingen op, maar door het initiatief en de onbeperktste vrijheid, wanneer gij hun opnieuw zegt :" Als uw ervaring en verstand niet bevestigen, wat ik u vertel, gelooft mij dan niet !" Zo bracht gij mij het gewenste licht. In uw onderricht ontplooide zich voor mij de christelijk-esoterische leer in al haar omvang en veel groter nog dan ik ooit gedacht had. Want, zoals gij haar hebt uiteengezet, zag ik, dat die leer in staat was alle andere overleveringen te omvatten, te verlichten en uit te breiden." [ ... ]

Terug naar de inhoudstafel R - U.