ALBERT STEFFEN

Reis naar het andere land

Drama

In zeven bedrijven en een voorspel

Personages:

Deelnemers aan een Egyptische expeditie:

Professor Fisher, egyptoloog
Herbert, zijn zoon, dichter
Mary, diens vrouw, schilderes
Ernst Ohm, ingenieur
Dokter Brugh, arts en bioloog
Anderson, een hulparbeider, later douanebeambte

-------------------------------------------------------

Kapitein Smith, commandant van de Titanic
Directeur van de White-Star-Linie en bouwer van de Titanic
Zijn vrouw Een persmagnaat Boordanimator Miljardair met echtgenote Vronski, een emigrant met vrouw en kind Machineknecht Machinist Stoker
Eerste matroos
Tweede matroos
Kelner
Bemanning en passagiers van de Titanic

-----------------------------------------------

De kapitein van de Karpathia
Navigatieofficier
Steward
Schipbreukeling
Schipbreukelinge
Bemanning en opvarenden van de Karpathia








Alle rechten bij:

Albert Steffen Stiftung
Unterer Zielweg 36, Postfach
CH-4143 Dornach 2







Voorspel

Binnenkant van een rotsgraf dat door een wetenschappelijke expeditie onder leiding van Professor Fisher blootgelegd werd. De mummie, die in de dodenkamer werd gevonden, bevindt zich op de achtergrond opgebaard. Ze ligt in een kist uit sycomorehout die met hiëroglyfen beschilderd is, op een draagbaar in de vorm van een langgerekt leeuwenlichaam. Op de wand erachter kleurige afbeeldingen waarvan er één bijzonder opvalt: Hermes voor de weegschaal van de goede en slechte daden. De dodenbegeleider heeft een menselijke gestalte met een arendskop. Boven hem de gevleugelde zon. Links van de mummie, ter hoogte van de kop de zielevogel, een gevleugeld wezen met een vrouwengezicht. Rechts aan haar voeten Anubis, met de kop van een jakhals en een mannenlichaam.
Aan de zijwanden taferelen uit het leven van de priesteres-prinses waaruit men kan opmaken dat zij afstamt van een koninklijk geslacht en in de cultus het koor der vrouwen leidt.
Overal hiëroglyfen.
De grafkamer, tot waar lange en diepe tunnels gegraven werden, is nu voorzien van electrisch licht, waardoor ze langs alle kanten belicht kan worden.
Puin en gesteente werden nog niet opgeruimd. Werktuigen, schoppen en houwelen getuigen van de gedane arbeid. In de hoeken liggen allerhande apparaten, schilder- en tekengerief, schetsboeken, een reisapotheek enz. Ook enkele geweren en revolvers zijn zichtbaar. Het graf bevindt zich namelijk aan de rand van de woestijn, ten westen van de dodenstad Thebae, zestig meter diep onder de rotsen.
In de verte hoort men het gehuil van jakhalzen, dat voortdurend sterker wordt in de loop van het gebeuren. De ruimte is eerst bijna donker. Alleen een olielamp brandt.

Professor Fisher, Herbert en Mary, Ingenieur Ohm en Dr. Brugh bijeen, rechts op het voorplan. Anderson links bij het steengruis dat hij met zijn schop op een hoop gelegd heeft.

Ohm ( schakelt het electrisch licht aan, eerst rechts, dan links en ten slotte achteraan tot de ruimte volledig verlicht is) : De lichtinstallatie functioneert voortreffelijk. Bent u tevreden Professor Fisher ?

Professor Fisher: Volkomen ! Alles is zo overzichtelijk als in het British Museum. Maar die olielamp zou mij meer inspireren om het geheim van de mummie op het spoor te komen.

Ohm (tot Anderson) : Genoeg voor vandaag ! Rust maar wat uit Anderson ! (Anderson af)

Professor Fisher: Een man met de juiste zin voor de zaak en het vak.

Dokter Brugh: Waarom hebben jullie de kist horizontaal gelegd ? De oude Egyptenaren plachten hun lijken rechtop te stellen voor zover ik weet.

Professor Fisher: Pas wanneer ze gebalsemd waren. Ziet, daar ligt de mummie op de leeuwenbaar, links en rechts de geestgestalten. Wat bij u, Dokter Brugh, wetenschappelijk handwerk is, dat was toen een religieuze handeling.

Herbert: Ik zou de cultus willen herdichten.

Mary: Ik opnieuw tekenen.

Dokter Brugh: Jullie kunstenaars moeten niet altijd naar het verleden kijken.

Professor Fisher: De kunst wekt de geschiedenis tot een nieuw leven.

Dokter Brugh: Mummies zijn niets voor een jong echtpaar.

Mary: Maar Isis en Osiris waren toch ook een paar.

Dokter Brugh: Een zeer ongelukkig paar. Hij werd in twaalf stukken verdeeld en zocht op aarde tevergeefs naar de delen. Dat zou zelfs voor mij te veel geweest zijn. En ik, als anatoom, kan toch al iets verdragen op dat gebied.

Mary: Maar Isis heeft Osiris in de hemel, in de twaalf sterrenhallen teruggevonden en ter wille van het eeuwige geluk graag het vergankelijke ongeluk op zich genomen. En dat is toch de zin van de liefde: zich in God vinden.

Dokter Brugh: Ik dacht: kinderen krijgen.

Herbert: Isis en Osiris hadden een kind: Horus ...

Mary: Net als wij.

Herbert: En dat heeft de tegenstander van hun liefde, Typhon, overwonnen.

Professor Fisher: Horus, het kind, doodde Typhon, de duivel.

Ohm: En hoe oud is jullie Horos ?

Mary: Drie jaar.

Dokter Brugh: Zo klein ? U had thuis bij hem moeten blijven.

Mary (plots treurig): U hebt gelijk.

Dokter Brugh: Neem me niet kwalijk, ik bedoelde het niet kwaad.

Mary: Ach, ik heb heimwee naar ons zoontje ... en angst ...

Professor Fisher (tot Dokter Brugh) : Irriteer de jonge mensen niet. Wanneer de jeugd van onze wetenschap niets wint voor haar kunst, dan geeft toch hun liefde ons het geloof aan de onsterfelijkheid terug. En dat geloof heb ik als historicus nodig om de religie van de oude Egyptenaren te verstaan.

Herbert: Geloof is voor ons jonge mensen niet genoeg. Wij verwachten van jullie ouderen kennis. Weet ons feiten te vertellen over het leven aan de andere kant van de poort des doods - met de mummie hier voor ons.

Dokter Brugh: Als arts -dat moet ik toegeven- heb ik daarover niets met zekerheid ervaren. De ziel van de mens ben ik noch bij het opereren, noch bij het ontleden tegen gekomen. Het schijnt mij ook niet de opgave van de natuurwetenschap en haar disciplines te zijn om daarover iets te zeggen. Dat behoort tot uw gebied, Professor Fisher, de studie van de mythen.

Professor Fisher (tot Ohm) : Hoe staat u als technicus t.o.v. dit probleem ?

Ohm: Ik bewaar hier het stilzwijgen, hoewel ik mijn idee erover heb.

Herbert: De jeugd smeekt om zekerheid over de geest.

Dokter Brugh: De oude generatie houdt het geweten van het wetenschappelijk onderzoek in ere.

Herbert: Bij u zou ik niet willen studeren.

Dokter Brugh: Ik ben dan ook geen universiteitsprofessor, maar slechts hospitaalarts. (tot Professor Fisher): Nu dan, toont u aan de hand van dit lijk, dat drie tot vierduizend jaar oud is, de onvergankelijkheid van de menselijke ziel. Ik kan het zelfs niet bij lijken die maar drie of vier dágen oud zijn.

Professor Fisher: Ook aan een dood lichaam is er iets dat onverwoestbaar is: de vorm. Alleen de stof valt uiteen. Het is om de vorm, niet om de stof dat de oude Egyptenaren het lichaam bewaren.

Dokter Brugh: Waarmee bewijst u dat ?

Professor Fisher (wijst op de schilderingen) : Ziet u deze hiëroglyfe die overal terugkeert ?

Dokter Brugh: U bedoelt die beide naar boven gestrekte armen ?

Professor Fisher: Precies. Dat is de hiëroglyfe voor "omvatten".

Mary: Het gebaar van de hemelse liefde.

Professor Fisher: Misschien interpreteerden geliefden toen ook al dit teken zo. Maar het is meer dan een teken, namelijk het wezen zelf dat de mens na de dood begeleidt. Ziet u, hier staat het als gestalte aan het graf, en daar aan de wieg. Het behoedt de ziel tussen dood en een nieuwe geboorte. Het leidt ze weer naar de aarde. Want dat, mijn dierbaren, moeten wij ons duidelijk voor ogen houden: de oude Egyptenaren geloofden aan de reïncarnatie van de mensengeest - tenminste in de tijden vóór het cultuurverval.

Ohm: En u meent dat dit cultuurverval intrad omdat het inzicht in de herhaalde aardelevens verloren ging ?

Professor Fisher: Zeker.

Mary: Dit wezen dat de mensen van leven naar leven leidt, dat zal wel een engel zijn ?

Professor Fisher: De oude Egyptenaren noemden het anders, namelijk KA.

Mary: KA ? Wat betekent KA in onze taal ?

Professor Fisher: Eén van mijn collega's vertaalde het met "dubbelganger", een andere met "levenskracht", een derde met "beschermgeest". Ik zou het het hogere Zelf van de mens -in zijn verschillende gestalten- noemen. Ziet (hij wijst op een schilderij), daar staat dat wezen achter de dode in de zonnebark en vaart over de wereldoceaan uit.

Dokter Brugh: Waarde professor, u treedt teveel in de details van uw vakgebied. Daarvoor hebben wij moderne mensen geen interesse.

Mary: Toch, en wel een zeer intensieve. Want als het waar is wat vader zegt, dan zijn wij zelf door ons hoger Zelf naar de aarde geleid en zullen ermee doorgaan eens wij gestorven zijn.

Ohm: Als het waar is ...

Dokter Brugh: U deelt dus mijn mening: er zijn geen bovenzinnelijke machten ?

Ohm: Bovenzinnelijke ? - Dat weet ik niet. Maar onderzinnelijke: dat zeker.

Dokter Brugh: Bijvoorbeeld ?

Ohm: Electriciteit.

Professor Fisher: Wat heeft electriciteit te maken met onsterfelijkheid ?

Dokter Brugh: Haar licht is voor het bijgeloof gevaarlijker dan het licht van uw olielamp.

Mary: Ik word niet goed van uw woorden.

Dokter Brugh: Niet van mijn woorden, maar van de slechte lucht hier. Dat is geconcentreerde stikstof.

( Gehuil van jakhalzen)

Ohm: De avond valt. De jakhalzen worden wakker.

Dokter Brugh: Laat ons naar buiten gaan en de longen volzuigen ! Trekt de jassen aan ! Het wordt koel.

Professor Fisher: Ik zou nog wat willen schrijven.

Ohm: Inpakken !

Professor Fisher (tot Mary en Herbert) : Gaat maar mee

Mary: Wij blijven bij vader, nietwaar Herbert ?

Herbert: Zoals je wil.

( Terwijl Dokter Brugh en Ohm zich naar de uitgang begeven, trekt Mary Herbert achter de kist)

Mary: Kijk, de zon met de vleugels op het kofferdeksel.

Herbert: Hoe blikt toch het oog als een bloem !

Mary: Hoe heilig zijn die handen gevouwen !

Professor Fisher: (komt bij hen staan) : Ja, de mens is een hemelse hiëroglyfe.

Mary: Als priesteres was zij wis en zeker een lieveling van de goden.

Herbert: En als prinses de mensen welgevallig.

Professor Fisher: Het aardse leven is net zo als het bovenaardse op deze taferelen afgebeeld.

Mary: Hier leidt zij het koor der vrouwen naar het altaar.

Herbert: Hier tooien de dienaressen van het huis haar.

( Dokter Brugh en Ohm komen met de jassen op de arm terug binnen om afscheid te nemen, en blijven zelf nog staan kijken naar de afbeeldingen)

Dokter Brugh: Ze laat zich schminken.

Ohm: Reeds toen kon men niet leven zonder illusie.

Mary: Schoonheid is geen belet om heilig te zijn.

Herbert: Deze lijn vind ik verrukkelijk.

Ohm: Is ze niet een beetje gemaniëreerd ?

Professor Fisher: Ik ben het eens met u. Precies daarin geloof ik een symptoom van dat verval te zien. Misschien ligt de hoofdoorzaak van de decadentie daarin dat men een vorm wilde vasthouden waaraan het zintuiglijk waarnemen was gehecht geraakt. Men verloor het geestelijk zien en wierp zich op het fysiek genot. Daardoor verkreeg de dood meer macht. Onderzintuiglijke wezens begonnen zich te verzamelen. De mens werd door hen aan de vergankelijkheid geketend. De krachten die het lichaam afbreken kregen macht over hem. En toen men de lijken balsemde, dan leerde men wel hoe het lichaam ineen zit, maar niet hoe het ontstaat. In de grond hield men toch vast aan het dode en liet het levende ontsnappen. De leringen der oude Egyptenaren werden steeds meer doodsleringen, net zoals uw anatomie en fysiologie, Dokter Brugh. Wij hebben niet het goddelijke erfdeel overgenomen, maar het aardse, en, - het onderaardse. Want uw techniek, ingenieur Ohm, is demonisch zoals de magie der oude Egyptenaren !

Ohm: En toch geloof ik de vooruitgang van de mensheid met een gloeilamp meer te dienen dan met een olielamp.

Dokter Brugh: Laat ons naar onze proviandzakken gaan. Maar eerst de handen met zuivere spiritus desinfecteren, een onontbeerlijk asepticum, wanneer men met mummies omgaat.

( De jakhalzen blaffen luider)

Ohm: Dat wordt bedenkelijk. (Hij roept) Anderson ! Wat is daarbuiten aan de hand ?

Anderson (komt binnen) : De beesten ruiken onze etenswaren.

Dokter Brugh: Als ze die maar al niet opgegeten hebben. Loop al voorop en bezie dat ! Wij komen direct.

Ohm: En neem een geweer mee !

Anderson: Ochgot, met een "Ksjt" jaag ik die al weg.

( Hij maakt een spuwbeweging en gaat zonder geweer buiten)

Dokter Brugh: Dat zou een goede Anubis zijn.

Ohm: Hij zou ieder schrikbeeld verdrijven.

Professor Fisher: Ik zal hem aanbevelen als bewaker van de mummie bij het British Museum.

Dokter Brugh: Daar zal hij nooit blijven, want hij is verzot op werken en avontuur.

( Ontzettend gehuil)

Ohm: Wat een hels lawaai !

Dokter Brugh: Kom mee Ohm ! Neem deze revolver !

Ohm: Ik heb daarmee nog nooit geschoten.

Dokter Brugh: Vlug, vlug !

(Ze lopen buiten met hun wapens)

Professor Fisher ( tot Mary en Herbert) : Ga toch ook maar een beetje in de frisse lucht. De jakhalzen zijn spoedig weggejaagd. Het is een klare maannacht.

Mary: U wou ons toch de dodencultus verklaren.

Herbert: Nu stoort ons niemand meer.

Professor Fisher: Het is mooier om de sterrenhemel van het heden te bekijken dan de schrifttekens van het verleden.

Mary: Asjeblief vader, wat betekent de vogel met het meisjesgezicht en de wolf met het lichaam van een jongeling?

Professor Fisher: De zielevogel aan het hoofd van de mummie (hij wijst ernaar) heeft medelijden met de dode. Hij verzamelt zijn goede daden. En de hondskoppige aan zijn voeten doet hem schrik krijgen van zijn slechte daden. Samen leiden ze de ziel van de overledene door de onderwereld. Maar boven hem waakt altijd zijn hoger Zelf.

Mary: Zijn engel ?

Professor Fisher: Ja. En zo komen ze bij Hermes, die de zieleweegschaal houdt opdat hij, rechter der doden, diens aardeleven beoordeelt en hem de juiste hemelswoonplaats toewijst. En nadat de dode daar zijn daden uitgeboet heeft en zich opnieuw klaargemaakt heeft, zal hij terugkeren om de rekening op aarde te vereffenen. - Kinderen, laat mij nu alleen. Ik wil die wijsheid, die ik tot nu toe in woorden heb gevat, in de werkelijkheid beleven. Ik voel: er komen bij mij gedachten op, zo rijk als nooit tevoren. Ik sta dicht bij het geheim van de dood. Ik wil het te pakken krijgen vóór het verdwijnt. - Doe het electrisch licht uit, het is een vijand van de inspiratie. Breng die olielamp daar. Ze is vijfduizend jaar oud, zo oud als het duistere tijdvak dat nu ten einde gaat. Misschien zendt ze een straal uit de lichte oerwereld in mijn ziel. - Tot straks, ik kom jullie wel achterna.

Mary: Dan zult u 't ons vertellen.

Herbert ( brengt de lamp en doet het electrisch licht uit) : Is het zo goed ?

Professor Fisher: Dank je !

