Inhoudstafel van Brug 84 ( juni 2014)
* * * * * * * * * * * * * * *
Beste Lezer
![]()
“Want tegenwoordig ontbreekt het de mensen, zelfs wat het meest primitieve van het leven om hen heen betreft, aan werkelijkheidszin. De mensen geloven tegenwoordig realistisch, materialistisch te zijn, maar ze zijn de meest abstracte theoretici die je je maar kunt indenken; ze zitten volgepropt met pure theorieën, slapen in louter theorieën en zijn zich er niet van bewust dat ze in theorieën slapen. Wanneer eens iemand wakker wordt — dat is geen toevalligheid, maar je zou op een populaire wijze kunnen zeggen: wanneer eens iemand toevallig wakker wordt en iets wakker zegt, dan zal er eenvoudig geen nota van hem worden genomen. Zo gaat dat tegenwoordig nu eenmaal.
U zult wellicht wel hebben gehoord dat door bepaalde mensen steeds weer de wereld in wordt gebazuind: “Democratie moet in de hele beschaafde wereld tot stand komen. Democratisering van de mensheid is wat heil brengt; daartoe moet je nu alles kort en klein slaan, opdat de democratie overal ter wereld uitbreidt.”
( … )
Daar heeft eens iemand die wakker geworden is, gezien dat het er niet op aankomt de democratie aan te prijzen, maar dat het erop aankomt de werkelijkheid te doorzien, geen waarde aan al die slogans te hechten, maar te zien wat werkelijk is. Tegenwoordig zou dat heel in ‘t bijzonder nodig zijn, want dan zou men zien vanuit hoe weinig centra de gebeurtenissen gestuurd en geleid worden die in deze tijd zo bloedig over de mensheid heen komen. Daarop zal je niet komen als je steeds maar in de waan leeft dat de volkeren elkaar bestrijden; als je je steeds in slaap laat sussen door de Europese en Amerikaanse pers over deze of gene betrekkingen die in de huidige gebeurtenissen tussen de volkeren zouden bestaan. Alles wat daar wordt gezegd over antagonisme en over de tegenstellingen van de volkeren, dat is ervoor om over de ware achtergronden een sluier te verbreiden. Want niet doordat men tegenwoordig op woorden teert om deze gebeurtenissen te verklaren, kom je tot enig resultaat, maar doordat je naar de concrete persoonlijkheden wijst. Alleen wordt dat soms ongemakkelijk.
Dit weten we ook uit Delaisi: er was ooit een advocaat. Deze advocaat — vele draden verbonden hem met alle mogelijke, niet alleen verzekeringsmaatschappijen, maar financiële centra, financiële werelden. Deze advocaat had echter nog hogere eerzucht. Hij wilde voor zijn daden niet alleen door de financiële wereld, door de industriële wereld, handelswereld verloond worden, maar ook door de geleerdenwereld van de Académie Française. Dat is de plaats waar je door de geleerdenwereld zelf in de sfeer van de onsterfelijkheid kunt worden verheven. Maar nu bevonden zich twee van dergelijke onsterfelijken binnen de Academie, die juist ongeoorloofde trustzaken hadden gedaan. Zij vonden het heel goed verenigbaar met hun werken voor de onsterfelijkheid, trustzaken te doen die volgens de wetten van het land ongeoorloofd waren. Daar was dan deze zeer scherpzinnige advocaat en die vertegenwoordigde de beide onsterfelijken voor het gerecht, en het lukte hem hen vrij te krijgen, ze schoon te wassen, zodat ze niet veroordeeld werden. Toen namen zij hem zelf onder de ‘onsterfelijken’ op. De wetenschap, die niet het tijdelijke van de wereld, maar het eeuwige van de wereld, het onsterfelijke beheert, die is de verdediger geworden van deze onzelfzuchtige advocaat. Raimond Poincaré heet hij. — Delaisi vertelt in het voornoemde boek zijn verhaal.
U weet, de mens heeft zulke lichaamsdelen: sommigen kunnen hun oren bewegen, in vroegere stadia zaten daar spieren, die hebben hun taak verloren. De mens heeft deze spieren nu nog, maar het zijn zogenoemde atavistische lichaamsdelen, die geen taak meer hebben. Zo stelt Delaisi zich het parlement van de toekomst voor. De parlementen zullen nog zulke wegvallende, afgestorven, atavistische overblijfselen zijn, maar er zal iets anders in de mensheidsontwikkeling worden binnengebracht.
Ik heb zojuist voor u het boek van Delaisi, dat nog niet zo lang geleden, namelijk in 1910, is verschenen, aangehaald om u erop te attenderen dat er eigenlijk voldoende mensen voorhanden zijn — immers één volstaat voor vele duizenden —, dat het er alleen om gaat deze mensen niet buiten beschouwing te laten. En behalve dat het mijn streven is om u binnen te leiden in de wetmatigheden van het geestelijk leven, in de impulsen van het geestelijk leven, beschouw ik het ook als mijn taak u te wijzen op de belangrijke verschijnselen van deze tijd, ook al worden die buiten in het leven niet als belangrijke verschijnselen beschouwd, ze worden in feite zelfs helemaal niet genoemd.
.
De ironie is dat de 16 miljoen doden, het verdwijnen van de grote koninklijke dynastieën en elites, de geboorte van het communisme en het Nazisme allemaal had kunnen vermeden worden als een zekere Joseph Caillaux zijn broek had aangehouden. Ik leg het even uit.
Caillaux was de Franse eerste minister en een vriend van Duitsland. Hij wantrouwde de Britten die de helft van de wereld beheersten. Hij was afgetreden in 1912 en kwam in de verkiezingen van 1914 op tegen een oorlogsstoker. Begin 1914 publiceerde Le Figaro, Frankrijks meest gerespecteerde krant een artikel over een affaire van Monsieur Caillaux met een zekere Madame Henriette.
Gaston Calmette, de vermoorde uitgever, was de eerste man die viel, maar je zal zijn naam niet terugvinden bij diegenen die op de “Champs d’Honneur,” voor het Vaderland vielen. Bijna de volledige Franse aristocratie werd weggevaagd, maar aan de Duitse zijde was het nog erger. Ook de Britse upper class verloor een aanzienlijk deel van haar leden, maar niet zoveel als bij de Fransen of Duitsers. De ironie is dat de zo misprezen Kaiser Wilhelm – akkoord, hij was een gek, maar een onschadelijke gek – weigerde te geloven dat een oorlog kon uitbreken met zijn neef George V en zijn andere neef Nicky (tsaar Nicolaas II - fdw), die samen met zijn familie uiteindelijk werd vermoord door de Roden. Een nog grotere ironie is dat Duitsland tot de laatste seconde zijn best deed om een oorlog te vermijden.
Eventjes kort : na de moord op kroonprins Franz-Ferdinand vraagt Oostenrijk aan Servië uitleg en dreigt. Servië vraagt Rusland om hulp en garantie voor het geval de Oostenrijkers binnenvallen, en de Russen geven die. Het probleem is dat de Russen een verdrag hebben met de Fransen en Engelsen dat stipuleert dat als er één in oorlog geraakt, de andere volgen. Daarom vragen de Oostenrijkers aan de Duitsers een garantie : de Duitsers weigeren !
De rest kennen we. Inderdaad, de grote mogendheden gingen slaapwandelend de oorlog in : de oorlog werd verklaard terwijl alle ministers van Buitenlandse Zaken op vakantie waren. Die van Frankrijk zat in de thermen van Vichy, die van Duitsland vierde zijn huwelijk in Baden-Baden, die van Engeland - Sir Edward Grey – ergens in Scotland, en de drie respectievelijke monarchen op hun yachten trachtend van hun jicht verlost te geraken.
