De Brug 28 van juni 2000

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Over de liefde

De bekende Amerikaanse filosoof Frank Zappa was van mening dat één van de grootste kwalen voor de Amerikaanse jeugd de populaire liedjes over liefde waren. Volgens hem zijn al die 'popsongs' er de oorzaak van dat jonge mensen een beeld meekrijgen van een soort romantische liefde dat volledig onwerkelijk is: jonge mensen nemen aan dat liefde iets is dat gepaard gaat met hartkloppingen, smachtende blikken, soms vertwijfeling, dan weer passie. Moord en zelfmoord in naam van de liefde, daar worden zelfs films over gemaakt. Ook voor Frank Zappa was het duidelijk dat dit alles in de verste verte niets te maken had met echte liefde. Deze schijn-liefde bestaat immers alleen in de ziel van de verliefde (en volgens Freud eigenlijk alleen maar in het lichaam: de gesublimeerde geslachtsdrift). Nochtans maken velen onder ons juist op deze manier voor het eerst kennis met de liefde, en het is pas na lange jaren dat wij erachter komen, door scha en schande wijzer geworden, dat echte liefde niet gegeven is, maar dat ze geleerd wil worden. Om een lang verhaal kort te maken: over de échte liefde sprak Michaëla Glöckler in Berchem op 18 maart 2000. Michaëla Glöckler is mede-auteur van het bekende 'Kinderspreekuur' en heeft de leiding van de Medische Sectie aan het Goetheanum.

Doordat de voordracht telkens onderbroken werd voor de vertaling, was de lijn in het betoog niet altijd goed te volgen. Beschouw het onderstaande niet als een getrouw verslag. Wij voegden hier en daar iets toe en maakten overgangen die we eigenlijk niet gehoord hebben.

Rudolf Steiner was eens op bezoek in de eerste Waldorfschool in Stuttgart. Hij hospiteerde in de vijfde klas tijdens de schilderles en vroeg de kinderen hoe zij de liefde zouden schilderen. De kinderen begonnen aan hun opdracht en Rudolf Steiner liep rond om de resultaten te bekijken. Ten slotte stapte hij naar het bord en toonde hoe hij de liefde zou weergeven:

In het onderste deel van de figuur zien we een vereniging, in het bovenste een scheiding, en waar de lijnen kruisen mogen we bewustzijn verwachten ten gevolge van het contact. Dat brengt ons op het eerste mysterie van de liefde: tegelijk individueel én verenigd. We zien ook de verwantschap van deze figuur met de Mercuriusstaf. Dat brengt ons op het tweede mysterie, dat in de woorden van Paracelsus luidt: "Er is maar één geneesmiddel en dat is de liefde".

Liefde is een allesomvattende menselijke eigenschap. Het woord 'filosofie' betekent etymologisch de liefde voor de wijsheid. Goethe zei het zo: "Men leert slechts kennen hetgeen men bemint." En Rudolf Steiner noemt ergens interesse het eerste niveau van liefde. Liefde hangt dus nauw samen met weten en kennen.

Wanneer iemand ons zegt dat hij van ons houdt, maar hij begrijpt ons niet, dan is er geen sprake van liefde.

De mensen hebben verschillende kwaliteiten, en altijd is er wel iemand die we kunnen beschouwen als onze meerdere. Schiller was afgunstig op (de talenten van) Goethe en deze weer op (de talenten van) Herder. Grote kwaliteiten bij een naaste zijn een constant verwijt aan onszelf, hoe kunnen we dat uithouden en verder leven zonder voortdurend afgunstig, nijdig en vol kritiek te zijn ? Dank zij de liefde.

Wanneer in het Onzevader staat "Verlos ons van het kwade", dan kunnen we dat even goed vertalen met: "Leer ons liefhebben".

Christian Morgenstern dichtte het zo:

"Liebt das Böse - gut !""Bemin het kwade - goed !"
lehren tiefe Seelen.leren ons diepe zielen.
Lernt am Hasse stählen -Leer aan de haat te sterken -
Liebesmut !Liefdesmoed

( uit 'Brüder !' - Lied für ein neu Gesangbuch studierender Jugend.)
Die Christian Morgenstern is een geweldig dichter,
we geven hier ook de twee voorgaande strofen uit datzelfde gedicht:

Allen Brüder sein !Ieders broeder te zijn !
Allen helfen, dienen !Allen helpen, dienen ! Dat is
Ist, seit ER erschienen,Sinds HIJ verschenen is,
Ziel allein !Het enig doel, de enige lijn !
..
Auch dem Bösewicht,Ook de booswicht,
Der uns widerstrebet !Die verzwaart ons leven !
Er auch ward gewebetOok hij werd geweven
Einst aus Licht. Eens uit licht.

Dat was zijn interpretatie van het evangeliegebod 'Hebt uw vijanden lief, zegen die u vervloeken."

Diepe zielen kunnen het boze omvatten. Dat gaat echter niet zomaar. Welke zijn de voorwaarden daartoe ?

Liefde moet ontwikkeld worden op drie niveaus.

1) Er is liefde op bewustzijnsniveau, liefde zoals in het woord 'filosofie': houden van en streven naar wijsheid, kennis, inzicht. Verstaat men iets of iemand, dan kan men spreken van een geestelijke communie, een geestelijk één-zijn. Een grote hulp om op dit liefdesniveau te oefenen is de aanwijzing die Rudolf Steiner gaf aan gevangenispsychologen; volgens deze aanwijzing moet men zich afvragen, wanneer men tegenover een booswicht staat : "Hoe had mijn ontwikkeling moeten verlopen om mij te laten eindigen als deze persoon ? Waaraan heb ik het te danken dat ik niét op het verkeerde pad ben terechtgekomen ?"

Want wij hebben allemaal in ons het vermogen om de grootste misdaden te plegen. Goethe gaf dit zonder schroom toe, hij zei dat hij in zijn binnenste alle denkbare misdaden kon vinden, tot zelfmoord toe, en hij dankte zijn gunstig gesternte dat het boze in hem zich niet uitgeleefd had. Dat kan sommige mensen verbazen, maar wie leeft met het idee dat hijzelf nog niet zo slecht is, en dat er spijtig genoeg zo vele andere mensen slecht zijn, die heeft nog een lange weg af te leggen, hij staat nog ver af van echte zelfkennis.

Het is liefde die dat uitleven van het boze verhindert.
(Toen Michaëla Glöckler enkele jaren terug in Antwerpen sprak, zei ze dat het 'de genade' was die dat verhinderde ! - fdw)

2) Na het eerste niveau, dat van het verstaan, het begrijpen waardoor we pas kunnen vergeven, is er het tweede niveau, dat van het gevoel. Dit kan op de mens zelf of op de wereld gericht zijn. Hoe meer evenwicht tussen ik en wereld, hoe gezonder. Een overdrijving in de ene of de andere richting leidt tot ziektebeelden die in de psychoanalyse goed bekend zijn. De mens moet voortdurend een evenwicht zoeken tussen ik en wereld. Hij verliest het contact met de geestelijke wereld als hij alleen maar met zichzelf bezig is, maar even zeer wanneer hij zich verliest in uiterlijke activiteiten, zelfs al schijnen die nog zo onbaatzuchtig. Dit niveau van de liefde kan de diepste haat overwinnen.

Een tijd geleden werd Noorwegen geschokt door het nieuwsbericht dat een zesjarige jongen een vijfjarig meisje bewusteloos had geslagen en in de sneeuw had achtergelaten. Het meisje stierf. Journalisten benaderden de moeder van het meisje en vroegen haar wat ze nu voelde t.o.v. die jongen. Ze zei: "Ik voel een grenzeloos medelijden met deze jongen, die nu met deze schuld de rest van zijn leven verder moet." Deze uitspraak maakte in het land meer indruk dan duizend kanselpreken, nog meer toen bekend werd dat de moeder van het slachtoffertje de moeder van de dader ging troosten.

3) Een derde laag is het niveau van het doen. Waaraan herkent men goede daden, daden van liefde ? Wanneer dingen gedaan worden die nodig zijn, wanneer men iets doet, niet om zichzelf uit te leven, maar omdat het in de gegeven omstandigheden nu eenmaal nodig is. Als we dat soort zaken liefhebben, dan doen we ze met plezier, omdat een liefdevolle daad sterkt. Liefdeloze daden, die we verrichten omdat we moeten, die we te min achten enz. die putten ons uit, die vermoeien. Houdt men van zijn taak, dan geeft dat werk ons kracht.

Paulus zei: "Liebe sei euer Weg ..." (1Kor.13: "En ik wil u wijzen de weg die hoger is dan al het andere".

De weg waar naar toe ? Naar ons persoonlijk doel: meer mens worden. Liefde is ons eigenlijk wezen, ze wordt existentieel beleefd en we kunnen al onze relaties onderscheiden naar het soort liefde.

Een geestelijke liefde, de agape, bestaat in vele gradaties. Er is altijd sprake van een uitwisseling met een ander. (Ik stel mij voor dat we dit soort liefde kunnen voelen voor schrijvers en filosofen, mensen die we bewonderen om hun ideeën, om wat we van hen kunnen leren. Het kan zijn dat deze mensen ons teleurstellen wanneer we ze leren kennen op het niveau van de ziel - fdw)

Op het niveau van de ziel is er een nabijheid, hier hebben we 't over vriendschap, er is een gevoelselement mee gemoeid.

Op het niveau van de wil komen we in de lichamelijke sfeer, er is een tederheid, we zitten in de sfeer van de familie.

Los daarvan en toch ermee verbonden is de seksuele liefde. De doordringing, het uitwisselen op geestelijk gebied wordt hier lichamelijk. Het seksuele is des te menselijker naarmate de hogere niveaus er een rol spelen. (Wanneer dat het geval is kan geslachtsgemeenschap tegelijk een geestelijke vereniging zijn en kan een paar bewust beleven wat Rudolf Steiner beschreef: dat de vrouw de man geestelijk bevrucht tijdens de coïtus. In die zin is de bijbelse uitdrukking 'zijn vrouw bekennen' zeer goed gekozen. Er is effectief sprake van een kennisdaad, een kennis-nemen van het wezen van de ander - fdw).

Wanneer het seksuele volledig losgekoppeld is van die niveaus, wordt het onmenselijk, dierlijk. Volgens Rudolf Steiner verschijnt dan de demon van de liefde.

Een goede oefening is om onze relaties eens onder de loep te nemen (dat kan regelmatig, eens per week of per maand), met de vraag: hoeveel liefde zit er in deze relatie, welke menselijke kwaliteit bepaalt de relatie ?

