Over het occulte onderzoek

Tot nu toe is er in De Brug nog maar weinig verschenen over het Christuswezen. En dat is niet zonder reden. Als Rudolf Steiner zaken meedeelt uit de geestelijke wereld gaat het niet in de eerste plaats om de informatie, om ons te laten kennis nemen van enkele eigenaardige feiten, hoe interessant ze ook mogen zijn. Rudolf Steiner wil enerzijds ons denken in beweging brengen, maar anderzijds wil hij ook dat we in een bepaalde gemoedsstemming verkeren als we kennis nemen van occulte inhouden. En hoe belangrijker, hoe diepzinniger deze inhouden zijn, des te belangrijker is het om de juiste stemming voor te bereiden. We zien dan ook in de voordrachtenreeksen die over de evangelies gaan, dat Rudolf Steiner dikwijls meer dan vijf voordrachten nodig heeft vóór hij tot de kern van de zaak komt. Het is dus binnen het kader van dit tijdschrift niet eenvoudig om op een verantwoorde manier bepaalde zaken te laten verschijnen.

In "Het vijfde evangelie" spreekt Rudolf Steiner over hetgeen er in de ziel van Jezus omging tussen zijn twaalfde en zijn dertigste jaar. Daarbij wijst hij erop wat het voor de ziel van de helderziende betekent om tot die kennis te komen. Precies die passage vertaalden we. De voordracht vond plaats in Keulen op 18 december 1913.

[ ... ] "Voor ik verder ga met de beschrijving van het leven van de Christus Jezus, zou ik enkele bemerkingen willen maken die een idee geven van de manier waarop zulke zaken gevonden worden. Het kan er natuurlijk alleen maar om gaan om met weinig woorden een buitengewoon uitvoerige zaak te karakteriseren. Maar ik zou toch graag hebben dat u een voorstelling verkrijgt van hetgeen men occult onderzoek kan noemen, een dusdanige voorstelling waardoor men doordringt tot de concrete feiten die we hier gisteren konden beschouwen.

Algemeen kan men over deze dingen zeggen: dit onderzoek berust op het lezen in de Akasha-kroniek. In grote lijnen heb ik in de artikels die in het tijdschrift "Lucifer-Gnosis" onder de titel "Uit de Akasha-kroniek, verschenen zijn, aangeduid hoe men zo'n lezen in de Akasha-kroniek moet opvatten. Men moet zich klaar voor ogen houden dat de verschillende feiten uit het wereldgebeuren en uit het wereldzijn op verschillende wijze moeten gevonden worden, en daarom zou ik nu a.h.w. wat reeds vroeger gezegd werd nog preciezer willen uitdrukken. Het is goed om ervan uit te gaan dat er in de grond in het wereld-al niets anders bestaat dan bewustzijnen. Behalve het bewustzijn van allerhande wezenheden is al het overige uiteindelijk een deel van de maja of de grote illusie. Dit feit kunt u vooral opmaken uit twee plaatsen in mijn werk, ook nog uit andere, maar vooral uit die twee: ten eerste uit de beschrijving van de totale evolutie van de aarde van Saturnus tot Vulcanus in "De wetenschap van de geheimen der ziel", waar geschilderd wordt hoe de voortgang verloopt van Saturnus naar Zon, van Zon naar Maan, van Maan naar Aarde enz. aanvankelijk alleen in bewustzijnstoestanden. D.w.z. wil men opstijgen tot deze grote feiten, dan moet men in het wereldgebeuren zo ver opstijgen dat men te maken krijgt met bewustzijnstoestanden. Aldus kan men eigenlijk alleen maar bewustzijnstoestanden schilderen als men realiteiten schildert. Uit een andere plaats in een boek dat deze zomer verschenen is, "De drempel van de geestelijke wereld", kunt u hetzelfde opmaken. Daar wordt getoond hoe door een geleidelijk opstijgen de blik van de ziener zich verheft boven hetgeen zich rond ons voordoet als dingen, als iets dat zich afspeelt in de dingen, hoe dat alles als iets nietig verdwijnt en smelt, vernietigd wordt en tenslotte het gebied bereikt wordt waar alleen nog wezens zich in een of andere bewustzijnstoestand bevinden. Dus, de werkelijke realiteiten van de wereld zijn wezens in verschillende bewustzijnstoestanden. Het feit dat wij in een menselijke bewustzijnstoestand leven en vanuit deze bewustzijnstoestand geen volledig overzicht van de realiteiten hebben, bewerkt dat ons als realiteit verschijnt wat geen realiteit is. Ik heb dat bij wijze van vergelijking al meermaals aangehaald. U moet zich maar de volgende vraag eens voorleggen: is een haar, een mensenhaar, als dusdanig een realiteit, al was het maar in de meest beperkte zin ? Heeft het een zelfstandig bestaan ? Het zou onzin zijn om te zeggen dat het een zelfstandig bestaan heeft. Het heeft alleen maar zin als we het beschouwen als iets dat groeit op een mensenlichaam, anders komt het niet voor, het kan niet op zich bestaan. Als een realiteit, zoals men die in het gewone leven opvat, als een zelfstandig wezen zo een haar te bekijken, ook slechts in aardse zin, voelt iedereen aan als onzin omdat nergens een haar afzonderlijk kan ontstaan. De afzonderlijke plant beleeft men vaak als een apart wezen, en toch is dat evenmin een apart wezen als een haar. Want wat het haar op een hoofd is, dat is de plant voor het organisme van de aarde, en het heeft helemaal geen zin om een afzonderlijke plant te beschouwen. De aarde moet men naar analogie met de mens beschouwen, en dus alle planten als bij de aarde behorend, net zoals het haar bij een hoofd hoort. Evenmin als een haar op zichzelf kan bestaan los van het hoofd, even weinig kan een plant als zelfstandig wezen bestaan los van het organisme van de aarde. Het is belangrijk om in 't oog te houden waar men moet ophouden als men een wezen beschouwt als een wezen op zich. Maar uiteindelijk, op het laatste betekenisniveau dat een mens kan bereiken, is alles wat niet in een bewustzijn zetelt, geen zelfstandig wezen. Alles zetelt in een bewustzijn, en wel op verschillende wijze.