Joseph Caillaux Raymond Poincaré
In de Metro-krant van 17 maart 2014 liet men een bekend historicus aan het woord over W.O.I. :
Max Hastings ! Hoe toevallig weeral. (Ook in De Brug 81 werden de leugens van Max Hastings al vernoemd, in het verslag van de voordracht van Richard Ramsbotham ).
![]()
In 1895 was Helmut Moltke in Petersburg om een brief van Willem II te overhandigen aan tsaar Nicolaas II. Hij had toen ook als geschenk een tekening mee. Deze tekening was gemaakt door professor Knackfuß naar een ontwerp van de keizer zelf ! We zien een groep vrouwelijke figuren die vanop een rots uitkijken over een vlakte met bloeiende steden, rivieren met schepen, bebouwde akkers, een welvarende streek, Europa dus. Een engel met een vlammend zwaard wijst naar het oosten waar men rook ziet opstijgen van een brandende stad. Daarboven op de rookwolken zit een soort oosterse godheid. Boven de vrouwen zweeft een kruisbeeld.
![]() “Volkeren van Europa, bescherm jullie heiligste eigendom”
Het is de verdienste van een Engels schrijver, J. Daniel Chamier om een menselijk portret van deze man te schilderen (in 1934 : ”Fabulous Monster”, in het Duits vertaald onder de titel “Ein Fabeltier unserer Zeit”) Het merkwaardige is dat ook Bernard Lievegoed wijst op een 800-jarig ritme van een verwoestende impuls uit het Verre Oosten. We hernemen een fragment dat ooit in De Brug 29 stond : Bernard Lievegoed :
“In een gesprek vertelde Steiner dat de werkelijke spanningen in de wereldpolitiek liggen tussen China en Amerika. Hij voorzag een strijd tussen beide landen, waarbij hij in het midden liet of die zich zou afspelen over Europa heen, dan wel over de oceaan. Voor ons valt te hopen dat het laatste het geval is, alhoewel Steiner enkele malen heeft gesproken over een verwoest Europa tussen 1950 en 2050. Mao Tse Toeng heeft natuurlijk een grote rol gespeeld in de versterking en centralisatie van China. Hij heeft vorm gegeven aan de Chinese Volksrepubliek die in 1949 werd opgericht en waarvan hij de voorzitter werd. Nu is het van belang te weten dat Mao zijn inspiratie heeft gehaald tijdens de grote tocht naar het Noorden, in Buiten-Mongolië, waar tegenwoordig de Mongoolse Volksrepubliek ligt.
Dat is een heel bijzonder gebied op aarde, waar heel sterke Marskrachten inwerken. Deze worden volgens een oude Chinese traditie elke achthonderd jaar actief. China heeft tegen deze Mongolenstormen zijn Chinese Muur gebouwd. De demonische Marskrachten in dat gebied nemen dan bezit van mensen en drijven ze tot gewelddadige overheersing. Er zijn een aantal momenten in de geschiedenis aan te wijzen waarop eerst China en later ook Europa vanuit het Oosten dreigden te worden overheerst. Op een voor een uiterlijke beschouwingswijze onbegrijpelijke manier werd vaak ingegrepen en het lot ten goede gekeerd.
Hetzelfde herhaalt zich 800 jaar later. Bij Breslau komen de Mongolen Europa binnen en verslaan alle Silezische ridders in de slag bij Liegnitz. De poort naar Europa ligt open. De dag na de slag echter trekt het leger zich in paniek terug en binnen drie maand was heel Rusland vrij van Mongolen. Een historisch raadsel. Het was ook hier een ingewijde die de demonische krachten tegemoet trad. Dat was de heilige Hedwig. Zij was familie van Elisabeth van Thuringen. Zij was getrouwd met graaf Wilhelm van Silezië. Met hulp van Cisterciënser monniken laat de graaf kloosters bouwen. In een van die kloosters leefde een abt die enkele malen naar Rome toog om te zeggen: "Hou toch op met die kruistochten. Het gevaar ligt niet in Palestina maar in Centraal-Azie". Iedereen verklaarde hem voor gek maar hij wist waar hij het over had. Innerlijk bereidde hij zich -samen met de heilige Hedwig- voor op de komst van de Mongolen. Het is het christelijke licht dat deze mensen uitstraalden dat de Mongolen de wijk deed nemen.
Ook in onze tijd zou dus weer een Mars-inspiratie moeten uitgaan van het Mongoolse gebied. Mao heeft daar zijn inspiratie gehaald en ik houd het dan ook niet voor onmogelijk dat eens een nieuwe Mongolenstorm tot in Europa zijn uitwerking zal hebben. Wanneer je naar de uiterlijke politieke omstandigheden kijkt zul je misschien zeggen: waar haalt u het vandaan. Als je echter door de dingen heen kijkt en rekening houdt met geestelijke werkelijkheden is zoiets helemaal niet ondenkbaar.
Op deze gevaren moeten we voorbereid zijn. De demonische Marskrachten versla je niet met wapengeweld. Waar het om gaat is dat er een christelijke subcultuur ontstaat in Europa met krachten die opgewassen zijn tegen de demonen. Er moeten culturele eilanden komen waar mensen zijn die echt menen wat ze doen. Waar niet gewerkt wordt vanuit een systeem, omdat je daarmee zo handig kinderen kunt leren lezen en schrijven. Plaatsen waar menselijkheid is, waar tegenstellingen niet worden verdoezeld, maar waar mensen echt op elkaar ingaan. Als het zover is dat er een grote ingewijde zal zijn, zal hij zonder een subcultuur van het hart niet kunnen werken.”
* * * * * * * * * * * * * * * De oorlog die eraan komt …door Francis Delaisi Vertaling door François De Wit die ook voetnoten en afbeeldingen invoegde.![]() Velen zullen menen dat het nonsens is om over een oorlog te spreken, over een oorlog die er misschien gaat komen. Want zo lang reeds zijn ze in slaap gewiegd door pacifistische dromerijen. Ze zijn zo vaak gewezen op de macht van de democratie en de parlementen die de oorlogszuchtige ambities van de regeringen wel in toom zullen houden. Zo vast ook vertrouwen ze op de grote massa die alleen maar vrede wil. Het is natuurlijk zo dat indien alles verliep zoals de eenvoudige man in de straat het wil, dan zou er niets te vrezen zijn. Het is duidelijk dat het Duitse proletariaat niet verlangt om zich op ons eigen proletariaat te werpen, dat de meerderheid van het Engelse volk alleen maar in alle rust op het veld, in de magazijnen en in de fabrieken wil werken. En ook de Fransen, of ze nu arbeider of boer, proletariër of bourgeois zijn, internationale socialisten of radicale patriotten, hebben maar één wens : vrede. Alles zou alleen maar goed kunnen gaan en we zouden op ons gemak kunnen zijn indien de volkeren werkelijk baas waren over hun eigen lot. Maar ongelukkig genoeg is geen enkel volk baas over zijn buitenlandse politiek. Dat is namelijk het exclusieve domein van een klein aantal staatsambtenaren die men diplomaten noemt. Deze uiterst verzorgde heren worden overal ter wereld gerecruteerd uit de land- en geldadel en ze zijn allen in de handen van de financiële of industriewereld en ijveren slechts voor de buitenlandse leningen en opdrachten van deze elite. Een ambassadeur inclusief zijn dure maatpak is vandaag niet meer dan een agent van de banken of van de grote handelsondernemingen. Men kan daartegen inbrengen dat boven de ambassadeurs toch de minister van Buitenlandse Zaken staat die dan weer verantwoording moet afleggen aan het parlement.
Maar wat stelt die verantwoording eigenlijk nog voor ? Het geval Delcassé Zo was het in 1905 met Delcassé die al tien jaar zonder onderbreking Frankrijks Buitenlandse Zaken leidde. Hij bezat zozeer het vertrouwen van de Kamer dat daar zonder discussie al zijn verklaringen aanvaard werden. Daardoor was die kleine man zo overmoedig geworden dat hij zelfs niet meer met zijn collega-ministers overlegde. Hij was het die in de jaren 1904 en 1905 in samenspraak met het Engelse kabinet zonder er iemand van op de hoogte te brengen, mee zijn best deed om Duitsland in te sluiten : hij probeerde Italië uit de Driebond los te weken, onderhandelde in Petersburg, intrigeerde in Constantinopel en was erop uit om het geïsoleerde Duitsland door Engeland, met steun van Frankrijk, te laten vernietigen.
Het duurde niet lang of Willem II kwam erachter en liet, zonder zich al te veel te bezinnen, door zijn ambassadeur een soort ultimatum overbrengen.
Men wilde onmiddellijk Rouvier interpelleren en diens regering laten vallen. Maar wie het meest uit de lucht viel was Rouvier zelf. Hij eiste onmiddellijk opheldering van Delcassé. Toen vond er in het Elysée een denkwaardige ministerraad plaats. Gedurende twee uur zette de grote staatsman voor zijn verblufte collega’s zijn intriges uiteen en drong er ten slotte onverstoord op aan om zijn politiek van insluiting van Duitsland verder te zetten, voor een militair bondgenootschap met Engeland en voor een oorlog tegen Duitsland. Het unaniem antwoord van het kabinet was het afzetten van deze gevaarlijke man en de relaties met Berlijn werden geleidelijk weer normaal.
De koopbare pers
Als men denkt dat de kranten op dit gevaar hadden kunnen wijzen, dan moet men weten hoe de pers in het gareel wordt gehouden. In de eerste plaats worden alle telegrammen van het persbureau Havas – waaruit de kranten hun belangrijkste berichten halen – door het ministerie van Buitenlandse Zaken gefilterd. Daardoor worden ze zo nietszeggend dat de paar grote kranten die de buitenlandse politiek volgen, verplicht zijn om zich van andere persbureaus te bedienen. De “Matin” krijgt de telegrammen van de “Times”, de “Echo de Paris” die van de “Daily Telegraph” enz. Maar allemaal betrekken ze hun nieuws van Engelse bronnen, zodat men in Frankrijk alleen maar de Engelse klok te horen krijgt.
Wat dan betreft de eigen artikels en commentaren, dat gaat zo : in het ministerie van Buitenlandse Zaken is een persruimte. Daar ontvangt iedere dag een zeer beminnelijk ambtenaar de journalisten. Uiterst hoffelijk zet hij uiteen wat ze moeten denken van de buitenlandse politiek. Natuurlijk vertelt hij niets wat niet overeenkomt met het standpunt van de minister. Alle kranten herhalen dat dan braaf de volgende morgen en de grote massa gelooft wat ze zo voorgeschoteld krijgt want ze heeft geen andere mogelijkheid om zich te informeren.
Het gevaar bestaat reëel
We spreken hier niet over een verre toekomst. En het ergste van de zaak : alle buitenlandse kranten staan vol van deze nieuwe militaire overeenkomst, alle grote Franse kranten geven de commentaren van de buitenlandse pers, en geen enkele heeft gewaagd om te beweren dat de informatie vals is, maar in Frankrijk is alles stil; geen volksvertegenwoordiger die recht staat om van de regering een dementi of een verklaring te eisen. Geen enkele socialistenleider was moedig genoeg om de minister te interpelleren over deze ernstige zaak. Slechts van één kant werd op het gevaar gewezen. De delegué op het laatste internationale congres van de metallurgie, Merrheim, van de Compagnie Générale Transatlantique, die met eigen ogen heeft kunnen zien hoe het Duits-Engels conflict zich al toespitst, heeft na zijn terugkeer uit Birmingham daarover gesproken in de “Vie Ouvrière”. Maar niemand vond het de moeite waard om er nota van te nemen.
Handelsoorlogen
Vroeger, toen de staten nog hoofdzakelijk een boerenbevolking hadden en hun leiders een agrarische politiek voerden, was het doel van alle volkeren om hun landbezit te vergroten. De conflicten waren toen grensconflicten en de oorlogen annexatie- en veroveringsoorlogen. Napoleon nam België, Bismarck nam Elzas-Lotharingen enz.
Vijf oorlogen in 10 jaar tijd, echt een triomf voor het pacifisme. Al deze bloedige oorlogen brachten de overwinnaar geen gebiedstoenamen. Mandsjoerije behoort nog altijd tot China, China bleef zelfstandig, Zuid-Afrika is een politiek onafhankelijke staat en Cuba is een onafhankelijke republiek. Maar de spoorlijnen in die landen, de leningen, de tolkantoren vormen de buit van de veroveraar. Onze grote geldoligarchieën van vandaag zoeken geen onderdanen meer maar klanten. Zij voeren geen patriottische oorlogen zoals dat vroeger mode was. Zij zijn zakenlui en de oorlogen die zij voeren zijn handelsoorlogen.
De Engelse industrie tegen de Duitse
Nu echter bereidt zich een conflict voor waartegen het bloedbad van de Russisch-Japanse oorlog maar een kinderspel zal blijken te zijn. Over de hele wereld bestrijdt het Engelse kapitaal het Duitse. Dat moet onvermijdelijk leiden tot oorlog – tenzij de arbeidersklasse in beide landen zich daartegen verzet.
Gedurende de hele 19de eeuw was Engeland zonder tegenspraak heer en meester van de industriële wereld. Men sprak van een berg staal bovenop een berg steenkool.
Engeland was nu onbetwistbaar heerser over alle wereldmachten.
Toen trad tegen alle verwachting een nieuwe concurrent op het voorplan. Tot 1870 was Duitsland bijna uitsluitend een landbouwland. Maar de bodem is er niet erg vruchtbaar en ieder jaar emigreerden rond de 300.000 Duitsers naar Amerika en waren voor het vaderland verloren. Na de oorlog van 1870 kwam daar geleidelijk verandering in. Onze chauvinisten hebben altijd hun best gedaan om Bismarck voor te stellen als een kerel die van ’s morgens tot ’s avonds plannen aan het smeden was hoe hij zijn ulanen op Frankrijk zou kunnen loslaten. In werkelijkheid had hij maar één doel : de Duitsers naar het voorbeeld van de Engelsen tot een industrievolk te maken. Aan de Rijn, in Westfalen, Sachsen, Silezië ontstonden hoogovens, ijzergieterijen en staalfabrieken. Miljoenen spindels begonnen in spinnerijen te draaien en grote weverijen, chemische bedrijven en scheepswerven sprongen als het ware uit de grond. Nieuwe spoorlijnen werden aangelegd en rivieren gekanaliseerd. De havens werden met alle infrastructuur uitgebouwd, grote bedrijven vestigden zich en spoedig ontstond een altijd groeiende handelsvloot die de Duitse vlag en Duitse waren op alle continenten uitdroegen.
Nu begon men in Engeland onrustig te worden. Eerst had men met een verachtelijk lachje gekeken naar de inspanningen van die lompe Duitsers die de Engelse industrie wilden nadoen. Men verzekerde en geloofde ook dat de Duitsers alleen maar tweede keus materiaal konden afleveren. Om zich daartegen te beschermen werd er een wet uitgevaardigd dat alle waren van Duitse oorsprong de stempel “Made in Germany” moesten dragen. Zo hoopte men de producten van de rivaal in miskrediet te brengen. Groot was echter de verbazing toen men ontdekte dat een groot aantal prima producten waarvan men dacht dat het Engelse waren, ineens uit Westfalen bleken te komen. De handige Duitsers werkten beter en goedkoper dan de Engelsen. En in plaats van ze in diskrediet te brengen had men ze nu nog een kwaliteitslabel bezorgd. In alle Engelse fabrikantenmilieu’s heerste er ontzettende woede.
