Beste Lezer,

De Brug 29 van september 2000

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Het verschil tussen een geest en een spook


In de vorige aflevering van De Brug hadden we 't even over spoken, fantomen e.d. die werkzaam zijn in de mens. Sommigen beschouwen die wezens als een soort dubbelganger. We beloofden toen er uitgebreider op terug te komen. Een eerste fragment komt uit GA 99 "Antroposofie en de wijsheid van de Rozenkruisers"


[...]
"U moet bedenken dat u zowel in het astrale lichaam als in het etherlichaam en het fysieke lichaam wordt beïnvloed door andere wezens. Alles wat u onwillekeurig doet, alles waartoe u zich innerlijk gedrongen voelt, gebeurt doordat andere wezens op u inwerken. Het gebeurt niet vanuit het niets. De verschillende menselijke wezensdelen worden voortdurend werkelijk doordrongen en vergezeld van andere wezens, en een groot aantal oefeningen die de ingewijde leraar zijn leerlingen laat verrichten zijn bedoeld om deze wezens uit te drijven, opdat de mens steeds vrijer wordt.

De wezens die het astrale lichaam doortrekken en dit onvrij maken worden demonen genoemd. Uw astrale lichaam is voortdurend doordrongen van zulke demonen, en ook de wezens die u zelf door uw goede of verkeerde gedachten voortbrengt hebben de eigenschap dat ze zich geleidelijk aan tot demonen ontwikkelen. Er bestaan goede demonen, die van goede gedachten uitgaan. Slechte gedachten echter, vooral die van onware en leugenachtige aard, brengen de meest vreselijke en afschuwwekkende demonische gestalten voort, waarmee het astrale lichaam om zo te zeggen is doorspekt. Op dezelfde wijze wordt het etherlichaam bevolkt door wezens waarvan de mens zich moet bevrijden, namelijk de spoken, en tenslotte zijn er de wezens die met het fysieke lichaam zijn verbonden en die fantomen worden genoemd. Behalve deze drie soorten wezens bestaan er nog andere die het menselijk Ik doordringen; dat zijn de geesten, net zoals het Ik zelf, dat immers ook geest is.De mens is inderdaad zelf de schepper van de wezens die, zodra hij naar de aarde afdaalt, zijn innerlijke en uiterlijke levenslot bepalen. Deze wezens beïnvloeden uw levensloop in de zin dat u geconfronteerd wordt met alles wat uw astrale lichaam aan demonen, uw etherlichaam aan spoken en uw fysieke lichaam aan fantomen heeft voortgebracht. Dit alles hoort als het ware bij u en streeft ernaar zich met u te verbinden, wanneer u opnieuw geboren wordt.U ziet ook hoe deze waarheden in religieuze overleveringen worden verwoord.

Wanneer in de bijbel wordt gesproken over het uitdrijven van demonen, dan is dit geen abstract begrip, maar een werkelijkheid die letterlijk moet worden opgevat. Want wat deed de Christus Jezus ? Hij genas de mensen die van demonen waren bezeten, hij verdreef de demonen uit het astrale lichaam. Dit zijn reële gebeurtenissen die volstrekt woordelijk moeten worden opgevat. Ook Socrates, deze verlichte geest, spreekt over zijn demon, die in zijn astrale lichaam werkte. Dit was een goede demon; men moet bij demonen niet alleen aan slechte wezens denken.Er bestaan echter ook angstwekkende, verderfelijke demonen. Alle leugendemonen werken zodanig dat zij een terugval in de menselijke ontwikkeling veroorzaken, en omdat er in de wereldgeschiedenis bij de leugens van grote persoonlijkheden steeds zulke leugendemonen worden geschapen die tot zeer machtige wezens uitgroeien, spreekt men van de geesten van de belemmeringen of van de hindernissen. Daarom zegt Faust ook tegen Mefistofeles: " Jij bent de vader van alle hindernissen !"

Doordat de afzonderlijke mens nauw verweven is met de rest van de mensheid werken de door hem verkondigde waarheden of leugens terug op de hele wereld, want het maakt een groot verschil of hij waarheids- of leugendemonen voortbrengt. Probeert u zich eens een volk voor te stellen dat uit louter leugenaars zou bestaan. Ze zouden de astrale wereld bevolken met louter leugendemonen en deze kunnen zich op hun beurt openbaren in de vorm van een fysieke dispositie voor epidemische ziekten. Zo is er een bepaald soort bacillen die de dragers zijn van infectieziekten en waarvan de oorsprong in de menselijke leugens moet worden gezocht. Dit zijn niets anders dan fysiek belichaamde leugendemonen. Hier ziet u hoe de leugens uit het verleden zich als een leger van demonische wezens in het wereldkarma manifesteren. Dat oude mythen en sagen veel waarheid bevatten blijkt duidelijk uit een bepaalde passage in Goethes Faust. Daar vindt u een samenhang tussen ongedierte en leugens, en ook worden de er genoemde ratten en muizen in verband gebracht met de leugengeest Mefistofeles.In de verschillende sagen zijn de samenhangen tussen de geestelijke en fysieke wereld vaak op prachtige wijze bewaard gebleven."


Nog dieper gaat Rudolf Steiner op de zaak in op 4 juni 1908. Die voordracht werd gehouden in Berlijn en is te vinden in GA 102 "Das Hereinwirken geistiger Wesenheiten in den Menschen".


"Bij de slapende mens liggen het fysieke en het etherlichaam in bed, het astrale lichaam en het Ik bevinden zich daarbuiten. Maar nu moeten we bedenken dat het astrale lichaam het principe van het zenuwstelsel is en het Ik het principe van het bloedstelsel. Gedurende de nacht heeft het astrale lichaam dus datgene in het fysieke lichaam verlaten waarvan het zogezegd de oorzaak is, namelijk het zenuwstelsel. Want pas toen op de Maan het astrale lichaam bij de mens werd ingelijfd kon het zenuwstelsel ontstaan. Trouweloos verlaat dus het astrale lichaam datgene waar het toe behoort, wat het eigenlijk in de mens moet verzorgen; en net zo verlaat het Ik datgene wat het in het leven heeft geroepen. De principes van het bloedstelsel en het zenuwstelsel bevinden zich buiten het slapende fysieke lichaam en het slapende etherlichaam. Die zijn nu volkomen alleen. Nooit kan echter iets materieels, iets fysiek bestaan in een vorm die door een geestelijk principe is veroorzaakt wanneer dat geestelijk principe afwezig is. Dat is volkomen uitgesloten.

Nooit kan een zenuwstelsel leven zonder dat er astrale wezens aan werken, en nooit een bloedstelsel zonder dat er Ik-wezens aan werken.Zo verlaat u dus allen 's nachts trouweloos met uw Ik en astrale lichaam uw zenuwstelsel en bloedstelsel, en u laat die over aan andere wezens van astrale aard. Wezens van gelijke aard als uw Ik dalen nu zogezegd in uw organisme af. Elke nacht wordt het menselijk organisme werkelijk bezet door zulke wezens die in staat zijn het te onderhouden. Het fysieke lichaam en het etherlichaam van de mens, die in bed liggen, worden dan gelijktijdig door deze astrale en Ik-wezens doordrongen, die eigenlijk in het fysieke lichaam zijn. Indringers zouden we ze kunnen noemen, maar dat is niet altijd juist. We zouden ze veelal beschermgeesten moeten noemen, want zij houden in stand wat de mens 's nachts in de steek laat.

Nu is het helemaal niet zo erg dat de mens elke nacht zijn lichaam verlaat. Ik heb u al verteld dat het astrale lichaam en het Ik 's nachts voortdurend werkzaam zijn. Ze verwijderen uit het fysieke lichaam wat de afbraakprocessen van de dag hebben achtergelaten, dat wat we in de ruime zin van het woord vermoeidheid noemen. De mens is 's morgens verfrist en uitgerust, omdat zijn astrale lichaam en zijn Ik in de loop van de nacht de vermoeidheid hebben weggenomen die hem gedurende de dag door de indrukken van het dagleven heeft bekropen. Dat is een feit voor de helderziende waarneming, deze gedurende de nacht waarneembare werkzaamheid van het astrale lichaam om de producten van de vermoeidheid op te ruimen. Het Ik en het astrale lichaam werken daarbij van buiten op het fysieke en het etherlichaam in. Nu is echter de mens in de tegenwoordige cyclus van zijn ontwikkeling nog niet zo ver dat hij zo'n werkzaamheid helemaal zelfstandig zou kunnen uitvoeren. Hij kan die slechts onder de leiding van andere, hogere wezens uitvoeren. Elke nacht wordt de mens dus als het ware opgenomen in de schoot van hogere wezens, die hem het vermogen verlenen om op de juiste wijze aan zijn fysieke en etherlichaam te werken; en dat zijn tegelijkertijd de wezens -daarom mogen we ze geen indringers noemen- die 's nachts zijn bloed- en zenuwstelsel op de juiste wijze geestelijk verzorgen.

Zolang er geen abnormaliteiten optreden gaat het samenwerken van geestelijke wezens bij de mens 's nachts probleemloos. Maar er kunnen heel goed onregelmatigheden optreden, en hiermee komen we aan een hoofdstuk van de geesteswetenschap dat buitengewoon belangrijk is voor het praktische menselijke zieleleven; hiervan zou men willen dat het niet alleen in de ruimste kring theoretisch bekend werd, maar ook in de ruimste zin de grondslag ging vormen voor bepaalde activiteiten van het menselijke zieleleven. De mens heeft er gewoonlijk geen voorstelling van dat de feiten van het zieleleven ver, heel ver doorwerken. In een ander verband heb ik u er al opmerkzaam op gemaakt dat de feiten van het zieleleven pas hun juiste verklaring vinden doordat we ze in het licht van de geesteswetenschap beschouwen.

We kennen allemaal de diepe betekenis van de uitspraak: geesteswetenschappelijk beschouwd is de leugen een soort moord. En ik heb u verteld dat inderdaad in de astrale wereld een soort explosie optreedt wanneer de mens een leugen uitspreekt -in zekere zin al wanneer hij die alleen nog maar denkt- dat daar in de geestelijke wereld iets gebeurt wanneer de mens liegt, dat voor de geestelijke wereld een veel vernietigender uitwerking heeft dan welk ongeval dan ook in de fysieke wereld. Maar zulke dingen, die men op een bepaald niveau van de geesteswetenschappelijke beschouwingen vermeldt en ook karakteriseert voor zover het daar mogelijk is, winnen steeds meer aan duidelijkheid en worden steeds beter gefundeerd naarmate we verder voortschrijden in de geesteswetenschappelijke kennis.

Vandaag zullen we een ander gevolg van liegen of lasteren leren kennen, waarbij liegen of lasteren hier helemaal niet in de grove barre zin zijn bedoeld als men deze woorden gewoonlijk gebruikt. Want ook als de mens in meer subtiele zin, bvb. vanuit de conventie, vanuit allerlei maatschappelijke of partijstandpunten het een of ander aan de waarheid kleurt, hebben we in geesteswetenschappelijke zin steeds met een leugen te maken. Heel vaak is het hele leven van de mens zo al niet met leugens dan toch met leugenachtig gekleurde manifestaties doortrokken.

De materialistisch 'verlichte' mens ziet op zijn hoogst in dat het op zijn fysiek lichaam een effect heeft wanneer iemand hem met een bijl op zijn schedel slaat. Hij ziet desnoods ook in dat het voor zijn fysieke lichaam gevolgen heeft als zijn hoofd door een trein wordt afgereden, of als er een gezwel ergens op zijn lichaam ontstaat, of ook als bacillen bij hem binnendringen. In die gevallen zal de 'verlichte mens' het begrijpelijk vinden dat er werkingen op het fysieke lichaam worden uitgeoefend.Gewoonlijk wordt helemaal niet bedacht dat de mens als een op de geest georiënteerd wezen een eenheid is, dat wat zich in de hogere delen van zijn lichamelijk wezen afspeelt, in zijn astrale lichaam en Ik, beslist zo moet worden beschouwd dat daarvan naar beneden toe invloeden uitgaan tot in het fysieke deel van zijn wezen. Er wordt bvb. niet bedacht dat het uitspreken van leugens en onwaarachtigheden, zelfs al onwaarachtigheden in de levensomstandigheden werkelijke gevolgen hebben voor het fysieke lichaam van de mens.