Laat ons eens een gedachte nemen, dus datgene wat wij als mensen denken. Vooreerst zijn deze gedachten in ons bewustzijn, maar ze zijn niet alleen in ons bewustzijn. Ze zijn tegelijk in het bewustzijn van de wezens van de hiërarchie boven ons, de angeloi of engelen. Terwijl wij een gedachte hebben, is onze ganse gedachtenwereld bijvoorbeeld gedachte der engelen. De engelen denken ons bewustzijn. En daarom zult u inzien hoe men, als men een ziener wordt, een andere beleving moet ontwikkelen t.o.v. het beschouwen van de wezens in hogere werelden als dat in het gewone, uiterlijke leven het geval is. Als men zo blijft denken zoals over de fysieke-zintuiglijke wereld, over het aardse bestaan, dan kan men geen ziener op een hoger niveau worden. Want daar moet men niet alleen denken, maar gedacht worden en er zich van bewust zijn dat men gedacht wordt. Het is niet gemakkelijk -omdat op dit ogenblik daar nog geen mensenwoorden voor bestaan- om precies te karakteriseren wat voor een beleving men daar heeft t.o.v. zijn eigen beschouwen. Bij wijze van vergelijking zou men zo kunnen zeggen, dat men allerlei bewegingen uitvoert, en deze bewegingen neemt men niet waar aan zichzelf maar men kijkt in het oog van een medemens en neemt daar het spiegelbeeld van de eigen bewegingen waar en zegt: als men daar kijkt, dan kan men daaruit te weten komen dat men dit of dat met de handen of met de gelaatsuitdrukking uitvoert. Dit gevoel heeft men reeds op de eerste trap van helderziendheid. Men weet slechts in 't algemeen dat men denkt, maar men neemt zichzelf waar in het bewustzijn van de wezens van de volgende hiërarchie. Men laat zijn gedachten door de engelen denken. Men moet weten dat men niet zelf zijn gedachten in zijn bewustzijn dirigeert, maar dat de wezens van de eerstvolgende hiërarchie deze gedachten dirigeren. Men moet het bewustzijn der engelen voelen zoals dat de mens doorgolft en doorweeft. Dan verkrijgt men a.h.w. een kennis over de impulsen die continu in onze ontwikkeling werken zoals bvb. over de waarheid van de Christus-impuls, hoe deze ook nu nog doorwerkt, nadat hij er eenmaal geweest is. De engelen kunnen deze impulsen denken; wij mensen kunnen ze denken en karakteriseren, als wij ons tot onze gedachten dusdanig verhouden dat we ze overmaken aan de engelen opdat zij in ons denken. Dat verkrijgt men door een voortgezet oefenen zoals ik het in mijn boek "Hoe verkrijgt men bewustzijn van hogere werelden ?" beschreven heb. Vanaf een bepaald ogenblik verbindt men een gevoel, een zin met de woorden: jouw ziel denkt nu niet meer, ze is een gedachte die de engelen denken. En naarmate dat voor het afzonderlijke menselijke beleven een waarheid wordt, beleeft men in zich, laat ons zeggen, de gedachten van de algemene Christus-waarheden of ook andere gedachten over de wijze leiding van de aarde-evolutie.