Dan zullen we al spoedig moeten inzien dat iedere relatie in min of meerdere mate een slachtveld is. Wat leeft er in ons niet aan nijd, ergernis, verwijten wanneer we bij de ander iets merken van snoeverij, maskerade, leugenachtigheid. We kunnen zelfs haat voelen t.o.v. iemand die ons nadeel berokkend heeft.

Sommige relaties voelen we aan als noodlottig omdat ze onze vrijheid beperken, in andere relaties is er slechts een minimale uitwisseling, ze zijn bijna formeel. We moeten dikwijls veel liefde kunnen opbrengen om de ander te verdragen zoals hij is. Maar men kan toch vaak het gevoel krijgen: ik zit in deze relatie, eigenlijk bevredigt ze mij niet, maar ik voel dat het een kans is, een gelegenheid om liefde te leren. Want liefde kan men leren, er bestaan enkele 'trukjes', strategieën, ideeën.

We moeten bvb. de mens kunnen zien los van zijn slechte eigenschappen, vanuit het inzicht dat die mens zijn slechte eigenschappen ook gekregen heeft als iets om aan te werken. Hij heeft vaak even veel last van die eigenschappen als wij. Dan kunnen we ons ook de vraag stellen: wat kan je van deze mens leren precies doordat hij zo is als hij is ? Misschien geduld, of lankmoedigheid, of uithoudingsvermogen of positiviteit. We kunnen ook iets anders leren, namelijk: de plaat poetsen en onze eigen vrijheid gaan oefenen ! Het is vaak immers beter om van op een afstand een ander mild te beoordelen dan in zijn nabijheid te blijven en hem misschien jarenlang verder te haten.

Maar hoe kunnen we nu weten welke stap we moeten zetten wanneer een relatie te belastend wordt? Het komt erop aan de stem van ons geweten te oefenen. Niet te verwarren met het oppervlakkige goede of slechte geweten, het gaat om het geweten van het hart, dat zeer zacht spreekt en identiek is met ons mensheidsideaal. Stellen wij onszelf de vraag: Hoe geef ik deze relatie een vorm zodat ze menselijker, liefdevoller gaat worden, dan krijgen wij invallen. Wanneer men dan bemerkt dat men een aansluiting gevonden heeft met het hoger Zelf, dan krijgt het leven meer licht, warmte, zekerheid; we hebben a.h.w. een bron aangeboord.

Zelfkennis is zeer belangrijk: hoe meer we van ons eigen wezen verstaan, hoe meer liefdevolle relaties we kunnen aangaan.

Bernard Lievegoed vertelde over zijn vader, die hoofdredacteur was, dat die zich dikwijls over een bepaalde journalist geweldig ergerde. Toen de jonge Bernard suggereerde om de betreffende journalist te ontslaan -zijn vader kon dat als hoofdredacteur- antwoordde zijn vader: "Zolang ik mij nog op hem boos maak, kan ik hem niet ontslaan."

Voor de jonge Lievegoed was deze uitspraak een soort inwijdingservaring: wanneer men het in een relatie niet uithoudt, een probleem niet oplost, en vlucht, dan komt het probleem terug in een andere persoon. Het lot presenteert ons telkens opnieuw de situatie om ons de kans te geven iets bij te leren. Heeft men zijn les geleerd, dan verdwijnt het probleem of de probleemrelatie vanzelf uit ons leven (om plaats te maken voor een nieuwe uitdaging natuurlijk - fdw). Iedere relatie wil ons 'liefdesvermogen' vergroten, de Heer van de Liefde wil ons op die manier iets leren.

Christus is de Heer van het Lot, van het Karma, en leert ons op deze manier hoe wij ons als mens moeten ontwikkelen in de richting van onze eigen wezenskern.

Daarom dichtte Christiaan Morgenstern:
(Michaëla Glöckler las slechts de eerste strofe, wij geven het ganse gedicht omdat het verwijst naar de passage uit de brief aan de Korinthiërs die Michaëla Glöckler op het einde van haar voordracht voorlas)

Wir müssen immer wieder uns begegnen
Und immer wieder durch einander leiden,
Bis eines Tages wir das alles segnen.

An diesem Tage wird das Leiden weichen,
Das Leiden wenigstens, das Blindheit zeugte,
Das uns wie blinden Wald im Sturme beugte.

Dann werden wir in neues Ziel und Leben
Wie Flüsse in ein Meer zusammenfliessen,
Und kein Getrenntsein wird uns mehr verdriessen.

Dann endlich wird das " ...suchet nicht das Ihre"
Wahrheit geworden sein in unsern Seelen.
Und wie an Kraft wird 's uns an Glück nicht fehlen

***********

Wij moeten altijd weer elkaar confronteren
En altijd weer aan elkaar lijden, tot we
Op een dag dit alles dankbaar vereren.

Op die dag zal het lijden wijken, tenminste
Toch het lijden dat door blindheid zwaar woog,
Dat ons als het blinde woud in de storm boog.

Dan zullen wij in een nieuw doel en leven
Als stromen in de zee samengeraken,
Geen gescheiden-zijn zal ons nog verdrietig maken.

Dan eindelijk zal het "...zoekt niet zichzelf"
Waarheid geworden zijn in ons gemoed.
En naast kracht: geluk voor ons in overvloed.

Michaël Bauer, die vond dat de reïncarnatiegedachte een postulaat der liefde was, drukte het zo uit:

"Wie werkelijk wil helpen, wordt niet reeds na één leven moe !"

Michaëla Glöckler ging dan in op enkele vragen.

Iemand vroeg zich af of dit gepraat over liefde geen luxebekommernis is. Men kan zich toch heel goed voorstellen dat mensen naar de wapens grijpen wanneer ze met extreem onrecht geconfronteerd worden.

Een oorlog verloopt volgens zijn eigen wetmatigheden. Eens men gewapend tegenover een zgz. vijand staat is men opgenomen in een oorlogsdynamiek, en is het inderdaad niet aan de orde om het over de liefde te hebben. Dat had daarvoor moeten gebeuren, toen het nog geen oorlog was. Oorlog is immers het resultaat van een vroeger falen op liefdesgebied. In die zin is het goed om altijd bewust bezig te zijn met het ontwikkelen van onze morele vermogens. Rudolf Steiner noemde zijn "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden" een anti-oorlogsboek.

Anderzijds biedt een oorlogssituatie veel gelegenheden om het goede te doen.
In ieder geval mag onze eigen welvaart ons niet de fantasie ontnemen om invallen te krijgen over hoe we van de wereld een betere plek kunnen maken om te leven.

Het unieke van het Christendom is dat een God door lijden, hoon, folter is gegaan. Mohammed kon dat niet begrijpen: een God ondergaat zoiets gewoon niet. Michaëla Glöckler gaf toe dat ze in haar jeugd in dit standpunt kon inkomen. Pas later begreep ze dat het hoogste maar kan bereikt worden door langs het nederigste, laagste te passeren. Dat is het mysterie van het Kwade: het kwade is er niet om te vernietigen maar opdat de mensen er zich zouden aan ontwikkelen, sterk maken. Die boodschap moeten wij zo vlug mogelijk begrijpen.
Sterven met pijn veroorzaakt een grotere wakkerheid, wij kunnen Christus ontmoeten. Doen wij ons egoïsme afsterven, dan verkrijgen wij de wakkerheid om Christus te ontmoeten, dat is de betekenis van 'In Christo morimur'.

Zonder Christus kan men het kwade in de wereld niet blijven verdragen. Bernard Lievegoed zag zijn vriend naast hem sterven tijdens de oorlog. Hij kreeg het beeld van een lichte, stralende gedaante die hen tegemoet kwam en zijn vriend meenam. Deze ervaring kon hem troosten en verleende een zin aan dit sterven. Hans Jonas' familie kwam om in een concentratiekamp. Hij kon maar niet begrijpen hoe God zoiets kon toelaten en ging op zoek. Hij schreef zijn bevindingen neer in "Der Gottesbegriff nach Auschwitz". Hij begreep het zo: God heeft met de mensen gedeeld Zijn al-macht, Zijn al-wetendheid, maar niet Zijn al-liefde; Die moeten we zelf vergroten en versterken willen we niet ten onder gaan aan de macht en het weten dat we nu in eigen beheer hebben.

Een vraag over exclusiviteit in de liefde. Kunnen we ons maar met één partner verbinden? Is er in onze relatie een uitdrukkelijke of stilzwijgende belofte van exclusiviteit geweest ? Hier hebben we't over eerlijkheid en trouw. Trouw zijn betekent: doen wat men beloofd heeft. Uit het voorafgaande weten we dat we ons geestelijk met alle mensen kunnen verbinden, op het niveau van de ziel alleen met mensen uit onze naaste omgeving, lichamelijk eigenlijk maar met één. (een blik op onze moderne tijd leert ons dat de zaken nu dikwijls op hun kop staan: wie zich lichamelijk met alle mensen verenigt, verbindt zich geestelijk maar met één mens, namelijk met zichzelf ! - fdw)

Goethe is tijdens zijn leven dikwijls op sleeptouw genomen door de liefde, maar het moet hem toch vermoeid hebben, want op het einde van zijn leven wenste hij zich voor een volgend leven maar één liefde.

Het is zo dat samenleven kracht geeft, en dat scheiden ons berooft van kracht. Daarom is het beter dat men van in 't begin een relatie in zijn leven integreert om een scheiding niet te moeten meemaken.

Eens natuurlijk een scheiding onvermijdelijk geworden is, kan men zich best op de ontwikkelingsmogelijkheden van het alleen-zijn richten, vaststaande oordelen zijn er niet in deze zaken. Eerlijkheid en trouw, dat zijn de sleutelwoorden.

De echt christelijke gezindheid vinden we in het Nieuwe Testament. Wanneer Jezus Christus vraagt aan de omstaanders die een overspelige vrouw willen stenigen wie van hen zonder zonden is. Van dat ogenblik af lag de verantwoordelijkheid voor het seksueel gedrag van de enkeling niet meer bij de groep, maar bij het individu zelf. Op een andere plaats vroeg men Christus naar het lot van een vrouw die naar Joods gebruik, met de broer van haar overleden echtgenoot was getrouwd. Zeven broers stierven en telkens trouwde de vrouw met een volgende. De vraag was: aan wie behoort deze vrouw in het hiernamaals ? Waarop Jezus: in de hemel wordt er niet getrouwd. Daarmee werd duidelijk gemaakt dat de exclusiviteit op het lichamelijke vlak in de geestelijke wereld geen plaats heeft, daar is er 'inclusiviteit'.