Helderziend kunnen we het volgende beleven: wanneer een mens bvb. overdag een leugen heeft verkondigd, dan blijft de uitwerking van die leugen binnen het fysieke lichaam aanwezig en voor de helderziende waarneming zichtbaar terwijl de mens slaapt. Laten we eens aannemen dat het helemaal een leugenachtig mens is, dat hij de ene leugen op de andere stapelt. Dan zijn er veel van zulke uitwerkingen in zijn fysieke lichaam. 's Nachts verhardt zich dat alles op een bepaalde manier, en dan gebeurt er iets van grote betekenis. Deze insluitsels, deze verhardingen in het fysieke lichaam verdragen zich zeer slecht met de wezens die 's nachts het fysieke lichaam moeten in bezit nemen, die dus, zoals we hebben gezien, vanuit andere werelden die functies in het fysieke lichaam uitoefenen die overdag het astrale lichaam en het Ik uitoefenen.Het gevolg daarvan is dat in het verloop van het leven door zo'n, men zou kunnen zeggen, door leugens bedorven lichaam delen worden afgesnoerd van de wezens die gedurende de nacht in de mens afdalen.

Daar hebben we ook weer afsnoeringsprocessen. Die leiden ertoe dat als de mens sterft, zijn fysieke lichaam niet slechts de wegen volgt die het in het regelmatige verloop van zijn ontwikkeling zou nemen; er blijven namelijk bepaalde wezens over die zogezegd als gevolg van het liegen en lasteren in het fysieke lichaam zijn geschapen en van de geestelijke wezens worden afgesnoerd.Zulke langs deze omweg afgesnoerde wezens zwermen nu ook in onze wereld rond. Ze behoren tot die klasse van wezens die we 'fantomen' noemen. Zodoende vinden we een bepaalde groep elementenwezens die met ons fysiek lichaam verwant zijn -in eerste instantie onzichtbaar voor uiterlijke fysieke ogen- en die zich vermeerderen door ons liegen en lasteren. Inderdaad wordt deze aarde door liegen en lasteren met zulke fantomen bevolkt. Op deze manier leren we een nieuwe klasse elementenwezens kennen.

Nu oefenen echter niet alleen leugens en laster, maar ook andere dingen van het zieleleven hun werking op de menselijke lichamelijkheid uit. Leugens en laster werken met name op het fysieke lichaam in, zodat dit ertoe gebracht wordt om fantomen af te snoeren. Weer andere dingen werken op overeenkomstige wijze op het etherlichaam in.Over zulke verschijnselen van het zieleleven moet u zich niet verbazen, we moeten in het geestelijk bestaan de dingen in alle rust kunnen opnemen. Feiten die een kwalijke uitwerking op het etherlichaam hebben zijn bvb. slechte wetten of slechte sociale structuren in de een of andere gemeenschap. Alles wat bvb. tot onvrede leidt, alles wat aan slechte regelingen tussen mensen speelt, werkt door de stemming die het in het samenleven van de mensen opwekt zodanig dat het gevolgen heeft tot in het etherlichaam. En wat zich zo in het etherlichaam opeenhoopt door de werking van zulke zielefeiten heeft opnieuw afsnoeringen van deze geestelijk op ons inwerkende wezens tot gevolg, afsnoeringen die zich ook in onze omgeving bevinden.Ze worden 'spoken' genoemd. Ook deze wezens, die in de etherwereld, in de levenswereld aanwezig zijn, zien we uit het leven van de mens voortspruiten. Zo kan er menigeen onder ons rondlopen bij wie het fysieke lichaam voor degene die deze dingen kan zien propvol zit, mogen we zeggen, met fantomen, het etherlichaam propvol met spoken; en in de regel vliegt dat alles zogezegd uit elkaar en bevolkt de wereld wanneer zo'n mens sterft of enige tijd daarna.

Zo zien we hoe subtiel de geestelijke gebeurtenissen van ons leven, zoals leugens, laster en slechte sociale instellingen, doorwerken en hoe ze hun scheppingen geestelijk hier tussen ons laten neerslaan op onze aardbol. Nu zult u echter ook kunnen begrijpen dat als in het normale menselijke leven overdag het fysieke lichaam, etherlichaam en astrale lichaam en Ik bij elkaar horen, en het fysieke lichaam en het etherlichaam zelfs andere wezens in zich laten doordringen of iets met zich laten doen, dat dan ook het astrale lichaam en het Ik niet in de normale toestand van hun huidige cyclus zijn.Natuurlijk verkeren ze in een iets andere situatie dan het fysieke en het etherlichaam. Het fysieke lichaam en het etherlichaam hebben wanneer de mens slaapt hetzelfde bewustzijn als planten. En de planten hebben hun Ik daarboven in het devachaan. Dus moeten ook het fysieke lichaam en het etherlichaam van de slapende mens worden verzorgd door wezens die vanuit het devachaan hun bewustzijn ontplooien.

Nu bevinden het astrale lichaam en het Ik van de mens zich een wereld hoger; maar de mens slaapt toch ook droomloos net als de planten. Dat planten slechts een fysiek lichaam en een etherlichaam hebben en de mens in slapende toestand nog een astraal lichaam en een Ik, maakt wat betreft deze plantennatuur geen verschil. Weliswaar is de mens opgeklommen tot de geestelijke wereld, tot de astrale wereld; maar hij is nog niet zo ver gevorderd met zijn Ik dat het niet te rechtvaardigen zou zijn dat hij slaapt. Het gevolg daarvan is dat er bij de slapende mens ook wezens in het astrale lichaam moeten binnendringen. En zo is het ook: in het astrale lichaam van de mens dringen voortdurend invloeden door uit de wereld van het devachaan. Dat hoeven beslist geen abnormale invloeden te zijn, het kunnen invloeden zijn van wat wij het hogere Ik van de mens noemen. Want de ontwikkeling van de mens voert hem geleidelijk aan hoger in de wereld van het devachaan doordat hij steeds meer naar zijn vergeestelijking toewerkt; en wat zich daar voorbereidt beïnvloedt hem nu al gedurende zijn slaaptoestand.

Nu zijn er echter niet alleen deze normale invloeden. Dat zou uitsluitend het geval zijn wanneer de mensen onder elkaar volkomen zouden begrijpen wat waardering en eerbiediging van de vrijheid van de ziel van de ander is. Maar daarvan is de tegenwoordige mens nog ver verwijderd. Bedenkt u maar eens hoe de tegenwoordige ziel nog voor het grootste deel de medeziel wil overweldigen, hoe ze het niet kan uitstaan als de andere ziel iets anders denkt of liefheeft, hoe de ene ziel de andere wil overheersen en op haar wil inwerken.Bij alles wat in onze wereld van ziel tot ziel werkt, van de ongerechtvaardigde raad die we geven tot al de middelen die de mensen toepassen om de zielen te overweldigen, bij alles dat niet zo werkt dat de mensen als vrije zielen tegenover elkaar staan, overal waar, al is het in nog zo geringe mate, met dwingende middelen wordt geprobeerd te overtuigen of te overreden, waar niet wordt geprobeerd slechts te wekken wat al in de andere ziel sluimert, overal daar werken van mensenziel tot mensenziel krachten die deze zielen zo beïnvloeden dat zich dat 's nachts in het astrale lichaam uitdrukt. Het astrale lichaam krijgt insluitsels en daardoor worden wezens uit andere werelden afgesnoerd, die vervolgens weer als elementenwezens rondzwermen in onze wereld. Deze wezens behoren tot de klasse der 'demonen'. Ze zijn slechts in onze wereld aanwezig doordat hier op de meest verschillende wijzen intolerantie tegenover gedachten, overweldiging van gedachten heeft plaatsgevonden. Zo is het leger van deze demonen in onze wereld terechtgekomen.

Zo hebben we vandaag opnieuw wezens leren kennen die er gewoon zijn, zowaar als die dingen er zijn die we met de fysieke zintuigen waarnemen, en die duidelijk hun invloeden op het menselijk leven tonen. Heel anders zou bvb. de mensheid zich ontwikkeld hebben wanneer de mensen niet door intolerantie deze demonen zouden scheppen, die onze wereld doordringen en voortdurend invloeden op de mens uitoefenen. Het zijn tegelijkertijd de geesten der vooroordelen. Zo begrijpen we het leven in zijn fijnere nuances, doordat we deze verstrikkingen tussen de in hogere zin geestelijke wereld en onze menselijke wereld leren kennen. Al deze wezens zijn zoals gezegd wel degelijk aanwezig, en ze zwermen door de wereld waarin we leven."


In GA 194 "Die Sendung Michaels" heeft Rudolf Steiner het over een activiteit van de elementenwezens: ze werken in het levenslot van de mens. Hij recapituleert eerst even over de drieledige mens. Zoals we al wisten hangt
- het hoofd samen met het denken en voorstellen,
- het ritmisch systeem, het borstgebied, met het voelen, ,
- de ledematen met het willen. ,

"Het is nu heel belangrijk dat men zich duidelijk voor ogen stelt dat eigenlijk in elk van deze drie menselijke systemen zowel denken als voelen en willen een rol spelen. In het orgaan van het denken, het hoofd, zijn ook het voelen en willen aanwezig, deze zijn daar alleen veel minder ontwikkeld dan het voorstellingsleven. Op dezelfde wijze zijn er in de sfeer van het gevoel, waarvan we een droombewustzijn hebben, ook gedachten werkzaam, maar minder sterk dan in de sfeer van het hoofd. In onze tijd van abstracte wetenschapsbeoefening houdt men er gewoonlijk geen rekening mee dat deze onderbewuste gebieden in het menselijke wezen in dezelfde graad objectief zijn, naarmate ze subjectief minder bewust voor ons zijn. Wat betekent dat ? Dat betekent dat, in tegenstelling tot de voorstellingen -waarvan we ons min of meer bewust zijn-, de belevenissen in ons ritmische systeem, in ons gevoelsleven, niet alleen individuele eigendom zijn, maar tegelijkertijd objectieve wereldgebeurtenissen vertegenwoordigen. En het is buitengewoon interessant om na te gaan welke gebeurtenissen in de wereld ten grondslag liggen aan ons gevoelsleven. ,
Laten we aannemen dat uw gevoel in bijzondere mate wordt aangesproken door een gebeurtenis die u blij of bedroefd stemt. [ ... ]

Als er bvb. tussen tandenwisseling en puberteit iets gebeurt wat diep ingrijpt in het gevoelsleven, dan gebeurt er iets eigenaardigs, wat men in de vluchtige, moderne tijd gewoonlijk niet opmerkt maar wat wel degelijk plaatsvindt. In het bewustzijn ebt het gevoel weg, maar afgezien wat zich daar en in het zieleleven afspeelt, gebeurt er iets in de objectieve wereld dat we kunnen vergelijken met de uitbreiding van een opgewekte trilling. Maar het is hierbij merkwaardig dat deze uitbreiding niet eindeloos is, maar ophoudt als de elasticiteit tot een einde is gekomen. Dan beweegt het zich weer in teruggaande lijn. Het komt dan weer terug in de volgende periode van zeven jaar als de een of andere impuls die van buitenaf het zieleleven binnendringt. Het zou niet juist zijn te zeggen dat een dergelijk beleven altijd na ongeveer zeven jaar terugkeert, want dat hangt samen met de bepaalde structuur van ieder individueel leven. Doorlopend beleven we zulke dingen in ons gevoel, die uit de wereld terugwerken door iets wat we in de voorafgaande periode van zeven jaar in de gevoelssfeer hebben beleefd

Wie heeft nog nooit beleefd dat iemand die men goed kent plotseling uit zijn humeur raakt, zonder dat men een oorzaak ziet: even onverwachts als een donderslag bij heldere hemel. Als men echter met oplettendheid en een zieleoog het eigenaardige gedrag van die mens bekijkt en vooral een gevoel heeft voor wat er tussen of in zijn woorden leeft, dan kan men stuiten op een gebeurtenis die hem vroeger gevoelsmatig heeft beroerd. En in die tussentijd is er iets in de wereld gebeurd dat niet plaats zou hebben gevonden als die mens niet door dat gevoel was aangegrepen. Het geheel is een proces dat zowel in de mens zelf als objectief buiten de mens zich afspeelt. U ziet hoevele mogelijkheden er op dit terrein liggen.