Alle zaken die betrekking hebben op de afzonderlijke periodes van de aarde-ontwikkeling, op de oer-Indische epoche, op de oer-Perzische epoche enzoverder, die worden gedacht door de aartsengelen. Door een voortgezet oefenen komt men ertoe niet alleen door engelen gedacht te worden, maar ook door de aartsengelen beleefd te worden. Men moet er enkel maar in het verder verloop van het oefenen toe komen dat men weet: je geeft je leven voor het leven der aartsengelen. In het boek "De drempel van de geestelijke wereld" is een en ander over deze zaken meer in detail geschilderd, nl. hoe men het gevoel bekomt, als men zijn oefeningen verderzet -ook in München heb ik daarover gesproken-, grotesk uitgedrukt, alsof men zijn hoofd in een mierenhoop zou steken. De mieren zijn de gedachten die zich bewegen. Terwijl men in het gewone leven meent dat men zijn gedachten denkt, komt men door het oefenen ertoe in te zien dat de gedachten in ons denken, omdat de angeloi, de engelen, in ons denken. En in het verder verloop van het oefenen krijgt men het gevoel dat men naar verschillende gebieden van de wereld door de aartsengelen gedragen wordt en daardoor deze gebieden leert kennen. Wie op de juiste manier de Egyptische cultuur, de Indische cultuur schildert, pas die kan de betekenis begrijpen van wat zo klinkt: je ziel wordt gedragen door een aartsengel in deze of gene tijd. Het is als wisten de sappen van ons leven dat ze het levensproces in stand houden en in het organisme als het bloed rondgevoerd worden. Aldus weet de ziener: hij wordt door de aartsengelen in het levensproces van de aarde rondgevoerd.

Maar om afzonderlijke gebeurtenissen te kunnen doorvorsen, daarvoor moet de ziel eerst een zin kunnen vastknopen aan de woorden: de ziel biedt zich als spijs aan bij de Oerbeginnen of Archai, de geesten der persoonlijkheid. Wat ik zoëven zei klinkt grotesk, maar een waarheid is dat men concrete feiten zoals het leven van Jezus in Nazareth niet kan doorgronden vooraleer men een zin kan verbinden met de woorden: men wordt als geestelijk voedsel gegeten en dient zo de geesten der persoonlijkheid. Dat is natuurlijk iets dat voor de mens die tegenwoordig in de uiterlijke wereld staat, klinkt als waanzin. Vanzelfsprekend ! Maar toch, zo waar het stuk brood dat naar onze maag gaat, ons voedsel wordt -en als dat stuk brood kon denken dan zou het weten dat het een zin en levensdoel heeft door voedsel te worden voor ons- even waar is het dat wij mensen de opdracht hebben om archai tot voedsel te dienen. Terwijl wij hier op aarde rondwandelen, zijn wij tegelijkertijd wezens die voortdurend door de archai verteerd, gegeten worden. U zult niet ontkennen dat de mensen in het gewone leven dat niet weten, dat ze het waanzin zouden noemen als iemand hen zoiets zou vertellen. De mens is voor de archai wat de tarwekorrel voor u als fysieke mens is. Maar men moet dit niet theoretisch weten, men moet t.o.v. de archai zo leven als de tarwekorrel zou leven wanneer hij tot brij vermalen wordt door onze tanden, en langs verhemelte en maag passeert met het bewustzijn: ik ben spijs voor de mensen; zo moet men weten: ik ben spijs voor de archai, ik word verteerd door de archai, het is hun leven wat ik in hen leef. Dit levendig te weten, dat betekent: zich verplaatsen naar het bewustzijn van de geesten der persoonlijkheid, de archai; net zoals het betekent dat men zich plaatst in het bewustzijn der aartsengelen als men weet: je ziel wordt gedragen door de aartsengelen naar die of die tijdsperiode; en net zoals het betekent: zich plaatsen in het bewustzijn der engelen als men weet: mijn gedachten worden gedacht door de engelen. Als men lezend (in de Akasha-kroniek) wil doordringen in de hogere werelden, dan moeten de toestanden van het beleven anders worden. Het is noodzakelijk om wetend verteerd te worden door de geesten van de persoonlijkheid als er feiten moeten onderzocht worden die zo concreet bestaan in de mensheidsontwikkeling als het leven van Jezus van Nazareth.

