|
De Brug 17 van september 1997 ![]() Bedenkingen van een milieu-expert
Dat het "groene bewustzijn" in Duitsland veel wakkerder is dan bij ons zal niemand wel verbazen. Sinds enkele maanden wordt er bvb. op de vluchten van de Lufthansa biologisch voedsel geserveerd. De verlichtingskwestie als aanleiding
De discussie over de verlichting in de klaslokalen zorgde reeds in een reeks Steinerscholen voor zware conflicten. Zowel voor- als tegenstanders van energiespaarlampen komen aandraven met veel cijfermateriaal en detailkennis. Een derde groep kan of wil met dit alles niets aanvangen en tracht naar het einde van al deze discussies. [ ... ] Energiespaartechniek of bescheidenheid ?
Om levensmiddelen te produceren is energie nodig. De planten groeien wel door het zonlicht, maar om een akker in stand te houden en te verzorgen, voor de oogst en voor het bewerken van de voeding is energie nodig. Verder heeft de mens ook nog woning en kleding nodig. Voeding, woning en kleding vormen de zgn. elementaire of primaire behoeften. Deze behoeften moet iedere mens kunnen bevredigen, ongeacht het energieverbruik dat er mee gemoeid is. Vandaag de dag moeten we de mobiliteit ook bij deze basisbehoeften rekenen.
Mijnheer Bescheiden en mijnheer Energiespaarder bouwen elk een huis voor een vierkoppige familie. Beide huizen hebben aanvankelijk hetzelfde energieverbruiksniveau. Maar mijnheer Energiespaarder is bij de Bond van Energiespaarders, dat kunnen we al aan de zelfklever op zijn auto zien. Hij voorziet zijn woning van een zon-warmwatersysteem, zonnecellen voor stroom, en energiespaarlampen. Het energieverbruik van mijnheer Bescheiden komt op 10 eenheden per vierkante meter per jaar. Mijnheer Energiespaarder kon deze waarde drukken tot 8,5 eenheden per vierkante meter. Waarom kon hij door al zijn maatregelen deze waarde niet verder drukken, misschien zelfs halveren ?
![]()
De bewuste energieverbruiker
Als ik het licht doe branden of de thermostaat hoger zet, dan word ik mij het energieverbruik dat daarmee samenhangt -hopelijk- direct bewust. Input, output en energiebalans
Ieder voedingsmiddel geeft ons een bepaalde hoeveelheid energie om te leven. Om deze voedingsmiddelen te produceren is eveneens een bepaalde hoeveelheid energie nodig. Brengt men deze twee samen, dan komt men tot een verhouding tussen ingevoerde energie (input) en geleverde energie (output). We kunnen aannemen dat de output-energie groter is omdat de krachten van de natuur ons helpen. Dat blijkt nu echter alleen voor de biologische landbouw het geval te zijn. In de gewone landbouw heeft men, om 1 eenheid energie te leveren, 5 eenheden input nodig; dus een input-output verhouding van 5:1. In de V.S. is de verhouding nog slechter, daar lag de input-putput verhouding reeds in 1970 rond 8,6:1. Energiegehalte (output): 1
Energie-input bij de productie: 1,2 Voor de bijkomende verwerking wordt dus een veelvoud van de energie aangewend die nodig is voor de productie. Als men echt energiesparend wil zijn, dan moet men levensmiddelen kopen waar weinig verwerking voor nodig is, dus zo natuurlijk mogelijk en zoveel mogelijk uit de regionale productie. De ecobalans is meer dan de energiebalans
Als we onze blik van de energiebalans naar de ecobalans wilen richten, dan moeten we ook de neveneffecten van productie en consumptie beschouwen.
Een ander voorbeeld uit de landbouw: pesticiden worden door de wind meegenomen en bereiken zelfs de arctische zones. Of ze zakken langzaam in de bodem en bereiken daar na 5 tot 20 jaar het grondwater. Pas dan worden ze schadelijk en veroorzaken ze zuiveringskosten. Bij pesticiden worden de negatieve externe effecten dus in de ruimte en in de tijd verschoven. De vervuilers hebben er ook nu weer geen last van.
![]()
Wat is energiesparend, ecologisch, biologisch ?
Energiesparend - ecologisch - biologisch - is dat niet hetzelfde ? Er zijn wel overeenkomsten, maar toch worden deze begrippen dikwijls zonder kennis van zaken dooreen gehaald. Het is zinvol om daar het onderscheid te leren maken. De oude roestbakken zijn ecologischer
Bij Volkswagen werkten 130 milieudeskundigen aan een energiebalans en ze stelden vast: wie met een Golf 15.000 km per jaar rijdt, heeft daarvoor driemaal zoveel energie nodig als voor al zijn andere behoeften samen. Daarbij verbruiken de meeste auto's tegenwoordig meer brandstof dan de Golf. Bij deze balans werd het goederenverkeer (toeleveringsbedrijven), dat de laatste jaren met een veelvoud toenam, niet ingecalculeerd. De ene kool is de andere niet
De levensfuncties van aarde, plant, dier en mens worden niet alleen door materiële dragers als cellen en genen in stand gehouden. De antroposofie bekijkt ook de "levenskrachten" (of "etherische" krachten). De levenskrachten zijn niet materieel en derhalve ook niet meetbaar met gewone wetenschappelijke methodes. We nemen terug een voorbeeld uit de landbouw, want op dit gebied treden deze krachten het meest op de voorgrond. Verantwoord consumeren - een pedagogische opgave ?