Het symbool van de liefde wordt dan omgekeerd:

De scheiding hier is een herinnering aan het fysieke leven.
Individualiteit moeten wij hier op aarde verwerven zodat we die ook kunnen handhaven in de geestelijke wereld. En als we leren omgaan met geestelijke conflicten, met strijd op het niveau van de geest, dan is het niet meer nodig om op het fysieke vlak te strijden en geweld te gebruiken.

Tot slot las Michaëla Glöckler de passage uit 1 Kor. 13 waar ze 't in 't begin even over had, en waar ook naar verwezen wordt in het tweede gedicht van Christian Morgenstern: (vertaling van Ogilvie)

De liefde is lankmoedig,
Vol vriendelijkheid is de liefde,
Zij ijvert niet;
De liefde praalt niet, zij doet niet gewichtig,
Zij treedt niet tactloos op;
Zij zoekt niet zichzelf ("sucht nicht das Ihre"), zij wordt niet geprikkeld en verbitterd,
Zij rekent het kwade niet aan;
Zij verheugt zich niet over onrecht,
Zij verheugt zich over de waarheid;
Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij.
De liefde vergaat nimmer ...
Wat blijft, is Geloof, Hoop en Liefde, deze drieheid.
Maar de grootste van deze is de Liefde.

François De Wit



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

In de naam van het hoger belang_

In de vorige aflevering van De Brug, die volledig over inentingen ging, was er geen plaats meer om in te gaan op de vraag of de staat wel het recht heeft om inentingen verplicht te maken. Ter herinnering: in België is de inenting tegen polio wettelijk verplicht, in Nederland niet, in de Verenigde Staten worden ouders verplicht om hun kinderen 33 of 34 doses van 9 à 10 verschillende vaccins te laten 'slikken'.

Het onderstaande artikel is van Barbara Loe Fisher, medestichter en voorzitter van het 'National Vaccine Information Center'. Het origineel is te vinden op

http://www.nextcity.com/contents/summer99/16shots.html .

Is het toeval dat hier terug de naam van Hans Jonas opduikt, de Duits-Amerikaanse filosoof en godsdiensthis-toricus (1903-1993) die in 1933 moest emigreren en die ook door Michaëla Glöckler aangehaald werd in haar voordracht over de liefde ?

Ieder kind moet ingeënt worden in het belang van de maatschappij, zeggen de voorstanders van verplichte inentingen, en ouders die hun kinderen niet laten inenten brengen andere kinderen ook in gevaar.. De staat moet volgens hen eisen dat het inentingsrisico door iedereen wordt gedragen omdat de kleine minderheid die er nadelige gevolgen van ondervindt niet opweegt tegen de meerderheid die er baat bij heeft. Kortom, als het over verplichte inentingen gaat, dan heiligt het doel de middelen.

Zij die massale inentingen geen goede zaak vinden, noch voor het individu, noch voor de volksgezondheid, stellen dat de risico's nooit wetenschappelijk becijferd zijn, waardoor sommige kinderen een hoger risico lopen dan andere om er een letsel aan over te houden of eraan te sterven. Zo bekeken komt algemene inenting neer op een medisch experiment op kinderen die misschien genetisch gevoeliger zijn. Bovendien, zeggen ze, wie zijn kinderen wél laat inenten moet toch niet bang zijn van de niet-ingeënte - als vaccins dan toch zo beschermend zijn.

Omdat het ambtenaren van de Staat zijn die wetenschap en geneeskunde vertalen in wetten, worden in het maatschappelijk debat terug enkele vragen opgerakeld die aan de orde waren in de donkere dagen na de Twee-de Wereldoorlog. Er is natuurlijk geen vergelijk met de groteske medische experimenten die systematisch doorgevoerd werden in de concentratiekampen, maar wat wel relevant is zijn de universele ethische principes waarover gediscussieerd werd tijdens de processen in Nürnberg. Heeft de Staat de morele autoriteit om te verordenen dat burgers tegen hun wil hun leven geven voor datgene wat de Staat een hoger belang vindt ?

Een jurist van het U.S. Supreme Court, Oliver Wendall Holmes, paste een utilitaristische ethiek toe in 1927 om een gedwongen sterilisatie van een achterlijke vrouw te rechtvaardigen door te stellen dat "het principe dat achter de verplichte inentingen staat, ruim genoeg is om ook het onderbreken van de eileiders toe te staan."

Tien jaar later zou Hitler de utilitaristische ethiek in zijn meest extreme en tragische vorm doen toepassen. In een bemerkenswaardige serie artikelen in het novembernummer (1996) van het Journal of the American Medical Association beschrijven bio-ethici en advocaten hoe wetenschappers, in dienst van de Duitse staat vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgingen van de utilitaristische denkwijze dat een klein aantal individuen mag opgeofferd worden ter wille van het geluk of het theoretisch voordeel van een groter aantal. Wetenschap-pelijke experimenten op individuen, waaronder het injecteren van experimentele vaccins werden goedgepraat met het argument dat de medische kennis erdoor vergroot werd en dat de mensheid er voordeel door had.

Het Nürnberg tribunaal, dat in 1946-1967 het proces maakte tegen de Nazi-dokters en hen liet terechtstaan voor misdaden tegen de mensheid, veroordeelde de pseudo-ethiek van het utilitarisme als inherent immoreel. Het resultaat was de Nürnberg code.

Jay Katz, doctor in de rechten, fysicus en ethicus in Yale legt uit: "Er werd daarmee vastgelegd, misschien niet expliciet, maar toch impliciet, dat het bevorderen van de vooruitgang in de wetenschap moet plooien voor een hoger principe, namelijk de bescherming van de onschendbaarheid van het individu. De rechten van de individuen op een vergaande zelfbeschikking en autonomie moeten eerst komen. Wetenschappelijke vooruitgang wordt daar misschien door belemmerd, bij tijden zelfs onmogelijk gemaakt, maar het is die prijs waard.

Katz zegt ook dat de rechters van het Nürnberg Tribunaal, overdonderd door wat ze te weten kwamen, wilden bijdragen tot "een wereld waarin vrije mannen en vrouwen, na zorgvuldig beraad hun eigen beslissingen, goed of slecht, zouden kunnen nemen, maar geen beslissingen die hun nietsvermoedend opgedrongen worden door de autoriteit van de staat, wetenschap of geneeskunde".

Het Eerste Principe van de Nürnberg Code bepaalt dat "de vrijwillige toestemming van de individuele mens absoluut essentieel is". De Code heeft het specifiek over het gebruik van menselijke wezens voor medisch onderzoek, maar vermits ze internationaal aanvaard werd en in 1964 gevolgd werd door de Verklaring van Helsinki, heeft de Nürnberg Code gediend als 'goudstandaard' in de ethische praktijk van de geneeskunde en als basis om alle patiënten het recht te garanderen dat ze geen ingreep kunnen ondergaan die mogelijk schadelijk is, zonder hun toestemming, gebaseerd op juiste informatie ('informed consent').

Vandaag de dag hebben patiënten deze garantie, ze moeten een toestemming geven na informatie, wanneer ze routine-operaties ondergaan of diagnostische tests of wanneer ze medicatie nemen waaraan een risico verbon-den is van letsel of dood. Maar de verplichte inentingen zijn tot op heden uitgesloten gebleven van die toestemming na informatie.

Als de staat niet kan uitmaken welke individuen genetisch of anders een hoger risico lopen om ziek te worden of te sterven na een vaccinatie, is dan de inenting die door de staat verplicht wordt niet de facto een medisch experiment en aldus een immorele toepassing van het utilitaristische principe ?

De filosoof Hans Jonas herinnert ons eraan dat een staat misschien het recht heeft om een individu te vragen om zich vrijwillig op te offeren voor wat de staat definieert als een hoger goed, maar zeer zelden, waarschijnlijk nooit, heeft de staat de morele autoriteit om dat te bevelen. Hij concludeerde:

"Laten we niet vergeten dat vooruitgang een doel is waarvoor we kunnen kiezen, het is geen onvoorwaardelijke verplichting, en het tempo van de vooruitgang, hoe dwingend het ook lijkt, is geen heilige koe. Laten we ook bedenken dat een tragere vooruitgang in het bestrijden van ziekten de maatschappij niet in gevaar brengt, wat misschien bitter klinkt voor diegenen die aan een ziekte lijden waarvoor nog geen remedie is gevonden. Maar de maatschappij wordt wel bedreigd wanneer de morele waarden eroderen, misschien ten gevolge van een al te voortvarend streven naar wetenschappelijke vooruitgang. Zelfs de meest verbluffende resultaten zouden in dat geval niet waard zijn om erover te beschikken."

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Sociaal én individueel_

Onderstaand artikel sluit goed aan bij 'Over de liefde' van Michaëla Glöckler. Het verscheen in 'Erziehungskunst van maart 2000. De auteur, Thomas Voss is leraar geschiedenis en Russisch in de Steinerschool in Keulen.


Reeds in het begin van de twintigste eeuw heeft Rudolf Steiner met de antroposofie iets geschapen dat als een levenspraktisch alternatief kan gebruikt worden tegenover alle uitgekiende dogma's, tegenover alle simplistische materialistische ideologieën over het sociale leven en de mens. We kunnen de antroposofie begrijpen als een poging om het motief van de ontmoeting te stellen tegenover het kille van de moderne wereld, de gereserveerdheid, de anonimiteit, de vereenzaming en het opgesloten-zijn in het eigen ego. Antroposofie kan ook als relatiekunde begrepen worden, die probeert oefenwegen te tonen waardoor we bewust kunnen vorm geven aan het chaotische en hectische van onze moderne wereld, en waardoor we de ontmoeting tussen het Ik en Gij bewust kunnen leren.

In het middelpunt van de antroposofie staat een samenhangende mensenkunde. Rudolf Steiner benadrukt altijd weer dat iedere theorie, hoe spitsvondig ze ook is, die niet de mens als uitgangspunt neemt, moet eindigen in een vernietigend anti-humanisme. Ik geloof dat de ganse geschiedenis van de twintigste eeuw genoeg bewezen heeft dat Rudolf Steiner gelijk had. Misschien kan men aanvullen: alle ideologen van de twintigste eeuw hielden en houden zichzelf voor de enige ware realisten en pragmatici. Maar hun daden en misdaden hebben ons in plaats van algemeen menselijk geluk alleen oorlog en verdrijving gebracht en hebben ons met een leegge-plunderde planeet achtergelaten.