Misschien dienen deze bemerkingen die ik hier maak er toch ook enigszins toe om duidelijk te maken hoe totaal anders dit occulte vorsen is t.o.v. het onderzoek in de uiterlijke wereld. Want het beeld kunt U zeker doordenken, en het geeft u correcte aangrijpingspunten: u kunt zich verplaatsen in de tarwekorrel die tot brij vermalen wordt, tussen de tanden gepletterd wordt, om er een voorstelling van te krijgen -wat een juiste analogie is- van wat het lezen in het bewustzijn van de archai betekent. Ook daar moet men in zijn ziel verpletterd worden en moet het voelen. Dat betekent: onderzoek in de hogere werelden is niet mogelijk zonder innerlijke tragiek, zonder innerlijk lijden. Zo gladweg abstract, zonder dat het pijn doet, zoals onderzoeken in de fysieke wereld verlopen, zo is een schouwen in de hogere werelden niet te bereiken, tenminste als het iets meer wil voorstellen dan gefantaseer. Vandaar de moeite die ik gisteren heb gedaan om bij de schildering van het Jezus-leven af te stappen van abstracte begrippen, van abstracte schilderingen. Denkt u maar terug aan datgene waar ik hoofdzakelijk uw aandacht op richtte, op datgene waar het op aankomt. Ik zei: zo was het leven van Jezus van Nazareth tussen het twaalfde, achttiende, twintigste jaar tot het dertigste. Wat men daar schildert, daar komt het eigenlijk niet zo op aan. Waar het op aankomt, dat is een levendig aanvoelen te verkrijgen van hetgeen de Jezus-ziel doormaakte bij het beleven van wat beschreven werd, dat is: eveneens de pijn te voelen van de eenzaamheid, de oneindige pijn van daar eenzaam te staan met oerwaarheden zonder dat er oren zijn die er willen naar luisteren. Ik wou wijzen op het zieleleven van Jezus van Nazareth. Ik wilde het drievoudige grote medelijden met de mensheid tussen zijn twaalfde en dertigste jaar aanschouwelijk maken. Over de betekenis van wat Jezus doormaakte als voorbereiding tot het mysterie van Golgotha gaat u niet zozeer iets weten door uzelf of anderen te vertellen wat ik probeerde aan te duiden. Neen, u komt het eerst te weten doordat u zich een voorstelling verschaft die uw ziel diep beweegt en schokt, een voorstelling van hetgeen moest geleden worden door deze mens Jezus van Nazareth, vooraleer hij klaar was voor het mysterie van Golgotha, opdat de Christusimpuls in de aarde-ontwikkeling zou kunnen binnenstromen.

En een levendige voorstelling van deze Christusimpuls roept men op door dit lijden in zich terug op te wekken, doordat men de feiten die op dergelijke zaken betrekking hebben moet schilderen door de gevoelens die toen bestonden tegenwoordig te maken. Dat kunt u opmaken uit de wijze van Akasha-onderzoek die ik in een paar woorden probeerde te karakteriseren. Hoe meer het lukt om die breed-golvende, glooiende, wevende belevingen van een wezenheid zoals Jezus van Nazareth er een was, terug in uzelf na te beleven, des te dieper dringt men in zulke geheimen in." [ ... ]

Terug naar de inhoudstafel M - Q.