In dit objectieve wereldproces mengt zich het werken van de elementenwezens buiten de mens, zoals ik deze onlangs gekarakteriseerd heb. Op een ander vlak heb ik ze genoemd in samenhang met het ademhalings- en het ritmische systeem, waarin ze werken via de gevoelens. Als we deze dingen op de juiste wijze begrijpen moeten we zeggen dat de mens voortdurend een soort grote aura om zich heen schept. Maar wat als golven van hem uitgaat, daarin mengen zich elementenwezens met hun werking, die invloed kunnen uitoefenen op datgene wat terugkomt. Neemt u dus aan dat u een ontroering beleeft, die u uitstraalt. Als deze terugkomt is ze in de tussentijd beïnvloed door elementenwezens, zodat in de terugwerking de mens eigenlijk te doen heeft met wat de elementenwezens bewerkt hebben. In het uitbreiden van zijn geestelijke atmosfeer treedt de mens in verbinding met deze wezens. ,
Alles wat zich gedurende de levensloop in het lot van de mens afspeelt, hangt samen met deze dingen. Gedurende onze levensloop voltrekt zich immers ook een soort verwezenlijking van ons lot. Als we vandaag het een of ander beleven, heeft dat een betekenis voor later en zo wordt inderdaad ons lot opgebouwd. En daarin werken die elementenwezens mee, die zich door onze speciale natuur tot ons aangetrokken voelen en op ons inwerken.

Zo krijgt u inzicht in de wisselwerking tussen de mens en zijn omgeving en u werpt als het ware een blik op het spel van geestelijke krachten, waardoor veel duidelijk wordt van wat zich in het lot van de mens afspeelt.Dit inzicht ligt de moderne 'verlichte' mens ver en de tradities van vroegere tijden, toen het bewustzijn van de mens nog meer met de werkelijkheid samenhing, zijn resten die zich nog enigszins in onze tijd doen gelden. U vindt dit heel goed uitgedrukt in vroegere dichtwerken, waarin gebeurtenissen in het lot werden gekoppeld aan 't ingrijpen van elementenwezens.

Een van de mooiste gedichten die hierover handelen is Herders gedicht Erlkönigs Tochter, dat u ook dikwijls geëuritmiseerd uitgebeeld kunt zien:

Erlkönigs Tochter

Herr Oluf reitet so spät und weit,
Zu bieten auf seine Hochzeitsleut.

Da tanzen die Elfen auf grünem Land, ,
Erlkönigs Tochter reicht ihm die Hand.

"Willkommen Herr Oluf, was eilst von hier? ,
Tritt her in den Reihen und tanz mit mir !"

"Ich darf nicht tanzen, nicht tanzen ich mag, ,
Frühmorgen ist mein Hochzeitstag."

"Hör an, Herr Oluf, tritt tanzen mit mir, ,
Zwei güldne Sporen schenk ich dir."

Ein Hemdlein von Seide, so weiß und fein, ,
Meine Mutter bleichts im Mondenschein."

"Ich darf nicht tanzen, nicht tanzen ich mag, ,
Frühmorgen ist mein Hochzeitstag."

"Hör an, Herr Oluf, tritt tanzen mit mir, ,
Einen Haufen Goldes schenk ich dir."

"Einen Haufen Goldes nähm ich wohl, ,
doch tanzen ich nicht darf und soll."

"Und willt, Herr Oluf, nicht tanzen mit mir, ,
Soll Seuch und Krankheit folgen dir !"

De dochter van de Elfenkoning

Heer Oluf rijdt zo laat en zo ver, ,
Zijn bruiloftsgasten nodigt hij her en der.

De elfen dansen over het groene land, ,
De dochter van de elfenkoning reikt hem de hand.

"Welkom heer Oluf, waarom zo snel verder jagen?" ,
Treed in onze rijen, dans met mij, doe mij dat behagen"

"Ik mag niet dansen, dansen wil ik niet,
Vier ik morgen vroeg mijn bruiloft niet ?"

"Heer Oluf, dans met mij, laat je bekoren, ,
Dan schenk ik jou twee gulden sporen.

Een hemdje van zijde zo wit en fijn, ,
Mijn moeder bleekt het in de maneschijn."

"Ik mag niet dansen, dansen wil ik niet,
Vier ik morgen vroeg mijn bruiloft niet ?"

Hoor nu, heer Oluf, dans dan met mij, ,
Een berg goud als geschenk maakt je toch blij."

"Een berg goud maakt mij zeker blij, ,
Maar dansen dat staat mij niet vrij."

"En wil je, heer Oluf, met mij niet dansen, ,
Dan volgen jou plaag en ziektekansen !"

Hier hebt u het weven van de elementenwereld in de lotgevallen van de mens, voorzover dit dan het meest zichtbaar wordt in ziekte en dood.

Ze sloeg hem op zijn hart.

U moet er acht op slaan wat zulke woorden in oude dichtwerken betekenen (Herder heeft het immers alleen maar uit de volkspoëzie overgenomen). De aard van nieuwere gedichten is geheel anders. Van de gedichten uit onze moderne cultuur is ongeveer 99 % overbodig geschrijf. De gedichten die uit een oude wijsheid ontspruiten, zijn steeds in overeenstemming met de werkelijkheid. Hier zou nooit kunnen staan: ze sloeg hem op zijn hoofd of op zijn mond of op zijn neus, maar:

Ze sloeg hem op zijn hart, (Sie tat einen Schlag ihm auf sein Herz,)
Nog nimmer voelde hij zo'n smart. ( Noch nimmer fühlt er solchen Schmerz.)

Het moet samenhangen met een orgaan van het ritmische systeem, dus met het hart.

Hij verbleekte, ze hielp ze hem op zijn paard. ,
"Rij maar naar je bruid, ze is je waard"

Toen hij voor de deur van zijn huis aankwam,
Stond daar zijn moeder van schrik verlamd.

"Hoor toch mijn zoon, zeg mij terstond, ,
Waarom ben je zo mat en bleek en ongezond ?"

"Natuurlijk ben ik zo bleek als een lijk, ,
Ik was in de elfenkoning zijn rijk."

"Mijn lieve zoon, wat vind ik uit, ,
Wat zal ik zeggen tegen je bruid ?"

"Zeg haar dat ik ben naar het woud,
En aldaar paard en hond aan de leiband houd."

's Morgens, de dageraad was er nog maar, ,
Kwam daar de bruid met de bruiloftsschaar.

Ze schonken wijn, ze schonken med' alom. ,
"Waar is heer Oluf, mijn bruidegom ?"

"Heer Oluf is juist het bos ingegaan, ,
Om paard en hond pal te leren staan."

De bruid tilde op 't fluweel van donkerrood ... ,
Daar lag heer Oluf en hij was dood.

Sie hob ihn bleichend auf sein Pferd. ,
"Reit heim zu deinem Fräulein wert."

Und als er kam vor Hauses Tür,
Seine Mutter zitternd stand dafür.

"Hör an, mein Sohn, sag an mir gleich, ,
Wie ist dein Farbe blaß und bleich ?"

"Und sollt sie nicht sein blaß und bleich, ,
Ich war in Erlenkönigs Reich."

"Hör an, mein Sohn, so lieb und traut, ,
Was soll ich sagen deiner Braut ?"

"Sag ihr, ich sei im Wald zur stund,
Zu proben da mein Pferd und Hund."

Frühmorgens, als der Tag kaum war, ,
Da kam die Braut mit der Hochzeitsschar.

Sie schenkten Met, sie schenkten Wein. ,
"Wo ist Herr Oluf, der Bräutigam mein ?"

"Herr Oluf, er ritt in Wald zur Stund,
Er probt allda sein Pferd und Hund."

Die Braut hub auf den Scharlach rot ... ,
Da lag Herr Oluf, und war tot.

Waar ik u opmerkzaam wil op maken is datgene wat zich rondom een mens afspeelt in een dergelijk bepalend tijdstip in het lot, wat in dit gedicht zo goed overeenstemmend met de feiten wordt weergegeven. Dit speelt zich eigenlijk doorlopend rondom de mens af, maar het treedt bijzonder sterk op de voorgrond bij de periodieke terugkeer van belevenissen die in de gevoelssfeer liggen. Want die keren steeds terug, veranderd door wat elementenwezens aan hen hebben bewerkt en ze grijpen dan in ons lot in. Wij leven op dezelfde wijze in de uiterlijke fysieke lucht en met wat uit het minerale, planten- en dierenrijk komt als met het onderbewuste deel van ons ritmische systeem in de geestelijke sfeer van de elementenwezens. En daar wordt alles voorbereid wat wij als mogelijkheden in ons lot kunnen beleven tussen geboorte en dood."
[ ... ]

Over ditzelfde gegeven schreef Goethe een ballade. Die vonden wij afgedrukt in een leerboek voor Duitse literatuur uit 1929, dat verschillende malen herdrukt werd. De schrijver, Prof. Vandoorsselaer schreef in een voetnoot bij dit gedicht:

" Onze heidense voorouders dachten dat lucht en aarde, water en wouden bevolkt werden door elfen. Deze elfen hadden een mensenachtige gedaante, waren zeer mooi, klein en sierlijk, licht en beweeglijk. Ze hielden van dans en spel, zang en deugnieterij, vooral op eenzame plaatsen, tussen bloemen, aan het water en in het maanlicht. Ze hadden geen ziel maar hoopten dat ze door de omgang met de mensen een zouden krijgen. Daarom lokten ze mooie kinderen weg en maakten er elfen van. Wie aan de verlokking weerstond, maakte hen boos en dan ademden ze over die persoon of raakten hem aan zodat hij ziek werd of zelfs stierf. Sliep men onrustig dan schreef men dat aan hen toe. Hun koning droeg een gouden kroontje en een glanzende witte mantel die als een lichte sleep achter hem zweefde. Zijn naam in het Deens was 'Elverkonge' (elfenkoning).

Herder vertaalde dat verkeerdelijk als 'Erlkönig' (Erl = els). Goethe nam dit over. Voor hem klonk de naam 'Erlkönig' veel poëtischer, ook al was dat spraakkundig en mythologisch verkeerd. Het lied werd voor het eerst bij de opvoering van het zangspel 'De vissersvrouw' gezongen. De vissersvrouw die het zong zat daarbij onder hoge elzen, die met hun duister loof langs weiden en beken bijzonder geschikt leken als verzamelplaats van elfen."

Erlkönig

Wer reitet so spät durch Nacht und Wind ? ,
Es ist der Vater mit seinem Kind; ,
Er hat den Knaben wohl in dem Arm, ,
Er faßt ihn sicher, er hält ihn warm.

"Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht?" ,
"Siehst, Vater, du den Erlkönig nicht ? ,
Den Erlenkönig mit Kron' und Schweif ?" ,
"Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif."

"Du liebes Kind, komm, geh mit mir ! ,
Gar schöne Spiele spiel' ich mit dir, ,
Manch' bunte Blumen sind an dem Strand, ,
Meine Mutter hat manch gülden Gewand."

"Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht,
Was Erlenkönig mir leise verspricht ?" ,
"Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind ! ,
In dürren Blättern säuselt der Wind."

"Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn ? ,
Meine Töchter sollen dich warten schön; ,
Meine Töchter führen den nächtlichen reihn, ,
Und wiegen und tanzen und singen dich ein."

"Mein Vater, mein Vater, und siehst du nicht dort,
Erlkönigs Töchter am düstern Ort ?" ,
"Mein Sohn, mein Sohn, ich seh' es genau: ,
Es scheinen die alten Weiden so grau."

"Ich liebe dich, mich reizt deine ganze Gestalt; ,
Und bist du nicht willig, so brauch' ich Gewalt !" ,
"Mein Vater, mein Vater, jetzt faßt er mich an ! ,
Erlkönig hat mir Leids getan !"

Dem Vater grauset's, er reitet geschwind; ,
Er hält in 'n Armen das ächzende Kind, ,
Erreicht den Hof mit Mühe und Not, ,
In seinen Armen das Kind war Tot.

De elfenkoning

Wie rijdt zo laat door nacht en wind ? ,
Het is een vader met zijn kind; ,
Hij houdt de knaap vast in zijn arm, ,
Hij houdt hem stevig, hij houdt hem warm.

"Mijn zoon, wat verberg je zo bang je gelaat ?" ,
"Vader, zie je niet de elfenkoning die daar gaat ? ,
De elfenkoning met kroon en sleep ?" ,
"Mijn zoon, dat is een nevelstreep."

"Kom lief kind, kom, ga met mij ! ,
Laat ons spelen vrij en blij, ,
Mooie bloemen plukken langs de beek, ,
Kijken naar mijn moeders gouden kleed."

"Vader, vader, hoor je dat niet, luister,
naar elfenkonings belovend gefluister." ,
"Wees rustig, blijf rustig, mijn kind ! ,
In het dorre loof ritselt de wind."

"Fijne knaap, wil je niet met mij komen ? ,
Mijn dochters zullen je wel belonen; ,
Mijn dochters dansen 's nachts in rondekringen, ,
Voor jou zullen ze zweven en dansen en zingen."

"Vader, vader, zie je niet wat daar is,
Elfenkonings dochters in de duisternis ?" ,
"Mijn zoon, ik zie precies wat je wijst: ,
Het zijn de oude wilgen zo grijs."

"Ik hou van jou, je gestalte, wat een pracht; ,
En volg je niet dan gebruik ik mijn macht !" ,
"Vader, vader, nu raakt hij mij aan ! ,
De elfenkoning heeft mij pijn gedaan !"

De vader huivert, hij rijdt gezwind; ,
In zijn armen het ijlende kind, ,
Bereikt zijn huis ternauwernood,
In zijn armen het kind was dood.



Terug naar Gedichten.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Cultuur van het hart

Enkele jaren geleden zagen we bij De Slegte stapels liggen van het boek "Bernard Lievegoed, lezingen en essays 1953-1986" van de Uitgeverij Vrij Geestesleven. We drukken hieronder het voorlaatste hoofdstuk af. Het is de weergave van een gesprek dat de journalist Jelle van der Meulen had met Bernard Lievegoed, en dat verscheen in het tijdschrift Jonas in 1980.

Drempeloverschrijdingen

JvdM: Aan het begin van deze eeuw zei Rudolf Steiner: "De mensheid is over een drempel gegaan." Wat bedoelde hij daarmee en aan welke verschijnselen kunnen we dat gebeuren aflezen ?

BL: De mens leeft met zijn bewustzijn tussen twee grenzen. Aan de ene kant is er de grens naar buiten, de zintuiglijke wereld. Wat je daar waarneemt met de zintuigen is de buitenkant van de dingen. Je neemt niet de boom waar. maar het teruggekaatste licht. De wetenschap probeert wel wanhopig te weten te komen wat er achter die grens is, maar verder dan wetenschappelijke hypothesen komt men niet. We zijn aangekomen op een moment in de ontwikkeling van de mensheid dat die grens geleidelijk aan overschreden wordt. De sluier wordt steeds dunner. Zodra de grens overschreden wordt -en veel mensen maken dat tegenwoordig mee- kom je terecht in de wereld van krachten die het leven in stand houden en organiseren. Dat wordt wel de elementaire wereld genoemd. Als iemand daar onvoorbereid in komt is de indruk zo overweldigend dat het Ik-bewustzijn wegvalt. Elke nacht treden wij die wereld binnen, maar verliezen het bewustzijn op het moment van inslapen. We worden iedere nacht behoed voor het overweldigende van die krachten.

De tweede grens is die van de wereld naar binnen. Als je bij jezelf naar binnen kijkt neem je waar dat je denkt, voelt en wil. Maar wat dat denken, dat voelen en dat willen nu eigenlijk is, kun je niet doorschouwen. Daar sta je ook voor een zwarte muur. Als je daar doorheen zou breken, kom je terecht in de wereld van de krachten die je eigen organisme vormen. Iedere morgen bij het ontwaken bloeit die innerlijke wereld op, en we zouden onszelf erin verliezen wanneer niet onmiddellijk onze aandacht wordt getrokken naar de wereld om ons heen.

Beide drempels worden dunner. De mens stoot er steeds makkelijker doorheen. Dat zal in de toekomst steeds sterker worden. Om te voorkomen dat het ons overvalt, moeten we ons erop voorbereiden en ons afvragen: Wat gebeurt er eigenlijk wanneer we door die grenzen gaan ? Hier ligt voor ieder mens een individuele scholingsweg. Na lange voorbereiding ging de leerling van de oude mysteriën een van de twee wegen. De zuidelijke, Egyptische mysteriën gingen de weg naar binnen. De noordelijke, Germaanse mysteriën gingen de weg naar buiten.De noordelijke ingewijden beleefden de wereld die direct achter de zintuiglijke wereld ligt. Zij namen elementaire wezens waar, zoals de nevelreuzen. Je kunt het gebied van de elementaire krachten alleen betreden na lange voorbereiding, door een enorme moed te ontwikkelen. Je komt in een wereld van ongelooflijke natuurkrachten. Als je dat volledig bewust en zonder voorbereiding meemaakt, word je erdoor overdonderd.

Wat zijn er nu de symptomen van dat de grens naar buiten steeds meer overschreden wordt ? Het eerste is een beleven van Ik-loosheid, Ik-vervluchtiging. Er ontstaat wat men wel eens vervreemding noemt. Men wordt eenzaam, vraagt zich af wat de wereld nu eigenlijk is. Dat is het eerste stadium van Ik-verdunning. Het denken pakt de dingen niet meer, het gevoelsleven schommelt heen en weer en je weet niet meer wat je wil. Je ziet dit verschijnsel bij vrouwen die 's morgens om elf uur moederziel alleen zitten op hun flatje waar niets meer valt op te ruimen. Ze grijpen dan naar de alcohol om de zaak te verdoven. Het eerste stadium van Ik-verdunning is een cultuurziekte geworden. Je ziet het overal om je heen. Het is een bewijs van het feit dat men bezig is de drempel onvoorbereid te overschrijden.

Het tweede stadium is dat de mens met een plotselinge ruk terecht komt in de elementaire wereld. In Amerika noemen ze dat 'snapping'. Bekendere woorden zijn misschien 'high' worden en flippen.. In mijn studietijd (1924- 1928) kende de psychiatrie deze beelden helemaal niet. Men kende wel de psychiatrie van de weg naar binnen, maar niet die van de weg naar buiten. De meeste psychiaters weten dan ook helemaal niet wat ze ermee aan moeten.

In de eerste fase van de Ik-verdunning worden veel jongeren benaderd door allerlei bewegingen zoals de Hare Krishna, de Moonies en de beweging van Bhagwan. Ze herkennen deze jongeren eenvoudig op straat en nodigen ze uit. Dan wordt er urenlang op ze ingepraat en door nachtenlang niet te slapen treedt plotseling de drempelovergang op. Jongelui hebben me verteld wat ze dan beleven: ze nemen bvb. bonte kleurwervelingen waar en hebben het gevoel bevrijd te zijn. Als je na zo'n onvoorbereide binnentreding in dat gebied weer terugkomt vind je je Ik niet meer. Je blijft naar die andere wereld verlangen; de gewone wereld is mat en vervelend geworden. Het gevolg is dat de belangstelling voor de samenleving afneemt en men zich niet meer verantwoordelijk voelt voor andere mensen. Dat gaat tegenwoordig rond als een jeugdziekte. De mensen laten de dingen los.

Het binnentreden in de elementaire wereld is erg afhankelijk van je eigen temperament. Als je cholerisch bent, beleef je die wereld als vuurwereld. Als je flegmatisch bent krijg je het gevoel in een waterwereld te zijn. De sanguïnicus stuit op de windkrachten, op de wisselende invloeden van het weer; de melancholicus beleeft het als een ijsverstarring. Al deze beschrijvingen vind je terug in de Noorse mythologieën.

Een belangrijke therapie voor mensen die de Ik-verdunning meemaken is het leren fenomenologisch waar te nemen. Werkelijk de moeite nemen om eens te kijken hoe een boom eruit ziet. Daardoor ontstaat bij volledig bewustzijn een intensieve verhouding met de buitenwereld. Het onbevangen waarnemen van dingen brengt je niet buiten jezelf, zoals het vele gemediteer dat je tegenwoordig zo vaak ziet. Het 'chanten' van de Hare-Krishna-beweging is niets anders dan een methode om je buiten jezelf te drijven. Als ik honderd keer achter elkaar zeg: stoel, stoel, stoel enz., dan ben ik op een gegeven moment weg. De Hare-Krishna-beweging hanteert het als een middel om problemen op te lossen. Het tegendeel gebeurt. Je lost niets op, maar droomt jezelf ervan weg en wordt onzelfstandig en afhankelijk van de sekte.De weg naar binnen leidt naar het eigen verleden. Je komt in de wereld van de tijd. Eerst stuit je op je eigen gevoelens, waarbij het Ik niet vervluchtigt, maar juist wordt samengeperst. Er ontstaat een enorm gericht zijn op jezelf. Je wordt geconfronteerd met alles wat je had kunnen doen maar wat je niet hebt gedaan. Dan ontstaat zelfverwijt en een licht depressief gevoel. Die zelfverwijten zijn natuurlijk terecht (of niet ), maar als je er niet in slaagt erboven te blijven staan, werken ze verlammend. Op de weg naar binnen is dit de eerste fase: het depressief worden en vaag op jezelf betrokken zijn.

Zodra je een niveau dieper komt, komen die krachten in je bewustzijn die de organen vormen. Je ervaart dan de krachten van de lever, van de stofwisselingsorganen enz. Die krachten zijn dwingend zoals ook de stoffen die je tot je neemt dwingend afgebroken en weer opgebouwd worden. De gevolgen kunnen zijn een psychose, of bvb. hallucinaties. De krachten waarmee je dan wordt geconfronteerd zijn geweldig: als je je indenkt dat binnen het lichaam zich chemische reacties afspelen die buiten het lichaam enorme hoge druk nodig hebben en dan bovendien explosief kunnen zijn. Zodra zulke krachten doordringen in het bewustzijn zijn ze dwingend.