"Wil men begrip verkrijgen voor het sociale, dan gaat het er vooral om dat men zich een begrip verwerft van de mens, interesse voor de mens, gedifferentieerde interesse voor de mens. Mensen willen leren kennen, dat is wat een opgave voor de toekomst, de allerbelangrijkste opgave voor de toekomst moet zijn." (1)

Steiner onderscheidt in zijn mensenkunde twee fenomenen: enerzijds het egoïsme en anderzijds de individualiteit. Deze twee begrippen werden vaak volledig ongedifferentieerd gebruikt en op een hoop gegooid. Het is zinvoller om het Ik van de mens te begrijpen als een dubbelnatuur, als een wezensdeel dat enerzijds open staat voor de wereld en anderzijds op zichzelf gericht is. We kunnen ook spreken van een alledaags Ik, onze gewo-ne persoonlijkheid, een lager Ik, en daarnaast een waar, hoger Ik. Het lagere Ik is voor de vorming van de menselijke persoonlijkheid even belangrijk als het hogere Ik. Het hogere Ik, dat de eigenlijke individualiteit van de mens uitmaakt, is in staat om boven zichzelf uit te groeien en zich te openen voor de buitenwereld. Het alledaagse Ik daarentegen loopt voortdurend gevaar om zich alleen op het eigen ego te focussen.

Het hogere Ik is veel sterker georiënteerd op de geest en bevat de krachten en impulsen waarmee we terug de verbinding met de wereld en onze sociale omgeving kunnen tot stand brengen. De verbinding die we ooit verloren hebben, hoewel we samen geschapen zijn. Dit hogere Ik, dat pas de ware individualiteit is, kan men ook het toekomst-Ik of het relatie-Ik noemen omdat het noodzakelijk is om de relatie met anderen te laten ontstaan, naast onbaatzuchtigheid, sociale mondigheid, toewijding en broederlijkheid.

Het lagere Ik uit zich bvb. in zelfbespiegeling, in het combinerend verstand, in het intellect dat bij het lichaam hoort. Het vertoont verhardingstendensen en wil zich afsnoeren van de buitenwereld. Het hogere Ik bezit als het ware een idealistische kern, die door innerlijke activiteit vergroot wordt en die leeft in alles waar een mens zich met echte interesse wijdt aan een zaak, aan zijn medemens of zijn omgeving. Het hogere Ik is iets waarvan wij in het dagelijkse leven alleen maar een fragmentje kunnen te pakken krijgen. Het geheel van ons hoger Ik en onze individualiteit is voor onze normale zintuiglijke waarneming niet zichtbaar, het ligt in het verleden en vooral in de toekomst. In dit geheel ligt verborgen en versluierd wat er van ons nog gaat worden in de toekomst.

Rudolf Steiner wijst erop in de voordrachten van 6 en 12 december 1918 dat wij tegenover het egoïsme in onze tijd bewust het sociale moeten stellen. Dat kan echter niet van buitenaf opgelegd worden (de grote fout van zowel de Franse als de Russische revolutie). Het sociale moet bewust geoefend worden omdat wij "als denkende mensen van nature helemaal niet sociaal zijn".

"Het sociale moet bewust onderhouden worden ... En dat zal in ons tijdvak altijd maar moeilijker en moeilijker worden, omdat het andere, het antisociale, eigenlijk het natuurlijke is. Het sociale is het noodzakelijke, dat moet bewust verzorgd worden ... Wat noodzakelijk is en wat zeer bewust moet verworven worden, terwijl het vroeger instinctief in de mens werkte, dat is nu juist de interesse van mens tot mens. De centrale zenuw van alle sociale leven is de interesse van mens tot mens."(1)

Rudolf Steiner benadrukt meermaals dat het sociale niet door allerlei nieuwe schema's of uitgedachte programma's en theorieën mogelijk wordt, het komt allemaal op de mens aan. De verandering begint klein, bij het individu:

"Niet van uiterlijke instituties en hun hervorming moeten wij verwachten wat ons gaat verder brengen. Wat voor hervormingen wij ook doorvoeren, tot een wederopbouw zal het niet leiden. Die is pas mogelijk wanneer de mens in zijn eigen innerlijk opzoekt wat in hem tegenwoordig neigt naar destructie. Want al het uiterlijke dat ontstaat in het leven van de mens spruit voort uit de mens zelf, uit zijn innerlijk wezen. Slechts door an-ders te leren, anders te denken, kunnen wij vooruit gaan."(2)

We kunnen de huidige toestand van de maatschappij betreuren, de verwoestingen en catastrofen van de twintigste eeuw, we kunnen verzinken in fatalisme, defaitisme en pessimisme. Maar we zouden even goed de vraag kunnen stellen: wat heeft zich willen manifesteren in de ontwikkelingen van de 19de en de 20ste eeuw ? Rudolf Steiner wijst erop dat de uiterlijke conflicten en catastrofen, het destructieve, antihumane en boze ons als nooit tevoren in de geschiedenis van de mensheid dwingt om de blik te richten op ons zelf, op ons eigen innerlijk. De twintigste eeuw heeft licht- en schaduwzijden. Het destructieve en vernietigende wordt alsmaar sterker, maar de mens wordt geroepen om wakker te worden door dit kwade, om in zichzelf de heilende krachten te vinden en te ontwikkelen.(3)

De omkeer: bewust relaties aangaan

Tegenwoordig staan we aan een keerpunt, de mens zoekt naar levensvolle relaties. Hij wil bewust vanuit de kracht van het Ik relaties vorm geven, relaties waarin de medemens intiemer, d.i. terug geestelijk kan waargenomen worden, waar de levensvolle betrekking tot de ander gezocht en gevonden wordt. Men kan deze broederlijkheid natuurlijk ook in de roes beleven, zonder eigen inspanning, bvb. met drugs. Daarmee komt men alleen maar in een schijnbroederlijkheid terecht, een karikatuur van wat eigenlijk bedoeld wordt. Over het supercommerciële spektakel 'Love Parade'(4) werd al dikwijls geschreven hoe miljoenen mensen opgingen in een diffuus wij-gevoel, maar eigenlijk ieder achter het masker van zijn ego gevangen blijft: "Het feest der liefde baart slechts een massa eenzaamheden." (5)

Interessant is wel dat de jeugd van de eeuwwisseling de 'Love Parade' helemaal niet als het enige symbool van haar generatie aanziet. Op de eerste plaats staan, volgens Der Spiegel 28/99, ontmoeting en betrokkenheid. Vooral een betrouwbare vriendenkring die ruimte biedt voor gemeenschap maar ook voor conflicten. "Open en eerlijk met elkaar omgaan, de ander niet bedotten, maar hem dulden en aanvaarden in zijn anderszijn, van hem leren zonder zich zelf te verliezen - zo zou menselijke communicatie, zo zou privé- en openbare handel-wijze moeten zijn."(6)

Het maatschappelijk engagement van de jongeren is in de laatste jaren zeker niet verminderd, het is wel veranderd. Vaste banden met kerkelijk-caritatieve of partijgebonden instituten zijn er duidelijk veel minder. Daartegenover staat dat jongeren zich altijd meer spontaan en doelgericht engageren voor concrete, overzichtelijke projecten en initiatieven die ze zelf nemen, die hun "kansen bieden om de eigen persoon te veranderen, de maatschappij, de staat.

Vanuit het standpunt van de jeugd is dat alleen of toch voornamelijk mogelijk door direct contact en met kleine schreden, en niet via de grote politiek ... Jongeren hebben een grote behoefte aan eigen ervaring en feedback van anderen, aan belevenissen en plezier in de zin van levensvreugde ... Sociaal engagement is voor jongeren een mogelijkheid om het leven voor zichzelf zinrijk en zinvol vorm te geven. Het is individualistisch, maar in een maatschappelijke samenhang .. In een zelfgekozen engagement wordt de kans gezien om volwassen te worden, zonder het speelse element direct te verliezen. (7)

De veralgemening die stelt dat toenemende individualisering automatisch iedere gemeenschap ondermijnt, is niet houdbaar. Ondanks de sombere tijdingen over een ego- en ellebogenmaatschappij, is het vrijwillige burger-engagement van de Duitser gestegen in vergelijking met de jaren 80. De zelfhulpbeweging is een belang-rijke, groeiende sector geweest in de laatste jaren. Er ontstaat "een ethiek van individuele zelfontplooiing en zelfverantwoording, die tot de machtigste verworvenheden, tegelijk een bron van zingeving, in onze moderne samenlevingen behoort. Het mensentype van onze tijd is het individu dat kiest, beslist, zich zelf regisseert, dat zich de auteur van zijn eigen leven weet, als schepper van zijn eigen identiteit ... Het is het meermaals verketterde individualisme, en niet het traditionele plichtsbewustzijn, dat aan de basis ligt van een tot hiertoe nooit geborgen schat aan engagement, en dat eigenlijk een geweldig 'sociaal kapitaal' vormt dat in onze maatschap-pij sluimert. We moeten dit individualisme niet verwisselen me consumentisme. Het is namelijk zeer moreel. Tegelijk is het op een eigenzinnige manier sociaal en politiek gericht."

Volgens de socioloog Ulrich Beck zouden de verantwoordelijken in de politiek en in de maatschappij moeten ophouden met het verketteren van het individualisme. Ze zouden het veeleer als een wenselijk en onvermijdelijk product van een democratische ontwikkeling moeten zien. De angst voor vrijheid die overal heerst ziet volgens Ulrich Beck niet welke bindingskrachten er in het individualisme sluimeren. Er zou veel meer aan-dacht moeten besteed worden aan het laten ontstaan van vrije associaties in het ganse land die aan jongeren en volwassenen ruimte kunnen bieden voor eigen initiatieven en vrijwillige, zelfgeorganiseerde arbeid.(8)

Interessant is dat Becks overtuiging hier samengaat met de inzichten van Rudolf Steiner. Ook Rudolf Steiner voorzag in de driegeledingsbeweging het ontstaan van 'vrije associaties'. Voor Steiner is individualiteit en individualisme een integraal bestanddeel van de antroposofie. Er was hem veel aan gelegen om het individualisme te laten aanvaarden als een sociaal principe voor onze tijd.

" Er wordt tegenwoordig veel gepraat over de noodzaak om het individualisme te overwinnen. Daar kan het helemaal niet om gaan, nee, in de mens zelf moeten we de maatschappij ontdekken ... We moeten in de mens zelf de maatschappij vinden."(9)

In zijn 'Filosofie der Vrijheid' omschreef Rudolf Steiner deze houding als 'ethisch individualisme': de sociale gemeenschap kan slechts gevonden worden vanuit de kracht van de zich altijd verder ontwikkelende individualiteit. Bij Ulrich Beck gaat het om hetzelfde, hij spreekt van een ethiek van individuele zelfontplooiing, een ethiek der zelfregering, op andere plaatsen over scheppend individualisme, zelfs van altruïstisch individualisme.

Karl-Martin Dietz omschrijft het individualisme als een principe van samenwerking, als een 'zeer efficiënte paradox'. Voor hem is een voorwaarde van het individualisme de 'versterking van de Ik-kracht, uit de isolatie en weg van het gericht-zijn op zichzelf naar een integratie met de wereld.

Ook de Berlijnse filosoof Volker Gerhardt maakt het authentieke Ik dat zich openstelt voor zijn omgeving tot uitgangspunt van zijn sociaalfilosofie:

"Wanneer het individu zich in zijn zelfbewustzijn openstelt voor de wereld die hij deelt met zijn medemens, dan maakt hij tegelijk ruimte vrij voor toekomstig handelen. De mens vergroot zijn individualiteit wanneer hij niet alleen rekening houdt met wat hij op dit ogenblik is, maar ook met wat hij in de toekomst kan en wil worden."

Oefeningen

Rudolf Steiner heeft hiertoe een groot aantal oefeningen aangereikt.

Een eerste oefening bestaat bvb. in het juist kunnen luisteren en te wachten met een (snel) oordeel te vormen. Op die manier pas kan er voor de ander ruimte ontstaan om zich te ontplooien, of, zoals Johann Galtung het ook noemt, een ruimte van mogelijkheden voor creativiteit.

Het tegendeel van het stil-zijn en kunnen luisteren vormen bvb. de praatprogramma's op TV waar alleen maar geluisterd wordt naar wie het brutaalst zijn mening verkondigt en anderen het woord ontneemt en de mond snoert. Onze TV-wereld heeft zich ingesteld op een teugelloos democratisme, waarvoor alleen nog maar kijkcijfers, blikvangers en sensatie van tel is. Een echte discussie, luisteren en laten uitspreken, dat gaat te traag, dat verveelt, en krijgt dus geen kans.

Ieder weet hoe moeilijk het is om zijn mening niet te uiten, zeker wanneer het om zaken gaat die ons zelf sterk emotioneel raken. Dit is een pijnlijke plek in de betrekkingen tussen mensen, en overal -niet alleen bij antroposofen- worden naar nieuwe wegen gezocht. We kunnen iets leren van de oude volksstammen, waar de cultuur van het gesprek en de kunst van de langzaamheid in ere werd gehouden: wie sprak hield een spreeksteen of een klankschaal in de hand.

Een tweede oefening die Rudolf Steiner noemt bestaat erin om het beeld van de ander in beweging te houden en voortdurend te corrigeren en het hogere, het verborgene dat er nog niet is, maar wel wil ontstaan, in onze waarneming, in ons denken en voelen op te nemen.

Een modern voorbeeld van hoe deze oefening kan gebeuren is Nelson Mandela. Net zoals vóór hem Ghandi -die ooit ook in Zuid-Afrika leefde en van wie Mandela veel geleerd heeft- ging hij ervan uit dat men situaties en gebeurtenissen altijd een positieve wending kan geven. Zijn strijd tegen de apartheid, de jaren in de gevangenis, en de strenge en consequente arbeid aan zichzelf hebben hem de kracht gegeven om andere mensen open, zonder vooroordelen en met warmte tegemoet te treden. Het feit dat hij zijn eigen geweten gevormd heeft maakte Mandela zo sterk dat hij zijn voormalige beulen zonder haat maar in een geest van verzoening kon ontmoeten. Over de gevangenisdirecteur van Robbeneiland, Piet Badenhorst, die bekend stond voor zijn onbarmhartig en autoritair optreden, schrijft Mandela in zijn autobiografie:

"Over dit ogenblik heb ik nog lang nagedacht. Badenhorst was waarschijnlijk de hardste en brutaalste commandant die wij op Robbeneiland ooit hadden. En toch toonde hij die dag in zijn bureau dat hij nog een andere kant had, een kant die tot dan toe verborgen was geweest, maar die toch bestond. Dat was een nuttige herinne-ring aan het feit dat alle mensen, al zijn ze schijnbaar nog zo hardvochtig, een menselijke kern bezitten; en wanneer hun hart geraakt wordt, dan kunnen ze veranderen. Badenhorst was uiteindelijk geen slechte mens; de onmenselijkheid was hem opgelegd door een onmenselijk systeem. Hij gedroeg zich als een beest omdat hij voor zijn beestachtig gedrag beloond werd."

Een derde oefening bestaat erin dat wij vaker op ons leven terugblikken en nuchter alle mensen voorbij ons geestesoog laten passeren die in ons leven een rol hebben gespeeld, hetzij als leraar, vriend, hetzij als iemand met wie wij voortdurend in conflict lagen:

"En wij zullen zien, als wij dit doen, dat wij langzamerhand leren ons zelf vergeten, dat we ontdekken dat eigenlijk bijna alles wat aan ons is er niet zou zijn indien niet deze of gene persoon als helper of leraar of op andere manieren in ons leven had ingegrepen."(1)

In plaats van altijd te denken vanuit onze Ik-burcht, een middelpuntsdenken, kunnen we ook denken vanuit de periferie, de cirkelomtrek. "In plaats van afstand treedt dan een verbondenheid op een hoger niveau op. Wij worden gewaar dat wij in de grond onszelf, zoals we nu eenmaal geworden zijn, voor het grootste deel te danken hebben aan deze omgeving. De omtrek schijnt niet meer door het middelpunt bepaald te zijn, integen-deel het middelpunt lijkt gegroeid te zijn vanuit de omtrek."(10)

Rudolf Steiner raadt ook aan om de circulatie van goederen doorzichtig te maken door innerlijk te proberen een product te volgen vanaf het begin van het productieproces tot aan de verkoop. Een dergelijke oefening laat ons wakker worden voor onze sociale omgeving en laat ons inzien hoeveel wij te danken hebben aan onze medemens. Indien die niet zou bestaan en onvermoeibaar zou arbeiden dan zouden wij in onze complexe en gespecialiseerde wereld niet eens kunnen leven.

Wanneer wij bewust de omloop van goederen en reële prestaties nagaan die zovele mensen voor ons verrich-ten, dan kan er een stemming van dankbaarheid opkomen voor de inzet van al deze mensen. Wat men vroeger in de herfst vierde als dankfeest aan de natuur, dat kan dan een dagelijkse grondtoon in ons worden tegenover de stroom die waarden creëert in onze maatschappij en waarvan wij kunnen genieten.

Nieuwe initiatieven

Talrijke mensen proberen vanuit een intuïtieve zekerheid te strijden tegen wat de wereld kapot maakt. Ze willen iets met toekomstkracht op de wereld zetten. Het zijn mensen met een helende kracht. Denken we maar aan Greenpeace, Amnesty, Artsen Zonder Grenzen, mensen die opkomen voor burgerrechten of die vrijwillig ontwikkelingshulp gaan doen.

Rudolf Steiner in dit verband:
"Daardoor, dat mensen vrijwillig hun gevoelens laten samenstralen, wordt terug iets gevormd dat uitstijgt boven de enkele geëmancipeerde mens. De geëmancipeerde mens heeft zijn individuele ziel ..., maar doordat mensen zich vrijwillig aaneensluiten, groeperen ze zich rond een middelpunt ... Daardoor wordt het vormen van een gemeenschap verenigbaar met de volledige vrijheid en individualiteit van de mens."(11)

Individualisering, zelforganisatie en eigen initiatief enerzijds en sociaal engagement voor wat de mensheid als geheel aanbelangt anderzijds, dat hoeft geen tegenstrijdigheid te zijn, het ene kan het andere ondersteunen en daardoor een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenen op de jeugd.

Dat konden we bvb. zien bij het succesrijke protest in Seattle, begin december 1999, van een internationale burgerbeweging tegen een globaal-economisch elite-denken dat een minderheid begunstigt en ontwikkelingslanden zowel als burgers en de natuur in de kou laat staan. Deze protestbeweging tegen een onrechtvaardig economisch bestel had vele gezichten en werd niet centraal gedirigeerd. En toch was ze uitstekend voorbereid. Dat was des te verbazender omdat er groepen samenwerkten die dat nooit tevoren hadden gedaan, die voordien zelfs vijandig tegenover elkaar ston-den, zoals bvb. de Amerikaanse vakbonden en de milieu-activisten. Sedert de Vietnamoorlog kwam het gere-geld tot politieke conflicten tussen deze twee. In Seattle scheen voor de eerste keer de kloof overbrugd. Op één van de spandoeken stond te lezen: "Turtles and Teamsters united at last !".

In Seattle werd duidelijk dat naast de macht van de multinationale ondernemingen en die van de nationale staten er de laatste jaren een derde globale macht is gegroeid, die van de wereldwijde burgerbeweging.

De Indische wetenschapper die opkomt voor de rechten van de vrouw, Vandana Shiva, was vertegenwoordiger van de NGO's op de WTO-bijeenkomst. Ze verwoordde de eisen van de tijd als volgt:

"Wanneer arbeiders en milieu-activisten elkaar de hand reiken, wanneer boeren uit het Noorden en het Zuiden overeenkomen om nee te zeggen tegen genetisch-gemanipuleerd plantgoed, dan handelen ze niet uit eigenbelang. Dan verdedigen ze de gemeenschappelijke interessen en rechten van alle mensen, waar dan ook. De politiek van verdelen en heersen is mislukt ... Wij willen een nieuw millennium dat gebaseerd is op economische democratie in plaats van economisch totalitarisme. De toekomst voor de mens en voor andere soorten is slechts mogelijk wanneer de principes van concurrentie, georganiseerde hebzucht, het leven als vrije markt, monoculturen, monopolies en gecentraliseerde, wereldwijde controle van multinationals over ons dagelijks leven, die als heilige koeien bij het WTO behoren, vervangen worden door principes van mensen- en natuurbescherming, door de verplichting om verscheidenheid te geven en te delen, door decentralisatie en zelforganisatie ..."



(1) uit GA 186 , Die sozialen Grundforderung unserer Zeit.
(2) uit GA 334, Vom Einheitsstaat zum dreigliederigen sozialen Organismus.
(3)uit GA 185, Geschichtliche Symptomatologie.
(4) zo wordt een reusachtig feest in Berlijn genoemd dat al twee keer in juli plaatsvond en nu waarschijnlijk ieder jaar in de zomer zal doorgaan. Het gaat om een techno-party, de grootste van het millennium, zo werd gezegd in 1999. Er waren toen anderhalf miljoen deelnemers (die 200 ton afval achterlieten !). De slogan luidde: "Music is the key". Jonge mensen 'dansen' zich daar in een roes op de tonen van zeer snel en luid ritmisch lawaai; er worden veel zgn. energy-drinks verbruikt en ook nogal wat straffer spul. (5) Die Welt van 11/7/98.
(6) Jugendwerk der Deutschen Shell, 1997.
(7)Ulrich Beck (uitg.), Die Zukunft von Arbeit und Demokratie, Frankfurt, 2000.
(8) Ulrich Beck in "Schöne neue Arbeitswelt" en "Kinder der Freiheit", Frankfurt.
(9) uit GA 83, Westliche und östliche Weltgegensätzlichkeit.
(10) Lindenau, "Soziale Dreigliederung",Stuttgart, 1990.
(11) uit GA 102 "Das Hereinwirken geistiger Wesenheiten in den Menschen".

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

De mens en zijn dubbelganger(s)_


Op 6 mei 2000 sprak Dr. Hériard Dubreuil in het Centrum Emile Verhaeren in Brussel over dit onderwerp. Wij konden er door omstandigheden niet bij zijn en daarom gingen wij zelf op zoek naar wat Rudolf Steiner hierover gezegd heeft. We kennen allemaal de uitdrukking "een gezonde geest in een gezond lichaam", maar het lijkt erop dat in een gezond lichaam meer dan één geest zit !
Onze eigen ziel heeft een fysiek lichaam nodig om te kunnen verder ontwikkelen, maar op een of andere manier is dat fysiek lichaam "te groot" voor ons. Verschillende wezens profiteren daarvan en kruipen mee in dat fysiek lichaam. We kunnen ons dit zo voorstellen: een mens heeft voor zijn werk een auto nodig en hij krijgt die van zijn baas. In dat voertuig zijn vier of vijf zitplaatsen. Op het ogenblik dat die mens wil vertrekken, springen er drie of vier kerels in de wagen. Zij wilden ook een voertuig maar ze kregen er geen van hun baas. Ze lossen het dan maar op hun manier op: ze rijden mee met die ene gelukkige. Die van zijn kant heeft ze liever niet aan boord, maar wat kan hij doen ? Hij kan ze er niet uitgooien, want als hij zijn stuur even loslaat, neemt één van die meerijders het maar al te graag over. De mens probeert dan maar zo goed het gaat zijn eigen doel te bereiken, maar onderweg mag hij geen seconde de aandacht laten verslappen of er wordt aan zijn stuur gerukt. Want die meerijders hebben ook hun eigen doel en willen dat bereiken met het voertuig van de mens.

Het is voor ons belangrijk om dat te weten. Wanneer we een mens rare bochten zien maken, dan moeten we ons afvragen: rijdt hij nog zelf ? Wordt er aan zijn stuur getrokken ? Is hij misschien de controle volledig kwijt en zit er een ander wezen op de zetel van de bestuurder ?

Als uitgangspunt nemen we een fragment uit GA 99, "Die Theosophie des Rosenkreuzers".

[ ... ]
" Het moet u klaar zijn dat u in uw leven geleid worden door machten die u zelf niet kent. Wat op het etherlichaam werkt zijn de vormstructuren die u vroeger zelf op het astrale vlak geschapen heeft, en wat uw levenslot uitmaakt, dat zijn wezenheden, krachten uit de hogere regionen van het devachaan die u zelf ingeschreven heeft in de Akasha-kroniek. Deze krachten of wezenheden zijn de occultist niet onbekend, ze nemen hun plaats in in de rangorde van gelijkaardige wezens. U moet beseffen dat u zowel in het astrale lichaam als in het ether- en fysiek lichaam de werking ondervindt van die andere wezenheden. Al wat u onwillekeurig doet, al wat u doet vanuit een automatisme, geschiedt door de werking van die wezens. Er gebeurt niets zomaar uit het niets. De verschillende wezensdelen van de mens zijn voortdurend echt doordongen en opgevuld door andere wezenheden. De ingewijde leraar laat een groot deel oefeningen maken om deze wezens uit te drijven, zodat de mens altijd vrijer en zelfstandiger wordt."


Als je dus 's morgens wakker wordt en uit bed springt (of kruipt, al naargelang je temperament), dan is dat door de werking van zo'n wezen. Blijf je echter liggen en begin je te overleggen: "Als ik vandaag niet ontbijt, dan kan ik een kwartier langer blijven liggen", dan is dat de werking van Ahriman ! Je gebruikt dan immers je combinerend verstand. Dat is de reden waarom zo weinig mensen ingewijd zijn; eerst moet de mens ook het allerkleinste facet van zijn leven vormgeven vanuit zijn Ik. Zolang die andere wezenheden nog taken voor ons uitvoeren, kan men de Wachter op de Drempel niet passeren.

Rudolf Steiner gaat dan verder in deze voordracht meer in detail in op deze wezenheden:
- De wezens die in ons astraal lichaam zitten, worden demonen genoemd; goede of slechte, dat hangt af van onze gedachten. Ware gedachten kweken goede demonen (zoals die van Socrates), onware gedachten, leugens, creëren slechte demonen.
- In ons etherlichaam zitten spoken, die ons onvrij maken.
- In ons fysiek lichaam zitten fantomen.
- In ons Ik zitten geesten, zoals ons eigen Ik ook een geest is.

In GA 178 ("Individuelle Geistwesen und ihr Wirken in der Seele des Menschen") heeft Rudolf Steiner het over nog een andere wezenheid, een Ahrimanische dubbelganger:

[ ... ]
"Wanneer de mens door de geboorte in het aardse bestaan treedt, dan heeft hij door zijn fysiek lichaam niet alleen de mogelijkheid om zijn eigen ziel een thuis te geven, maar [ ... ] behalve onze ziel neemt ook nog een ander geestelijk wezen bezit van ons lichaam, van het onderbewuste deel van ons lichaam. Zo is het nu eenmaal: korte tijd vóór wij geboren worden sluipt een ander wezen in ons - volgens onze terminologie een ahrimanisch wezen. Dat zit even goed in ons als onze eigen ziel. Deze wezens wier leven erin bestaat om de mens te gebruiken om te kunnen vertoeven in de sfeer waarin ze willen leven, deze wezens hebben een buitengewoon grote intelligentie en een fors ontwikkelde wil, maar ze hebben geen gemoed, ze hebben niet wat men een menselijk gemoed noemt.

En zo stappen wij dus door het leven met aan de ene kant onze ziel en aan de andere kant zo'n dubbelganger die veel slimmer, zeer veel slimmer is dan wij, zeer intelligent, maar een mefistofelische intelligentie, een ahrimanische intelligentie, en daarbij een ahrimanische wil, een zeer sterke wil, een wil die veel dichter bij de natuurkrachten staat dan onze menselijke wil, die door het gemoed gereguleerd wordt.

In de 19de eeuw heeft de wetenschap ontdekt dat er in het zenuwstelsel elektrische stromen werken. Ze had gelijk, deze wetenschap. Maar als ze denkt, als de natuurwetenschappers geloven dat de zenuwkracht die bij ons hoort, die de basis uitmaakt van ons voorstellingsleven, ook maar iets met elektrische stromen te maken heeft die door onze zenuwbanen zouden gaan, dan hebben ze het verkeerd voor. Want die elektrische stromen, dat zijn krachten die door het wezen dat ik zojuist beschreven heb, in ons wezen ingebouwd zijn, die behoren niet tot ons eigen wezen. Er zitten elektrische stromen in ons, maar ze zijn van ahrimanische oorsprong.

Deze wezens, met hun grote intelligentie, maar zuiver mefistofelische intelligentie, en een wil die meer verwant is met de natuur dan dat van de menselijke wil kan gezegd worden, die hebben ooit eens vanuit hun eigen wil besloten om niet te willen leven in de wereld die hen toebedacht was door de wijsheid van de goden uit de hogere hiërarchie. Ze wilden de aarde veroveren, ze hebben lichamen nodig; eigen lichamen hebben ze niet, ze gebruiken van het menselijk lichaam zoveel ze kunnen, omdat de menselijke ziel het fysiek lichaam niet volledig kan doordringen.
Deze wezens kunnen dus, wanneer het menselijk lichaam zich vormt, op een bepaald ogenblik voordat de mens geboren wordt, in dit menselijk lichaam indringen. Onder de drempel van het bewustzijn begeleiden ze ons. Slechts één iets kunnen ze absoluut niet verdragen in het menselijk leven: ze kunnen namelijk de dood niet verdragen. Vandaar dat ze een menselijk lichaam waarin ze zich vastgezet hebben, terug moeten verlaten, telkens dat moet sterven. Dat is telkens weer een bittere teleurstelling, want dat is nu juist wat ze zich willen veroveren: in het menselijk lichaam kunnen blijven ook na de dood. Dat zou een grote verworvenheid zijn in het rijk van deze wezens; maar dat hebben ze niet kunnen bereiken.

Indien er niet het Mysterie van Golgotha was geweest, indien Christus dat niet had doorgemaakt, dan was het op aarde al lang zo geweest dat deze wezens zich de mogelijkheid hadden verschaft om ook in de mens te blijven na het moment van de dood dat hem door het karma is voorbestemd. Dan zouden zij de overwinning behaald hebben op de menselijke ontwikkeling op aarde en waren ze heersers van de menselijke ontwikkeling op aarde geworden.
Zo iets heeft een ongemeen diepe betekenis: in te zien hoe het doorleven van het Mysterie van Golgotha door Christus samenhangt met deze wezens die de dood in de mensennatuur willen veroveren, maar dat tegenwoordig nog niet kunnen verdragen; ze moeten altijd oppassen om niet in een mensenlichaam het uur van diens dood te beleven zoals dat voorbestemd is; ze moeten oppassen om niet het lichaam voorbij het doodsuur te willen in stand houden, om het leven van dit lichaam niet te verlengen tot voorbij het doodsuur.

Over deze zaak waarover ik het nu heb, zijn bepaalde kringen al lang op de hoogte, ze kennen deze dingen zeer goed en willen ze niet aan de mensheid bekend maken - met welk recht, daar gaan we nu niet op in. Vandaag de dag is het zo dat het onmogelijk is om de mensen niet stilaan te voorzien van begrippen die ze nodig hebben wanneer ze door de poort van de dood gaan. Want alles wat de mens hier beleeft, ook wat hij onder de drempel van het bewustzijn beleeft, dat heeft hij nodig na de dood omdat hij op het voorbije leven moet terugblikken en dat hij dit leven volledig moet begrijpen en omdat het het ergste is wanneer hij dat niet kan. Maar men heeft niet genoeg begrippen om bij de terugblik het voorbije leven te verstaan wanneer men geen licht kan werpen op een wezen dat zo innig met ons is verbonden als dit ahrimanisch wezen dat voor onze geboorte bezit neemt van ons en altijd aanwezig is, altijd in het onderbewuste rondzwerft. Altijd weer moet men dat wezen kunnen belichten. Want wijsheid wordt licht na de dood.

Voor het menselijk leven zijn deze wezens zeer belangrijk. De mensen moeten er geleidelijk kennis van nemen, en ze zullen er ook kennis van nemen. Maar dat moet op de juiste manier gebeuren. Deze kennis mag niet onder de mensen verspreid worden door occulte kringen die er een machtskwestie van maken en daardoor hun eigen macht willen vergroten. Ook mag deze kennis niet langer stilgehouden worden ter wille van de macht van bepaalde egoïstisch strevende broederschappen. De mensheid streeft naar algemeen toegankelijk weten en het weten moet uitgebreid worden. Want in de toekomst kan het niet meer heilzaam zijn wanneer occulte broederschappen dergelijke zaken voor het uitbreiden van hun macht kunnen aanwenden.

De kennis van deze wezens zal in de volgende eeuwen altijd meer en meer mensen moeten bereiken. De mens zal in de volgende eeuwen altijd meer en meer moeten weten dat hij zo'n ahrimanische, mefistofelische dubbelganger in zich draagt. De mens moet dat weten.

En hier openbaart zich iets wat in de toekomst werkelijk beoefend moet worden als het mensengeslacht niet oneindige hindernissen, oneindige schriktoestanden wil meemaken. Want deze dubbelganger waarvan ik gesproken heb, die is niet meer of niet minder dan de veroorzaker van alle fysische ziektes die spontaan uit het innerlijk tevoorschijn komen; hij is de veroorzaker van alle organische ziektes. En een broeder van hem, die dan wel niet ahrimanisch maar luciferisch geaard is, dat is de veroorzaker van alle neurasthenische en neurotische ziekten, alle ziekten die eigenlijk geen ziekten zijn, die slechts, zoals men zegt, zenuwziekten zijn, hysterische ziekten en zo verder."
[ ... ]

Er schijnt dus ook een luciferische dubbelganger te zijn. Rudolf Steiner gaat daar op deze plaats verder niet op in. We blijven dus even bij de ahrimanische dubbelganger.
Wanneer er sprake is van de werking van Lucifer of Ahriman in ons organisme, dan moeten we ons voor ogen blijven houden dat we zonder die twee wezens niet op aarde kunnen bestaan. Op de loop gaan voor een van die twee heeft alleen maar tot gevolg dat we recht in de armen van de ander lopen. Deze twee wezens beschikken over formidabele krachten, en wij kunnen daar ook van profiteren. Een kleine vergelijking: met een bulldozer kunnen we vlug en handig massa's puin opruimen, putten maken, grond ophopen, daar waar we met een schop dagen- of jarenlang zouden bezig zijn. Gaan we echter beneveld rijden, of zetten we een onervaren chauffeur achter het stuur, dan kunnen we ontzaglijke schade aanrichten. Ons eigen Ik moet leren om bewust om te gaan met de bulldozers van Lucifer en Ahriman.

In dezelfde voordracht in GA 187 legt Rudolf Steiner uit hoe de werking van deze dubbelganger verschilt van het ene continent tot het andere. Die werking hangt samen met wat er uit de aarde stroomt van magnetische, elektrische en ook andere, meer biologische krachten.

In Amerika werken deze krachten het sterkst. Dat zien we zelfs aan de gebergteketens die zich gericht hebben volgens een Noord-Zuid-as. Dat betekent dat mensen die daar wonen een sterkere invloed ondergaan van die dubbelganger. Steiner benadrukt dat het niets met het volk als dusdanig te maken heeft, het is een zuiver geografische invloed, een Japanner die in Amerika gaat wonen, zal ook sterker door die dubbelganger geïmpulseerd worden.
Wat is nu typisch voor de werking van die dubbelganger op het Amerikaanse continent ?

"... Er ontstaat zeer gemakkelijk een streven naar macht, meer macht, en nog meer macht..."

Deze uitspraak van 1917 is ondertussen al lang bevestigd.
Dit streven naar macht hoeft niet automatisch bij alle individuen op te treden. Wie veelzijdig gevormd is, wie aan geesteswetenschap doet, kan de dubbelganger in toom houden (Steiner vernoemt hier Ralph Waldo Emerson). Wie klakkeloos de heersende cultuurwaarden overneemt, op de gewone manier een carrière nastreeft, die is eigenlijk slechts een omhulling van die dubbelganger (Steiner noemt hier Woodrow Wilson, wij zouden er gerust Nixon, Reagan en Bush durven bijzetten). Tussen deze twee uitersten vinden we dan natuurlijk alle gradaties.

Over een Luciferische dubbelganger spreekt Rudolf Steiner in GA 134, "Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes". Hij legde eerst uit hoe de wezensdelen van de mens niet meer in evenwicht zijn t.o.v. elkaar. Onder invloed van Lucifer heeft
- het fysiek lichaam een overwicht op het etherlichaam
- het etherlichaam " " " astraal lichaam, en omgekeerd
- het astraal lichaam " " " etherlichaam
- het Ik " " " astraal lichaam.
( daarover meer in De Brug 50)

[ ... ]
"In de toestand waarin de mens tegenwoordig verkeert, is hij eigenlijk voortdurend innig verweven met zijn denken, voelen en willen. Het is nauwelijks mogelijk, nietwaar, om een toestand te vinden in het uiterlijke bewustzijn waar de mens eigenlijk alleen maar in zijn zuiver Ik zit, waar hij niet verweven is met denken, voelen en willen. Leg uzelf maar eens op om de zuivere gedachte van het Ik te vatten. Onze antroposofische vrienden puffen van inspanning wanneer Dr. Unger in zijn voordrachten altijd maar weer verlangt dat ze de zuivere gedachte van het Ik zouden denken, zonder een zweem van denken, voelen en willen. Je zou ervan in ademnood geraken.

U ziet hoe moeilijk het is dit Ik alleen als gedachte te vatten, laat staan het uit het denken, voelen en willen uit te pellen. Wanneer de mens zo gewoon in zijn ziel leeft, dan schieten deze gedachten-, gevoels- en wilsuitingen door zijn ziel; daarbij nog begeerten. Hij is nooit afgezonderd met zijn Ik van het denken, voelen en willen. Dat is nu precies wat men kan bereiken via die vier toestanden die ik hierboven beschreef : buiten het denken, voelen en willen kunnen staan en die te kunnen bekijken als al het andere dat buiten ons staat. Zo onverschillig moeten wij t.o.v. onze eigen gedachten kunnen staan alsof het voorwerpen buiten onszelf waren, dat we niet meer zeggen: ik denk, maar dat ons denken ons voorkomt als een proces dat zich afspeelt en dat ons eigenlijk helemaal niet aangaat. En evenzo moet het met het voelen en willen worden.

Ieder mens die ook maar een klein beetje nadenkt over de eigenaardigheden van zijn ziel, moet toegeven: zo iets kan men zich inderdaad als een ideaal voorstellen, als een ideaal dat te bereiken is. Maar de mens is nu daadwerkelijk zo één met zijn denken, voelen en willen, dat hij er zeer moeilijk uitgeraakt en dat het voor hem moeilijk is om door de wereld te gaan met het idee: hier stap ik nu door de wereld en met mij loopt er hier ook nog altijd zo een tweede gezel, die aan mij hangt omdat ik met hem vergroeid ben, maar die mij als een soort dubbelganger verschijnt. Naast mij wordt er gedacht, gevoeld, gewild; maar ik ben toch een ander, ik ben wat ik in mijn Ik ben. Ik ga naast wat ik als een drieheid, als drie zakken met mij ronddraag; de ene is gevuld met mijn denken, de andere met mijn voelen en de derde met mijn willen.

Maar zolang men deze 'driezakken-theorie' niet in de praktijk heeft gebracht, kan men zich geen juist begrip vormen van wat dat betekent: het Ik dat tegenover het denken, voelen en willen staat, zoals het oorspronkelijk bedoeld was door de goddelijke wezens, vooraleer de mens onder de luciferische invloed gekomen was. De mens was voorbestemd om toeschouwer van zijn eigen Zelf te zijn, niet om zich in zijn eigen Zelf te beleven.

Waarin heeft dan de eigenlijke verzoeking, de oorspronkelijke verzoeking, bestaan ? We kunnen dat zeer triviaal uitdrukken: ze bestond erin dat Lucifer het menselijk Ik benaderd heeft, dat door de mens in zijn zuiverheid had moeten bewaard worden naast het astraal lichaam dat hem reeds op de Maan was geschonken, en gezegd heeft -ik ga nu een beetje vertalen : "Zie eens, mens, dat is toch vervelend, zo maar altijd rond te wandelen met dit enige 'Ik-ben'-middelpunt, en alles maar aan te staren. Het is toch veel interessanter om onder te duiken in je astraal lichaam. Ik geef je daartoe de kracht, om onder te duiken in je astraal lichaam. Zo blijf je niet alleen met je Ik daar staan om naar je dubbelganger te kijken, nee, nu duik je onder in hem. En door onder te duiken in je astraal lichaam, krijg je misschien het gevoel dat je gaat verdrinken; welnu, dat los ik voor je op, ik geef je een stukje van mijn kracht."

Toen dook het Ik onder en, opdat het niet zou verdrinken, kreeg het luciferische kracht mee. En wat de mens aangenomen heeft aan luciferische kracht, dat maakt nu juist het overwicht uit van het Ik op het astraal lichaam, dat is de grotere Ik-heid, die eigenlijk een Luciferiteit is."


Over een derde dubbelganger heeft Rudolf Steiner het in GA 95'Vor dem Tore der Theosophie" en in GA 93a "Grundelemente der Esoterik". Hoe we ons die op de hals kunnen halen legt hij als volgt uit:

[ ... ]
"Wanneer de mens sterft, dan blijft er behouden wat hij van zijn astraal lichaam zelf bewerkt heeft. Ook van het etherlichaam het kleine stukje dat hij zelf bewerkt heeft; het overige deel lost op in de wereldether. Voor zover de mens dit kleine stukje etherlichaam bewerkt heeft, is zijn etherlichaam onsterfelijk. Daarom vindt hij dit deeltje weer wanneer hij terug afdaalt uit hogere sferen op weg naar een nieuwe geboorte. Wat hij nodig heeft om dit stukje etherlichaam te vervolledigen, daarvan hangt de duur van zijn verblijf in het devachaan af.

Wanneer de mens zover is dat hij gans zijn etherlichaam heeft omgewerkt, dan heeft hij geen devachaan meer nodig. Dat is het geval bij wie de occulte scholingsweg heeft afgelegd; die heeft gans zijn etherlichaam omgevormd zodat het na zijn dood intact blijft, hij hoeft niet meer door het devachaan te gaan. Men noemt dat 'afzien van het devachaan'.

Men kan een persoon aan het etherlichaam laten werken wanneer men zeker is dat hij niets slecht meer in de overige wereld zal inbrengen, anders zou hij zijn slechte instincten in de wereld inwerken. Bij hypnose kan het gebeuren dat de gehypnotiseerde de slechte instincten van de hypnotiseur in de wereld inbrengt. Bij de gewone mens wordt dit verhinderd door het fysiek lichaam, men kan bij hem het etherlichaam niet naar alle kanten trekken en sleuren. Wanneer echter het fysieke lichaam zich in een toestand van lethargie bevindt, dan kan men op het etherlichaam inwerken. Als men een mens hypnotiseert en slechte instincten in hem inwerkt, dan blijven die ook na de dood nog aanwezig. Zwarte magiërs hebben zich op deze manier vele volgzame dienaren aangeschaft. Bij witte magiërs is het de regel om een persoon niet aan zijn etherlichaam te laten werken tenzij zijn instincten reeds door een katharsis gegaan zijn. Want in het etherlichaam heerst rust en wijsheid. Als er iets slecht binnenkomt, dan komt dit slechte ook tot rust en blijft daar.

Vooraleer de mens als occulte leerling tot het punt geleid wordt vanwaar hij naar believen kan inwerken op zijn etherlichaam, moet hij tenminste gedeeltelijk in staat zijn om het karma te beoordelen, moet hij zelfkennis verworven hebben. Daarom mag men niet mediteren zonder een niet aflatende inspanning om zichzelf te leren kennen. Daardoor bereikt men dat de mens op het gepaste ogenblik de Wachter op de Drempel ziet: het karma dat nog moet worden ingelost. Wanneer men deze trap op een normale manier bereikt, dan betekent dat niets anders dan inzicht in het nog af te werken karma. Als ik begin aan mijn etherlichaam te werken dan moet ik mij vast voornemen om het karma dat nog bestaat, te vereffenen.

Het kan gebeuren dat de Wachter op de Drempel op abnormale wijze verschijnt.
Dat doet zich voor wanneer een mens een dusdanige sterke aantrekking heeft gehad tot het leven tussen geboorte en dood dat hij door een tekort aan innerlijke activiteit niet lang genoeg in het devachaan kan blijven. Als een mens zich al te zeer gewoon heeft gemaakt om alleen maar naar de buitenwereld te kijken, dan heeft hij in zijn innerlijk niets om naar te kijken. Hij komt dan spoedig terug in het fysieke leven. Zijn begeerten blijven bestaan, de korte devachaanperiode is snel afgelopen. En wanneer hij terugkeert, dan is het geheel van zijn vroegere begeerten nog aanwezig in het kamaloka, dat treft hij daar nog aan. Hij incarneert. Het oude astraal lichaam glipt samen met het nieuwe in zijn lichaam. Dat is het voorgaande karma, de Wachter op de Drempel. De mens heeft dan zijn vroeger karma voortdurend voor zich, dat wordt een bijzonder soort dubbelganger.

Vele pausen uit de beruchte pausentijd, bvb. Alexander VI, hadden in hun volgende incarnatie een dergelijke dubbelganger.

Er zijn mensen - en in deze tijd zijn ze waarlijk niet zeldzaam - die hun vroegere lagere natuur voortdurend naast zich hebben. Dat is een specifieke vorm van waanzin. Dat gaat altijd maar sterker en heftiger worden omdat het leven in het materiele altijd maar uitbreiding neemt. Vele mensen die nu volledig opgaan in het materiele leven, zullen in hun volgende incarnatie de abnormale vorm van de Wachter op de Drempel naast zich hebben. Als nu de spirituele invloed niet sterk toeneemt, dan gaat, als gevolg van de materialistische cultuur, een soort epidemisch zien van de Wachter op de Drempel optreden. Een voorbode is de nervositeit van onze eeuw. Dat is een soort opgaan in de periferie. Alle gestresseerden van nu zullen in hun volgende incarnatie door de Wachter op de Drempel opgejaagd worden. Ze gaan opgejaagd worden naar een te vroege incarnatie, een soort kosmische vroeggeboorte.
Wat wij met antroposofie moeten nastreven is een voldoende lange devachaantijd, om dergelijke vroege incarnaties te vermijden."
[ ... ]


Bernard Lievegoed beschrijft in zijn boek "Mens op de drempel" wel zeven dubbelgangers:

1) onze erfelijke aanleg in gestalte, temperament en karakter;
2) onze opvoeding;
3) onverwerkte resten uit vorige levens;
4) onverloste natuurwezens;
5) geografische krachten;
6) man of vrouw zijn;
7) de wachter op de drempel.

Nummer vijf is wat Rudolf Steiner de ahrimanische dubbelganger noemt, nummer drie komt overeen met de dubbelganger uit ons derde fragment. De luciferische dubbelganger wordt ook onder 5 beschreven.

Wat nummers een, twee, zes en zeven betreft: Lievegoed noemt ze dubbelgangeraspecten, maar wij zouden ze eerder het lager Ik noemen. We zien geen reden om dat dubbelgangers te noemen, Rudolf Steiner heeft dat ook niet gedaan en menskundig gezien zorgt het oneigenlijk gebruik van dit begrip niet voor meer inzicht.

Volgens Lievegoed zijn "de hevigste en pijnlijkste confrontaties in huwelijksleven en werkleven niets anders dan 'dubbelgangergevechten', en "moet er veel puin geruimd worden voor aan beide zijden de geestelijke individualiteit te voorschijn komt".

Volgens ons kan men door abstractie te maken van de dubbelganger die geestelijke individualiteit toch niet zien, tenzij men helderziend is. Men kan wel het onderscheid tussen lager en hoger Ik maken.

Een voorbeeld:
Een echtpaar heeft ruzie na een uitstapje. Laat ons zeggen dat de man zag dat zijn vrouw naar andere mannen keek. Thuis gekomen geeft hij haar een pak rammel (misschien onwaarschijnlijk in onze tijd, maar we stellen het even zwart-wit voor de duidelijkheid). De vrouw is onschuldig, de man is verkeerd.
De vrouw is ook geduldig en begrijpend.
De man kalmeert en komt tot inzicht, hij zegt: "Neem me niet kwalijk liefste, maar de dubbelganger nummer een (temperament) maakt dat ik zo cholerisch ben, en daarom heb ik je afgerost. En dubbelganger nummer twee (opvoeding en cultuur) maakt dat ik het ongepast vind dat jij naar een andere man kijkt."

Ziet de vrouw nu de geestelijke individualiteit van de man, de eeuwige wezenskern, zonder geslacht, zonder een aards denken, voelen en willen ?
Als zij dat zou zien, en als haar geestelijke individualiteit ook zichtbaar is (wat we veronderstelden), dan zou een relatie met een man zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is, volkomen overbodig zijn. Dat geeft Lievegoed ook toe. Ons lijkt het beter om de term 'dubbelganger' enkel te gebruiken in de psychpathologie, en voor het overige te spreken van het lagere Ik, waaronder we verstaan: alle delen van onze persoonlijkheid die niet bewust vanuit ons Ik vorm hebben gekregen. Lager Ik en hoger Ik verhouden zich in het beste geval als 99 tot 1, terwijl men bij het gebruik van de term 'dubbelganger' al vlug de indruk krijgt dat het 50-50 zou zijn. Zo machtig is ons hoger Ik voorlopig niet !

François De Wit


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


.

Een kleuterklas maakt meer lawaai dan een drilboor_

Uit 'Erziehungskunst' van maart 2000, een bericht van Hansjörg Hofrichter:


Gerhard Zicha, professor voor milieutechniek in Landshut, maakte een vergelijkende studie over het lawaai in kleuterklassen (bericht in de Süddeutsche Zeitung van 15 februari 2000).

De gemiddelde geluidsdrempel in stedelijke kleuterklassen lag rond de 89,1 decibel. Dat komt overeen met het geluid van een drilboor op een afstand van zeven meter.

Aangezien een voortdurende blootstelling aan lawaai van meer dan 85 decibel bij volwassenen gehoorbeschadiging veroorzaakt, mag het lawaai in een werkplaats deze drempel niet overschrijden. Bijgevolg zouden kleuterjuffen eigenlijk oorbeschermers moeten dragen. De kinderen zelf worden door de reglementering niet beschermd omdat zij het lawaai veroorzaken !

De professor ging ook meten in Montessori- en Steinerscholen. Dat leverde een interessant resultaat op;

- gewone kleuterklas: 89,1 dB
- Montessori-kleuterklas: 80,1 dB
- Steinerkleuterklas: 76,8 dB

Een vermindering van het geluidsniveau met 10 dB betekent 90 % minder lawaai omdat decibels gemeten worden volgens een exponentiële schaal. Dat maakt dat in een Montessoriklas slechts 13 % en in een Steinerkleuterklas maar 6 % van het lawaai klinkt dat in een gewone kleuterklas te horen is.

Ook het lawaai dat de mens subjectief ervaart is te meten. Dat bedraagt bij Montessori 54 %, bij de Steinerschool 43 % van het lawaai in de stadskleutertuin.

Belangrijk voor een kwaliteitsverbetering is de conclusie van profesor Zicha.

Volgens hem moet het lawaai niet met technische maar met pedagogische middelen bestreden worden. Volgens zijn waarnemingen heerste in de stadskleutertuin een continu geraas, in de alternatieve scholen daarentegen wisselen "rustige, geconcentreerde fasen af met ogenblikken van luidruchtige, lichamelijke beweging, en daarmee verbonden spontane uitbarstingen van vreugde."

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .