Inhoudstafel van Brug 133 ( september 2026)
Het jonger worden van de mensheid De geestelijke leiding van de mensheid Christian Rosenkreutz - meditatie Kunstmatige intelligentie en etherische zicht 500 jaar droogtes in Frankrijk
* * * * * * * * * * * * * * * Beste Lezer,
September is de maand om wat aandacht te besteden aan onze taak als Michaëldieners.
In deze Brug vindt u achteraan een lang artikel over de zogezegde klimaatverandering.
Wij antroposofen kennen deze geest, wij weten wat zijn bedoeling is en we weten dat hij het is die al de mensen inspireert die ver van iedere christelijke spiritualiteit staan.
Zoals we tijdens de covidperiode konden vaststellen heeft deze leugengeest zijn tentakels al over heel de wereld uitgespreid en heeft hij alle grote mediakanalen onder controle. Daardoor kan hij de argeloze bevolking verleiden om op een bepaalde manier te denken en te reageren.
François De Wit
Hoe toevallig : alle landen van de wereld warmen sneller op dan de rest ! * * * * * * * * * * * * * * *
Het jonger worden van de mensheid
“Ik heb u vorig jaar attent gemaakt op een merkwaardig gegeven in de ontwikkeling van de mensheid.
Daarna kwam de oud-Perzische tijd. Toen duurde het vermogen tot ontwikkeling niet meer zo lang, maar toch tot tegen het vijftigste jaar. In de oud-Egyptische tijd nog maar tot even voorbij het veertigste jaar.
En zo blijft de mensheid jonger worden. Bij het aanbreken van de vijfde na-Atlantische cultuurperiode in de 15de eeuw kon de mensheid slechts tot het 28ste jaar ontwikkelen en tegenwoordig zijn we zover gekomen dat een mens, als hij gewoon leeft volgens zijn natuur, nog maar 27 jaar oud wordt.
Terwijl in oude tijden de mensen tot op hoge leeftijd ontwikkelden, stopt bij de mens nu zijn gewone zielsontwikkeling op 27 jaar als hij niet in zijn ziel een innerlijke impuls opneemt om zich innerlijk verder te ontwikkelen.
Wakkere mensen als Mark Twain (1835 – 1910) hadden dit ook al vastgesteld !
In al deze dingen moeten wij inzicht krijgen, en die zaken moeten niet pessimistisch opgenomen worden, nee, ze moeten in ons de impuls wakker maken om een spirituele weg te gaan en in het innerlijke te zoeken wat de natuur ons niet meer kan geven.” In GA 196, de voordracht van 16 januari 1920 : “Wat betreft de leeftijd wordt de mensheid alsmaar jonger, dat heb ik al vaker uitgelegd. De oud-Indische mensen ontwikkelden zich tot in hun vijftiger jaren, de oud-Perzische tot in de veertig, de oud-Egyptische tot het einde van de dertiger jaren, de Griekse mensen tot het midden van de dertiger jaren.
Wij worden niet op die manier oud. Als wij ons geestelijk innerlijk niet zelf ter hand nemen, dan blijven we weliswaar leven, maar oud worden we niet; want oud worden in vroegere tijden betekende dat men tegelijk met de ontwikkeling van het fysiek-lichamelijke wijzer werd.
De Egyptenaren mummificeerden hun doden. De mensen van nu moeten niet gemummificeerd worden, ze wandelen tijdens hun leven als mummies rond en zijn alleen geen mummies voor zover ze het levende, geestelijke opnemen, dan wordt de mummie levend. Ja, de zaak heeft een zeer, zeer ernstige kant. Nu actief geesteswetenschap opnemen is tegelijk een uitdrijven van de ahrimanische geest uit de mensheid, is een verhinderen dat de mensheid bezeten wordt door het ahrimanisch-geestelijke.”
De reden voor dit jonger worden van de mens vinden we in de derde voordracht van GA 196 :
( …. )
Een oude wijsheid was toen uitgegoten over de mensheid. Vanuit deze wijsheid werd veel bekend gemaakt over de wezens die de natuur beheersen, over de krachten die in de natuur werken, maar zeer weinig over de mens zelf. De mens was nog niet tot zijn aards bewustzijn gekomen. Hij werd in feite nog altijd geleid door hogere machten. Hij kon wijs worden, maar het zelfbewustzijn, dat had hij nog niet. De Apollinische uitspraak “Ken uzelf” klonk als een verlangen van de mensheid, dat was iets wat door de leidende geesten in Griekenland naar de toekomst geroepen werd.”
* * * * * * * * * * * * * * * De geestelijke leiding van de mensheid
Notities uit de voordracht te Stuttgart op 28 november 1911 :
Eerste makrokosmische ontwikkelingsprincipe = Thronen of schematisch :
Bij de Aarde zijn onderaan met 1,2,3 enz. de wortelrassen aangeduid ( het begrip ‘wortelras stamt nog uit de theosofie, het heeft niets te maken met de huidige rassen en wordt meestal nu vervangen door : tijdvak -fdw), schematisch :
1. Polarische wortelras - herhaling van het Saturnusprincipe - Thronen Het Christus-principe ontwikkelt zich dus verder in de Jupitertijd en is pas volledig ontwikkeld rond het midden van de zesde, de Venusperiode. Pas vanaf het midden van de Atlantische tijd kan het Christus-principe als een eerste kiem werken. Bij de mens gebeurt dat door het aanleggen van een begin van een Ik-kiem. De eerste, directe, werkelijke inwerking gebeurde in onze tijd bij de openbaring op de Sinaï waar de Christus zich aan Mozes openbaarde onder de naam Jahwe of Jehova. Daarna vond de directe verbinding plaats van de Christus met de Aarde door de doop in de Jordaan en de drie jaar in de lichamen van Jezus van Nazareth. De Christus-impuls is dus tegelijk met de Ik-impuls in de mensheid ingestroomd. Vandaar dat de Christus het makrokosmische Ik is.
Het verder ontwikkelen van het 5de, 6de en 7de principe op Aarde kan dus maar als een soort voorvoelen innerlijk mogelijk zijn.