De laatste fase van de weg naar binnen is de schizofrenie. Je bent dan geheel gevangen in je eigen organen, tot in het fysieke. Zolang dat nog niet het geval is, is het beweeglijk, alhoewel ook dan de mensen de verschrikkelijkste dingen doormaken.
In de oude Egyptische mysteriën kon men deze weg gaan doordat er een eindeloze voorbereiding aan vooraf ging. Vooral oefeningen in deemoed; tegen jezelf zeggen: ik ben tenslotte maar een heel onbeduidend mannetje, maar ik laat me daar niet door ontmoedigen. Het is voor mij alleen maar een aansporing om te zorgen dat ik aan mijzelf werk.
Je ziet dus twee kanten. In de oude mysteriën ging men de ene of de andere weg. In de nieuwe tijd moet je beide wegen met volledig bewustzijn gaan. Daarvoor is nodig dat je je grondig voorbereidt. Voor de weg naar buiten: leren waarnemen en meeleven met de loop der seizoenen. Het gaat erom dat je al waarnemend leert door te dringen tot de geestelijke werkelijkheden achter de dingen, zodat je niet verrast wordt wanneer je met een ruk bewust wordt in de elementaire wereld.
Bij de weg naar binnen gaat het om de deemoed en om het overwinnen van de angst. De moderne weg hoort te gaan vanuit het zelfbewuste Ik opdat de mens in evenwicht blijft. Een stapje naar binnen en een stapje naar buiten. Je moet voorkomen dat je in het ene, dan wel in het andere schiet. Je moet in het midden blijven, in volledig bewustzijn.

Jung

JvdM: Bovenstaande doet denken aan de beschrijvingen van C.G. Jung van de extraverte en de introverte ziel. De eerste is primair betrokken op de buitenwereld, terwijl de laatste zich richt op de binnenwereld. Jung ontdekte dat deze polariteit heerst in de menselijke ziel, waarbij vaak een van beide op de voorgrond staat.

BL: Ik heb een groot respect voor Jung. Hij was een groot fenomenoloog. Hij heeft enorm veel waargenomen in de menselijke ziel. Maar zijn theoretische achtergrond is zeer matig. Om die reden heeft hij in de wetenschap van de psychologie jarenlang niet geteld. Maar natuurlijk is het waar dat Jung de weg naar binnen de weg naar buiten heeft ontdekt. Wat hem ontbreekt is het inzicht in de geestelijke achtergrond van de dingen. Hij heeft niet gezien dat alle moderne neurosen en psychosen in feite mislukte inwijdingen zijn.Jung heeft momenten gehad dat hij aan de grens van het psychotische was. In zijn boek 'Herinneringen, dromen, gedachten' beschrijft hij dat hij tenslotte de weg naar binnen gaat. Hij schrijft dan: ik liet me vallen in een lege afgrond en wist van tevoren niet of ik eruit zou komen als schizofreen of als normaal mens. Jaren heeft hij nodig gehad om die hellevaart te verwerken. Hij vertelt dat hij op die momenten graag een goeroe had gehad, die hem de weg had kunnen wijzen.
Jung had een angst: de werkelijkheid van de geest. Willem Zeylmans van Emmichoven (de eerste voorzitter van de Anthroposofische Vereniging in Nederland), die ook psychiater was, heeft Jung eens opgezocht en hem onder meer gevraagd hoe deze stond tegenover reïncarnatie. Jung antwoordde: "Ziet u, ik ben psycholoog en ik houd me daarbij. Ik ben geen theoloog, zodat de godsdienst buiten mijn wetenschap valt. Over reïncarnatie heb ik een ander idee". Jung vertelde toen hoe hij eens samen met een groepje mensen in een kerk te Ravenna was, waar hij tegen sluitingstijd een mozaïek ontdekte die hij nog niet eerder in de kerk had gezien. Enthousiast haalde hij de anderen erbij. Die zagen niks. Er was eenvoudig geen mozaïek. Jung heeft de zaak toen laten uitzoeken en het bleek dat op die plaats oorspronkelijk een mozaïek was geweest, die in de zesde of zevende eeuw werd vernietigd. Lachend zei Jung toen tegen Zeylmans: "En nu denkt u dat ik daar in een vorige incarnatie ben geweest ... Ik denk echter dat ik door het archaïsche bewustzijn kon lezen in de wereldherinnering".In onze tijd kunnen psychische verschijnselen niet meer worden beschouwd zonder een geestelijke achtergrond. De individuele mens gaat door de grenzen heen van de buitenwereld en de binnenwereld en het is van het allergrootste belang dat men zich daar oefenend op voorbereidt. De veel voorkomende psychische ziekten, zoals vervreemding en flippen aan de ene kant, en waanvoorstellingen en schizofrenie aan de andere kant, zijn tekenen van het onvoorbereid overschrijden van grenzen.

De wereldpolitiek

Een kleine waarschuwing bij dit hoofdstukje: wat Bernard Lievegoed hier vertelt over Mongolen en mohammedanen is 20 jaar later helemaal niet politiek correct. Maar we verwijzen in dit verband liever naar het artikel van Jos Verhulst in 'De Witte Werf' van juni/juli 2000 over het reactionair karakter van Politieke Correctheid ( "PC: het progressieve masker van het globale kapitalisme"). -fdw.

JvdM: Zo op het eerste gezicht is het niet moeilijk om vast te stellen waar de spanningen liggen (in 1980 - fdw). Rusland versus Amerika, Iran, het Midden-Oosten, het Westen en de Derde Wereld, Afghanistan.

BL: In een gesprek vertelde Steiner dat de werkelijke spanningen in de wereldpolitiek liggen tussen China en Amerika. Hij voorzag een strijd tussen beide landen, waarbij hij in het midden liet of die zich zou afspelen over Europa heen, dan wel over de oceaan. Voor ons valt te hopen dat het laatste het geval is, alhoewel Steiner enkele malen heeft gesproken over een verwoest Europa tussen 1950 en 2050.

Mao Tse Toeng heeft natuurlijk een grote rol gespeeld in de versterking en centralisatie van China. Hij heeft vorm gegeven aan de Chinese Volksrepubliek die in 1949 werd opgericht en waarvan hij de voorzitter werd. Nu is het van belang te weten dat Mao zijn inspiratie heeft gehaald tijdens de grote tocht naar het Noorden, in Buiten-Mongolië, waar tegenwoordig de Mongoolse Volksrepubliek ligt.
Dat is een heel bijzonder gebied op aarde, waar heel sterke Marskrachten inwerken. Deze worden volgens een oude Chinese traditie elke achthonderd jaar actief. China heeft tegen deze Mongolenstormen zijn Chinese Muur gebouwd. De demonische Marskrachten in dat gebied nemen dan bezit van mensen en drijven ze tot gewelddadige overheersing. Er zijn een aantal momenten in de geschiedenis aan te wijzen waarop eerst China en later ook Europa vanuit het Oosten dreigden te worden overheerst. Op een voor een uiterlijke beschouwingswijze onbegrijpelijke manier werd vaak ingegrepen en het lot ten goede gekeerd.

Toen Attila na de slag op de Catalaunische velden bij Troyes in 450 werd teruggeslagen, lag voor hem de weg naar Zuid-Europa open. Hij trok naar Italië om het onverdedigde Rome te plunderen. De legende verhaalt hoe paus Leo de Grote hem tegemoet komt en Attila boven de paus een groot paard ziet, waarop de aartsengel Michaël zit. Attila schrikt daar zo van dat hij hals over kop naar Hongarije vlucht waar hij korte tijd later sterft. Binnen een jaar was er geen Mongool meer in Europa. De demonische Marskrachten kunnen niet worden verslagen door wapens, maar alleen door het licht van een christelijke ingewijde. Op het moment dat de demonische invloeden Attila hebben verlaten, vraagt hij zich af: Wat doe ik hier eigenlijk ? Terstond is de overheersingsdrang verdwenen en vlucht hij.

Hetzelfde herhaalt zich 800 jaar later. Bij Breslau komen de Mongolen Europa binnen en verslaan alle Silezische ridders in de slag bij Liegnitz. De poort naar Europa ligt open. De dag na de slag echter trekt het leger zich in paniek terug en binnen drie maand was heel Rusland vrij van Mongolen. Een historisch raadsel. Het was ook hier een ingewijde die de demonische krachten tegemoet trad. Dat was de heilige Hedwig. Zij was familie van Elisabeth van Thuringen. Zij was getrouwd met graaf Wilhelm van Silezië. Met hulp van Cisterciënser monniken laat de graaf kloosters bouwen. In een van die kloosters leefde een abt die enkele malen naar Rome toog om te zeggen: "Hou toch op met die kruistochten. Het gevaar ligt niet in Palestina maar in Centraal-Azie". Iedereen verklaarde hem voor gek maar hij wist waar hij het over had. Innerlijk bereidde hij zich -samen met de heilige Hedwig- voor op de komst van de Mongolen. Het is het christelijke licht dat deze mensen uitstraalden dat de Mongolen de wijk deed nemen.

Ook in onze tijd zou dus weer een Mars-inspiratie moeten uitgaan van het Mongoolse gebied. Mao heeft daar zijn inspiratie gehaald en ik houd het dan ook niet voor onmogelijk dat eens een nieuwe Mongolenstorm tot in Europa zijn uitwerking zal hebben. Wanneer je naar de uiterlijke politieke omstandigheden kijkt zul je misschien zeggen: waar haalt u het vandaan. Als je echter door de dingen heen kijkt en rekening houdt met geestelijke werkelijkheden is zoiets helemaal niet ondenkbaar.
Op deze gevaren moeten we voorbereid zijn. De demonische Marskrachten versla je niet met wapengeweld. Waar het om gaat is dat er een christelijke subcultuur ontstaat in Europa met krachten die opgewassen zijn tegen de demonen. Er moeten culturele eilanden komen waar mensen zijn die echt menen wat ze doen. Waar niet gewerkt wordt vanuit een systeem, omdat je daarmee zo handig kinderen kunt leren lezen en schrijven. Plaatsen waar menselijkheid is, waar tegenstellingen niet worden verdoezeld, maar waar mensen echt op elkaar ingaan. Als het zover is dat er een grote ingewijde zal zijn, zal hij zonder een subcultuur van het hart niet kunnen werken.

De andere tegenkracht is de fanatieke islam, die nu een renaissance doormaakt. Uit het zuidoosten dreigt een overheersing van Europa door een heilige oorlog van fanatieke mohammedaanse groepen. Het gaat hier om een zuiver ideologische strijd die in de komende decennia kan escaleren. Of het een aanval met wapens of met economische middelen gaat worden is nog onzeker, maar ook hier staan wij in een geestesstrijd die alleen door een christelijke cultuur van het hart gewonnen wordt, zoals reeds een paar maal in de laatste dertienhonderd jaar is gebeurd.
Men kan wat ik hier zeg zien als negatief doemdenken. Dat is het niet. Het is een aansporing om positief te staan in de grote taken van deze tijd.



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

De Steinerschool en de noodzaak van (innerlijke) scholing

Vorig jaar verscheen de tweede druk van het boekje "Begabung und Behinderung" van Michaela Glöckler. In het laatste hoofdstuk heeft zij het ook over de scholingsweg, of beter: over de twee soorten scholingswegen die er bestaan. De drie sleutelwoorden die nodig zijn om menselijkheid te ontwikkelen noemt ze waarheid, liefde en vrijheid. Dan gaat ze verder ...

Hoe ziet het er nu in de Steinerschool uit, waar men in de pedagogie de idealen koestert van waarheid, liefde en vrijheid ?

Dikwijls valt men daar in een diepe afgrond van ontgoocheling. Men stuit op spraakbarrières; men ervaart communicatiemoeilijkheden zowel bij leerkrachten als bij ouders: ouders durven geen eerlijke kritiek spuien omdat ze vrezen dat hun kind er zal moeten voor opdraaien; leraren hebben schrik dat de ouders het kind van school gaan halen wanneer ze zouden toegeven dat ze de Steinerpedagogie zelf nog moeten leren. Daardoor komen ze dan soms enggeestig en dogmatisch over in plaats van open en bereid tot een dialoog te zijn.Maar problemen zoals deze zijn er niet alleen op het gebied van eerlijkheid.