( Herbert en Mary gaan)

Professor Fisher (zet zich en schrijft) : De Grieken noemden deze plaats: "een personificatie van de alles verslindende, alle vlees verterende aardse afgrond". De mensheid moet door de poort van de dood schrijden wanneer ze het wezen van de onsterfelijkheid wil ervaren. En niet alleen in het graf, nee, in de onderwereld moet ze afdalen. Zij moet haar hellevaart beginnen, vóór ze aan de hemelsdoortocht begint. O beelden, spreek tot mij: is het slechts leugen wat gij leert ? Is deze figurenwereld niet een afbeelding van een hogere werkelijkheid ? Kan ik in het aangezicht van de dood die door duizenden jaren gaat, de onsterfelijkheid begrijpen ? Spreekt de mummie de waarheid ?

( Hij sluimert in. De schaduwen die het licht van de lamp afwerpt worden beweeglijk. Een pijnlijk-dreigend oog begint te gloeien)

(In de verte klinkt een schot)

Professor Fisher: ( schrikt op en schakelt het electrisch licht weer aan, hij luistert, aarzelt, gaat naar de uitgang. Daar loopt Herbert hem tegen 't lijf ) Wat scheelt er ?

Herbert: Een ongeluk ! Ohm wilde op de jakhalzen schieten en heeft zichzelf gewond.

Professor Fisher: Waar ?

Herbert: ( wijst op de borst) : In de long. Snel ! Verband, watten ... Waar is de verbandkoffer ?

Professor Fisher: Hier. Ik breng alles. Wat zegt Dr. Brugh ?

Herbert: Hij gelooft dat hij hem kan redden ... als hij niet doodbloedt ...

( Beiden snellen weg)







**********************





Eerste bedrijf



Douanekantoor in de zeehaven van Southampton.

Vooraan doorgang voor de passagiers, die van rechts naar links stromen en hun koffers en tassen op de toog leggen. Deze verdeelt de ruimte in twee. Opgestapelde bagage. Karretjes met reiskoffers. Bureau met schrijfgerief en formulieren. De uiterst kale hall heeft een glazen deur waardoor men het havengebied kan overzien.
Anderson staat met andere douaniers achter de goederentoog, bijna onherkenbaar in zijn uniform. Want waar hij vroeger altijd glad geschoren was, heeft hij nu een volle baard. Hij heeft het met zijn collega's over een grote schare arme emigranten die met hun koffers en klerenbundels door het hek stromen.
Een krachtige arbeider met een jonge vrouw die een ingepakte boreling op de arm draagt lopen vooraan. Hij zwaait vrolijk met zijn pas, roept zijn naam:

Vronsky ! Gratis ticket ! Wij hebben niets aan te geven.

Anderson: Mensen van het tussendek. Ze hebben niets en toch zijn ze gelukkig. De reis is gratis opdat ze ginder reclame zouden maken.

Douanier: Reclame ? Heeft de Titanic reclame nodig ? Die oceaanreus waar de ganse wereld over spreekt !

Anderson: Er zijn in Europa niet zoveel miljonairs om er jaar in jaar uit alle veertien dagen de kajuiten mee te vullen.

Douanier: Maar in Amerika toch !

Anderson: Wie weet hoe lang nog ! Het gist overal. Ook daar. Daarom is het vooruitziend om vrolijke mensen over te varen. Die brengen nieuw bloed.

(Nadat het volk gepasseerd is, wordt het hek weer gesloten. - De douanier keert zich naar het bureau)

Ohm (verschijnt aan het gesloten hek): Hallo, openmaken !

Anderson (met een blik op het uurwerk): Pas over een half uur.

Ohm: Ik ben lid van de bemanning.

Anderson: Van de bemanning - en geen uniform ?

Ohm: Plaatsvervanger op het laatste nippertje voor de dynamobediening.

Anderson (herkent hem plotseling): Ingenieur Ohm !

Ohm: Inderdaad.

Anderson (opent het hek): U bent veranderd in die drie jaar, u bent grijs geworden !

Ohm: Maar ... Anderson !

Anderson: Ook ik ben niet dezelfde gebleven. ( Hij neemt zijn pet af, een groot litteken wordt zichtbaar)

Ohm: Hemel, wat is dat op je voorhoofd ?

Anderson: Schedelbreuk ! Een lelijk voorval ! Maar u ziet, ik heb het er levend af gebracht, net zoals u, met uw longschot.

Ohm: Hoe is dat gebeurd ? En hoe ben jij hier eigenlijk verzeild geraakt ? Jij werkte toch in het British Museum als trouwe bewaker van onze mummie !

Anderson: Ondanks mijn trouw heeft de mummie mij weggejaagd.

Ohm: Wat ?

Anderson: Nauwelijks was ze in de Egyptische afdeling tentoon gesteld of het ene ongeluk na het andere deed zich voor. Iedereen die ermee in aanraking kwam overkwam iets erg. Net zoals bij u.

Ohm: Bij mij was het pure lichtzinnigheid. Waarom wilde ik ook met een automatisch pistool schieten dat niet van mij was en dat ik nooit uitgeprobeerd had !

Anderson: Met een mummie waar u geen zaken mee had ! Daarom werd u gestraft. Net zoals ik.

Ohm: Wat vertel je daar nu !

Anderson: Waarom lette ik niet op de voortekens !

Ohm: Op wat voor voortekens ? Vertel !

Anderson: De conservator die de ouderdom van de mummie vaststelde - voor iedere dame trouwens al een belediging- kreeg een kinderziekte -roodvonk- en stierf er bijna aan. Zijn assistent die de datum op de kist kleefde, een bloedvergiftiging aan de duim van de rechterhand ...

Ohm: Geloof jij aan dat soort samenhang ?

Anderson: Ik geloofde er niet aan tot ik het aan den lijve ondervond.

Ohm: (wijst op het voorhoofd) Dat ?

Anderson: Toen de ongelukken niet ophielden, wilde het personeel niet meer werken in de Egyptische afdeling en vroeg overplaatsing naar de Romeinse muntenverzameling, de vervelendste afdeling waar anders niemand wil werken ...

Ohm: En de directie ging daar op in ?

Anderson: In plaats van het personeel verhuisde ze de mummie. Ik moest die naar de kelderverdieping brengen en viel daarbij van de trap. (Hij licht zijn pet op) Dat is het waarheidsbewijs.

(Ohm schudt het hoofd)

Anderson: Toen ik uit het ziekenhuis kwam, was de mummie verdwenen, en ik kon hier aan de slag als douanier, wat mij eigenlijk beter bevalt.

Ohm (schertsend): Dan had de mummie het toch goed met je voor !

Anderson: Ik ben niet kwaad op haar.

Ohm: En zij niet op jou.

Anderson: Maar vertelt u nu eens: hoe komt u hier op de Titanic terecht ?

Ohm: Dat is eigenlijk ook een vreemde zaak. Ik zei het je al: vervanging, voor een vriend die plots zijn ontslag gaf. Drie dagen geleden droomde zijn vrouw dat hij ginds - in het land der onbegrensde mogelijkheden- een prinses zou huwen. En toen wou ze hem niet meer laten vertrekken. En toen hij schertste " Een dollarprinses !", viel ze in zwijm. Ik bezocht hem juist om afscheid te nemen, en hij vertelde mij dit alles fluisterend en vol kommer, want zijn vrouw was ziek gebleven. Ik stelde direct voor om in zijn plaats te gaan. Ik ken dit werk. Ik zei dat Amerikaanse prinsessen mij even weinig kunnen maken als Egyptische, dat ik er immuun voor was. Zijn echtgenote lachte zich weer gezond.

Anderson: Een waarschuwende droom, maar waarvoor waarschuwt hij ?

Ohm: Daar kunnen we nog lang naar raden. - Maar het is de hoogste tijd ! Tot ziens ! Over veertien dagen sta ik hier weer terug.

Anderson: Het ga u goed !

( Ohm gaat. Anderson keert zich naar de douanier die met postzakken bezig is en hun nummers inschrijft op een lijst)

Douanier: Postzak 3101. Post uit alle landen van Europa; Turkije, Egypte, Palestina. De Titanic bezorgt hem het snelst van al. Wat zou er toch zo dringends in deze brieven staan ?

Anderson: Ik ben daar helemaal niet nieuwsgierig naar. Vroeger moest ik de brievenbus van het British Museum leegmaken. Toen kon ik lezen wat de bezoekers op hun ansichtkarten schreven over de bezienswaardigheden van alle tijden en gebieden. Niets dan dommigheden. Daarin (wijst op de postzakken) zal het ook niet veel intelligenter zijn.

( Het hek wordt terug geopend. Een lading passagiers dringt naar voor)

En als de postkaartschrijvers zelf verstuurd worden, dan zijn ze wel niet onbeschreven, maar ze verschillen alleen maar door hun handtekening. Ik probeer niet meer om die te ontcijferen.

(Hij richt zich tot de reizigers)

Niets aan te geven ?

(Controle van koffers en tassen)

Een oudere dame: Niets, voor zover ik weet. Maar ziet u zelf maar.

Anderson (opent een koffer): Wat zit er in dat koffertje ?

Dame: Toiletgerief, medicamenten ...

Anderson: Openmaken !

( De dame doet dat. Ondertussen zijn als aparte groep Professor Fisher met Herbert en Mary in de hall binnengekomen. Alle drie in het zwart gekleed. Een kruier komt achter hen met een wagentje waarop een buitengewoon grote kist.)

Professor Fisher (tot Herbert en Mary): Leg alle bagage bijeen. Hier, op een rij. Ik blijf bij de douanecontrole. Blijven jullie daar en betaal de kruier.

Herbert (tot de kruier): Hoeveel moet ik u ?

Kruier (spreidt beide handen): Dubbel tarief ! (Gaat af)

( Professor Fisher schuift aan langs de toog, herkent Anderson die verdiept is in de inhoud van een beauty-case, en kijkt geamuseerd toe)

Anderson (tot de dame): Wat is dat ?

Dame: Een doodgewoon potje schmink.

( Anderson maakt het gewone kruis met krijt op de koffer en maakt een handbeweging. De dame gaat.)

Professor Fisher (is nu aan de beurt): Van schmink hebben de moderne dames meer verstand dan de antieke mummieschilders.

Anderson: Professor !

Professor Fisher: Ik had je bijna niet herkend met je grimmige baard.

Anderson: De minister van Verkeer raadt de douaniers aan een baard te dragen: om de dames schrik aan te jagen die ons willen om de tuin leiden.

Professor Fisher: Ons mannen betrouw je meer ?

Anderson: Zijn al die koffers van u ?

Professor Fisher: Van mij - en van mijn familie.

Anderson (merkt Herbert en Mary op): Nu ontbreekt alleen Dokter Brugh nog en dan is de volledige Egyptische grafexpeditie weer verenigd. Ingenieur Ohm vaart ook met de Titanic. Hij ging daarjuist aan boord. U zult hem daar zien !

Professor Fisher: Zeer merkwaardig !

Anderson: Hoe graag zou ik zelf meegaan !

Professor Fisher: Maar, zeg mij eens: waarom ben jij uit het British Museum weggegaan ? Dat was toch een baan voor het leven.

Anderson: Daarover kan ingenieur Ohm u meer vertellen. Het is geen kortverhaal, maar een thriller.

(Terwijl hij de controle uitvoert, wenkt Professor Fisher Herbert en Mary)

Professor Fisher: Ziet hier, een oude bekende: Anderson !

(Ze geven elkaar de hand)

Anderson: Nu zouden we herinneringen kunnen ophalen, indien we er tijd voor hadden.

Mary wendt zich af met een smartelijke uitdrukking)

Herbert (legt de vinger op de lippen en leidt haar zorgzaam weg)

Professor Fisher: Haar kind is gestorven.

Anderson: Ach ! Dat spijt mij. Daarom bent u dus in 't zwart. Al lang ?

Professor Fisher: Toen we in Egypte waren.

Anderson: Toen al ! En ik wist van niets !

Professor Fisher: Zeer onverwacht.

Anderson (tegen zichzelf, terwijl hij koffers opent en weer sluit): De mummie ... de mummie ...

Herbert en Mary gaan op en af aan de zijkant

Herbert: Mary, wees dapper.

Mary: Ik wil niet treurig zijn. Ik voel mijn kind immers altijd in mijn buurt. Ik wil ook de wereld niet ontvluchten, maar bewijzen dat die mij niet van mijn lieveling kan wegtrekken. Maar ik wil mij niet meer laten meeslepen door de handel en wandel der mensen.

Herbert: Maar wanneer de aarde met nieuwe opgaven roept !

Mary: Ach, had ik maar eerder naar de stem van mijn hart geluisterd !

Herbert: Wij zijn nog jong.

Mary: Nee Herbert, ik wil geen kind meer op de wereld zetten. Men geeft het niet alleen het leven, maar ook het sterven mee.

Herbert: Je bent levensvijandig geworden !

Mary: Het deed te veel pijn !

Herbert: Wat deed te veel pijn ? De bevalling ?

Mary: De bevalling ? O nee, die pijn zou ik graag verdragen. Ik was ook niet bang om terwijl te sterven. Maar dat men een kind dat onschuldig is, de dood meegeeft, dat is, dat was te zwaar, dat kan ik niet aan.

Herbert: Maar Mary, jij hebt toch geen schuld aan dit mensheidslot.

Mary: Ik had nooit die reis naar Egypte mogen maken, mijn kind was veel te klein.

Herbert: Maar je zegt zelf dat het in feite niet van jou gescheiden is.

Mary: Ja, zolang ik ben zoals hij, zonder schuld, blijft het bij mij. Maar schuldloos kan ik alleen maar zijn wanneer ik zoals ... Isis ben, die Horus op de arm houdt. Nee, ik zal niet treurig zijn als ik mijn zonnekind mag toebehoren.

(Ze wenden zich terug tot Professor Fisher en Anderson)

Anderson ( bekijkt juist de kist die de kruier op het karretje binnengeduwd heeft. Die is in een roestbruine doek gewikkeld): Raar formaat voor een reiskoffer ! ( Hij schudt zijn hoofd)

Professor Fisher: Zoals je ziet is hij reeds verzegeld door de havenautoriteiten.

Anderson: Dan moet ik er mij niets van aantrekken.

Professor Fisher (aarzelend): Aan u kan ik het wel verklappen: in die koffer zit onze mummie.

Anderson (geschokt): De mummie ! Moet die op de Titanic ?

Professor Fisher: Ik moet ze naar Amerika brengen.

Anderson: Doe het niet ! Ik smeek u ! Het brengt ongeluk ! Voor u en uw familie ! Is een dood kleinkind nog niet genoeg ?

Mary ( die met Herbert dichterbij gekomen is en geluisterd heeft): Dat is lomp van u, Anderson. Anderson: De mummie zal zich wreken.

Mary: Ben jij eigenlijk een christenmens ? Weet je niet dat de dood zijn angel verloren heeft ? Geloof jij dat de overledenen zo kwaadaardig zijn als de levenden ? Luister niet naar hem vader ! Ik ben schuldig, niet de mummie. Want ik liet mijn kind thuis en ging weg terwille van de kunst. Dat ik niet bij hem bleef, dat moet ik boeten. Je mag het míj kwalijk nemen dat ik zo verknocht was aan de wereld, je moet het die arme mummie niet kwalijk nemen. Aan haar heb ik zelfs te danken dat ik nog aan een ander leven denk dan aan het aardse hier - waarvan ik hoop dat het gauw zal afgelopen zijn-, aan het leven na de dood.

Anderson: En ik denk aan de 2800 mensen op de Titanic en aan ... mijn plicht. Nee, ik kan die kist niet laten passeren.

Professor Fisher: Hier zijn de vrachtbrieven. (Reikt hem de papieren)

Anderson (leest ze): Handtekening van de museumdirectie. Bevestiging door de regering. Stempel van de medische dienst en de havenpolitie. Leveringsnota van de goederendienst. (Met een diepe zucht) Daartegenover sta ik machteloos ... En waar moet de mummie gestouwd worden ?

Professor Fisher: In mijn eigen kabine, als persoonlijke bagage.

Anderson: Dan valt de verantwoordelijkheid alleen op u.

Professor Fisher: Gij zijt nog voorzichtiger dan de Achteromkijker.

Anderson: De Achteromkijker ?

Professor Fisher: Zo heet de Egyptische Charon, de veerman der doden. In het 99ste hoofdstuk van het Dodenboek staat er een gesprek tussen hem en de ziel van een gestorvene die de veerboot wil bestijgen. De bark is niet in orde zegt hij. De scheplepel ontbreekt. Zeemonsters liggen op de loer. De golven zullen het scheepje doen zinken ... Maar de Titanic is toch onzinkbaar ...

Anderson: Professor, tart het noodlot niet met uw wijsheid.

( Een schare passagiers van de eerste klasse komt in de hall binnen. Het zijn de officiële vertegenwoordigers van de grote trusts en de wereldpers, industriemagnaten en ambassadeurs. Aan het hoofd de bouwer van de Titanic, tevens directeur van de White-Star-Linie, met zijn echtgenote)

Directeur (schuift eigenhandig de glazen deur open en toont de zeehaven): Mijne heren, daar ziet u mijn werk, de Titanic, hoe trots ligt hij daar op het water omgeven door stoomboten, sleepboten, motorschuiten, barkassen, schepen uit alle landen, als een heerser met zijn vazallen !

(Iedereen kijkt mee, met of zonder verrekijker)

De grootste intercontinentale stoomboot en -zoals spoedig zal blijken- ook de snelste !

Anderson: De directeur van de White-Star-Linie ! Die moet mij helpen !