Ongeveer 20 jaar geleden werd bekend dat de zanger Bob Dylan een deel van zijn geld geïnvesteerd had in een wapenbedrijf. Een deel van zijn fans wou op slag geen platen meer kopen van hem, omdat ze niet wilden dat hun geld de bewapening zou steunen. Dat was iets eenmaligs. Meestal worden nog vele zaken gekocht en hooggeschat die als een afzonderlijk iets en niet in hun totale samenhang bezien worden - denken we maar aan een grote Duitse autofabrikant die ook in de bewapeningssector actief is. De vraag moet dus luiden: wat bewerkstelligen wij met ons geld in de wereld ? Want met het geld dat wij uitgeven of beleggen steunen wij een bedrijf, dus ook de politiek ervan en uiteindelijk ook het idee en het doel dat erachter steekt. Besluit
Terug naar onze verlichting. Als we de mogelijkheden om energie te sparen met spaarlampen bekijken als een deel van onze totale persoonlijke of maatschappelijke energiebalans, dan zijn deze besparingen zo goed als waardeloos. Vergeleken met de mogelijkheden om te besparen bij mobiliteit, voeding, kleding, waar we bijna direct aan procentgetallen van twee cijfers zitten, blijven we bij de verlichtingskwestie bij de 0,00.... %. En juist daarrond is er al dat engagement. Is dat alles een spiegel van ons maatschappelijk bewustzijn ? Een citaat uit een recent onderzoek:" De vraag naar entertainment en media blijft groeien. De autokopers vragen wagens met prestaties en opties. Verre reizen blijven in de lift. Maar in 1996 gebruikte de Duitse burger slechts 1,7 tandenborstels."
Zoals ik in het begin vermeldde, moest de kwestie van de spaarlampen ook in onze school beslist worden. Zeker toen de nieuwbouw eenmaal af was en in al zijn glans -zonder verlichting- voor ons stond. Maar de elektriekers waren met hun werk sneller klaar dan wij met onze discussies. En zo brandden er in de lokalen spaarlampen, lang voordat er ons in het lerarencollege een licht was opgegaan.
* * * * * * * * * * *
De geldsluierHet volgend artikel sluit goed aan bij het vorige. Het is van Dieter Brüll, de auteur van "De sociale impuls van de antroposofie". Het verscheen in 1978 in "Leven met afhankelijkheden, driegeleding als levenspraktijk".
Wát zijn sluiers eigenlijk ? Wij maken er op vele wijzen gebruik van. Men kan ermee de waarheid versluieren zonder bepaald een leugen te zeggen - een vaardigheid waarin bvb. overheden, directies, en andere bestuurders, die met lastige vragen geconfronteerd worden, uitblinken. Men kan ook, zoals bvb. in de kunst, de sluier gebruiken om het niet-essentiële te verbergen, zodat het wezenlijke beter tot uitdrukking komt. Tenslotte kan men een deel van de werkelijkheid aan het oog onttrekken, omdat de beschouwer er nog niet tegen opgewassen is. Wij zullen een twaalfjarige, die net de eerste beginselen van de meetkunde leert, niet in verwarring brengen door hem te vertellen, dat twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden. Dan is de bedoeling niet om van de waarheid af te leiden, maar juist om de waarheid op den duur te doen begrijpen. Het mythologische beeld daarvoor is de versluierde Isis, welker sluier eerst gelicht zal mogen worden, als wij het bewustzijn van onze onsterfelijkheid hebben verworven. Het dagelijkse beeld van een dusdanige sluier is de mens zelf; onze lichamelijke gestalte versluiert onze persoonlijkheid. Eerst daardoor is sociaal verkeer mogelijk, want een directe herkenning van de ander, een openbaring van zijn werkelijk wezen, zouden wij nog niet aankunnen. Naarmate wij echter door de sluier heendringen, de ander ontdekken, ontwikkelen wij ook de kracht om hem te verdragen.
Verhongeren Geld uitgeven is geen privézaak De eerste geldsluier ligt over de economische werkelijkheid. Hier bevinden wij ons -deels- nog op bekend terrein: wij wéten dat onze koopgewoonten de productie van diensten en goederen beïnvloeden. En toch raken wij hier reeds een vraag die tegenwoordig -gelukkig- steeds vaker wordt gesteld, zij het meestal met een verkeerd accent: is de wijze waarop wij ons geld besteden werkelijk een privé-aangelegenheid, zoals het verbond tussen Romeinse rechtsopvattingen en liberale economie ons vertelt ? Of heeft zij sociale implicaties, waarvoor wij verantwoordelijk zijn ? Het komt mij voor dat wij hier een duidelijk onderscheid moeten aanbrengen. Wat ik met een consumptiemiddel wil doen, is mijn aangelegenheid waar niemand anders iets mee te maken heeft. Of ik een porno lees omdat ik ervan geniet, omdat ik het verschijnen van deze literatuur wenselijk vind, omdat het een onderdeel is van mijn studie of omdat ik als leraar op de hoogte wil blijven van de geestelijke kost van mijn leerlingen - het is een individueel motief, waaruit een individuele beslissing volgt, en als volwassen mens ben ik terecht verontwaardigd als iemand zijn morele wijsvinger laat zien. Als een dokter tegen de gevaren van het roken waarschuwt, is dat zijn volste recht en ik mag hem dankbaar zijn voor zijn informatie. Maar wie mij bestraffend toespreekt, omdat ik het roken toch niet gelaten heb, is niet alleen een ouderwetse zedenmeester, maar kwetst mij in de kern van mijn wezen, dáár namelijk waar ik verantwoordelijk ben voor mijzelf en mijn eigen wilsbesluiten.
Koopgeld
Leengeld Deposito's, rekeningen-courant bij banken zoeken het hoogste rendement; en dat vinden zij meestal niet bij de meest onschuldige producenten. Zelfs door het geld in de kous te stoppen beïnvloedt men, zoals de economische theorie ons kan vertellen, op soortgelijke wijze als bij het beleggen, het economische leven. Wie over vermogen beschikt kan zich daaraan nooit onttrekken.
Uitgaan van product
Schenkgeld Schenkgeld is de basis voor alle geestelijk leven. Priester en uitvinder moeten er gelijkerwijze van leven. Of men, zeg een uitvinder, zijn werk mogelijk wil maken, hangt in onze maatschappijstructuur vrijwel uitsluitend af van de beoordeling van de kans op het rendabel maken van de uitvinding. Maar de maatschappelijke consequenties van een uitvinding kunnen enorm zijn. Daarvoor is de schenker in sterke mate verantwoordelijk. Gezichtspunten bij het schenken zouden dan ook kunnen zijn, niet alleen of de richting waarin gewerkt wordt de instemming van de schenker heeft, maar de persoonlijke integriteit van de begiftigde. Wij weten dat tal van dubieuze vondsten 'bij toeval' zijn gedaan, toen men op zoek naar iets anders was. Wat dan met de vondst gebeurt, zal geheel afhangen van de moraliteit van de uitvinder. Dit betekent, dat wie bewust en verantwoordelijk over schenkgeld wil beschikken, in laatste instantie niet af mag gaan op het product, zoals bij het leengeld, doch op de persoon. Zouden wij zo'n uitvinder in de kost nemen, dan zou dit bijna vanzelf spreken. Door de schijnbaar neutrale geldsluier dreigen de sociaal-economische consequenties van onze schenkingen aan ons bewustzijn te ontsnappen. M.b.t. leengeld kan men het offer brengen van een lager rendement of geringere zekerheid. Men ziet hier langzamerhand een bewustwording ontstaan die zich uit in acties tegen banken die in Zuid-Afrika investeren of in pogingen om zelf 'schone' banken te stichten* . T.o.v. schenkgeld verkeert men in een veel moeilijker positie, omdat de financiering van het geestesleven, vooral van de research, uit overheidsgelden pleegt te geschieden. Dat men ook hiervoor zijn verantwoordelijkheid begint te beseffen, blijkt o.a. uit de Amerikaanse actie om het 'Vietnam-deel' in het belastingbedrag niet te betalen. Ten onzent kan gewezen worden op de weigering om de Kalkar-opcenten te voldoen. Samenvattend kunnen we zeggen dat de eerste geldsluier over de economische realiteit ligt. En dat deze sluier een oproep inhoudt om denkende door te dringen in wat er wezenlijk door ons omgaan met het geld wordt bewerkstelligd, om vervolgens, individueel-verantwoordelijk, te beslissen. Sociale zekerheid, een illusie ? 'Ik wil onafhankelijk zijn, ik wil mijn eigen geld verdienen'. Het is een begrijpelijke wens - maar in stricte zin een illusie. In onze tijd van arbeidsverdeling werkt niemand meer voor zichzelf. Men werkt voor anderen, anderen werken voor ons. In oude dorpsgemeenschappen was men zich van de onderlinge afhankelijkheid heel wel bewust en de 'nabuurhulp' is er een laatste overblijfsel van. Maar het geld wekt de illusie dat wij met ons bezit onafhankelijk zijn geworden, niet meer aangewezen op anderen. Wij hebben ermee, deftig uitgedrukt, aanspraak op een abstract deel van het maatschappelijk product. Daar kunnen wij dan te allen tijde beslag op leggen, van ons recht gebruik maken. Behalve als de anderen weigeren voor ons te werken, dan staan wij daar met onze zak vol centen, zoals menigeen in de oorlogsjaren is overkomen. Captain Boycott is er het historische voorbeeld van: voor al zijn geld vond hij niemand bereid om hem iets te verkopen of iets voor hem te doen. Wij hebben er de term boycotten aan overgehouden. Zolang het om koopgeld gaat, behoeven wij echter niet angstig naar onze portemonnaie te kijken. Heel buitenissige toestanden die even de geldsluier oplichten daargelaten, mogen wij echt wel vertrouwen, dat wij het vandaag verdiende geld vandaag in dagelijks brood kunnen omzetten. Maar hoe staat het met het leengeld ? Met veel trots zegt het echtpaar op middelbare leeftijd: "Wij leggen geld opzij, want wij willen straks niet van de kinderen afhankelijk zijn". Zeker, wij willen verzorgd zijn van de wieg tot het graf, wij willen vooral zekerheid - hele verkiezingscampagnes zijn met die slogan gewonnen - en het geld geeft ons die illusie: wij hebben immers een spaarpotje, een polis, zitten in 't pensioenfonds, hebben wat stukjes in de kluis, wij zijn veilig.
De taart kan slechts eenmaal opgegeten worden
Inflatie-proof Zo gezien is alle streven naar zekerheid een illusie - en daarmee komt de oude betekenis van crediet weer naar voren: afstand doen van consumptie in het vertrouwen, dat men straks ook terwille van mij afstand van consumptie zal willen doen. Als wij door de geldsluier heenprikken, dan kan een nieuw soort zekerheid ontstaan: het vertrouwen, dat bij een volgende generatie zo veel rechtsgevoel aanwezig zal zijn, dat zij ons op onze oude dag, in onze invaliditeit een bestaan zal gunnen. Want geld en op geld gebaseerde rechten substitueren slechts uit angst geboren schijnzekerheden voor wat aan rechtsgevoelens ontwikkeld zou moeten worden. Arm en rijk Wij zullen thans nog een derde sluier moeten lichten, waarmee het geld een zorgvuldig gekoesterde onwetendheid bedekt: de sluier over onszelf, over onze eigen moraliteit. Het totaal van de consumptiegoederen dat de mensheid voortbrengt, wordt wel eens de maatschappelijke koek genoemd. Daar sloten wij bij aan met de opmerking dat je de maatschappelijke taart slechts één keer op kunt eten; dan zal weer een nieuwe gebakken moeten worden. Even duidelijk is echter dat de punt die ik mij uit de koek snijd, niet meer door een ander gegeten kan worden. Concreet gezegd betekent dit, dat deze Aziaat, deze Afrikaan niet zou behoeven te hongeren, indien ik hier niet een koelkast, een auto, een televisietoestel zou kopen. Het is zo'n eenvoudige waarheid, dat legioenen economen en politici werkzaam moeten zijn om ons van het tegendeel te overtuigen, om ons aan te praten dat consumeren juist een sociale daad is, om onze bezwaren weg te wuiven door ons te vertellen dat nu eenmaal in de ontwikkelingslanden de koopkrachtige vraag ontbreekt (waarmee wij weer bij het geld terug zijn), dat wij weer zouden verpauperen, als wij geen markt voor onze ondernemers zouden vormen, waarop wat te verdienen valt - waarmee wij langs een omweg terug zijn bij het uitgangspunt, dat de verdeling niet bepaald wordt op basis van behoefte, maar op basis van geld. En naarmate een opgroeiende generatie doorziet dat deze argumenten niets met economie te maken hebben, treden de politici in het krijt, die de angst iets van het verworvene te moeten missen handig exploiteren, waarbij dan de 'luie nikker' (alsof natuurvolken niet heel wat zwaarder werken dan wij) en het met zweet en inspanning verworven bezit (wiens zweet wijselijk in 't midden latend) de rechtsmantel over de naakte begeerte moet vormen.
Samenhang Hebben wij één keer door de geldsluier heengekeken, dan is ons voorgoed duidelijk geworden, dat wat men ons als een economische kwestie pleegt te presenteren -de noden van de onderontwikkelde gebieden en de achtergebleven groepen- in werkelijkheid helemaal geen economisch vraagstuk is. Het is niet eens in de eerste plaats een rechtsvraagstuk, al kan het als zodanig gesteld worden. Het is primair een wereldbeschouwelijke kwestie. Gaan wij ervan uit dat de mens de laatste loot aan de dierenstamboom is, dan is alles in orde. Want waarom zou de naakte aap niet gelijk andere diersoorten de zwakkere exemplaren laten omkomen of afmaken, de wet van de jungle toepassen, teneinde survival of the fittest te bereiken ? Gaat men daarentegen ervan uit dat de mens zijns broeders hoeder is, dat hij medeverantwoordelijk is voor de gehele mensheid, dan leidt het wegtrekken van de geldsluier tot een schrikbarende confrontatie.
Ordenen van begeerte
Welvarende gemeenschap Een zeer consequente oefening om door de geldsluier heen te zien vindt men in de Camphillbeweging: intern is er een (vrijwel) geldloze samenleving, waardoor elke behoefte opnieuw de, slechts door het individu zelf te beantwoorden, vraag oproept: zal ik in mijn verhouding tot mijn medewerkers en tot de kinderen die ons zijn toevertrouwd, deze behoefte of begeerte bevredigen ? Op deze wijze openbaart zich eenvoudig als fenomeen hetgeen Rudolf Steiner (GA 34) als de Sociale Hoofdwet omschreef: een gemeenschap zal des te welvarender zijn, hoe minder de enkeling het resultaat van zijn werk voor zich opeist en hoe meer zijn behoeften uit de prestaties van anderen worden bevredigd.
Wij hebben thans drie geldsluiers leren kennen:
* * * * * * * * * * *
Paradigma's achter een verziekt arbeidsbestel
In het vorige artikel zagen we hoe het geld een aantal maatschappelijke realiteiten versluiert. Achter het geld schuilt een wezenheid die het best werkzaam kan zijn als de mensen van zijn bestaan niets afweten. Wie dit tijdschrift al langer leest en dus wat meer thuis is in de antroposofie weet dat we het hier hebben over Ahriman, de leugengeest. In de toekomst gaan we steeds meer met hem te maken krijgen. Zijn uiteindelijk doel is om de mensen aan de aarde te ketenen. Daarom probeert hij ieder begrip voor het bovenzinnelijke uit te roeien, hij staat dus ook achter het materialistisch wereldbeeld. Vrije individuen zijn hem een gruwel, het liefst ziet hij de mensheid opgaan in een soort termietenstaat, waar alles perfect functioneert, maar waar voor echte menselijkheid geen plaats is.
Net zoals Ahriman zorgt voor gelijkheid tussen de mensen, ook waar die niet gewenst is (bvb. in het geestesleven), zo zorgde vroeger Lucifer voor vrijheid en verschil tussen de mensen, ook waar die misplaatst is, bvb. in het economisch leven. In onze huidige maatschappij zien we een voortdurende strijd tussen deze twee uitersten.
Het volgend artikel, van A.H. Bos, beschrijft dit. Een uittreksel:
Dit opstel komt tot de conclusie dat ons arbeidsbestel het karakter heeft van een heilige driepoot, dat het krachtig verankerd is in een drietal onderling verweven paradigma's:
- de vanzelfsprekende verknoping van opleidingsniveau en werkniveau,
De vervlechting van opleidingsniveau en werkniveau Het paradigma zegt ook: wie eenmaal het niveau A1 heeft gehaald moet zorgvuldig vermijden om werk beneden zijn niveau te doen en daarmee in aanraking te komen met mensen en werksituaties die eigenlijk beneden zijn stand zijn. Wie academicus is, heeft recht op een bepaald soort werk, resp. het recht minderwaardig werk af te wijzen. De hier beschreven verknoping van niveau van opleiding en soort opleiding enerzijds en niveau van werk en soort werk anderzijds is de achtergrond van de hiërarchische standenstaat waarin wij nog steeds overwegend leven.
Standenstaat en opleidingshiërarchie We moeten daarbij wel bedenken dat reproduceerbare intellectuele kennis het gemakkelijkst examineerbaar is. Alles wat te maken heeft met praktische, kunstzinnige, morele, sociale, en andere vaardigheden valt door de gebruikelijke examenzeef (des te meer wanneer de massificatie van het onderwijs naar de meerkeuze-testmethode doet grijpen). En wanneer iets niet achter blijft op de examenzeef valt het weldra ook buiten de opleiding, zeker wanneer de onderwijsduur onder economische druk komt te staan en er direct toetsbare resultaten geleverd moeten worden. De hele capaciteiten-hiërarchie verschraalt daarmee tot een bouwwerk waarvan de structuur door één principe bepaald wordt: reproduceerbare intellectuele kennis, een zowel voor de ontwikkeling van de individuele mens als voor de samenleving uiterst onwezenlijke kwaliteit. Ambachtelijke en industriële vaardigheden zijn natuurlijk op een bepaalde manier wel degelijk te examineren. En dat gebeurt ook allerwege in zogenaamde lagere beroepsopleidingen. Ze vormen de basis van de opleidingspyramide, het fundament van de standenstaat. Zodra er echter sprake is van zogenaamde hogere en voortgezette opleidingen, ten behoeve van het beklimmen van de pyramide, gaat het vrijwel steeds om opleidingen waarin de examineerbare intellectuele leerstof allesoverheersend is.
Standenstaat en werkhiërarchie En zo gaat het verder: de onderbaas, de 1ste voorwerker, de 2de voorwerker, en dan steeds fijnere trapjes, hoe lager we in de standen-hiërarchie komen: 1ste hoofdmonteur, 2de hoofdmonteur, assistent-hoofdmonteur, monteur, hulpmonteur, 1ste operator, 2de operator, hulp-operator, aankomend hulp-operator, enz. enz. En op de onderste zeef blijft tenslotte drab liggen dat niemand meer wil doen omdat het te min is en wij allen het daarbij behorende opleidingsniveau reeds gepasseerd zijn. Voor dát werk halen we dan een wagonlading Turken, Marokkanen of Spanjaarden en schuiven die als een vierde stand onder onze standenhiërarchie.
Verknoping van de beide hiërarchieën Bepaalde opleidingen geven rechtstreeks toegang tot een bepaald niveau in de organisatie. Wie bvb. een universitaire opleiding heeft gevolgd weet zich verzekerd van een rang op het niveau van het MHP, d.i, de verzamelnaam in sommige organisaties voor Middelbaar en Hoger Personeel ! Dit heeft bvb. tot gevolg dat deze mensen leiding moeten geven aan een wereld die ze niet uit ervaring kennen. Dat leidt vaak tot beslissingen die verraden hoe ver deze leiders van de realiteit verwijderd staan.
Psychologische en maatschappelijke consequenties Psychologisch leidt deze verknoping tot hoogmoed, eerzucht en superioriteitsgevoelens. Het denken in termen van meer- en minderwaardig werk, van werk dat boven- en beneden mijn stand ligt, van werk dat vervulling geeft en werk dat dit niet doet, het denken in zulke termen werkt als een splijtzwam tussen mensen (en als onechte verbroedering tussen 'standgenoten'). Het is maar een kleine stap van het spreken over minderwaardig werk, via het spreken over mensen die minderwaardig werk doen naar het spreken over minderwaardige mensen., Natuurlijk probeert men zelf tot de meerwaardigen te behoren. Daarvoor moet men zich veel inspanning getroosten, want de trapjes van de pyramide zijn niet gemakkelijk te nemen. De maatschappelijke consequentie van de hier beschreven verknoping is functionele verstarring. Functies worden zorgvuldig naar beneden en opzij afgeschermd. Naar beneden opdat niet mensen met minder opleiding in de functie penetreren en daarmee de functie van een stuk status beroven. Afscherming opzij opdat niet uit andere vakgebieden grensoverschrijdingen plaatsvinden, en de functie daarmee iets van zijn specialisme verliest (psychologen die het medisch-pediatrisch gebied betreden). Exclusiviteit betekent immers status (en een gunstige loon-onderhandelingspositie !). Het extreme voorbeeld hiervan zijn de Engelse vakbonden die via hun 'shopstewards' er streng op toezien of een timmerman geen lamp inschroeft (dat is werk voor de electriciën), of een electriciën geen gaatje boort in een metalen plaat (dat is werk voor de plaatwerker), en of de bankwerker geen klampje vastzet (dat moet de timmerman doen.
Het spreekt vanzelf dat de gevallen waarin een professie terecht tegen beunhazerij beschermd wordt hier niet bedoeld zijn, maar wordt dit argument niet al te vaak gebruikt om de eigenlijke motieven - angst voor status en positieverlies- toe te dekken ? Wie ziet hoe een dergelijke dynamiek inherent zou moeten zijn aan een economisch leven dat zich helemaal richt naar de behoeften van de consumenten, kan ook zien hoe verstarrend, ontwikkelingsremmend en daardoor sociale-schokken-veroorzakend de hier beschreven functie-verstarring is. Hiermee is geduid op de maatschappelijke gevolgen van de verknoping van opleidingsniveau en functie-niveau.
De vervlechting van werkniveau en beloningsniveau Prof. Kuiper van de Vrije Universiteit heeft enige tijd geleden de suggestie losgelaten om iedereen, bvb. vanaf 18 jaar recht op een minimum inkomen te geven of hij werkt of niet. Zijn argument was dat nu reeds ca. 1/5 van de beroepsbevolking om een of andere reden niet werkt en toch een inkomen (uitkering) heeft, terwijl ons rechtsgevoel zich daar niet tegen verzet. Welnu, suggereerde Kuiper, waarom die zaak niet veralgemenen ? De storm van verontwaardiging die hij hiermee heeft opgeroepen bewees hoe diep in ons gevoel arbeid en loon verknoopt zijn. 'Alleen wie door de poort van de arbeid schrijdt heeft recht op de inkomens-wei daarachter te grazen', zegt de een, en: 'wie in staat is tot werken en het niet doet is een parasiet, een klaploper', vindt de ander. Een diep verworteld paradigma is de opvatting dat arbeid koopwaar is. Loon is de prijs van de koopwaar arbeid. Hoe schaarser het goed hoe hoger de prijs. Op de arbeidsmarkt wordt de prijs van de arbeid volgens de wetten van vraag en aanbod bepaald. En ook als politieke factoren het economische prijsmechanisme doorbreken is het paradigma niet minder van kracht. Dan staan vakbonden tegenover georganiseerde werkgevers. Proberen de laatsten het rendement van het geïnvesteerde kapitaal op een redelijk peil te houden, zo streven de eersten naar zo voordelig mogelijke condities waaronderarbeid wordt aangeboden. Door de koppeling met het loon wordt de hiërarchie van capaciteit en werk nog aanzienlijk versterkt. Een loonbedrag is exact en kwantitatief. het werk wordt geklassificeerd en de punten van de schaal corresponderen met salarisbedragen. Zo ontstaat een heel systeem van op elkaar aansluitende salarisschalen. Dat geeft de hiërarchische standenstaat een veilige verankering in de emotioneel geladen inkomenssfeer. Ook bedrijfseconomisch is het paradigma achterhaalbaar: loonkosten verschijnen als onkosten in de bedrijscalculatie. Wanneer bepaalde producten gemaakt of bepaalde diensten geleverd moeten worden, wordt geschat of berekend hoeveel materiaal daarvoor nodig is, hoeveel machine-uren, hoeveel energie enz. en tenslotte ook hoeveel boekhouders-uren, bankwerkers-uren, toezichthouders-uren. De prijs van de uren is bekend, soms kan er nog over onderhandeld worden. Zo komt de onkostenpost 'loon' tot stand. Daar worden de sociale 'lasten' (sic!) nog bijgeteld. De ondernemer kan nu gaan rekenen of het goedkoper is het werk uit te besteden of te mechaniseren i.p.v. er dure arbeidskrachten voor aan te nemen. Doordat arbeidsonkosten en machineonkosten als vergelijkbaar in de boekhouding verschijnen, doordat machinekracht (evt. machine-intelligentie) en arbeidskracht (resp. mensen-inelligentie) als uitwisselbaar beschouwd worden, heeft de mechanisatie gemakkelijk spel. Bedrijfseconomisch is er geen speld tussen te krijgen, dat het voordelig, ja noodzakelijk is, bepaalde arbeid door machines te vervangen.
Maatschappelijke, organisatorische en psychologische consequenties In het bovenstaande is gewezen op de maatschappelijke consequentie van de verknoping 'werk-loon'. We willen nu nog wijzen op meer intern-organisatorische en psychologische consequenties. Wanneer mensen arbeid verrichten in het kader van functies die in geld worden uitgedrukt ("This is a S 20.000 job') is te verwachten dat zij zich steeds meer loongericht in plaats van werk-gericht zullen opstellen. Dit is inderdaad een algemeen verbreid verschijnsel. Er is bij veel werknemers een opvallende onverschilligheid t.a.v. de consument waarvoor men werkt en het product dat men maakt. Dit leidt tot voor een levende beweeglijke organisatie uiterst verstorende verschijnselen. O.a. is er het 'opblazen' (belangrijk maken) van functies door het inlijven (feitelijk of alleen maar op papier) van allerlei activiteiten die de functie in waarde (en dus in prijs) doen toenemen. In taakomschrijvingen verschijnen dan kreten als 'coördinatie van werkzaamheden met afdeling x en y, overleg over prioriteiten met stafgroep z' enz. Dat verhoogt de 'communicatieve zwaarte' van de functie en dat kan via de puntenclassificatie en de loonschalen net enkele duizenden franken per maand schelen. Natuurlijk zijn er door het bedrijf aangestelde professionele functieclassificeerders die zulke zeepbellen weer doorprikken (en door de vakbond aangestelde controle-classificeerders die ze weer volblazen!) Maar het 'spel' is vaak onaangenaam en leidt tot harde uiteenzettingen in bedrijfscommissies en ondernemingsraden. Het complement van dit verschijnsel is de chef die aan een medewerker vraagt of hij een leerling wil coachen, of hij bepaalde controlewerkzaamheden zelf wil verrichten, of hij een dag in de week in de buitendienst wil meelopen enz. enz. en die van deze medewerker te horen krijgt dat hij daarvoor niet aangenomen is. In zijn arbeidscontract is van dergelijke werkzaamheden geen sprake. Of hij zegt dat deze functieverandering in feite een functieverzwaring betekent en dat derhalve eerst herclassificatie nodig is. Een extreme vorm van dit verschijnsel, waarbij het geld tussen de baas en zijn mensen staat en een soepele samenwerking onmogelijk maakt, is het stukwerk-systeem. De prestatie wordt gemeten en er wordt een norm gesteld. Zoveel stuks per uur levert het basisloon op. Elke tien stuks extra betekent zoveel frank premie. In feite heeft de arbeider hiermee een vrijheidsruimte gekregen waarmee hij zich volledig kan afschermen tegen de leiding. Ik heb regelmatig meegemaakt hoe extra werkzaamheden, methodeveranderingen, wijzigingen in de productie-volgorde e.d. op de grootste weerstanden stuitten, omdat ze voor de arbeider een inkomensderving betekenden. Ook maakte ik mee hoe een groep abeiders om 3 uur het werk beëindigde. De baas sprak zijn verontwaardiging uit, want er was nog een grote achterstand in de productie. De arbeiders zeiden: 'wij hebben voor vandaag genoeg verdiend. Dat wij nu niet werken betekent voor ons een zelf gekozen inkomensderving. Dat is ons probleem en niet het jouwe'. Zo wordt de werkmotivatie steeds meer loongericht en schuift de geldcomponent steeds meer tussen de mensen die het werk verrichten. De 'Equal-pay'-filosofie versterkt deze tendens nog. Deze filosofie betoogt dat het volstrekt onbelangrijk is, wie met welke opleiding onder welke omstandigheden het werk verricht. De functie wordt betaald. Of een man of een vrouw, een jeugdige of een oudere, een leerling of een geroutineerde er instapt is niet relevant ... Ten slotte nog een laatste consequentie van de 'werk-loon-knoop' die we hier bespreken. Door de directe koppeling van een functie aan een loonbrdrag is het vanzelfsprekend dat iemand die een functie van 1 miljoen bemant meer waard is, dus hoger staat in de hiërarchie dan iemand die maar een half miljoen verdient. De bedrijfshiërarchie is in feite een salarishiërarchie. Hoe hoger, hoe machtiger, hoe meer inkomen. Deze hiërarchie wordt nog extra doortimmerd met rangen en titels. Hoewel in alle bedrijven een dagelijkse strijd wordt gevoerd tegen titel-inflatie en rang-erosie, wordt het middel nog steeds gebruikt om het oeroude beeld van de pyramide overeind te houden. Wat betekent dit voor de arbeidende mens ?
Achtergrond van het 'harlekijn-model' Rudolf Steiner heeft erover gesproken dat een dergelijk verziekt arbeidsbestel zo lang zal blijven bestaan als men het onderscheid maakt tussen sensibele en motorische zenuwen. In de klassieke neurologie wordt onderscheid gemaakt tussen zgn. sensibele zenuwen die de zintuig-indrukken naar de hersenen leiden en zgn. motorische zenuwen die de opdrachten van de hersenen naar de spieren zouden sturen. Een soort harlekijn-model waarbij de ledematen-spieren via zenuw-touwtjes door het hoofd gedirigeerd worden. Steiner heeft beschreven (en de 'officiële neurologie begint na meer dan een halve eeuw schoorvoetend te volgen) dat de zgn. motorische zenuwen in feite ook sensibel zijn. Het enige verschil met de sensibele zenuwen is, dat zij niet de buitenwereld via oog, oor, neus, smaak enz. waarnemen, maar de eigen binnenwereld, met name de beweging van de ledematen, de spanning van de spieren, de stofwisselingsprocessen die daarmee samenhangen, het lichaamsevenwicht e.d. In feite komt het bewegingsorganisme van de mens tot activiteit als resultaat van een directe wisselwerking tussen het menselijk Ik en de omgeving. Via de motorische zenuwen wordt deze beweging waargenomen en tot bewustzijn gebracht. Het harlekijnmodel leeft nog zo sterk in de voorstellingswereld van de mensen (als gepopulariseerde medische natuurwetenschap) dat het onbewust ook aan onze organisaties ten grondslag wordt gelegd. En de verknoping van loon en werk kan deze onrealistische voorstelling m.b.t. het functioneren van sociale organismen alleen maar continueren, ja tot een soort schijn-realiteit maken ... Het gaat er dan inderdaad naar uitzien dat de hoger betaalden aan de ledematentouwtjes van de lager-betaalden trekken. En wie hanteert de touwtjes van de hoogst betaalden ?
De vervlechting van loonniveau en opleidingsniveau Een academicus verwacht, ook al komt hij meestal met twee linkerhanden zijn eerste baan binnen, op een bepaald niveau 'ingeschaald' te worden. 'Je verkoopt je opleidingsniveau'. Wie met veel moeite zich van het A2-niveau naar het A1-niveau heft opgewerkt, komt met een hoogwaardiger product op de arbeidsmarkt en verwacht een hogere prijs. Dit is de achtergrond van het feit dat veel opleidingen vercommercialiseren, doordat het studie-motief minder te maken heeft met interesse voor het vak maar met met de rendabiliteit van de investering: wat kost zo'n opleiding, welke offers moet ik brengen en welke inkomens-eisen staan er later tegenover, welke opbrengsten kan ik straks verwachten ? [ ... ] Op en wat andere wijze komt deze verknoping tot uitdrukking in de automatische inkomensverhoging met het toenemen van de anciënniteit. Daarachter ligt de filosofie dat iemands capaciteiten toenemen -dat hij meer waard wordt voor de organisatie- naarmate hij langer in het bedrijf is. De schalen geven precies aan hoeveel die waarde-toename is voor elk jaar dat men ouder wordt. Pikante bijzonderheid is dat de hiërarchische standenstaat ook hier om de hoek kijkt. Hoe hoger het inkomen, hoe langer de schaal doorloopt. Een bankwerker is met 23 jaar al aan z'n plafond, een research-ingenieur kan tot zijn vijfstige nog 'periodieken' claimen. En zo worden jaarlijks honderdduizenden beloond, omdat zij ook dit jaar niet het initiatief hebben genomen van baan te wisselen, en ondanks het feit dat zij ook dit jaar nauwelijks van hun ervaringen geleerd hebben ... Wegens plaatsgebrek moeten we het tweede deel van dit artikel (ong. 14 blz.) weglaten. We gaan direct naar het laatste deel,
Samenvatting en slot Daarmee wordt leren voor veel mensen tot iets dat net zo vervelend is als werken. Is er een uitweg ? Ja, zeggen de meesten: door het loon dat je krijgt kun je in je vrije tijd aan je eigenlijke leven beginnen. Hoe korter werken en hoe meer loon, hoe meer in de vrije tijd het ware leven kan geleefd worden. Maar in hun vrije tijd en in hun wooncultuur worden diezelfde mensen object van vrijetijdsindustrie, van geïndustialiseerde tour-operators en van technocratische nieuwbouw-projectontwikkelaars. Wat zij aan de ene kant proberen te ontvluchten, komt hen van de andere kant tegemoet. Om de drie sferen van leren, leven en werken weer gezond te maken moeten we dieper graven naar de oorzaak. Daarvoor hebben we in dit artikel onderzocht hoe de componenten van ons arbeidsbestel zich tot elkaar verhouden: capaciteit (leren), functie (werk), en loon (leven). We hebben gezien dat deze alle drie hiërarchisch geordend en heilloos verknoopt zijn. De vervlechting leidt tenslotte tot een ontkenning van de mens als geestelijk zich ontwikkelend wezen, en bereidt de weg voor naar een centralistische eenheidsstaat. Een gezondmaken van ons arbeidsbestel vraagt om een radicae ontvlechting van capaciteit, loon en werk. Deze ontvlechting is één van de wegen waarlangs het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven de relatieve autonomie kunnen verkrijgen die nodig zijn voor een gezond maken van het maatschappelijk bestel in zijn geheel. In het laatste deel van deze bijdrage werd getracht om een veelheid van wegen te tonen waarlangs met deze ontvlechting kon begonnen worden. Het is een taaie materie omdat ze zowel wettelijk als psychologisch sterk verankerd is. Toch krijgt men de indruk dat het arbeidsbestel zodanig aan het vastlopen is, dat er openingen komen voor wezenlijke vernieuwingen. Het is van belang dat we dan weten in welke richting deze vernieuwing kan gaan.
* * * * * * * * * * *
Rudolf Steiner in Nederland
De oprichting van de Nederlandse antroposofische vereniging was gepland voor november 1923, Dr. Zeylmans van Emmichoven zou er de voorzitter van worden. Ook in die periode kwam Rudolf Steiner naar Nederland; hij was toen 62 jaar. Willem Zeylmans vertelt:
Plotseling begreep ik wat hij bedoelde. Ik had hem zien binnenkomen, onze blikken hadden elkaar ontmoet, ik had gezien hoe hij was en hij zag dat ik dat gezien had; en nu vroeg ik of hij een goede reis had gehad. Net alsof hij wilde zeggen: wordt wakker, wees toch niet burgerlijk ! - Nog steeds stonden we onbeweeglijk stil in de stroom voetgangers. "Ik bedoel alleen maar of er geen uiterlijke ongeregeldheden zijn geweest", zei ik tot slot. " O, dat bedoelt u ! Ja, dán heb ik een goede reis gehad".
Hij bracht een bezoek aan het schooltje; het waren slechts een paar kamers in een privé-woning met heel weinig kinderen in drie klassen. Maar hij behandelde de oprichting met de ernst en zorgvuldigheid als betrof het een grote school. Hij bekeek de kinderen, gaf overal afzonderlijk advies voor, vaak ook op medisch gebied. Mij, als schoolarts, verrasten deze medische opmerkingen vaak. Er was een klein mager jongetje met een bleek gezichtje, een echt volkskind. "Hij is tot in zijn organen bang", zei Steiner," hij moet met heileuritmie een "I" maken, terwijl hij over een staaf springt ... en dan natuurlijk prunus spinoza ... " ![]()
Ik had nog nooit van prunus spinoza gehoord, want bij ons op de universiteit werd nauwelijks nog iets aan plantkunde gedaan, en nu voelde ik mij een domoor; alles was nieuw en verrassend. ![]() Zo ging dat drie ochtenden door met de twee leraren: Mr. Van Bemmelen, Mw. Mulder en de euritmie-lerares Jw. Hoorweg. De kliniek was eveneens slechts een privé-woning; daarin werkte ik met een verpleegster. Eerst hadden we maar één enkele patiënte, die zich echter beschouwde als een pensiongast. En weer deed Rudolf Steiner alsof er een groot ziekenhuis was geopend. Voor twee medische voordrachten die hij zou houden, had ik zo'n 35 artsen en medicijnen-studenten bijeengebracht; de voordrachten werden verbazend goed opgepakt, hoewel de meesten voor het eerst iets over antroposofie hoorden. Na de tweede voordracht nam een wat ouder arts het woord. Hij vertelde dat het geheel een grote indruk op hem had gemaakt, het kwam op hem over als een samenhangend systeem, waarin weliswaar nog gaten zaten, maar hij begreep dat door verdere voordrachten deze gaten zouden worden gedicht. "Ook mijn natuurwetenschappelijke visie is een gesloten systeem", zei hij, "ook met gaten, en ook die kunnen verdwijnen. Waar moet ik voor kiezen ?" De arts die dit vroeg zat helemaal achteraan. Steiner liep langzaam naar hem toe, ging bij hem staan en zei: "U heeft helemaal gelijk. Feitelijk kun je niet verder komen. Maar het hart moet beslissen". Deze arts belde me de volgende dag op en vertelde dat, hoewel hij niet helemaal overtuigd was, hij toch de antroposofische geneeskunde een eerlijke kans wilde geven en hij vroeg mij hem vanwege zijn angina pectoris te behandelen." [ ... ]
[ ... ] "Mijn moeder had in Nederlands-Indië les gekregen van een leraar in esoterische kennis. Toen ze hem had verteld dat ze in Nederland ging wonen, had hij haar gezegd dat ze niet mocht verzuimen in Europa een zekere Rudolf Steiner te ontmoeten; en dat dát de grote leraar van het Westen was ! Ook had hij gezegd dat ze elkaar goed kenden, maar elkaar nog nooit persoonlijk hadden ontmoet ! Toen Steiner kort na W.O. I weer in Nederland kwam, is mijn moeder naar hem toe gegaan met de vraag of ze zijn leerling kon worden en lid kon worden van de vereniging. Na zijn bevestigend antwoord vertelde ze het aan haar tweede man, de arts dus, en ze vroeg hem zijn oordeel. Deze man, die ik steeds meer ben gaan waarderen om zijn absolute eerlijkheid en hoogstaande moraal, was een mens die geen drie woorden gebruikte als twee voldoende waren, Zijn 'ja' was ja, zijn 'nee' was nee, was tastbaar, was werkelijk, de rest fantasie. Zijn antwoord was dus typerend: "Waarom niet ? Een dame voelt zich altijd aangetrokken tot iets nieuws, vooral als er dan nog geestelijke aspecten aan te pas komen. Voor mij als man van de wetenschap is het natuurlijk onzin." Daar moest zij het mee doen. Ze is lid geworden, maar heeft er nooit met haar zoons over gesproken. Dr. Zeylmans van Emmichoven, die voor de opening van zijn kliniek dat groepje van 12 of 14 bekende artsen had uitgenodigd, had nu ook mijn tweede vader een uitnodiging gestuurd en ... tot onze grote verbazing had hij -om gezondheidsredenen had hij geen praktijk meer- de uitnodiging aanvaard. Begrijpelijk is dus de spanning waarmee mijn moeder en ik de afloop van die drie zittingen tegemoet zagen. De eerste zitting was voorbij. We zagen hem aankomen. Zijn gezicht stond op 'onweer'. Zelf zei hij niets. En dan was het verstandiger om maar niet al te veel te vragen, want dan konden er heel onplezierige uitbarstingen volgen. Na de tweede zitting hetzelfde. De volgende morgen na de lange, laatste zitting kwam er alleen maar als een soort uitbarsting over zijn lippen: "Die man is een medische encyclopedie". Meer niet.
Gelukkig heb ik niet zo lang na deze bijeenkomsten een kort verslag uit de mond van Zeylmans zelf gehoord. Volgens hem had mijn tweede vader juist wel de belangrijkste vraag van de hele bijeenkomst gesteld. [ ... ] En Steiners antwoord was voor mij al even verrassend als de vraag: "Ja, u heeft gelijk. U staat in een zekere totaliteit. Ik moet in een andere staan", en dan de simpele woorden: "Das Herz entscheidet" (het hart beslist). Niets meer. Mijn conclusies daarover zijn: 1. Steiner had zoveel respect voor andermans mening dat hij nooit probeerde iemand over te halen.
2. Al heel jong had hij de filosofie van Kant grondig bestudeerd. In de zgn. 'Antinomieën-Tafeln' schrijft Kant een these op en bewijst logisch dat die these waar is.
* * * * * * * * * * *
|