Daarbij kwamen uit alle delen van de wereld verontrustende berichten. De Engelse consuls die de internationale handel bewaakten, stelden overal de aanwezigheid vast van Duitse handelsreizigers, ingenieurs, ondernemers die opdrachten, concessies en leningenovereenkomsten loskregen. Overal ging de Engelse afzet trager terwijl de Duitse sprongsgewijs toenam.
Vooral in Turkije wilde Duitse ondernemerszin een voet aan de grond hebben. In 1903 verkreeg Willem II van sultan Abdoel Hamid de concessie voor de bouw van de Bagdadlijn waar op dit ogenblik terug zoveel over te doen is. Het gaat hier om een spoorlijn van 2800 km van Istanboel tot de Perzische Golf, een onderneming van 1 miljard. Men kan gemakkelijk uitrekenen welke ongelooflijke winsten daarmee in de zakken van Duitse banken en industriëlen zou terecht komen. Maar nu zou deze Duitse spoorlijn in Mesopotamië eindigen in een gebied dat de Engelsen als hun eigendom beschouwen. En via deze spoorlijn zouden ook Turkse troepen op korte tijd in de buurt van Indië kunnen geraken en zo de Engelse heerschappij aldaar bedreigen.
Het appél aan de kanonnen
Nu begon men zich in Engeland pas goed zorgen te maken en de eerste verbazing der Engelse fabrikanten over de concurrent veranderde al vlug in onrust en woede. ![]() De grote oorlogsschepen uit die tijd, de zgn. Dreadnoughts. Omsingeling in het Dreadnought-tijdperk
Engeland, dat zich in de industriële tweekamp verslagen voelde, begon voorbereidingen te treffen voor een beslissende slag met de wapens. Ten eerste probeerde het met een systeem van ententes en bondgenootschappen Duitsland in te sluiten zodat het op de beslissende dag geïsoleerd zou staan en van niemand militaire of financiële steun zou krijgen. Ten tweede begon men tezelfdertijd in Londen met geweldige bewapening. Men begon de eerste Dreadnoughts te bouwen, imposante schepen van 18 tot 20, zelfs 22 duizend ton, met pantsertorens waaruit 34cm kanonnen de vreselijke Meliniet-granaten tot 9 km ver konden schieten. Daarenboven werden bijna alle Engelse pantserschepen in de thuishavens geconcentreerd om in de Noordzee vlugger tegen Duitse flottieljes te kunnen ingezet worden. De publieke opinie werd door schitterende vlootparades opgezweept en door het prikkelen van de nationale trots werden de enorme kosten van het nieuwe vlootprogramma zonder morren geslikt.
Tenslotte liet men uit alle kolonies en nederzettingen journalisten en ministers komen om hen uit te leggen dat de Engelse positie in de wereld bedreigd werd en om hen erop voor te bereiden dat ook de kolonies moesten bijdragen in de kosten voor de nieuwe bewapening. Alle krachten van het Engelse wereldrijk op de vijf continenten zijn vandaag op grote schaal voor de oorlog voorbereid. De industriële oorlog
Om deze oorlog te begrijpen moet men enkele traditionele begrippen overboord gooien. Het gaat er niet om dat Engeland met 100.000 man Duitsland binnenvalt. Ook Duitsland van zijn kant gaat dat niet doen. Met de moderne vloot op zee is dat trouwens zo goed als onmogelijk en het zou ook tot niets leiden. In deze oorlog wil men immers geen annexatie doorvoeren of gebied veroveren. Daarom keert men terug tot de oude gebruiken van piraterij en blokkade. Wat Engeland wil is de Duitse industrie vernietigen, en het beste middel daarvoor is zijn grondstoffeninvoer te beletten en de uitvoerhavens te blokkeren. Stelt men zich even voor dat deze beide havens en de naburige havens door een Engelse vloot geblokkeerd worden : onmiddellijk gedaan met ijzererts, katoen en wol. Wat nog geproduceerd kan worden, kan niet meer geëxporteerd worden en stapelt zich op in de pakhuizen. Graan en vlees dat in massa uit Amerika geïmporteerd worden, kunnen niet meer binnen, de prijs van de koloniale waren stijgt. Ellende en nood beginnen almaar meer op de hele bevolking te drukken. De industrie zal proberen om import en export over land te organiseren, langs de spoorlijnen en havens van neutrale landen, bvb. Duinkerke, Genua, Triest. Maar men moet bedenken dat dan de kost voor transport gevoelig stijgt en de concurrentiepositie daardoor verzwakt. Als we aannemen dat de Engelse scheepvaart –wat hoogstwaarschijnlijk het geval zal zijn – niet op grote schaal door de Duitsers gehinderd wordt, dan zullen de Engelse waren geleidelijk terug op de eerste plaats komen in de wereldhandel. Daarenboven zal de Engelse regering van de gunstige militaire situatie gebruik maken om met verschillende landen verdragen en overeenkomsten te sluiten, leningen te garanderen, concessies binnen te halen, en overal aaneengesloten interessesferen te creëren zoals bvb. al in Egypte en Marokko. Als dan de oorlog beëindigd is, zal de Duitse industrie alle plaatsen bezet vinden en wordt haar ontwikkeling met een eeuw teruggedraaid. Het sperren van de Noordzeehavens is dus het doel van de komende oorlog. De Engelse maneuvers
Men moet nu niet komen aandraven met : dit zijn hypothesen, goed overdacht, maar waarschijnlijk blijven het toch maar hypothesen !
Het is bekend dat ondanks scherpe bewaking het eskader dat van Bremen kwam en dat de Duitse vloot moest spelen, er toch in slaagde om door het Nauw van Calais te geraken.
Volgens de Engelse admiraliteit zelf is het doel van de volgende oorlog : het afsluiten van de Noordzeehavens en de vernietiging van de Duitse handelsvloot om zo de grondstoffenaanvoer van de Duitse industrie en haar export onmogelijk te maken. Het zou dus om een blokkade gaan zoals ten tijde van de grote strijd tussen Napoleon en Engeland. Vanuit dit gezichtspunt zal men ook de rol verstaan die Frankrijk bij deze strijd op leven en dood dient te spelen. Duitslands uitvalspoorten
Behalve Bremen en Hamburg beschikt Duitsland in feite over nog twee andere havens : Rotterdam en vooral Antwerpen. Rotterdam ligt niet ver van de Rijnmonding en is de haven voor duizenden schepen die de Rijn opvaren en volledig Rijnland en Westfalen bevoorraden.
Op de kaaien van Antwerpen gaan deze schepen hun waren uitladen en dan bereiken ze langs de Belgische binnenvaart de Duitse industrie. Omgekeerd gaan de Duitse exportwaren onder het oog van de Engelse kanonnen de haven van Antwerpen verlaten.
De Belgische neutraliteit
Bij Rotterdam zal het eerste wellicht niet al te moeilijk zijn. Nederland bevindt zich al lang in de Duitse invloedssfeer. Bijna de volledige handel is op Duitsland georiënteerd. Zijn spoorlijnen staan onder controle van Berlijn en de regering volgt graag de suggesties van Willem II. In geval van conflict zullen waarschijnlijk alle versterkte plaatsen en de havens van Holland aanstonds door Pruisische troepen bezet worden, zonder dat men eerst om toestemming gaat vragen. Engeland kan het land dan als oorlogvoerende partij beschouwen en proberen om met wapengeweld in bezit van Rotterdam te komen.
Bij Antwerpen is dat anders. België is zoals bekend een neutraal land. Door plechtige verdragen zijn alle aangrenzende machten overeengekomen om in geval van oorlog het grondgebied te respecteren. Als één macht zou proberen om met zijn troepen door het gebied op te rukken, dan zijn de garanderende staten verplicht deze poging met de wapens te verhinderen.
Hier ligt een grote moeilijkheid voor Engeland. Want als het de haven van Antwerpen wil sluiten, zou het onder verdragsbreuk in België binnendringen en de andere machten tegen zich krijgen.
Maar er is een mogelijkheid om dit probleem te omzeilen. Antwerpen ligt namelijk niet aan zee. Het is zoals Rouen, Nantes of Bordeaux een rivierhaven die zich 70 km stroomopwaarts bevindt. Om de toegang tot de haven onmogelijk te maken, moet men geen troepen aan land zetten, een vlooteskader vóór de monding van de Schelde volstaat.
De versterking van Vlissingen
Hier komt een andere moeilijkheid om de hoek kijken.
Dadelijk begon de Engelse pers met dreigementen tegen Holland. De “Times”, het orgaan van Buitenlandse Zaken, drukte het zo uit : “Een versterking in Vlissingen is een pistool gericht op het hart van Engeland.”
Engeland heeft ons leger nodig
Om de Duitse industrie uit te hongeren moet Engeland dus absoluut Antwerpen blokkeren. Maar het is zeker dat de Duitse keizer dat niet zomaar laat gebeuren. Bij het eerste teken van een open oorlog – zelfs vóór de officiële oorlogsverklaring – zal waarschijnlijk een Duits vlooteskader onder bescherming van de Hollandse kustbatterij in Vlissingen voor anker gaan; een Pruisisch legeronderdeel zal in ijltempo naar Antwerpen oprukken om de stad te bezetten. Als het plan lukt dan moet Antwerpen door Engeland over land genomen worden.
De moeilijkheid voor Engeland is nu : met welke troepen gaat het die linie bezetten ?
In Engeland bestaat er, zoals bekend, geen algemene dienstplicht. Van alle Europese volkeren heeft alleen Engeland zijn burgers de zware last van een volksleger bespaard. Machtig door zijn geweldige vloot, kon het tot hiertoe volstaan met een klein beroepsleger en een reserve van 200.000 vrijwilligers, brave jongens zonder veel inzet of discipline, over wier geringe waarde zich onlangs Oorlogsminister Haldane zelf uitgesproken heeft. Men herinnert zich de povere prestaties van dit leger tegen de Boeren in Transvaal. En in een oorlog tegen Duitsland staat dit leger niet tegenover dappere maar ongedisciplineerde boeren zonder militaire opleiding. Nee, dit keer is het het best uitgeruste, best geschoolde en best georganiseerde leger van Europa. Stelt u zich dit leger eens voor tegenover de “vrijwilligers” van Londen, geleid door parade-officieren, allen met een opleiding van zes weken.
De Engelse generale staf weet dit en heeft alarm geslagen. De hoogste legerleider, Lord Roberts, heeft in het parlement verklaard : “Onze huidige situatie kan alleen verbeterd worden door invoering van de algemene dienstplicht.”
Spijtig genoeg is dat middel niet naar de smaak van het Engelse volk. Dat heeft het altijd als een onschatbaar voordeel beschouwd om niet twee jaar van zijn leven in een kazerne te moeten doorbrengen met vermoeiende en niets-opbrengende oefeningen. De chauvinistische ideeën zijn in Engeland zeker zo sterk als in Frankrijk maar de Engelse chauvinist kan gemakkelijk imperialistische slogans roepen : hij weet dat hij toch nooit zijn bloed zal moeten vergieten voor de eer en glorie van het Britse Rijk. Indien echter het bevel zou komen om geweer en ransel op te pakken om zich in de Belgische laagvlakten de schedel te laten inslaan, dan zou de politiek van de Engelse chauvinisten waarschijnlijk veel aanhangers verliezen.
Maar dat neemt niet weg dat de Engelse troepen toch België moeten kunnen bezetten om de Duitsers terug over de Maas te werpen. En omdat ze er zelf geen hebben, denken ze aan Frankrijk : “Wij hebben geen soldaten, Frankrijk daarentegen heeft er genoeg. Die hebben een talrijk, goed uitgerust en goed opgeleid leger dat wel tegen de Duitsers kan vechten. De Fransen zijn dapper en oorlogszuchtig; ze houden van oorlog en weten hoe ze die moeten voeren. Als we hen met woorden als "nationale eer” en “hogere belangen van vaderland en cultuur” kunnen opzwepen, dan zullen ze wel uitrukken. De Franse democratie is toch maar een mooie façade. In werkelijkheid wordt dit land door een minderheid van bankiers en industriëlen geregeerd die pers en politici in hun zak hebben. Met deze minderheid moeten wij onderhandelen. We beloven hen enkele grote oorlogsleningen waarmee hun banken vette commissies binnenrijven. We geven hen enkele bankconcessies in Turkije, enkele ondernemingen in Syrië, Ethiopië en Marokko en zij zullen dan wel voor enkele miljoenen het Franse leger met huid en haar uitleveren. – Zo hebben de Engelsen gedacht en hun politici zijn aan het werk getogen. Spoedig na het einde van de Boerenoorlog kwam in 1903 Edward VII naar Parijs en al de brave mensen die kort daarvoor nog “Leve Kruger” geroepen hadden, kregen nu van de media te horen dat ze “Leve Engeland” moesten roepen.
Om zijn erkentelijkheid te tonen liet het Londense kabinet ons in ruil voor onze afstand van Egypte waar wij de financiële controle over hadden, zeer grootmoedig Marokko, dat hen zelfs niet toebehoorde. En op alle officiële banketten begeesterde men zich voor de “Entente Cordiale”. Maar daar bleef het niet bij.
Delcassé’s poging om ons in een oorlog met Duitsland te betrekken was geëindigd met zijn politieke nederlaag. Daaruit leerde Engeland dat het behoedzaam moest te werk gaan. Het wachtte tot de vriend en drinkebroer van Edward VII terug aan de macht was gekomen. Als door een toeval is hij nu minister van Zeevaart geworden. En nog eens als toevallig werd onmiddellijk na zijn indiensttreding bekend dat tussen Londen en Parijs onderhandelingen aan de gang waren over een militair bondgenootschap. Natuurlijk zal dit bondgenootschap “defensief” zijn.
Frankrijk en Duitsland
Ik ken vele brave Fransmannen die echt denken dat de keizer iedere morgen bij het ontbijt zit te overleggen of hij nu toch niet de mobilisatie zou afkondigen en zijn ulanen op Nancy loslaten …
Ze geloven dat men in Duitsland aan niets anders denkt dan aan een overval op ons land. En men moet toegeven : het overgrote deel van de kranten doet zijn uiterste best om dat beeld overeind te houden.
Onze zware industrie, op jacht naar altijd meer bestellingen voor kanonnen en pantserschepen, die hun aandeelhouders altijd weer rijker maken, beseft maar al te goed : zonder de vrees voor de Duitse bezetter zou het dividend van de firma Creusot kelderen.
In Duitsland is het niet anders. Iedere keer als Bismarck of zijn opvolger er in de Reichstag een nieuw zevenjaarsplan voor bewapening wil doorkrijgen, dan neemt men een paar Franse artikelen uit de “Patrie” over of een redevoering van Déroulède en stelt het voor alsof heel Frankrijk alleen maar aan revanche denkt. Zo bereikt ook de Duitse zware industrie alles wat ze wil (Men moet niet vergeten dat de keizer hoofdaandeelhouder van Krupp is). Het is langs beide zijden hetzelfde spelletje met dreigende woorden en retorische werkingen. Hoe kan men uitmaken of deze dreigingen reëel zijn of alleen maar bluf van de zware industrie ? Daarvoor volstaat een precieze blik op de economische belangen van beide machten. In Duitsland zowel als in Frankrijk, zoals overigens in alle grote staten, zijn het niet de grillen van de monarch die de buitenlandse politiek bepalen, maar de interesses van de economische zwaargewichten.
Is er een Duits-Franse conflictstof ?
Sinds meer dan 40 jaar hebben de Duitsers meer dan gelegenheid genoeg gehad om ons aan te vallen en te overwinnen. Als ze het niet gedaan hebben, dan was dat niet uit sympathie voor ons, maar omdat hun natie met inzet van al haar krachten bezig was om zich te industrialiseren. Ik heb in mijn boek “La Force Allemande” uiteengezet door welke geduldige, ononderbroken en methodische inspanningen dat gelukt is. En dat heeft de Duitsers tot rivalen van de Engelsen gemaakt. Maar bestaan er tussen hen en ons ook werkelijke strijdvragen ?
Economisch gezien verkoopt Duitsland ongeveer even veel aan Frankrijk als het van haar inkoopt. Sedert 20 jaar zijn import en export van beide landen ongeveer in evenwicht. Anderzijds verkopen de Duitsers op alle wereldmarkten producten voor dagelijks gebruik, machines enz. terwijl wij alleen maar luxewaren exporteren, mode-artikelen, juwelen enz. Wat smaak betreft kunnen de Duitsers niet met ons concurreren. Er bestaat dus tussen onze naties geen handelsconcurrentie, economische twistpunten zijn er niet.
Dan zou er nog het verlangen van Duitsland zijn om een Franse provincie in te lijven. Maar Duitsland heeft al genoeg aan zijn vroegere veroveringen : sinds 150 jaar kan het zijn deel van Polen niet goed verteren, in het Deense Sleeswijk is er onrust en nu geeft het land zelfs autonomie aan Elzas-Lotharingen omdat het het gebied niet kan regeren.
Er is maar één gebied dat de Duitsers zouden kunnen willen. Zij hebben te weinig ijzererts en nu zijn in het grensdepartement Meurthe et Moselle zeer grote voorraden ontdekt. Zouden ze daar hun oog laten op vallen ? Volkomen overbodig : onze eigen kapitalisten hebben zelf vrijwillig het grootste deel van de concessies aan hun Duitse rivalen overgelaten !
In de eerste plaats hebben ze ons geld nodig. Om industrieën te vestigen heb je geld nodig en daarvan heeft Duitsland niet genoeg. Ongetwijfeld maakt het ieder jaar grote winsten. Maar als staat is het land relatief jong en heeft het niet de geweldige reserves van andere naties als Engeland en Frankrijk, wier industrie één of twee eeuwen langer bestaat en die daardoor miljarden konden opstapelen in hun spaarkassen. In Duitsland verslinden alle nieuwe bedrijven het totaal van het gespaarde geld en hoe meer het land ontwikkelt, des te meer geld heeft het nodig. Waar moet het nu het geld vinden tenzij in Frankrijk, dit land van kapitalisten zonder initiatief die met de grootste spaarreserves ter wereld niet anders weten te doen dan het aan vreemde landen uit te lenen.
In 1902 probeerde Willem II een financiële alliantie met onze banken in het leven te roepen. Hij had van de sultan de concessie voor de Bagdadlijn losgekregen die nu zo de begerigheid van heel Europa wakker maakt. Maar toen had Duitsland pas een economische crisis achter de rug en niet genoeg geld beschikbaar. Toen wendde de keizer zich tot onze banken. Een Duits-Frans syndicaat werd opgericht. als president fungeerde Arthur von Gwinner, de voorzitter van de Deutsche Bank, en als vice-president Vernes, compagnon van Rothschild in de “Compagnie du Nord” en in de “Compagnie du Midi” en toezichthouder van de bank “L’Union Parisienne”, de “Banque Ottomane”, de spoorlijn Saloniki-Constantinopel enz. Achter Vernes stonden nog Rouvier, Auboyneau enz.
Het bezoek van Edward VII
Maar toen begon men in Engeland ongerust te worden.
Willem II
Op dat ogenblik had Willem II een mooie reden om ons aan te vallen. Onze volledige nationalistische pers is unaniem van mening dat onze onoverwinnelijke generaals het onderspit zouden gedolven hebben. De keizer heeft ons niet aangevallen. Evenwel niet uit sympathie maar eenvoudig omdat het in zijn eigen belang was om ons te ontzien. In plaats aan ons aan te vallen probeerde hij met alle middelen terug betrekkingen aan te knopen met onze zakenlui. Na 1906 heeft hij veel moeite gedaan om de Duitse kapitalisten met de Franse samen te brengen. Hij liet officieus in Glarus (Zwitserland) terug een klein Duits-Frans syndicaat oprichten voor de uitgaven van de Bagdadlijn-aandelen en ieder kwartaal namen de Duitse banken tegen hoge rente reusachtige sommen op van het Crédit Lyonnais. Zo doet hij op alle manieren zijn best om de draad op te nemen die door het bezoek van Edward VII in Parijs afgebroken werd. Dat kon men ook zien toen de keizer de eerste was die na het ongeluk met het luchtschip “Patrie” een krans liet sturen voor de rouwplechtigheid van de verongelukte officieren.
Vanzelfsprekend zijn deze vriendschapsbetuigingen niet belangeloos. Willem II probeert met alle middelen contact te zoeken omdat hij ons nodig heeft : de industrie van zijn land heeft Frans kapitaal nodig. En dat alleen is al een garantie dat Duitsland geen oorlog met ons zal voeren. Vooral voor een Engels-Duits conflict heeft de keizer Frans geld nodig. En juist dat maakt onze situatie zo moeilijk.
Het heil van het Duitse Rijk kan alleen van de Franse Beurs komen
Twee jaar geleden was er in Hamburg een Duits bankencongres waar alle financiële zwaargewichten van het land aanwezig waren. In het verslag van dit congres lezen we : “Onze militaire voorbereiding is perfect, maar onze financiële mobilisatie is niet klaar. Een oorlog met Engeland zal misschien 5 miljard per jaar kosten en die oorlog zal wellicht twee jaar duren …”
Er blijft dus alleen Frankrijk, het rijke Frankrijk dat niet weet wat het met zijn spaargelden moet doen. Frankrijk dat dit jaar voor 6 miljard rente opgenomen heeft, daarvan 4,5 miljard uit het buitenland. De Franse rentenier heeft ook mogelijk gemaakt dat Rusland twee jaar kon vechten tegen Japan door in te tekenen op Russische staatsleningen voor een bedrag van 2 miljard.
Als Frankrijk dit voor Duitsland zou willen doen ! Dan zouden de schatkamers van Spandau gevuld raken met het geld uit Parijs. Daarmee zou de keizer dan zijn pantserschepen repareren, proviand en uitrusting voor zijn soldaten kopen. Er zou geen industriële, geen financiële crisis komen. Zonder zich te moeten uitputten zou Duitsland de botsing met Engeland uithouden. Daarom hoopt Duitsland voor zijn heil op de Beurs van Parijs.
Nu betekent spijtig genoeg een Franse lening aan Duitsland een breuk met Engeland. Het Londense kabinet zou nooit toelaten dat Frankrijk aan Berlijn geld leent om de granaten te maken waarmee de Engelse vloot gaat beschoten worden. En het is algemeen bekend dat vanaf het ogenblik dat er Duitse waardepapieren op de Parijse beurs genoteerd zouden worden, de Entente Cordiale opgezegd wordt. Zo bevinden wij ons in een uiterst onbehaaglijke situatie. Ieder van beide tegenstanders probeert ons uit te spelen tegen de ander : de ene heeft geld nodig, de andere ons leger. Het is voor ons onmogelijk iets voor de ene te doen zonder ons tegelijk bloot te stellen aan represailles van de andere.
Een dubbele oorlog is dubbele kosten
Nemen we aan dat de oorlog tussen de twee rivalen uitbreekt en dat Frankrijk neutraal blijft. Bij het eerste bericht van een oorlogsverklaring, schreef de voormalige directeur van de Darmstadter Bank Rießer, zou het hele economische leven tot stilstand komen, alle spoorlijnen zouden door troepentransporten bezet zijn, arbeidskrachten zouden ontbreken, de prijs van de basisbehoeften zou stijgen. De kapitalisten halen hun geld uit de banken en de kredietmaatschappijen zouden hun kassa’s zien leeglopen. En dat juist op het ogenblik dat de staat genoodzaakt is om ontzaglijke oorlogsuitgaven te doen. De staat moet leningen van honderden miljoenen aangaan. Deze leningen moeten aan een zeer lage intekenprijs aangeboden worden want om te kunnen intekenen moeten de Duitse geldbezitters eerst hun andere aandelen verkopen die daardoor fors in waarde zakken. Het goud wordt schaars, er wordt een verplichte wisselkoers ingevoerd : een geldcrisis staat voor de deur.
Maar het is mogelijk dat het Duitse kapitaal tegenwoordigheid van geest vertoont, vertrouwen behoudt in de regering, zeker zolang de vloot niet verslagen is, en zo een crisis weet te vermijden.
Als echter Frankrijk, gebonden door het militaire bondgenootschap met Engeland, op het toneel verschijnt, dan verandert de situatie. Het volstaat niet meer om twee legerkorpsen naar Antwerpen te sturen, nu moet het hele leger gemobiliseerd worden en miljoenen mensen moeten ingezet worden in de Vogezen en aan de Maas, moeten getransporteerd worden, gevoed en uitgerust worden. Dat is niet één oorlog, dat zijn er twee die men moet volhouden : één ter zee en één op het land en de laatste zal niet de goedkoopste zijn.
De rol van Frankrijk als gijzelaar
Ik weet natuurlijk dat de chauvinistische kranten aan de overkant van de Rijn ( die in Duitsland even goed als bij ons bestaan ) vreselijke bedreigingen uiten. Professor Schiemann, de Duitse Déroulède, heeft gezegd : “In geval van oorlog met Engeland nemen wij Frankrijk als gijzelaar.” – En de oude Bismarckaanbidder Harden verklaart : “Wij gaan Frankrijk binnenvallen, gaan het een oorlogscontributie van 20 miljard opleggen en met dat geld gaan we de kosten van de oorlog met Engeland betalen.” Zelfs al schat men het niveau van het Franse leger nog zo laag in, zes weken zal het toch weerstand kunnen bieden, zoals de Oostenrijkers bij Königgratz (1866) of de Napoleontische troepen bij Sedan in 1870. Ik weet van een generaal die zo vriendelijk was de zaak met mij te bespreken in de “Ecole des Hautes Etudes Sociales” dat de eerste maand van de vijandelijkheden ieder leger minstens 1 tot anderhalf miljard zou kosten. Duitsland zou dus eerst uit zijn reserves 1 of 2 miljard moeten putten voor een oorlog met Frankrijk, juist op het ogenblik dat het die het meest nodig heeft in de strijd tegen Engeland.
Maar met de van Frankrijk afgeperste oorlogsschadevergoeding, zegt men dan, komt de keizer uit zijn kosten en heeft hij nog genoeg over voor zijn oorlog tegen Engeland.
En juist daarop rekent men in Londen. Over onze militaire slagkracht maakt men zich daar geen illusies. Men gaat ervan uit dat wij in België verslagen worden en misschien een nieuw Waterloo moeten incasseren. Maar daarmee zouden we toch Duitsland gedwongen hebben om een miljard of twee voor zijn landleger uit te geven, geld dat anders kon gebruikt worden om pantserschepen te repareren of te vervangen.
Het zal dus naar alle waarschijnlijkheid zo gaan dat Frankrijk bezet, geplunderd en voor een ganse generatie belast zal worden met een ontzettende oorlogsretributie. Maar Engeland zal zijn rivaal overwonnen hebben. Duitsland verslagen en Frankrijk geweldig verzwakt : Engeland heeft terug de totale hegemonie in de wereld, Rule Brittania !!
Neutraliteit is mogelijk voor ons
Wij kunnen kiezen : partij kiezen voor één van beide machten of neutraal blijven. Partij kiezen voor Duitsland zou zeer gevaarlijk zijn. De keizer zou wel geen schepen of soldaten van ons verlangen maar wel ons geld. Maar het toelaten van Duitse waarden op de Parijse beurs betekent het einde van de Entente Cordiale. En dan wordt terug over gans de wereld de politiek van speldeprikken gevoerd die ons tot Fashoda geleid heeft. Geen enkele Fransman met gezond verstand zal dat aanraden.
Partij kiezen voor Engeland is nog gevaarlijker. Het eerste Franse regiment dat de Belgische grens zou oversteken om richting Antwerpen op te rukken zou een vreselijke oorlog ontketenen. Alle Franse officieren die ik daarop aansprak bevestigen dat de Duitse generale staf voorziet om een eerste slag met een ongeziene snelheid en machtsontplooiing door te voeren.
Wat moeten wij nu doen ?
Spijtig genoeg zal het Franse volk niets gevraagd worden. Ondanks alle democratische schijn regeert het volk zichzelf niet en heeft het ook geen controle over zijn regeerders. Een klein aantal kapitalisten heeft de leiding van de grote financiële instituten. In hun handen zijn de banken, de mijnen, spoorlijnen, rederijen, electriciteits- en gasbedrijven, watervoorziening, kortom het volledige economische apparaat van Frankrijk. Ik heb in de “Guerre sociale” aangetoond hoe deze kleine groep ook het parlement beheerst, over ministers beschikt en in haar dienst staan alle belangrijke kranten die de publieke opinie vorm geven. Handig verborgen achter de coulissen van het democratische toneel zijn die mannen in waarheid de heren van het lot van dit land.
En een soort beneveling heeft zich van hen meester gemaakt, letterlijk een waanzin van absolute macht, zoals dat ooit bij Lodewijk XIV het geval was en wat ook Napoleon ten gronde richtte. Zelden stond een mens of klasse voor een dergelijke verzoeking. Men moet bedenken dat Frankrijk vandaag feitelijk de rol van wereldscheidsrechter kan spelen. Met Franse soldaten kan Engeland misschien de Duitse kolos omverwerpen en met Frans geld kunnen de Duitsers eventueel de doodsteek toebrengen aan de Engelse wereldheerschappij. Wat een verzoeking voor een onverantwoordelijke en ongecontroleerde oligarchie om haar zwaard in de weegschaal te werpen en over de wereldheerschappij te beslissen. Hoe zou een dergelijke rol een Delcassé niet het hoofd op hol brengen, deze grootheidswaanzinnige dwerg wiens vleiers hem met de grote ministers uit onze geschiedenis willen vergelijken, die zelf de geschiedenis wil ingaan als een tweede Richelieu.
De Franse geldmagnaten en de kwestie Elzas-Lotharingen
Er zijn goede mensen die bij de gedachte aan een Duits-Franse oorlog beginnen te dromen van revanche. Maar ik kan hen verzekeren dat voor onze geldmagnaten de kwestie Elzas-Lotharingen totaal geen belang heeft. Nooit vindt men in hun overlegronden, nooit in hun gedachtegangen ook maar de geringste aanwijzing dat dit hun bezighoudt. Kunnen ze geld verdienen aan een eventueel heroverd Elzas en gaat dat invloed hebben op hun dividenden? - dat is het enige dat telt.
De prijs van het bloed
Wat wil men dan ? Ik zal het in een paar woorden zeggen :
2) Duitsland is erop uit om van Turkije zijn exclusief interessegebied te maken, waar opdrachten, mijnen, spoorlijnen, alles voor zijn onderdanen gereserveerd zou zijn. Maar in Turkije hebben ook Vitali, Auboyeau en Revoil van de Banque Ottomane, Rouvier van de Banque Française, Schneider van Creusot een voet aan de grond. Als men nu de Engelsen helpt tegen de Duitsers, dan ware dat een goede gelegenheid om komaf te maken met deze sterke concurrent. Dan moet men alleen nog maar met Engeland de profijtelijke eer delen om Turkije te civiliseren.
3) In geval van oorlog kunnen er voor meerdere miljarden leningen in Parijs uitgeschreven worden, zowel voor Frankrijk als voor Engeland. En onze grote banken hebben nog de aangename herinnering aan de immense winsten die ze in 1871/1872 binnengehaald hebben.
Dat zijn ongeveer de voordelen die de geldoligarchie bij een deelname aan het Duits-Engels conflict denkt te kunnen binnenrijven. Ik weet wel dat het in de tegenwoordige kapitalistische economische orde als nuttig beschouwd wordt om alle economische afzetmogelijkheden te ontwikkelen. Maar kan dat een oorlog waard zijn ? Wat zijn de mijnconcessies van Marokko, hoe rijk ze ook mogen zijn, tegenover de verwoestingen van een oorlog in Frankrijk ? Wat betekenen 1000 km Turkse spoorlijn tegenover de vreselijke slachtingen met de moderne moordmachines, tegenover het lijden van de gekwetsten, de rouw van de vrouwen en moeders en de ellende van de wezen ? Als men zich dit voor de geest haalt, dan moet men uitmaken of de dividenden van de Creusot-fabrieken het bloed van 80.000 jonge Fransen waard is.
Dat is het enige dat ons volk uit zo’n avontuur kan houden. Ik geloof niet dat er nog een ander argument is.
Hoe dat gedaan wordt
Als men wil weten hoe de intriges verlopen moet men maar eens kijken naar de merkwaardige geschiedenis van Bernard Maimon, die men nu zo graag in de doofpot zou willen stoppen.
Tezelfdertijd – schijnbaar toevallige samenloop van omstandigheden – laat Bernard Maimon uit de Levant, Taudieu’s genoot in de Homs-Bagdadaffaire, door de jonge Rouet, een beschermeling van Taudieu, geheime documenten die op de Franse Buitenlandse Zaken gestolen zijn, publiceren in een Londens blad waar hij correspondent voor is. Het gaat over geheime onderhandelingen in Potsdam tussen Willem II en Sasonow. Het gevolg is dat de Parijse bankiers direct een lening van 1200 miljoen weigeren die reeds op de beurs aangekondigd was. Daarop antwoordt de tsaar met het terugtrekken van zijn troepen aan de Duitse grens.
Hoe het verder moet
Men kan nu zeggen : toegegeven dat enkele mensen oorlog willen, kunnen we aannemen dat het Franse volk zich dit zal laten welgevallen ? Hoe kan het er ooit toe gebracht worden om zich voor de ambities van enkele individuen te laten afslachten ?
1) Op dit ogenblik wordt er onderhandeld over een militair bondgenootschap met Engeland. Breekt het conflict met Duitsland uit, dan zal de Engelse vloot onze kusten beschermen en moeten onze troepen naar Antwerpen oprukken. Het spreekt vanzelf dat dit militaire bondgenootschap louter defensief is – om de publieke opinie gerust te stellen. Maar ja, alle moderne oorlogen zijn defensief. Als men aan een Fransman vraagt wie de agressor was in 1870, dan zal hij volledig te goeder trouw zeggen dat het Bismarck was met zijn valse Emser depeche. Stelt men dezelfde vraag aan een Duitser, dan zal die met dezelfde overtuiging antwoorden dat Napoleon III het was omdat die de oorlog verklaarde. Op dezelfde manier zijn alle Russen ervan overtuigd dat Japan door zijn aanval op Russische schepen in Tschenulpo de oorlog veroorzaakt heeft, terwijl alle Japanners zullen antwoorden dat de Tsaar door Korea binnen te dringen hun natie bedreigde.
In werkelijkheid is het altijd zo dat als er oorlog uitbreekt de twee vijandelijke regeringen die gewild hebben; ieder volk is echter overtuigd dat het zich moet verdedigen.
2) Maar opdat de Franse boer enthousiast ten strijde zou trekken, moet ook de publieke opinie op de gepaste manier bewerkt worden en dat gebeurt door de algemene en voortdurende influistering dat de Duitsers aan niets anders denken dan aan een inval in Frankrijk. Een gekochte en gedresseerde pers gebruikt de onbenulligste voorvallen, vervormt ze, stelt ze verkeerd voor, overdrijft ze, om het publiek te verontrusten. Een vechtpartij in het Vreemdelingenlegioen, het proces van “Lorraine Sportive”, een vliegtuig dat even over de grens vliegt, alles is goed genoeg om vrees en haat t.o.v. de Duitsers aan te wakkeren. Een grote krant die haar informatie via een speciale lijn van de “Times” krijgt is daarin gespecialiseerd. En dat is nog maar het begin.
3) Als dan eindelijk de publieke opinie genoeg opgezweept is, als het idee van het Duitse gevaar vast genoeg in de koppen is ingedramd, dan gaan op een nacht enkele Engelse schepen volle kracht naar Vlissingen stomen. Rond dezelfde tijd rukken Pruisische regimenten in ijlmarsen op naar Antwerpen. Spoedig legt de Franse regering de hand op de informatiestroom en worden alleen officiële mededelingen in de media weergegeven. De volgende ochtend staan in alle kranten de onheilspellende woorden in het grootste lettertype :
Want dat is het ergste : men zal niet zeggen dat het maar een legerkorps is dat van Aachen naar Antwerpen oprukt, men stelt het voor alsof het hele Duitse leger naar de Franse grens oprukt.
Bij het horen van dit nieuws zal de boer in Bretagne of uit de Cantal even zeer als de slecht geïnformeerde Franse kleinburger overtuigd zijn dat Frankrijk aangevallen wordt. Zonder dat ze de tijd krijgen om na te denken propt men ze in alle haast in veewagens en hop, naar de Belgische slachtvelden. En het Duitse leger, op zijn weg naar Antwerpen, stoot op hen.
De enige mogelijkheid voor vrede
Is dan de oorlog helemaal onvermijdelijk ? Ik denk toch van niet.
Het is daarom een gevaarlijke illusie te hopen op een vreedzame oplossing door één of ander scheidsgerecht als het gaat om een groot internationaal geschil. Overigens stellen we tegenwoordig vast dat in het kleinburgerlijk milieu de ijver voor het pacifisme afneemt. Daar zit de druk van de regering en van de financiële groepen voor iets tussen. Zelfs de arbeiders die tot hier toe ieder militarisme afwezen, probeert men op te zwepen.
Het komt er nu op aan zich te weer te stellen tegen dit opzwepen van chauvinistische passies. Daartegen helpt maar één middel : men moet het volk inzicht brengen, het leren om in diplomatische conflicten de intriges van geldmannen te herkennen, en het de ogen te openen dat achter de grote woorden Eer, Vaderland, Nationale Veiligheid, alleen maar zakelijke bestellingen, concessies en leningen als een echte oorlogsreden bestaan.
* * * * * * * * * * * * * * * Wat de Eerste Wereldoorlog leerde, maar wat de mensheid nog niet kon of wilde inzien, in feite ook nu nog niet is dat voor een regering het volk bijzaak is. Het is aan de tijd dat het volk zelf zijn zaken ter hand neemt en zijn soevereiniteit opneemt. Dat had Rudolf Steiner door en daarom lanceerde hij na de oorlog de driegeledingsbeweging. Het motief daarvoor heeft A.J.P. Taylor mooi verwoord op het eind van zijn boek “The First World War” : “Ludendorff noemde de Britse soldaten ‘leeuwen geleid door ezels’. Maar die karakteristiek sloeg niet alleen op de Engelsen of soldaten. Alle volkeren zaten in hetzelfde schuitje. De oorlog ging de capaciteiten van zowel generaals als politici te boven. Clemenceau zei : “De oorlog is een te serieuze zaak om aan generaals over te laten.” De ervaring leerde dat het ook een te ernstige zaak was om over te laten aan politici.” Om in de driegeledingssfeer te blijven : na 100 jaar zouden we kunnen stellen dat ook de economie een te ernstige zaak is om aan bankiers over te laten (of aan de Europese bureaucraten)!
|