Over 'liefde' durft men nauwelijks spreken. Men worstelt om, in het belang van het kind, leefbare relaties op te bouwen. Het vermogen om relaties aan te gaan is de elementairste voorwaarde om iemand in zijn waarde te laten gelden. Tussen ouders en opvoeders zien we naast deugddoende ontmoetingen in het gemeenschappelijk streven ook zware relatiestoornissen. Zo vertelt menig leraar begeesterd over 'zijn' ouders, hoe ze helpen, hoe hij zich gedragen voelt. Maar ook het tegendeel komt voor waar een leraar ondervindt wat het betekent om door ouders niet erkend of gesteund te worden. Omgekeerd hebben ouders niet zelden het gevoel dat ze als partner bij de opvoeding van hun kinderen niet ernstig worden genomen, nauwelijks medezeggenschap hebben en in het schoolleven als mede-vormgever niet welkom te zijn. In al deze gevallen komt het niet tot een wederzijds begrip in vertrouwen, en het gevolg van dergelijke dissonanties is dat het kind in de school eerder meer dan minder moeilijkheden heeft en maakt. Het stimuleren van talenten heeft een klimaat nodig van interesse, erkenning en vertrouwen. Anders treden er meerdere belemmeringen op die het leren nodeloos moeilijker maken.

Deze tegenstelling tussen werkelijkheid en idealen kan aangevoeld worden als een sterk ongenoegen. Pijnlijk kan het inzicht groeien: de capaciteiten die ik meebreng volstaan niet om de opgaven waarvoor ik mij hier gesteld zie, te volbrengen. Het verlangen om zich innerlijk verder te ontwikkelen kan ontstaan, het verlangen om nieuwe, sterkere krachten op te doen op de drie niveau's waar zich de problemen voordoen: op het niveau van de waarheid en van het denken, op het niveau van het gevoel en de relaties, maar ook op het niveau van het handelen en de wil.

Daar staat men dan voor de vraag, hoe men het besluit om een dergelijke nieuwe weg te beginnen, met voldoende kracht kan vatten zodat men hem dan ook werkelijk gaat. We stuiten hier op een bijzonder zwaarwegend probleem van onze tijd: een algemene verlamming van de wil, ja een echte wilszwakte. Door de overvloed aan mogelijkheden van wat men allemaal kan doen of laten, wordt men wel gemakkelijk geïnteresseerd, maar de interesse blijft oppervlakkig, en de volgende dag wordt alles alweer begraven onder een nieuwe laag interessen. De tijd wordt verdaan met een voortdurend bezig zijn, en de wezenlijke vragen blijven onbeantwoord liggen.Anderzijds is het tegenwoordig niet meer mogelijk noch zinvol om, zoals in de middeleeuwen, de innerlijke ontwikkeling afgeschermd van het uiterlijke leven achter kloostermuren te verzorgen.

Vandaag vraagt juist het uiterlijke leven verdieping en geestelijke oriëntering. En zo moeten mogelijkheden gevonden worden om het innerlijke en het uiterlijke leven met elkaar te verbinden en om juist in het uiterlijke leven aansporingen voor de eigen scholing te ontdekken, bvb. door te leren het wezenlijke van het onwezenlijke te onderscheiden en ook bij drukke werkomstandigheden en stress de innerlijke rust te bewaren. Voorwaarde daartoe evenwel is toch iets wat men bij de intrede in een klooster een 'gelofte' noemt. Zonder een dergelijk besluit met geloftekarakter tegenover zichzelf en tegenover het project -bvb. een school innerlijk willen mee-dragen en verantwoorden- is in de regel de kracht te gering om die weg daadwerkelijk te gaan en bij het optreden van problemen niet al te snel weer op te geven.

Het tweede dat voor deze weg nodig is, kan met het woord 'bekering' aangeduid worden. Wie niet bereid is om te veranderen zal vlug op deze weg ergens op stuiten en niet meer verder geraken. Een voorwaarde voor een dergelijke bekering of een vermogen tot verandering zijn echter dikwijls pijnlijke levenservaringen. Ja, vele mensen moeten het leed werkelijk heel hard voelen wegen voor ze in de allermoeilijkste situatie tot het inzicht komen: ofwel word je nu ziek, gek, word je een alcoholist en gemakkelijke mens, laat maar lopen- of je begint nu echt met stap voor stap de zaken onder controle te krijgen waarmee je niet klaar komt, en je verandert jezelf.

Vaak zijn het pijnlijke ervaringen die een mens wakker maken voor het inzicht dat er een nieuwe stap moet gezet worden in de innerlijke arbeid of scholing. En zo bestond er dus ook altijd in de scholingstraditie van de mensheid deze weg der verandering en 'inwijding door het leven zelf', waardoor men leert om actief aan te nemen wat het levenslot ons aanbiedt. Daarnaast bestond en bestaat er ook de meer verborgen inwijdingsweg door bewuste scholing van de zielekrachten, waardoor men leert om zelf weerstanden en leed te creëren onder de vorm van zelfgekozen oefenopgaven en zelfcontroles. Door deze te doorstaan kan men zichzelf versterken en ontwikkelen. De twee klassieke vertegenwoordigers van deze beide wegen zijn Johann Wolfgang Goethe en Rudolf Steiner.

Goethe, die streng de inwijding door het leven volgde, die nooit helemaal echt gezond was, altijd met een of andere lichamelijke of geestelijke kwaal moest afrekenen, vormde in zijn werken alles om wat het leven en zijn eigen constitutie hem leerden. Daardoor verkreeg hij een evenwicht en een harmonie in zijn ziel. Ieder woord in zijn werk getuigt van de hindernissen die hij in de loop van zijn lange leven overwonnen heeft.Aan de andere kant Rudolf Steiner, die nooit ziek was, behalve dan de ziekte die hem fataal werd. Die ging met de grootstmogelijke sterkte en innerlijke zekerheid de vrijwillige zelfgekozen scholingsweg. Op deze weg valt het zoeken naar zelfkennis samen met het zoeken naar mensen- en wereldkennis en de problemen van de wereld en het individuele mensenlot worden zodanig tot een persoonlijke kwestie dat het niet-ontraadselen ervan kwetst en pijn doet en men al zijn krachten in dienst stelt van de anderen. Dit is de weg waarop men zich voortdurend vrijwillig blootstelt aan de pijn die zwaarwegende vragen meebrengen en waarop men zichzelf verandert tijdens het worstelen om tot een juist inzicht te komen. Want zowel voor het fysieke als voor het ziele- en geestelijke niveau geldt dat niets iemand zo wakker maakt als pijn. Pas dan kan men de ziekte respectievelijk de hindernis in de ontwikkeling werkelijk leren kennen en de genezing respectievelijk de verandering tot stand brengen.

Beide wegen zijn uiteindelijk twee kanten van een en dezelfde weg naar de menswording. Zichzelf oefeningen opleggen en leren om ieder voorval op te vatten als een scholingsgelegenheid - daar komt het op aan. Rudolf Steiner beschrijft in zijn scholingsboek 'Hoe verkrijgt men bewustzijn der hogere werelden ?' beide wegen.Een voorbeeld moge dat verduidelijken: een leerling gedraagt zich onbeschoft t.o.v. een leerkracht. Wanneer de leerkracht zijn scholing serieus neemt dan moet hij zich afvragen: "Waarom gebeurt dat precies vandaag met mij ? Waarom was deze leerling niet onbeschoft t.o.v. iemand anders, waarom precies t.o.v. mij ? Waarom niet gisteren maar vandaag ?"

Stelt men zich dergelijke vragen en maakt men van zo'n gebeurtenis een kennisprobleem, dan is men reeds op de weg naar de inwijding door het leven. Men wordt gewaar: het leven en al wat mij overkomt, hoort bij mij, is een deel van mij -op voorwaarde dat ik de gebeurtenis wel degelijk als een feit laat gelden. Dat betekent dat de onbeschofte leerling op dat ogenblik bij mij hoort, hij wil mij iets zeggen, ook al weet hij dat niet. Als men dit inziet dan gaat men in een dergelijk geval anders reageren. Waar men voorheen de brutaliteit persoonlijk had genomen, zich beledigd zou gevoeld hebben, daarom afwijzend-streng zou gereageerd hebben en het voorval op het strafmatige niveau zou geregeld hebben. Nu echter gaat men naar huis met de vraag waarom de leerling zo driest was, en na een tijdje bemerkt men misschien dat men wegens privé-problemen, slapeloosheid, een beginnende griep of zo, slecht onderricht heeft gegeven en daardoor juist drieste antwoorden heeft uitgelokt. Of misschien begint het te dagen -indien het voornoemde niet van toepassing is- dat men deze leerling de laatste weken totaal uit het oog had verloren waardoor deze laatste vanzelfsprekend moest uitdagen om wat aandacht terug op zich gevestigd te krijgen:

- ik ben brutaal tegen jou opdat je zou merken dat ik er ook ben;
- ik ben brutaal omdat ik anders wil opgevoed worden en jij dat nog niet gemerkt hebt;
- ik ben brutaal tegen jou omdat ik thuis problemen heb;
- ik ben brutaal omdat ik in een drugsmilieu zit, er wil uit geraken, maar niet kan;
- ik ben brutaal tegen jou omdat ik het helemaal niet meer zie zitten en dat als leerling niet anders kan zeggen.
Of in 't algemeen:
- ik ben brutaal tegen jou omdat ik gewoon ontevreden ben en niet weet waarom; help mij !

Wanneer bij een dergelijke zelfbezinning dit soort beelden en vragen opduiken, kan de leraar de volgende dag de leerling op een andere manier benaderen, misschien contact met de ouders zoeken, zodat er iets positief voor de leerling kan uit de bus komen.

Wat ook bij de scholing behoort is de bereidheid om het boze in onszelf onder ogen te zien. Want zoals in ieder mens het ideaal van zijn menswording lichtend binnenstraalt, zo leven ook in iedere mens de neigingen tot het kwaad. Daarom is het voor de scholingsweg noodzakelijk ook de tegen-idealen, de contra-productieve eigenschappen te kennen en te verhinderen dat ze zich uitleven.
Zo staan naast de waarheid dwaling en leugen. Welk een zegen is het niet wanneer men bvb. niet alles gelooft wat er -vooral over andere mensen- verteld wordt. Mensen met levenservaring nemen alles wat ze niet van de betrokkenen zelf horen, met veel reserves aan of ze wijzen het als geruchten af. Hoe vele tussenmenselijke problemen konden niet vermeden of tenminste zeer gerelativeerd worden indien we ons maar zouden houden bij hetgeen we zelf ervaren. Ofwel is iets belangrijk, en dan loont het de moeite om de betreffende erop aan te spreken en te proberen om de zaak op te lossen. Ofwel is het niet zo belangrijk, en dan kan men zich er beter niet mee bezig houden. Aldus spaart men tegelijk veel tijd en kracht.

Als tegen-idealen van de liefde beleeft men in eerste instantie haat en angst. Hoeveel zand geraakt er niet in het mechanisme, gewoon omdat men voor bepaalde mensen schrik heeft en ze daarom op 't laatste ogenblik toch niet durft aanspreken ? Of: er is afgesproken om over een bepaalde zaak te spreken tijdens een beslissende vergadering of gespreksronde en - op het beslissende ogenblik vindt men de moed niet om het noodzakelijke te zeggen. Is de liefde tot de zaak echter groot genoeg dan overwint ze de angst en neemt ze het risico van een open, eerlijke discussie.

Even belemmerend werkt de haat in al zijn vormen in het tussenmenselijk verkeer. Niemand zal voor zichzelf zo zonder meer toegeven dat hij een ander haat. Zuivere, onverdunde haat is ook zeldzaam. Maar haat bestaat echter in kleine doseringen, in afgezwakte vorm, en vermomt zich nu eens als antipathie, dan weer als onverschilligheid of kritiek op anderen. Dan duiken er al op voorhand vele barrières op tussen de mensen. Men vindt altijd redenen waarom men een andere mens liever uit de weg gaat, hem links laat liggen, met hem lacht, aan hem voorbijgaat, hem niet betrekt - en men is er zich niet genoeg van bewust dat dit allemaal vormen van liefdeloosheid zijn.

Dat inzien en er bewust aan werken is al vredestichtend. Daarenboven kan het tot verrassende, nieuwe, verkwikkende menselijke ontmoetingen leiden. Een voorbeeld uit het schoolleven: een leerlinge uit de negende klas bemerkt tot haar ontsteltenis dat in haar klas (meer dan 40 kinderen) een jongen zit met wie ze in al die jaren, sinds de eerste klas, nog nooit gesproken heeft. Ze weet ook direct waarom: ze vond hem altijd 'stoem'. Nu schaamt ze zich daarover, temeer omdat ze niet eens kan verklaren waarom ze hem 'stoem' vond; bovendien -zo denkt ze idealistisch- begint het echte begrijpen en de werkelijke liefde niet juist daar waar niet alles sympathiek is en vanzelf gaat, maar waar men zich moet voor inspannen ? Vastbesloten gaat ze na het lesuur als toevallig naast hem en vraagt hem iets zonder belang in verband met de volgende les. Hij antwoordt vriendelijk en daar blijft het bij. Vanaf dit ogenblik heeft zij echter een toffe klaskameraad bij en daar is ze trots op.Ervaringen als deze zijn karakteristiek voor de puberteitsleeftijd waarin het vermogen tot liefhebben voor het eerst in volle omvang bewust wordt en het Ik ernaar streeft om daarmee te leren omgaan. Het is goed zich in het latere leven aan dergelijke gebeurtenissen te herinneren en eraan te werken om in de menselijke relaties terug meer het jeugdige-liefdevolle element toe te voegen.

Als tegenideaal van de vrijheid zien we een zelfbegoocheling van eigenwaan en berekend machtsstreven. De werkzaamheid van deze tegen-idealen in het sociale leven is welbekend. Hoeveel wordt niet gedaan om het eigen imago te verbeteren of de eigen invloedssfeer te vergroten - en dat niet uit innerlijke vrijheid of uit liefde tot de zaak.

Overeenkomstig bestaan er ook tegenimpulsen bij de eerste trappen van waarheid, liefde en vrijheid, die we hier gekarakteriseerd hebben als interesse, waardering en vertrouwen. Waardoor wordt interesse verlamd ? Door iedere vorm van dogmatiek. Iemand voor wie de zaken al op voorhand duidelijk zijn, zal geen speelruimte willen laten om nog meer aspecten in de overwegingen te laten meespelen. Zo wordt ook het vermogen tot waardering ondergraven door iedere vorm van kritiek die meer vernietigt dan er achteraf weer kan opgebouwd worden. Werkelijk constructieve kritiek is bijlange niet algemeen. Men herkent die omdat hij helend werkt en opbouwend. Wat echter bijzonder hindert om het positieve bij anderen te zien en naar waarde te schatten, is iedere vorm van kliekvorming in het sociale. In iedere school bestaan er groeperingen wier leden onder elkaar overeenkomen en redenen hebben om tegenover een andere groepering gereserveerd of afwijzend te staan. De afzonderlijke mens in het lerarencollege of bij de ouders heeft al geen kans meer om onbevangen waargenomen te worden; het feit dat hij behoort tot een groep is al voldoende om zijn gedrag in een of ander geval te beoordelen. Daarmee wordt niet alleen persoonlijke waardering onmogelijk - want alles wordt in het licht van de groepsmening gezien - maar er worden ook fronten gevormd die moeilijk te doorbreken zijn. Tevens ontstaan de typisch politieke gedragingen wanneer er iets moet verwezenlijkt worden. Wordt dit kliekgedrag doorzien, bewust doorbroken en daardoor overwonnen, dan kunnen er in een gemeenschap kleine wonderen geschieden.

Vertrouwen ten slotte is vooral in gevaar wanneer er politiek bedreven wordt. Waar instincten van eigenliefde en machtsuitoefening zo overheersend worden dat men andere mensen of groepen voor de eigen doelen gebruikt in plaats van zich collegiaal op te stellen en iedereen in zijn handelwijze te respecteren, dan verdwijnt iedere vertrouwensbasis. Want deze vereist dat de zaak waarom het gaat primeert en niet de voorkeuren van individuele mensen.

Wanneer het lukt om de vijanden van menselijkheid in zichzelf waar te nemen en ze daardoor in toom te houden, dan is er een beslissende stap gezet op de scholingsweg.

Afsluitend willen we nog iets vermelden wat bij geen enkele scholing mag ontbreken: humor. Zeker daar waar het om grote idealen gaat, kan ons het lachen dikwijls vergaan wanneer we met de realiteit geconfronteerd worden. Maar als het lukt om de idealen als sterren aan de hemel te laten schijnen en zich over iedere kleine schrede op de dagelijkse weg te verheugen, die men ter wille van dit ideaal doet, dan komt er een nieuw soort lichtheid en vreugde in het dagelijks leven die dicht bij humor staan en deze doen bloeien.

Twee leerkrachten die door Rudolf Steiner voor de eerste Waldorfschool werden uitgekozen, Karl Schubert en Herbert Hahn, hebben het tijdens hun leven altijd weer gehad over hoe het zou zijn indien ze de geestelijke waarheden die Rudolf Steiner uitsprak niet alleen in de vorm van gedachten zouden moeten opnemen om ze dan aan de levenswerkelijkheid te kunnen toetsen, maar wanneer ze die waarheden direct zouden kunnen beleven - zoals dat bvb. na de dood het geval is. Toen nu Karl Schubert stierf gebeurde het dat Herbert Hahn enige tijd later van hem droomde. In zijn droom ging hij op hem toe en vroeg hem: Karl, Karl, zeg mij toch, hoe is het nu ? Toen antwoordde Karl Schubert glimlachend: Herbert, met meer humor, met veel meer humor ! Zeg het aan onze vrienden !

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Nog maar eens: karma


Met in het achterhoofd de kleine anekdote die we in het vorige artikel van Michaela Glöckler lazen, hebben we ons gepermitteerd om enkele commentaren toe te voegen. Uit GA 99 "Die Theosophie des Rosenkreuzers":

[ ... ]
"We willen nu ingaan op een oorzaak-en-gevolg verband, dat men kan verstaan wanneer men een beetje rekening houdt met de gevolgen van menselijke daden, gedachten en gevoelens. Men zegt in het gewone leven dikwijls: de gedachten zijn vrij ! - en bedoelt daarmee dat iemand mag denken wat hij wil, hij stoort daar toch niemand mee in de uiterlijke wereld. Hier hebt u een belangrijk punt waar de mens, die echt doordrongen is met geestelijke impulsen, zich onderscheidt van een materialistisch denkende mens.
De materialist gelooft dat hij een mens pijn doet als hij een steen naar hem gooit; daarentegen meent hij dat een haatgedachte die hij koestert t.o.v. zijn medemens, deze laatste geen pijn doet. Wie echter de wereld werkelijk kent, die weet dat veel, veel sterkere werkingen uitgaan van een haatgedachte dan ooit door een gegooide steen kan worden veroorzaakt.

Al wat de mens denkt, voelt en gewaar wordt, heeft zijn uitwerking in de astrale wereld, en men kan als ziener tot in de details zeer precies nagaan hoe bvb. een liefdevolle gedachte werkt die naar een ander mens toegaat, en hoe gans anders een haatgedachte. Wanneer u vol liefde aan iemand denkt, dan ziet de helderziende hoe er een op een bloemkelk gelijkende lichtgestalte ontstaat die het ether- en astraal lichaam van de andere mens liefdevol omspeelt en daardoor een zekere weldadige, harmoniserende werking heeft. De van haat vervulde gedachte boort zich daarentegen als een verwondende pijl in het ether- en astraal lichaam.

Men kan op dit gebied zeer uiteenlopende dingen waarnemen. Voor de astrale wereld maakt het een zeer groot verschil of iemand een gedachte uitspreekt die waar is, of dat deze op leugens berust. Een gedachte heeft betrekking op een bepaald feit en is waar doordat ze met dit feit overeenstemt. Stel dat er bvb. ergens een gebeurtenis plaatsvindt. Die werkt door in de hogere werelden. Wanneer iemand nu de ware toedracht van deze gebeurtenis vertelt, dan begint hij een astrale vorm uit te stralen die zich verbindt met de van de gebeurtenis zelf afkomstige vorm, en deze versterken elkaar. Zulke versterkte vormen dragen ertoe bij dat onze geestelijke wereld steeds gevarieerder wordt en een rijkere inhoud krijgt, hetgeen noodzakelijk is wanneer de mensheid zich verder wil ontwikkelen. Maar wanneer men de gebeurtenis nu zodanig weergeeft dat de weergave niet met de feitelijke toedracht overeenstemt en dus op leugens berust, dan vindt er, wanneer deze astrale gedachtenvorm op de van de gebeurtenis afkomstige vorm stuit, een botsing tussen beide plaats en vernietigen ze elkaar. Dit soort explosieve verwoestingen die door leugens worden aangericht werken op dezelfde wijze als een gezwel in het lichaam waardoor het organisme wordt verwoest.

Op deze wijze doden leugens, de astrale vormen die zijn ontstaan en die moeten ontstaan, en verhinderen of vernietigen ze daardoor een deel van de ontwikkeling. Het is inderdaad zo dat ieder die de waarheid spreekt de ontwikkeling van de mensheid bevordert en dat iemand die liegt deze belemmert. Daarom bestaat er een occulte wet die zegt dat de leugen geestelijk gezien een moord is. Ze doodt niet alleen een astrale vorm, maar ze is ook een soort zelfmoord. Wie liegt belemmert zijn eigen ontwikkeling. Men kan dit soort werkingen overal in de geestelijke wereld waarnemen. Zo ziet ook de helderziende dat alles wat men denkt, voelt en ervaart zijn uitwerking heeft in de astrale wereld.

Al wat er in de mens leeft aan neigingen, aan temperament en blijvende karaktereigenschappen, alle gedachten die niet slechts van voorbijgaande aard zijn, dit alles straalt voortdurend omhoog en dringt niet alleen binnen in de astrale wereld, maar ook in de wereld van het devachaan.
Een mens met een vrolijk temperament is een bron, een centrum, waarmee bepaalde processen in het devachaan verband houden. Iemand die voortdurend het hoofd laat hangen, veroorzaakt een toename van de essenties en substanties die in verband staan met de zwaarmoedige zijde van de mensen. Zo laat de geesteswetenschap ons zien dat wij als mens niet in een geïsoleerde positie leven, maar dat onze gedachten voortdurend vormen tevoorschijn roepen die de wereld van het devachaan verrijken en met allerlei substanties en essenties doordingen.

Alle vier gebieden van het devachaan, het vasteland, de oceaan, de atmosfeer en het gebied van de originele invallen, worden voortdurend beïnvloed door de menselijke gedachten, gevoelens en gewaarwordingen. De hogere gebieden, waarin reeds de akasha-kroniek bemerkbaar is, worden beïnvloed door de daden die de mensen verrichten. De uiterlijke gebeurtenissen werken door tot in de hoogste regionen van het devachaan, die wij de wereld van de rede hebben genoemd.
Op deze wijze kunnen wij begrijpen hoe de mens bij het afdalen naar een nieuwe geboorte zijn astrale lichaam opnieuw opbouwt en zich hiermee verbindt. Alles wat hij vroeger heeft gedacht en gevoeld, maakt blijvend deel uit van de astrale wereld en heeft hierin een groot aantal sporen achtergelaten. Wanneer zijn gedachten van waarheid waren vervuld, dan kan hij met behulp van deze achtergebleven sporen een goed astraal lichaam opbouwen. Datgene wat zich als zijn temperament enz. heeft verbonden met het lagere devachaan geeft vorm aan zijn nieuwe etherlichaam; en datgene wat hij aan daden heeft volbracht beïnvloedt vanuit de hoogste gebieden van het devachaan, waar de akasha-kroniek reeds te vinden is, de ruimtelijke bestemming, de lokalisering van zijn fysieke lichaam. Hier zijn de krachten te vinden die de mens naar een bepaalde plaats brengen. Wanneer men iemand leed heeft berokkend, dan is dit een uiterlijk feit dat zijn sporen achterlaat in de hoogste gebieden van het devachaan.

Dit feit werkt in de mens die zich opnieuw met een fysiek lichaam wil verbinden, als een kracht die hem, uiteraard onder leiding van hogere wezens, naar de plaats brengt waar hij nu de gevolgen van zijn daden in de fysieke wereld kan ondervinden.

Alles wat wij uiterlijk beleven, zonder dat het ons innerlijk al te zeer raakt, werkt bij de volgende incarnatie op ons astrale lichaam en roept hierin overeenkomstige gevoelens, gewaarwordingen en kenmerkende gedachten tot leven. Wanneer men zijn leven goed heeft besteed en een rijkdom aan ervaring en kennis heeft opgedaan, dan is het gevolg daarvan dat het astrale lichaam waarin de mens in het volgende leven opnieuw wordt geboren bijzondere vermogens in deze richting vertoont.
Belevenissen en ervaringen komen dus in de volgende incarnatie in het astrale lichaam tot uitdrukking. Maar datgene wat men innerlijk gewaarwordt, gevoelens van vreugde of verdriet, alles wat de ziel innerlijk ervaart, werkt in de volgende incarnatie door tot in het etherlichaam en laat hierin bepaalde neigingen ontstaan die een blijvend karakter dragen. Wie veel vreugde beleeft zal een etherlichaam vormen dat een tot vreugde neigend temperament bezit. Wie ernaar streeft veel goede daden te verrichten, zal door de gevoelens die daarbij tot ontwikkeling komen in het volgende leven beschikken over een uitgesproken talent om het goede te doen. Hij zal ook een zeer gewetensvol en moreel ingesteld mens zijn.

Datgene waarvan het etherlichaam de drager is in dit leven, de individuele aanleg, de blijvende karaktereigenschappen enz., manifesteert zich in het volgende leven in het fysieke lichaam en wel zodanig dat een mens die tijdens zijn leven bvb. slechte neigingen en hartstochten heeft ontwikkeld, in een volgend leven wordt geboren met een ongezond fysiek lichaam. Een mens daarentegen die over een goede gezondheid beschikt en die veel kan verdragen, heeft in zijn vorige leven goede eigenschappen ontwikkeld. Iemand die voortdurend voor ziekten vatbaar is heeft vroeger verkeerde neigingen in zichzelf laten ontstaan.
Op deze wijze hebben we gezondheid en ziekte, voor zover deze als aanleg in het fysieke lichaam aanwezig zijn, zelf in de hand. Men hoeft slechts alle slechte neigingen uit te bannen om de basis te leggen voor een gezond en sterk lichaam in het volgende leven.

Zo eenvoudig is het, mensen ! Hoeveel antroposofen zijn er niet die regelmatig geplaagd worden door hoofdpijn ? Wel, nu hoeven we geen medelijden meer te hebben met deze zielepoten: hadden ze maar iets aan hun slechte neigingen moeten doen zoals wij, gezonde antroposofen !

Tot in bijzonderheden kan men waarnemen hoe datgene wat zich aan neigingen in een bepaald mens heeft voorgedaan, in het volgende leven invloed uitoefent op het fysieke lichaam.
Iemand die tijdens zijn leven vervuld is van grote liefde voor alles wat hem omringt, die iedereen liefdevol bejegent, van wie liefde uitstroomt, zal in een volgende incarnatie beschikken over een fysiek lichaam dat er gedurende lange tijd jong en fris zal uitzien. Gevoelens van liefde, sympathie die men voor alle schepselen ontwikkelt, dit alles brengt een fysiek lichaam tot stand dat lang jeugdig blijft. Maar een leven dat vervuld is van haat en antipathie tegen andere wezens, waarbij iemand op alles kritiek heeft en afgeeft en zich het liefst uit alles terugtrekt, brengt vanuit deze neigingen een fysiek lichaam tot stand dat vroeg oud en rimpelig wordt. Op deze wijze gaan iemands neigingen en hartstochten over op de lichamelijke constitutie van zijn volgende incarnatie.

Men kan dit alles tot in bijzonderheden waarnemen. Zo kan men bvb. ontdekken hoe een sterk ontwikkelde bezitsdrang die een instinctief karakter draagt en er steeds op gericht is zoveel mogelijk bijeen te schrapen, in het toekomstige leven een dispositie voor bepaalde infectieziekten veroorzaakt. Het is heel goed mogelijk dit soort gevallen te vinden, waarbij een uitgesproken aanleg voor infectieziekten kan worden toegeschreven aan een vroegere overmatige bezitsdrang, waarvan het etherlichaam de drager is. Een objectief streven daarentegen, waarbij een mens niets voor zichzelf in de wacht wil slepen maar de uitdrukkelijke bedoeling heeft in dienst van de gehele mensheid te werken, zulk een neiging in het etherlichaam zorgt ervoor dat er in het volgende leven een grote mate van weerstand tegen infectieziekten ontstaat.

Op deze wijze kan men de ontwikkeling van de wereld in haar innerlijke aard doorgronden wanneer men de samenhang tussen de fysieke en de astrale wereld kent, en de dingen hangen soms op een geheel andere wijze met elkaar samen dan de mensen het zich graag voorstellen. Veel mensen klagen bvb. over pijn en verdriet. Maar vanuit een hoger gezichtspunt is het helemaal niet gerechtvaardigd zich hierover te beklagen, want wanneer men ze heeft overwonnen en tot een volgende incarnatie bereid is, dan zijn pijn en verdriet bronnen geworden van wijsheid en bezonnenheid, waardoor men de dingen kan overzien.

Zelfs in een onlangs verschenen boek dat is voortgekomen uit de materialistische denkwijze van de tegenwoordige tijd, kunnen we de uitspraak lezen dat men in de fysionomie van iedere denker zoiets als gekristalliseerde smart kan ontdekken. Wat hier door een materialistisch denkende schrijver wordt gezegd is de occultist reeds lang bekend, want de grootste wijsheid van de wereld wordt verkregen door het geduldig verdragen van pijn en verdriet. Dit schenkt wijsheid in een volgende incarnatie.
Wie bang is voor het leven en vlucht voor gevoelens van pijn en verdriet omdat hij deze niet kan verdragen, is niet in staat de grondslag te leggen voor wijsheid. Bij nader inzien mogen we zelfs niet over ziekten klagen, want vanuit een hoger perspectief, vanuit het standpunt van de eeuwigheid gezien, verschijnen ziekten in een geheel ander licht.

Geduldig gedragen ziekten manifesteren zich in het volgende leven vaak in de vorm van bijzondere lichamelijke schoonheid, zodat de uiterlijke schoonheid die we bij een mens kunnen ontdekken in veel gevallen is verworven door ziekten in een vorig leven.

Verdorie, te vlug gelachen met die ziekelijke antroposofen. Nu gaan ze in hun volgend leven nog knappe vrouwen worden ook !

Hier zien we een samenhang tussen de aantasting van het lichaam door ziekte, vooral ook wanneer deze door uiterlijke omstandigheden is veroorzaakt, en schoonheid. Men kan deze hoost merkwaardige samenhang illustreren met een uitspraak van de Franse schrijve Fabre d'Olivet: het is met het leven van de mens gesteld als met het ontstaan van de parel in de oester; pas door een ziekte van de oester ontstaat de parel. Inderdaad is het zo in het mensenleven: schoonheid staat karmisch in verband met ziekten en is het gevolg ervan.
Maar wanneer ik zeg dat iemand die verkeerde neigingen in zichzelf laat ontstaan een dispositie voor bepaalde ziekten ontwikkelt, dan mag men nooit uit het oog verliezen dat het hier om een innerlijke dispositie gaat. Wanneer men bvb. ziek wordt doordat men in een omgeving werkt waar de lucht is verpest, dan is dat iets geheel anders; hierdoor kan men ook ziek worden, maar dit hangt niet samen met de dispositie van het fysieke lichaam.[ ... ]

We moeten nog over veel meer dingen spreken wanneer we de wet van het karma willen begrijpen. Uit een dieper inzicht in deze wet van het karma heeft zich eigenlijk de gehele geesteswetenschappelijke beweging ontwikkeld. U heeft zojuist gezien hoe de dingen die met het etherlichaam verband houden in het volgende leven tot uitdrukking komen in het fysieke lichaam. Op deze wijze beïnvloedt iemands instelling, iemands neiging om op een zeer bepaalde manier te denken zijn fysieke lichaam, en daarom is het voor een volgende incarnatie niet onbelangrijk of uw denken spiritueel of materialistisch van aard is. Een mens die iets weet over hogere werelden -hij hoeft er alleen maar aan te geloven- zal in zijn volgend leven beschikken over een gecentreerd fysiek lichaam, waarvan het zenuwgestel rustig functioneert en dat hij volledig onder controle heeft. Een mens daarentegen die alleen wil laten gelden wat hij in de zintuiglijke wereld waarneemt, plant deze gezindheid voort tot in zijn fysieke lichaam en krijgt in het volgende leven een lichaam dat geen vast wilscentrum heeft, dat een rusteloze indruk maakt en een aanleg voor zenuwziekten vertoont. De materialist vervalt in louter details; de geest bindt samen, want hij is de eenheid.
Deze dispositie komt bij de betreffende mensen in de volgende incarnatie als lotsgegeven tevoorschijn, maar ze zet zich ook voort in de komende generaties, zodat de kinderen en kleinkinderen voor de materialistische gezindheid van hun voorouders moeten boeten met een slecht ontwikkeld zenuwstelsel en met zenuwziekten. Een nerveus tijdperk als het onze is het gevolg van het materialistische denken van de 19de eeuw, en de grote leraren van de mensheid hebben de noodzaak onderkend het spirituele denken als een soort tegenkracht in de huidige cultuur te laten binnenstromen.
Het materialisme heeft zelfs tot in de religie doorgewerkt. Of zijn diegenen die wel aan een geestelijke wereld geloven, maar niet de wil hebben deze te leren kennen soms geen materialisten ? Want het is een vorm van religieus materialisme wanneer men verlangt dat het geheim van het zesdaagse scheppingswerk -zoals de grote wereldevolutie in het bijbelse scheppingsverhaal wordt voorgesteld- zich simpelweg voor zijn ogen afspeelt en wanneer men spreekt over Jezus Christus als 'een historische persoonlijkheid' en voorbij gaat aan het Mysterie van Golgotha. Het materialisme in de natuurwetenschap is pas een gevolg van het materialisme in de godsdienst en het zou niet bestaan wanneer het religieuze leven niet door het materialisme zou zijn beheerst. Diegenen die tegenwoordig te gemakzuchtig zijn om zich op religieus gebied te verdiepen, zijn dezelfden die het materialisme in de natuurwetenschap teweeg hebben gebracht. En de ontwrichting van het zenuwgestel die door dit materialisme wordt veroorzaakt manifesteert zich zowel bij hele groepen van mensen, bij hele volkeren, als in het individuele mensenleven.

Wanneer de spirituele stroming niet zo sterk wordt dat ze ook op luie en gemakzuchtige mensen kan overslaan, dan krijgt datgene wat hiervan het karmische gevolg is, de nervositeit, steeds meer invloed op de mensheid; en evenals er in de middeleeuwen epidemieën van melaatsheid voorkwamen, zal het materialistische denken er de oorzaak van zijn dat er in de toekomst ernstige zenuwziekten, ware epidemieën van waanzin zullen optreden, waardoor hele volkeren geteisterd zullen worden."[ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .