Inhoudstafel van Brug 133 ( september 2026)


Het jonger worden van de mensheid

De geestelijke leiding van de mensheid

Christian Rosenkreutz - meditatie

Het leven na de dood

Antroposofie en monotheïsme

Kunstmatige intelligentie en etherische zicht

Klimaatverandering ?

500 jaar droogtes in Frankrijk



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Beste Lezer,


September is de maand om wat aandacht te besteden aan onze taak als Michaëldieners.
Menselijk gesproken zouden we Michaël kunnen kwalijk nemen dat hij de geesten van de duisternis op aarde heeft geworpen bij manier van spreken. Wij zitten nu opgezadeld met deze leugengeest en het is onze opdracht om onze intelligentie te gebruiken en niet verstrikt te geraken in zijn leugenweb.

In deze Brug vindt u achteraan een lang artikel over de zogezegde klimaatverandering.
Misschien vraagt u zich af : waarom wordt dit onderwerp behandeld in een tijdschrift over antroposofie.
De reden is dat achter heel die klimaathysterie dezelfde leugengeest zit die ook achter de grote covid19-leugen zit.

Wij antroposofen kennen deze geest, wij weten wat zijn bedoeling is en we weten dat hij het is die al de mensen inspireert die ver van iedere christelijke spiritualiteit staan.
De meest machtsgierige exemplaren van zijn aanhangers kiezen hem bewust tot leidsman.

Zoals we tijdens de covidperiode konden vaststellen heeft deze leugengeest zijn tentakels al over heel de wereld uitgespreid en heeft hij alle grote mediakanalen onder controle. Daardoor kan hij de argeloze bevolking verleiden om op een bepaalde manier te denken en te reageren.




François De Wit


Hoe toevallig : alle landen van de wereld warmen sneller op dan de rest !


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Het jonger worden van de mensheid


Uit GA 177, de voordracht van 30 september 1917 in Dornach :

“Ik heb u vorig jaar attent gemaakt op een merkwaardig gegeven in de ontwikkeling van de mensheid.
De individuele mens, die wordt natuurlijk steeds ouder, eerst 1, 2, 3, jaar en daarna 30, 3, 40 enz.
Maar voor de mensheid als geheel verloopt dat omgekeerd. De mensheid als geheel was eerst ouder en wordt alsmaar jonger en jonger.
Als we in de tijd teruggaan, naar het begin van de na-Atlantische tijd, dan komen we eerst bij de oud-Indische periode. Toen was de mensheid zo dat de mensen zich innerlijk ontwikkelden tot boven hun vijftigste jaar.
Tegenwoordig valt alleen in de jeugd de ontwikkeling van het zieleleven samen met de ontwikkeling van het lichaam en dat stopt op een bepaalde leeftijd. In de oud-Indische periode liep de ontwikkeling van de ziel parallel met de fysieke ontwikkeling van het lichaam tot voorbij het vijftigste jaar, en de ontwikkeling van de ziel was pas compleet als men ouderling was. Vandaar dat men toen met eerbied en respect opkeek naar oudere mensen.

Daarna kwam de oud-Perzische tijd. Toen duurde het vermogen tot ontwikkeling niet meer zo lang, maar toch tot tegen het vijftigste jaar. In de oud-Egyptische tijd nog maar tot even voorbij het veertigste jaar.
Toen kwam de Grieks-Latijnse periode : de mensen konden nog ontwikkelen tot hun 35ste. En dan kwam de tijd dat de mensheid maar tot het 33ste jaar kon ontwikkelen, dat was de tijd van het Mysterie van Golgotha, het ogenblik dat de Christus op die leeftijd het Mysterie van Golgotha doorleefde.

En zo blijft de mensheid jonger worden. Bij het aanbreken van de vijfde na-Atlantische cultuurperiode in de 15de eeuw kon de mensheid slechts tot het 28ste jaar ontwikkelen en tegenwoordig zijn we zover gekomen dat een mens, als hij gewoon leeft volgens zijn natuur, nog maar 27 jaar oud wordt.

Terwijl in oude tijden de mensen tot op hoge leeftijd ontwikkelden, stopt bij de mens nu zijn gewone zielsontwikkeling op 27 jaar als hij niet in zijn ziel een innerlijke impuls opneemt om zich innerlijk verder te ontwikkelen.
Zij die zich innerlijk niet verder ontwikkelen, die niets van spiritualiteit opnemen, die blijven nu 27 jaar oud, ook al worden ze 100. Dat wil zeggen : ze vertonen de karakteristieken, de kenmerken van een 27-jarige voor de rest van hun leven.


Wakkere mensen als Mark Twain (1835 – 1910) hadden dit ook al vastgesteld !


Daarom, omdat de mensen weigeren om innerlijk spirituele impulsen te zoeken, hebben we vandaag een cultuur, een sociaal leven dat het niveau van een 27-jarige heeft. ( …. )
Als dat zo nog verder gaat dan wordt de mensheid nog jonger, 26, 25, 24, en in de zesde cultuurperiode nog maar 21, daarna zelfs tot 14 jaar.

In al deze dingen moeten wij inzicht krijgen, en die zaken moeten niet pessimistisch opgenomen worden, nee, ze moeten in ons de impuls wakker maken om een spirituele weg te gaan en in het innerlijke te zoeken wat de natuur ons niet meer kan geven.”

In GA 196, de voordracht van 16 januari 1920 :

“Wat betreft de leeftijd wordt de mensheid alsmaar jonger, dat heb ik al vaker uitgelegd. De oud-Indische mensen ontwikkelden zich tot in hun vijftiger jaren, de oud-Perzische tot in de veertig, de oud-Egyptische tot het einde van de dertiger jaren, de Griekse mensen tot het midden van de dertiger jaren.

Wij worden niet op die manier oud. Als wij ons geestelijk innerlijk niet zelf ter hand nemen, dan blijven we weliswaar leven, maar oud worden we niet; want oud worden in vroegere tijden betekende dat men tegelijk met de ontwikkeling van het fysiek-lichamelijke wijzer werd.
De mensen van nu, als ze ouder worden, worden alleen oud maar niet wijzer, ze worden mummies. Ze worden alleen wijzer als ze de mummie met iets innerlijk opvullen.

De Egyptenaren mummificeerden hun doden. De mensen van nu moeten niet gemummificeerd worden, ze wandelen tijdens hun leven als mummies rond en zijn alleen geen mummies voor zover ze het levende, geestelijke opnemen, dan wordt de mummie levend.
Voor de mensheid van nu is het noodzakelijk dat de mummies levend worden gemaakt. Anders blijven we zitten met die wereldverenigingen waaruit allerlei geluiden van gemummificeerde mensen komen. Men noemt deze verenigingen “partijen”. Maar al wat van die gemummificeerde mensen gekomen is, dat zijn zuiver ahrimanische stemmen, en die hebben geleid tot de Eerste Wereldoorlog. Dat is de keerzijde van de zaak, dat is het ernstige van de zaak.
Als de mens van nu niet begint om zijn mummie met een geestelijke inhoud op te vullen, dan wordt hij opgevuld met de influisteringen van Ahriman. Dan ziet men mensenmummies rondlopen en daaruit spreken demonen. Die gaan de hele wereld bevolken, tenzij de mens het verhindert door te besluiten om een levende connectie met de geesteswereld te zoeken.

Ja, de zaak heeft een zeer, zeer ernstige kant. Nu actief geesteswetenschap opnemen is tegelijk een uitdrijven van de ahrimanische geest uit de mensheid, is een verhinderen dat de mensheid bezeten wordt door het ahrimanisch-geestelijke.”


De reden voor dit jonger worden van de mens vinden we in de derde voordracht van GA 196 :

( …. )
“De oude heidense cultuur die uitging van de mysteriën van de oudheid, die had op een bepaalde manier een uniform karakter. Over de hele wereld was er een oer-openbaring gegeven. Waarom kon deze oer-openbaring gegeven worden ? Dat was omdat in de oudste tijden van de aarde-ontwikkeling het menselijk hoofd nog niet zo ver geëvolueerd was zoals dat nu het geval is, er zat nog meer leven in het hoofd. Het had nog de mogelijkheid om dromen te hebben die niet enkel gebaseerd waren op de aardse ervaring, op het leven op aarde. Het was nog in staat om dezelfde droomervaringen te hebben die het had ten tijde van de oude Maan, dus bij een bewustzijn dat, vergeleken met het onze, veel doffer was. Dit gegeven werd gebruikt door de mysteriënleiders in de oude tijden om de mensheid als het ware te leiden naar het punt in de ontwikkeling van de mensheid waar de mensheid moest staan eens het Mysterie van Golgotha moest plaatsgrijpen.
Datgene wat toen geopenbaard werd en door de mensheid ontvangen werd, dat was, vergeleken met wat de huidige mensheid weet, een veelomvattend wijsheidsgoed, dat dan in de loop der tijden alsmaar verminderde.
Wij zouden tegenwoordig niet tevreden zijn met dat wijsheidsgoed want het waren vaak alleen maar oude, atavistische helderziende droomvoorstellingen. Wij willen tegenwoordig precieze, klare voorstellingen hebben, maar wij zijn nog niet erg gevorderd met deze heldere, klare voorstellingen.

Een oude wijsheid was toen uitgegoten over de mensheid. Vanuit deze wijsheid werd veel bekend gemaakt over de wezens die de natuur beheersen, over de krachten die in de natuur werken, maar zeer weinig over de mens zelf. De mens was nog niet tot zijn aards bewustzijn gekomen. Hij werd in feite nog altijd geleid door hogere machten. Hij kon wijs worden, maar het zelfbewustzijn, dat had hij nog niet. De Apollinische uitspraak “Ken uzelf” klonk als een verlangen van de mensheid, dat was iets wat door de leidende geesten in Griekenland naar de toekomst geroepen werd.”


Hoe gaat het dan verder met dat jonger worden ?


“De mens van nu kan dus slechts ontwikkelen tot in zijn 27ste jaar. Dan begint zijn ziel-geest zich los te maken van het fysiek-lichamelijke. Dat zich-losmaken gaat alsmaar vroeger gebeuren. Er gaat een tijd komen dat de mensen maar zullen kunnen ontwikkelen tot hun 14de jaar, en de geslachtsrijpheid geen betekenis meer zal hebben voor de menselijke ontwikkeling. Die tijd gaat zeker komen.
De geologen mogen nog zo lange tijden berekenen voor de ontwikkeling van de mens op aarde, voor de ontwikkeling van de fysieke mensheid op aarde maar de fysieke mensheid op aarde zal zich niet langer ontwikkelen dan het ogenblik waarop de ontwikkelingsgrens gezakt is tot het 14de, 13de jaar.
Want vanaf dat moment kan de fysieke mensheid op aarde niet meer ontwikkelen. De vrouwen zullen geen kinderen meer baren.”


Dan legt Steiner uit waarom de berekeningen van de geologen niet kloppen. Ze berusten op een foute aanname. Ze berekenen de ouderdom van de aarde door te bekijken hoeveel sediment er bvb. wordt afgezet door de Niagara-waterval op 100 jaar en rekenen dan terug in de tijd. Steiner maakt een vergelijking : je onderzoekt de grootte van de maag bij een kind van drie jaar en dan bij een kind van 10 jaar, je stelt een groeipercentage vast en dan concludeer je : over 300 jaar zal de maag zo of zo groot zijn. De berekening is logisch maar klopt niet omdat die mens dan al lang dood is. Bij de mens valt de fout direct op, maar niet als men geologische periodes van de aarde berekent.
In de zesde voordracht gaat hij er verder op in :


“Rond het jaar 5700 zal de mens, als hij zijn juiste ontwikkeling op de aarde voltooid heeft, de aarde niet meer zo betreden dat hij incarneert in een lichaam dat van fysieke ouders afstamt. De vrouwen zullen dan onvruchtbaar zijn. De mensenkinderen worden niet meer op de huidige manier geboren, als de ontwikkeling op aarde normaal verloopt.
Maar het zou kunnen dat Ahrimanische machten, die onder invloed van de huidige mensenimpulsen zeer sterk worden, de aarde-ontwikkeling een andere richting geven. Dan zouden de mensen – en niet tot hun heil – verder geboren blijven worden in dezelfde fysieke lichamen. Dan zouden ze zeer sterk verdierlijken. Dat is een streefdoel van de Ahrimanische machten : de mensen langer aan de aarde te kluisteren en ze daardoor van hun normale ontwikkeling af te brengen.
Maar als de mensheid werkelijk opneemt wat in haar beste ontwikkelingsmogelijkheden ligt, dan gaar ze rond het jaar 5700 nog altijd een band met de aarde hebben, voor nog ongeveer 2500 jaar ( dat is dus de 7de cultuurperiode – fdw).
Deze band zal zo zijn dat er weliswaar geen fysieke kinderen meer geboren worden maar de mens zal als geest-zielewezen aanwezig zijn, om het aanschouwelijk uit te drukken zal ik zeggen : hij zal in de wolken, in regen, in donder en bliksem actief zijn in de aardse aangelegenheden. Hij zal als het ware in de natuurverschijnselen vibreren. En in een nog latere tijd zal zijn verhouding tot de aarde nog geestelijker worden.”



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

De geestelijke leiding van de mensheid


Aldus luidt de ondertitel van GA130 “Das esoterische Christentum”.
Dit deel van de verzamelde werken bevat 23 voordrachten, gehouden in 1911 en 1912 in verschillende steden
( bij Vrij Geestesleven verscheen in 1999 het boek “Het esoterische christendom” maar daarin werden slechts zes voordrachten uit GA 130 opgenomen).
Bij deze voordrachten was geen stenograaf aanwezig, wat we lezen is gebaseerd op verslagen van toehoorders.
Over de kwaliteit van deze verslagen zegt de uitgever dat die nogal wisselend is, van goede, bijna letterlijke weergave van het gesproken woord, soms met duidelijke lacunes, tot korte verslagen met alleen de kernzinnen. Dat geldt vooral voor de laatste drie voordrachten die men toch opgenomen heeft als aanhangsel omdat er belangrijke zaken verteld werden.

Notities uit de voordracht te Stuttgart op 28 november 1911 :


De makrokosmos, de grote wereld, maakt evenals de mikrokosmos, de mens, de kleine wereld, een ontwikkeling door. Net zoals de mens moet hij zijn 7 principes ontwikkelen. Deze principes omvatten de totaliteit der hiërarchieën.
De ontwikkelingslijn van de makrokosmische principes ziet er als volgt uit :

Eerste makrokosmische ontwikkelingsprincipe = Thronen
Tweede makrokosmische ontwikkelingsprincipe = Cherubim
Derde makrokosmische ontwikkelingsprincipe = Seraphim
Vierde makrokosmische ontwikkelingsprincipe = Christus

of schematisch :


Bij de Aarde zijn onderaan met 1,2,3 enz. de wortelrassen aangeduid ( het begrip ‘wortelras stamt nog uit de theosofie, het heeft niets te maken met de huidige rassen en wordt meestal nu vervangen door : tijdvak -fdw), schematisch :

1. Polarische wortelras - herhaling van het Saturnusprincipe - Thronen
2. Hyperborea - herhaling van het Zon-principe - Cherubim
3. Lemurië - herhaling van het Maanprincipe - Seraphim
4. Atlantis - Midden van Aarde-ontwikkeling - Christus
5. Onze tijd - verdere ontwikkeling
6. Eerste aanleg van de Jupiterontwikkeling
7. Eerste aanleg van de Venusontwikkeling

Het Christus-principe ontwikkelt zich dus verder in de Jupitertijd en is pas volledig ontwikkeld rond het midden van de zesde, de Venusperiode. Pas vanaf het midden van de Atlantische tijd kan het Christus-principe als een eerste kiem werken. Bij de mens gebeurt dat door het aanleggen van een begin van een Ik-kiem. De eerste, directe, werkelijke inwerking gebeurde in onze tijd bij de openbaring op de Sinaï waar de Christus zich aan Mozes openbaarde onder de naam Jahwe of Jehova. Daarna vond de directe verbinding plaats van de Christus met de Aarde door de doop in de Jordaan en de drie jaar in de lichamen van Jezus van Nazareth. De Christus-impuls is dus tegelijk met de Ik-impuls in de mensheid ingestroomd. Vandaar dat de Christus het makrokosmische Ik is.

Het verder ontwikkelen van het 5de, 6de en 7de principe op Aarde kan dus maar als een soort voorvoelen innerlijk mogelijk zijn.

Hiermee wordt bedoeld : de mens kan nu nog niet de 3 hogere wezensdelen hebben, te weten geestzelf, levensgeest en geestmens. Alleen een begin, een kiem, een voorvoelen zoals het hier genoemd wordt kan kan hij bereiken door bewust zijn 3 lagere wezensdelen om te vormen ( fysiek lichaam, etherlichaam, astraal lichaam). Maar daarover wordt blijkbaar in deze voordracht niet gesproken.
Zie daarover De Brug 2 - fdw

Er kan de mens geen hoger wezensdeel gegeven worden in het op het 4de makrokosmische principe opgebouwde fysieke lichaam. Pas op Jupiter krijgen we het vijfde en op Venus het zesde enz. Daarom bestaat in onze tijd, vergeleken met de Grieks-Romeinse tijd, zo iets als een innerlijke contradictie tussen geest, ziel en lichaam die altijd meer voelbaar gaat worden naarmate de ontwikkeling verder schrijdt. Deze contradictie kunnen met name sensitieve naturen nu reeds bespeuren. Bekijken we nu eens vanuit dit schema de tegenwerking van de Luciferische geesten. De Luciferische geesten komen uit een hogere hiërarchie dan de mens : de hiërarchie der Engelen, die echter met hun totale ontwikkeling op de Maan – waar ze hun mensheidsstadium doormaakten – achtergebleven zijn. Daarom zijn ze niet in staat om in hun verdere ontwikkeling een aansluiting te vinden aan het 4de makrokosmische principe. daartegenover staat dat ze op de Maan hun 4de en 5de principe reeds als een voorvoelen ontwikkeld hebben, maar nog zonder het 4de makrokosmische principe, zonder de Christus-impuls, die er toen nog niet was.

.

Nemen we nu eens de ontwikkeling van zo’n Luciferische geesten die het op de Maan tot het 5de principe hebben gebracht. Die weten natuurlijk niets over het 4de makrokosmische principe, weten dus niets van de Christus. Het is moeilijk om dat in onze taal uit te drukken. Het is ongeveer zo : deze Luciferische geesten wenden zich als het ware naar de hogere goden die zich bezig houden met de ontwikkeling van de Christus-impuls in de mensheid en roepen hun toe : jullie kunnen de mens slechts het 4de principe geven; wij echter kunnen hem het 5de principe geven. – Dit is natuurlijk in feite iets hogers dat zij, net zoals wij dat nu in het 5de wortelras doen, als voorvoelend meegebracht hebben. Er ontbreekt echter het 4de makrokosmische principe, de Christus, van wie ze helemaal niets weten. Ze zijn dus op een bepaalde manier vroegrijp, lopen vooruit, maar niet in harmonie met de kosmos. De normale ontwikkeling is in hun ogen banaal, iets simpels waar zij zich hoog boven verheven voelen. En er zullen tijden komen waar door de macht van de hogere principes, het 5de of zelfs het 6de principe, de Luciferische geesten grote invloed zullen hebben op de mensen die in hun ban geraken.

Is het niet zo dat wij dat vandaag al overal kunnen vaststellen ? In kunst en wetenschap enz., overal zien we een bepaalde vroegrijpe hogere ontwikkeling waaraan echter de innerlijke waarheidskern, de harmonie met het eeuwige schijnt te ontbreken.

De aanvoerder van de geesten die op deze manier zes principes ontwikkeld hebben, die dus op de Maan zeer dicht bij hun voleinding gekomen zijn, deze aanvoerder is de Antichrist, die bijna niet te onderscheiden is van de Christus. Tegenwoordig is reeds het grootste deel van de mensheid in de ban van deze invloed der Luciferische geesten. Vandaar de noodzaak om nu alles te doen wat de mens op de Aarde alleen innerlijk kan ontvangen door meditatie. Vandaar de noodzaak van geesteswetenschap.

.

In het begin van ons vijfde tijdvak, dus van het einde van de Grieks-Latijnse tijd, in de 13de eeuw, was de mensheid een korte tijd volledig afgesneden van ieder helderziend vermogen. Daarom werd toen een grote vergadering gehouden door de mensen met de grootste wijsheid, een college van twaalf mensen. Daar waren de zeven heilige Rishi’s die elk één van de zeven ontwikkelingstrappen van de Atlantische tijd belichaamden; vier andere wijzen belichaamden de eerste vier cultuurperiodes van de na-Atlantische tijd :

de achtste de oud-Indische tijd,
de negende de oud-Perzische,
de tiende de Egyptisch-Chaldeeuwse,
de elfde de Grieks-Latijnse,
de twaalfde al wat daarop volgde.
Dan was er een jongen, de dertiende onder hen, die namen de andere twaalf in hun midden en lieten op een bepaalde manier hun wijsheid in hem stromen. Daardoor werd het lichaam van de knaap helemaal doorschijnend. Hij had al langer geen voedsel meer tot zich genomen. Hij leefde onder deze machtige invloed slechts korte tijd maar kon in deze tijd door hetgeen hij opgenomen had van hen allen, hun leraar worden wat betreft de zaken die zij zelf op hun eentje niet konden bevatten. Meer specifiek kon hij hun door eigen ervaring het Paulinisch gebeuren in hogere zin verklaren. Dan stierf hij en werd terug geboren in de 14de eeuw als Christian Rosenkreutz. Hij leefde dan 100 jaar en is sindsdien niet alleen de leraar van de twaalf wijzen maar van de hele mensheid. Zijn opdracht is de mensheid te beschermen tegen de Luciferische invloed.

We lezen in de voetnoten in GA 130 op blz. 347 :
Eén van de latere incarnaties van Christian Rosenkreutz was de graaf van Saint-Germain. Van hem is bekend dat hij in 1790 in Wenen zou gezegd hebben : “Tegen het einde van de eeuw zal ik uit Europa verdwijnen en naar de gebieden van de Himalaya begeven. Daar ga ik uitrusten, ik heb rust nodig. Men zal mij precies over 85 jaar geen dag later of vroeger zien.”
In het jaar 1875, dus juist 85 jaar na deze uitspraak werd de Theosophical Society opgericht. Rudolf Steiner spreekt daarover op 16 december 1904 (9de voordracht in GA 93)

Deze Luciferische invloeden zijn zeer groot en zullen nog in belangrijke mate toenemen. Maar men kan volledig terecht van hen zeggen : de gewone mens merkt niets van de duivel, ook niet als die hem bij zijn kraag heeft.

uit : Goethe, Faust, eerste deel, Auerbachs kelder, vers 2181 (“Den Teufel spürt das Völkchen nie, und wenn er sie beim Kragen hätte.”)

De Luciferische invloed zal echter in de komende tijd al duidelijker worden.


Eveneens uit GA 130 :


Aan deze uiteenzettingen wil ik graag nog een korte praktische beschouwing toevoegen.
Wie leerling van Christian Rosenkreutz wil worden, moet op het volgende letten:
vorig jaar hebben we het erover gehad hoe je onwillekeurig te weten kunt komen dat je in een bepaald verband tot Christian Rosenkreutz kunt staan. Maar je kunt ook een vraag stellen aan het lot: kan ik mij geschikt maken om leerling van Christian Rosenkreutz te worden ?

Dat kan op de volgende manier gebeuren: je probeert je het beeld voor de geest te halen van de grote leraar van de moderne tijd, Christian Rosenkreutz temidden van zijn twaalf, de Gautama Boedha wegzendend het heelal in, in het begin van de 17de eeuw, consequent datgene vervullend wat ongeveer in de zesde eeuw v.C. is gebeurd door de prediking in Benares.

Als dit beeld ons in heel zijn betekenis voor de geest staat, als we voelen hoe van dit beeld dat een verpletterende indruk maakt, iets zodanig uitgaat dat zich aan de ziel de volgende woorden ontworstelen: o mens, gij zijt niet alleen maar iets aards, gij zijt een kosmisch wezen ! - dan mag je gerust geloven: ik kan een leerling worden die ernaar streeft Christian Rosenkreutz te volgen.

Dit beeld, dat de verhouding van Christian Rosenkreutz tot Gautama Boedha schildert, is belangrijke stof tot meditatie. Dat wilde ik in uw ziel tot leven wekken als een uit deze beschouwing voortkomend streven. Want we moeten steeds voor ogen houden:
we moeten interesse hebben voor het bestuderen van de wereld, maar vervolgens daaruit de middelen halen waardoor wij zelf onze ontwikkeling naar de hogere werelden ter hand kunnen nemen."


.
Notities uit de voordracht te Sankt Gallen op 19 december 1912


Tussen haakjes hebben wij zelf aanvullingen gegeven om de zin beter te verklaren.


De geesteswetenschap leert ons dat wat gebeurt met ons na de dood zich afspeelt in de kosmische wereld.

Voor de ziel bestaat een zeer belangrijk gegeven : zolang wij leven kunnen wij iets in onszelf veranderen, maar tussen dood en nieuwe geboorte kunnen we dat niet meer. ( ... )
Als we zelf al door de poort van de dood zijn gegaan en er volgt ons iemand met wie wij in het fysieke leven in een bepaalde verhouding stonden, dan moet deze verhouding ongewijzigd lang na de dood blijven verder bestaan. Want na de dood kunnen wij niets nieuws meer toevoegen aan een eerder bestaande relatie. We zijn onderworpen aan het eigen karma eens we in de geestelijke wereld binnentreden. Het moment van de omvorming van het karma treedt pas op in een nieuwe incarnatie, pas dan kan er van een vereffening sprake zijn. Een mens die fysiek dood is kan in het geestelijke bestaan op de andere fysieke doden geen invloed uitoefenen die een verandering van hun leven zou kunnen bewerkstelligen.

Maar de levende heeft wel de mogelijkheid om invloed te hebben op het bestaan van een overledene. Nemen we bvb. het volgende geval : twee mensen die van elkaar houden hebben elk een totaal andere ingesteldheid t.o.v. de geesteswetenschap; de ene is overtuigd, de andere wijst het af. Tussen beide zielen is dan oppositie. Als er bij de mens sprake is van vrijheid van wil dan is dat omdat in de menselijke ziel het Ik-bewustzijn veel diepere wegen gaat dan het astrale bewustzijn, zodat men vaak in het diepst van zijn ziel verlangt naar hetgeen men vanuit zijn bewustzijn haat. Hoe kunnen wij een overledene helpen ?
We moeten daarvoor een geestelijke band met hem hebben (= we moeten hem persoonlijk gekend hebben). Men kan hem bvb. helpen door stil voor te lezen; men kan, zich liefdevol verenigend met hem, gedachtengangen (uit de geesteswetenschap ) doornemen, voorstellingen, imaginaties naar de hogere werelden tot hem sturen. Zo’n vriendendienst heeft altijd een goede werking. Ook dan is het voorlezen goed als de betreffende mens tijdens het leven te onverschillig, te gemakzuchtig was (om antroposofie op te nemen). Wij kunnen zijn kwellingen inderdaad verzachten, ook als wij geen bewijs hebben dat hij zich tijdens zijn leven met hogere zaken bezig hield. Vaak kunnen wij vaststellen dat een grote zegen vanaf het fysieke leven naar de geestelijke wereld wordt gestuurd, ondanks de grote kloof die bestaat tussen het leven van geboorte en dood en het leven van dood tot nieuwe geboorte. Talrijke levenden zullen ervaren dat ze met een dode in een innige verbinding staan en tegelijk zich bewust zijn dat ook zij op de doden helpend invloed kunnen uitoefenen.
De eerste zielen met wie we na de dood in contact komen zijn diegenen met wie we op Aarde al nauwe betrekkingen hadden. Het kunnen geen zielen zijn die wij op Aarde niet gekend hebben. ( ... )

In de Kamalokatijd vergroot de ethervorm van de mens alsmaar meer en meer tot hij de grens bereikt van de baan van de Maan. Alle mensen zitten in die zelfde ruimte die door de baan van de Maan omschreven wordt, zonder elkaar te verdringen, ze delen dezelfde ruimte in de Kamalokatijd.
Daarna worden zij Mercuriusbewoners, dan Venus- en dan Zonbewoners. Geestelijk gezien hebben we dan een hoger niveau, het astrale van de Maansfeer is dan overwonnen. Het leven op iedere planeet hangt af van de zielegesteldheid die men zich in de Maantijd heeft eigen gemaakt (als gevolg van de zielegesteldheid op Aarde).
Mensen die meevoelen met anderen leven anders dan egoïsten, zij staan open voor de mensheid. In de eerste plaats zullen wij contact hebben met hen met wie we in het aardse leven al samen waren. De aard van de relaties zal afhangen van welke troost of welke kwellingen wij ons wederzijds hebben aangedaan. Een mens zonder veel moraliteit zal een geestelijke eenzaat worden, een moreel hoogstaande mens zal een gezellige Mercuriusbewoner worden.

In een volgende periode deinen wij ons wezen zo uit dat we de grens van de baan van Venus bereiken. Wie niet religieus was, wie niet iets eeuwigs, goddelijks in zich opgenomen heeft, wie in de Mercuriustijd niet tot andere mensen ziele-geestelijke betrekkingen kon hebben, die zal ook in de Venustijd eenzaat worden, terwijl wij ook daar gezellige wezens zijn als we in de Mercuriustijd met gelijkgestemde zielen samen waren, religieuze warmte voor elkaar hebben gekoesterd. Atheïsten worden eenzaten in de Venustijd. Monisten zullen in de eigen ziel opgesloten blijven zodat de ene de andere niet kan bereiken.

Monisten : er zijn verschillende soorten monistische visies. Steiner verwijst hier waarschijnlijk naar het fysisch monisme. Dat brengt alles terug tot materie. Dit wordt ook wel materialisme genoemd. Er wordt in het bijzonder ontkend dat geest apart van de materie zou bestaan. Het atomisme was de eerste vorm van fysisch monisme. –fdw

Eenzaat zijn wil zeggen : een gedempt bewustzijn hebben dat niet openstaat voor de ander. Een gezellig mens zijn : een klaar bewustzijn hebben dat in de ander kan doordringen. Natuurlijk stijgt de mens sowieso altijd hoger op in de sterrenwereld maar hoe doffer hij een gebied beleeft, hoe sneller hij door de tijd raast en daardoor komt hij vlugger tot reïncarnatie, bvb. mensen die als booswichten of als idioten geleefd hebben. Hoe klaarder daarentegen het bewustzijn in de sterrenwereld is, hoe trager de ziel terugkomt voor een incarnatie. Men moet daarbuiten in de kosmos al behoorlijk bewust geworden zijn om later uw fysieke hersenen te kunnen vormen.

De volgende toestand is die van Zonbewoner. Dat gebeurt zo’n 100 jaar na de dood. In de Zontijd kan men de mogelijkheid hebben om een bepaalde relatie tot alle mensen te verkrijgen. Als een mens zich heeft opengesteld voor de Christus-impuls, dan is zijn ziel open voor allen. Sinds het Mysterie van Golgotha heeft plaatsgevonden, kunnen wij ons met de Christusimpuls verbinden, de grootste geestelijke kracht. Wie echter de Christusimpuls niet heeft opgenomen, die blijft ook in de Zontijd een eenzaat. We moeten nog op iets anders attent worden. Als de mens in de Maantijd met zijn aura voor een helderziende zichtbaar wordt, dan ziet deze laatste dat in het geweldig uitvergrote etherlichaam een kern is die in een wolkachtige aura is gehuld. Die is langs alle kanten even donker en blijft ook nog zo tijdens de Mercuriustijd. In de Venustijd treedt aan de ene zijde van de wolk een belichting en als we dan als helderziende de mens beschouwen, dan vinden we dat de mens van dat ogenblik af – als hij een morele, religieuze mens was – betrekkingen kan hebben met wezens van hogere hiërarchieën.

Als de mens een goede mens was, dan leeft hij in de Venustijd met hogere wezens in een geestelijk contact; was hij niet goed dan kan hij deze wezens niet herkennen en veroordeelt zichzelf tot de kwelling, de pijn van het geïsoleerd zijn. Vóór het Mysterie van Golgotha, in de eerste cultuurperiode van de na-Atlantische tijd, was het zo dat men op de Zon als hemellichaam als het ware de troon van Christus kon zien. Zij die in hun leven goed waren troffen in het gebied van de Zon de wezenheid van Christus aan. Tijdens de Zarathoestra-tijd was de Christus reeds op weg naar de Aarde en men kon Hem op de Zon niet vinden. Sinds het Mysterie van Golgotha is de Christus met de Zon verenigd. Als de mensen op Aarde niet openstonden voor de Christusimpuls dan kunnen ze tussen dood en nieuwe geboorte de Christus niet vinden.

Als men dan Zonbewoner is geworden en doorweven is met de Christus-impuls dan staat men tegenover een massa feiten die wij aanduiden als de Akasha-kroniek van de Zon. Heeft men op aarde de Christus niet gevonden, dan kan men op de Zon niet de Akasha-kroniek lezen. Wij kunnen deze schrift leren lezen als wij op Aarde met een warm hart het Mysterie van Golgotha opgenomen hebben; dan leren wij op de Zon lezen wat de Christus sinds miljoenen jaren op de Zon heeft gedaan. Volgens de huidige omstandigheden zijn wij sterk genoeg om Zonbewoner te kunnen worden.
Later geraken wij nog tot Mars, dan tot Jupiter en Saturnus en dan de sfeer van de vaste sterren. Bij de terugkeer naar de Aarde wordt ons etherlichaam kleiner en kleiner tot wij zo klein zijn geworden dat wij ons terug in een nieuwe mensenkiem kunnen belichamen.

De rol van Lucifer

Tot aan de Zon-tijd hebben wij de Christus als leidsman. Van daar af hebben we een leidsman nodig die ons vanaf de Zon verder in de kosmos te leiden heeft. Nu treedt Lucifer aan onze zijde. Als wij in het fysieke leven in zijn ban geraken, dan is dat erg, maar als wij op Aarde het juiste begrip hadden voor de Christus-impuls, dan zijn wij op de Zon sterk genoeg om ook Lucifer zonder gevaar te volgen. Hij zorgt van daar af voor de innerlijke ontwikkeling van de ziel, zoals Christus aan deze kant van de Zon voor ons opstijgen tot daar heeft gedaan. Hebben wij ons de Christus-impuls op Aarde toegeëigend dan is op de weg naar de Zon de Christus de bewaarder van de ziel. Buiten de sfeer van de Zon is Lucifer de leidsman naar het kosmische wereld-Al; daarbinnen is hij de verzoeker.

Zijn wij tot aan de Zon-tijd voorzien van de Christusimpuls, dan leiden ons Christus en Lucifer als broeders. Hoe zeer verschillen toch dezelfde woorden wanneer ze door Christus of door Lucifer uitgesproken worden ! Als een wonderbare aansporing het woord van Christus : “In jullie leeft de goddelijke vonk, jullie zijn goden.” - En Lucifers grote verzoeking : “Jullie zullen als goden zijn.” Dat zijn twee dezelfde uitspraken maar wat een geweldige tegenstelling ! Alles hangt ervan af waar de mens hier staat : aan de kant van Christus of aan de kant van Lucifer.

Geesteswetenschap laat ons de wereld in belangrijke mate begrijpen. Wij moeten in onze fysieke incarnatie iets van inzicht tot ons laten komen. Wij moeten ons door geesteswetenschap op de Aarde een begrip van Christus en Lucifer eigen maken, anders kunnen wij niet bewust in de wereldruimte opstijgen (na de dood). Nu begint de tijd op Aarde dat de mensen bewust moeten kunnen onderscheiden of het Christus of Lucifer is die na de dood woorden in onze ziel laten klinken. Wij moeten in het leven tussen geboorte en dood Christus op de juiste manier leren verstaan opdat wij niet slapend vanaf de Zontijd door de wereldruimte moeten dwalen. Ook wat betreft de kleinere dingen van het leven moeten wij op de geesteswetenschap terugvallen. Alsmaar meer zal duidelijk worden welke levenskrachten er kunnen verworven worden tussen dood en nieuwe geboorte. Mensen zullen geboren worden met verdorde lichamen omdat zij zich door hun afwijzen van de geesteswetenschap niet voorbereid hebben om uit de kosmos krachten te halen. De mensen moeten alleen al ter wille van de Aarde-ontwikkeling begrip krijgen voor de geesteswetenschap, te weten : vóór dit leven was je in een geestelijke wereld – dat zal de mensen, als ze zich opengesteld hebben voor de geesteswetenschap, gelukkig maken.

“De sterrenhemel boven mij, de morele wet in mij” – dat maakt de wereld pas groot. De mens zegt bij zichzelf : dat wat mijn innerlijk leven is, dat heb ik opgenomen in de sterrenwereld; dat wat ik de wereldruimte ervoer, dat licht nu op in mijn ziel; ge hebt slechte driften in uw ziel omdat ge tijdens het leven tussen de sterren niet gepoogd hebt de om sterrenkrachten op te nemen en de geestkracht van Christus.

Nu moeten we leren verwant te worden met de makrokosmos. Tegenwoordig kan de mens slechts aanvoelen en vermoeden wat tussen dood en een nieuwe geboorte gebeurt. Hij voelt : in het Aardebestaan leeft ge in de ziel en in uw geest bewaart ge de krachten van de sterrenhemel. – Als de mens op de juiste wijze meditatief deze uitspraak als voorstelling levend maakt, dan wordt die in hem een kracht die van immense betekenis is.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Antroposofie en monotheïsme


In de vorige Brug hadden we beloofd om dit onderwerp wat verder uit te diepen. We doen het met een uittreksel uit GA 172 “Het karma van het beroep”, de negende voordracht ( Dornach 26 november 1916).
Ooit stond in Brug 72 : “De mensen gaan naar de kerk en bidden tot de wezenheden die ze liefhebben. Wij nemen vaak de naam van Christus in de mond, maar wij bedoelen Ahriman …”
Hieronder legt Rudolf Steiner uit dat de monotheïstische gelovigen denken tot God te bidden, maar ze richten zich in feite tot hun eigen engel !


“Een van de verwijten die aan onze geesteswetenschap worden gemaakt door sommige theologen en door anderen die op de grondslag van het christendom denken te staan, maar dit niet werkelijk begrijpen, is dat er door deze geesteswetenschap waarheden worden geponeerd over een aantal hiërarchieën, hiërarchieën die wezens omvatten die boven de mens staan en die in de geestelijke wereld aanwezig zijn. Wij spreken zoals u weet over geestelijke hiërarchieën die de angeloi, de archangeloi, archai, exouslai enzovoort omvatten; en over deze rijken van de hogere, bovenzinnelijke werelden spreken wij net zoals over het dierenrijk, het plantenrijk, het minerale rijk, het elementaire rijk enzovoort binnen de aardse wereld. Wij realiseren ons ook dat het leven van de mens twee onderdelen omvat. Het ene verloopt tussen geboorte en dood. Gedurende dit leven of door dit leven daalt de mens af uit de bovenzinnelijke wereld naar de rijken die dan in zijn fysieke omgeving zijn: mensenrijk, dierenrijk, plantenrijk, mineraal rijk en zo verder. Wanneer de mens door de poort van de dood gaat, begint het andere onderdeel van zijn leven. Hij stijgt op tot de hogere rijken, hij stijgt op naar de rijken van de angeloi, archangeloi, archai enzovoort. Wie vandaag de dag meent op het fundament van het christendom te staan, al begrijpt hij het niet, die betwist vooral de opvatting dat er wezens zouden bestaan tussen de mens en de eigenlijke, ver boven de mens staande godheid.

Vooral diegene die bijzonder progressief denkt te zijn in zijn christelijke wereldbeschouwing, zal al gauw zeggen dat die onderscheiding van de geestelijke hiërarchieën en hun wezens een terugval is in een oud polytheïsme of, zoals men dat noemt, in een soort heidendom. Want, zo zegt men, het is toch juist de opgave van de mens van onze tijd om tussen zichzelf en de godheid niets te plaatsen, maar in de wereld te leven, de ogen te richten op wat zich zintuiglijk manifesteert en dan de directe weg naar de godheid te vinden, zonder bemiddeling van engelen, aartsengelen enzovoort. En velen zien dat als iets buitengewoon verhevens, om zo zonder bemiddeling, zoals zij dat noemen, tegenover hun God te staan.

Deze tegenwerping tegen de geesteswetenschap kan men tegenwoordig van veel kanten horen, en ze laat zien dat juist in de kringen waarin ze wordt geuit absoluut geen inzicht bestaat in de vraag wat de geestelijke behoeften van onze tijd nu eigenlijk zijn. Want het gaat er waarachtig niet om of een mens zich verbeeldt dat hij de weg kan vinden van zichzelf naar zijn God, maar of hij dat in werkelijkheid kan. Het komt er werkelijk niet op aan of de mens zich verbeeldt dat hij zich zijn God voorstelt, het komt erop aan of hij hem zich werkelijk voorstelt. En van ons gezichtspunt uit moeten we vragen: wat stellen zij zich in feite voor, diegenen die zich hun God voorstellen, zeggend: wij willen niets weten van een bemiddeling door andere geestelijke wezens, maar wij willen direct vanuit onze ziel opstijgen tot God — wat stellen zulke mensen zich voor? Stellen zij zich werkelijk God voor als ze over God denken of spreken ?

Wanneer men alle begrippen doorloopt die zulke mensen zich van hun God maken — wat komt er dan in zulke begrippen naar voren? Niets anders dan het wezen van een engel, een angelos, en al die mensen die zeggen dat zij vanuit hun ziel direct tot God opzien, zien slechts naar een engel op. En zoekt u ze maar op, alle beschrijvingen die zulke mensen gegeven hebben, ook al klinken ze nog zo verheven, dan zult u zien: zij beschrijven niets anders dan een engel; wat deze mensen tot uitdrukking brengen is niets anders dan de eis dat men zich onder God niets hogers moet voorstellen dan een engel. Wat men bijvoorbeeld tegenwoordig de moderne protestantse God noemt en waarover juist van protestantse zijde zo veel gesproken wordt, is een angelos, een engel, en niets anders. Want van belang is niet of men zich inbeeldt dat men de weg tot de hoogste God vindt, het gaat erom waartoe men werkelijk de weg vindt. En op deze wijze vindt men alleen de weg tot zijn engel. Ik zeg: tot zijn engel, want dat is belangrijk.

Als we namelijk om te beginnen alleen de wezens van de laagste hiërarchieën beschouwen: archai of geesten van de persoonlijkheid zoals wij ze ook hebben genoemd, archangeloi of aartsengelen, angeloi of engelen, dan komt daarna de mens, dan het dierenrijk, dan het plantenrijk en dan het minerale rijk.
Als we deze relatief laagste wezens beschouwen, hoeven we slechts te herinneren wat we vroeger al hebben besproken om te zien dat de archai, de geesten van de persoonlijkheid, tevens tijdgeesten zijn. Zij zijn de regerende machten van de gehele tijdperiode, dat wat de geest van de gehele tijdperiode uitmaakt. Wij leven nu in een andere geestelijke constellatie dan de oude Grieken of oude Romeinen, omdat wij door een andere tijdgeest geregeerd worden. Zo'n tijdgeest is al een zeer verheven wezen.

Daaronder vinden wij dan de wezens die we archangeloi noemen. Zij zijn ertoe geroepen de harmonie tussen de mensen op aarde tot stand te brengen Daardoor zijn zij in zeker opzicht ook de leiders van de volksstammen.
De angeloi, de wezens die direct boven de mens staan, leiden de mens door de poort van de dood, zodat hij in zekere zin zijn engel aan zijn zijde heeft van de dood tot aan zijn nieuwe geboorte, en zij leiden hem ook weer het nieuwe leven binnen. De angeloi hebben de opdracht de individuele mens door zijn herhaalde levens op aarde te begeleiden.

Dan komen we nog een trap lager bij de mens zelf. De mens zoals deze nu op aarde is, omvat in zijn herinnering alleen zijn leven hier in zijn fysieke lichaam. De herinnering van de engelen gaat veel verder, want alleen daardoor kunnen zij de herhaalde mensenlevens op aarde sturen en leiden. Zoals de moderne theoloog zich zijn engel voorstelt is dus niet eens juist, omdat de moderne theoloog deze eigenschap van de engel weglaat, dat hij de menselijke individualiteit door de herhaalde levens op aarde leidt. Als wij in aanmerking nemen dat wij pas op het moment dat we tegenover de aartsengelen staan, te maken hebben met wezens die menselijke gemeenschappen besturen, en bij de tijdgeesten met wezens die die menselijke gemeenschappen gedurende langere tijdperken besturen, dat wij bij de engelen te maken hebben met wezens die hoofdzakelijk het leven van de afzonderlijke mens bestieren, dan zullen we niet ontkennen, als we dat alles in het oog houden, dat het een verborgen vorm van egoïsme van de mens is zich direct tot God te willen verheffen, want de mensen willen zich in werkelijkheid — al geven ze dat niet toe — alleen maar tot hun god, tot hun eigen engel verheffen.

Dat heeft een grote praktische betekenis, dat is van groot belang, want het draagt een bepaalde kiem in zich. De werkelijkheid is dat de mensen wel van de ene God spreken, maar dat dat slechts een drogbeeld is. Want terwijl de mensen zich aan dit drogbeeld overgeven, spreekt ieder van zijn eigen god, namelijk van zijn engel. En het gevolg daarvan moet zijn dat na verloop van tijd ieder mens zijn eigen god, namelijk zijn eigen engel aanbidt. En we zien nu al hoe sterk die drang van ieder mens is om zijn eigen god te aanbidden.
Dat mensen elkaar vinden in goden die zij gemeenschappelijk hebben, dat is de laatste tijd zeer zeldzaam geworden. Dat ieder prat gaat op zijn eigen god is een zeer opvallend verschijnsel. Het mensengeslacht wordt geatomiseerd. In zekere zin blijft alleen nog maar het woord 'god' over, dat voor de mensen van één taal gemeenschappelijk luidt, maar onder dit ene woord stelt iedereen zich iets anders voor, namelijk zijn eigen engel. En hij komt niet eens tot het niveau van de aartsengel, die menselijke gemeenschappen leidt.

Daar ligt een zeker verborgen egoïsme aan ten grondslag, dat de mensen niet willen toegeven. Maar het is belangrijk als we ons dit voor ogen houden, want de mens leeft eigenlijk in een onwaarheid als hij zichzelf niet bekent: ik zie op tot mijn engel, maar zichzelf wijsmaakt: ik zie op tot de alomvattende ene God. Hij leeft in een mistige voorstelling, dat wil zeggen in een innerlijke begoocheling, in een innerlijke maya.

En dat heeft belangrijke gevolgen, want doordat de mens zich laat meeslepen door deze innerlijke begoocheling, gebeurt er iets heel specifieks. Want door het feit dat wij ons door waanvoorstellingen laten meeslepen, veranderen wij de geestelijke werkelijkheden niet, die ten gevolge van wat wij ons juist of onjuist voorstellen, ook werkelijk ontstaan. Door slechts tot zijn engel op te zien, zich dit echter niet te willen realiseren, maar te geloven dat hij tot God opziet — terwijl hij niet eens bij een aartsengel uitkomt — door deze onware voorstelling verdooft de mens in zekere zin zijn ziel. Deze verdoving van de ziel is tegenwoordig alom aanwezig. Maar als men zijn ziel verdooft, dan is dat voor de huidige ontwikkeling van de mens buitengewoon rampzalig. Want door die verdoving van de ziel wordt het Ik omlaaggedrukt en beneveld, en dan sluipen andere machten, die er niet in werkzaam mogen zijn, de ziel binnen. Dat wil zeggen, in de plaats van de engel die men aanvankelijk wilde aanbidden, die men echter omdoopt tot 'God' , sluipt de luciferische angelos binnen, en op den duur aanbidt men niet zijn engel maar de luciferische angelos. Dan echter is het hellend vlak dat de mens omlaag trekt zeer nabij; dan scheelt het niet veel of hij verloochent God helemaal, dat wil zeggen zijn engel hetgeen altijd samenhangt met de verloochening van het ware menselijke Ik. ( … )

Wij moeten dus goed inzien dat in veel opzichten het volgende antwoord moet worden gegeven op de vraag wie er schuld draagt aan het materialisme van onze tijd: de godsdiensten dragen schuld, de religieuze overtuigingen, doordat zij het bewustzijn van de mens vertroebelen en in de plaats van God een engel stellen, in wiens plaats dan weer de luciferische engel treedt, die met hem samenhangt.
En deze luciferische engel zal de mens onverwijld het materialisme binnenleiden. Daar hebt u de mysterieuze samenhang. Die hoogmoedige, egoïstische geloofsbelijdenissen, die niets willen horen over iets dat boven een engel zou staan, maar toch in mateloze hoogmoed beweren over 'God' te spreken terwijl zij slechts over een engel spreken - daarover nog niet eens alomvattend - deze mateloze hoogmoed, die daarbij ook nog vaak deemoed wordt genoemd, die moest tenslotte het materialisme wel teweegbrengen.

Als we dit bedenken, zien we een belangrijke samenhang: door de verkeerde duiding die een engel tot God maakt, ontstaat in de mensenziel de hang naar het materialisme. En daaraan ligt een onbewust egoïsme ten grondslag, dat erin tot uiting komt dat de mens het versmaadt zich op te werken tot kennis van de geestelijke wereld; dat ook tot uiting komt in het feit dat de mens meent als het ware alleen vanuit zichzelf, zonder bemiddeling, de verbinding tot zijn God te kunnen vinden. U krijgt een inzicht in veel dingen die in deze tijd gaande zijn als u onder ogen ziet wat ik u hier heb aangeduid. Er bestaat maar een enkel middel tegen de verkeerde duiding van God, en dat is het erkennen van de geestelijke hiërarchieën. Want dan weet men ook dat de tegenwoordige geloofsovertuigingen niet hoger komen dan de hiërarchie van de angeloi.

Als wij dit op deze wijze bezien, bewegen we ons min of meer op het niveau van wat de mens ontwikkelt als zijn bewustzijnsleven; maar veel leeft ook in de mens onbewust, of ten dele bewust. En wij kunnen nu zeggen: de verbinding van een mens met zijn engel is een realiteit, maar de verbinding van een mens met de aartsengelen-hiërarchie en met de archai-hiërarchie is evenzeer een realiteit. De min of meer bewuste verkeerde duiding van de engel leidt ook min of meer bewust tot de wereldbeschouwing van het materialisme; niet bij de afzonderlijke mens, maar als een geleidelijke ontwikkeling in de loop van dit tijdperk. Dat is iets wat zich wel degelijk nog bewust in de ziel afspeelt. Maar gaat het om de verhouding van de mens tot de aartsengel-hiërarchie, dan bevinden wij ons al niet meer in een gebied waarover de mens veel weet, waarover hij soms wel veel spreekt, maar waarover hij weinig weet. Wij hebben tegenwoordig natuurlijk wel geloofsbelijdenissen die weliswaar niet aan de hiërarchie van de aartsengelen, maar heel vaak toch aan één aartsengel zijn gericht, geen duidelijk uitgesproken geloofsbelijdenissen, maar een toeneiging, een gevoelsmatige toeneiging tot de een of andere aartsengel. In de negentiende eeuw is dat tenminste op één gebied buitengewoon productief geweest: in het opkomen van de nationaliteitsideeën; daaraan ligt onbewust ten grondslag een negeren van de samenwerking tussen de aartsengelen en een uitsluitende sympathie voor één aartsengel. Daaraan ligt eenzelfde soort egoïsme ten grondslag, maar dan een sociaal egoïsme, als aan de sympathie voor één engel.

Nu zou het natuurlijk voor de hand liggen om ook te beschrijven wat er in het kielzog van deze toeneiging, deze sociaal-egoïstische sympathie voor een aartsengel optreedt, net zoals op bewust niveau het materialisme optreedt in het kielzog van de verkeerde duiding van de engel. Maar daarmee begeef je je vandaag de dag op glad ijs, want dat is niet bepaald iets wat in onze tijd besproken kan worden.

Nog ondoorzichtiger zijn de relaties van de mens tot de archai, tot de tijdgeesten. Die liggen in zekere zin al heel diep verborgen. Tot de engelen hebben de mensen tenminste nog een bepaalde verhouding ook al geven ze dat niet toe, want wanneer zij zeggen: ik geloof in God, geven zij het op een verkeerde manier toch toe. Met de engelen willen de mensen tenminste nog in contact treden.
Met de aartsengelen gaan zij gevoelsmatig, doordat zij op grond van hun bloed of iets dergelijks hun saamhorigheid met een bepaalde groep belijden, een voor deze tijd verkeerde verbinding aan.

Dat voert op dwaalwegen die ik, zoals ik al zei, vandaag niet beschrijven wil, niet beschrijven kan.

Ook waar het de tijdgeesten betreft raakt men op soortgelijke dwaalwegen. Maar ook daar hechten de mensen zich gewoonlijk aan de ene tijdgeest die zich juist als de geest van hun tijdperk presenteert. Bedenkt u eens hoe wij trachten door de geesteswetenschap deze egoïstische, deze tijds-egoïstische uitingen tegen te gaan door de opeenvolgende tijdperiodes met hun typerende kenmerken te schilderen en op ons te laten inwerken, om als het ware ons hart en onze ziel uit te breiden over de hele aardeontwikkeling, ja, over de hele kosmische ontwikkeling, om daardoor, al is het voorlopig maar in gedachten, een verhouding te krijgen tot de verschillende tijdgeesten. Maar dat willen de mensen tegenwoordig niet.
En we zouden veel moeten beschrijven van wat we gisteren hebben aangestipt, als we de dwaalwegen zouden willen beschrijven waarop de mensen door dit egoïsme jegens de tijdgeest terechtkomen. ( … )

Maar zodra we over die dwaalwegen in verband met de tijdgeest spreken, komen we al op gebieden die van buitengewoon belang zijn. Als de mens, door zijn engel tot 'God' om te dopen, in plaats van bij deze engel bij de luciferische engel belandt, dan is dat een misvatting van het geloof, een religieuze, een wereldbeschouwelijke dwaling die in zekere zin individueel is. Wat erop volgt kan een dwaling zijn van hele volkeren; maar het blijft altijd een dwaling om zo te zeggen onder mensen, en de gevolgen ervan treden gewoonweg als gevolgen van dwalingen onder mensen op. Maar als we nog verder komen tot bij de tijdgeest, en tegenover hem de verkeerde weg inslaan, dan raken wij met onze dwalingen aan de kosmos. En er bestaat een mysterieus verband tussen deze dwalingen tegenover de tijdgeest en de kiemen van wat de mens kosmisch als het ware op zich laadt. Dit verband ziet men niet, als men ieder perspectief voorbij de engelen afwijst. Wat ik nu zeg, mag ieder zo opvatten als hij kan. Het wordt gezegd vanuit de geesteswetenschap op grond van diepgaande onderzoekingen, maar ik zou maanden lang moeten spreken als ik al deze onderzoekingen in details zou willen weergeven.

De dwalingen die de mens tegenover de tijdgeest begaat, hebben hun weerslag op kosmische gebeurtenissen, en de kosmische gebeurtenissen hebben op hun beurt een weerslag op ons. En het gevolg van het feit dat er nu in het mensenleven kosmische gebeurtenissen ingrijpen, de aanzet althans van kosmische gebeurtenissen, is decadentie, decadentie tot in het fysieke lichaam, met andere woorden: ziekten en sterfelijkheid en alles wat daarmee samenhangt. En misschien zal de mensheid in een niet eens zo verre toekomst zich ervan bewust worden dat zij door veel van wat zij op het fysieke plan verricht, voor zover dit van dien aard is dat het tot de tijdgeest doorstoot, destructieve krachten in de aardeontwikkeling oproept, die zover gaan dat zij ziekte en dood teweegbrengen. Als u zich dan met de inzichten die u gewonnen hebt afvraagt of misschien veel van wat er in de jongste tijd gebeurt een dwaling kan zijn tegenover de tijdgeest, dan zult u zelf het antwoord kunnen vinden op grond van diepliggende verbanden die uitstralen tot in ziekte en dood, waardoor menige zonde die de mens tegenover de tijdgeest begaat wordt vereffend.

We weten allemaal heel goed dat de mensen van tegenwoordig, intelligent als ze zijn, alleen maar lachen wanneer zoiets wordt gezegd.
Want vanuit hun natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing weten zij dat het toch, zoals zij zeggen, onzinnig is te geloven dat wat een mens doet, wat mensen in hun gemeenschappen doen, elementaire gebeurtenissen zou kunnen teweegbrengen. Maar de tijd is niet veraf dat de mensen dit wel zullen geloven, om de eenvoudige reden dat ze het dan zullen zien.

Voor een werkelijke levensbeschouwing, die in staat is het mensenleven te dragen, ontbreekt het onze tegenwoordige tijd aan ernst.
Daarom is een van de eerste eisen aan iemand die zich met geesteswetenschap wil bezighouden dat hij deze ernst tot ontwikkeling brengt en zich werkelijk een weinig verdiept in de gang van de menselijke ontwikkeling. Wij hebben er vaak op gewezen dat de aarde-ontwikkeling eigenlijk pas zin heeft door het mysterie van Golgotha, en wij hebben tot nu toe ook al veel naar voren gebracht wat een belangrijk licht werpt op het mysterie van Golgotha. Maar wil men de volledige betekenis van dit mysterie van Golgotha inzien, dan vraagt dit om een steeds grotere precisie in de karakterisering. Iemand kan vragen: maar hoe komt een mensenziel nu eigenlijk tot Christus? En je kunt zeggen, aangezien Christus vanzelfsprekend een hoger wezen is dan alle archai, dat de weg tot Christus gevonden moet worden.

Want langs de weg van de gewone geloofsopvattingen wordt niet Christus gevonden, maar hoogstens een angelos, zoals we hebben gezien. Men kan zich gedragen zoals de mensen zich tegenwoordig gedragen, uit naam van de verschillende angeloi, zelfs nog van sommige aartsengelen — wanneer de luciferische de plaats hebben ingenomen van de vooruitstrevende — maar uit naam van de Christus kan men dit niet. Want het is een absolute onmogelijkheid, een feitelijke onmogelijkheid, dat twee mensen die vijandig tegenover elkaar staan, beiden volgelingen van Christus zijn. Ik geloof niet dat het moeilijk is dit in te zien, want het is om zo te zeggen een vanzelfsprekendheid. Het kan alleen op voorwaarde dat men wel de naam uitspreekt : 'Christus, Christus' of 'Heer, Heer' zoals de Christus het zelf heeft aangeduid — maar eigenlijk alleen de eigen engel bedoelt; maar men kan het niet als men werkelijk over de Christus spreekt.”


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Kunstmatige intelligentie en etherisch zicht


De mens wordt tegenwoordig overspoeld met propaganda, leugens, tegenstrijdige berichten, gemanipuleerde beelden. Hoe kunnen we nog weten wat de waarheid is ?
Rob Gruben, de Nederlandse antroposoof van wie al zes boeken verschenen zijn bij de uitgeverij Nearchus, heeft het over deze problematiek in zijn laatste boek “Maatschappelijk problemen door spirituele onwetendheid”.

Door het gebruikmaken van moderne technieken wordt het in onze tijd op fysiek-materieel niveau steeds moeilijker om te beoordelen wat waarheid is, om een onderscheid te kunnen maken tussen wat werkelijk gebeurd is en wat kunstmatig gecreëerd is. Denkt u maar aan bijvoorbeeld photoshop en deepfake video’s, waardoor er beelden en berichten de wereld in komen waarvan het volstrekt onduidelijk is of deze enige vorm van waarheid bevatten. Dergelijke beelden en berichten worden massaal voor propagandistische doelen gebruikt. ( …. )
Datgene wat waar is en wat in rechtstreekse verbinding staat met het levende geestzielewezen van de mens, is steeds moeilijkerte onderscheiden van kunstmatig gegenereerde beelden en berichten die onze wereld via de digitale media overspoelen.
Op fysiek-materieel niveau is de “waarheid” steeds lastiger te herkennen. Maar op etherisch niveau ligt dat anders : de etherstructuur van kunstmatig gegenereerde zaken is namelijk duidelijk anders dan die van rechtstreeks door de mens in de wereld gebrachte inzichten. Het onderscheid is daarom enkel en alleen te maken door het etherisch zicht.

Spiritueel gezien is er altijd sprake van een soort evenwicht.
Denkt u maar aan het bekende gezegde “waar veel licht is, is veel schaduw”. Dit betekent dat de almaar groeiende opkomst van allerlei kunstmatig gegenereerde informatiedragers (de schaduw), hand in hand moet gaan met een toename van etherische helderziendheid (het licht). En dat laatste ontstaat tegenwoordig door de vorming van de morele ether, waardoor het menselijke etherlichaam kwalitatief en kwantitatief groter wordt en daarmee in relatie kan treden met de hem omringende omgeving én de informatiedragers die daarin aanwezig zijn! ( ….. )

Hoe voltrekt zich dit proces? Hoe komt het dat de etherstructuren van iets wat rechtstreeks uit de geestziel van de mens komt, afwijken van die welke door iets kunstmatigs worden voortgebracht? Voor de beantwoording van die vragen moeten we ons richten op de wereld van de levenskrachten, die tevens de wereld der natuurwezens is. Alle natuurwezens tezamen vormen het levenslichaam van Moeder Aarde. Deze aardeschil van etherkrachten is tevens de plaats waar herinneringen worden opgeslagen. In esoterische geschriften wordt dit aangeduid als de Akasha-kroniek. Daarom hoeven natuurwezens niets te onthouden: wanneer zij iets uit het verleden te weten willen komen, dan hoeven zij alleen maar hun blik te werpen op dat deel van de etherwereld waarin die specifieke informatie is opgeslagen. Alles wat ooit in de ether is afgedrukt, is voor hen direct aanschouwbaar.
Ze raadplegen simpelweg de Akasha-kroniek. Vandaar de voor ons mensen soms onvoorstelbare kosmische wijsheid die de natuurwezens in hun communicatie richting ons tentoonspreiden. Ook alle informatie van ons eigen leven wordt bewaard in de etherstructuren van ons levenslichaam. Denkt u maar aan het levenspanorama dat ons bij de dood vanuit het etherlichaam gespiegeld voor het geestesoog wordt gebracht. De mens voelt zich dan als het midden van een sferische bol, waarin hij één en al zintuig is. In gelijktijdigheid kan hij vanuit het centrum dan de hele inhoud van de bol waarnemen, de hele inhoud van zijn zojuist afgesloten leven. Zijn vroegste jeugd, de middenleeftijd, de laatste jaren voor het sterven, alles is gelijktijdig voor zijn geestesoog aanschouwbaar.

De lineaire aardse tijd is in die eerste fase van het geestelijk bestaan tot sferische ruimte geworden. En in die etherruimte is alles vastgelegd. Wanneer we dit gegeven nu koppelen aan ons verlangen om in de fysiek-zintuigelijke wereld aan informatiedragers de “waarheid” te kunnen aflezen, dan brengt ons dat bij iets wat door Marko Pogacnik in zijn boek "Evangelie van het hart" heel helder wordt verwoord.
Wanneer hij daarin namelijk over etherische verschijnselen spreekt, dus over verschijnselen die zich voordoen in de wereld der levenskrachten en natuurwezens, dan zegt hij:

‘Het verrassende daarvan is dat bij de ethervormen heel wat tot uitdrukking komt wat de fysieke vorm van het voorwerp niet is aan te zien. In de regel gaat het hierbij om sporen van bewegingen of om gevoels- en gedachtenkwaliteiten. Als bijvoorbeeld een kom vrij lange tijd is gebruikt om er iets in te roeren, dan zal die beweging in de ether vorm te ‘zien’ zijn, ook al wordt die kom al geruime tijd niet meer gebruikt. Als de kom, om het voorbeeld aan te houden, ook nog een rituele functie had, wordt zijn etherische gedaante door een bepaalde kwaliteit verrijkt’.

De ether heeft van zichzelf de kwaliteit van het opslaan, van het bewaren, en is dus bij uitstek geschikt om te achterhalen wat de ontstaansgeschiedenis van bepaalde informatie is. Met andere woorden, door etherisch zicht – een verschijnsel dat steeds meer eigen zal worden aan onze tijd – zien wij de achtergrond van het voorwerp dat ons de informatie aandraagt, zien wij de energie waaruit het is ontstaan of waarvoor het is gebruikt. Daarom zal in de nabije toekomst alleen het etherisch zicht nog duidelijkheid kunnen brengen over de ontstaansgeschiedenis van bepaalde informatie, omdat de geschiedenis van die informatie ligt opgeslagen in de ether. We kunnen dus de bron van waaruit bepaalde informatie afkomstig is, aflezen aan de etherstructuur van de betreffende informatiedrager. In het al genoemde boek van Marko Pogacnik wordt een voorbeeld gegeven van een Bijbeltekst die op een dergelijke manier etherisch wordt belicht. Daaruit blijkt dat zelfs vermenigvuldiging of vertaling van een Bijbeltekst, geheel los van de kwaliteit daarvan, aan de oorspronkelijke etherstructuren hoegenaamd niets kan veranderen.
De “waarheid”, oorsprong of ontstaansimpuls, is er levend mee verbonden. Pogacnik zegt:
‘Wat daarentegen een duidelijk spoor in het etherlichaam van een tekst zou nalaten, is een inhoudelijke verandering van de tekst waardoor in het organisme van de oorspronkelijke tekst een vreemde kracht is binnengevloeid. Op de plaats van een dergelijke inbreuk slaat de kwaliteit van het etherlichaam om en zal het anders aanvoelen’.

Met de oorspronkelijke, zuivere en Goddelijk geopenbaarde Bijbeltekst verbond zich op het moment van ontstaan een natuurwezen, in dit geval een papierwezen. Toen in later tijd de tekst werd aangepast, wat vaak geschiedde vanuit menselijke motieven ter verkrijging van macht en hiërarchie, verbond zich met dit zuivere papierwezen een gekleurde menselijke elementaal.
De toegevoegde tekst kon bijvoorbeeld een strenge vermaning in zich dragen, of zelfs een dreiging met verdoemd bestaan als men de regels niet zou navolgen. ( … )
Met zijn etherische helderziendheid kon Pogacnik dat onderscheid in de tekst waarnemen en de vormen ervan ook kunstzinnig gestalte geven in tekeningen die zijn boek verlevendigen.
De waarheid is dus gekoppeld aan het etherlichaam. Ondubbelzinnig stelt Rudolf Steinert dat ook in de vijfde voordracht van de bundel "Menschliche und menschheitliche Entwicklungswahrheiten. Das Karma des Materialismus", die hij op 3 juli 1917 gaf:

In het fysieke lichaam beleven we slechts de uiterlijke schijnwereld mee; enkel en alleen met ons etherlichaam beleven wij datgene mee, wat de harmonie met de gehele kosmos teweegbrengt. De waarheid ligt derhalve verankerd in het etherlichaam, en wie het etherlichaam niet erkent kan nooit de vraag “waar bevindt zich de waarheid?” beantwoorden. – Hij kan slechts de vraag “waar bevindt zich de zintuigelijke schijn?” beantwoorden -, maar niet de vraag naar de waarheid. Want de zintuigelijke schijn, die zich in het fysieke lichaam bevindt, wordt pas in het etherlichaam omgewerkt tot waarheid. Zodat de vraag naar de waarheid slechts door diegenen beantwoord kan worden, die de totale inwerking van het uiterlijke object op zowel het fysieke als het etherische lichaam erkent’. ( …. )

Hoewel het etherisch zicht nog pas in zijn prilste staat van ontwikkeling verkeert, hebben al wel veel mensen een aanvoelend vermogen om het ware van het onware te onderscheiden.
Alle ontwikkeling verloopt van boven naar beneden. Een zich spiritueel ontwikkelend Ik loutert in de loop van het leven zijn of haar astraallichaam, hetgeen gaandeweg de bewustzijnsziel tot ontplooiing en werking brengt. En het leven vanuit de bewustzijnsziel op zijn beurt zorgt voor impulsen naar het levenslichaam, waardoor zich langzamerhand uit de warmte-ether de morele ether differentieert. Daarmee is dan een solide basis gelegd voor het etherisch zicht, dat als gevolg van dit alles op termijn zal ontstaan. Maar niet alleen dat: een dergelijke ontwikkeling draagt tevens een gezondmakende impuls voor het levenslichaam van Moeder Aarde in zich. De met eigen menselijke Ik-kracht in vol bewustzijn tot ontwikkeling gebrachte morele ether, draagt op gezondmakende wijze haar krachten als vanzelf over op het levenslichaam van onze aarde. Er ontstaat als het ware een magnetische verbinding tussen het kwalitatief gegroeide menselijke etherlichaam en de etherschil rond onze aarde. De mens geeft een genezende impuls af voor de aangetaste levenskrachten van Moeder Aarde, die bijvoorbeeld ontstaan zijn door water dat gebruikt is voor de koeling van machines die kunstmatige intelligentie produceren. De menselijke Ik-kracht, die uiteindelijk een Christus-Ik-kracht is, is tot een dergelijke genezende impuls in staat. Maar het vergt wel tijd en doorzettingsvermogen van de mensheid om dit punt te bereiken.

Het bewustzijnszieletijdperk ving aan in het begin van de vijftiende eeuw. Vandaag de dag zijn er nog steeds legio mensen die nog maar nauwelijks iets van hun astraallichaam tot bewustzijnszielekwaliteit hebben kunnen omwerken. En ook al is het nu aan de orde van de tijd, zo zal het toch nog lange, lange tijd duren voordat het etherisch zicht bij een mensengroep van enige omvang bespeurbaar zal worden.

We moeten ons daardoor niet laten ontmoedigen: Rudolf Steiner heeft ooit gezegd dat een mens die er gedurende een lang leven in is geslaagd om slechts één kwalijke karaktereigenschap te louteren, te overwinnen of sublimeren, bij zijn overlijden een geweldig groots geschenk de geestelijke wereld binnendraagt. Nur wer strebend sich bemüht, den können wir erlösen. Spirituele ontwikkeling is een proces van lange adem en om bepaalde doelen te bereiken zijn soms meerdere incarnaties nodig. Maar de tijd waarin wij nu verkeren kan met al haar technische mogelijkheden wel een katalysator voor dat proces zijn; is dat ook al voor een toenemend aantal mensen. Want alleen door het ontwikkelen van etherisch zicht zal in de toekomst nog duidelijkheid te verkrijgen zijn over de achtergrond van een bepaald feit. Het herkennen van de “waarheid” wordt met andere woorden van het fysieke niveau langzaam overgebracht naar het etherische niveau. Over niet al te lange tijd zal het voor mensen zonder etherisch zicht niet meer mogelijk zijn om op fysiek-stoffelijk niveau te achterhalen wat waar is en wat niet. Er is dus een noodzaak aanwezig voor deze ontwikkeling! Het is tevens een opmaat naar een scheiding in het mensengeslacht, want vast blijven houden aan louter fysiek-stoffelijke kennisdragers, zichzelf afhankelijk maken van kunstmatige intelligentie, zal betekenen dat de betreffende mens zich afsnoert van de reguliere ontwikkeling die opwaarts streeft naar de wereld der levenskrachten. De mens houdt op te zijn. De zuiver materiële benaderingswijze zou voeren tot een planeet waarop Ahriman alleenheerser is en de mensen hem slechts slaafs zouden kunnen volgen op basis van kunstmatig gegenereerde en opgelegde processen.

Dit is iets wat vanuit bepaalde zwart-magische kringen wordt nagestreefd, omdat daardoor immers een slaafse meerderheid tot dienaar van een kleine elite zou kunnen worden gemaakt. Omdat in deze zwart-magische kringen het bestaan van een geestelijke wereld ten volle bekend is, maar zij desondanks streven naar een afgesnoerd zuiver materieel bestaan, richten zij zich – hoe vreemd dat in eerste instantie ook moge klinken – in toenemende mate op de wereld der etherkrachten. Immers, als zij in staat zijn om deze te manipuleren, als zij erin slagen de automatisch werkende en uitvoerende natuurwezens alleen voor hun doelen in te zetten, die wezens feitelijk tot slaaf te maken, dan maken zij het de Christelijk georiënteerde mensheid, de andere lijn in de scheiding der geslachten, zeer moeilijk om zelfs in de etherwereld de waarheid aan de structuren te kunnen herkennen. Daarom moeten de krachten van de spiritueel strevende mens geschoold worden.

De mens moet werken aan de ontwikkeling van de bewustzijnsziel om zich de Christelijke waarheid eigen te maken. Door de ontwikkeling van de bewustzijnsziel en de door de voortschrijdende tijd bewerkstelligde vaardigheid tot etherisch schouwen, zal de mens van de nabije toekomst in staat zijn om dwars door photoshop, deepfake video’s en kunstmatige intelligentie heen de waarheid te herkennen. Of beter gezegd: hij zal in staat zijn om de ontstaansimpuls van de informatiedragers te zien en daarop zijn handelen kunnen aanpassen. Spirituele ontwikkeling is dus het enige antwoord dat wij kunnen geven op de vraag hoe wij tegenwicht kunnen bieden aan de massieve en enorm krachtige zwart-magische stromingen, die tot doel hebben om de hogere geestelijke werelden dienstbaar te maken aan de materieel-stoffelijke sfeer en techniek van de aarde. Etherisch zicht geeft de mens weer een middel om te controleren wat waar is.
De bewust technische creatie van informatie voor een bepaald doel – nog los van de vraag of die informatie juist of onjuist is – kunnen we duiden als “propaganda” en die propaganda werkt op den duur als een massale inenting tegen waarheidsbevinding! Daarom stelt Rudolf Steiner in een voordracht die hij op 9 januari 1920 te Dornach hield en die is terug te vinden in de bundel "Geistige und soziale Wandlungen in der Menschheitsentwickelung" :

‘Een werkelijkheidsgeest is het uiteindelijk, die bij alles wat hij denkt, weet hoe datgene wát hij denkt, samenhangt met datgene wat buiten in de wereld gebeurt’.

Ook hier dus weer de nadruk op het van binnen en van buiten beschouwen van een bepaalde kwestie. Kunstmatig gegenereerde informatiedragers keren zich van buiten tegen deze van binnen werkende “Wirklichkeitsgeist” om te voorkomen dat mensen doorzien wat er werkelijk in de wereld gebeurt, of beter: wat er achter de schermen van het wereldgebeuren speelt. En wanneer door deze troosteloze situatie genoeg mensen de moed hebben opgegeven, of het eenvoudigweg uit een soort luiheid wel prima vinden dat zij zelf niet meer hoeven na te denken over grote kwesties, of verantwoordelijkheid hoeven te nemen voor de kennis die zij omarmen, dan geschiedt er nog wat anders: dan ontstaat er uit een massief collectivisme een astrale sfeer zonder grenzen! We hebben dat kunnen meemaken in de coronatijd: zelfs mensenrechten waren toen niet heilig meer. Astraliteit zonder de beheersing van een zelfstandig denkend hoger Ik, is volledig overgeleverd aan de vaak lagere impulsen van de valse informatiedragers óf aan de impulsen van hogere tegenmachten. ( …. )

Door de onbegrensde astraliteit veroorzaakt door de collectief omarmde, kunstmatig gegenereerde kennis, raakt nu ook het astrale omhulsel van Moeder Aarde besmet.
Vanuit de collectieve emotie, die niets minder is dan een onbewuste menselijke bijdrage aan de aardse astrale omhulling én aan het astraallichaam van planeetgeest Christus, zal er dan geen grens meer zijn voor de haat tegen een medemens die zelfstandig zijn spirituele en hogere Ik ontwikkelt, die de Christus in zichzelf zoekt en daarmee zijn eigen mening vormt. Daarin ligt de reden voor een verschijnsel dat wij tegenwoordig al kunnen waarnemen, namelijk dat steeds meer mensen zich onvrij voelen om hun afwijkende mening te laten horen. Het is niets minder dan een impliciet verbod om anders te denken dan de massapropaganda of de massahypnose ons voorschotelt.

In het tijdschrift "Der Europäer" van februari/maart 2025 verwoordt Thomas Külken het zeer raak, wanneer hij stelt dat wie afwijkt van het opgelegde narratief en wie de leugen van de valse informatiedragers ontzenuwt, zelf tot doel van de leugen wordt gemaakt: met zijn oer-eigen en zelfstandig geschapen gedachten wordt hij gedemoniseerd en als gevaarlijke brenger van valse informatie aan de schandpaal genageld. We hebben het gedurende de coronatijd voor onze eigen ogen zien gebeuren. Het zijn pogingen om het bewustzijn van een totale generatie met materialistische voorstellingen – onder meer verkregen uit kunstmatig gegenereerde intelligentie, zogenaamd ook statistisch en feitelijk onderbouwd – te manipuleren, waardoor de mens zijn ziels-geestelijke basis steeds moeilijker kan bereiken en begrijpen. De mens bindt zich door kunstmatig gegenereerde informatiedragers aan valse doelen en vertrouwt blindelings op de hierdoor verkregen “wetenschap”, waardoor zijn vrije wil steeds ondergeschikter wordt aan doelen van een machtige elite bestuurd door zwarte loges. Alleen spiritueel bewustzijn kan hiertegen een wapen zijn, omdat het hierdoor verkregen inzicht de ware ontstaansgrond van de informatiedrager ontmaskert. Niet voor niks is Ahriman als de dood voor inzicht en waarheid: die branden zijn wezen terug.


Stond fdw echt als kleuter vóór het eerste Goetheanum ?


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Klimaatverandering ?


Het Laatste Nieuws van 18 augustus 2026 :
In de dagelijkse podcast ‘HLN Vandaag’ beantwoordt weerman David Dehenauw de prangende weervragen van onze lezers en luisteraars.
De 88-jarige Arlette vraagt zich af waarom de opwarming van de aarde tegenwoordig aan de mens wordt toegeschreven. Vroeger hadden we immers ook al zwoele zomers, waardoor zij vermoedt dat het misschien om een natuurlijk fenomeen gaat.

“Zijn wij als mens verantwoordelijk?
Het antwoord is ja, alle studies wijzen dat uit”, verduidelijkt David.
Al erkent hij dat we vroeger ook intense hitte kenden. “In de zomer van 1947 hadden we bijvoorbeeld vier hittegolven in één jaar tijd. Iets wat we sindsdien niet meer hebben meegemaakt. Ook in 1976 noteerden we vijftien dagen op rij met temperaturen van 30 graden of meer. Dat het vroeger soms zeer warm was, staat dus buiten kijf.”
Wat is er dan precies veranderd? Volgens de weerman is het tegenwoordig vaker heet en bovendien ook intenser heet. “De afgelopen tien jaar hebben we een aantal keren de 40 graden bereikt, wat we vroeger niet hadden. Ook de minimumtemperaturen zijn fors gestegen. Tijdens de warmste weken zagen we minimumtemperaturen tussen 23 en 25 graden in sommige Waalse steden, wat voordien onbestaand was”, aldus David.
Verder benadrukt hij dat er vaker hitterecords sneuvelen en dat lange droge periodes nu vaker worden afgewisseld met intense en langdurige natte periodes. “Zoals de overstromingen in de Ardennen in 2021 en aan de IJzer in 2023. Ook bosbranden zoals in de Hoge Venen of rond de Middellandse Zee komen veel vaker voor dan vroeger.”

De meeste lezers waren niet akkoord.

- Een paar opmerkingen: de metingen in Ukkel bijvoorbeeld zijn absoluut niet te vergelijken met die van pakweg 50 jaar geleden, want Ukkel is enorm verstedelijkt sindsdien. En we weten dat dat een groot verschil maakt. Verder hebben we dit jaar poollicht gezien tot in Vlaanderen, en dat wijst op een verhoogde activiteit van de zon. Ik ben er zeker van dat de mens een invloed heeft op milieu en het planetaire ecosysteem (noem het aub niet “milieu”), maar de mens is maar 1 aspect.

- Wanneer de meteorologen met vergelijkingen afkomen , zijn die zo mank als mogelijk . In België zijn de eerste echte dagelijkse gegevens bijgehouden vanaf 1833 . Gestart is ene Cruysius in 1705 .
Vergeleken met de miljoenen jaren leeftijd van de aarde is dat een peanuts periode . De schilderijen van Breugel leren ons dat er in de middeleeuwen dikke lagen sneeuw lagen . Er zijn ook minstens 2 kleine ijstijden geweest . Boomringen vertellen langere verhalen . Ben geen wetenschapper maar twijfelaar

- 90% van de branden wordt aangestoken door mensen, met opzet of onvrijwillig door onoplettendheid. De droogte maakt dat de bosbranden heviger zijn.

- Ja, de mens speelt hier een rol in, zeker ook de mensen die bezig zijn met geo engineering.

- Kortzichtige conclusie op een toch wel erg korte periode.

- Jammer. Ik had veel respect voor dhr Dehenauw. Maar als hij ook al mee doet met de doemdenkers, dan haak ik af. Er is ocharme 0,4°C opwarming sedert 1979 (volgens de satelliet metingen) en 1979 viel in een koude periode van 1960 tot 1980. Als men rekent sedert de economische ontwikkeling (19e eeuw) dan kwamen we juist uit een kleine ijstijd, gekend als het Maunderminimum. Dhr Dehenauw weet dat ook.

- Er zijn in de loop van de geschiedenis zoveel klimaatveranderingen geweest van extreme koude naar hitte, van droogte naar altijd regen. Dat staat onomstotelijk vast vooral door verdwenen fauna en flora en veranderingen in de landschappen en continenten. De mammoet, de Beringenzee die ooit droog stond, de Noordzee dat vroeger een grasvlakte was, fossielen van vissen in de woestijn. Volledig de schuld bij de mens leggen? Nee. Ons een schuldgevoel geven? Ja. Vooral om ons te doen betalen.

- Een studie is nog steeds GEEN exacte wetenschap meneer Dehenauw.Maar ondertussen betalen de mensen wel allerhande milieubelasting!


Positief is dat vele mensen de bedoeling van die klimaathysterie doorzien : meer overheidsinterventie en meer controle op het privéleven en de consumpie van de burger.



MAAT = gemiddelde jaarlijkse luchttemperatuur



.

500 jaar droogtes en hittegolven in Île de France

De volgende tekst is de samenvatting van een artikel getiteld " Droogtes en hittegolven vóór de opwarming van de aarde – 1500-1950 ", (Editions Hermann) geschreven door klimaathistoricus Emmanuel GARNIER (Institut Universitaire de France – Quantitative History Research Center. UMR – CNRS Universiteit van Caen).

Pas sinds de tweede helft van de 17e eeuw zijn er directe gegevens over temperaturen beschikbaar. Om historische reeksen vóór het tijdperk van instrumentele metingen te reconstrueren, gebruiken klimaatwetenschappers proxygegevens (indirecte bronnen) zoals oogstdata of de studie van boomringen. Voor de studie van hittegolven gebruikte Emmanuel GARNIER de archieven over religieuze processies (de rogaties pro pluvia of pro serenitate) die in het grootste deel van het Middellandse-zeegebied plaats vonden op verzoek van de katholieke kerk of gemeentelijke autoriteiten. Daarmee reconstrueerde hij de perioden van extreme droogte die zich tussen de jaren 1550 en 2009 voordeden.

Het diagram hierboven geeft de verdeling in de tijd weer van de 69 gebeurtenissen van het type "droogte" die tussen 1550 en 2000 in Île de France werden geregistreerd, dat wil zeggen over een periode van 500 jaar. De gemiddelde duur van deze evenementen bedraagt ongeveer 101 dagen.

De curve hierboven toont de evolutie over de periode van het aantal gebeurtenissen als functie van hun duur, afgevlakt door een voortschrijdend gemiddelde van 29 jaar.

Deze curve toont duidelijk drie perioden van droogte met hoge intensiteit :
1540-1590, een warme periode van 50 jaar;
1620-1740, een hete tweede periode van 120 jaar;
1750 -1900, een koude periode van 150 jaar;
1900-1990, een derde warme periode die vandaag de dag voortduurt.

De "koude" periode 1750-1900 zou volgens de auteur kunnen overeenkomen met de laatste fase van de Kleine IJstijd (PAG) met tussen 1815 en 1859 de koude piek van de "tweede hyper-PAG".

De 16e eeuw kende 12 bewezen droogtes, een gebeurtenis om de 8 jaar gedurende een totaal van 1546 dagen. Het merendeel daarvan vond plaats in de tweede helft van de eeuw, met een grote ramp in 1578.

In de 17e eeuw vonden dertien van de meest intense droogtes plaats in de tweede helft van de eeuw. Een opmerkelijke episode valt op: de droogte van 1632, die tussen september 1631 en juli 1632 330 dagen duurde. Zoals gebruikelijk werd de heilige Geneviève op 23 juli als versterking geroepen in de vorm van een processie "voor de regen".

De 18e eeuw kende 21 droogtes (één gebeurtenis per 4,7 jaar) met een gemiddelde duur van 110 dagen.

De periode na 1830 werd gekenmerkt door droogtes die beduidend minder frequent en minder ernstig waren (minder dan 100 dagen): dertien droogtes in de 19e eeuw, tien in de 20e.

De prijs voor extreme gebeurtenissen gaat niet naar de 20e eeuw, maar naar de 18e eeuw, die met een gemiddelde duur van 105 dagen op de een of andere manier een soort piek van droogtes markeert.

Opmerkelijke droogtes in de 18e eeuw

De volgende lijst is ontleend aan een artikel gepubliceerd door Direction de la Météorologie Nationale onder de titel: " De grote zomers in Frankrijk: 1135-1800 ".

1704 Opmerkelijke droogte en hitte in het Zuiden en het Westen. In Beauce sterven veel maaiers door een zonnesteek.

1705. — Een verzengende zomer in Frankrijk. In Parijs wordt gedurende meerdere dagen 39 graden bereikt, terwijl in het zuiden de hitte zodanig is dat de Cassini- en Hire-thermometers springen door de uitzetting van de vloeistof . In het Zuiden is een " ondraaglijke hitte "; in Montpellier was op 30 juli de hitte gelijk aan die uit de oven van een glasfabriek en werden de eieren in de zon gekookt. Er waren tussen de 200.000 en 500.000 sterfgevallen als gevolg van besmet water.

1707. — De hitte is zo sterk in het Westen dat ‘in de tijd van het hooimaaien er niet alleen mensen, maar zelfs dieren aan stierven ". Op 19 juli telden mensen in de koets van Parijs naar Orléans, die die ochtend vertrokken vanuit Etampes, veertien paarden dood door hitte tot aan Orléans ".

1712. — Zeer hete zomer in Parijs. Warmte en grote droogte in het Zuiden.

1718 en 1719. — Twee verzengende zomers volgen elkaar op. Een vorm van Sahara- klimaat treft de regio Parijs en getuigen maken zelfs melding van de invasie van zwermen sprinkhanen uit Noord-Afrika, die gewassen tot aan Normandië verwoestten. Deze twee verzengende zomers veroorzaakten 700.000 doden, waarvan 450.000 alleen al in 1719. De slachtoffers zijn voornamelijk baby's en kinderen, die lijden aan dysenterie die wordt veroorzaakt door gebrek aan zuiver water.

1723. — Algemene droogte van drie maanden, die een ernstig tekort aan veevoer veroorzaakt.

1726, 1729 en 1731. — Over het algemeen droge jaren in heel Frankrijk, inclusief het zuiden. In 1731 viel in maart slechts 1 millimeter water in Parijs en in april 6 millimeter en om de nodige regen te verkrijgen werd begin mei de schrijn van Sint Geneviève naar buiten gebracht; in november van dat jaar lag het peil van de Seine 13 centimeter lager dan in 1719.

1736. — Grote droogte in Normandië: het duurt tot Allerheiligen en maakt het zaaien van wintertarwe gedurende de maand oktober onmogelijk. 1741. — De aartsbisschop van Parijs schrijft openbare gebeden en processies voor om een einde te maken aan de droogte die de regio Parijs en het centrum teistert.

1742 en 1743. — Droogte in Bretagne en het stroomgebied van de Seine: in 1743 verspreidde deze droogte zich over een groot deel van West-Europa.

1751. — In het zuidwesten kwam "na een verstoorde en regenachtige lente een buitengewone droogte met grote hitte waardoor de oogst verloren ging. De graslanden hadden geen gras. Het was een zeer kritiek en arm jaar. "

1757 en 1759. — Hete en droge zomers in het noorden en oosten. In Normandië waren de maanden juni en juli 1757 en die van juli en augustus 1759 bijzonder heet en droog. In Parijs werden op 14 en 20 juli 1757 temperaturen van 37°5 genoteerd.

1767. — Het water van de Seine is 27 centimeter lager dan in 1719.

1772. — In het Zuiden, " werd de maïs gezaaid en geoogst zonder regen, de droogte duurde ongeveer zes maanden ". In Parijs bereikt de temperatuur vanaf juni 36°.

1778. — In Parijs is de Seine 8 centimeter lager dan in 1719.

1784. — In Bourbonnais betekende "voortdurende droogte dat alle vijvers, bronnen en de meeste putten waren opgedroogd en alleen manueel kon worden gemalen" (watermolens inactief).

1785. — Grote droogte in heel Frankrijk. In Parijs viel van 1 maart tot 31 mei slechts 21 millimeter. In veel bisdommen schrijven bisschoppen openbare gebeden voor om regen te vragen.

1788. — Droogte in het zuidwesten. Tijdens de vergadering van 14 mei 1788 besloot de gemeenteraad van Montauban de bisschop te schrijven om hem te vragen openbare gebeden te gelasten "om uit de hemel het einde te verkrijgen van de verschrikkelijke droogte die al heel lang heerst en de vruchten van de aarde aan de grootste gevaren blootstelt ".

1790. — Zomer en herfst zijn zo droog in de noordelijke helft dat de wijnstokken in veel regio's bijna niets opleveren

1793. — In Loiret, overmatige hitte van eind juni tot eind augustus: "groenten gedroogd op hun stengels, fruit verbrand aan bomen, vlees oneetbaar in minder dan een uur". In de Champagne kenmerken hitte en droogte de maanden juli tot en met oktober. In Parijs werden op 8 juli 1793 38°4 geregistreerd en gedurende dit jaar werd er slechts 331 millimeter regen opgevangen.

(Bron : https://www.climato-realistes.fr/emmanuel-garnier-500-annees-de-secheresses-et-de-canicules-en-ile-de-france/ )



De eerste installatie om co² uit de atmosfeer te halen :
kost 4,5 miljoen dollar om 900 ton koolstof te verwijderen.
Kun je ook oplossen door voor 7500 dollar bomen te planten.




De hitterecords werden verbroken !
Natuurlijk, in plaats van de temperatuur te meten op 2m hoogte meten ze die nu op de grond !



De burger moet investeren in zonnepanelen, voor de “elite” is dat niet nodig ….



Peren geoogst in Argentinië, verpakt in Thailand, verkocht in de Verenigde Staten, maar jouw oude auto, die is het probleem !


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


Terug naar het thuisblad