De Brug 33

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

Op het ogenblik dat we onderstaande tekst schreven geloofden we nog het officiële verhaal.
Drie maand later, in Brug 34 hadden we een beter beeld van de achtergronden van 9/11.
.

Woorden die de Amerikaanse president had kunnen spreken na de gebeurtenissen van 11 september 2001

door François De Wit

Amerikanen, landgenoten,

Een zware slag heeft ons getroffen. Gaan we nu verder met 'business as usual', gaan we wraakplannen smeden, of gaan we ons even bezinnen: hoe is het zover kunnen komen ?

De Amerikaanse geest heeft de wereld ingrijpend veranderd. De materiële vooruitgang tijdens de laatste vijftig jaar is onvoorstelbaar geweest. De spirituele en morele achteruitgang even zeer. Wij zijn verworden tot een natie van handeldrijvers. Wij hebben ons verrijkt ten koste van de rest van de wereld.

Onder onze impuls is de wereld een groot dorp geworden. Maar hoe ziet dit dorp eruit ?

De wereldsituatie omgerekend naar een dorp van 100 inwoners geeft ons het volgende beeld:

In ons dorp wonen
57 Aziaten, 21 Europeanen, 14 Amerikanen, 8 inwoners uit Afrika.

Er zijn 70 niet-blanken en slechts 30 blanken, naar geloof zijn er 70 niet-Christenen en maar 30 Christenen. En vooral:
zes mensen bezitten 59% van de welvaart van de gehele wereld en alle zes komen ze uit de Verenigde Staten !

Tachtig mensen huizen in onwaardige woningen, 70 zijn analfabeet, 50 lijden aan ondervoeding en 1 is nagenoeg dood.

Slechts één (ja, werkelijk maar één ) heeft een hogere opleiding gevolgd en één bezit een computer.

Wij, die voedsel hebben in de koelkast, kleding om te dragen, een dak boven ons hoofd en een plaats om te slapen, wij zijn beter af dan 75 andere bewoners van ons dorp.

Wij, met geld op de bank en in onze portemonnaie, wij behoren tot de top van de 8 rijkste mensen.

Moet het ons verbazen dat enkele armoedzaaiers het uitstalraam van de grootste en duurste boetiek aan diggelen slaan ? We waren verwittigd. Vele van onze landgenoten, waaronder Benjamin Barber, analyseerden de situatie zeer scherp, maar wij lazen hun boeken niet, wij hadden het te druk met winst maken.

Amerikanen, laten wij ons bezinnen over de grondslagen van deze natie. Denken wij aan het Amerika van Alexis de Tocqueville, een echt democratisch Amerika, waar het volk bepaalt wat voor een maatschappij het wil, waar het volk ook de grenzen van de economie bepaalt. Ons economisch systeem heeft zowel rechtsleven als cultureel leven overwoekerd. Laat ons de voorrang geven aan het rechtsleven, want juist in de sfeer van recht en onrecht hebben wij zwaar gezondigd. En het zijn de druiven der gramschap die wij nu plukken en die ons bitter smaken.

Laat ons de ruïnes van ons Wereld Handels Centrum bewaren, zoals het Colosseum in Rome, als de herinnering aan een decadent tijdvak dat voorgoed achter ons ligt.

Ik hoop, landgenoten, dat iedereen het zijne zal doen om een nieuwe koers aan dit land van ons te geven.

Naar Brug 34 - Elf September 2001.


*

*

*




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

De sociale impuls van de antroposofie


In zijn boek Germinal (verschenen in 1885) beschrijft Emile Zola (1840 - 1902) het dagelijks leven in een mijnwerkersdorp in Noord-Frankrijk. We leren verschillende personages uit verschillende sociale klassen kennen.
Het meest in beeld komt natuurlijk de arbeidende bevolking, de mijnwerkers. Deze mensen gaan gebukt onder extreme uitbuiting, lage lonen, hoge werkdruk, gebrek aan hygiëne, gevaarlijke werksituaties.
Het meest onzichtbaar blijft de hoge burgerij, het grootkapitaal dat ver weg in Parijs resideert als een naam- en vormloos wezen dat verschillende industriële ondernemingen bezit, waaronder de Voreux-mijn, waar het in dit verhaal om draait.
Dan zien we nog een brede middenklasse van functionarissen en technici, in dienst van de mijndirectie, samen met kleine aandeelhouders die royaal kunnen leven van wat de mijnen opbrengen. Als enkeling verschijnt ook hierbij nog het verdwijnend type van zelfstandige ondernemer die maar één mijnschacht bezit, en die bij de eerste crisis gedwongen is zijn mijn te verkopen aan het grote concern, en zelf in dienst treedt van dit concern.

Voor de moderne lezer is het bijna onvoorstelbaar met welk een gelatenheid de arbeidersfamilies van toen hun mensonwaardig lot aanvaardden, en met welk een vanzelfsprekendheid de gegoede burgers genoten van hun welvaart. Mensonwaardig ... het is gemakkelijk gezegd, maar Zola beschrijft die levensomstandigheden zo realistisch -wat men dus naturalistisch noemt- dat wij soms de neiging moeten onderdrukken om het boek terzijde te leggen. Altijd weer bekruipt ons het gevoel: oef, wat een geluk dat ikzelf dat niet heb moeten meemaken.
We zijn nu meer dan honderd jaar verder, en er is veel veranderd. Het Westers proletariaat heeft zich kunnen opwerken tot het niveau van ... de gegoede burger van weleer. Wij allen genieten (lees: consumeren) nu met een even grote vanzelfsprekendheid.

Maar . . . wat wij gewonnen hebben, hebben anderen verloren. Die anderen wonen nu niet meer in hetzelfde dorp, ze zitten ver weg, in de Derde Wereld. Gaan wij nu even blind zijn voor de noden van de ander als de burgerij van 100 jaar geleden, of willen we er iets aan doen ?
In deze tijd is het geen kwestie meer van mooie programma's uit te werken of Communistische Manifesten op te stellen. We dienen op zoek te gaan naar bruikbare ideeën en inzichten, en die vinden we bij Rudolf Steiner. Wanneer wij bewust omgaan met ons consumptiepatroon, met onze geldbesteding, dan kan de sociale impuls van de antroposofie door ons werken.
Of is het omgekeerd ? Wanneer wij de sociale impuls van de antroposofie opnemen, dan gaan wij bewuster omgaan met ons geld, dan gaan wij onze behoeften en begeerten in vraag durven stellen. We zien hoe we op die manier op de scholingsweg terechtkomen.

Van Dieter Brüll, die in dit tijdschrift al vaker aan bod kwam, verscheen in 1984 "De sociale impuls van de antroposofie". Daarin beschrijft hij de drie componenten van het sociale leven zoals die door Rudolf Steiner in verschillende voordrachten uiteengezet werden, te weten:

1) De sociologische basiswet

Aan het begin van haar culturele status streeft de mensheid naar het ontstaan van sociale instellingen; het belang van de enkeling wordt voorshands aan het belang van de instellingen opgeofferd; de verdere ontwikkeling leidt er evenwel toe dat de enkeling zich uit de belangen van de instellingen bevrijdt en tot een vrije ontplooiing van zijn behoeften en van zijn capaciteiten komt.

2) De sociale hoofdwet

Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen, naarmate hij meer daarvan aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn behoeften niet uit eigen prestaties maar door de prestaties van de anderen worden bevredigd.

3) Het sociale oerfenomeen

Staan twee mensen tegenover elkaar, dan poogt de ene mens steeds om de ander in slaap te wiegen en de ander poogt steeds om wakker te blijven. Dit is, om in de geest van Goethe te spreken, het oerfenomeen van de sociale wetenschap.

Dit alles wordt beschreven in drie zeer interessante hoofdstukken, maar we kunnen er hier niet verder op ingaan.
In een volgend hoofdstuk recapituleert Brüll: " In het voorgaande zagen wij hoe het ordeningsprincipe, de sociale driegeleding, het sociale leven in drie autonome gebieden opdeelt:

Thans vragen wij ons af vanuit een gerealiseerde driegelede samenleving, hoe de kracht van het sociale oerfenomeen -wanneer dat mensen vindt die zich in zijn dienst willen stellen om de sociale factor tot zijn recht te doen komen- , als impuls in de drievoudige maatschappelijke werkelijkheid aanwezig is.

Dan heeft hij het over het mikro-sociale niveau, over datgene wat de enkeling in het sociale organisme kan binnenbrengen. Het is deze passage die wij nu overnemen. De voetnoten in de originele tekst staan bij ons in een kadertje. Voor een volledige bronvermelding van alle aangehaalde citaten van Rudolf Steiner verwijzen we naar het boek zelf. We vatten eerst nog eens samen: de drie gebieden van het maatschappelijk leven:

- in het geestesleven moet vrijheid heersen, de mens die zichzelf ontwikkelt is noodgedwongen asociaal (om te lezen en te studeren moet hij zich afzonderen);
- in het rechtsleven moet gelijkheid heersen;
- in het economische leven moet broederlijkheid heersen, de mens is hier antisociaal: hij heeft biologische basisbehoeften en moet een minimum aan egoïsme ontwikkelen om in leven te blijven.
Dat laatste is geen probleem, het is aangeboren, evenals de neiging om alsmaar meer behoeften als basisbehoeften te beschouwen ...

Het mikro-sociale niveau

(de voetnoten in het boek staan bij ons in de tekst)

Werkzaam zijn vanuit het sociale betekent versterving, onthechting. Vanuit het extreme gewaarworden van de gelijkheid met de medemens ontstaat het rechtsbewustzijn, dat zijn noden mijn noden zijn; en daarom word ik mij van mijn eigen tekortkomingen bewust. We zullen deze gedachte nog enigszins trachten te verdiepen. Op verscheidene plaatsen heeft Steiner erop gewezen dat het geestesleven uit datgene bestaat wat de mens aan talent, aan aanleg uit het voorgeboortelijke met zich meebrengt; dus uit het verleden. "Het gehele aardse geestesleven wordt geregeerd door egoïstische zielebelangen." (GA 193, 52) In wat daarin aan aardse vaardigheden tevoorschijn komt, leeft Lucifer; precies zoals Ahriman in onze behoeften, in de grondslag voor het economische leven dus, werkzaam is.

Dit herhaalt zich overigens binnen het economische leven nog eens. Bij de productie -waarin het geestesleven binnen het economische leven tot uitdrukking komt- in de neiging tot overproductie, die het luciferische principe tot uitdrukking brengt. In de vernietigingsdrift, die ons huidige consumptiepatroon kenmerkt, verschijnt Ahriman.

In GA 187 nu wordt uiteengezet dat deze vaardigheden de gelijkheid teniet doen die aanvankelijk bij de geboorte bestaat. Teneinde niet door de egocentrische luciferische krachten overmand te worden, is het nodig, dat wat in dit opzicht in onze slaap (sociaal !) aan harmonisatie door Jahwe geschiedt, in ons dagbewustzijn door onszelf wordt voortgezet en wel door ons gedachtenleven bewust met het Christus-principe te vervullen. Daarmee is een belangrijke verwijzing naar de antroposofische sociale impuls in het geestesleven gegeven, die wij in samenhang moeten zien met dit andere gegeven uit de geesteswetenschap: dat de vooruitgang van de enkeling steeds met het achterblijven van anderen wordt betaald; wij ontwikkelen ons op andermans kosten. De sociale impuls kunnen wij nu aldus omschrijven, dat hij zich plaatst tegenover de egocentrische luciferische kracht die de gelijkheid van de mensen schendt, hetgeen noodzakelijkerwijze ons ontwikkelingsstreven (asociaal) begeleidt. Hij manifesteert zich als een compenserende kracht vanuit de sfeer van het sociale oerfenomeen, doordat hij ons denken, dat wij normaliter voor onze eigen ontwikkeling gebruiken, vanuit onze wilskrachten christelijk wil maken; dat wil zeggen door zich voor de gedachten van anderen te openen.

De luciferische drijfveer tot vervolmaking binnen het eigen denken verleidt ons er enerzijds toe, om ons boven de sociale omgeving te verheffen.

"Zodra men zich bij geestelijk werk niet afvraagt of het wel in objectieve zin voor de wereld gerechtvaardigd is, doch het uit persoonlijke belangstelling verricht, grijpt Lucifer reeds in". Anderzijds leidt zijn greep onvermijdelijk ook tot besmetting met het vergif van de eenzijdige waarheid en daarmee tot onwaarheid. Zij vindt haar tegenspeler in de voormalige beheerder van de kosmische intelligentie, Michaël, en wel in zoverre als wij bereid zijn, hem uit vrije wil deze intelligentie ter beschikking te stellen. In zoverre verenigen zich onze persoonlijke intelligenties weer tot kosmische intelligentie. Laten wij het sociale als wilsimpuls in het geestesleven stromen, dan vult het zich met morele substantie. Wij voegen ons zelf, en daarmee het aardse geestesleven, in de wijsheidsstroom van Michaël, in het God-schouwen, en vinden daarin "innerlijke broederschap, een broederschap van gedachten, waarvan alle uiterlijke broederschap de weerspiegeling moet zijn". (GA 34,179) Wij werken aan de wereld van de Heilige Geest. Terwijl de luciferische kracht ons ertoe wil verleiden, onze vaardigheden te gebruiken om een blijvende voorsprong te verwerven, poogt de ahrimanische macht een toekomstige gelijkheid reeds in het sociale leven te verwerkelijken en wel zeer in het bijzonder in het economische leven. Na de dood leggen wij in een langdurig proces alle aardse ongelijkheden af om in het middernachtelijk uur de gelijkheid in de geest te mogen ervaren. Ahriman tracht evenwel het bewustzijn voor deze zielebelevenissen te doven; het middel daartoe is om het gelijkheidsprincipe op een verkeerd ogenblik en op een verkeerde plaats binnen te smokkelen. Daarvan getuigt sociaal-darwinisme op gelijke wijze als het socialisme. Met het oog op het laatste betoogde Steiner:

"De mensheid bedenkt het liefst theorieën, volgens welke zij op de hele aarde op gelijke wijze de aardse zaligheid deelachtig kan worden" (GA 178).

Wij dienen te onderscheiden Ahriman als gelijkmaker (de toekomst als termietenstaat) en de luciferische wensdromen om alle mensen even gelukkig te zien.

Die theorieën zijn niet moeilijk te onderkennen. Wij denken dan bvb. aan de tendens om het dierlijke in de mens als het eigenlijk-menselijke aan te merken - 'onder de riem zijn wij allen gelijk'- en daaraan de conclusie te verbinden dat ieder mens het recht heeft, zijn begeertenatuur ten koste van zijn medemensen uit te leven (vooral de westers-economische theorieën);

Wat van die kant komt is des te gevaarlijker omdat het deels juist is: de economie voert ons in het (eerste) rijk van het ondermenselijke, dat eerst na de dood de trap van het menselijke zal bereiken. Ligt daarin enerzijds de grondslag voor het individuele gebeuren na de dood, anderzijds staan wij voor de noodzaak, om hier en nu voor de onsociale uitwerking van de economie op het sociale vlak compensatie te scheppen. Daarvoor zullen wij het geestelijke aspect van het economische leven, het saamhorigheidsgevoel, tot gelding moeten brengen. Dat brengen wij echter niet mee; wij moeten het op aarde verwerven.

zij treden precies zo tevoorschijn in het streven om 'ter bescherming van de mens' aan hem een productieve en consumptieve gelijkheid op te leggen (oosterse technocratisch-economische theorieën). Beide gaan voorbij aan de ongelijkheid die typisch is voor het economisch leven: ongelijkheid van behoeften precies zoals ongelijkheid van behoeftebevredigingsmiddelen.

Hoezeer de economische theorie van het darwinistisch a priori uitgaat, blijkt uit het volgende. De welvaart wordt beschouwd als de verhouding tussen totale en bevredigde behoeften. De hele theorie richt zich nu op de verhoging van de bevrediging, nimmer op de verlaging van de behoeften; een zotte situatie, als men bedenkt dat de behoefte wél, de bevrediging niét onbeperkt kan groeien. Men schuwt als de pest de consequentie van de eigen definitie: dat de hoogste welvaart wordt bereikt door wie . . . geen behoeften heeft. Juist daaruit volgt echter het sociale karakter van de economie en een bepaald aspect van de sociale hoofdwet: wat ik door beperking van mijn begeerte aan de ander kan afstaan verhoogt niet alleen zijn welvaart, maar ook de mijne.

Niet de gelijkheid, de ongelijkheid is de drijvende kracht, het agens in het economische leven.. Zij daagt ons uit tot zelfstandig omgaan met ons eigen behoefteleven; tot het werken voor andere mensen. Zij wil de ontstane ongelijkheid in haar tegendeel doen verkeren: zichzelf tot een arme maken, opdat men, oog in oog met de nood van de ander, de eigen armoede gering acht. - Aan beide varianten, de sociaal darwinistische (kapitalistische) en de socialistische, ligt de verrijking ten koste van de anderen ten grondslag: de ene keer van de sterken, de andere keer van de armoedzaaiers. De sociale impuls wil precies het tegendeel bewerkstelligen: uit verantwoordelijkheid voor onze broeder voor hem werken.

Ook op dit gebied dreigt de toekomst van de mensheid in gevaar te worden gebracht. Voor anderen werken doet karmische relaties ontstaan, ook en juist met mensen die ons (nog) onbekend zijn. Wereldeconomie en mondiale verbondenheid van de mensen behoren bij elkaar. Onze 'familie' moet steeds groter worden. Als we echter voor de anderen werken niet om hun te dienen, maar om aan hen te verdienen, dan komt wanorde in het karma. De gevolgen van ons huidige arbeidsstelsel zijn nauwelijks te overzien. Telkens weer ontmoeten wij Ahriman, wiens activiteiten in het economische leven aan de mensheid haar toekomst willen ontfutselen.

De kracht die tegen Ahriman in het geweer komt is de mercuriale of, in de christelijke terminologie, rafaëlische impuls. Uit het wezen van Rafaël stroomt goedheid, de wil tot het goede, het God-willen. Vooruitlopend op latere economische ontwikkelingen kende de oudheid reeds Mercurius als god van de handel (toentertijd de enige zelfstandige tak van het economische leven), van de therapeuten en . . . van de dieven.

Zoals diegene die genezer was, tevens ziekten kon opwekken, zo omvat het mercuriale met de handel, die mensen samenbrengt, ook de anti-sociale kanten ervan, het bedriegen van de ander. Nergens wellicht in de samenleving is het gebruik van de leugen, de huichelarij, zo vanzelfsprekend als in het economische leven. Zoals wij zagen dat het luciferische meningsfanatisme demonen in de wereld zet, zo de door Ahriman komende leugen fantomen. Elke leugen echter is weer een ontheiliging van de band die mens met mens verbindt. Wij zien dan ook dat vermogensdelicten, veel meer dan gewelddelicten, vijandschap tussen mensen doen ontstaan.

De wil om te genezen, om tot harmonie, tot evenwicht te brengen, doet Rafaël in het sociale leven binnenstromen. Als liefdesdaden zijn het afbetalingen van schulden. Vervult mij verantwoordelijkheid voor mijn medemens, dan word ik 'mijns broeders hoeder'.

Het gelijkheidsprincipe vindt zijn eigenlijke thuis in het ordeningsbeginsel, in het uiterlijke rechtsleven. Wat op het allerhoogste geestelijke niveau gelijkheid van geest is, vindt hier op aarde zijn neerslag als gelijkheid voor het recht. 'Ars aequi' noemen juristen nog steeds graag hun vak; of die term altijd toepasselijk is, is een tweede. Het gelijkheids-, casu quo het evenredigheidsprincipe, vormt met het gerechtigheidsprincipe het fundament van alle recht. - Wat verstaan wij dan onder het gelijkheidsbeginsel ? Eigenlijk niet meer dan dat in gelijke situaties gelijk behoort te worden geoordeeld. Ten aanschouwe van de rechter behoren geen privileges te bestaan; ook niet voor de 'waardevolle' persoonlijkheid. De wet behoort de onaangepaste mens, de dief, de gangster, de terrorist, precies zo te beschermen als de 'fatsoenlijke' burger.

Wordt dit beginsel niet nauwgezet in acht genomen, dan protesteert ons rechtsgevoel. Als een kostbaar geschenk dragen wij met de geboorte de gelijkheidsimpuls als rechtsimpuls het sociale leven binnen. Hij vindt zijn tegenspeler in de tendens om de wet als nuttigheidsfactor, als middel tot een doel te gebruiken, die daarom het rechtsgevoel uitholt. Wet daarentegen, die tevens recht is, beschermt ons niet alleen tegen derden, zij beschermt ons in de eerste plaats tegen . . . onszelf. Zoals ons lichaam zonder botten, zo zou onze moraliteit het zonder wetten begeven. De poorten van de hel zouden zich in ons openen: tot elke misdaad zijn wij potentieel in staat. Op die plaats staat beschermend de wet; hier staat de behoeder van de menselijke waarden: de Godverkonder Gabriël. Dezelfde, die ons uit de kosmos rukt om ons onze plaats in de mensenwereld te wijzen, staat ons ook tegen de machten dezer wereld bij.
Breekt de sociale structuur, het lichaam van de mensheid, dan wordt de mens van het milieu beroofd dat hij als entelechie niet kán missen.

" Op langere duur gezien is de vorm voorwaarde voor het menselijk samenleven". (GA 95)

Wij behoeven daarbij bepaald niet alleen aan de chaos van revoluties te denken. In veel sterkere mate verdwijnt de sociale structuur als het universele gelijkheidsbeginsel heerst; als de mens door een overdaad aan wetten van buitenaf wordt bepaald ('other-directed'); als in het 'ordenings'-systeem van de technocratie de mens niet meer los van het sociale organisme verschijnt, maar daarin geheel opgaat; als daarin het 'mensenmateriaal geordend wordt en herkenbaar en beheersbaar wordt gemaakt. De mens wordt (uitsluitend) functionaris. Hij verliest zijn Ik. Wij dienen hier het begin van de Ik-vernietigende werkzaamheid van de Asura's te ontwaren.

Daarentegen ervaren wij in de sociale ordeningswil, tot in zijn uiterlijkste vorm, namelijk de wet, de christelijke impuls, die ons uitnodigt om ons met Zijn lichaam te verbinden. Wij hebben nu de sociale impuls van de antroposofie ontmoet in het geestesleven als de vraag om de gedachten van de ander mee te denken; in het economische leven als de wil om vanuit de behoefte van de ander te werken; in het rechtsleven als de eis om tot in de vorm van de wet gelijkheid met de ander tot uitdrukking te brengen.

Wij hebben deze drie vragen leren kennen als een aspect van de impuls van Christus, werkende door een archangelos. De intiemste belevenis van de sociale impuls van de antroposofie kunnen wij echter in ieder sociaal oerfenomeen ondergaan. De mens gevoelt zich als staande tegenover Christus. Hij ervaart zijn eigen nietigheid in een ultieme versterving; niet alleen als prijsgeving van zijn egoïsme en egocentrisme, doch mede van het bewustzijn van zijn lagere zelf. Het is een verbrandingsproces waarin slechts overblijft wat aan Hem gelijk is. Omdat wij hierbij steeds in gebreke blijven, ondergaan wij de ontmoeting met een medemens "als een vermanend gebaar, om onze gebreken in deugden te doen verkeren", woorden waarmee Steiner het gebaar van Uriël schetst (GA 229, 81).

Uriël verschijnt hier, evenals in het sociale krachtenveld, tegenover Gabriël. In de bekende controverse, welke planeet Uriël regeert, zou dit voor Saturnus pleiten. Men vindt dan ook aansluiting bij GA 228, 70: " Saturnus draagt de hoogste morele gerechtigheid in het menselijke leven".

Nu openbaart het sociale zijn eigenlijke wezen. Waaruit bestaat dan toch de geest, die men ontmoet indien men op de sociale ordening stuit ?

Als de sociale structuur het lichaam van de mensheid is, dan is het sociale, dat die structuur vervult, de Christus zelf, zoals de mens Hem kan ervaren. De drie leden van het sociale organisme zijn de drie lagere geestelijke leden van de impuls van Christus. De mens, geplaatst in de drieledige sociale orde, "dat is hetgeen tevens het juiste besef omtrent Christus voor onze tijd en voor de nabije toekomst is". ( GA 193, 54 en 100)

Drie maal op een andere wijze kan hij daar in de mensenbroeder Christus ontmoeten, opdat ieder mens, die in de ware zin mens wil zijn, zich onafhankelijk van zijn religieuze of wereldbeschouwelijke opvattingen tot Hem kan bekennen. De sociale impuls zoals hij in het voorgaande is aangeduid, is niet anders dan de impuls van Christus in onze tijd.

Er is reden om aan te nemen dat de vier elementen zoals deze in de mikro-sociale werkelijkheid leven, de sociale aspecten zijn van de zogenaamde vier platonische deugden: wijsheid, moed en bedachtzaamheid, alle drie doorgloeid van de vierde, de gerechtigheid, "welke de meest spirituele is" (GA 159-160, 22).

Proberen wij puntsgewijze deze sociale impuls samen te vatten, dan volgt uit het schuldenaar-zijn, zoals hierboven beschreven, voor het economische leven:

1) Werken voor de bevrediging van de behoeften van de medemens. Deze reeds besproken instelling brengt vanuit een andere invalshoek tot uitdrukking hetgeen Steiner als de sociale hoofdwet omschreef. Het is de verwerkelijking van de gedachte dat ik mijn arbeid verricht zonder tegenprestatie; dat ik werk vanuit het vertrouwen dat de anderen voor mij zullen werken zoals ik het voor hen doe. Institutioneel leidt dit tot een scheiding van arbeid en inkomen. In de maatschappelijke sfeer verschijnt dan de inkomensvorming als een rechtsvraag; en niet, zoals tot nu toe, als economische vraag. In de individuele sfeer behoeft men evenwel het inkomen -waarop ik wettelijk aanspraak kan maken, omdat het maatschappelijk rechtsgevoel dit voor mijn situatie billijk acht - niet voor eigen behoeftebevrediging te benutten. Hier ontstaat vrijheidsruimte.

2) Bij de productie zo zuinig mogelijk met de middelen omgaan. Hierbij is te bedenken dat deze doelstelling niet overeenkomt met het zgn. economische principe zoals dat door de economische wetenschap is geformuleerd. Het gaat namelijk niet om de privaat-economische, noch om de staatseconomische zuinigheid in dienst van de winstmaximalisatie. Vanuit dit oogmerk is verspilling maar al te vaak een regel van efficiency; het doordraaien van land- en tuinbouwproducten bvb. Het rechtsgezichtspunt daarentegen kiest tot uitgangspunt dat alles wat de natuur te bieden heeft schaars is en dat derhalve iedere verspilling bij de productie -hoe veelbelovend wellicht ook voor het geldelijke resultaat van het eigen productieproces- ten koste van mijn medemensen gaat.

3) Bij de productie heb ik de behoeften van mijn medemensen als gegeven te aanvaarden. Mij komt niet de bevoegdheid toe om mij ten aanzien van de consumenten paternalistisch of zelfs moraliserend op te stellen. Zoals ik mij het recht toeken om mijn eigen behoeften te beoordelen, eventueel een scheidslijn aan te brengen tussen behoeften en begeerten, zo zij het oordeel over andermans behoeften ook aan henzelf overgelaten. - Waar de productie-beslissingen vallen, "mag op geen enkele wijze de opvatting heersen dat een of andere behoefte gerechtvaardigd is of niet, maar daar gaat het er uitsluitend om dat objectief een behoefte wordt geconstateerd" (GA 338, 148). Dit betekent overigens geenszins dat ik mijn arbeid voor ieder product zou moeten inzetten. Als ik als uitgever, ondanks grote vraag, geen sensatielectuur wil laten drukken, dan houdt dit niet méér in dan dat ik mij tot een bepaald marktsegment beperk. Vereist is alleen maar dat het maatschappelijk mogelijk moet zijn dat iedere productie waarnaar vraag bestaat, ter hand wordt genomen; tenzij uiteraard het product voor anderen dan de bezitter gevaar oplevert (men denke aan particulier wapenbezit).

4) In het politieke vlak zal ik eraan meewerken dat het economische leven in zo'n rechtskader geplaatst wordt dat het niet eens meer mogelijk is om anders dan ten behoeve van mijn medemensen te werken. Het rechtsstandpunt vraagt van mij dat ik een wettelijke regeling ter scheiding van arbeid en inkomen bevorder, evenals regelingen die voorkómen dat men in het economische leven over machtsmiddelen beschikt om de medemens uit te buiten.

5) Als deelnemer aan het geestesleven voel ik het als mijn plicht om deze gedachten over recht en economie te verspreiden.

6) Als consument tenslotte zal mijn gevoel van schuldenaar-zijn ertoe leiden dat ik mijn eigen behoeften tracht te beperken tot hetgeen uit mijn biologische aard voortkomt.

Het beeld dat aldus kan ontstaan is dat van een mens die niet meer voor zichzelf werkt (zoals dat in het geestesleven op zijn plaats is) en die zijn motieven niet haalt uit de onmiddellijke ontmoeting (zoals dat in het rechtsleven geschiedt); doch die voor de onbekende mens werkt. Als het economische leven geheel van het sociale element doordrongen raakt, dan is mijn bijdrage dat ik gehoorzaamheid oefen: namelijk jegens de behoeften van anderen; jegens de eisen van techniek, organisatie, efficiency; jegens mijn biologische behoefte.

Nog eens zij erop gewezen dat wat hier als een soort richtsnoer met een enkel woord is samengevat, van ideële aard is. Er worden hier desiderata vanuit het rechtsleven aan de in het economische leven staande mens gesteld, waaraan nauwelijks een mens, laat staan een gemeenschap kan voldoen. Het is ook geenszins als een oproep tot ascese en zelfkastijding bedoeld. De werkelijkheid immers is het resultaat van samenwerking van sociale en niet-sociale krachten. Wil men echter begrijpen wat zich in de samenleving afspeelt, en wil men wellicht zelfs ordenend in het maatschappelijk organisme ingrijpen, dan moet men inzicht hebben in wat elk van deze krachten in 'reincultuur' inhoudt, dat wil zeggen wanneer zij ongestoord door andere krachten werkt. Wij zullen nog bespreken wat er gebeurt indien de sociale component min of meer ontbreekt. Het sociale in het geestesleven eist van mij dat ik mij voor mijn medemensen openstel, dat ik hen als het ware uitnodig om bij mij binnen te komen en zich in mij uit te spreken, zodat ik hun ontwikkelingsproblemen als de mijne kan beleven. Het vraagt van mij om pas dan te spreken wanneer ik op die manier de ontwikkelingsvraag van de ander vernomen heb.

" Puur uit menselijke voorkeur zou niet eens een waarheid geproduceerd mogen worden" (GA 190, 217)

Wat wij onder invloed van de sociale kracht willen bereiken, is de omkering van hetgeen de asociale en antisociale krachten in de mens (moeten) bewerkstelligen. Zij verandert in het economische leven het schrapende gebaar in een geven; in het geestesleven het zich opdringende gebaar in een opnemend gebaar.

Zeker, de mens is in het economische leven ertoe veroordeeld om antisociaal te zijn. De sociale kracht in hem kan dit fatum echter beperken tot zijn rol als verbruiker; als medewerker aan de productie kan hij sociaal zijn. En precies zo blijft de mens als zielewezen ertoe veroordeeld asociaal te zijn in het geestesleven. De sociale kracht in hem kan echter dit fatum beperken tot zijn rol als 'producent', dat wil zeggen tot het naar beneden halen en zich toe eigenen van inzichten. Als consument, door ideeën van andere mensen op te nemen, kan hij sociaal zijn.

**************
.


Jean Giono is bij ons minder bekend. Hij werd geboren in Monasque in de Provence en bracht daar zijn leven door tussen de vier muren van zijn schrijfkamer. Hij schreef bijna uitsluitend over zijn geboortestreek. Henry Miller was een en al lof over hem, in Nederland had hij alvast ook een bewonderaar, namelijk Gerrit Achterberg.

Een Nederlandse vertaling is in de boekhandel te krijgen (uitgeverij Jan van Arkel, ISBN 90 6224 140 9). Wij vertaalden zelf voor De Brug "L'Homme qui plantait des arbres".


De man die bomen plantte

Om de uitzonderlijke kwaliteiten in het karakter van een mens te ontdekken moet men het geluk hebben om zo'n mens jarenlang aan het werk te zien. Als er in zijn werk niets van egoïsme te vinden is, als het idee dat achter zijn werk steekt van een weergaloze edelmoedigheid is, als het absoluut zeker is dat er geen beloning gezocht werd, en als bovendien dit werk duidelijke sporen nalaat op de wereld, dan staan we, zonder enige twijfel, voor een onvergetelijk karakter.

Ongeveer 40 jaar geleden ondernam ik een lange voettocht door de hoogvlakten die volslagen onbekend zijn bij toeristen, in dat deel van de Alpen dat zich uitstrekt tot in de Provence. Deze streek wordt begrensd in het zuidoosten en in het zuiden door de rivier Durance, tussen Sisteron en Mirabeau; in het noorden door de bovenloop van de Drôme, van de bron tot in Die; in het westen door de vlakten van het Comtat Vanaissin en de flanken van de Mont-Ventoux. Ze omvat gans het noordelijk deel van het departement Basses-Alpes, het zuiden van de Drôme en een kleine enclave van de Vaucluse.

Op het ogenblik dat ik mijn trektocht in deze woestenijen ondernam, waren het kale en eentonige landschappen, op ongeveer 1200 à 1300 m hoogte. Er groeide alleen maar wilde lavendel. Ik doorkruiste dit gebied in zijn grootste breedte en na drie dagen stappen bevond ik mij in een verlatenheid zonder weerga. Ik kampeerde naast het skelet van een verlaten dorp. Ik had geen water meer sinds de dag ervoor en ik moest dat absoluut zien te vinden. Dit hoopje huizen, hoewel het een ruïne was en eruit zag als een oud wespennest, liet mij vermoeden dat daar vroeger ooit een fonteintje of een waterput moest geweest zijn. Een fontein was er nog, maar ze stond droog. De vijf, zes huizen, zonder dak, verweerd door weer en wind, het kerkje met zijn ingevallen torentje, stonden daar zoals de huizen en kerkjes in een levend dorp, maar hier was al het leven verdwenen.

Het was een mooie, zonovergoten junidag, maar over deze gronden zonder beschutting en hooggelegen, waaide de wind met een onverdraaglijke brutaliteit. Zijn gegier in de karkassen van huizen was dat van een wild beest dat men gestoord heeft bij zijn maaltijd.

Ik moest dus mijn kamp opbreken. Vijf uur stapte ik en nog altijd geen spoor van water. Er was ook niets dat mij hoop gaf er te vinden. Overal dezelfde dorheid, dezelfde houtachtige kruiden. Toen ontwaarde ik in de verte een klein zwart rechtopstaand silhouet. Ik dacht dat het de stam was van een verdroogde boom. Ik ging er op goed geluk naartoe. Het was een herder. Een dertigtal schapen lagen rond hem op de gloeiende aarde en rustten uit.

Hij liet me van zijn drinkbus drinken en een beetje later gingen we samen naar zijn verblijf, in een inzinking in het plateau. Zijn water, zeer klaar en koel, haalde hij uit een diepe schacht die hij daar aangetroffen had en waarboven hij een rudimentaire windas geïnstalleerd had.

De man praatte weinig. Dat is normaal bij eenzaten, maar men voelde dat hij zelfzeker was en vertrouwde op die zekerheid. Dat was toch iets ongewoons in dit land waar voor de rest niets te vinden was. Hij woonde niet in een hutje maar in een echt stenen huis en men kon heel goed zien dat hij zelf de ruïne had gerepareerd die hij hier had aangetroffen toen hij hier aankwam. Het dak was robuust en waterdicht. De wind die tussen de pannen speelde maakte het lawaai van de zee aan het strand.

Zijn huishouden was in orde, de afwas gedaan, de vloer aangeveegd, zijn geweer ingevet; de soep stond te pruttelen op het vuur. Het viel me toen op dat hij fris geschoren was, dat alle knopen stevig aangenaaid waren, dat zijn kleren versteld waren op een zorgzame manier zodat de reparaties niet te zien waren.

Hij deelde zijn soep met mij, en toen ik hem mijn tabakszak aanbood, zei hij dat hij niet rookte. Zijn hond, even zwijgzaam als zijn meester, hield mij in't oog, maar zonder valsheid.

Het was onmiddellijk duidelijk dat ik daar de nacht zou doorbrengen; het dichtsbijzijnde dorp lag op anderhalve dagreis te voet. Daarbij kende ik perfect het karakter van de zeldzame dorpjes in deze streek. Het zijn er maar vier of vijf, ze liggen ver uiteen, op de flanken van het plateau, tussen de aanplant van witte eik, aan het uiterste einde van de berijdbare wegen. Ze worden bewoond door houthakkers die houtskool maken. Het zijn plaatsen waar het niet goed leven is. De families zitten op elkaars neus, in dit klimaat van buitensporige ruwheid, zowel 's winters als 's zomers. Ze drijven hun egoïsme ten top in deze beslotenheid. Een irrationele ambitie ontspoort hier in het constante verlangen om te ontsnappen aan deze oorden.

De mannen brengen hun houtskool naar de stad met hun vrachtwagens, en keren dan terug. De meest solide kwaliteiten begeven het hier onder dit eeuwig wisselbad van koude en warme regen. De vrouwen onderhouden hun wrok. Er is in alles concurrentie, zowel voor de verkoop van houtskool als voor de bank in de kerk, voor de deugden die elkaar bevechten, voor de ondeugden die elkaar bevechten en voor de algemene smeltkroes van deugden en ondeugden, en dat zonder ooit af te laten. Komt daarbij de wind die eveneens nooit aflaat en de zenuwen prikkelt. Hier horen we van epidemieën van zelfmoorden en talloze gevallen van waanzin, bijna altijd moorddadig.

De niet-rokende herder ging een zakje halen en goot op tafel een aantal eikels uit. Hij begon ze één voor één te onderzoeken met grote aandacht, de goede apart, de slechte apart. Ik rookte mijn pijp. Ik stelde voor om te helpen. Hij antwoordde dat het zijn zaak was. Inderdaad, toen ik zag met welke zorg hij dit werkje uitvoerde, drong ik niet verder aan. Dat was dan onze conversatie. Toen hij van de goede eikels een behoorlijk aantal aan kant had, telde hij ze per tien. Daarbij liet hij diegenen die te klein of gebarsten waren er uit, want hij bekeek ze goed van dichtbij. Toen hij dan eindelijk honderd goede, perfecte eikels had, stopte hij ermee en we gingen slapen. Het gezelschap van deze man gaf rust. 's Morgens vroeg ik hem toestemming om de ganse dag te blijven om uit te rusten. Hij vond dat maar normaal, of liever, hij gaf me de indruk dat niets hem kon storen. Eigenlijk had ik die rust helemaal niet nodig, maar ik was nieuwsgierig en wilde er meer van weten. Hij liet zijn kudde uit en leidde ze naar de weidegrond. Voor hij vertrok dompelde hij het zakje met de zorgvuldig uitgekozen en getelde eikels in een emmer water.

Ik bemerkte dat hij als staf een duimdikke ijzeren staaf mee had, van ongeveer anderhalve meter lengte. Ik deed alsof ik uitrustte door wat te wandelen en volgde een pad dat parallel liep aan het zijne. De weidegrond voor de dieren bevond zich in een kleine inzinking in het plateau. Daar liet hij de kleine kudde achter, onder de hoede van de hond, en ging zelf verder bergop in mijn richting. Ik had al schrik dat hij me kwam mijn indiscretie verwijten, maar dat was helemaal niet zo, het was gewoon de richting die hij uit moest en hij nodigde mij uit hem te vergezellen indien ik toch niets te doen had. Hij ging nog 200 meter verder, de hoogte op.

Aangekomen op de plek waar hij wilde zijn, begon hij zijn ijzeren staf in de grond te steken. Zo maakte hij een gat waarin hij een eikel legde. Dan deed hij het gat toe. Hij plantte eiken. Ik vroeg hem of dit land hem toebehoorde. Hij antwoordde van niet. Wist hij van wie het was ? Hij wist het niet. Hij veronderstelde dat het land van de gemeente was, of misschien was het eigendom van mensen die er niet naar omkeken ? Het kon hem niet schelen wie de eigenaars waren. Aldus plantte hij honderd eiken met een uiterste zorg.

Na het middagmaal herbegon hij met het triëren van zijn zaadgoed. Ik moet, geloof ik, serieus aangedrongen hebben met mijn vragen want hij beantwoordde ze allemaal. Al drie jaar plantte hij bomen in deze eenzaamheid. Hij had er al 100.000 geplant. Van die 100.000 waren er 20.000 uitgekomen. Van die 20.000 dacht hij nog een derde te zullen verliezen door knaagdieren en door al wat men onmogelijk kan vooraf weten in de plannen van de Voorzienigheid. Zo bleven er dus 10.000 eiken die gingen groeien op deze plaats waar voorheen niets groeide.

Op dat ogenblik stond ik even stil bij de leeftijd van deze man. Hij zag er in ieder geval ouder dan vijftig uit. Vijfenvijftig, dacht ik. Hij heette Elzéard Bouffier. Ooit had hij een hoeve in de vlakte. Daar had hij in zijn levensonderhoud voorzien. Hij was zijn enige zoon verloren, daarna zijn vrouw. Hij had zich teruggetrokken in de eenzaamheid om rustig te kunnen leven temidden van zijn schapen en zijn hond. Hij was tot het besluit gekomen dat het land kapotging door een tekort aan bomen. En, zo ging hij verder, omdat hij toch geen erg belangrijke bezigheden had, wilde hij aan deze toestand iets verhelpen.

Ikzelf leidde op dat ogenblik het leven van een eenzaat, ondanks mijn jonge leeftijd, ik wist met welke omzichtigheid men de ziel van een eenzaat moest benaderen. En toch beging ik een fout. Juist mijn jonge leeftijd maakte dat ik naar de toekomst keek in functie van mezelf en van een zeker verlangen naar geluk. Ik zei hem dat over 30 jaar die 10.000 eiken er prachtig zouden bijstaan. Hij antwoordde heel eenvoudig dat, indien God hem zolang liet leven, hij zoveel nieuwe bomen zou aangeplant hebben dat die 10.000 maar als een druppel in de zee zouden lijken. Hij bestudeerde ten andere reeds het kweken van beuken en had dicht bij zijn huis een kwekerij waar hij beukenootjes uitgezaaid had. Zijn proefexemplaren, die hij beschermde tegen zijn schapen door een afrastering, waren één en al schoonheid. Hij dacht eveneens al aan berken voor de dieper gelegen plekken, waar hij de aanwezigheid van meer vocht vermoedde op enkele meters onder de oppervlakte. De volgende ochtend gingen onze wegen uiteen.

Het jaar daarop begon de oorlog van 14, waar ik vijf jaar aan meedeed. Een infanteriesoldaat had er wel wat anders te doen dan aan bomen te denken. Eerlijk gezegd, die zaak was bij mij niet blijven hangen, ik had het bezien als een dada, zoals een postzegelverzameling, en ik was het vergeten.

Toen de oorlog gedaan was, kreeg ik een belachelijk sommetje als demobilisatiepremie, ik verlangde heel sterk naar wat frisse lucht. Zonder een concreter plan dan dat verlangen naar wat frisse lucht, nam ik opnieuw de weg naar die verlaten contreien.

Het land was niet veranderd. Nochtans, voorbij het uitgestorven dorp ontwaarde ik in de verte een soort grijze nevel die als een tapijt over de hoogten lag. Sinds de avond ervoor was ik mij die herder gaan herinneren. "Tien duizend eiken", zei ik tot mezelf, "Dat neemt toch wat plaats in." Tijdens de vijf jaar die verlopen waren had ik zovele mensen zien sterven dat ik mij gemakkelijk kon voorstellen dat Elzéar Bouffier al dood zou zijn. Te meer omdat men, als men er twintig is, mannen van vijftig als oude mensen ziet die geen ander vooruitzicht hebben dan te sterven. Maar hij was niet dood. Hij zag er zelfs zeer jeugdig uit. Hij was van beroep veranderd. Hij bezat nu maar vier schapen meer, maar wel een honderdtal bijenkorven. Hij had zijn schapen weggedaan omdat ze zijn aanplantingen in gevaar brachten. Want, zo zei hij (en ik kon het vaststellen) de oorlog had hem helemaal niet bezig gehouden. Hij was onverstoord blijven doorgaan met planten.

De eiken van 1910 waren nu 10 jaar, ze waren hoger dan mij of hem. De aanblik was indrukwekkend. Ik was letterlijk sprakeloos en aangezien hij ook niet sprak, brachten we de ganse dag in stilte door, wandelend door het woud. Dat was aangelegd in drie stroken en toch elf kilometer op zijn grootste breedte. Wanneer men bedenkt dat dat alles het werk was van de handen en de ziel van deze man, zonder technische hulpmiddelen, dan begrijpt men dat de mens even doeltreffend kan zijn als God, ook op andere gebieden dan vernietiging.

Het idee van de beuken had hij uitgewerkt, ze stonden nu al schouderhoog, een aanplanting waar men het einde niet van zag. De eiken waren dichtbebladerd en nu groot genoeg om bestand te zijn tegen knaagdieren. Wat betreft de Voorzienigheid: om dit werk nog te kunnen vernietigen zou ze wel haar toevlucht tot cyclonen moeten nemen. Hij toonde me wonderlijke bosjes berken, vijf jaar oud, van 1915, het jaar dat ik in Verdun vocht. Hij had ze geplant in die laagten waar hij de aanwezigheid van water vermoedde, en terecht, zo bleek nu. De berken waren tenger als adolescenten en even vastberaden.

Overigens gaf deze schepping de indruk dat ze zichzelf verderzette. Hij was er niet bezorgd om. Hij zette koppig zijn taak verder, zeer simpel. Maar toen ik terug afdaalde naar het dorp zag ik water stromen in beken die sinds mensenheugenis droog stonden. Dat was het meest formidabele resultaat van een actie dat ik ooit gezien heb.

Ooit had in die beken water gestroomd, in zeer oude tijden. Sommige van die droevige dorpen waar ik van sprak in het begin van mijn verhaal waren gebouwd op de ruïnes van oude gallo-romeinse nederzettingen, waarvan men nog sporen terugvond. Archeologen hadden er opgravingen gedaan en vishaken gevonden op plaatsen waar men in de twintigste eeuw water in tanks moest aanvoeren. De wind verspreidde ook zaden. Tegelijk met het water verschenen ook opnieuw schiet- en teenwilgen, de weiden, de tuinen, de bloemen en een soort zin om te leven. De transformatie voltrok zich zo langzaam dat de mensen ze gewoon werden zonder zich te verbazen. De jagers die tot deze hoogten geraakten bij het achtervolgen van everzwijnen of hazen hadden natuurlijk gemerkt dat hier jonge boompjes groeiden, maar ze hadden dat toegeschreven aan de eigenaardigheden van de natuur. En daarom raakte niemand het werk van deze man aan. Had men hem ervan verdacht, dan had hij zeker tegenkanting ondervonden. Maar hij stond buiten verdenking. Wie, in de dorpen en in de administraties, had zich een dergelijke volharding in de edelmoedigheid kunnen voorstellen ?

Vanaf 1920 ging er geen jaar voorbij dat ik geen bezoek bracht aan Elzéard Bouffier. Ik heb hem nooit weten afwijken of twijfelen. En nochtans, God weet of God zelf er wel iets doet groeien ! Ik heb niet opgeteld hoeveel teleurstellingen deze man meemaakte. Nochtans kunnen we ons wel indenken dat, om zo'n resultaat te bekomen, er veel tegenslag moest overwonnen worden; dat, om te slagen met een dergelijke missie, er moest gestreden worden met de wanhoop. Gedurende één jaar had hij 10.000 esdoorns geplant. Ze stierven allemaal af. Het jaar daarop liet hij de esdoorns voor wat ze waren en herbegon met de beuken, die het nog beter deden dan de eiken.

Om een min of meer exact beeld te krijgen van deze uitzonderlijke mens, mag men niet vergeten dat hij in de grootste eenzaamheid werkte; zo groot dat hij op het einde van zijn leven het praten verleerd had. Of misschien zag hij het nut ervan niet meer in.

In 1933 kreeg hij bezoek van een verbaasde boswachter. Deze ambtenaar schreef hem voor om toch maar geen vuur te maken buiten, hij zou het gedijen van dit natuurlijk woud in gevaar hebben kunnen brengen. Het was de eerste keer, vertelde deze naïeve man, dat men zo vanzelf een bos zag groeien. Op dat ogenblik was Elzéard bezig met het planten van beuken op twaalf kilometer van zijn huis. Om niet altijd te moeten over en weer gaan, want hij was toen 75 jaar, vatte hij het plan op om een stenen huisje te bouwen op de plaats van zijn plantwerk. Het volgende jaar voerde hij dit plan uit.

In 1935 kwam een echte delegatie uit de administratie het "natuurlijk woud" bekijken. Er was een hoge piet van Waters en Bossen, een parlementslid, ingenieurs. Vele nutteloze woorden werden uitgekraamd. Men besloot om iets te doen en, gelukkig deed men niets, tenzij het enige dat werkelijk nuttig was: het woud werd onder bescherming van de Staat geplaatst en er mocht geen hout uitgehaald worden om houtskool van te maken. Het was onmogelijk om niet onder de indruk te geraken van dit jonge natuurschoon. Het oefende zelfs zijn verleidingskracht uit op het parlementslid.

Bij de ingenieurs-houtvesters was een vriend van mij. Ik legde hem het mysterie uit. De volgende week gingen wij samen op zoek naar Elzéard Bouffier. We vonden hem midden in zijn werk, op 20 km van de plaats waar de inspectie had plaats gevonden. Deze houtvester was niet voor niets mijn vriend. Hij kende de waarde van de dingen. Hij bleef ook zwijgzaam. Ik bood de enkele eieren aan die ik meegebracht had, als geschenk. Wij deelden ons eten in drie en enkele uren brachten wij door in stille beschouwing van het landschap. In dit deel van het bos stonden bomen van zes, zeven meter hoog. Ik dacht terug aan het landschap van 1913, de woestenij ... De vredige en regelmatige arbeid, de frisse lucht van de bergen, de soberheid en vooral de sereniteit van de ziel hadden deze grijsaard een bijna plechtige gezondheid geschonken. Het was één van Gods atleten. Ik vroeg mij af hoeveel hectares hij nog zou kunnen beplanten.

Vóór ons vertrek deed mijn vriend nog een korte suggestie in verband met boomsoorten die het volgens hem wel zouden doen op deze plaats. Hij drong niet aan. "Om de eenvoudige reden", zei hij me later, "dat deze man er meer af weet dan ik." Nadat we een uur gestapt hadden voegde hij eraan toe, alsof pas nu het idee de weg in zijn hoofd had gevonden: "Hij weet er meer van dan om 't even wie ter wereld. Hij heeft een excellente manier gevonden om gelukkig te zijn !"

Het is dank zij deze houtvester dat niet alleen het woud, maar ook het geluk van de planter beschermd werden. Hij liet drie boswachters benoemen en terroriseerde hen zodanig dat ze ongevoelig bleven voor de steekpenningen die de kolenbranders hen aanboden.

Het werk liep maar een keer groot gevaar en dat was tijdens de tweede wereldoorlog. De auto's reden toen op gas, en om dat te fabriceren was er nooit genoeg hout. Men begon te kappen in de eiken van 1910, maar omdat die gebieden zo veraf liggen van het wegennet werd het vlug onrendabel. Men liet het zo. De herder had niets gemerkt. Hij werkte toen op dertig km daarvandaan, in alle vrede. De oorlog van 39 stoorde hem net zo min als die van 14.

Ik zag Elzéard Bouffier voor de laatste maal in juni 1945. Hij was toen 87 jaar oud. Ik had toen opnieuw de weg naar de woestijn ingeslagen, maar nu reed er een bus die de vallei van de Durance verbond met de berg, en dat ondanks de ontreddering van de voorbije oorlog. Ik herkende de plaatsen niet meer waar ik vroeger gepasseerd was, maar ik schreef dat toe aan de relatief snelle manier van vervoer. Ik had ook de indruk dat ik langs nieuwe plaatsen reed. Ik had de naam van een dorp nodig om mij te kunnen oriënteren en om vast te stellen dat ik mij wel degelijk in de streek bevond die vroeger één en al ruïne en verlatenheid was. De bus zette mij af in Vergons. In 1913 leefden in dit gehucht van tien, twaalf huizen nog drie mensen. Het waren wilden, die mekaar verafschuwden, ze leefden van de stroperij; ongeveer in de fysieke en mentale toestand van mensen uit de prehistorie. De brandnetels overwoekerden de verlaten huizen rondom de hunne. Hun leven was uitzichtloos, ze konden alleen maar wachten op de dood, een situatie die de mens niet erg tot deugdzaamheid doet neigen.

Alles was veranderd. Zelfs de lucht. In plaats van de droge en brutale windstoten die me eertijds verwelkomden, woei er nu een zacht geurig briesje. Een geluid als van stromend water kwam van de hoogten: het was de wind die in de boomtoppen speelde. Wat me nog meer verbaasde was dat ik ook echt stromend water hoorde in een vergaarbak. Ik zag dat men terug een fontein geplaatst had, waar overvloedig water uit stroomde. Wat me het meest ontroerde was de linde die men er vlak bij geplant had, zeker vier jaar oud, dik in de bladeren, een onmiskenbaar symbool van een herrijzenis.

Overigens zag men overal in Vergons sporen van een arbeid die men niet verricht wanneer men niet in de toekomst gelooft. De hoop was dus teruggekeerd. De ruïnes waren opgeruimd, overgebleven alleenstaande muren waren neergehaald, vijf huizen waren gebouwd. Het gehucht telde nu 28 inwoners, vier jonge gezinnen inbegrepen. Nieuwe huizen, met verse crepi bezet, waren omringd door moestuinen waar gemengd, maar op rijen zowel bloemen als groenten groeiden, kolen en rozen, prei en leeuwebek, selder en anemonen. Het was nu een plek waar men graag zou wonen.

Vanaf het dorp ging ik te voet. De oorlog was nog niet lang genoeg achter de rug om een volledige ontplooiing van het leven toe te laten, maar Lazarus was uit zijn graf gekomen. Op de geterrasseerde hellingen van de berg zag ik kleine velden met gerst en rogge; in de smalle valleien zag men het groen van de maaiweiden.

We zijn nu 8 jaar verder en gans de streek schittert van gezondheid en goed-leven. Op de plaats van de ruïnes die ik in 1913 zag, staan nu propere boerderijen, mooi bezet, die getuigen van een gelukkig en comfortabel leven. De oude bronnen, gevoed door de regen en sneeuw die door het woud worden vastgehouden, stromen opnieuw. Naast iedere boerderij, in de bosjes esdoorns, lopen de vijvertjes over op een tapijt van verse munt. Langzamerhand werden de dorpen heropgebouwd. Mensen voor wie de grond in de vlakte te duur werd, zijn zich komen vestigen. Ze brachten jeugd mee, beweging, ondernemingslust. Op de wegen ontmoet men mannen en vrouwen, goed gevoed, jongens en meisjes die kunnen lachen en die de landelijke feesten doen heropleven. Als men de oude bevolking meetelt, die onherkenbaar is sinds ze in deze zachtheid en met de nieuwkomers leeft, dan komen we aan meer dan 10.000 mensen die hun geluk te danken hebben aan Elzéard Bouffier.

Wanneer ik stil sta bij het feit dat één enkele man, met zijn eenvoudige fysieke en morele uitrusting, van die woestijn een land van belofte kon maken, dan vind ik ondanks alles het menszijn bewonderenswaardig. Maar wanneer ik in rekening breng wat er nodig was aan volharding in de grootsheid en aan hardnekkigheid in de edelmoedigheid, om dit resultaat te bekomen, dan word ik overmand door een immens respect voor deze oude boer zonder scholing die een werk tot een goed einde heeft gebracht dat God waardig was.

Elzéard Bouffier stierf vredig in het gasthuis van Banon in 1947.

*****


Gerrit Achterberg over

Jean Giono

Als ik Jean Giono lees krijgt het leven
een nieuwe plaats in mij, vol snelle vissen
schiet het lichaam, ik hoef niet te beslissen,
maar word aan de rivieren meegegeven

Regen en zonneschijn zijn grote zeven
Waar ik doorheen val en de waterlissen
Slijpen hun zoete messen aan de vliezen
Waarmee ik in de hoogte word geheven.

De zalmen staan gekruld tegen mijn rug.
Ik ben de grondeling van deze streek,
Languedoc, een eendekooi, die bleek

Maanlicht bewaart onder de ronde brug
Van lover, urenlang, tot aan de zee.
En alle dieren lopen met ons mee.




Terug naar de gedichten.





Toevoeging op 14 januari 2009 :

Dit is geen waar gebeurd verhaal !


"La nouvelle de Jean Giono qui a été écrite vers 1953 et n'est que peu connue en France. Par contre, traduite en treize langues, elle a été largement diffusée dans le monde entier et si appréciée que de nombreuses questions ont été posées sur la personnalité d'Elzéard Bouffier et sur la forêt de Vergons, ce qui a permis de retrouver le texte.

Si l'homme qui plantait des chênes est le produit de l'imagination de l'auteur, il y a eu effectivement dans cette région un énorme effort de reboisement surtout depuis 1880. Cent mille hectares ont été reboisés avant la première guerre mondiale, surtout en pin noir d'Autriche et en mélèze d'Europe, ce sont aujourd'hui de belles forêts qui ont effectivement transformé le paysage et le régime des eaux.

Voici d'ailleurs le texte de la lettre que Giono écrivit au Conservateur des Eaux et Forêts de Digne, Monsieur Valdeyron, en 1957, au sujet de cette nouvelle :

Cher Monsieur,
Navré de vous décevoir, mais Elzéard Bouffier est un personnage inventé. Le but était de faire aimer l'arbre ou plus exactement faire aimer à planter des arbres (ce qui est depuis toujours une de mes idées les plus chères). Or si j'en juge par le résultat, le but a été atteint par ce personnage imaginaire. Le texte que vous avez lu dans Trees and Life a été traduit en Danois, Finlandais, Suédois, Norvégien, Anglais, Allemand, Russe, Tchécoslovaque, Hongrois, Espagnol, Italien, Yddisch, Polonais.

J'ai donné mes droits gratuitement pour toutes les reproductions. Un américain est venu me voir dernièrement pour me demander l'autorisation de faire tirer ce texte à 100 000 exemplaires pour les répandre gratuitement en Amérique (ce que j'ai bien entendu accepté). L'Université de Zagreb en fait une traduction en yougoslave. C'est un de mes textes dont je suis le plus fier. Il ne me rapporte pas un centime et c'est pourquoi il accomplit ce pour quoi il a été écrit.

J'aimerais vous rencontrer, s'il vous est possible, pour parler précisément de l'utilisation pratique de ce texte. Je crois qu'il est temps qu'on fasse une « politique de l'arbre » bien que le mot politique semble bien mal adapté."


Uit : http://www.perso.ch/arboretum/pla.htm








*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*



.

Waarnemen en denken


Wie een boek over de geschiedenis van de filosofie openslaat zal niet gauw de naam van Rudolf Steiner tegenkomen. Neem bvb. "Geschiedenis van de filosofie" van Hans-Joachim St”rig, een Prisma-klassieker: zelfs geen enkele verwijzing naar Rudolf Steiner, en dat ondanks het feit dat diens hoofdwerk "De filosofie der vrijheid" heet.

De reden voor dit niet vermelden moeten we niet ver zoeken. De uiteenzetting van Rudolf Steiner is zo logisch, klaar en duidelijk, dat er voor een commentator niet veel aan te verduidelijken valt.

Aan wie in bovengenoemd boek ook geen hoofdstuk is gewijd is de Spaanse filosoof Jos‚ Ortega y Gasset (1883 - 1955), bekend van "Opstand der massa's". Die kreeg wel enkele vermeldingen. Bij de lectuur van ‚‚n van de werken van deze filosoof stootten we op een passage waar de auteur betoogt dat het unieke aan de mens zijn denken is. Deze stelling vinden we ook terug bij Rudolf Steiner. Beide denkers vertrekken van de vaststelling dat de mens zijn innerlijk ziet als iets dat staat tegenover de (buiten)wereld, en dat daar fundamenteel van verschillend is. Met het denken als instrument gaat de mens dan de buitenwereld leren kennen.

Rudolf Steiner gaat vanaf hier zeer systematisch verder tot hij bij de vrijheid van de mens uitkomt.

Ortega y Gasset komt ook bij die vrijheid uit, maar zijn betoog is veel minder strak dan dat van Rudolf Steiner, hij wil het ook niet bewijzen, hij geeft gewoon zijn mening.

Het leek ons interessant om u te laten kennis maken met de tekst van Ortega y Gasset. We gaan ervan uit dat u de "Filosofie der Vrijheid" voldoende kent om te kunnen vergelijken.. Mocht dit niet het geval zijn, dan zal onderstaande vertaling misschien uw nieuwsgierigheid prikkelen, of uw drempelvrees wegnemen, zodat u toch eens de stap tot de "Filosofie der Vrijheid" zet.

De passage komt uit de voorlezingen die Ortega y Gasset hield aan de universiteit van Buenos Aires. Hij verbleef enkele jaren in Argentinië nadat hij vrijwillig in ballingschap was gegaan toen Franco aan de macht was gekomen. De originele tekst vindt u terug in deel zes van de Verzamelde Werken, in de uitgave van de Deutsche Verlags-Anstalt (Stuttgart, 1996).


Dat het vermogen om na te denken het wezenlijke en bijzondere kenmerk van de mens is, wordt ons nergens beter duidelijk dan in de dierentuin wanneer wij voor de apenkooi staan. Vogels en schaaldieren staan als levensvorm te ver van ons af, bij een vergelijking bemerken wij alleen grove, abstracte verschillen die daarenboven door hun veelvuldigheid nog verwarrend zijn ook. De aap daarentegen gelijkt zo goed op ons dat hij een nauwkeurige vergelijking toelaat om meer bepaalde en meer typische verschillen te ontdekken.

Wanneer we de apenkooi een poosje observeren, in passieve rust, dan zal ons spoedig en als vanzelf een veelbetekenende trek uit het tableau treffen als een lichtstraal, namelijk dat deze duivelse, kleine dieren voortdurend opmerkzaam zijn en in constante onrust verkeren, dat ze alles in 't oog houden en naar alles luisteren wat in hun omgeving gebeurt, dat ze onvermoeibaar oppassen op hun omgeving, alsof ze vrezen dat er voortdurend een gevaar kon opduiken waarop ze automatisch met vluchten of bijten, dus met een mechanische spierreflex, moeten reageren. Het dier leeft inderdaad in een voortdurende wereldangst en tegelijk met een voortdurende begeerte naar de dingen die in de wereld voorhanden zijn. Dit begeren is even ontembaar als de schrik zonder maat is. Zowel in het ene als in het andere geval zijn het de objecten en gebeurtenissen uit de omgeving die het leven van het dier beheersen en die het als een marionet heen en weer laten slingeren en leiden. Het dier beheerst zijn bestaan niet, het leeft niet uit zichzelf, maar het let altijd op hetgeen buiten hem voorvalt, op het andere.

Wanneer wij dit onvermijdelijke lot van rusteloze opgejaagdheid beschouwen, dan komt er een ogenblik waarop wij met een zeer Argentijnse uitdrukking zuchten: "Que trabajo !" - wat een leven ! Daarmee drukken wij in alle naïviteit en zonder er ons nader rekenschap van te geven, het wezenlijkste onderscheid uit dat tussen mens en dier bestaat. Want deze uitdrukking getuigt dat wij een ongemakkelijke beklemming ervaren bij de voorstelling om ook zo te moeten leven, voortdurend opgejaagd door de buitenwereld en op de loop voor wat er voortdurend zou kunnen voorvallen. Maar ... bevinden wij ons soms niet in dezelfde situatie als het dier ? Zijn wij ook niet gevangenen van onze leefwereld, omringd door dingen die ons angst inboezemen, door dingen die ons in vervoering brengen en waarmee wij ons moeten bezig houden ons leven lang, of wij willen of niet ?

Ja, maar met het volgende wezenlijke onderscheid: de mens kan van tijd tot tijd zijn bezig-zijn met de dingen opgeven, hij kan zijn omgeving desgevallend ook geen aandacht schenken, hij kan zich uit die wereld losmaken, hij kan, door zijn vermogen tot nadenken te activeren, de wereld de rug toekeren op een radicale -zoölogisch onbegrijpelijke- manier, om zich in zichzelf te verdiepen, op zijn eigen innerlijk te letten of, wat hetzelfde is, zich met zichzelf en niet met het Andere, met de dingen, bezig te houden.

Met woorden die afgesleten zijn als oude munten en niet meer met een dwingende duidelijkheid zeggen wat ze bedoelen, plegen wij deze activiteit aan te duiden als denken, nadenken. Maar deze uitdrukkingen verbergen het meest verrassende aspect van dit feit: de kracht die de mens bezit om zich werkelijk tijdelijk terug te trekken uit de wereld en zich in zichzelf te verdiepen. Dit wonderbaarlijk vermogen van de mens om zich tijdelijk uit de afhankelijkheid der dingen terug te trekken, bevat twee totaal verschillende krachten: ten eerste de kracht om de wereld gedurende kortere of langere tijd zonder fatale risico's buiten beschouwing te laten en ten tweede: iets te bezitten waarin hij zich kan terugtrekken, waar hij kan zijn wanneer hij zich feitelijk uit de wereld teruggetrokken heeft. Deze plaats is zijn innerlijk, zijn Zelf, dat in hoofdzaak bestaat uit ideeën.

Want deze ideeën vertonen een hoogst merkwaardig kenmerk dat zij zich op geen enkele vaste plek ter wereld bevinden, ze staan buiten iedere locatie, hoewel wij ze symbolisch wel een plaats geven. De Grieken dachten dat ze in het hart zetelden, de voorhomerische Grieken in het middenrif of de lever. Alle plaatsen die als zetel van de idee‰n beschouwd worden hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze altijd in een week lichaamsdeel gesitueerd worden, d.i. in het binnenste van het lichaam, hoewel dat innerlijk van het lichaam maar een relatief innerlijk is ( beschouwd vanuit het IK is ook het innerlijk van het lichaam iets uiterlijks - fdw). Op deze wijze geven wij op een materialiserende manier uitdrukking aan een vermoeden dat de idee‰n zich op geen enkele (fysieke) plaats bevinden, maar dat ze ten opzichte van de uiterlijke wereld een andere wereld vormen die niet deel uitmaakt van onze wereld, namelijk onze innerlijke wereld.

Daarom moet het dier altijd zijn aandacht schenken aan wat buiten hem voorvalt. Want zelfs wanneer de gevaren en prikkels verminderen, toch blijft het dier dwangmatig daardoor beheerst, van buitenaf, van het Andere; want het kan zich niet in zichzelf terugtrekken omdat het geen Zelf, geen chez soi heeft waarin het zich kan terugvinden en kan uitrusten.

Het dier is dus zuiver buiten-zich-zijn. Wanneer de dingen ophouden met het te bedreigen of te prikkelen, wanneer ze het een ogenblik rust gunnen, kortom, wanneer het Andere ophoudt het te bewegen en het bezig te houden, dan moet het arme dier werkelijk ophouden te bestaan: het slaapt in. Vandaar het buitengewone vermogen tot slapen dat het dier aan de dag legt, de bovenmenselijke slaapzucht die we soms nog bij primitieve mensen vaststellen. Daartegenover staat de groeiende slapeloosheid van de beschaafde mens, de bijna ononderbroken - dikwijls verschrikkelijke, onbedwingbare- wakkerheid die de mens met een intensief innerlijk leven kwelt. Het is nog niet zo lang geleden dat mijn grote vriend Max Scheler - een van de vruchtbaarste geesten van onze tijd- stierf omdat hij niet meer kon slapen. [ ... ]

Maar vergeten wij niet: deze beide vermogens die de mens bezit, zich kunnen terugtrekken uit de wereld en zich kunnen verdiepen in zichzelf, dat zijn geen gaven die de mens geschonken werden. Niets wat wezenlijk is, is de mens geschonken. Alles moet hij zelf veroveren.

Wanneer dus de mens het privilege geniet om zich tijdelijk van de dingen los te maken en zich in zichzelf te verdiepen, dan is dat omdat het door zijn inspanning, zijn arbeid en zijn ideeën gelukt is om op de dingen in te werken, om ze om te vormen en in zijn omgeving weliswaar een beperkte maar een toch altijd groeiende zone van zekerheid te verschaffen. [ ... ]

De mens is, niet minder dan het dier, op de wereld, op de dingen rond hem aangewezen. Aanvankelijk onderscheidt zijn leven zich nauwelijks van dat van het dier: ook hij leeft, beheerst door de uiterlijke wereld en zelf ding onder de dingen van de wereld. Maar van zodra de wezens uit zijn omgeving hem een korte adempauze gunnen, zorgt de mens met grote inspanning voor een ogenblik concentratie, hij verdiept zich in zichzelf, d.i. hij houdt met grote moeite zijn opmerkzaamheid gericht op de ideeën die uit zijn innerlijk opstijgen, ideeën die opgewekt werden door de dingen en die betrekking hebben op de wereld, op dat wat de filosoof later het Zijn der dingen zal noemen.

Het gaat hier om te beginnen maar om een eerste, grove idee over de wereld, maar die toch al een eerste verdedigingsplan, een handelen met overleg toelaat. Het rumoer van de wereld laat echter de mens niet toe om veel aandacht aan deze concentratie te schenken en zelfs wanneer hij de tijd had gehad, dan zelfs was de primitieve mens niet in staat om zijn opmerkzaamheid langer dan enkele seconden te richten op zulke vluchtige fantasmen als de ideeën zijn. Deze naar binnen gerichte opmerkzaamheid die het wezen uitmaakt van de verdieping in zichzelf is het meest tegennatuurlijke feit, het ligt ver uit de biologische ontwikkeling. Duizenden en nog eens duizenden jaren had de mens nodig om zijn vermogen tot concentratie maar enigszins te ontwikkelen. Zijn natuur maakte hem beter geschikt om zijn opmerkzaamheid ook naar buiten te richten, om verstrooiing te zoeken, om zich letterlijk (geestelijk) te verstrooien, net zoals de apen in het woud en in de dierentuin.

De vorser en missionaris P. Schebesta, de eerste etnograaf die zich in het bijzonder met pygmee‰n bezig hield, waarschijnlijk de oudste mensensoort die we kennen en die deze vorser in de verste tropische oerwouden opgezocht heeft - deze Schebesta zegt in zijn laatste, in 1934 verschenen werk over de dwergen van Congo:

" Het vermogen aan concentratie ontbreekt hen volkomen. Zij worden voortdurend door uiterlijke indrukken bezig gehouden wier continue verandering hen hindert om zich innerlijk samen te ballen, wat de eerste voorwaarde voor ieder onderricht is. Hen op een schoolbank zetten, zou voor deze mensjes een onverdraaglijke kwelling betekenen. Daarom is ook het werk van de missionaris en de leraar zeer lastig."

Maar zelfs wanneer deze primitieve concentratie slechts enkele ogenblikken duurt en mogelijk is, toch scheidt dit ons grondig van het dierlijk leven. [ ... ]

Een denkbeeld dat we volgens mij hardnekkig moeten bestrijden is dat het denken de mens eens en voor altijd gegeven is zodat het hem altijd zonder meer ter beschikking staat als een volkomen vermogen of kracht die klaar staat om uitgeoefend te worden zoals de vogel het vliegen en de vis het zwemmen verleend werd.

Indien deze theorie, die hardnekkig wordt volgehouden, correct zou zijn, dan zou daaruit volgen dat de mens onmiddellijk en zonder meer zou kunnen denken op dezelfde manier zoals een vis onmiddellijk zwemmen kan. Een dergelijke opvatting maakt ons op een beklagenswaardige wijze blind voor een inzicht in de bijzondere dramatiek, de unieke dramatiek die het menselijk leven uitmaakt. Want als we ons voor een ogenblik het traditionele idee aannemen dat het denken de karakteristieke eigenschap van de mens zou zijn zodat mens zijn hetzelfde zou zijn als: een denkend wezen te zijn -zoals onze geniale vader Descartes beweerde- dan zou deze met denken begaafde mens even zeker zijn dat hij mens is als de vis zeker is dat hij vis is. En dat is juist de ongehoorde en fatale vergissing. De mens is nooit zeker dat hij zijn denken, op de gepaste wijze welteverstaan, kan uitoefenen, en alleen wanneer het gepast uitgeoefend wordt, is het ook denken. Dat betekent niet minder dan dat de mens - wat hem onderscheidt van alle andere wezens van het universum- nooit zeker is, nooit zeker kan zijn dat hij werkelijk een mens is zoals de tijger zeker is dat hij een tijger is en de vis dat hij een vis is.

Het denken is de mens niet geschonken, in waarheid heeft zich de mens het denken veroverd dank zij een discipline, een ontwikkeling en een onderhouden, een duizendjarige inspanning door vele miljoenen individuen, zonder dat het hem tot hier toe gelukt is om deze opgave ook maar bij benadering tot een goed einde te brengen. Niet alleen is het denken de mens niét zo zonder meer geschonken; het is hem zelfs op de hoogtepunten van zijn geschiedenis niet gelukt zelfs maar in geringe mate en in een ruwe vorm datgene vorm te geven wat wij in de eigenlijke en normale zin van het woord onder denken verstaan. En ook dit kleine stukje dat al verworven is, loopt voortdurend gevaar dat het weer teloor gaat. In het verleden is het reeds op grote schaal verloren gegaan, en ook tegenwoordig zijn wij terug ons best aan 't doen om het kwijt te spelen. Daarom is de mens nooit met zekerheid mens. Mens zijn betekent veeleer altijd op weg zijn het niét te zijn, een levend probleem, een absoluut en gevaarvol avontuur te zijn of, zoals ik dikwijls zeg, wezenlijk drama te zijn !

Want er is slechts sprake van drama wanneer men niet weet wat er zal gebeuren, wanneer veeleer ieder ogenblik dodelijk gevaar en beklemmend risico is. Terwijl de tijger niet kan ophouden met tijger te zijn, zich niet kan ont-tijgeren, leeft de mens in het voortdurend gevaar om zich te ontmenselijken. Voor hem is niet alleen problematisch en toevallig dat hem, net als andere levende wezens, iets kan voorvallen, nee, veeleer overkomt hem bij tijden niets minder dan: niet mens te zijn. En dat is niet alleen abstract en fundamenteel waar, het geldt voor onze ganse individualiteit. Ieder van ons loopt constant gevaar niet zichzelf te zijn, niet de unieke en onoverdraagbare te zijn die hij is. De meeste mensen verraden voortdurend dit Zelf dat ze hopen te zijn, en om de ganse waarheid te zeggen: onze individualiteit is een persoonlijkheid die zich nooit volledig verwerkelijkt, een levende utopie, een geheime tekst die ieder van ons diep in zijn borst bewaart. Men verstaat vandaar zeer goed dat Pindaros zijn hero‹sche ethiek samenvat in de bekende imperatief:

"Word wie ge zijt !"

De menselijke toestand is dus naar zijn wezen onzekerheid. Er is geen menselijke verworvenheid die verzekerd is. Ook wat ons het best gelukt en verzekerd schijnt, kan op enkele generaties verdwijnen. Wat wij beschaving noemen - al deze fysieke en morele gemakkelijkheden, al deze mogelijkheden tot ontspanning, al deze beschermingsmaatregelen, al deze vermogens die wij routineus uitoefenen, de procedures waarop wij rekenen, vormen in werkelijkheid een repertorium of een systeem van zekerheden dat de mens construeert als een vlot voor de schipbreuk die het leven is vanaf het begin tot het einde. Al deze zekerheden zijn onzekere zekerheden die op ‚‚n twee drie en ongemerkt uit onze handen glijden en zich als fantasmen kunnen oplossen. De geschiedenis bericht ons van ontelbare stappen terug, achteruitgang en ontaarding. Het is echter niet gezegd dat er niet nog veel radicalere achteruitgangen dan alle bekende mogelijk zijn, inclusief de radicaalste van al: het totale vervluchtigen van de mens als mens en zijn stilzwijgende terugval in de orde der dieren, in de volledige en definitieve zelfvervreemding.

Het lot van de cultuur, de bestemming van de mens hangt ervan af of wij op de bodem van ons wezen altijd dit dramatische bewustzijn bewaren en als een in het innerlijk voortdurende klinkende grondtoon waarnemen dat voor ons slechts de onzekerheid zeker is. Geen gering deel van de angsten die tegenwoordig de zielen van het avondland bedrukken spruit daaruit voort dat de mens in de afgelopen eeuw -en misschien voor het eerst in zijn geschiedenis- ertoe kwam om zich zeker te wanen. Het idee van de vooruitgang drukt zich namelijk niet alleen uit in de bewering dat de mensheid vooruitgaat, maar dat ze ook onvermijdelijk vooruitgaat. Dit idee verdoofde zowel Europeaan als Amerikaan en liet hun niet meer het radicaal gevoel van het waagstuk gewaarworden dat het wezen van de mens uitmaakt.

Want als de mensheid onvermijdelijk vooruitgaat, dan betekent dat dat we iedere waakzaamheid kunnen opgeven, ons voor niets hoeven te bekommeren, onszelf niet moeten verantwoordelijk stellen en ons erop kunnen verlaten dat de mensheid ons toch vanzelf naar de volkomenheid en eeuwige gelukzaligheid zal leiden. Aldus wordt de menselijke geschiedenis van iedere dramatiek beroofd en gedegradeerd tot een gezellig toeristenreisje dat door een of ander transcendent reisagentschap georganiseerd wordt. De beschaving, waarop wij ingescheept hebben en die met grote zekerheid haar doel zal bereiken zou dus gelijken op het schip der Phaeaken waarvan Homeros vertelt dat het zonder stuurman de haven binnenvoer.

Deze zekerheid is het waarvoor wij vandaag moeten betalen. Dat is een van de redenen waarom ik u vertelde dat ik niet geloof in vooruitgang. En daarom roep ik voor mijzelf altijd liever het gevoel op dat ik in mijn jeugd gewaar werd bij het lezen van de woorden van Hegel, de woorden waarmee het zijn geschiedenis van de filosofie inleidde:

" Als we het verleden beschouwen, dus de geschiedenis, dan is het eerste wat wij zien: ruïnes."

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Is reïncarnatie en karma verenigbaar met de christelijke opvattingen?

door Jan Vermeir


Het overkomt iedere antroposoof wel eens dat hij door de belijders van het christelijk geloof als een halve gare bekeken wordt, als hij het bestaan van reïncarnatie en karma ter sprake brengt.
Zelf heb ik een tijdje geleden het volgende meegemaakt: een kennis vertelde mij dat hij in contact gekomen was met een diep christelijk en zeer wijs mens, en hij verzekerde mij dat ik veel van deze mens zou kunnen leren. Terstond was mijn nieuwsgierigheid gewekt en ik vroeg en kreeg een afspraak, want men komt niet elke dag een wijs mens tegen. Op de afgesproken avond begaf ik mij dan ten huize van mijn gastheer; hij ontving mij bijzonder hartelijk, en inderdaad, zoals die kennis van mij gezegd had, was deze mens zeer christelijk, en gaf hij mij wijze en vaderlijke raad op al mijn vragen. Hoewel, de antwoorden die hij mij gaf op de vragen die ik hem stelde over de Bijbel leken mij wel extreem traditioneel. Ik vroeg mij af wat hij zou denken over karma en reïncarnatie, en dus stelde ik hem een vraag daarover. Terstond sloeg zijn minzame houding om in een zekere ergernis en achterdocht, en hij lachte: "Maar man, geloof daarin toch niet, geloof zoiets toch niet man!"...

Sedertdien heb ik mij meermaals afgevraagd hoe het komt dat christelijke en wijze mensen zoals mijn gastheer er hoegenaamd niet toe komen om zich zelfs maar in overweging te nemen of karma en reïncarnatie misschien toch zouden kunnen bestaan.

Kan het bestaan van reïncarnatie en karma bewezen worden?

Zomaar kant en klaar bewijzen kan men niet, maar men kan wel, zonder helderziende te zijn, tot de overtuiging komen van het bestaan ervan, door de kwestie op een eenvoudige logische manier te benaderen.
Enkele voorbeelden:

- Het exoterisch christendom leert dat ieder mens één aardeleven doormaakt en dat iedereen naar de werken van dit ene leven zal geoordeeld worden. Het verwerpt het bestaan van reïncarnatie, ook de preëxistentie van de ziel (dat is het bestaan van de ziel vóór de geboorte), omdat God de menselijke ziel schept bij de fysieke geboorte (of ten vroegste bij de conceptie). Aangezien God almachtig, oneindig goed en rechtvaardig is, zal Hij -afgezien van de erfzonde waarmee wij allen belast zijn- elke ziel smetteloos scheppen.

Laten wij nu eens het volgende in overweging nemen: een ééneiïge tweeling wordt geboren, de beide kinderen krijgen vanaf het begin dezelfde opvoeding, ze groeien op in dezelfde omgeving, worden even liefdevol behandeld, ze hebben dezelfde talenten en krijgen allebei dezelfde kansen in het leven, maar al vlug blijkt dat het ene kind kwaadwillig van aard is en het andere goed van inborst. Dit is geen hypothetisch geval, het is al dikwijls in de realiteit voorgekomen. Men bekomt het vermoeden dat deze twee kinderen reeds vanaf hun geboorte een andere zielsgesteldheid hadden, en dan zou hier een factor moeten werken die onafhankelijk is van Gods almacht en rechtvaardigheid. Als logische consequentie zou men derhalve de oorzaak van het verschil tussen deze twee zielen moeten zoeken vóór de fysieke geboorte, en dan is er slechts een kleine stap nodig om te besluiten dat die oorzaak in (een) vorig(e) aardeleven(s) moet liggen.

- En wat staat er te gebeuren met de zielen van al die mensen die vóór de tijd van Christus geboren zijn, die dus nooit de kans gekregen hebben om iets over Hem te vernemen, wat met de mensen die leefden toen Christus hier op aarde was en met de miljarden anderen die na Christus geboren zijn maar nooit iets over Hem gehoord hebben? Tot de Vader kunnen zij niet komen, want Christus zelf heeft gezegd: "Niemand komt tot de Vader dan door mij" (Joh.14:7). Zij worden dus uitgesloten, tenzij natuurlijk al die zielen opnieuw incarneren zodat zij de mogelijkheid krijgen de Christusimpuls op te nemen.

- Ooit vroeg iemand eens aan Rudolf Steiner wat de zin is van spijt, van berouw. "Berouw is waardeloos, goedmaken moet men doen...", antwoordde hij. Natuurlijk heeft berouw wél zijn waarde, maar Steiner had een goede reden om zulk een radicaal antwoord te geven: berouw lost immers de schuld niet af die het gevolg is van een verkeerde daad. En een schuld moet vereffend worden, dat is ook de visie van de Kerk, maar er bestaan schulden die in één leven nooit meer goed te maken zijn, zoals bijvoorbeeld iemand die een moord pleegt in dat leven nooit nog de schuld kan aflossen die door zijn misdaad ontstaan is. Voor de Kerk hoeft dat echter geen probleem te zijn om toch nog deelachtig te kunnen worden aan het rijk Gods, als men maar oprecht berouw betoont en in het vagevuur lang genoeg voor zijn zonden boet; en desnoods kan men nog rekenen op de goedertierenheid van God die de zonden vergeeft (over het vergeven van zonden: zie het volgend artikel). De schuld blijft echter openstaan, en in alle eeuwigheid zal de schuldige ziel dit feit moeten onder ogen zien. Dat moet toch een eeuwigdurende verschrikking zijn in de gelukzaligheid van Gods rijk...

Waarom de Kerk het bestaan van reïncarnatie en karma verwerpt


In voordrachten gehouden op 30/10/1905 (GA 93a) en 09/02/1906 (GA 97), verklaarde Rudolf Steiner dat er wel gegronde redenen bestonden waarom de kerkelijke instanties het bestaan van reïncarnatie altijd verworpen hebben. Wij geven hier een vrij overzicht van deze voordrachten:

In de oude tijden schouwden de mensen nog in de geesteswereld en iedereen kon zich zijn vorige levens herinneren; enkel bij de volkeren van Semitische oorsprong was die herinnering enigszins teruggedrongen.
De slaven bijvoorbeeld uit het oude Egypte wisten: dit is slechts een leven onder vele levens, en in een volgend leven zal ik de beloning ontvangen voor de zware lasten die ik nu moet dragen. Voor hen was reïncarnatie een feit.
Maar de tijden veranderen, en rond 800 v.C. begon een ander tijdperk: dat van de materiële cultuur. Meer en meer richtten de mensen zich op het materiële bestaan, en in evenredige mate vervaagde in hun gemoed de geestelijke wereld en zo ook de herinnering aan hun vorige aardelevens. Tenslotte verdween, afgezien van hier en daar een overlevering uit de oude tijd, de kennis van reïncarnatie volledig uit het bewustzijn. In het esoterisch christendom is die kennis echter altijd blijven voortbestaan, maar de ingewijden van toen wisten dat zij de leer van reïncarnatie niet naar buiten mochten brengen totdat er een ander tijdperk zou aanbreken. Want, zo redeneerden zij, de mensen hebben zich volledig naar het materiële bestaan gekeerd, en als wij nu deze leer verkondigen, zullen zij geneigd zijn aldus te reageren: laat ons in dit leven maar zoveel mogelijk de aardse genietingen welgevallen en het ons zo aangenaam en gemakkelijk mogelijk maken, in onze volgende levens zullen wij immers nog kansen genoeg krijgen om in te halen wat wij nu verzuimen.

Maar zo zou de mensheid achterop geraken in haar evolutie, en daarom mocht er gedurende een gans tijdperk (ongeveer 2000 jaar) niet openlijk gesproken worden over reïncarnatie. Er moest de mensen integendeel duidelijk gemaakt worden dat dat ene leven allesbepalend was voor hun eeuwige zaligheid. De mensen moesten geloven dat er slechts één aardeleven bestaat en dat hun ganse zaligheid afhangt van dat ene leven. Een radicaal standpunt van deze opvatting is de leer van de eeuwige verdoemenis.

Nooit hebben de ingewijden absolute waarheden verkondigd, maar alleen dat wat geschikt is voor een bepaald tijdperk; en de leer van reïncarnatie en karma zou in die tijd niet de juiste geweest zijn. Ook wat de geesteswetenschap verkondigt is niet de definitieve waarheid, maar de antroposofische levensbeschouwing moet nu openbaar gemaakt worden, omdat deze voor deze tijd de meest geschikte is. In een volgend tijdperk zal de waarheid in een nog gans andere vorm verkondigd worden.

Reïncarnatie en karma in de evangeliën


Volgens Rudolf Steiner staan er in de evangeliën tal van verwijzingen naar reïncarnatie en karma, maar men kan die enkel vinden indien de evangeliën op de juiste (geesteswetenschappelijke) manier bestudeerd worden. Die verwijzingen zijn immers in een enigszins verhulde vorm neergeschreven, en daar was een goede reden voor, beweerde hij. In een voordracht gehouden op 26/09/1909 (GA 114) verklaarde hij daarover het volgende:


"Wie zich heden ten dage - vervuld van de vermogens die de geesteswetenschap hem kan geven- in zijn eigen ziel verdiept, vindt dat de leer van karma en reïncarnatie een noodzakelijke leer is. Maar let u er wel op, dat deze ontwikkeling niet voor niets zo verloopt; dat het werkelijk zó is, dat pas in onze tijd de zielen er weer rijp voor zijn geworden om in zichzelf te vinden wat men de leer van karma en reïncarnatie noemt. Het zou niet goed geweest zijn als deze leer al een paar eeuwen vroeger exoterisch verkondigd zou zijn, en het zou voor de ontwikkeling van de mensheid niet goed geweest zijn als dat wat nu de inhoud van de geesteswetenschap is, waarnaar de mensen snakken, en waarmee het onderzoek naar de grondslagen van de evangeliën samenhangt, als dat al een paar eeuwen geleden openlijk aan de mensheid verkondigd zou zijn.

Want het was juist noodzakelijk dat deze zielen van de mensen ernaar snakten en mogelijkheden ontwikkelden om de leer van karma en reïncarnatie op te nemen. Daarvoor was het noodzakelijk dat deze zielen al vroeger, ook in de tijd na Christus, incarnaties hadden doorgemaakt en dat zij hadden beleefd wat men beleven kan, alvorens men rijp is om de leer van karma en reïncarnatie te ontvangen. Had men in de eerste eeuwen van het christendom deze leer zo openlijk verkondigd als dit nu gebeurt, dan zou dat betekend hebben dat men van de ontwikkeling van de mensheid hetzelfde zou hebben geëist wat men van een plant zou eisen, wanneer zij, in de plaats van te beginnen met het groene blad, onmiddellijk de bloem zou moeten voortbrengen.

Zo heeft dus de mensheid pas in deze tijd de rijpheid verworven om de leer van karma en reïncarnatie naar haar geestelijke inhoud in zich op te nemen. Het is dus ook helemaal niet verwonderlijk, dat in datgene wat de mensheid sinds eeuwen uit de evangeliën heeft ontvangen, veel staat dat eigenlijk een verkeerd beeld van het christendom geeft. Men zou kunnen zeggen: het evangelie is in zekere zin te vroeg aan de mensen toevertrouwd; pas heden ten dage wordt de mensheid rijp om in de ziel alle mogelijkheden te ontwikkelen die kunnen leiden tot een begrijpen van wat er eigenlijk in de evangeliën staat.

Het was absoluut noodzakelijk, dat datgene wat als verkondiging van de Christus Jezus naar buiten kwam, rekening hield met de toestand van dat ogenblik, met de toenmalige gesteldheid van de mensenzielen; in die tijd onderwees men dan ook reïncarnatie en karma niet in abstracte leerstellingen, maar men liet in de zielen van de mensen zodanige gevoelens binnenstromen, dat de zielen langzamerhand rijp konden worden voor het opnemen van de leer van reïncarnatie en karma. Dat betekent dat men in die tijd moest spreken over wat langzamerhand kon leiden tot het begrijpen van de leer van karma en reïncarnatie, en niet over de leer zelf.
Spraken de Christus Jezus en degenen die bij hem waren daarover? Om dat te begrijpen, moeten wij het evangelie volgens Lucas opslaan en het op de juiste wijze in ons opnemen. En als wij het, met begrip voor deze dingen, op de juiste wijze in ons opnemen, dan zullen wij lezen hoe juist toentertijd de wet van karma aan de mensen verkondigd kon worden.

'Zalig zijt gij die arm zijt, want gij zult het rijk der hemelen ontvangen.
Zalig zijt gij die nu hongert, want gij zult verzadigd worden...' (Luk. 6:20-21)
Hier hebben wij de leer van vereffening tussen goed en kwaad, die, zonder op abstracte wijze op de leer van karma en reïncarnatie in te gaan, erop gericht is om de gevoelsmatige zekerheid in de zielen te laten binnenstromen, namelijk dat voor degene die op één of ander gebied nog een tijdlang honger moet lijden, de vereffening zal komen. Die gevoelens moesten in de mensheid binnenstromen. En de zielen waarin deze leer toentertijd in deze vorm werd ingegoten, waren pas rijp om de leer van karma en reïncarnatie als wijsheid op te nemen, toen zij zich opnieuw belichaamden."

Toch wordt er op enkele plaatsen in de evangeliën zeer duidelijk verwezen naar reïncarnatie en karma. Wij geven hier één voorbeeld, dat van de blindgeborene:

"En hij zag in het voorbijgaan een mens die blind was van zijn geboorte af. En zijn leerlingen vroegen hem: 'Heer, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?'" (Joh. 9:1-2).
Hoe kan nu iemand door zijn eigen fout blind geboren worden? Tenzij toch dat dit het gevolg is van zonden die hij begaan heeft in een vorig leven?
En Christus antwoordt op de vraag van zijn leerlingen: "Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden." (Joh. 9:3)
Dat is wel een zeer merkwaardig antwoord, zoals Steiner opmerkt in een voordracht van 02/07/1909 (GA 112):

"Men kan niet anders dan deze woorden als volgt interpreteren, en dat getuigt toch niet van een christelijke gezindheid: hier is een blindgeborene. Dat deze mens blind geboren is, is noch de fout van zijn ouders, noch zijn eigen fout, maar hij is door God blind gemaakt, zodat Christus tot Gods roem een wonder kan verrichten. Opdat er dus een werk [een wonder] aan de godheid zou kunnen toegeschreven worden, moet deze mens eerst door God blindgemaakt worden? Maar men interpreteert deze tekst dan ook verkeerd, want er staat ook helemaal niet 'dat de werken Gods in deze blinde openbaar worden!'".

Zoals op verschillende plaatsen in de evangeliën werd ook deze zin inderdaad verkeerd vertaald, want de oorspronkelijke tekst luidt: "...maar het is geschied opdat de werken van de God in hem openbaar worden."
En Steiner vervolgt zijn betoog:

"Om dit te begrijpen moeten wij er rekening mee houden in welke zin het woord 'God' in die tijd gebruikt werd. Dat kan men gemakkelijk inzien als men het kapittel leest waarin Christus aangeklaagd werd omdat hij beweerde één te zijn met de Vader. Jezus antwoordde zijn aanklagers: 'Staat in de wet niet geschreven [Psalmen 82:6]: ik heb gezegd: gij zijt goden?' (Joh.10:34).

Daarmee bedoelde Christus: in het innerlijkste van de mensenziel leeft er iets goddelijks. 'Gij zijt goden!' betekent: een god woont in u! Dit goddelijke is iets anders dan de persoon die hier tussen geboorte en dood leeft; het is ook iets anders dan hetgeen een mens van zijn ouders overerft. Vanwaar komt dit goddelijke, deze individualiteit in de mens? Het gaat van wederbelichaming naar wederbelichaming, doorheen de opeenvolgende aardelevens. Vanuit vroegere aardelevens komt deze individualiteit. Noch de ouders van de blinde hebben gezondigd, noch hijzelf. Maar in een vroeger leven heeft deze mens de oorzaak gelegd waardoor hij in dit leven blind geboren werd. Blind is hij geboren, doordat de werken van de God in hem zich in dit leven in zijn blindheid openbaren. Karma, de wet van oorzaak en gevolg, wordt hier klaar en duidelijk door de Christus Jezus aangetoond."

De tijd is nu aangebroken om de reincarnatie- en karmagedachte op te nemen


Dat heeft Rudolf Steiner bij verschillende gelegenheden gezegd.
Hij baseerde zich daarbij op het feit dat vanaf nu reeds, maar steeds meer en meer verder in de toekomst, de mensen totaal nieuwe psychische vermogens zullen verwerven waardoor zij inzicht in hun karma zullen krijgen en hun vorige levens zullen kunnen overzien. Steiner behandelde dit onderwerp onder andere tijdens een voordracht gehouden op 14/10/1911 (GA 131):

"...In het tijdperk dat wij tegemoet gaan, waar wij vlak voor staan, zullen de mensen steeds meer en meer het vermogen verkrijgen bepaalde ervaringen te beleven. Nu al zijn er mensen, hoewel nog weinig in aantal, die dit vermogen bezitten. Maar steeds meer mensen zullen in de komende millennia -maar het begint reeds vanaf nu, vanaf het midden van deze eeuw [de twintigste eeuw]- het volgende beleven: iemand heeft ergens iets gedaan. Hij zal zich moeten bezinnen, hij zal opkijken van zijn daad, en er zal iets als van een droombeeld in zijn ziel oprijzen. Dat zal een zeer merkwaardige indruk op hem maken. Hij zal bij zichzelf zeggen: 'Ik kan mij niet indenken dat dit droombeeld een herinnering is aan iets dat ik gedaan heb: en toch is het zo, alsof ik het beleefd heb'. Als een droombeeld zal dit voor hem staan, als iets wat hem rechtstreeks aangaat, maar hij kan zich niet herinneren dat hij dit in het verleden beleefd of gedaan heeft. Die mens zal begrijpen waarover het gaat als hij een antroposoof is, en zoniet, dan zal hij moeten wachten tot hij zich voor antroposofie gaat interesseren om de zaak te leren begrijpen. Maar de antroposoof zal weten: wat ik daar zie als een gevolg van mijn daden, dat is een beeld van hetgeen ik in de toekomst zal moeten voltrekken; dit beeld is een vooruitzicht op de vereffening van mijn daden!

Nu vangt het tijdperk aan waarin de mensen op het ogenblik dat zij iets gedaan hebben, een voorgevoel, misschien zelfs een duidelijk beeld, een indruk zullen hebben van wat de karmische vereffening van die daad zal zijn.

Zo zullen in het volgend tijdperk hogere vermogens optreden die ten nauwste in verband staan met de menselijke ervaringen. Dat zullen voor de mens geweldige drijfveren tot moraliteit zijn, en deze zullen nog iets gans anders betekenen dan dat wat de voorbereiding tot deze drijfveren geweest is: de stem van het geweten. De mens zal niet meer geloven: wat ik gedaan heb, is iets wat met mij zal sterven; maar hij zal zeer duidelijk weten: mijn daad zal niet met mij sterven, zij zal een gevolg hebben dat met mij zal verder leven. En nog vele andere dingen zal de mens te weten komen. De tijd waarin voor de mensen de poorten die toegang geven tot de geestelijke wereld gesloten waren, nadert zijn einde. De mensen zullen opnieuw de weg naar de geestelijke wereld vinden. Er zullen vermogens ontwaken waardoor de mensen deelnemers aan de geestelijke wereld zullen worden. Helderziendheid zal nog altijd iets anders zijn dan dit deelnemerschap. Maar zoals er een oude helderziendheid bestaan heeft die droomachtig was, zo zal er een toekomstige helderziendheid ontwaken die niet droomachtig is, maar waarbij de mensen weten wat ze gedaan hebben en wat hun daden betekenen.

Er zal echter nog iets anders optreden. De mens zal het inzicht krijgen: ik ben niet alleen; overal leven er geestelijke wezens die met mij in relatie staan. En hij zal leren om te gaan met deze wezens, leren met hen te leven. En in de komende drieduizend jaar zal een voldoende aantal mensen inzicht hebben in wat wij kunnen noemen: het karmisch rechterambt van Christus. De mensen zullen de Christus zelf in een etherische gestalte schouwen. En zij zullen hem zo beleven dat zij dan, zoals Paulus voor Damascus, met de grootste zekerheid weten dat Christus leeft en dat hij de bron is voor de wederopwekking van het fysieke oerbeeld dat wij meegekregen hebben bij het begin van onze ontwikkeling op aarde, en dat wij nodig hebben opdat ons Ik tot zijn volle ontplooiing kan komen [...].

Bepaalde krachten zullen in de toekomst tot ontwikkeling komen in de menselijke natuur, en die zullen zodanig werken dat de mens, van zodra hij een bepaalde leeftijd bereikt heeft en terdege van zichzelf bewust geworden is, het gevoel zal hebben: er is iets in mij dat ik moet proberen te begrijpen. Dat gevoel zal de mensen almaar sterker aangrijpen. In vroeger tijden, ook al waren de mensen toen nog zozeer van zichzelf bewust, bestond het bewustzijn niet dat vanaf nu aan de oppervlakte zal komen. Het zal zich ongeveer op deze manier openbaren: ik voel iets in mij dat samenhangt met mijn eigenlijke Ik; merkwaardig is het, want dit gevoel laat zich in niets inpassen van alles wat ik sedert mijn geboorte kan weten. En datgene wat daar werkt, zal men kunnen begrijpen of men zal het niet begrijpen. Begrijpen zal men het kunnen, als men de leer van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap tot zijn levensinhoud gemaakt heeft. Dan zal men weten: wat ik voel, dat voel ik nu vreemd aan, omdat dit het Ik uit vroegere levens is dat nu naar boven komt.

Beklemmend zal dit zijn, vrees en angst zal dit gevoel opwekken bij degenen die dit niet op grond van vroegere aardelevens kunnen bepalen. Die gevoelens -die dan geen theoretische twijfels zullen zijn, maar levensbeklemmingen die het hart van benauwdheid doen samenkrimpen- zullen daarentegen verdwijnen indien wij door geestelijk inzicht tot het besef komen dat het leven voor een deel bepaald wordt door vroegere aardelevens.

En men zal ook de samenhang ervaren tussen de herhaalde aardelevens en de Christus-impuls. Want het is de Christus-impuls die de ganse blik op het verleden, het ganse perspectief op het verleden voor ons levendig maakt. Men zal ondervinden: toen was er die incarnatie, en toen die. Dan zal er een tijd komen waarover men niet heen zal kunnen als men niet duidelijk beseft: toen was de Christus-impuls op aarde! En nog verder in het verleden, voor de tijd van Christus, zal men zijn incarnaties kunnen overschouwen. Dat zicht op het verleden, dat door de Christus-impuls tot stand gebracht wordt, zullen de mensen nodig hebben om de toekomst met vertrouwen tegemoet te gaan, als een noodzaak en een hulp die kan binnenstromen in de volgende incarnaties". [...]


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

De schijnbare onverenigbaarheid van de wet van het karma met de vergeving der zonden

Door Jan Vermeir


Als men het begrip karma beschouwt, en men stelt daarnaast " de vergeving der zonden door Christus", dan worden vele antroposofen voor een dilemma geplaatst. Hoe kan vergeving van zonden nu immers verenigbaar zijn met karma? Want als er een zonde vergeven wordt, dan valt ook de schuld weg die ontstaan is ten gevolge van die zonde, en dat druist regelrecht in tegen de onverbiddelijke karmische wet die bepaalt dat iedere schuld moet vereffend worden.

Tijdens een voordracht van 15/05/1914 (GA 155) loste Rudolf Steiner het probleem van deze klaarblijkelijke tegenstrijdigheid op. Hij sprak er over twee soorten karma: het individueel karma van ieder mens afzonderlijk dat iedereen voor zichzelf moet vereffenen, en het aardekarma dat het gevolg is van de zonden van alle mensen. Door de zonden van de mensen wordt de wereld in haar totaliteit slechter, en slechter worden houdt in dat er schuld gecreëerd wordt. De mensen kunnen deze schuld niet vereffenen, ook de wereld zelf niet, maar Christus neemt die schuld op zich.

Dit staat zelfs in het evangelie, waar Johannes de Doper getuigt op het ogenblik dat hij Jezus gaat dopen; niet het weinig betekenisvolle "Zie het lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt", maar wel: "Zie het lam Gods dat de zondelast van de wereld op zich neemt" (Joh. 1:29). Dit betekent eenvoudig dat de last die ontstaan is door de zonden der mensen en die de wereld moet dragen, door Christus overgenomen wordt.

Wij laten Rudolf Steiner aan het woord:

"...Beschouwt men de onderlinge verhouding tussen 'schuld en zonde' en 'karma', dan zeggen vele antroposofen simpelweg: wij geloven aan karma, en dat betekent: een schuld die iemand in één of andere incarnatie maakt, die draagt hij mee met zijn karma, en later lost hij ze af; bijgevolg komt er in de loop van de incarnaties een vereffening tot stand. Maar nu ontstaat er een probleem als men zich afvraagt of dit verenigbaar kan zijn met het christelijk begrip van de vergeving der zonden door Christus. Want de zondenvergeving is een waarachtig christelijk principe. Men hoeft bijvoorbeeld slechts aan het volgende te denken: Christus aan het kruis. De misdadiger aan zijn linkerzijde drijft de spot met hem en spreekt hem toe: 'Zijt gij niet de Christus? Red dan uzelf en ons!' (Lk. 23:29). De misdadiger ter rechterzijde van Christus verwijt daarop de andere dat hij zo niet moet spreken, omdat zij beiden terecht krijgen wat zij verdiend hebben, maar dat Christus, hoewel hij onschuldig is, hetzelfde lot moet ondergaan. En hij voegt er aan toe: 'Jezus, denk aan mij, wanneer gij in uw rijk komt'. Daarop antwoordt Christus hem: 'Waarlijk, ik zeg u, heden nog zult gij met mij in het paradijs zijn' (Lk. 23:42-43). Dit antwoord kan men niet zomaar wegcijferen, het is integendeel zeer belangrijk en betekenisvol. De antroposoof wordt hier voor een probleem gesteld wanneer hij bedenkt dat net als de misdadiger aan de linkerzijde, ook de misdadiger aan de rechterzijde op grond van zijn karma moet uitdelgen wat hij misdaan heeft, terwijl Christus als het ware vergevensgezind zegt: 'Heden nog zult gij met mij in het paradijs zijn'.

Waarom maakt Christus een onderscheid tussen de misdadiger rechts en deze links van hem? Het lijdt geen twijfel dat de antroposofen met hun karma-opvatting hiermee een probleem hebben. En dit probleem is ook niet gemakkelijk op te lossen; maar het is oplosbaar indien men met geesteswetenschappelijk onderzoek dieper in de christelijke leer tracht door te dringen [...]

De grond van de zaak is dat Christus een wezen is dat niet hetzelfde is als de andere wezens op aarde, dat dit wezen, dat voordien niet op aarde was, bij de doop in de Jordaan in het lichaam van Jezus van Nazareth binnengegaan is. Wij hebben hier te maken met een wezen dat met recht tot zijn leerlingen kan zeggen: 'Gij zijt uit de diepten, ik ben uit de hoogten' (Joh. 8:23), hetgeen betekent: ik ben uit het rijk der hemelen, gij zijt uit het rijk der aarde. En wat daaruit volgt, is dit: wat een aards oordeel is, volkomen gerechtigd voor de aarde, een oordeel dat iedereen moet vellen voor zover hij een aardewezen is, moet dat ook het oordeel zijn van dat kosmisch wezen dat tijdens de doop in de Jordaan in het lichaam van Jezus gekomen is? Dat kosmisch wezen oordeelt niet op aardse, maar op hemelse wijze, het moet anders dan de mensen oordelen.

En laat ons nu eens de uitzonderlijke betekenis beschouwen van het woord dat daar op Golgotha is uitgesproken. De misdadiger links gelooft niet dat Christus een wezen is dat tot een bijzonder rijk behoort, dat niet het aardse rijk is. Maar de misdadiger ter rechterzijde komt vlak voor zijn dood tot het besef: uw rijk, o Christus, is een ander; gedenk mij, wanneer gij in uw rijk komt. Op dat ogenblik laat deze misdadiger blijken dat hij er een voorgevoel van heeft dat Christus tot een ander rijk behoort, waar gans andere oordeelskrachten dan op aarde heersen. En zo kan Christus, zich ervan bewust dat hij in zijn eigen rijk staat, antwoorden: waarlijk, omdat gij iets vermoedt van mijn rijk, zult gij vandaag nog, bij uw dood, met mij in mijn rijk zijn. Hier hebben wij een verwijzing naar de bovenaardse Christuskracht, die in staat is de menselijke individualiteit te laten opstijgen naar een geestelijk rijk. Volgens het aards of menselijk oordeelsvermogen moeten natuurlijk, ingevolge de wet van het karma, de beide misdadigers hun schuld vereffenen. Maar voor het hemels oordeel geldt er iets anders.

Dit is echter nog maar het begin van het probleem, want uiteraard kan men nu opwerpen: ja, dan is het hemels oordeel eenvoudig tegenstrijdig met het aardse oordeel. Hoe kan Christus vergeven, wanneer het aardse oordeel juist een karmische gerechtigheid vordert? Ja, beste vrienden, dat is een moeilijke vraag, maar wij zullen deze kwestie toch eens van naderbij beschouwen. Ik wil er u echter uitdrukkelijk attent op maken, dat we hiermee één van de allermoeilijkste vragen uit de occulte wetenschap aanraken... Wij moeten namelijk een onderscheid maken, die de menselijke ziel niet graag maakt, omdat zij niet graag een beschouwing tot in haar laatste consequenties uitdiept wanneer er enige moeilijkheden mee gepaard gaan. Dus ik maak er u attent op, dat wij een moeilijk onderwerp zullen behandelen, en dat het wellicht noodzakelijk zal zijn dat u dat wat hier zal besproken worden dikwijls in uw ziel zult moeten overpeinzen om de zaak te begrijpen.

Wij moeten dus allereerst een onderscheid maken. Eerst zullen wij nagaan wat er bewerkstelligd wordt door een objectieve gerechtigheid in het karma. Het moet ons volkomen duidelijk zijn, dat de mens in elk geval aan zijn karma gebonden is, dat hij karmisch moet vereffenen wat hij misdaan heeft. En welbeschouwd zal de mens niet anders willen. Want veronderstel eens dat iemand ergens een onrecht doet. Hij is daardoor onvolmaakter geworden, en hij kan de graad van volkomenheid die hij had vóór hij het onrecht deed, slechts opnieuw bekomen wanneer hij het onrecht ongedaan maakt. De mens moet dus de wens hebben om zijn wandaden te vereffenen, want alleen daardoor kan hij de graad van volkomenheid bereiken die hij had vóór zijn wandaden. Zo kunnen wij voor onze eigen vervolmaking alleen maar wensen, dat het karma als een objectieve gerechtigheid bestaat. In de grond van de zaak kan er bijgevolg, als wij de menselijke vrijheid willen respecteren, helemaal niet de wens ontstaan dat er ons één of andere zonde vergeven wordt in de zin van bijvoorbeeld, als wij vandaag iemand de ogen uitsteken en ons deze zonde dan vergeven wordt, dat wij dan de schuld die door deze zonde ontstaan is, niet meer moeten vereffenen. Iemand die een ander de ogen uitsteekt is onvolmaakter dan iemand die dat niet gedaan heeft, en volgens de wet van het karma zal hij daarvoor later een overeenkomstige goede daad moeten verrichten; dan is hij als mens opnieuw even volkomen als hij was, vóór hij zijn wandaad verrichtte. Wanneer men werkelijk over het wezen van de mens nadenkt, kan derhalve absoluut niet de gedachte opkomen dat, wanneer een mens een ander de ogen uitsteekt, hem dat zou vergeven worden waarmee zodoende zijn karma zou vereffend zijn. Zo is het karma volkomen gerechtigd, wij worden ons als het ware geen centiem kwijtgescholden, alles moeten wij terugbetalen.

Maar ten opzichte van de schuld is er nog iets anders. De schuld die wij op ons laden door de zonden die wij begaan, belangt niet alleen ons aan, maar zij heeft ook gevolgen voor de wereld, zij is ook een objectieve wereldaangelegenheid. En hier moeten wij nu een onderscheid maken. Wat wij misdaan hebben, vereffenen wij door ons karma; wanneer wij iemand de ogen uitgestoken hebben, dan is dat een gebeurtenis die zich werkelijk heeft voorgedaan, en ondanks het feit dat wij dan in een volgende incarnatie iets doen dat die misdaad goedmaakt, blijft voor de wereld toch het werkelijke feit bestaan dat wij zovele eeuwen terug iemand de ogen uitgestoken hebben. Dat is een objectief feit in het wereldgebeuren. De fout die wij gemaakt hebben, vereffenen wij voor onszelf later door ons karma, maar voor de wereld is zij een objectief gegeven, voor de wereld blijft de fout bestaan, en daaraan kunnen wijzelf niets veranderen.

Wij moeten dus een onderscheid maken tussen de gevolgen van een zonde voor onszelf, en de gevolgen voor de wereld. Het is uitermate belangrijk dat wij dit onderscheid maken. En nu wil ik hier een occulte beschouwing tussenvoegen, waardoor de zaak wellicht een beetje begrijpelijker wordt.

Wanneer men de mensheidsontwikkeling bekijkt vanaf het mysterie van Golgotha, en men schouwt -zonder doordrongen te zijn van het Christuswezen- in de akasha-kroniek (*), dan kan men zich zeer gemakkelijk vergissen. Want in deze akasha-kroniek neemt men dan beelden waar, die zeer dikwijls niet overeenstemmen met wat te vinden is in de karmische ontwikkelingsgang van de afzonderlijke mens. Ik bedoel daarmee het volgende: veronderstellen wij dat, wat mij betreft, in het jaar 733 ergens een mens geleefd heeft en toen een zware schuld op zich geladen heeft. Nu onderzoekt men de akasha-kroniek, zonder dat men ergens iets heeft van een verbinding met Christus. En kijk daar, men kan de betreffende schuld niet vinden in de akasha-kroniek. Onderzoekt men nu het karma van die mens, dan vindt men in diens karma dat deze nog iets te vereffenen heeft; en dat zou in de akasha-kroniek moeten opgetekend staan, maar het staat er niet in.

(*) De geestelijke sfeer waarin alle gebeurtenissen die in de fysieke wereld plaatsvinden, worden ingeschreven en waar zij blijven bestaan. De ingewijde kan door het "lezen" in deze geestelijke sfeer de geschiedenis van mens en wereld leren kennen.

Wanneer men het karma onderzoekt, ziet men: ja, hij moet de schuld vereffenen, en dan zou men die schuld uit die betreffende incarnatie ook in de akasha-kroniek moeten terugvinden, maar ze staat er niet in. Wat een tegenstrijdigheid! Dat is een volkomen objectief feit dat zich in talrijke gevallen kan voordoen. Ik kan vandaag een mens ontmoeten, en wanneer het mij door genade gegeven wordt iets te weten te komen over diens karma, kan ik wellicht zien dat één of ander ongeluk of een slag van het noodlot dat hem treft het gevolg is van zijn karma, dat het de vereffening is van een schuld uit het verleden. Ga ik de zaak na in vroegere incarnaties en vind ik wat er toen gebeurd is, dan zie ik niets daarvan in de akasha-kroniek opgetekend. Waardoor komt dat? Dat komt omdat Christus werkelijk de objectieve schuld op zich genomen heeft. Vanaf het ogenblik dat ik mij met het Christuswezen doordring, dat ik met de Christus in mijn gemoed de akasha-kroniek onderzoek, vind ik de schuld! Christus heeft ze in zijn rijk opgenomen en draagt ze verder met zich mee; maar als ik er Christus niet bij betrek, kan ik de schuld niet vinden in de akasha-kroniek.

Dit onderscheid moet men in acht nemen: de karmische gerechtigheid blijft bestaan, maar met betrekking tot de werkingen van een schuld in de geestelijke wereld treedt Christus op; HIJ neemt deze schuld in zijn rijk op en draagt ze verder mee. Het is de Christus die in staat is, omdat hij tot een ander rijk behoort, onze schulden en zonden in de wereld te delgen en op zich te nemen.

Hoe spreekt dan eigenlijk de Christus aan het kruis op Golgotha tot de misdadiger aan zijn linkerzijde? Hij spreekt het weliswaar niet uit, maar juist doordat hij niet spreekt maakt hij deze misdadiger duidelijk: wat ge gedaan hebt, zal niet alleen in de fysieke wereld, maar ook in de geestelijke wereld verder werken.

Maar tot de misdadiger aan zijn rechterzijde zegt de Christus: 'Vandaag nog zult ge met mij in het paradijs zijn'. Dat betekent: ik ben bij uw daad; weliswaar zult gij door uw karma later de gevolgen van uw daad voor uzelf moeten ondergaan, maar wat uw daad voor de wereld beduidt, dat is mijn zaak, zegt de Christus.

Het is alleszins een zeer belangrijk onderscheid dat wij hier maken, en de zaak heeft niet alleen betekenis voor de tijd na het mysterie van Golgotha, maar ook voor de tijd ervoor. Sommigen van onze vrienden hier zullen zich herinneren dat ik in vroegere voordrachten opgemerkt heb dat Christus -en dat is niet zomaar een legende- na zijn dood werkelijk afgedaald is naar de toen gestorven zielen, en daar hetzelfde gedaan heeft voor die zielen, die in de voorafgaande tijden schuld en zonde op zich geladen hebben [...]

Karma is een aangelegenheid van de opeenvolgende incarnaties van de mens. Karmische gerechtigheid behoort tot het gebied van de aarde; wat Christus voor de mensheid doet, is een beslissing die afkomstig is uit andere werelden dan de aarde. En wat zou er gebeuren indien dit niet zo zou zijn? Laat ons daarvoor eens kijken naar de toekomst, naar het einde der aardetijden, wanneer de mensen aan het eind van hun aardse incarnaties zullen zijn. Zeer zeker zullen dan alle schulden tot de laatste duit moeten afbetaald zijn. De menselijke zielen zullen dan hun karma moeten vereffend hebben. Maar stellen wij ons eens voor dat alle schuld dat de aarde moet dragen zou blijven bestaan, dat al die schuld haar werking zou uitoefenen in de aarde. Dan zouden de mensen met hun vereffend karma wel het einde der aardetijden bereikt hebben, maar de aarde zou niet klaar zijn om zich tot Jupiter [d.i. de fase die volgt op de huidige aardefase, in de Apokalyps aangeduid als 'het nieuwe Jeruzalem'] te ontwikkelen en de mensheid zou geen woonplaats vinden, zij zou geen mogelijkheid hebben om zich op Jupiter verder te ontwikkelen. Dat de ganse aarde zich mede ontwikkelt met de mensheid, is het gevolg van Christus' daad. Zonder dit zouden alle door de mens veroorzaakte vernietigingskrachten waarmee de aarde belast is, haar in de duisternis stoten, en wij zouden geen planeet hebben voor onze verdere ontwikkeling [...]

Wij schouwen hier in diepe geheimen van de aardeontwikkeling. Maar wat is er noodzakelijk om de werkelijkheid op dit gebied te doorgronden? Noodzakelijk is dat men de mogelijkheid heeft, of men nu een zondaar of een rechtgeaard mens is, de Christus te aanschouwen, dat men geen lege ruimte ziet waar Christus zich zou moeten bevinden. De verbondenheid met Christus is noodzakelijk. Zelfs de misdadiger aan de rechterzijde laat in zijn woorden zijn verbondenheid met Christus blijken. En wanneer de Christus aan degenen die in zijn geest handelen, in zekere zin de opdracht gegeven heeft om zonden te vergeven, dan is daarmee nooit ofte nimmer bedoeld dat er afbreuk wordt gedaan aan het karma; wat er wel mee bedoeld wordt, is dat ten behoeve van degenen die met Christus in verbinding staan, de aarde bespaard blijft van de geestelijke gevolgen van schuld en zonde, ook wanneer zij door het karma vereffend worden.

Wat betekent het voor de menselijke ziel, wanneer degene die in opdracht van Christus de volgende woorden spreekt: 'Uw zonden zijn u vergeven' ? (Mat. 9:2). Het betekent dat deze kan bekrachtigen: weliswaar moet ge u verwachten aan een karmische vereffening, maar uw schuld en zonde heeft Christus omgewend, opdat ge later niet het ontzaglijk leed moet ondergaan, terug te kijken naar uw schuld door dewelke gij een stuk van de aarde vernietigd hebt. Christus delgt de schuld. Daartoe is echter een zeker bewustzijn noodzakelijk, dat vereist wordt van degene die vergeven wil: het bewustzijn dat men schuld heeft en het bewustzijn dat de Christus deze schuld op zich kan nemen. Aldus hebben de woorden 'uw schulden zijn u vergeven' een kosmische betekenis en niet een karmische betekenis. [...]"



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Onderstaande foto verscheen in Het Laatste Nieuws van 14 september 2001.
Het is geen trucage, de opname werd gemaakt door freelance-fotograaf Mark Phillips voor Associated Press en werd minuten later al wereldwijd verspreid (volgens HLN van 2 oktober 2001).

En vergelijk nu even met de afbeelding hieronder:
de kop van Ahriman zoals die in 1914 door Rudolf Steiner gemodelleerd werd:

Naar de Brug 34 - elfde september.


*


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar het thuisblad