Persmagnaat: Directeur, wij, als vertegenwoordigers van de pers, zijn dankbaar dat we deze prestatie mogen meemaken. Uw werk is een sociale daad. U gaf werk aan miljoenen mensen om dit wereldwonder te voltooien: machinefabrieken, banken, mijnen, spoorwegen, alle beroepen en industrieën, tot de specerijhandel en transporteurs toe, iedere laag van de bevolking. Dat noemt men zorgen voor het welzijn van het volk, voor de vermeerdering van het nationaal product, voor de vrede in de wereld !

( De scheepssirene huilt)

Wij moeten de schepper niet loven, dat doet zijn eigen schepping.

Anderson (waagt zich tot bij de directeur): Mijnheer directeur, mag ik even ...

Directeur: Douane ? Al lang in orde.

Anderson: Voor mensen die geschiedenis maken, maar niet voor mummies.

Directeur: Wat wil u ?

Anderson: Ik ... wil niets. Maar deze heer ...

Directeur (beleefd): Alstublieft ?

Professor Fisher (stelt zich voor): Professor Fisher, mijn zoon en zijn vrouw !

Directeur (stelt van zijn kant voor): Mijn echtgenote !

Anderson: Men wil een mummie transporteren die ongeluk brengt, ziekte, armoede - zoals in de kranten stond ...

Persmagnaat: Die canards heb ik zelf zien vliegen.

Echtgenote: Ik herinner mij dat er over een bepaalde mummie sensatie was.

Persmagnaat: Het gerucht werd verspreid dat de eerste minister de mummie wou bezoeken. Maar dit gerucht was maar een poging om zijn reputatie te ondermijnen en de regering te doen vallen.

Directeur: Die is goed !

Anderson: Voorkom dit onheil !

Echtgenote: Is het die betreffende mummie ?

Professor Fisher: Dochter van een farao uit de zestiende dynastie. Nummer 1.22342. Priesteres van Amon-Re !

Echtgenote: Zo'n gevaarlijk persoon zou ik graag eens zien. Hebt u er een foto van ?

Professor Fisher: Een foto ? Nee, maar mijn dochter heeft ze geschilderd.

Echtgenote (tot Mary): Mag ik zien ?

Mary: O, de reproductie stelt niet veel voor (Haalt een foto van het schilderij uit haar tas en overhandigt die)

Echtgenote: Hoe mooi !

Directeur: Dat volstaat zeker als reispas.

Anderson: Mijnheer directeur, verbiedt de overtocht.

Directeur: Maar waarom eigenlijk ?

Anderson: Ter wille van de passagiers ! Ter wille van uw schip ! Om uwentwille !

Directeur: Wij zijn op de Titanic veiliger dan in ons bed. ( Hij duwt Anderson opzij)

Professor Fisher: Ik maak er geen punt van als de mummie niet zou meevaren, dat spreekt vanzelf.

Directeur: Maar ik wel ! Een Egyptische koningsdochter ! Dat zal onze aandelen nog doen stijgen !

Echtgenote: Je bent kostelijk !







**********************



Tweede bedrijf




Aan boord van de Titanic, die op volle toeren van Southampton naar New-York vaart.
Een voordrachtzaal. Op de achtergrond hangt een groot scherm waarop beelden geprojecteerd worden. Daarnaast staat de boordanimator met een lange stok op het punt uitleg te geven over de constructie en de inrichting van het schip.
De passagiers zitten langs weerszijden in gemakkelijke fauteuils.
Rechtsvoor, als een apart groepje, staan Professor Fisher, Dokter Brugh, Herbert en Mary.
Men wacht nog op de directeur.

Dokter Brugh (leest het programma van de avond): Voordracht "De Titanic als cultuurfactor !" - Hopelijk vervalt de animator niet in zijn gewone gewauwel.

Professor Fisher: Dokter Brugh, u hier te vinden, dat komt mij nu toch wel zeer vreemd voor en doet mij even stilstaan bij het wezen van het lot.

Dokter Brugh: Het lot ! Dat woord komt niet voor in de woordenschat van mijn wetenschap.

Professor Fisher: En toch kan uw wetenschap voor u een lotsbestemming worden.

Mary: Wat voert u naar New-York ?

Dokter Brugh: Dat is eigenlijk beroepsgeheim. Maar aan intieme vrienden als jullie kan ik het wel zeggen: de dochter van een rijke financier wil plastische chirurgie. Siliconen in neus en kin om het Griekse ideaal meer te benaderen. Het Egyptische is niet meer in de mode. En daarom gebruik ik het snelste schip.

Herbert: U als arts van een armenhospitaal leent zich daartoe !

Dokter Brugh: Juist daarom, om het te financieren. De staatssubsidie vermindert sinds de bewapening toegenomen is. Overigens geef ik graag toe dat mijn motieven geen wetenschappelijke zijn, zoals de uwe, professor, wanneer u de mummie naar ginds overbrengt. Het zijn veeleer sociale.

Professor Fisher: Ikzelf heb helemaal geen motief, ik voer gewoon een opdracht uit van de directie van het museum.

Dokter Brugh: Dus heeft geen van ons tweezelfzuchtige motieven. Waar ziet u dan het lot aan het werk ?

Professor Fisher: In de mummie.

Mary: Alstublieft vader, schuif niet alles op de mummie !

Professor Fisher: Ik spreek niet van schuld of onschuld, maar alleen over de vraag hoe het komt dat zij ons op de Titanic samenbrengt.

(De Directeur en de Kapitein duiken op)

Directeur (stelt voor): Kapitein Smith - Professor Fisher, egyptoloog. zijn zoon met echtgenote, een kunstenaarspaar waarover de wereld nog zal spreken. - Dokter Brugh.

Professor Fisher: Waar blijft uw jonge echtgenote, mijnheer Directeur ?

Directeur: Zij bereidt zich voor op haar debuut. - Een verrassing bij het banket. ( Met een blik op Herbert) Ik mag niets zeggen. - Mijne heren, laat ons beginnen, het is al laat.

( Hij zet zich met de Kapitein bij de groep.) ( Tot de animator): Gaat uw gang !

Animator: Dames en heren ! U weet allen dat de Titanic met zijn 47.000 ton het grootste intercontinentale stoomschip is. Hij is zo groot dat hij voor een niet-ingewijde nauwelijks te overzien is. De Directeur van de White-Star-Linie, die hem gebouwd heeft, laat daarom als afsluiting van de plezieravonden, enkele dia's zien die een begrip van deze drijvende stad geven waarin 2800 mensen wonen. Eerst een dwarsdoorsnede van de scheepsromp !

(De lichten gaan uit. Een schema van de constructie verschijnt op het scherm)

Hier, in het midden, de voordrachtzaal waar wij zitten. Rechts aansluitend het restaurant, links de lounge. Hier de bioscoop. Daar het zwembad met onderwaterverlichting, massage en saunaruimtes. alles voor de passagiers van de eerste klas. Hier het promenadedek met de ligstoelen, om uit te rusten van de ontspanning. Hier, waar u de zwarte vlakken ziet, het machinegedeelte. Zes verdiepingen lager de stookplaats met de ontzaglijke stoomketels. Daartussen de dynamozaal. Hier de commandobrug met het stuurhuis en het kaartenlokaal, het radiostation en de accuruimte met alle nodige instrumenten: telegraafverbinding, manoeuvreertelefoon, schakelaars voor vaar- en koerssignalen, kortegolf- en langegolfontvangers, de noodzenders ...

Directeur: Die wij evenwel niet gebruiken.

Animator: Hier de keukens met de beste koks voor de grootste fijnproevers. Hier de voorraadkamers: 4000 kilo gevogelte, 10.000 kilo rundsvlees, 20.000 kilo beleg, 40 ton primeuraardappelen, 30 ton sla en fijne groenten, 60.000 eieren, 20.000 liter melk, 10.000 flessen schuimwijn, 30.000 flessen bier, 3000 flessen likeur, cocktails, confituren, tropische vruchten enz. En daarbij nog alle soorten vis: tong, kabeljauw, zalm, krab, oesters, mosselen: het brood der zee ...

Directeur: Volgende dia alstublieft.

Dokter Brugh: Overigens zeer interessant de zeefauna die door het schroefwater naar de oppervlakte wordt gedreven. De golven fluoresceren sprookjesachtig. We gaan dat fenomeen na de voordracht observeren.

Directeur: U zult het deze nacht voor de laatste keer zien.

Dokter Brugh: Hoezo ?

Directeur: We hebben koers naar het Noorden gezet.

Kapitein (geërgerd omdat de Directeur zich met zijn job bemoeit): Tot nader order !

Directeur: Tot het record verbroken is !

(Het wordt donker: nu een beeld van een wereldkaart waarop de twee scheepvaartlijnen te zien zijn die de continenten verbinden, de zuidelijke en de noordelijke)

Animator: Hier is London, hier New-York. Hier de zuidelijke, hier de noordelijke vaartroute. Zoals u ziet snijden wij een fors stuk af met de noordelijke. Deze ganse boog snijden wij af.

Kapitein (stil tot de Directeur): Ik herhaal het: de temperatuur daalt constant. Ik vrees dat we in de ijsbergzone terechtkomen.

Dokter Brugh: Tot ziens ! Ik ga naar de uitkijkpost om kwallen te bestuderen zolang ik kan. De wetenschap wil van deze heldere nacht profiteren.

(Hij staat op om te gaan. De Kapitein staat eveneens recht)

Directeur: Kapitein ... waar gaat u heen ?

Kapitein: Naar mijn post.

Directeur: Blijft u toch, het banket begint zodadelijk.

Kapitein: Het is mijn plicht om ...

Directeur: ... te representeren.

Kapitein: Ik ...

Directeur: Alstublieft ! Zwijgt u. Volgende dia.

Animator: De reddingsboten.

Directeur: Die slaan we over. Het is al te laat. Afsluiten met de hoofdpunten !

Animator: Dames en heren ! Reizigers vinden op de Titanic alle genoegens voor lichaam en ziel die onze beschaving de mensheid biedt. Niet alleen de beste keuken en de beste wijnen, ook het beste boordorkest, dat de beste componisten speelt. De Titanic is de oercel van de cultuur. Geen wonder dat de elite van de maatschappij zich hier terugvindt: vertegenwoordigers van de pers, economie en financiën, politici, geleerden en kunstenaars en zelfs ... een prinses.

( Het wordt terug donker. Het portret van de mummie verschijnt meer dan levensgroot. Algemene verbazing)

Professor Fisher: Ik begrijp niet hoe dat negatief in zijn handen geraakt is.

Directeur: Zeer eenvoudig ! Met toestemming van uw dochter.

Mary: Ik schaam mij zo dat ik mij liet ompraten om het hier te tonen !

Animator: Afbeelding op een sarcofaag, dochter van een farao, uit de 17de eeuw vóór Christus, opgegraven door de beroemde egyptoloog Professor Fisher, onze vereerde gast, hier aanwezig.

Professor Fisher: Men compromitteert niet alleen mij maar ook de directie van het museum. Tot de publicatie, die zelfs nog niet zeker is, moet men wachten met naamgeving. Dat is tegen ieder wetenschappelijk gebruik.

Kapitein (tot de directeur): Het is toch niet die mummie waarover men in de pers ...

Directeur: Allemaal sprookjes.

Kapitein: U bezorgt mijn schip een slechte reputatie.

Directeur: Uw schip ? Het is niet van u maar van mij. U bent slechts de Kapitein.

Kapitein: U hebt het mij toevertrouwd.

Directeur: De verantwoordelijkheid draag ik.

Kapitein: Iedere passagier weet toch zo goed als u en ik dat deze mummie ongeluk brengt.

Directeur: Niet alle mensen zijn zo bijgelovig als u.

Kapitein: Er kan paniek uitbreken.

Directeur: Schijnt bij u al uitgebroken te zijn. U verliest het hoofd !

Kapitein: Ik weet spijtig genoeg maar al te goed dat er altijd iets mis loopt wanneer men zich moeit met wat in feite mijn job is.

Directeur: Houdt uw tong in bedwang of u hebt voor het laatst gevaren.

Kapitein: Inderdaad, de laatste keer, ik geef mijn ontslag !

Directeur: Maakt u geen schandaal.

Professor Fisher (wil verzoenen): Kapitein, uw toorn, die zeker gerechtvaardigd is, mist zijn doel. Hij moet eigenlijk tegen mij gericht zijn.

Herbert: Tegen uw opdrachtgever, vader, de directie van het museum, of - in laatste instantie- eigenlijk tegen de Britse regering. Het gaat toch om een collectiestuk van een staatsinstelling.

Kapitein: De staat heeft mensen nodig die zelfstandig handelen, waarop hij zich kan verlaten, tenminste toch de Engelse staat, zelfs indien zij handelen tegen zijn wil. Ik kan het niet verantwoorden tegenover onze Marine.

Mary (probeert de situatie schertsend te redden): Vergeeft u mij, Kapitein, het is mijn schuld dat men u achter uw rug voor de gek houdt, en dan nog wel met een dame die bijna 4000 jaar oud is.

Kapitein (galant): Maar even mooi als u.

Mary: Heb ik dan ook - de boze blik ... zoals van de mummie gezegd wordt ?

Kapitein: Ik las het zelf in de krant, rubriek Misdaden en Ongevallen ! De fotograaf die de opname gemaakt heeft is blind geworden.

Mary: Niet door de mummie, maar door zijn chemicaliën.

Kapitein: En wie heeft dat beeld geschilderd ?

Mary: Dat doet niet ter zake.

Professor Fisher: Mijn dochter zelf.

Animator: Ik heb het op haar vraag verzwegen.

Dokter Brugh: De kunstenares heeft zichzelf erin geschilderd.

Kapitein (bekijkt het beeld lang) Nu begrijp ik ook de engelenblik.

Directeur: De ouwe zeerot is verzoend.

Herbert: Merkwaardig, Mary, nu zie ik voor het eerst

(de gong klinkt)

dat het beeld op ons kind gelijkt.

Animator: Dames en heren, het banket begint.







**********************


Derde Bedrijf



Promenadedek. Sterrennacht. Men ziet slechts enkele contouren van de scheepsromp, de commandobrug en de schoorsteen. Daarboven antennedraden. Opzij daarvan een positielicht. Lichtsignalen, aan stuurboord groen, aan bakboord rood, wijzen de koers aan. De maan schijnt op de golven.
Men hoort de zee die met grote snelheid doorkliefd wordt, opschuimen.
Passagiers begeven zich op weg naar het diner, mantel over de avondkledij.

Dokter Brugh. Op de achtergrond, over de reling gebogen, kijkt in de diepte. Hij bekommert zich om niets dan het fluoresceren van de zeeorganismen en wordt zelfs door de reizigers niet gezien. Herbert en Mary blijven staan terwijl de gasten in de richting van het restaurant verdwijnen.

Mary: Hoe ontgoochelt mij deze reis ! Ik verwachtte van de zee een weidser worden van mijn ziel en ik ervaar integendeel een bedrukt zijn, een gevoel dat nog erger wordt wanneer ik scherts - zoals daarnet. - De verbinding met ons kind is helemaal verloren gegaan.

Herbert: Kijk omhoog naar de hemel ! Daarboven woont het. Nooit zag ik zo'n klare sterrennacht.

Mary: Nooit had ik zo'n zwartbewolkte ziel.

Herbert: Muziek zal je troosten.

Mary: Misschien indien er het gezelschap niet was. Maar nu - nooit. Die drukte staat tussen mij en mijn kind. Dat is de wolk die mij hindert om deel te hebben aan zijn zaligheid. Ach, wat een zelfbegoocheling, ik dacht de weg naar de hemel in te slaan en ben in de hellepoel geraakt.

Herbert: Ben je niet te streng voor de mensen ? In de grond zijn ze toch niet zo kwaad.

Mary: Toch niet zo kwaad, wanneer men verstoppertje speelt voor de geestelijke wereld ! Toch niet zo kwaad wanneer men zich vrolijk maakt over de engel in de mens ! Toch niet zo kwaad wanneer men zijn buik volvreet terwijl de armen op het tussendek honger lijden ! En dat ondanks het memento mori van de mummie.

Herbert: Het verwonderde mij dat je haar portret liet tonen.

Mary: Ik bekloeg het mij direct. Maar nu weet ik tenminste: mijn kunst kan deze mensen nooit beter maken. Weg van hen, of ik word zelf cynisch !

Herbert: De Kapitein is moedig.

Mary: Maar bekrompen.

Herbert: De Directeur is verstandig.

Mary: Maar gewetenloos. Niet bravoure en verstand verbindt die twee, maar bekrompenheid en gewetenloosheid. Het negatieve in hen, niet het positieve. Min in het kwadraat: daartegen is mijn kunst machteloos. Ik zou mijzelf moeten verloochenen om hen te overtuigen. Nee Herbert, ik ga niet tot het buffet der rijken, ik zet mij liever neer aan de tafel der armen.

Herbert: Maar ik heb al toegezegd !

Mary: Kom, laat ons naar het tussendek gaan. Ik heb bij de emigranten een jonge vrouw met een kind gezien. Die zou ik willen schilderen.

Herbert: Is het mogelijk ? Je wil weer schilderen. Voor de eerste keer sinds het portret van de mummie !

Mary: Ik kon niet meer schilderen na de dood van ons kind - tot vandaag, toen ik die moeder zag. Zij herinnerde mij aan Isis met de Horusknaap.

Herbert: In dat geval, dan offer ik mij graag op.