Er kan de mens geen hoger wezensdeel gegeven worden in het op het 4de makrokosmische principe opgebouwde fysieke lichaam. Pas op Jupiter krijgen we het vijfde en op Venus het zesde enz. Daarom bestaat in onze tijd, vergeleken met de Grieks-Romeinse tijd, zo iets als een innerlijke contradictie tussen geest, ziel en lichaam die altijd meer voelbaar gaat worden naarmate de ontwikkeling verder schrijdt. Deze contradictie kunnen met name sensitieve naturen nu reeds bespeuren. Bekijken we nu eens vanuit dit schema de tegenwerking van de Luciferische geesten. De Luciferische geesten komen uit een hogere hiërarchie dan de mens : de hiërarchie der Engelen, die echter met hun totale ontwikkeling op de Maan – waar ze hun mensheidsstadium doormaakten – achtergebleven zijn. Daarom zijn ze niet in staat om in hun verdere ontwikkeling een aansluiting te vinden aan het 4de makrokosmische principe. daartegenover staat dat ze op de Maan hun 4de en 5de principe reeds als een voorvoelen ontwikkeld hebben, maar nog zonder het 4de makrokosmische principe, zonder de Christus-impuls, die er toen nog niet was. Nemen we nu eens de ontwikkeling van zo’n Luciferische geesten die het op de Maan tot het 5de principe hebben gebracht. Die weten natuurlijk niets over het 4de makrokosmische principe, weten dus niets van de Christus. Het is moeilijk om dat in onze taal uit te drukken. Het is ongeveer zo : deze Luciferische geesten wenden zich als het ware naar de hogere goden die zich bezig houden met de ontwikkeling van de Christus-impuls in de mensheid en roepen hun toe : jullie kunnen de mens slechts het 4de principe geven; wij echter kunnen hem het 5de principe geven. – Dit is natuurlijk in feite iets hogers dat zij, net zoals wij dat nu in het 5de wortelras doen, als voorvoelend meegebracht hebben. Er ontbreekt echter het 4de makrokosmische principe, de Christus, van wie ze helemaal niets weten. Ze zijn dus op een bepaalde manier vroegrijp, lopen vooruit, maar niet in harmonie met de kosmos. De normale ontwikkeling is in hun ogen banaal, iets simpels waar zij zich hoog boven verheven voelen. En er zullen tijden komen waar door de macht van de hogere principes, het 5de of zelfs het 6de principe, de Luciferische geesten grote invloed zullen hebben op de mensen die in hun ban geraken. Is het niet zo dat wij dat vandaag al overal kunnen vaststellen ? In kunst en wetenschap enz., overal zien we een bepaalde vroegrijpe hogere ontwikkeling waaraan echter de innerlijke waarheidskern, de harmonie met het eeuwige schijnt te ontbreken. De aanvoerder van de geesten die op deze manier zes principes ontwikkeld hebben, die dus op de Maan zeer dicht bij hun voleinding gekomen zijn, deze aanvoerder is de Antichrist, die bijna niet te onderscheiden is van de Christus. Tegenwoordig is reeds het grootste deel van de mensheid in de ban van deze invloed der Luciferische geesten. Vandaar de noodzaak om nu alles te doen wat de mens op de Aarde alleen innerlijk kan ontvangen door meditatie. Vandaar de noodzaak van geesteswetenschap. In het begin van ons vijfde tijdvak, dus van het einde van de Grieks-Latijnse tijd, in de 13de eeuw, was de mensheid een korte tijd volledig afgesneden van ieder helderziend vermogen. Daarom werd toen een grote vergadering gehouden door de mensen met de grootste wijsheid, een college van twaalf mensen. Daar waren de zeven heilige Rishi’s die elk één van de zeven ontwikkelingstrappen van de Atlantische tijd belichaamden; vier andere wijzen belichaamden de eerste vier cultuurperiodes van de na-Atlantische tijd :
de achtste de oud-Indische tijd,
Deze Luciferische invloeden zijn zeer groot en zullen nog in belangrijke mate toenemen. Maar men kan volledig terecht van hen zeggen : de gewone mens merkt niets van de duivel, ook niet als die hem bij zijn kraag heeft.
De Luciferische invloed zal echter in de komende tijd al duidelijker worden.
Dat kan op de volgende manier gebeuren: je probeert je het beeld voor de geest te halen van de grote leraar van de moderne tijd, Christian Rosenkreutz temidden van zijn twaalf, de Gautama Boedha wegzendend het heelal in, in het begin van de 17de eeuw, consequent datgene vervullend wat ongeveer in de zesde eeuw v.C. is gebeurd door de prediking in Benares.
Als dit beeld ons in heel zijn betekenis voor de geest staat, als we voelen hoe van dit beeld dat een verpletterende indruk maakt, iets zodanig uitgaat dat zich aan de ziel de volgende woorden ontworstelen: o mens, gij zijt niet alleen maar iets aards, gij zijt een kosmisch wezen ! - dan mag je gerust geloven: ik kan een leerling worden die ernaar streeft Christian Rosenkreutz te volgen.
Dit beeld, dat de verhouding van Christian Rosenkreutz tot Gautama Boedha schildert, is belangrijke stof tot meditatie. Dat wilde ik in uw ziel tot leven wekken als een uit deze beschouwing voortkomend streven. Want we moeten steeds voor ogen houden:
.
Voor de ziel bestaat een zeer belangrijk gegeven : zolang wij leven kunnen wij iets in onszelf veranderen, maar tussen dood en nieuwe geboorte kunnen we dat niet meer. ( ... )
Maar de levende heeft wel de mogelijkheid om invloed te hebben op het bestaan van een overledene. Nemen we bvb. het volgende geval : twee mensen die van elkaar houden hebben elk een totaal andere ingesteldheid t.o.v. de geesteswetenschap; de ene is overtuigd, de andere wijst het af. Tussen beide zielen is dan oppositie. Als er bij de mens sprake is van vrijheid van wil dan is dat omdat in de menselijke ziel het Ik-bewustzijn veel diepere wegen gaat dan het astrale bewustzijn, zodat men vaak in het diepst van zijn ziel verlangt naar hetgeen men vanuit zijn bewustzijn haat. Hoe kunnen wij een overledene helpen ?
In de Kamalokatijd vergroot de ethervorm van de mens alsmaar meer en meer tot hij de grens bereikt van de baan van de Maan. Alle mensen zitten in die zelfde ruimte die door de baan van de Maan omschreven wordt, zonder elkaar te verdringen, ze delen dezelfde ruimte in de Kamalokatijd.
In een volgende periode deinen wij ons wezen zo uit dat we de grens van de baan van Venus bereiken. Wie niet religieus was, wie niet iets eeuwigs, goddelijks in zich opgenomen heeft, wie in de Mercuriustijd niet tot andere mensen ziele-geestelijke betrekkingen kon hebben, die zal ook in de Venustijd eenzaat worden, terwijl wij ook daar gezellige wezens zijn als we in de Mercuriustijd met gelijkgestemde zielen samen waren, religieuze warmte voor elkaar hebben gekoesterd. Atheïsten worden eenzaten in de Venustijd. Monisten zullen in de eigen ziel opgesloten blijven zodat de ene de andere niet kan bereiken.
Eenzaat zijn wil zeggen : een gedempt bewustzijn hebben dat niet openstaat voor de ander. Een gezellig mens zijn : een klaar bewustzijn hebben dat in de ander kan doordringen. Natuurlijk stijgt de mens sowieso altijd hoger op in de sterrenwereld maar hoe doffer hij een gebied beleeft, hoe sneller hij door de tijd raast en daardoor komt hij vlugger tot reïncarnatie, bvb. mensen die als booswichten of als idioten geleefd hebben. Hoe klaarder daarentegen het bewustzijn in de sterrenwereld is, hoe trager de ziel terugkomt voor een incarnatie. Men moet daarbuiten in de kosmos al behoorlijk bewust geworden zijn om later uw fysieke hersenen te kunnen vormen. De volgende toestand is die van Zonbewoner. Dat gebeurt zo’n 100 jaar na de dood. In de Zontijd kan men de mogelijkheid hebben om een bepaalde relatie tot alle mensen te verkrijgen. Als een mens zich heeft opengesteld voor de Christus-impuls, dan is zijn ziel open voor allen. Sinds het Mysterie van Golgotha heeft plaatsgevonden, kunnen wij ons met de Christusimpuls verbinden, de grootste geestelijke kracht. Wie echter de Christusimpuls niet heeft opgenomen, die blijft ook in de Zontijd een eenzaat. We moeten nog op iets anders attent worden. Als de mens in de Maantijd met zijn aura voor een helderziende zichtbaar wordt, dan ziet deze laatste dat in het geweldig uitvergrote etherlichaam een kern is die in een wolkachtige aura is gehuld. Die is langs alle kanten even donker en blijft ook nog zo tijdens de Mercuriustijd. In de Venustijd treedt aan de ene zijde van de wolk een belichting en als we dan als helderziende de mens beschouwen, dan vinden we dat de mens van dat ogenblik af – als hij een morele, religieuze mens was – betrekkingen kan hebben met wezens van hogere hiërarchieën. Als de mens een goede mens was, dan leeft hij in de Venustijd met hogere wezens in een geestelijk contact; was hij niet goed dan kan hij deze wezens niet herkennen en veroordeelt zichzelf tot de kwelling, de pijn van het geïsoleerd zijn. Vóór het Mysterie van Golgotha, in de eerste cultuurperiode van de na-Atlantische tijd, was het zo dat men op de Zon als hemellichaam als het ware de troon van Christus kon zien. Zij die in hun leven goed waren troffen in het gebied van de Zon de wezenheid van Christus aan. Tijdens de Zarathoestra-tijd was de Christus reeds op weg naar de Aarde en men kon Hem op de Zon niet vinden. Sinds het Mysterie van Golgotha is de Christus met de Zon verenigd. Als de mensen op Aarde niet openstonden voor de Christusimpuls dan kunnen ze tussen dood en nieuwe geboorte de Christus niet vinden.
Als men dan Zonbewoner is geworden en doorweven is met de Christus-impuls dan staat men tegenover een massa feiten die wij aanduiden als de Akasha-kroniek van de Zon. Heeft men op aarde de Christus niet gevonden, dan kan men op de Zon niet de Akasha-kroniek lezen. Wij kunnen deze schrift leren lezen als wij op Aarde met een warm hart het Mysterie van Golgotha opgenomen hebben; dan leren wij op de Zon lezen wat de Christus sinds miljoenen jaren op de Zon heeft gedaan. Volgens de huidige omstandigheden zijn wij sterk genoeg om Zonbewoner te kunnen worden. De rol van Lucifer Tot aan de Zon-tijd hebben wij de Christus als leidsman. Van daar af hebben we een leidsman nodig die ons vanaf de Zon verder in de kosmos te leiden heeft. Nu treedt Lucifer aan onze zijde. Als wij in het fysieke leven in zijn ban geraken, dan is dat erg, maar als wij op Aarde het juiste begrip hadden voor de Christus-impuls, dan zijn wij op de Zon sterk genoeg om ook Lucifer zonder gevaar te volgen. Hij zorgt van daar af voor de innerlijke ontwikkeling van de ziel, zoals Christus aan deze kant van de Zon voor ons opstijgen tot daar heeft gedaan. Hebben wij ons de Christus-impuls op Aarde toegeëigend dan is op de weg naar de Zon de Christus de bewaarder van de ziel. Buiten de sfeer van de Zon is Lucifer de leidsman naar het kosmische wereld-Al; daarbinnen is hij de verzoeker. Zijn wij tot aan de Zon-tijd voorzien van de Christusimpuls, dan leiden ons Christus en Lucifer als broeders. Hoe zeer verschillen toch dezelfde woorden wanneer ze door Christus of door Lucifer uitgesproken worden ! Als een wonderbare aansporing het woord van Christus : “In jullie leeft de goddelijke vonk, jullie zijn goden.” - En Lucifers grote verzoeking : “Jullie zullen als goden zijn.” Dat zijn twee dezelfde uitspraken maar wat een geweldige tegenstelling ! Alles hangt ervan af waar de mens hier staat : aan de kant van Christus of aan de kant van Lucifer. Geesteswetenschap laat ons de wereld in belangrijke mate begrijpen. Wij moeten in onze fysieke incarnatie iets van inzicht tot ons laten komen. Wij moeten ons door geesteswetenschap op de Aarde een begrip van Christus en Lucifer eigen maken, anders kunnen wij niet bewust in de wereldruimte opstijgen (na de dood). Nu begint de tijd op Aarde dat de mensen bewust moeten kunnen onderscheiden of het Christus of Lucifer is die na de dood woorden in onze ziel laten klinken. Wij moeten in het leven tussen geboorte en dood Christus op de juiste manier leren verstaan opdat wij niet slapend vanaf de Zontijd door de wereldruimte moeten dwalen. Ook wat betreft de kleinere dingen van het leven moeten wij op de geesteswetenschap terugvallen. Alsmaar meer zal duidelijk worden welke levenskrachten er kunnen verworven worden tussen dood en nieuwe geboorte. Mensen zullen geboren worden met verdorde lichamen omdat zij zich door hun afwijzen van de geesteswetenschap niet voorbereid hebben om uit de kosmos krachten te halen. De mensen moeten alleen al ter wille van de Aarde-ontwikkeling begrip krijgen voor de geesteswetenschap, te weten : vóór dit leven was je in een geestelijke wereld – dat zal de mensen, als ze zich opengesteld hebben voor de geesteswetenschap, gelukkig maken. “De sterrenhemel boven mij, de morele wet in mij” – dat maakt de wereld pas groot. De mens zegt bij zichzelf : dat wat mijn innerlijk leven is, dat heb ik opgenomen in de sterrenwereld; dat wat ik de wereldruimte ervoer, dat licht nu op in mijn ziel; ge hebt slechte driften in uw ziel omdat ge tijdens het leven tussen de sterren niet gepoogd hebt de om sterrenkrachten op te nemen en de geestkracht van Christus. Nu moeten we leren verwant te worden met de makrokosmos. Tegenwoordig kan de mens slechts aanvoelen en vermoeden wat tussen dood en een nieuwe geboorte gebeurt. Hij voelt : in het Aardebestaan leeft ge in de ziel en in uw geest bewaart ge de krachten van de sterrenhemel. – Als de mens op de juiste wijze meditatief deze uitspraak als voorstelling levend maakt, dan wordt die in hem een kracht die van immense betekenis is.
* * * * * * * * * * * * * * * Antroposofie en monotheïsme
Vooral diegene die bijzonder progressief denkt te zijn in zijn christelijke wereldbeschouwing, zal al gauw zeggen dat die onderscheiding van de geestelijke hiërarchieën en hun wezens een terugval is in een oud polytheïsme of, zoals men dat noemt, in een soort heidendom. Want, zo zegt men, het is toch juist de opgave van de mens van onze tijd om tussen zichzelf en de godheid niets te plaatsen, maar in de
wereld te leven, de ogen te richten op wat zich zintuiglijk manifesteert en dan de directe weg naar de godheid te vinden, zonder bemiddeling van engelen, aartsengelen enzovoort. En velen zien dat als iets buitengewoon verhevens, om zo zonder bemiddeling, zoals zij dat noemen, tegenover hun God te staan.
Deze tegenwerping tegen de geesteswetenschap kan men tegenwoordig van veel kanten horen, en ze laat zien dat juist in de kringen waarin ze wordt geuit absoluut geen inzicht bestaat in de vraag wat de geestelijke behoeften van onze tijd nu eigenlijk zijn. Want het gaat er waarachtig niet om of een mens zich verbeeldt dat hij de weg kan vinden van zichzelf naar zijn God, maar of hij dat in werkelijkheid kan. Het komt er werkelijk niet op aan of de mens zich verbeeldt dat hij zich zijn God voorstelt, het komt erop aan of hij hem zich werkelijk voorstelt. En van ons gezichtspunt uit moeten we vragen: wat stellen zij zich in feite voor, diegenen die zich hun God voorstellen, zeggend: wij willen niets weten van een bemiddeling door andere geestelijke wezens, maar wij willen direct vanuit onze ziel opstijgen tot God — wat stellen zulke mensen zich voor? Stellen zij zich werkelijk God voor als ze over God denken of spreken ?
Wanneer men alle begrippen doorloopt die zulke mensen zich van hun God maken — wat komt er dan in zulke begrippen naar voren? Niets anders dan het wezen van een engel, een angelos, en al die mensen die zeggen dat zij vanuit hun ziel direct tot God opzien, zien slechts naar een engel op. En zoekt u ze maar op, alle beschrijvingen die zulke mensen gegeven hebben, ook al klinken ze nog zo verheven, dan zult u zien: zij beschrijven niets anders dan een engel; wat deze mensen tot uitdrukking brengen is niets anders dan de eis dat men zich onder God niets hogers moet voorstellen dan een engel. Wat men bijvoorbeeld tegenwoordig de moderne protestantse God noemt en waarover juist van protestantse zijde zo veel gesproken wordt, is een angelos, een engel, en niets anders. Want van belang is niet of men zich inbeeldt dat men de weg tot de hoogste God vindt, het gaat erom waartoe men werkelijk de weg vindt. En op deze wijze vindt men alleen de weg tot zijn engel. Ik zeg: tot zijn engel, want dat is belangrijk.
Als we namelijk om te beginnen alleen de wezens van de laagste hiërarchieën beschouwen: archai of geesten van de persoonlijkheid zoals wij ze ook hebben genoemd, archangeloi of aartsengelen, angeloi of engelen, dan komt daarna de mens, dan het dierenrijk, dan het plantenrijk en dan het minerale rijk.
Daaronder vinden wij dan de wezens die we archangeloi noemen. Zij zijn ertoe geroepen de harmonie tussen de mensen op aarde tot stand te brengen Daardoor zijn zij in zeker opzicht ook de leiders van de volksstammen.
Dan komen we nog een trap lager bij de mens zelf. De mens zoals deze nu op aarde is, omvat in zijn herinnering alleen zijn leven hier in zijn fysieke lichaam. De herinnering van de engelen gaat veel verder, want alleen daardoor kunnen zij de herhaalde mensenlevens op aarde sturen en leiden. Zoals de moderne theoloog zich zijn engel voorstelt is dus niet eens juist, omdat de moderne theoloog deze eigenschap van de engel weglaat, dat hij de menselijke individualiteit door de herhaalde levens op aarde leidt. Als wij in aanmerking nemen dat wij pas op het moment dat we tegenover de aartsengelen staan, te maken hebben met wezens die menselijke gemeenschappen besturen, en bij de tijdgeesten met wezens die die menselijke gemeenschappen gedurende langere tijdperken besturen, dat wij bij de engelen te maken hebben met wezens die hoofdzakelijk het leven van de afzonderlijke mens bestieren, dan zullen we niet ontkennen, als we dat alles in het oog houden, dat het een verborgen vorm van
egoïsme van de mens is zich direct tot God te willen verheffen, want de mensen willen zich in werkelijkheid — al geven ze dat niet toe — alleen maar tot hun god, tot hun eigen engel verheffen.
Dat heeft een grote praktische betekenis, dat is van groot belang, want het draagt een bepaalde kiem in zich. De werkelijkheid is dat de mensen wel van de ene God spreken, maar dat dat slechts een drogbeeld is. Want terwijl de mensen zich aan dit drogbeeld overgeven, spreekt ieder van zijn eigen god, namelijk van zijn engel. En het gevolg daarvan moet zijn dat na verloop van tijd ieder mens zijn eigen god, namelijk zijn eigen engel aanbidt. En we zien nu al hoe sterk die drang van ieder mens is om zijn eigen god te aanbidden.
Daar ligt een zeker verborgen egoïsme aan ten grondslag, dat de mensen niet willen toegeven. Maar het is belangrijk als we ons dit voor ogen houden, want de mens leeft eigenlijk in een onwaarheid als hij zichzelf niet bekent: ik zie op tot mijn engel, maar zichzelf wijsmaakt: ik zie op tot de alomvattende ene God. Hij leeft in een mistige voorstelling, dat wil zeggen in een innerlijke begoocheling, in een innerlijke maya.
En dat heeft belangrijke gevolgen, want doordat de mens zich laat meeslepen door deze innerlijke begoocheling, gebeurt er iets heel specifieks. Want door het feit dat wij ons door waanvoorstellingen laten meeslepen, veranderen wij de geestelijke werkelijkheden niet, die ten gevolge van wat wij ons juist of onjuist voorstellen, ook werkelijk ontstaan. Door slechts tot zijn engel op te zien, zich dit echter niet te willen realiseren, maar te geloven dat hij tot God opziet — terwijl hij niet eens bij een aartsengel uitkomt — door deze onware voorstelling verdooft de mens in zekere zin zijn ziel. Deze verdoving van de ziel is tegenwoordig alom aanwezig. Maar als men zijn ziel verdooft, dan is dat voor de huidige ontwikkeling van de mens buitengewoon rampzalig. Want door die verdoving van de ziel wordt het Ik omlaaggedrukt en beneveld, en dan sluipen andere machten, die er niet in werkzaam mogen zijn, de ziel binnen. Dat wil zeggen, in de plaats van de engel die men aanvankelijk wilde aanbidden, die men echter omdoopt tot 'God' , sluipt de luciferische angelos binnen, en op den duur aanbidt men niet zijn engel maar de luciferische angelos. Dan echter is het hellend vlak dat de mens omlaag trekt zeer nabij; dan scheelt het niet veel of hij verloochent God helemaal, dat wil zeggen zijn engel hetgeen altijd samenhangt met de verloochening van het ware menselijke Ik. ( … )
Wij moeten dus goed inzien dat in veel opzichten het volgende antwoord moet worden gegeven op de vraag wie er schuld draagt aan het materialisme van onze tijd: de godsdiensten dragen schuld, de religieuze overtuigingen, doordat zij het bewustzijn van de mens vertroebelen en in de plaats van God een engel stellen, in wiens plaats dan weer de luciferische engel treedt, die met hem samenhangt.
Als we dit bedenken, zien we een belangrijke samenhang: door de verkeerde duiding die een engel tot God maakt, ontstaat in de mensenziel de hang naar het materialisme. En daaraan ligt een onbewust egoïsme ten grondslag, dat erin tot uiting komt dat de mens het versmaadt zich op te werken tot kennis van de geestelijke wereld; dat ook tot uiting komt in het feit dat de mens meent als het ware alleen vanuit zichzelf, zonder bemiddeling, de verbinding tot zijn God te kunnen vinden. U krijgt een inzicht in veel dingen die in deze tijd gaande zijn als u onder ogen ziet wat ik u hier heb aangeduid. Er bestaat maar een enkel middel tegen de verkeerde duiding van God, en dat is het erkennen van de geestelijke hiërarchieën. Want dan weet men ook dat de tegenwoordige geloofsovertuigingen niet hoger komen dan de hiërarchie van de angeloi.
Als wij dit op deze wijze bezien, bewegen we ons min of meer op het niveau van wat de mens ontwikkelt als zijn bewustzijnsleven; maar veel leeft ook in de mens onbewust, of ten dele bewust. En wij kunnen nu zeggen: de verbinding van een mens met zijn engel is een realiteit, maar de verbinding van een mens met de aartsengelen-hiërarchie en met de archai-hiërarchie is evenzeer een realiteit. De min of meer bewuste verkeerde duiding van de engel leidt ook min of meer bewust tot de wereldbeschouwing van het materialisme; niet bij de afzonderlijke mens, maar als een geleidelijke ontwikkeling in de loop van dit tijdperk. Dat is iets wat zich wel degelijk nog bewust in de ziel afspeelt. Maar gaat het om de verhouding van de mens tot de aartsengel-hiërarchie, dan bevinden wij ons al niet meer in een gebied waarover de mens veel weet, waarover hij soms wel veel spreekt, maar waarover hij weinig weet. Wij hebben tegenwoordig natuurlijk wel geloofsbelijdenissen die weliswaar niet aan de hiërarchie van de aartsengelen, maar heel vaak toch aan één aartsengel zijn gericht, geen duidelijk uitgesproken geloofsbelijdenissen, maar een toeneiging, een gevoelsmatige toeneiging tot de een of andere aartsengel. In de negentiende eeuw is dat tenminste op één gebied buitengewoon productief geweest: in het opkomen van de nationaliteitsideeën; daaraan ligt onbewust ten grondslag een negeren van de samenwerking tussen de aartsengelen en een uitsluitende sympathie voor één aartsengel. Daaraan ligt eenzelfde soort egoïsme ten grondslag, maar dan een sociaal egoïsme, als aan de sympathie voor één engel.
Nu zou het natuurlijk voor de hand liggen om ook te beschrijven wat er in het kielzog van deze toeneiging, deze sociaal-egoïstische sympathie voor een aartsengel optreedt, net zoals op bewust niveau het materialisme optreedt in het kielzog van de verkeerde duiding van de engel. Maar daarmee begeef je je vandaag de dag op glad ijs, want dat is niet bepaald iets wat in onze tijd besproken kan worden.
Nog ondoorzichtiger zijn de relaties van de mens tot de archai, tot de tijdgeesten. Die liggen in zekere zin al heel diep verborgen. Tot de engelen hebben de mensen tenminste nog een bepaalde verhouding ook al geven ze dat niet toe, want wanneer zij zeggen: ik geloof in God, geven zij het op een verkeerde manier toch toe. Met de engelen willen de mensen tenminste nog in contact treden.
Dat voert op dwaalwegen die ik, zoals ik al zei, vandaag niet beschrijven wil, niet beschrijven kan.
Ook waar het de tijdgeesten betreft raakt men op soortgelijke dwaalwegen. Maar ook daar hechten de mensen zich gewoonlijk aan de ene tijdgeest die zich juist als de geest van hun tijdperk presenteert. Bedenkt u eens hoe wij trachten door de geesteswetenschap deze egoïstische, deze tijds-egoïstische uitingen tegen te gaan door de opeenvolgende tijdperiodes met hun typerende kenmerken te schilderen en op ons te laten inwerken, om als het ware ons hart en onze ziel uit te breiden over de hele aardeontwikkeling, ja, over de hele kosmische ontwikkeling, om daardoor, al is het voorlopig maar in gedachten, een verhouding te krijgen tot de verschillende tijdgeesten. Maar dat willen de mensen tegenwoordig niet.
Maar zodra we over die dwaalwegen in verband met de tijdgeest spreken, komen we al op gebieden die van buitengewoon belang zijn. Als de mens, door zijn engel tot 'God' om te dopen, in plaats van bij deze engel bij de luciferische engel belandt, dan is dat een misvatting van het geloof, een religieuze, een wereldbeschouwelijke dwaling die in zekere zin individueel is. Wat erop volgt kan een dwaling zijn van hele volkeren; maar het blijft altijd een dwaling om zo te zeggen onder mensen, en de gevolgen ervan treden gewoonweg als gevolgen van dwalingen onder mensen op. Maar als we nog verder komen tot bij de tijdgeest, en tegenover hem de verkeerde weg inslaan, dan raken wij met onze dwalingen aan de kosmos. En er bestaat een mysterieus verband tussen deze dwalingen tegenover de tijdgeest en de kiemen van wat de mens kosmisch als het ware op zich laadt. Dit verband ziet men niet, als men ieder perspectief voorbij de engelen afwijst. Wat ik nu zeg, mag ieder zo opvatten als hij kan. Het wordt gezegd vanuit de geesteswetenschap op grond van diepgaande onderzoekingen, maar ik zou maanden lang moeten spreken als ik al deze onderzoekingen in details zou willen weergeven.
De dwalingen die de mens tegenover de tijdgeest begaat, hebben hun weerslag op kosmische gebeurtenissen, en de kosmische gebeurtenissen hebben op hun beurt een weerslag op ons. En het gevolg van het feit dat er nu in het mensenleven kosmische gebeurtenissen ingrijpen, de aanzet althans van kosmische gebeurtenissen, is decadentie, decadentie tot in het fysieke lichaam, met andere woorden: ziekten en sterfelijkheid en alles wat daarmee samenhangt. En misschien zal de mensheid in een niet eens zo verre toekomst zich ervan bewust worden dat zij door veel van wat zij op het fysieke plan verricht, voor zover dit van dien aard is dat het tot de tijdgeest doorstoot, destructieve krachten in de aardeontwikkeling oproept, die zover gaan dat zij ziekte en dood teweegbrengen. Als u zich dan met de inzichten die u gewonnen hebt afvraagt of misschien veel van wat er in de jongste tijd gebeurt een dwaling kan zijn tegenover de tijdgeest, dan zult u zelf het antwoord kunnen vinden op grond van diepliggende verbanden die uitstralen tot in ziekte en dood, waardoor menige zonde die de mens tegenover de tijdgeest begaat wordt vereffend.
We weten allemaal heel goed dat de mensen van tegenwoordig, intelligent als ze zijn, alleen maar lachen wanneer zoiets wordt gezegd.
Voor een werkelijke levensbeschouwing, die in staat is het mensenleven te dragen, ontbreekt het onze tegenwoordige tijd aan ernst.
Want langs de weg van de gewone geloofsopvattingen wordt niet Christus gevonden, maar hoogstens een angelos, zoals we hebben gezien. Men kan zich gedragen zoals de mensen zich tegenwoordig gedragen, uit naam van de verschillende angeloi, zelfs nog van sommige aartsengelen — wanneer de luciferische de plaats hebben ingenomen van de vooruitstrevende — maar uit naam van de Christus kan men dit niet. Want het is een absolute onmogelijkheid, een feitelijke onmogelijkheid, dat twee mensen die vijandig tegenover elkaar staan, beiden volgelingen van Christus zijn. Ik geloof niet dat het moeilijk is dit in te zien, want het is om zo te zeggen een vanzelfsprekendheid. Het kan alleen op voorwaarde dat men wel de naam uitspreekt : 'Christus, Christus' of 'Heer, Heer' zoals de Christus het zelf heeft aangeduid — maar eigenlijk alleen de eigen engel bedoelt; maar men kan het niet als men werkelijk over de Christus spreekt.”
* * * * * * * * * * * * * * * Kunstmatige intelligentie en etherisch zicht
Door het gebruikmaken van moderne technieken wordt het in onze tijd op fysiek-materieel niveau steeds moeilijker om te beoordelen wat waarheid is, om een onderscheid te kunnen maken tussen wat werkelijk gebeurd is en wat kunstmatig gecreëerd is. Denkt u maar aan bijvoorbeeld photoshop en deepfake video’s, waardoor er beelden en berichten de wereld in komen waarvan het volstrekt onduidelijk is of
deze enige vorm van waarheid bevatten. Dergelijke beelden en berichten worden massaal voor propagandistische doelen gebruikt. ( …. )
Spiritueel gezien is er altijd sprake van een soort evenwicht.
Hoe voltrekt zich dit proces? Hoe komt het dat de etherstructuren van iets wat rechtstreeks uit de geestziel van de mens komt, afwijken van die welke door iets kunstmatigs worden voortgebracht? Voor de beantwoording van die vragen moeten we ons richten op de wereld van de levenskrachten, die tevens de wereld der natuurwezens is. Alle natuurwezens tezamen vormen het levenslichaam van Moeder Aarde.
Deze aardeschil van etherkrachten is tevens de plaats waar herinneringen worden opgeslagen. In esoterische geschriften wordt dit aangeduid als de Akasha-kroniek. Daarom hoeven natuurwezens niets te onthouden: wanneer zij iets uit het verleden te weten willen komen, dan hoeven zij alleen maar hun blik te werpen op dat deel van de etherwereld waarin die specifieke informatie is opgeslagen. Alles wat ooit
in de ether is afgedrukt, is voor hen direct aanschouwbaar.
De lineaire aardse tijd is in die eerste fase van het geestelijk bestaan tot sferische ruimte geworden. En in
die etherruimte is alles vastgelegd. Wanneer we dit gegeven nu koppelen aan ons verlangen om in de fysiek-zintuigelijke wereld aan informatiedragers de “waarheid” te kunnen aflezen, dan brengt ons dat bij iets wat door Marko Pogacnik in zijn boek "Evangelie van het hart" heel helder wordt verwoord. ‘Het verrassende daarvan is dat bij de ethervormen heel wat tot uitdrukking komt wat de fysieke vorm van het voorwerp niet is aan te zien. In de regel gaat het hierbij om sporen van bewegingen of om gevoels- en gedachtenkwaliteiten. Als bijvoorbeeld een kom vrij lange tijd is gebruikt om er iets in te roeren, dan zal die beweging in de ether vorm te ‘zien’ zijn, ook al wordt die kom al geruime tijd niet meer gebruikt. Als de kom, om het voorbeeld aan te houden, ook nog een rituele functie had, wordt zijn etherische gedaante door een bepaalde kwaliteit verrijkt’.
De ether heeft van zichzelf de kwaliteit van het opslaan, van het bewaren, en is dus bij uitstek geschikt
om te achterhalen wat de ontstaansgeschiedenis van bepaalde informatie is. Met andere woorden, door etherisch zicht – een verschijnsel dat steeds meer eigen zal worden aan onze tijd – zien wij de achtergrond van het voorwerp dat ons de informatie aandraagt, zien wij de energie waaruit het is ontstaan of waarvoor het is gebruikt. Daarom zal in de nabije toekomst alleen het etherisch zicht nog duidelijkheid kunnen brengen over de ontstaansgeschiedenis van bepaalde informatie, omdat de geschiedenis van die informatie ligt opgeslagen in de ether.
We kunnen dus de bron van waaruit bepaalde informatie afkomstig is, aflezen aan de etherstructuur van de betreffende informatiedrager. In het al genoemde boek van Marko Pogacnik wordt een voorbeeld gegeven van een Bijbeltekst die op een dergelijke manier etherisch wordt belicht. Daaruit blijkt dat zelfs vermenigvuldiging of vertaling van een Bijbeltekst, geheel los van de kwaliteit daarvan, aan de oorspronkelijke etherstructuren hoegenaamd niets kan veranderen.
Met de oorspronkelijke, zuivere en Goddelijk geopenbaarde Bijbeltekst verbond zich op het moment van ontstaan een natuurwezen, in dit geval een papierwezen. Toen in later tijd de tekst werd aangepast, wat vaak geschiedde vanuit menselijke motieven ter verkrijging van macht en hiërarchie, verbond zich met dit
zuivere papierwezen een gekleurde menselijke elementaal. In het fysieke lichaam beleven we slechts de uiterlijke schijnwereld mee; enkel en alleen met ons etherlichaam beleven wij datgene mee, wat de harmonie met de gehele kosmos teweegbrengt. De waarheid ligt derhalve verankerd in het etherlichaam, en wie het etherlichaam niet erkent kan nooit de vraag “waar bevindt zich de waarheid?” beantwoorden. – Hij kan slechts de vraag “waar bevindt zich de zintuigelijke schijn?” beantwoorden -, maar niet de vraag naar de waarheid. Want de zintuigelijke schijn, die zich in het fysieke lichaam bevindt, wordt pas in het etherlichaam omgewerkt tot waarheid. Zodat de vraag naar de waarheid slechts door diegenen beantwoord kan worden, die de totale inwerking van het uiterlijke object op zowel het fysieke als het etherische lichaam erkent’. ( …. )
Hoewel het etherisch zicht nog pas in zijn prilste staat van ontwikkeling verkeert, hebben al wel veel mensen een aanvoelend vermogen om het ware van het onware te onderscheiden. Het bewustzijnszieletijdperk ving aan in het begin van de vijftiende eeuw. Vandaag de dag zijn er nog steeds legio mensen die nog maar nauwelijks iets van hun astraallichaam tot bewustzijnszielekwaliteit hebben kunnen omwerken. En ook al is het nu aan de orde van de tijd, zo zal het toch nog lange, lange tijd duren voordat het etherisch zicht bij een mensengroep van enige omvang bespeurbaar zal worden. We moeten ons daardoor niet laten ontmoedigen: Rudolf Steiner heeft ooit gezegd dat een mens die er gedurende een lang leven in is geslaagd om slechts één kwalijke karaktereigenschap te louteren, te overwinnen of sublimeren, bij zijn overlijden een geweldig groots geschenk de geestelijke wereld binnendraagt. Nur wer strebend sich bemüht, den können wir erlösen. Spirituele ontwikkeling is een proces van lange adem en om bepaalde doelen te bereiken zijn soms meerdere incarnaties nodig. Maar de tijd waarin wij nu verkeren kan met al haar technische mogelijkheden wel een katalysator voor dat proces zijn; is dat ook al voor een toenemend aantal mensen. Want alleen door het ontwikkelen van etherisch zicht zal in de toekomst nog duidelijkheid te verkrijgen zijn over de achtergrond van een bepaald feit. Het herkennen van de “waarheid” wordt met andere woorden van het fysieke niveau langzaam overgebracht naar het etherische niveau. Over niet al te lange tijd zal het voor mensen zonder etherisch zicht niet meer mogelijk zijn om op fysiek-stoffelijk niveau te achterhalen wat waar is en wat niet. Er is dus een noodzaak aanwezig voor deze ontwikkeling! Het is tevens een opmaat naar een scheiding in het mensengeslacht, want vast blijven houden aan louter fysiek-stoffelijke kennisdragers, zichzelf afhankelijk maken van kunstmatige intelligentie, zal betekenen dat de betreffende mens zich afsnoert van de reguliere ontwikkeling die opwaarts streeft naar de wereld der levenskrachten. De mens houdt op te zijn. De zuiver materiële benaderingswijze zou voeren tot een planeet waarop Ahriman alleenheerser is en de mensen hem slechts slaafs zouden kunnen volgen op basis van kunstmatig gegenereerde en opgelegde processen. Dit is iets wat vanuit bepaalde zwart-magische kringen wordt nagestreefd, omdat daardoor immers een slaafse meerderheid tot dienaar van een kleine elite zou kunnen worden gemaakt. Omdat in deze zwart-magische kringen het bestaan van een geestelijke wereld ten volle bekend is, maar zij desondanks streven naar een afgesnoerd zuiver materieel bestaan, richten zij zich – hoe vreemd dat in eerste instantie ook moge klinken – in toenemende mate op de wereld der etherkrachten. Immers, als zij in staat zijn om deze te manipuleren, als zij erin slagen de automatisch werkende en uitvoerende natuurwezens alleen voor hun doelen in te zetten, die wezens feitelijk tot slaaf te maken, dan maken zij het de Christelijk georiënteerde mensheid, de andere lijn in de scheiding der geslachten, zeer moeilijk om zelfs in de etherwereld de waarheid aan de structuren te kunnen herkennen. Daarom moeten de krachten van de spiritueel strevende mens geschoold worden.
De mens moet werken aan de ontwikkeling van de bewustzijnsziel om zich de Christelijke waarheid eigen te maken. Door de ontwikkeling van de bewustzijnsziel en de door de voortschrijdende tijd bewerkstelligde vaardigheid tot etherisch schouwen, zal de mens van de nabije toekomst in staat zijn om dwars door photoshop, deepfake video’s en kunstmatige intelligentie heen de waarheid te herkennen. Of beter gezegd: hij zal in staat zijn om de ontstaansimpuls van de informatiedragers te zien en daarop zijn handelen kunnen aanpassen. Spirituele ontwikkeling is dus het enige antwoord dat wij kunnen geven op de vraag hoe wij tegenwicht kunnen bieden aan de massieve en enorm krachtige zwart-magische stromingen, die tot doel hebben om de hogere geestelijke werelden dienstbaar te maken aan de materieel-stoffelijke sfeer en techniek van de aarde. Etherisch zicht geeft de mens weer een middel om te controleren wat waar is. ‘Een werkelijkheidsgeest is het uiteindelijk, die bij alles wat hij denkt, weet hoe datgene wát hij denkt, samenhangt met datgene wat buiten in de wereld gebeurt’. Ook hier dus weer de nadruk op het van binnen en van buiten beschouwen van een bepaalde kwestie. Kunstmatig gegenereerde informatiedragers keren zich van buiten tegen deze van binnen werkende “Wirklichkeitsgeist” om te voorkomen dat mensen doorzien wat er werkelijk in de wereld gebeurt, of beter: wat er achter de schermen van het wereldgebeuren speelt. En wanneer door deze troosteloze situatie genoeg mensen de moed hebben opgegeven, of het eenvoudigweg uit een soort luiheid wel prima vinden dat zij zelf niet meer hoeven na te denken over grote kwesties, of verantwoordelijkheid hoeven te nemen voor de kennis die zij omarmen, dan geschiedt er nog wat anders: dan ontstaat er uit een massief collectivisme een astrale sfeer zonder grenzen! We hebben dat kunnen meemaken in de coronatijd: zelfs mensenrechten waren toen niet heilig meer. Astraliteit zonder de beheersing van een zelfstandig denkend hoger Ik, is volledig overgeleverd aan de vaak lagere impulsen van de valse informatiedragers óf aan de impulsen van hogere tegenmachten. ( …. )
Door de onbegrensde astraliteit veroorzaakt door de collectief omarmde, kunstmatig gegenereerde kennis, raakt nu ook het astrale omhulsel van Moeder Aarde besmet. In het tijdschrift "Der Europäer" van februari/maart 2025 verwoordt Thomas Külken het zeer raak, wanneer hij stelt dat wie afwijkt van het opgelegde narratief en wie de leugen van de valse informatiedragers ontzenuwt, zelf tot doel van de leugen wordt gemaakt: met zijn oer-eigen en zelfstandig geschapen gedachten wordt hij gedemoniseerd en als gevaarlijke brenger van valse informatie aan de schandpaal genageld. We hebben het gedurende de coronatijd voor onze eigen ogen zien gebeuren. Het zijn pogingen om het bewustzijn van een totale generatie met materialistische voorstellingen – onder meer verkregen uit kunstmatig gegenereerde intelligentie, zogenaamd ook statistisch en feitelijk onderbouwd – te manipuleren, waardoor de mens zijn ziels-geestelijke basis steeds moeilijker kan bereiken en begrijpen. De mens bindt zich door kunstmatig gegenereerde informatiedragers aan valse doelen en vertrouwt blindelings op de hierdoor verkregen “wetenschap”, waardoor zijn vrije wil steeds ondergeschikter wordt aan doelen van een machtige elite bestuurd door zwarte loges. Alleen spiritueel bewustzijn kan hiertegen een wapen zijn, omdat het hierdoor verkregen inzicht de ware ontstaansgrond van de informatiedrager ontmaskert. Niet voor niks is Ahriman als de dood voor inzicht en waarheid: die branden zijn wezen terug.
![]() Stond fdw echt als kleuter vóór het eerste Goetheanum ?
* * * * * * * * * * * * * * *
Klimaatverandering ?
“Zijn wij als mens verantwoordelijk? De meeste lezers waren niet akkoord. - Een paar opmerkingen: de metingen in Ukkel bijvoorbeeld zijn absoluut niet te vergelijken met die van pakweg 50 jaar geleden, want Ukkel is enorm verstedelijkt sindsdien. En we weten dat dat een groot verschil maakt. Verder hebben we dit jaar poollicht gezien tot in Vlaanderen, en dat wijst op een verhoogde activiteit van de zon. Ik ben er zeker van dat de mens een invloed heeft op milieu en het planetaire ecosysteem (noem het aub niet “milieu”), maar de mens is maar 1 aspect.
- Wanneer de meteorologen met vergelijkingen afkomen , zijn die zo mank als mogelijk . In België zijn de eerste echte dagelijkse gegevens bijgehouden vanaf 1833 . Gestart is ene Cruysius in 1705 . - 90% van de branden wordt aangestoken door mensen, met opzet of onvrijwillig door onoplettendheid. De droogte maakt dat de bosbranden heviger zijn. - Ja, de mens speelt hier een rol in, zeker ook de mensen die bezig zijn met geo engineering. - Kortzichtige conclusie op een toch wel erg korte periode. - Jammer. Ik had veel respect voor dhr Dehenauw. Maar als hij ook al mee doet met de doemdenkers, dan haak ik af. Er is ocharme 0,4°C opwarming sedert 1979 (volgens de satelliet metingen) en 1979 viel in een koude periode van 1960 tot 1980. Als men rekent sedert de economische ontwikkeling (19e eeuw) dan kwamen we juist uit een kleine ijstijd, gekend als het Maunderminimum. Dhr Dehenauw weet dat ook. - Er zijn in de loop van de geschiedenis zoveel klimaatveranderingen geweest van extreme koude naar hitte, van droogte naar altijd regen. Dat staat onomstotelijk vast vooral door verdwenen fauna en flora en veranderingen in de landschappen en continenten. De mammoet, de Beringenzee die ooit droog stond, de Noordzee dat vroeger een grasvlakte was, fossielen van vissen in de woestijn. Volledig de schuld bij de mens leggen? Nee. Ons een schuldgevoel geven? Ja. Vooral om ons te doen betalen. - Een studie is nog steeds GEEN exacte wetenschap meneer Dehenauw.Maar ondertussen betalen de mensen wel allerhande milieubelasting!
MAAT = gemiddelde jaarlijkse luchttemperatuur 500 jaar droogtes en hittegolven in Île de FranceDe volgende tekst is de samenvatting van een artikel getiteld " Droogtes en hittegolven vóór de opwarming van de aarde – 1500-1950 ", (Editions Hermann) geschreven door klimaathistoricus Emmanuel GARNIER (Institut Universitaire de France – Quantitative History Research Center. UMR – CNRS Universiteit van Caen). Pas sinds de tweede helft van de 17e eeuw zijn er directe gegevens over temperaturen beschikbaar. Om historische reeksen vóór het tijdperk van instrumentele metingen te reconstrueren, gebruiken klimaatwetenschappers proxygegevens (indirecte bronnen) zoals oogstdata of de studie van boomringen. Voor de studie van hittegolven gebruikte Emmanuel GARNIER de archieven over religieuze processies (de rogaties pro pluvia of pro serenitate) die in het grootste deel van het Middellandse-zeegebied plaats vonden op verzoek van de katholieke kerk of gemeentelijke autoriteiten. Daarmee reconstrueerde hij de perioden van extreme droogte die zich tussen de jaren 1550 en 2009 voordeden.
Deze curve toont duidelijk drie perioden van droogte met hoge intensiteit : De "koude" periode 1750-1900 zou volgens de auteur kunnen overeenkomen met de laatste fase van de Kleine IJstijd (PAG) met tussen 1815 en 1859 de koude piek van de "tweede hyper-PAG". De 16e eeuw kende 12 bewezen droogtes, een gebeurtenis om de 8 jaar gedurende een totaal van 1546 dagen. Het merendeel daarvan vond plaats in de tweede helft van de eeuw, met een grote ramp in 1578. In de 17e eeuw vonden dertien van de meest intense droogtes plaats in de tweede helft van de eeuw. Een opmerkelijke episode valt op: de droogte van 1632, die tussen september 1631 en juli 1632 330 dagen duurde. Zoals gebruikelijk werd de heilige Geneviève op 23 juli als versterking geroepen in de vorm van een processie "voor de regen". De 18e eeuw kende 21 droogtes (één gebeurtenis per 4,7 jaar) met een gemiddelde duur van 110 dagen. De periode na 1830 werd gekenmerkt door droogtes die beduidend minder frequent en minder ernstig waren (minder dan 100 dagen): dertien droogtes in de 19e eeuw, tien in de 20e. De prijs voor extreme gebeurtenissen gaat niet naar de 20e eeuw, maar naar de 18e eeuw, die met een gemiddelde duur van 105 dagen op de een of andere manier een soort piek van droogtes markeert.
Opmerkelijke droogtes in de 18e eeuwDe volgende lijst is ontleend aan een artikel gepubliceerd door Direction de la Météorologie Nationale onder de titel: " De grote zomers in Frankrijk: 1135-1800 ". 1704 Opmerkelijke droogte en hitte in het Zuiden en het Westen. In Beauce sterven veel maaiers door een zonnesteek. 1705. — Een verzengende zomer in Frankrijk. In Parijs wordt gedurende meerdere dagen 39 graden bereikt, terwijl in het zuiden de hitte zodanig is dat de Cassini- en Hire-thermometers springen door de uitzetting van de vloeistof . In het Zuiden is een " ondraaglijke hitte "; in Montpellier was op 30 juli de hitte gelijk aan die uit de oven van een glasfabriek en werden de eieren in de zon gekookt. Er waren tussen de 200.000 en 500.000 sterfgevallen als gevolg van besmet water. 1707. — De hitte is zo sterk in het Westen dat ‘in de tijd van het hooimaaien er niet alleen mensen, maar zelfs dieren aan stierven ". Op 19 juli telden mensen in de koets van Parijs naar Orléans, die die ochtend vertrokken vanuit Etampes, veertien paarden dood door hitte tot aan Orléans ". 1712. — Zeer hete zomer in Parijs. Warmte en grote droogte in het Zuiden. 1718 en 1719. — Twee verzengende zomers volgen elkaar op. Een vorm van Sahara- klimaat treft de regio Parijs en getuigen maken zelfs melding van de invasie van zwermen sprinkhanen uit Noord-Afrika, die gewassen tot aan Normandië verwoestten. Deze twee verzengende zomers veroorzaakten 700.000 doden, waarvan 450.000 alleen al in 1719. De slachtoffers zijn voornamelijk baby's en kinderen, die lijden aan dysenterie die wordt veroorzaakt door gebrek aan zuiver water. 1723. — Algemene droogte van drie maanden, die een ernstig tekort aan veevoer veroorzaakt. 1726, 1729 en 1731. — Over het algemeen droge jaren in heel Frankrijk, inclusief het zuiden. In 1731 viel in maart slechts 1 millimeter water in Parijs en in april 6 millimeter en om de nodige regen te verkrijgen werd begin mei de schrijn van Sint Geneviève naar buiten gebracht; in november van dat jaar lag het peil van de Seine 13 centimeter lager dan in 1719. 1736. — Grote droogte in Normandië: het duurt tot Allerheiligen en maakt het zaaien van wintertarwe gedurende de maand oktober onmogelijk. 1741. — De aartsbisschop van Parijs schrijft openbare gebeden en processies voor om een einde te maken aan de droogte die de regio Parijs en het centrum teistert. 1742 en 1743. — Droogte in Bretagne en het stroomgebied van de Seine: in 1743 verspreidde deze droogte zich over een groot deel van West-Europa. 1751. — In het zuidwesten kwam "na een verstoorde en regenachtige lente een buitengewone droogte met grote hitte waardoor de oogst verloren ging. De graslanden hadden geen gras. Het was een zeer kritiek en arm jaar. " 1757 en 1759. — Hete en droge zomers in het noorden en oosten. In Normandië waren de maanden juni en juli 1757 en die van juli en augustus 1759 bijzonder heet en droog. In Parijs werden op 14 en 20 juli 1757 temperaturen van 37°5 genoteerd. 1767. — Het water van de Seine is 27 centimeter lager dan in 1719. 1772. — In het Zuiden, " werd de maïs gezaaid en geoogst zonder regen, de droogte duurde ongeveer zes maanden ". In Parijs bereikt de temperatuur vanaf juni 36°. 1778. — In Parijs is de Seine 8 centimeter lager dan in 1719. 1784. — In Bourbonnais betekende "voortdurende droogte dat alle vijvers, bronnen en de meeste putten waren opgedroogd en alleen manueel kon worden gemalen" (watermolens inactief). 1785. — Grote droogte in heel Frankrijk. In Parijs viel van 1 maart tot 31 mei slechts 21 millimeter. In veel bisdommen schrijven bisschoppen openbare gebeden voor om regen te vragen. 1788. — Droogte in het zuidwesten. Tijdens de vergadering van 14 mei 1788 besloot de gemeenteraad van Montauban de bisschop te schrijven om hem te vragen openbare gebeden te gelasten "om uit de hemel het einde te verkrijgen van de verschrikkelijke droogte die al heel lang heerst en de vruchten van de aarde aan de grootste gevaren blootstelt ". 1790. — Zomer en herfst zijn zo droog in de noordelijke helft dat de wijnstokken in veel regio's bijna niets opleveren 1793. — In Loiret, overmatige hitte van eind juni tot eind augustus: "groenten gedroogd op hun stengels, fruit verbrand aan bomen, vlees oneetbaar in minder dan een uur". In de Champagne kenmerken hitte en droogte de maanden juli tot en met oktober. In Parijs werden op 8 juli 1793 38°4 geregistreerd en gedurende dit jaar werd er slechts 331 millimeter regen opgevangen.
De eerste installatie om co² uit de atmosfeer te halen : kost 4,5 miljoen dollar om 900 ton koolstof te verwijderen. Kun je ook oplossen door voor 7500 dollar bomen te planten.
De burger moet investeren in zonnepanelen, voor de “elite” is dat niet nodig ….
Peren geoogst in Argentinië, verpakt in Thailand, verkocht in de Verenigde Staten, maar jouw oude auto, die is het probleem ! * * * * * * * * * * * * * * * Terug naar het thuisblad
|