Mary: Is het een opoffering voor jou ?

Herbert: Nu niet meer.

Mary: Wat was er dan te offeren ?

Herbert: Succes ... als dichter.

Mary: Wegens de goede relaties ?

Herbert: Je weet toch dat de echtgenote van de directeur vandaag gaat voordragen. Zij heeft mij om een gedicht gevraagd voor deze avond.

Mary: En jij gaf het ?

Herbert: Net zoals jij het portret aan de Directeur.

Mary: Dan kan ik jou alleen mijn eigen fout verwijten.

Herbert: Ik heb er al evenveel spijt van als jij.

Mary: Welk gedicht is het ?

Herbert: Je kent het: " De strijd om de mensenvorm". Wat jij beeldend hebt kunnen vatten in het mummieportret wou ik dichtend vormgeven.

Mary: Mijn liefste gedicht, en je zei mij er niets van.

Herbert: Ik wou je verrassen.

Mary: En hebt mij bang gemaakt.

Herbert: Ben je boos ondanks dit offer ?

Mary: Herbert, jij bent vrijer dan ik. Als je wil dan ga ik jouw weg ... naar de wereldroem.

Herbert: Mijn weg is de jouwe: naar de arme moeder. Kom !

(Beiden gaan de richting tegengesteld aan die der gasten)

Professor Fisher (komt hen tegen): Daar zijn jullie eindelijk. Ik zit al lang aan tafel, eenzaam en afgezonderd, met mijn bord vol, tussen jullie lege zetels. Waarom komen jullie niet ? Zijn jullie om een of andere reden boos op mij?

Mary: Wij op u ? Nooit vader. U op ons !

Professor Fisher: Niet dat ik weet !

Mary: Omdat ik het portret van de mummie liet tonen zonder u te vragen.

Professor Fisher: Het had ook een goede kant. De persmagnaat, een grote uitgever, is geïnteresseerd.

Mary (tot Herbert): Misschien ziet die ook wel iets in jouw verzen. Wil je niet met vader gaan ?

Herbert: Nee, ik blijf jouw ideaal trouw. - Vader, zeg tegen de Directeur en zijn vrouw dat wij niet naar het banket komen, maar alstublieft, zonder dat het ons spijt.

Professor Fisher: Jullie weten niet hoe men verkeert in gezelschap.

Herbert: Wel in mekaars gezelschap.

(Ze gaan hand in hand verder)

Professor Fisher: Dan is het goed

(Hij ziet Dokter Brugh, gaat op hem af en wekt hem uit zijn dromerij)

Professor Fisher: Wat, kijkt u nog altijd naar die zeeorganismen ?

Dokter Brugh: Ziet u die kwallen met hun tentakels ! Dat zijn de zgn. medusa's.

Professor Fisher: Ze hebben een magische weerschijn, zoals het kwaad.

Dokter Brugh: Als men ze vastneemt is het een slijmerige kluwen.

Professor Fisher: Een beeld voor het demonische.

Dokter Brugh: Met het verstand bekeken is het een fysiologische kwestie.

Professor Fisher: Laat ons gaan eten !

Dokter Brugh: Ik blijf hier ter wille van de wetenschap.

Professor Fisher: U versmaadt culinaire genoegens !

Dokter Brugh: Enkele van die organismen strelen misschien het verhemelte, maar ik ga ze liever bestuderen in plaats van te verteren. Afgezien van het feit dat mijn maag er niet tegen kan.

Professor Fisher: Ook ik ga niet graag naar het banket. Maar ik hoop enkele geldschieters voor mijn volgende expeditie te kunnen warm maken.

Dokter Brugh: Met de mummie als tussenpersoon !

Professor Fisher: Liever zou ik deze sterrennacht buiten doorbrengen. Die spreekt tot mij zoals tot de volkeren uit vroeger tijden. Ziet u Sirius daar ? Zo moet zij op het oude Egypte neergekeken hebben. Zij opende met haar geflonker de ziel zodat die in het oerverleden van de mensheid kon schouwen en daar de wetten voor de toekomst kon vinden. Het komt mij voor alsof er een nieuw zielsvermogen in mij ontwaakt. - Wij gaan een verandering van het bewustzijn tegemoet. Alle vermogens worden beweeglijker, elementairer, machtiger. Wat in de sterren rust, komt naar beneden, wat in de zee woelt, groeit omhoog. Wij staan voor een ontzaglijke strijd tussen hemel en aarde ... in het mensenhart - alles wankelt.

Dokter Brugh: U wordt zeeziek.

Professor Fisher: Daarvan heb ik nooit last. Nee, het gaat niet om een fysiek, maar om een psychisch onwelzijn. De zee zegt mij dat veel op aarde onhoudbaar is geworden. Haar vaste grond is voor het verstand niet meer voldoende als steunpunt.

Dokter Brugh: Dat zegt de astronomie al lang: alles is relatief geworden.

Professor Fisher: U spreekt dat zo rustig uit alsof de mensheid niet kon ondergaan.

Dokter Brugh: Integendeel, omdat ik met die ondergang reken.

Professor Fisher: Ook met uw eigen ondergang ?

Dokter Brugh: Zeker. Ik ben geen uitzondering. - Wie zou mij ervoor kunnen bewaren ?

(Ohm duikt op en luistert mee naar wat volgt zonder gezien te worden.)

Professor Fisher: De hogere mens !

Dokter Brugh: Waarvan uw dochter een portret geschilderd heeft ? De geest van de mummie ? Daar zijn we weer bij het Egyptisch bijgeloof.

Professor Fisher: Het is de rest van het toenmalig helderzien. Bij de Ouden gingen dergelijke zeereizen altijd gepaard met een inwijding. Dat is bvb. in het Dodenboek te lezen, dat de dochter van de farao met de nachtbark uitvoer over de wereldoceaan, naar Isis en Osiris, haar goddelijke familie, naar Sothis, haar hemelse oorsprong. Ieder aardekind heeft een andere sterrenthuis, een huis in het sterrenbeeld van de Leeuw of de Stier of de Tweelingen. De ganse dierenriem was een tafel voor de doden. En wij ? Wat is het hoogtepunt op onze reis ? Een banket - waaraan misschien, de onsterfelijke mens, die bij de mummie hoort, opnieuw levend aan deelneemt, terug geboren, zonder dat hij het weet ...

Dokter Brugh (ziet plotseling Ohm): Ohm ! U deed mij bijna schrikken. Als een electrische slag, zo'n schok was het ...

Ohm: Ik kom dan ook van de dynamomachines.

Professor Fisher: Hoe blij ik ben om u te zien ! Wij komen mekaar zo zelden tegen.

Ohm: Ik moet de ganse dag op post zijn en pas 's avonds ben ik vrij.

Professor Fisher: En beleeft u genoegen aan uw werk ?

Ohm: Ik leer veel bij.

Dokter Brugh: Wat ! U leert nog ? Dat moet u niet te luid zeggen. Tenminste niet als de luitjes van de White-Star-Linie meeluisteren.

Professor Fisher: U spreekt in louter alliteraties.

Dokter Brugh: Ik word zelf eventjes niet goed wanneer een electrotechnicus zegt dat hij nog moet leren.

Ohm: Als electrotechnicus heb ik natuurlijk alles al geleerd, maar niet als mens. Daar zoek ik altijd nog naar leraars, en als ik geen mensen vind die mij iets kunnen leren, dan wend ik mij tot de machine.

Dokter Brugh: De machine als opvoeder van de mensheid !

Ohm: De machine dwingt mij om exact te zijn. Ik moet mij aan de instrumenten houden, zeer precies de manometer aflezen, geen millimeter van het kompas afwijken. Dat vraagt tegenwoordigheid van geest. Maar dit geweten van de technicus kan niet standhouden wanneer niet het morele geweten daarachter staat en voortdurend geoefend wordt. En het morele geweten wortelt alleen in de geestelijke wereld. Het verdwijnt wanneer men geen rekening houdt met een geestelijke wereld. Wij moeten mensen met inzicht worden, als verstandelijke mensen komen we in de techniek niet meer terecht. Als ik zoals u, Dokter Brugh, zou geloven dat de mensheid onvermijdelijk zou ten ondergaan ...

Dokter Brugh: ... door de warmtedood, samen met de ganse wereld.

Ohm: ... Dan was er werkelijk geen enkele reden om ons niet allen -met een enkel manoeuver- de dieperik doen in te gaan; alleen al om de komende geslachten het leed te besparen, het leed dat zich van dag tot dag op vreselijke wijze vermeerdert.

Dokter Brugh: U hebt ons afgeluisterd ?

Ohm: Niet opzettelijk.

Dokter Brugh: Ik voelde uw nabijheid zonder u te zien. Zoals de ijzige lucht die uw gepolijste machines mij toeblazen.

Ohm: In de machineruimte is de lucht warm.

Dokter Brugh: Maar hun wezen maakt mij koud. Als een electrisch geladen vis, een sidderrog ... Ik hou mij liever aan mijn kwallen ...

( Hij gaat verder met het observeren van de zeeorganismen)

Oh, ze zijn verdwenen. Terwijl wij ons aan dialectiek overgeven, verdwijnen de wonderen van de zee. Gevolg van de dalende temperatuur. Ik ga mijn mantel halen. Er komt plots zo'n ijzige wind opzetten.

Professor Fisher: En ik herhaal mijn voorstel om aan tafel te gaan en iets warm te eten. De hors d'oeuvre met oesters en krab zal nu wel afgeruimd zijn. Nu hebt u geen uitvlucht meer, Dokter Brugh.

Dokter Brugh: Goed dan.

Professor Fisher: Beste Ohm, kom ook maar mee.

Ohm: Ik ben niet uitgenodigd.

Professor Fisher: Dan nodig ik u uit. Dat zal men mij niet kwalijk nemen.

Dokter Brugh: Alleen al wegens de mummie niet. Iedereen weet er al van.

( Ohm aarzelt)

Als de machine hem geen instructies geeft, kan hij blijkbaar niets beslissen.

Ohm: Ik ben niet in avondkledij.

Dokter Brugh: Weest u toch niet zo comme il faut.

Professor Fisher: Wij zitten toch niet aan de tafel van de Kapitein, maar aan de zijkant, met ons drie aan een eigen tafeltje. Mary en Herbert hebben zich verontschuldigd. Hun plaatsen zijn vrij. Dus, komt u maar. Het wordt zo koud als aan de Noordpool.

Dokter Brugh: Mijn knoken zijn al bevroren tot op het bot.

Ze warmen zich op door verscheidene bewegingen. Ohm laat zich op sleeptouw nemen. Af.

Dansmuziek begint. Enkele genodigden, laatkomers, spoeden zich over het dek, reeds meedansend met de muziek. Het podium blijft een poosje leeg.

Op de achtergrond, op de zee, verschijnt, beschenen door de maan, een drijvende ijsberg, in de vorm van een piramide, die stilaan reusachtig wordt ...





Vierde bedrijf


Feestzaal met bankettafel.
In het midden zit de Directeur met zijn echtgenote. Naast hem de Kapitein. Daarnaast de Persmagnaat. Verder aan weerszijden heren in avondkledij, dames met lange kleren, daarbij ook de miljardair en zijn vrouw. Links aan een tafeltje Professor Fisher, Dokter Brugh en ingenieur Ohm, in gewone kledij. Men ziet direct waarom ze niet aan de hoofdtafel hebben plaatsgenomen. Ze voelen zich in dit gezelschap niet op hun gemak. Rechts de ingang voor de kelners, die met de serveertafeltjes, stapels borden, ijsemmers, flessen, glazen enz. de hoek omslaan. Ze komen door een kleine voorhal, die tegen de hoofdzaal met een glazen wand afgesloten is. Enkele stoelen daarin.
De voorgrond is vrij om te dansen.
Op de achtergrond een podium voor het orkest. Nu is het nog leeg.
Geroezemoes. Er wordt gegeten en gedronken.

Directeur (tot een kelner): Kijk eens waar de dichter zit.

Kelner (maakt en buiging en gaat naar buiten. Hij komt de arbeidersvrouw tegen, die met haar kind op de arm in de voorhal is binnengekomen): Wat hebt u hier verloren ?

Vrouw: Laat ons een beetje toekijken.

Kelner: De zaal is gereserveerd. (Hij wil haar met een aalmoes wegsturen)

Vrouw (wijst het geldstuk af): Ik ben geen bedelares. Mijn man verdient genoeg. Ik wil mijn kind alleen maar de gouden lusters tonen.

Kelner: Wat zijn jullie dan ?

Vrouw: Emigranten. Mijn man mag op het schip meewerken, als stoker. (Ze houdt het kind in de hoogte) Toe, asjeblief !

Kelner: Al goed.

(Mary en Herbert, die de vrouw gevolgd hadden, komen binnen)

Mary: Daar is ze.

Herbert: Zij zelf heeft ons teruggebracht naar de plaats die wij wilden vermijden.

Mary: Ik ga niet binnen.

Herbert: Onze plaatsen zijn al ingenomen. Dokter Brugh en ingenieur Ohm zitten naast vader.

Mary: Dan moeten we er geen gewetenszaak meer van maken.

Kelner: Mevrouw, mijnheer, men wacht op u.

Herbert: Het is toch de gewoonte om pas na het applaus in het voetlicht te treden.

Kelner: Zal ik die boodschap overbrengen ?

Herbert: Als u wil.

(Kelner af)

Mary (bekijkt de jonge vrouw met het kind): Gelijkt ze niet op een madonna ? Ik ga vragen of ik haar mag tekenen.

Herbert: Teken haar in die houding, zonder haar te storen.

Mary: Zie de ogen van het kind, glanzen ze niet alsof ze een kerstboom zagen ?

(Ze begint te tekenen; hij kijkt naar haar)
(De kelner fluistert in het oor van de Directeur)

Directeur: Zo bescheiden ? We zullen hem wel tevoorschijn doen komen.
(Hij zet zich recht en tikt zijn glas)
Dames en heren ! Het is sinds kort een publiek geheim dat zich aan boord van de Titanic een mummie bevindt. Naar ik hoor zijn daardoor enkele mensen bang geworden. Want allerlei geruchten over deze Egyptische koningsdochter doen intussen de ronde. Bijvoorbeeld: ze zou het "boze oog" hebben. Dat gerucht is door het portret dat u daarjuist gezien hebt, waarschijnlijk wel ontkracht. Men vreesde ook dat de passagiers in gevaar zouden komen. Daarmee kan ik natuurlijk alleen maar lachen. De Titanic is doodzeker en de mummie is onvergankelijk. Dus: onsterfelijkheid tot de tweede macht. De mummie is het beste symbool voor de Titanic. Bijna 4000 jaar oud bestaat ze al, nog even mooi als in haar jeugd. Ik roep haar uit tot beschermgeest van ons schip. Leve de mummie ! Op haar gezondheid !

(Applaus. Getoast met de glazen)

Directeur (vraagt stilte): Om het record te vieren dat wij ongetwijfeld gaan verbreken, hebben wij een banket gegeven. Onze cultuur, die met de Titanic een hoogtepunt bereikt, is even gigantisch als de Egyptische. Moge hij onze kinderen begeesteren tot eeuwige scheppingen. Een eerste poging hiertoe deed een hier aanwezige beloftevolle dichter. Mijn vrouw heeft het gedicht zelf uitgekozen en zal het voordragen. Laat ons toehoren !

( De vrouw van de Directeur treedt naar voor, terwijl de arbeidersvrouw met haar kind, dat onrustig is geworden, weggaat) .

Vrouw (tot het jongetje): Nu gaan we naar ons bedje.

Herbert (bekijkt Mary vragend of ze de vrouw zouden volgen): Gaan we ?

Mary: Je première !

Herbert: Laat mij koud !

Mary: Laat ons naar haar luisteren !

Echtgenote van de Directeur (zegt het gedicht heel eenvoudig op):

De strijd om de mensenvorm

De wijze verklaarde het Dodenboek.
Ge kijkt terug, vele duizend jaar
volgen raadselbeelden op elkaar: heil en vloek.
De mummie lag op de leeuwenbaar
Gewikkeld in een beschilderd doek,
Bewaakt door een geestenpaar.

Aan het hoofd de vogel met het vrouwgezicht
De jakhals met mansgestalte aan de voeten.
Die voerden de ziel tot dicht
voor het oordeel om voor de dodenweeg te boeten.
Ge zaagt de schalen, het zwevend gewicht,
Een gevleugeld zonne-oog haar groeten.

Maar in de diepte werd duisternis wijd,
En waar de zielen lichamen verlaten
beheerste dood de geboorte, tot de strijd
begon om het godenbeeld te vatten
waarvan gij mensenvorm een schaduw zijt.
Engelen beminnen, demonen haten.

Nu echter gaat het beneden om het Zijn.
De godensferen zijn verschoven,
En wat de ziel een zegen was, is nu pijn.
Rebellen werkten in de hemel zich naar boven
en wilden in het aardeleven zijn.
En mensenharten staan voor klippen en kloven.

Vervliegen moet de stof en het beeld van de godheid
Waarop het mensenwezen is geijkt
in zijn oorspronkelijke toestand blijkt.
Zie hoe zo mild de heer van het lot kijkt
die u heeft uitgelezen,
het levenswater voor uw ziel heeft gewezen.
Met deze drank zult ge van de dood genezen.

Nu echter ziet ge een andere geest die tracht
in te voegen in zijn eigen vestingmacht
de resten van uw vorm, die te krijgen in zijn hand
en te ontnemen aan uw hemelse vaderland.
Ge ziet hoe hij in donker vuur schittert grijs
Ook hij heeft voor zijn gasten spijs.

Het is het gif der volkeren dat de dood
naar de ganse mensheid zendt
Ge hoort het geweeklaag en ge herkent,
in de wereldbrand de Antichrist die leeft
en wil dat ondergaat de mens die liefde heeft
in ruw bloed, barbarisering ten top.
Daar roept ge Christus aan: Ik sta weder op !

(Bedrukt zwijgen van het publiek)

Dokter Brugh (zachtjes zodat alleen zijn tafelgenoten maar niet de bankettafel het kan horen): Veel te zware kost.

Ohm (op dezelfde manier): Een spanningstest voor de titanen van de intelligentie.

Miljardair: Een vogel met een vrouwengezicht, zeer amusant.

Zijn vrouw: Een mansfiguur als jakhals, verschrikkelijk.

Professor Fisher (alleen voor zijn tafelgenoten): Ze hebben hun Darwin niet verteerd en weten niets van de sfinks in zichzelf.

Persmagnaat: Zoiets kan men het publiek niet voorschotelen.

Herbert (tot Mary, zonder dat de anderen het zien of horen): Het spijt me voor vader. De uitgever zal niet alleen mijn werk, maar ook zijn werk niet publiceren.

Mary: Arme mensen;

Persmagnaat (gaat door): "De Strijd om de menselijke Vorm" !! Gemakkelijk gezegd ! Indien de stof maar wat begrijpelijker was. Daar zitten religieuze, dus onkunstzinnige motieven in - Christus en Antichrist ! Dat is apocalyptisch, maar geen poëzie zoals onze beschaving dat verstaat. Ik verbaas me toch wat over uw smaak, Directeur.

Directeur: Ik heb het gedicht niet vooraf gelezen. Het is een misstap van mijn vrouw.

(Verlegen lachen bij het publiek)

Vrouw van de directeur (stil tot hem): Je bent hatelijk.

Mary (tot Herbert, ongezien en -gehoord) Ga je je niet verdedigen ?

Herbert: Nee, deze blamage doet mij goed.

Ohm (verheft zich van zijn plaats en treedt wat naar voor): Ik vind het gedicht ten zeerste van deze tijd. De dichter heeft bepaalde verbanden tussen de oude Egyptische cultuur en de Westeuropese beschaving met een zin voor geestelijke realiteit belicht. Wie ziet niet dat vandaag net als toen dezelfde krachten aan het werk zijn ! Al het titanische. En toch is er een verschil.

Directeur: Ik ben eens nieuwsgierig. Ohm: Vergelijkt u bvb. een Egyptische tempel met een Amerikaanse luchthaven, een irrigatiesysteem op de Nijl met een electrische centrale aan de Rijn, de godenhiërarchie en hun priesterkaste met een internationaal gezelschap van geleerden dat congresseert over eugenetica, zoals op dit ogenblik in London onder voorzitterschap van Darwins zoon ...

Directeur: De techniek van de ouden is kinderspel vergeleken met de onze. Als u de Titanic in zijn ontzaglijke gecompliceerdheid - wij hebben het daarnet op het scherm gezien- eens stelt naast die vervelende, altijd gelijkblijvende piramides.

Ohm: Hun bouwers rekenden exacter dan wij. Wat wij als breuken die niet opgaan optekenen in onze logaritmentafels, dat lazen zij nog aan de hemel als universele wetten af. Deze piramiden uit het oergesteente rijzen op tot de hemel, zoals de Finsteraarhorn met zijn eeuwige sneeuw. Ze zullen niet vervallen vóór onze beschaving ten onder is gegaan, zoals duizenden jaren geleden Atlantis, dat oude continent dat zich ooit bevond op de plaats waar nu de Titanic over de oceaan vaart. Oh, was hij maar een ark zoals die van Noach ...

Vrouw van de directeur: En waarom is hij dat niet ?

Ohm: De dichter heeft het toch gezegd.

Persmagnaat: Omdat zijn maker geen beroep doet op de deus ex machina, die de poëet zo zonder aanleiding in zijn stof tevoorschijn tovert. Christus en Antichrist ! Wat hebben die met de Titanic te maken ?

Ohm: De Christus niets, de Antichrist alles !

( Pauzeert. Een gevoel van komend onheil ontstaat.)

Directeur: U bent toch electrotechnicus en bedient de dynamo's. U werd mij toch zo voorgesteld.

Ohm: Inderdaad.

Directeur: Misschien ware het beter indien u naar uw post ging.

Ohm: Ik ben nu vrij, tot twaalf uur.

Directeur: En u benut uw vrije tijd om ons moraal te komen prediken. - Wie heeft u eigenlijk uitgenodigd voor dit diner ?

Professor Fisher: Ik bracht hem mee en verontschuldig mij daarvoor - voor dit eigenmachtig optreden.

Kapitein: Hij betrad uw domein, Directeur, zoals u daarstraks het mijne.

Vrouw van de directeur: Het is toch zo dat alle officieren en ingenieurs uitgenodigd waren.

Kapitein: Dan is de professor evenmin verantwoordelijk voor dit dispuut over de Titanic als ik voor het transport van de mummie.

Directeur: Ingenieur Ohm is maar een plaatsvervanger.

Vrouw van de directeur: Je bent onmogelijk !

Ohm: Mijnheer Directeur, het spreekt vanzelf dat ik mijn functie opgeef als u dat wenst. Mijn medewerkers zijn bekwaam genoeg en kunnen het zonder mij wel doen - voor die enkele uren tot we in de haven zijn. ( Hij wil gaan)

Vrouw van de directeur: Alstublieft ! Ik zou graag horen wat u ons nog meer te vertellen hebt. Waar was u gebleven ?

Persmagnaat: Bij de Antichrist.

Directeur: Ik ben een christen zoals de anderen en mag met een goed geweten stellen dat ik mijn schip voor de vooruitgang van de wereld gebouwd heb.

Ohm: Wat ik vertelde was helemaal niet persoonlijk bedoeld. Het ging over de techniek als dusdanig, maar niet over de technici, en daarom ook niet over u, de grote scheepsbouwer.

Directeur: Ik kan niet los gezien worden van mijn werk, ik sta of val ermee.

Persmagnaat: En dat laatste verkondigde de poëet en bevestigde zijn profeet.

Ohm: Ik wou van het standpunt van de techniek wijzen op dat keerpunt waar de dichter op wees vanuit het standpunt van de kunst. Het keerpunt dat zich in de geschiedenis van de mensheid voordeed tussen de tijd dat de mummie begraven werd en de dag van vandaag waar wij erover discuteren.

Directeur: Draait u niet rond de pot.

Ohm: Anders shockeer ik misschien de gangbare opinie.

Persmagnaat: Ik zal mijn oren dichthouden.

Ohm: De oude Egyptenaren bezaten noch onze wetenschap, noch onze techniek. En toch brachten ze die wonderwerken tot stand die de onze overleefden. Wij vragen: met welke inzichten en met welke krachten ? - Zeker niet met fysieke, geholpen door instrument en machine, zoals wij; maar met bovenzinnelijke, waarin goddelijke wezens ingrepen, met magische krachten ...

Persmagnaat: We moeten hier niet met theologische begrippen komen aandraven aangezien wij daar toch niets kunnen van weten.

Ohm: Juist daarop wil ik de aandacht vestigen. Die wijsheid is nu verloren gegaan. Wij zijn niet meer scheppend zoals de oude Egyptenaren.

Directeur: Alstublieft ! En stoom, dynamiet, electriciteit ...

Ohm: Dat is alleen maar het organiseren van vernietigingskrachten.

Directeur: Telefoon, telegraaf, radio ...

Ohm: Drijven de geest uit de gedachten, uit het woord en de klank.

Directeur: Spoorwegen, scheepsvaart, vliegtuig ...

Ohm: ... verwijderen ons van de goden.

Persmagnaat: Geest en goden - asjeblief geen holle frasen !

Ohm: Juist daarom, omdat alles wat met religie en moraal samenhangt frase geworden is, hebben wij ons geconcentreerd op de techniek.

Persmagnaat: En de Titanic gebouwd, waarop wij nu deze heerlijke uren beleven.

Ohm: De krachten die vroeger gebruikt werden om de zielen te louteren, om ingewijd te worden, om de weg naar Isis en Osiris te gaan, om in de schoot der goden uit te rusten, die gebruiken wij nu voor aardse doeleinden.

Persmagnaat: Leve de titaan van de techniek ! ( hij heft zijn glas naar de directeur)

Ohm: We zien wel iets over 't hoofd ...

Directeur: Ja ?

Ohm: Het keerpunt toen de God die de Ouden zochten in het heelal, op de aarde gekomen is om mens te worden, en sindsdien in de geschiedenis verder leeft.

Directeur: En dat ligt volgens u buiten het terrein van de techniek ?

Ohm: De techniek heeft de bewoners van de bovenaardse rijken beroofd van het geestelijk voedsel dat ze van en door de mensen kregen.

Persmagnaat: De vis smaakt voortreffelijk.

Mary tot Herbert (niemand ziet of hoort het): Het brood van de zee in plaats van het brood van het leven.

Herbert (idem): Laat ons gaan, zonder het publiek te groeten. (Ze verdwijnen)

Ohm: De geesten lijden ontbering. Ze zullen zich halen wat men hun ontnam. Ze zullen zich wreken. Tenzij ...

Vrouw van de directeur: Tenzij ...

Ohm: Tenzij wij een tegengewicht creëren voor de dood die de techniek in het leven bracht door ...

Directeur: Door ...

Ohm: Juist door dat keerpunt: het Mysterie van Golgotha !

Directeur: Toegepast op de Titanic ! ...

Ohm: Mijnheer directeur, u hebt er zelf al een begin mee gemaakt doordat u uw gasten gewezen hebt op het onsterfelijke deel van de mummie - door uw engelbeeld- en de dichter aan het woord liet. Misschien is dat het keerpunt in de omgang tussen mensen ...

Persmagnaat: In ieder geval begeven wij ons naar de uitgang als het zo verder gaat.

Miljardair: En dat zou een feestmaal moeten voorstellen.

Vrouw van de miljardair: Bedankt voor deze ganse plezierreis.

Stem uit het gezelschap: Dat die onheilsprofeet naar de duivel loopt en laat de muziek beginnen.

(De mensen worden onrustig en willen zich uit de voeten maken)

Directeur: Dames en Heren ! Hoewel wij allen christenen zijn en het belang erkennen van het keerpunt in de geschiedenis waarover daarnet gesproken werd, toch mogen we geen angsthazen worden. Dat zal ook niet de bedoeling van ons kunstenaarspaar zijn. Wij gaan dat keerpunt op onze avond hier en nu toepassen, door het bal te beginnen met het uitkiezen van een danspartner. Muziek !

(Vrolijke uitbundigheid)

Vrouw van de directeur: Jij bent echt frivool !

Directeur: Kom, we gaan dansen !

Vrouw van de directeur: Ik kies een ander.

( Het boordorkest neemt plaats. De dames kijken uit naar partners. De vrouw van de Directeur - die zelf blijft zitten- gaat naar ingenieur Ohm, die zich terug bij Professor Fisher en Dokter Brugh gezet heeft, en vraagt om de eerste dans. De Directeur is zo ontdaan over dat gedrag van zijn vrouw dat hij nauwelijks de vrouwen opmerkt die met hem willen dansen. )

Ohm (maakt eveneens een buiging): Neemt u mij niet kwalijk, maar ik dans niet.

Vrouw van de directeur ( licht ironisch): Wegens technische reden ?

Ohm: Wegens gezondheidsredenen.

Dokter Brugh: Zijn borst werd niet doorboord door Amors pijlen, maar wel door een kogel uit een automatisch pistool.

Vrouw van de directeur (onzeker): U houdt mij voor het lapje.

Professor Fisher: Helemaal niet, mevrouw, Dokter Brugh zinspeelt op een ingreep die hij heeft moeten uitvoeren.

Dokter Brugh: Op een ingreep van de mummie.

Vrouw van de directeur: Daar wil ik wel iets meer van horen. Komt u mee, wij hoeven helemaal niet te dansen. Wij lopen een beetje door de zaal.

Ohm: Als u niet bang bent voor mijn zware schoenen ...

( Zij neemt zijn arm)

Dokter Brugh (tot Professor Fisher): Die nimfen en meerminnen zijn niet ongevaarlijk.

Professor Fisher: Ik ga nu naar mijn kinderen !

(Beiden af) ( De Directeur en de Kapitein zijn alleen aan tafel gebleven)

Directeur (sarcastisch): Eigenlijk zouden wij twee, om geen pretbedervers te zijn, ook met elkaar moeten dansen.

Kapitein: Laat u mij gaan, ik moet naar de commandobrug.

Directeur: Nog een woord ! (wijst op Ohm en zijn echtgenote) Wat denkt u van hem ?

Kapitein: Een goede spreker en een slechte danser, hoewel het er naar uit ziet dat uw vrouw hem wel op prijs stelt.

Directeur: Dat doet pijn.

(Terwijl het dansen goed op gang komt, gaat de echtgenote van de Directeur aan de zijde van ingenieur Ohm op en af, zonder gehoord te worden door de anderen)

Vrouw van de directeur: Het is een tiran. Hij doet mij geweld aan. In zijn nabijheid verkommer ik, wanneer hij niet anders wordt.

Ohm: U alleen kunt hem veranderen.

Vrouw van de directeur: Alleen met uw hulp.

Ohm: Ik heb hem alles gezegd.

Vrouw van de directeur: En ... mij ?

( Het dansen wordt wilder)
( Plots gaat er een schok door het schip)
(Iedereen staat stil)
( De muziek stopt)

Directeur (stilletjes tot de Kapitein): Wat was dat ?

Kapitein: Voelt u die trilling ? Wij hebben een aanvaring gehad. Ik vrees dat we met een lek zitten. Laat geen paniek uitbreken, ik ga naar de tussenschotten kijken.

Directeur: Verder spelen !

( De muziek begint terug)
( De Kapitein verlaat onopvallend de zaal)
( Ohm wil hem achternagaan, maar wordt teruggehouden door de Vrouw van de directeur)

Vrouw van de directeur: Ziet u mijn man: Hoe zijn ogen uit hun kassen puilen ! Hij denkt dat ik verliefd ben op u .

Ohm: Gaat u onmiddellijk terug naar hem.

Vrouw van de directeur: Naar dat monster ?

Ohm: Weg, ik moet naar de dynamo's.

Vrouw van de directeur: Wanneer zien we mekaar terug ?

Ohm: Tot onze aankomst in New-York ben ik van dienst.

Vrouw van de directeur: Daar dan !

Ohm: Nee !

Vrouw van de directeur: Red mij van de hel.

Ohm: Houdt uw geweten zuiver !

Vrouw van de directeur: Bent u boos ?

Ohm: Toch niet. Maar mijn plicht roept. ( tot de Kapitein, die de deur uitgaat) Kan ik helpen ?

Kapitein: Controleer de situatie in het ketelruim. (Beide af)

Directeur (zet zich recht): Dames en Heren, danst u rustig verder. Juist zoals het schip. Het vaart met dezelfde snelheid als altijd. De machines functioneren. Maakt u zich geen zorgen. Op de Titanic bent u in veilige handen. Zelfs indien er een lek was in de scheepsromp, dan is er nog altijd een binnenste, dubbele romp. Dwarsschotten maken dat een eventueel lek in de wand zonder gevolgen blijft. De minste averij zet een alarmsignaal in gang. Heeft iemand van u al iets gehoord ? Ik niet. In geval van nood zijn er reddingsboten. Bovendien heeft iedere passagier zoals u weet onder het hoofdkussen een zwemvest, zodat het spreekwoord "Een goed geweten is het beste hoofdkussen" ook omgekeerd geldt: een goede zwemvest is het beste geweten.

Persmagnaat: U hebt gelijk, Directeur, hoewel het niet rijmt.

(Gelach) (Het dansen gaat verder)

Vijfde Bedrijf

Stookplaats Op de achtergrond een geweldige stoomketel, van waaruit aan de bovenkant links en rechts een buizensysteem vertrekt. Het geheel doet denken aan een gigant met gebogen kop en gespreide ledematen. Onderaan de ovendeur waar de kolen moeten ingegooid worden.
Daarvoor staan een hulpmachinist en een stoker, zwart van het roet.
Rechts een brits voor wie niet van dienst is.
Links een ijzeren ladder die naar de bovenverdiepingen van het schip leidt.

Hulpmachinist: Daar komt de aflossing.

(Twee andere arbeiders, een machinist en een stoker, komen langs de ladder beneden. We herkennen de laatste als Vronski, aanvoerder der emigranten.
Ze begroeten elkaar met een handdruk. De machinist gaat naar het draaiwiel.
Vronski gaat naar de hoop kolen en begint met de schop zijn werk.)

Hulpmachinist: Niks nieuw daarboven ?

Machinist: Een feest ter afsluiting van de eerste tocht van de Titanic. Eten, drinken en dansen. De ganse keukenploeg is moeten opdraven.

Hulpmachinist: Is de Kapitein er ook bij ?

Machinist: Met alle officieren. Er moeten genoeg danspartners zijn voor de miljonairsdochters.

Hulpmachinist: Banket met bal. Dat moet ik zien. ( tot de eerste stoker) Kom.

Eerste stoker: Zes verdiepingen omhoog ! Ga maar alleen, ik ben pompaf. (Hij laat zich op de brits vallen)

Hulpmachinist (kruipt langs de ladder omhoog): Tot ziens dan.

Machinist: Onze beurt komt nog wel.

Eerste stoker: Dan kunnen we lang wachten. Al duizenden jaren is het zo: de slaven aan het roeien en de zwelgers op het dek. Alles blijft hetzelfde.

Machinist: Alles verkeert in zijn tegendeel. Toen waren er roeispanen en zeilen. Nu machines en motoren. Die houden wij, klassebewuste arbeiders in de hand, niet de burgerlijke leeglopers. Zie die nokkenas hier: nu is ze boven ... nu is ze onder. Zo gaat het, met mathematische zekerheid. Vandaag bedienen wij de viertaktmotor. Morgen dansen wij een wals in viertakt-maat.

Eerste stoker: Je slaat weer op hol.

Machinist: Slaat deze machine op hol ? Zij zegt de waarheid. Versta je niet wat ze zegt als ze haar muil opentrekt en met haar ellebogen werkt ? Plaats, plaats, plaats !

Eerste stoker: Platsj, platsj, platsj zeker, tot ze zelf ontploft.

Machinist: Ja, als men het ventiel niet regelt, zoals daarboven. Men moet het regelwiel verstaan om er niet het slachtoffer van te worden. Een kwartslag te veel en de ketel explodeert.

Eerste stoker: Jij bent een geschifte kerel.

Machinist: Ik zeg je: In deze cylinder steekt meer verstand dan onder de hoge hoeden van alle angstdiplomaten. Weet je, de machine heeft ook een ziel. Toen ik haar laatst met het oliepulletje over de glimmende as streelde, heeft ze mij iets in het oor gefluisterd.

Eerste stoker: Kindersprookjes voor het slapengaan. ( Hij draait zich op de brits naar de wand)

Vronski (legt de schop neer en komt dichter) : Wat heeft de machine gezegd ?

Machinist: Luister dan en onthou het goed ! Je kunt het ginder in Amerika verder vertellen, het was toch de bedoeling dat je reclame maakt nietwaar ! De machine heeft mij gezegd: Hoe beter ík word, hoe slechter de mensen worden. Hoe productiever ik word, des te slechter gaat het de massa. Hoe meer arbeid ik overneem, des te groter wordt het aantal werklozen, tot de ganse mensheid verarmd en gedegradeerd is en door enkele rijken beheerst wordt. Maar dan keert alles om. Zoals deze drijfstangen. De meerderheid zal de minderheid overweldigen. Dan zullen de weinigen niets meer hebben en de velen alles. Dan begint het paradijs op aarde. - Dat zegt de machine tot ons, arbeiders in de mijnen, fabrieken en werkplaatsen, bij de spoorwegen, op de werven en schepen, tot de proletariërs aller landen : Verenigt u ! Tot jou en tot mij zegt ze: waar twee in mijn naam verenigd zijn, daar ben ik in jullie midden.

Vronski: Dat zegt Christus, niet de machine.

Machinist: Dat zeg ik, die aan deze schakelarm sta ! (Hij verandert zijn stem) Alle raderen staan stil wanneer jouw sterke arm dat wil !

(Plotseling gaat er een schok door het ruim. Een langgerekt gekraak volgt. De twee staan stom te luisteren.)

Eerste stoker (van op de brits) Hebben jullie dat ook gevoeld ?

Machinist: Vlug, naar boven, ga kijken wat er aan de hand is.

Eerste stoker: Ik heb mijn schoenen al uitgedaan.

Vronski (tot de Machinist): Moet ik gaan, of wil jij gaan ?

Machinist: Er moeten er twee bij de machine blijven. Dat is het dienstreglement. Ik blijf in ieder geval. Jij als beginneling kan wel de buik van de machine met kolen vullen, maar niet de stoom uit de kop laten ontsnappen wanneer er zich verwikkelingen voordoen. Ga jij maar, als je wil.

Vronski: Ik zou toch graag naar vrouw en kind gaan kijken.

Eerste stoker (heeft zich bedacht): Dat kan ik wel gaan doen. ( In een oogwenk is hij de ladder op en verdwenen.)

Machinist: Zie nu, op zijn sokken zonder zelfs zijn schoenen mee te nemen. Is dat nu lafheid of schrik ? Of alle twee ? Nu, hij zou ze toch terug moeten uittrekken als hij in het water zou willen springen.

Vronski: Serieus, wat denk je dat die schok en dat geluid kan geweest zijn ?

Machinist: De machines draaien. Het licht brandt. Alles in orde. Waarschijnlijk is een kogellager oververhit geraakt. Een schok zal de heren daarboven geen kwaad doen.

(Ohm komt langs de ladder naar beneden.)

Machinist: Wat moet die hier ?

Ohm: Kameraden, we zijn op een ijsberg gelopen.

Machinist: We zullen wat meer stoken, dan smelt hij weg.

Ohm: Grappig, maar spijtig genoeg is de situatie ernstig. De timmerlieden hebben een lek gemeld in het voorste deel van het schip. Het water is door de schotten gedrongen.

Machinist: Hoe ver ?

Ohm: Reeds door de binnenste scheepswand. We moeten er rekening mee houden dat de Titanic ondergaat. Enkele uren zal hij nog wel blijven drijven. Hopelijk hebben onze noodzenders tegen dan een ander schip naar hier gekregen. Alles hangt af van jullie tegenwoordigheid van geest en jullie plichtbewustzijn. Jullie zullen het tot het laatst moeten uithouden. Kunnen en willen jullie dat ?

Machinist: Ik verlaat mijn post niet.

Vronski: Ik zal mijn mensenplicht vervullen.

Ohm: Kijk na of alles in orde is ! Ik ga nu terug naar de dynamo's. Van daaruit hou ik jullie op de hoogte.

( Hij beklimt terug de ijzeren ladder. Tijdens het volgende gesprek doen de Machinist en Vronski hun ronde in de ketelruimte en onderzoeken de stoomketel en het machinepark.)

Machinist: Jij hebt dus een vrouw en kind. Dat wist ik niet. Hou oud ?

Vronski: Mijn vrouw is twintig. Het kind een jaar ...

Machinist: Niet eens meerderjarig ? Was het wel slim om te trouwen ?

Vronski: Helemaal niet slim ... in de ogen der anderen. Maar we zijn verliefd. Daarom emigreren we ook.

Machinist: Naar het land van belofte, naar Amerika. Let maar op dat je niet in de woestijn geraakt. Het schijnt dat de verstepping daar al fors toeslaat.

Vronski: Wij willen het niet beter hebben dan Adam en Eva, en in het zweet ons aanschijns het land bebouwen.

Machinist: Heb je je besluit nog niet beklaagd ?

Vronski: Ik ben er een mens met verantwoordelijkheid door geworden.

Machinist: Dat bewijs je, door nu hier te blijven, hoewel je misschien je geliefden nooit meer zal zien.

Vronski: Geloof je dat de Titanic zinkt ?

Machinist: Ja, vast en zeker, ik las het in de ogen van ingenieur Ohm. Maar voor je vrouw en kind moet je niet vrezen. Vrouwen en kinderen gaan voor. Voor vrouwen en kinderen zijn er reddingsboten. Alleen voor ons zullen er geen meer zijn.

Vronski: Geen reddingsboten voor ons ?

Machinist: Er zijn er wel zoveel als voorgeschreven is. Maar die volstaan niet eens voor de passagiers, laat staan voor de bemanning.

Vronski: En ik word gerekend tot de bemanning ?

Machinist: Je hebt je zelf aangeboden.

Vronski: Ter wille van mijn familie, om wat geld te verdienen tijdens de overvaart.

Machinist: En ga je die vrijwillige verplichting nu opgeven omwille van je familie ?

Vronski: Ik zal mijn plicht vervullen.

Machinist: Vronski, ik verlang dat niet van jou.

Vronski: Ik verlang dat van mezelf: wanneer voor mijn familie gezorgd wordt - en ik weet dat de Directeur dat zal doen in het geval dat ik omkom- dan mag ik niet deserteren.

Machinist: Broeder, jij hebt gelijk, niet ik. De liefde tot de mensheid, niet het klassebewustzijn, Christus, niet de Duivel in de machine ... ( Hij reikt hem de hand)

Vronski: Deze hand reikt verder dan dit leven alleen.

(De eerste stoker komt terug de ladder af)

Machinist: Zo snel terug ?

Vronski: Heb je mijn vrouw gesproken ?

Eerste stoker: Het tussendek werd versperd door matrozen. Ze waren bewapend.

Machinist: Oproer ?

Eerste stoker: Nee, dat denk ik niet. Alles is rustig. In de kajuitgangen lopen enkele passagiers over en weer en zoeken hun kennissen. Ik zag door halfgeopende deuren hoe ze hun koffers pakten. Een officier gaat op en af en roept van tijd tot tijd dat vrouwen en kinderen zich moeten klaar houden omdat ze -misschien- het schip gaan verlaten.

Machinist: Men vreest dat iedereen gaat losstormen op de reddingsboten.

Vronski: Als mijn familie maar terecht komt zonder mij !

Machinist: Ga vlug eens zien ! (wijst naar de stoker) Die zal je vervangen tot je terug bent.

Eerste stoker: Ik ben vrij, hoor.

Machinist: Jij hebt geen vrouw en kind. (tot Vronski) Zorg dat ze in een reddingsboot geraken.

Vronski: Ik ben direct terug. ( Klimt de ladder op)

Eerste stoker: Direct terug ! Daar geloof ik niet veel van.

Machinist: Ik wel ! Voor Vronski steek ik mijn hand in het vuur.

Eerste stoker: Hij is geen van ons.

Machinist: Dat zullen we nog zien.

Eerste stoker: Hij is een christen.

Machinist: En jij bent dat niet ?

Eerste stoker: Na wat ik boven gezien heb: neen !

Machinist: Wat heb je dan gezien ?

Eerste stoker: Behalve de matrozen met hun pistolen ? Passagiers die verder aten, dronken en dansten omdat de Kapitein hun iets voorloog. Mensen die een sigaret opstaken en discuteerden waarom de Titanic onzinkbaar is. Dames die hun zijden kleren in orde brachten in plaats van hun ziel. Heren die naar hun hart tastten om te zien of ze hun geld op de juiste plaats droegen.

Machinist: Verder niets ?

Eerste stoker: Een oude vrouw kreeg haar zwemvest niet aan en riep op een scheepsjongen. Hij hielp haar erin en zij schoof hem een dollarbiljet toe. - Op Christus heb ik niemand horen roepen.

Machinist: Wat zou jij dan doen in die situatie ? Toch ook eten, drinken, dansen en je vastklampen aan een illusie ! Uiteindelijk zou je ook niets beter weten dan panikerende vrouwen in een reddingsvest te helpen.

Eerste stoker: Maar zonder drinkgeld aan te nemen.

Machinist: Aan 't werk.

(De stoker grijpt de schop en bemerkt dat de bodem nat is)

Eerste stoker: Er komt water binnen.

Machinist: Nu moet je toch je schoenen nog aantrekken of je krijgt natte voeten.

(De Hulpmachinist laat zich langs de ladder naar beneden glijden)

Eerste stoker: Wat ! Je komt terug ? Dat noem ik collegiaal. Maar dom.

Hulpmachinist: Verschrikkelijk !!

Machinist: Angst ?

Hulpmachinist: Niet om mezelf.

Machinist: Wat is er ?

Hulpmachinist: Ik zag Vronski rugwaarts van de trap bij het tussendek vallen, met een kogel door het voorhoofd.

Machinist: Vronski neergeschoten ! Door wie ?

Hulpmachinist: Door onze bemanning.

Eerste stoker: Door de matrozen ?

Hulpmachinist: Hij wilde een groep vrouwen naar een reddingsboot brengen, er was nog plaats, maar ...

Machinist: Maar ...

Hulpmachinist: Daar werden juist geldzakken ingeladen. Hij riep: "De mens komt vóór het goud !" en drong naar voor. Toen klonk het schot. Ik zag het met eigen ogen.

Eerste stoker: Sla de moordenaar dood !

Hulpmachinist: Hij deed het op bevel.

Eerste stoker: Bende ploerten !

Machinist: Oordeel niet in het aangezicht van de dood !

Eerste stoker: Ik zal hem wreken.

Machinist: Dat zou hij niet gewild hebben.

Eerste stoker: En de sloep is afgevaren zonder Vronski's vrouw en kind mee te nemen ?

Hulpmachinist: Die zijn met het lijk achtergebleven.

Machinist: Zijn er nog andere sloepen ?

Hulpmachinist: Nog maar één, voor de eigenaars van het geld.

Eerste stoker: Voor de Directeur ? - Gelooft hij nog altijd dat de Titanic niet kan ondergaan ?

Hulpmachinist: Hij rekent op de stoomschepen die op weg naar hier zijn.

Eerste stoker: Zijn rekening zal niet kloppen.

Machinist: Kameraden ! Wij allen moeten onze rekening met het leven afsluiten. Nu is het ogenblik om te denken aan het woord van Christus: waar twee in Mijn naam verzameld zijn, ben Ik in uw midden.

(Hij, en met hem de hulpmachinist, buigen het hoofd, terwijl de stoker naar achter gaat en het handvat aan het draaiwiel vastpakt)

Eerste stoker: Nu heb ik ze allen op een kluitje: autokoningen, oliemagnaten, trustpresidenten, koperkoningen, houtkoningen, papierkoningen, nu voor een enkele reis naar de hel.
(Hij draait het wiel)
(De stoomketel begint roodgloeiend te stralen)

Machinist (bemerkt het en vaart uit tegen hem): Rechts draaien, jij dommerik, niet links !

Hulpmachinist: We vliegen in de lucht !

( De Machinist neemt het gloeiend handvat vast.)

Hulpmachinist: Je hand verbrandt. Het vlees schroeit eraf. Ooh neeee !!

Machinist: Schreeuw niet zo, ik hou het uit !
( Hij draait het wiel terug)
Alleen het vlees, de botten zijn nog intact.
( Hij spreidt zijn bloedend hand)
Geef je zakdoek ! - Wat, heb je dat niet, jij snotneus ?

( Terwijl de stoker hem geknield verbindt, wenkt Ohm van op de bovenste sport van de ladder)

Ohm: Aan dek, kameraden ! Het water staat al aan de patrijspoorten en kan hier ieder ogenblik instromen. Jullie kunnen hier niets meer doen. Zelfs niet voor jullie zelf.

Eerste stoker: Kom ! Of we verdrinken nog als ratten !



Zesde bedrijf



Voordek met een ronde bank. Hoog daarboven de commandobrug. Op de achtergrond rijst het silhouet van de schoorsteen op. De maan schijnt over de zee.
Op de commandobrug zien we de Kapitein nu eens hier, dan weer daar. Links van hem bevindt zich het stuurhuis met de kaarten, waarin hij van tijd tot tijd verdwijnt om de instrumenten te bekijken. Meest staat hij vooraan bij de spreekbuis.

Kapitein: (in de manoeuvreertelefoon): Waar staat het schip ? - 41.45 Noord/50.14 West.

Ohm (verschijnt aan zijn zijde): Kapitein, het stoken is afgelopen.

Kapitein: Noteer dat ! Hier gaat de Titanic onder.

Ohm: Hoe ver is het dichtsbijzijnde schip ?

Kapitein: Volgens het laatste radiobericht: één uur met onze snelheid, dus twee of drie uur voor een ander schip, minstens ... maar we zinken misschien al over een half uur. -
De laatste reddingsboot is weg. De bemanning timmert vlotten. Moedige kerels !

Ohm: De meeste passagiers geloven nog altijd aan het dogma van de onzinkbaarheid van de Titanic.

Kapitein: Ik deed zelf mijn best om dat erin te hameren en ik durf het niet ontkrachten.

Ohm: De mensen trekken zelfs niet hun reddingsvest aan.

Kapitein: Die verlengt maar de doodsstrijd.

Ohm: Doodvriezen !

Kapitein: We hebben nu de laatste stroom nodig voor de noodzender.

Ohm: Dat wil zeggen dat we de mensen het licht ontnemen vóór hun dood.

Kapitein: Uw laatste opdracht op de Titanic, ingenieur Ohm.

Ohm: Ik zou nog het telegrafie-apparaat kunnen bedienen.

Kapitein: Goed. Dan kunt u de radio-officier aflossen. Hij is totaal uitgeput. ( spreekt in de manoeuvreertelefoon) Dynamo's uitschakelen !

( Ohm verdwijnt in de accu-ruimte)
( Het toneel blijft nog enkele ogenblikken verlicht. Dan gaat overal het electrisch licht uit. De zee schijnt klaarder. Men ziet in de verte ijsbergen, beschenen door de maan.
Afzonderlijke mensen en kleine groepjes lopen voorbij)
Er wordt geroepen: Geen licht ! Maak toch licht ! Wij kunnen niets zien ! Hallo, kom langs hier ! Wat is er aan de hand ? Licht ! Licht !

Kapitein (door de spreekbuis): Rustig ! Kalmeer de mensen. Zeg dat we de stroom nodig hebben voor de zenders. Alles wordt in het werk gesteld voor onze redding. Kalmte ! Geen paniek ! Kalmte ! Kalmte !

(Het wordt weer stil. Kapitein af) Mary en Herbert verschijnen op het dek

Mary: Geen mens ...

Herbert: Ze lopen allemaal naar de loopbrug alsof ze konden uitstappen. Zie daar, de reddingsboten verdwijnen tussen de ijsschotsen. Mary: Het is zo pijnlijk dat vader daar niet in zit.

Herbert: Hij wilde jouw plaats niet aannemen.

Mary: Weet hij waar wij nu zijn ?

Herbert: Ja, hij komt ons achterna !

Mary: Ik ben zo blij dat ik bij jou mag blijven.

Herbert: En ik verwijt mezelf dat ik je niet kon overtuigen om in de reddingsboot te stappen.

Mary: Kwel je daar niet mee. Ik kan zonder jou toch niet verder leven, ik kon het al niet meer zonder ons kind, ik was al voor de helft niet meer op aarde, dat voel ik nu, nu ik volledig naar hem ga. Herbert, denk je dat het nog altijd zo klein is ?

Herbert: Nee, Mary, Ik denk dat het groot geworden is, gegroeid naar ziel en geest, zodat wij van hem kunnen leren wanneer wij gaan.

Mary: Daar zijn wij misschien als kleine kinderen, zo onervaren, en onze zoon zo wijs als een vader. Als broer en zuster gaan wij naar hem.

Herbert: Je weent.

Mary: Van vreugde, omdat wij spoedig verenigd zijn.

Herbert: Kom dichter bij mij !

Mary: Je bibbert !

Herbert: Het is koud.

Mary: Mij komt het voor alsof het lente is. Als ik de ogen sluit zie ik alleen maar bloesems. Zo brengt de zee mij toch nog wat ik verlangde: een blik in het paradijs ! Is de zee niet een korenbloem - in het blauw van de middag? Een lelie - in het schijnsel van de maan ? Een pioenroos - in het rood van de ochtend ? Spoedig zullen wij in Gods tuin zijn.

Herbert: Wij, - maar de anderen ? Die hebben schrik van de zee, van de monsters in de diepte, van de oerslang.

( Professor Fisher komt aan met de mummiekoffer op de rug, wankelt en staat op het punt te vallen, Herbert springt op hem toe en helpt hem om de kist veilig neer te zetten)

Mary: Arme vader, wat wil je met de mummie ?

Professor Fisher: Ik kan ze niet in de kajuit achterlaten, tussen de koffers met banale spullen. Dat is geen grafkelder een Egyptische priesteres waardig. Wij hebben ze uit de dodenkamer gehaald, waar de wanden gesierd waren met beelden van goden. Nu stellen wij ze onder de vrije hemel.

Herbert: Nu dat we zelf sterven ?

Professor Fisher: Stervenden mogen aan zichzelf en aan het wezenlijkste denken. Kunnen we, nu we zeker van de dood zijn, iets beter doen dan de doden een laatste dienst bewijzen ? Onze mummie moest lang wachten. Nu mag haar lichaam opgaan in het wereld-al. De zee met het sterrendak erboven zal haar begrafenisplaats zijn.

Herbert: Hoe deed u dat, die zware kist op de schouders nemen ? Ik kan hem nauwelijks op de bodem neerleggen.

Mary: U bent al zo sterk als de oude Egyptenaren, vader. Die moeten ook bovenmenselijke krachten gehad hebben toen ze uitgehouwen blokken tot tempelzuilen stapelden. Men zegt dat waanzinnigen soms ook dergelijke kracht hebben.

Professor Fisher: Misschien kon ik het omdat ik mijn schuld onder ogen zie om ze te kunnen aflossen, hier zowel als daar ! (Hij wijst naar boven)

( De Kapitein, die met Ohm uit de accuruimte terugkomt hoort dat mensen beneden onder hem praten)

Mary: Uw schuld ? Vader, waarom de uwe ?

Professor Fisher: Ik zei het toch al: Ik heb een schuld op mij genomen door de mummie uit het rotsgraf weg te halen.

Herbert: U bent nog bijgeloviger dan de Kapitein.

Kapitein ( tegen Ohm): Ze praten over schuld ! Ik moet dat horen. Gaat u alleen terug ! ( Hij leunt over de reling, zonder gezien te worden) ( Ohm terug af)

Professor Fisher: Ik zie samenhangen die niets met bijgeloof te maken hebben.

Mary: Laat ons de mummie nu toch haar rust gunnen.

Professor Fisher: Je begrijpt mij verkeerd, kind, ik geef je gelijk als je de mummie verdedigt. Zij heeft geen schuld. Maar ik ben schuldig. Het lot heeft ons met haar samengebracht opdat zij ons aan de onsterfelijkheid zou herinneren. Jullie twee hebben de boodschap ter harte genomen. Jij, Mary, door je schilderij, en jij , Herbert, door je gedicht. Door jullie kunst hebben jullie overwonnen. Ik heb met mijn wetenschap gefaald.

Mary: Dat versta ik niet.

Professor Fisher: Ik was als onderzoeker niet onbaatzuchtig, nee, ik speculeerde op een publicatie.

Mary: Uw goedheid, die de schuld van anderen op zich neemt, spreekt u tegen.

Professor Fisher: Mijn eerzucht als geleerde was groter dan mijn goedheid.

Herbert: Hoe dan, vader ?

Professor Fisher: Ik wilde het verloop van een bepaalde geschiedenisperiode met deze mummie onthullen. En nu pas dringt het mij door dat ik de zin van die periode in mijzelf moet zoeken. Op de levende geest komt het aan, niet op de dode tekens. Wij dragen het oude Egypte in onze zielen. We hebben het zelf uit het verleden meegenomen naar het heden, met al zijn werkingen. Wij moeten nu goedmaken wat wij toentertijd slecht gedaan hebben. En daarom is de schuld bij ons levenden te zoeken.

Kapitein (leunt dieper naar voor): Er is er maar één schuldig en dat ben ik, ik alleen, die koers naar het noorden zette. Ik verloochende mijn plicht als zeeman. Ter wille van het record liet ik mij ompraten. Niet uw eerzucht als geleerde heeft schuld, professor, maar mijn ijdelheid als Kapitein. Zelfs zonder mummie aan boord zou de Titanic een aanvaring met een ijsberg hebben gehad.

Professor Fisher: Kapitein, wij komen niet alleen uit de zeehaven Southampton, maar ook uit de dodenstad Thebae.

Ohm (verschijnt): Het zendapparaat werkt niet meer. Er zal ons geen schip meer vinden.

Kapitein: Dan moeten wij de sprong in het ongewisse wagen ! (door de spreekbuis) Reddingsvesten aantrekken !

( Het commando "Reddingsvesten aantrekken" weerklinkt over het ganse schip. Gejammer wordt luid en sterft weer weg)

Professor Fisher: Laten wij ons voorbereiden op de dood ! Ontzetting mag ons niet overmannen. Wij moeten ons instellen alsof wij al aan gene zijde waren !
( Ze doen de reddingsvesten aan)

Ohm: Ik haal nu ook uw reddingsvest, Kapitein ! (Af)

Mary: Vader, het enige wat mij spijt om de aarde te verlaten, is: uw wijsheid niet meer te kunnen vernemen.

Professor Fisher: Mijn kind, daarboven zul je hogere leren kennen.

Herbert: Maar die kunnen wij niet verder geven aan de levenden zoals uw wijsheid.

Professor Fisher: De wijsheid, te sterven !

Herbert: Het is niet ter wille van die wijsheid dat wij proberen om ons leven te redden. Niet voor onszelf, maar ter wille van de mensen die nog niet weten hoe ze moeten sterven.

( Een radeloze loopt voorbij. Direct daarna hoort men het schot waarmee hij een eind maakt aan zijn leven)

Mary: Ooh, hoe erg !

Kapitein: Niemand heeft zoveel recht op zelfmoord als ik.

Professor Fisher: Ook uw schuld is goed te maken, Kapitein.

Kapitein: Niet door mij.

Professor Fisher: Als u zich van het leven beroofd, maakt u het goedmaken voor de anderen zwaarder.

Kapitein: Ik moet mij rehabiliteren.

Professor Fisher: Ginds, niet hier !

(Geweeklaag op het ganse schip)

Mary: De sukkelaars ! Horen jullie dat ? Er zijn kinderen bij ! ( Zij omarmt wenend Herbert)

Kapitein: Onschuldigen ! En ik, de schuldige, kan niemand helpen !

Professor Fisher: De levenden niet, maar wel de doden.

Kapitein: Hoe kan ik mijzelf onder ogen komen !

( Hij grijpt naar zijn revolver)

Professor Fisher: Laat dat wapen. Er bestaan ook plichten t.o.v. de doden. En ik heb mij voorgenomen om zo'n plicht te vervullen. Ik zal jullie vertellen wat ik tot vandaag aan geen mens heb toevertrouwd omdat er niemand rijp was om het op te nemen. Wilt u het ook horen, Kapitein, in dit stervensuur ? Kijk naar de sarcofaag. Ik lees het af zoals het er staat.
( Hij gaat naar de sarcofaag. Mary en Herbert staan aan de kant. De Kapitein staat er vlak boven.)

" Wanneer de mens sterft en de ogen sluit, dan ontvouwt zich iets onder zijn oogleden als de bloemblaadjes van een bloesem, als de vleugels van een vlinder. In de duisternis van de ruimte zweeft met twee vleugels, een geesteszon ..." - Dat wilden de Egyptenaren openbaren wanneer ze het deksel van hun katafalken met deze raadselachtige tekens beschilderden.

Mary: Nu, vader, weet ik hoe ik zou moeten schilderen.

Professor Fisher: "Wanneer de ziel lijdt om de anderen die in een doodsnood komen die ze zelf niet kunnen overwinnen, wanneer het medelijden om de trooster roept, wekt zij in het hart dat breekt van smart, de melodieën van het Zonnelied ..." - Dat wilden de Egyptenaren ons verkondigen toen ze hun Dodenboeken neerschreven.

Herbert: Nu, vader, weet ik hoe ik zou moeten dichten.

Professor Fisher: "Wanneer het lichaam, door de eigen zwaarte dodelijk getroffen, op de aarde neerzinkt, de demonen het in de diepte trekken, dan treedt het opstandingslichaam eruit en begint zijn Zonnetocht ..."
- Dat wilden de Egyptenaren zeggen, zelfs in de dood, toen ze de sarcofagen rechtop stelden.

Kapitein: Zo wil ik ook op mijn post rechtop staan.

Professor Fisher: Wijs, schoon en rechtop gingen ze in de dood, zoals ze hun goden zelf schouwden, beminden en vereerden, - laat ons doen als zij, de kinderen van God !
( Ze stellen de sarcofaag rechtop. Het licht van de maan valt erop en verheldert het beeld van de mummie) De ziel van de mens die bij dit omhulsel hoort is duizenden jaren geleden de weg gegaan die wij nu zullen gaan. Zij heeft de Zonnegod die ze zocht, ontmoet, toen Die afdaalde naar de aarde om de dood te overwinnen. Ze wil Hem in de toekomst helpen om Zijn werk te voltooien: troosten wie lijdt, bevrijden wie schuldig is, wie stervend is naar de Verrezene brengen, tot de reis naar het andere land, in het Zonneschip !

Dokter Brugh (komt toegesneld): Ik zoek jullie al lang. Ach ! Laat de doden de doden begraven. Kom ! Wij hebben een vlot ineen getimmerd.

Professor Fisher: Mijn hart kan niet meer.

Herbert: Wij dragen u.

Dokter Brugh: Snel.

( Herbert voor, Dokter Brugh langs achter dragen Professor Fisher. Mary gaat aan de zijkant. De Kapitein kijkt hen na van op de commandobrug. Als het toneel leeg is, gaat hij naar de spreekbuis en spreekt tot de bemanning. Ohm verschijnt naast hem met een reddingsvest.)

Kapitein: De bemanning moet verzamelen in rij en gelid. Vóór de commandobrug. ( In de spreekbuis) Verzamelen ! (Het commando "Verzamelen" wordt doorgegeven)
( Officieren, ingenieurs, matrozen, machinisten, timmerlieden, stokers, stewards, bedienden, kelners, koks stellen zich op in rijen. Men moet zich voorstellen dat die aan weerszijden van het dek doorlopen.)

Kapitein: Jullie hebben goed werk geleverd. Ik dank jullie allemaal. Ingerukt !

Ohm: Leve onze Kapitein !

Bemanning: Hoera, hoera, hoera !

(Bemanning af)
(Het toneel loopt leeg)

Arbeidersvrouw (met het kind op de arm gaat voorbij): Ja mijn kind, nu gaan we naar papa, waar de gouden lichten zijn ... ( Ze ziet de mummie) Een engel !



Zevende bedrijf



Aan boord van de Karpathia.
Dit transatlantisch stoomschip dat pas de haven van New-York verlaten heeft, is veel kleiner dan de Titanic. Het zit vol passagiers die bijna nog allemaal slapen. Het schip heeft geen loopbrug met trappen aan de zijkant. Men moet zich dus voorstellen dat aan de achterkant van het toneel een reling is van een scheepswand die steil in zee steekt. De reddingssloepen die in de loop van het gebeuren neergelaten worden hangen aan die wand, zodat ze niet zichtbaar zijn. Van het dek is maar een deel zichtbaar. Erboven verheft zich de commandobrug waarop de Kapitein met een navigatieofficier staat.
Op de achtergrond de zee, sterren die verbleken.

Kapitein: Sinds twee uur geen signaal meer.

Navigatieofficier: Er is geen twijfel mogelijk: de Titanic is gezonken.

Kapitein: Blijf toch maar verdergaan met zenden "Karpathia op weg om te redden". misschien vangt een ander schip de boodschap op en komt ter hulp.

Roep van op de uitkijk: IJsbergen in zicht.

Kapitein (door de spreekbuis): Opgelet ! - Uitkijkposten verdubbelen ! - Koers naar links ! - Snelheid aanhouden zolang het gaat !

(Ochtendgloren. IJsblokken verschijnen met een rode weerschijn.)
( Enkele passagiers met overjassen komen op en turen in de verte.)

Navigatieofficier: Hier begint de gevarenzone. We moeten dicht bij de plaats van de ramp zijn.

Kapitein: Is alles klaar ?

Steward (komt dichter bij): De zalen zijn ingericht als ziekenboeg. Er zijn hete dranken, soep, koffie, thee ...

Kapitein: We zullen warme kleren nodig hebben.

Stemmen der passagiers: Hier mijn pelsmantel - mijn overjas - mijn reisdeken - mijn onderkledij - mijn bed ...

Kapitein: 't is maar voor korte tijd, wij varen met de schipbreukelingen terug naar New-York.
( tot de steward) We zullen niet genoeg verplegend personeel hebben.

Een vrouw: Ik ben verpleegster, ik wil helpen.

Andere vrouwen: Ik ook - ik ook ...

Kapitein (tot de steward): Verzamel alle mensen die willen helpen.

Uitroepen: Helpen ! Dat willen we allemaal !

( De groep gaat af met de steward)

Roep van op de uitkijk: Boot in zicht !

(Andere passagiers komen op het dek)

Roep van op de uitkijk: Tweede boot in zicht, met noodsignaal !

Kapitein: Snelheid opdrijven, als dat mogelijk is ! Gaat het zonder gevaar ?

Navigatieofficier: Ja.

Roep van op de uitkijk: Derde, vierde, vijfde boot. Ze doen teken.
Kapitein: Alle boten hier aanleggen, op een rij !

(De ijsschotsen schijnen groter) (De sirene weerklinkt)

Kapitein: Opgelet, langzaam, stoppen !
( Het schip ligt stil)
( De touwladders worden neergelaten)
( De passagiers van de Karpathia houden zich aan weerszijden klaar met overjassen en dekens)

Officieren en bemanning (beginnen het reddingswerk):
Hallo ! Hier komen de touwladders ! Hebben jullie ze ? Nu de een na de andere ! Wat ? Jullie kunnen niet omhoogklimmen ?

Stem van de Directeur (klinkt daar beneden): Ik doe het voor !

( Hij duikt op uit de diepte met een zwarte lederen mantel en een zuidwester, die hij op zijn hoofd houdt. Daaronder avondkledij.) ( De officieren groeten) ( De passagiers van de Karpathia nemen de hoed af)

Navigatieofficier (terzijde): Is dat nu een salon- of een zeeleeuw ?

Kapitein (treedt naar voor en reikt de Directeur de hand): Ik ben de Kapitein van de Karpathia.

Directeur: Ik ben de Directeur van de White-Star-Linie en ... bouwer van de Titanic.

Kapitein: Mijn deelneming bij de ondergang van uw schip.

Directeur: Ik zal een groter bouwen. ( Hij kijkt om zich heen en wendt zich dan weer tot de inzittenden van de reddingsboot die beneden wachten)
(Tot zijn echtgenote roepend): Houd moed ! Pak het touw. Word je duizelig ?
(tot de Kapitein) Ze durft niet.

Kapitein: Gooi het touw met de gordelband naar beneden. Dat ze het onder de armen vastmaakt.

Directeur: Wat ! Het doet pijn ? Verman je. Het knijpt in ieder geval minder hard dan de dood, natuurlijk ook niet zo zacht als je danspartner.

(De Vrouw van de directeur wordt omhooggetrokken. Ze verschijnt in een witte pelsmantel)

Navigatieofficier (terzijde): Een ijsbeer.

Directeur (stelt voor): Kapitein - mijn vrouw. Ze moet direct in bed. Ik vrees dat ze een longontsteking gaat krijgen.

Gemompel in het publiek: Niet in mijn kabine. ( Ze wordt weggebracht)

Directeur: Waar heb ik een goed zicht op de reddingsactie ?

Kapitein: Hier, op de commandobrug.

(De Directeur gaat de trap op en blijft met gekruiste armen toekijken)
( De schipbreukelingen verschijnen op het dek, in avondkledij met dansschoenen, meer of minder gekleed, klappertandend van de kou, als laatste groep de miljardair en zijn vrouw. De passagiers van de Karpathia houden hun overjassen bij zich wanneer ze voorbijgaan.)

Navigatieofficier (terzijde): Zijn dat nu vissen of vogels ?

Vrouw van de miljardair: Nu ben ik mijn tasje beneden nog vergeten.

Miljardair: Ik breng het.

Navigatieofficier: Hij heeft de cheques in de grote tas, zij de briljanten in de kleine.

(Ten slotte klimt de matroos naar boven die de sloep bestuurde)

Navigatieofficier: Waarom hebben jullie niet meer mensen meegenomen ?

Eerste matroos: Ze wilden gewoon niet in de reddingsboot stappen. Ze dachten dat het veiliger was om aan boord te blijven en op jullie te wachten. (Hij bedekt zijn ogen) Vreselijk, wat er toen gebeurde ! Gerommel, gekraak, een scheuren en breken, daartussen schreien en huilen ... en schoten ...

Passagiers van de Karpathia: Schoten ?

Eerste matroos: Collectieve zelfmoord.

Passagiers van de Karpathia: O wee !

Eerste matroos: Het zuigend geluid van de draaikolk die alles meetrok ...

Navigatieofficier: En jullie hebben niemand opgevist ?

Eerste matroos: De dames hadden schrik om verkouden te worden. De heren zetten ons aan tot spoed ...

Navigatieofficier: Onmens, om hen in te volgen, zo'n zootje.

Eerste matroos: Ik was alleen, zij vijf. Daarbij ben ik geen dierentemmer maar matroos en ik moest het bevel van mijn Kapitein uitvoeren om zo snel mogelijk te roeien ... Ik was liever op het schip gebleven ... tot het eind ... zoals hij.

Miljardair (komt opeens terug) Waar varen jullie heen ?

Kapitein: Terug naar New-York.

Miljardair: Zeer goed, dan kom ik nog op tijd voor de economische topconferentie.

Navigatieofficier: Als dat soort met zijn klauwen nog meer bijeenschraapt, dan komen er niet alleen aanvaringen met ijsbergen, maar wereldbranden van.

Eerste matroos: Daar zou hij ook nog winst uit halen. (Af)

(Beneden wordt "Water" geroepen)

Navigatieofficier: Geduld, straks krijgen jullie wat jullie wensen, koffie, thee, whisky.

Een meisje (gooit appelsienen naar beneden): Pas op, appelsienen !

Navigatieofficier: Onnozel wicht ! Straks doe je de ganse boot nog kapseizen ! Daar weg !

Tweede matroos ( in een jekker, zonder hemd, woedend): Waarom laten jullie ons wachten ? Zien jullie niet dat wij gewonden aan boord hebben ? Ze hebben de mensen vanaf het dek in de sloep geworpen, willen of niet. Heupen zijn gebroken en schouders ontwricht. Jullie moesten het zelf eens meemaken ! Ik sla jullie koppen tegeneen.

Navigatieofficier: Man, wat een geschreeuw, ben je waanzinnig geworden ?

( De schipbreukelingen -arme mensen- worden omhoog gehaald. De passagiers van de Karpathia springen naar voor om hun goederen weg te geven. Enkele doen kledingstukken uit en geven ze aan de behoeftigen.)

Schipbreukeling: Neem het hem niet kwalijk. Hij heeft het onmogelijke gedaan om ons te redden. En daarom mag hij dat ook van anderen verwachten. Zijn hemd heeft hij uitgetrokken en gescheurd om ons te verbinden. Tussen de ijsschotsen heeft hij gelaveerd om kameraden uit het water te trekken.

Schipbreukelinge (jammert): Ik wil niet verder leven.

Navigatieofficier: Wat heeft die vrouw ?

Tweede matroos: Zo jammert zij de ganse tijd.

Navigatieofficier: Is ze ook gewond ?

Tweede matroos (hij wijst op zijn borst): Daar binnen, waar men geen verband kan leggen. Ze heeft zich door haar zieke vader laten overhalen om in een reddingssloep te stappen.

Schipbreukelinge: Heb hem in de steek gelaten.

Tweede matroos: Maar vrouw, er mochten toch geen mannen mee, behalve diegenen die we onderweg oppikten.

Schipbreukelinge: Dat is niet waar, ik heb er zelf enkele gezien.

Tweede matroos: Niet in onze boot.

Schipbreukelinge: Maar in andere wel. Ach, ik had moeten smeken en aandringen. Maar ik heb slechts aan mijzelf gedacht, niet aan mijn arme vader, die gans zijn leven voor mij gezorgd heeft. Ik mag niet verder leven.

( Ze loopt terug naar de reling en wil zich naar beneden storten)

Navigatieofficier: Misschien heeft uw vader een plaats in een andere boot gevonden.

Schipbreukelinge: Ooh, als dat zou kunnen ! (Ze staart over de zee uit)

Tweede matroos: ( stil tot de Navigatieofficier) : U moet haar geen valse hoop geven.

Navigatieofficier: Ik kon niets anders bedenken.

Stem van op de uitkijk: Mensen met zwemvesten, tussen de ijsschotsen !

Tweede matroos: Zo zijn wij er honderden tegengekomen. Ze zijn al lang bevroren en drijven dood rond.

Kapitein: Zet alle reddingsboten uit ! Misschien vinden we er nog levende tussen.

Tweede matroos: Kapitein, kunt u mij gebruiken ?

Kapitein: Ja ! Jij kent de situatie het best. (Tot enkele matrozen) Volg hem ! (Tweede matroos af)

Navigatieofficier: Een vlot legt aan ! Met vijf mensen ! Eén ervan ligt ! Hier - de ladder !

( Hij gooit het touwladder naar beneden)

Mary (komt omhoog geklommen): Mijn vader ... hij is totaal uitgeput ... ademt nauwelijks ... wij hebben een berrie nodig om hem omhoog te halen.

Navigatieofficier (roept): Draagberrie !

Mary: Ik heb schrik dat hij in mijn armen sterft.
( Een draagberrie met dekens en kussens wordt gebracht en neergelaten. Dokter Brugh en Herbert komen langs touwladders omhoog, tussen hen Professor Fisher. Aan alle kanten helpende handen.)

Professor Fisher (op het dek, richt het hoofd op en kijkt rond): Gered ? Dan is het goed.
( Hij laat het hoofd vallen en sterft.)

Dokter Brugh: Dood ... zonder doodsstrijd !

(Terwijl Herbert en Mary naast het lijk van hun vader neerknielen, richt de Navigatieofficier zich terug tot de Schipbreukelinge)

Navigatieofficier: Zie, lieve vrouw, ook zij hebben hun vader verloren. Maar zij klagen niet.

Schipbreukelinge: Zij hebben geen schuld zoals ik. Zij hebben hem meegenomen, ik liet hem achter. Mij kan niemand helpen. ( Haar kermen doet Herbert en Mary opkijken)

Herbert: Mary, zolang wij kunnen troosten, gaan we niet troosteloos zijn.

Mary: Ja, trooster zijn ! Laat het ons proberen zoals vader het zou gewild hebben. (Zij nadert de vrouw) Vertel mij je verdriet.

Schipbreukelinge: Ach, was het maar verdriet ! Maar het is zonde.

Mary: Lijden is zonde wanneer het geen mede-lijden is.

Schipbreukelinge: Mede-lijden, dat was juist wat mij ontbrak.

Mary: En als het dat was wat je tekort kwam, moet je het daarom ook in de toekomst niet hebben ? Vele ouders hebben hun kinderen verloren, vele kinderen hun ouders. Er is hier genoeg mede te lijden.

Schipbreukelinge: En de zonde ?

Mary: Die vermindert wanneer men het leed van anderen op zich neemt.

Stem van op de uitkijk: Schipbreukeling in zicht ! Zeer dichtbij !

Kapitein: Hij duwt een koffer voor zich uit !

Herbert: Dat is een doodskist !

Mary: Geen doodskist, maar een wieg. Ziet, er ligt een kind in !

Uitroepen der passagiers: Een kind, een kind, een kind !

(Het wordt doorgezegd) ( Mensen komen op het dek gelopen)

Navigatieofficier: Hierlangs !
( De touwladder wordt naar beneden geworpen)

Ohm (komt tevoorschijn met een kind op de arm): Ik ben nat, het kind is droog. - Wie wil het overnemen ?

Allen (strekken de armen uit): Ik - Ik - Ik ...

Ohm (ontwaart Mary en Herbert): Herbert, Mary !

Mary: Geef het aan ons ! (Ze neemt het op de arm)

Herbert: Kijk, het lacht !

Dokter Brugh: Een wonder: de zuigeling in de mummiekoffer !

Ohm: Was het maar niet zo'n droevige zaak !

Directeur ( van op de commandobrug, waar hij alles uiterlijk onbewogen, maar innerlijk geschokt geobserveerd heeft): Vertelt u !
( Allen kijken bevreemd en onwillig naar hem omhoog)

Ohm:    Het laatste ogenblik van de Titanic ....
De Kapitein en ik, wij stonden beiden op de commandobrug, juist zoals u daarboven staat, mijnheer Directeur, tot ook de voorsteven, die tot dan steil omhoog stak, begon te kantelen. Toen ... waagde ik de sprong. De Kapitein bleef staan. Hij riep: de Titanic verlaten ? Nooit ! Een reddingsvest heeft hij niet aangetrokken ! Ik zwom in razende vertwijfeling weg, vele honderden verdronken rond mij. Ik zag, toen ik omkeek naar het schip, een moeder geknield voor de sarcofaag om een wieg voor haar kind te maken. Toen zonk ze weg in het water !

Mary: Arme moeder !

Ohm: De vader is ook dood. Neergeschoten toen hij anderen wilde redden.

Herbert: Arme vader !

Directeur: En toen ?

Ohm: Geschiedde het wonder dat ik mocht redden en zelf gered werd ... door het kind.

Mary: O Herbert, voel zijn handje, is het niet als een rozenknop die opengaat ?

Herbert: O Mary, kijk, op het ronde voorhoofdje is zijn hemelse afstamming af te lezen !

Mary: Misschien werd het ons van ginds gestuurd.

Herbert: Door de trooster, om je rouw weg te nemen.

Mary: Door ons eigen kind, denk je niet ?

Herbert: Door zijn eigen ouders, zeer zeker !

Mary: Hoe heet het kindje dan ? Weet niemand het ? Het kindje zelf is nog te klein om het te weten. O, het lacht naar mij alsof het mij al lang kent. - Herbert, ik wil je iets zeer belangrijk vragen.

Herbert: Ja Mary ?

Mary: Zouden we het kindje niet met onze namen kunnen benoemen ?

Herbert: Het het onze noemen, Mary, ja !

Mary: O dank.

Herbert: Dank aan het kind, dat het ons opnieuw verenigt !

Mary: Wij willen het nog hier op zee dopen. Kapitein, kan de doop hier plaatsvinden ?

Kapitein: Een scheepsdoop, ja.

Schipbreukelinge (spontaan): Dan zou ik meter willen zijn !

Kapitein: Welaan, laat ons het feest voorbereiden !
( de Kapitein, Mary, Herbert, Ohm, de Schipbreukelinge, die het kind bij zich neemt, met enkele vrouwen gaan af)

Dokter Brugh (met een blik op de Directeur): Onvoorstelbaar hoe de man daarboven staat, met zijn ijskoud hart, als de ijsberg. - Hoe staan de aandelen nu, mijnheer Directeur ?

Directeur: De aandelen ? De koers van de aandelen ... die hangt af van de geest  ...

Dokter Brugh: Hij rekent nog.

Directeur: En niet de geest van de koers van de aandelen.

Dokter Brugh: Vervloekt, nog altijd aan 't speculeren, met dit zeekerkhof voor hem, en een voorsmaak van de warmtedood der ganse mensheid.

Directeur: Het speculeren is gedaan. De koers is nul. Ik heb meer verloren dan jullie allemaal !

Dokter Brugh: U bent als levende reeds een kadaver. Slechts één ding kan u bewaren voor de zieledood - die erger is dan dit watergraf: u moet zelf redder worden, voor levenden die gevaar lopen in de ziel te sterven, zoals u, die een tweede dood zouden sterven !

Directeur: Ik weet het ! Ja, het kompas wijst naar daar (hij wijst naar boven). Ik moet een schip bouwen voor de mensen die in hun eigen leven schipbreuk hebben geleden, met geestelijke reddingsboten die deugen, met brandblusinstallaties voor de zielen, noodzenders voor het lot en alarmen voor innerlijke katastrofes - de koers naar God ! Bemanning die de weg daarheen kent, die beter is dan ik, die kan troosten, die andermans schuld op zich wil nemen, die van de doden verzoening leert ! Ik roep jullie, vrienden, als mijn leraren. Een leerling wil ik zijn op dat schip. Scheepsjongen voor mijn part.
( Tot zijn vrouw die aan zijn zijde treedt) Zie je die liever dan de Directeur ?

Vrouw van de directeur: O veel liever, veel liever.

( De Kapitein met Mary, Herbert, Ohm, de schipbreukelinge, die het kind draagt, en de vrouwen komen terug)

Kapitein: Welaan de doop kan voltrokken worden. Peter ben ikzelf volgens oude traditie. Wie gaat echter het plechtig ambt opnemen ?

Mary: De redder die ons het kind geschonken heeft.
(Ohm treedt voor het doopgezelschap)

Kapitein: Zeg hem de naam.

Herbert en Mary (tegelijk): Christoph !

Ohm (doopt het kind): Christoph Fisher !
Ik doop je in de naam van Jezus Christus die zei: vooraleer jullie niet geboren worden uit levenswater en uit geesteslucht, kunnen jullie niet in het Rijk Gods geraken.
Jullie, ouders, peter, meter, vrienden, allemaal, help opdat dit kind een Christus-drager worde.

(Het boordorkest van de Karpathia begint een choraal te spelen)

Directeur (intoneert): Laat ons een schip voor volgelingen van Christus bouwen,
Om uit te varen, om Zijn aangezicht t' aanschouwen,
Voor mensen in de wieg en in de kist
En voor de zaligen in de zonnebark.

Het anker als kruis, de geest het roer !
Bemanning: jij, o zuster, jij, o broer !
De passagiers, zonder of met schuld,

blijven steeds in de Verlossers genade.

Allen (omarmen elkaar en vallen in): Het anker als kruis, de geest het roer !
Bemanning: jij, o zuster, jij, o broer !
Wij passagiers, zonder of met schuld,
blijven steeds in de Verlossers genade.

( De eerste stralen van de opgaande zon vallen op het schip)

*************************************
.

Der Kampf um die Menschenform

Der Weise deutete das Totenbuch.
Du schauest rückwärts Tausende der Jahre,
der Rätselbilder Folge : Heil und Fluch.
Es lag die Mumie auf der Löwenbahre,
Gewickelt war sie in bemaltes Tuch,
Bewacht von einem geisterhaften Paare.

Am Haupt der Vogel trug ein Fraungesicht
und Mannsgestalt der Schakal zu den Füßen.
Dann führten sie die Seele zum Gericht,
sie sollte vor der Totenwaage büßen.
Du sahst der Schalen schwebendes Gewicht.
Ein Sonnenaug mit Fittichen sie grüßen.

Doch in der Tiefe wuchs die Finsternis,
und wo die Seele ihren Leib verlassen,
beherschten Tode die Geburten, bis
der Kampf begann, das Götterbild zu fassen,
von dem die Menschenform ein Schattenriß.
Die Engel lieben, die Dämonen hassen.

Jetzt aber geht es drunten um das Sein.
Die Göttersphären haben sich verschoben,
und was der Seele Segen war, ist Pein.
Rebellen, die im Himmel sich erhoben,
sie traten in das Erdenleben ein.
Und Menschenherzen stehn voor neuen Proben.

Es muß der Stoff zersprühn, damit das Bild
der Gottheit, eingeprägt dem Menschenwesen,
im Urstand leuchte. Siehe, wie so mild
der Herr des Schicksals schaut, der dich erlesen,
mit Lebenswasser deine Seele stillt.
An diesem Trank sollst du vom Tod genesen.

Nun aber siehst du einen andern Geist,
der trachtet, daß er deine Formenreste
der Himmelsheimat wiederum entreißt
und einverleibt in seiner eignen Feste.
Du siehst wie er im Dunkelfeuer gleißt.
Auch er hat seine Speise fur die Gäste.

Es ist das Gift der Völker, das den Tod
der ganzen Menscheit bringt. Du hörst ihr Wehe,
und du erkennst, vom Weltenbrand umloht,
den Antichrist, der will, daß untergehe
der Mensch, der liebt, im Blute, das verroht.
- Da rufst du Christus an: Ich auferstehe !



Rudolf Steiner over het oude Egypte.

Naar het thuisblad.