De Brug 17 van september 1997

Bedenkingen van een milieu-expert

Dat het "groene bewustzijn" in Duitsland veel wakkerder is dan bij ons zal niemand wel verbazen. Sinds enkele maanden wordt er bvb. op de vluchten van de Lufthansa biologisch voedsel geserveerd.
In het tijdschrift "Erziehungskunst" stond vorig jaar ( 1996)een artikel over -en pro- spaarlampen. Dat werd gevolgd door een artikel tégen spaarlampen. In vele Waldorfscholen werden verhitte discussies gevoerd over welke verlichting het meest verantwoord was vanuit ecologisch / biologisch / milieuvriendelijk standpunt.
In het mei-nummer van dit jaar liet de redactie van "Erziehungskunst" Werner Neudorfer aan het woord. Hij werd eerst als volgt voorgesteld:
"Werner Neudorfer is in Beieren bekend om zijn milieu-pedagogische projecten met Steinerschoolklassen (inrichten en onderhouden van biotopen). Deze projecten werden reeds meermaals onderscheiden. In de volgende bijdrage houdt de auteur op een humoristisch-kritische manier de schijnbaar milieubewuste, maar toch kortzichtige consument een spiegel voor, en toont hoe ineffectief vele energiespaar-maatregelen zijn, als ze niet in een globale context bekeken worden."

De verlichtingskwestie als aanleiding

De discussie over de verlichting in de klaslokalen zorgde reeds in een reeks Steinerscholen voor zware conflicten. Zowel voor- als tegenstanders van energiespaarlampen komen aandraven met veel cijfermateriaal en detailkennis. Een derde groep kan of wil met dit alles niets aanvangen en tracht naar het einde van al deze discussies. [ ... ]
Als milieu-expert in onze school werd ik door ieder van deze drie partijen gevraagd om hen bij te staan. Omdat ik niemand wilde teleurstellen, wou ik iedereen helpen. Daarbij wist ik nog niet eens welke lampen er onder de lichtkappen van mijn eigen klaslokaal zaten.
Ik friste terug eens op wat ik vroeger geleerd had: toen ik economie studeerde, had ik goederen en diensten vanuit ecologisch standpunt bekeken (productanalyses, ecobalansen). En ik ben een geestelijke leerling van Herbert Grühl ("Een planeet wordt geplunderd"), die de mensen wilde sensibiliseren voor een globale ecologische verantwoording. Dat wil ik ook bereiken met deze bijdrage. [ ... ]

Energiespaartechniek of bescheidenheid ?

Om levensmiddelen te produceren is energie nodig. De planten groeien wel door het zonlicht, maar om een akker in stand te houden en te verzorgen, voor de oogst en voor het bewerken van de voeding is energie nodig. Verder heeft de mens ook nog woning en kleding nodig. Voeding, woning en kleding vormen de zgn. elementaire of primaire behoeften. Deze behoeften moet iedere mens kunnen bevredigen, ongeacht het energieverbruik dat er mee gemoeid is. Vandaag de dag moeten we de mobiliteit ook bij deze basisbehoeften rekenen.
Behalve deze basisbehoeften zijn er de luxebehoeften. Het is niet echt noodzakelijk dat die bevredigd worden. Een juwelenverzameling of een korte trip in het Caraïbisch gebied zouden we luxe kunnen noemen. Ook kaviaar, champagne en genotsmiddelen als tabak, alcohol en gebak zijn luxegoederen, hoewel eten en drinken basisbehoeften zijn. Een grote pronklimousine is ook luxe. Door af te zien van luxe kan er het meest energie bespaard worden, want het zijn de luxegoederen die zorgen voor het grootste energieverbruik.
Maar ook onze basisbehoeften zijn waard om eens nader bekeken te worden:

Mijnheer Bescheiden en mijnheer Energiespaarder bouwen elk een huis voor een vierkoppige familie. Beide huizen hebben aanvankelijk hetzelfde energieverbruiksniveau. Maar mijnheer Energiespaarder is bij de Bond van Energiespaarders, dat kunnen we al aan de zelfklever op zijn auto zien. Hij voorziet zijn woning van een zon-warmwatersysteem, zonnecellen voor stroom, en energiespaarlampen. Het energieverbruik van mijnheer Bescheiden komt op 10 eenheden per vierkante meter per jaar. Mijnheer Energiespaarder kon deze waarde drukken tot 8,5 eenheden per vierkante meter. Waarom kon hij door al zijn maatregelen deze waarde niet verder drukken, misschien zelfs halveren ?
Als we het energieverbruik in een woning bekijken, dan zien we dat er slechts 5 à 10 percent naar warm water gaat, en slechts 5 % naar licht. Het leeuwenaandeel van het energieverbruik -en dat is zo'n 75 %- gaat naar de verwarming, en dit deel berekent men volgens het verbruik per vierkante meter.
Mijnheer Bescheiden heeft voor zijn familie een huis met 100 m2 bewoonbare oppervlakte gebouwd. Mijnheer Energiespaarder daarentegen koos voor meer ruimte en bouwde een huis van 200 m2. Dat betekent: mijnheer Bescheiden heeft 1000 eenheden energie nodig voor de totale woonoppervlakte, terwijl mijnheer Energiespaarder, ondanks alle spaartechniek, 1700 eenheden verbruikt, dus bijna het dubbele. Conclusie: ondanks alle moderne spaartechniek hangt het energieverbruik in eerste instantie af van hóe we willen leven, van onze verlangens.



Wat de toekomst van beide families betreft: over 10 jaar zullen de kinderen het huis uit zijn. Mijnheer Bescheiden heeft daaraan gedacht en zijn huis zo ingericht dat hij het later kan onderverdelen in een woning van 60 m2 en een studio van 40 m2. Mijnheer Energiespaarder wilde, zoals gezegd, meer ruimte, en heeft dat niet aldus gepland. Samen met zijn vrouw zal hij later dus ook 1700 energie-eenheden verbruiken, dus 850 per persoon. Mr. en Mw. Bescheiden zullen slechts 600 eenheden verbruiken, dus 300 per persoon. Mijnheer Energiespaarder heeft dus bijna driemaal zoveel nodig als mijnheer Bescheiden. Ergo: niet de vierkante meter verbruikt de energie, maar de mens die de oppervlakte voor zichzelf verlangt en inneemt. Ondanks alle techniek kunnen we met bescheidenheid het meest sparen. Bescheidenheid dwingt ons niet eens om het met minder kwaliteit te doen, maar wel om bewust te zijn en op lange termijn te denken.

De bewuste energieverbruiker

Als ik het licht doe branden of de thermostaat hoger zet, dan word ik mij het energieverbruik dat daarmee samenhangt -hopelijk- direct bewust.
Als ik iets koop, dan ben ik mij in de regel niet zo vlug bewust van de energie die nodig was om dat product te maken en te transporteren. We spreken hier van het verborgen energieverbruik. Als ik bvb. een chocoladereep met een voedingswaarde van 100 kilocal. opeet, zijn er reeds voor de fabricatie en het transport enkele duizenden kilocal. verbruikt; na mijn aankoop wordt zo een andere reep gemaakt, en terug worden daarvoor duizenden kilocal. ingezet. De globale energiebalans wordt daardoor sterk belast. Als ik energie zou willen sparen, dan zou ik de reep kunnen laten liggen.
Ook voor voedingsmiddelen die tot de basisbehoeften behoren, wordt energie verbruikt. Maar ook hier bestaan grote verschillen. Een voorbeeld:
De plant heeft voedingsstoffen (o.a. fosfor, kalium en stikstof) nodig. In de biologische landbouw bezorgt men die door organische bemesting van de boerderij zelf (mest, compost) en door stimulering van de bodemactiviteit. In de gewone landbouw gebeurt dat door aankoop en verwerking van kunstmest. Dat laatste kan eenvoudiger en goedkoper. Bekijken we het energieverbruik van beide bemestingstechnieken ! Kalium en fosfor wordt op verschillende plaatsen ter wereld gewonnen en naar ons getransporteerd. Transport en distributie brengen een groot energieverbruik teweeg. Stikstof wordt door een chemisch proces verkregen (Haber-Bosch procedé). Om 1 ton stikstof te produceren zijn 5 tonnen steenkool nodig.
Dat betekent dat de producten uit de gewone landbouw bemest zijn ten koste van veel energie, terwijl de bio-boer voor zijn bemesting nauwelijks energie verbruikt, maar wel meer werk heeft. Bijgevolg bepaalt de consument door zijn aankoop of er in de landbouw geproduceerd wordt op een energieverspillende of op een energiesparende manier.

Input, output en energiebalans

Ieder voedingsmiddel geeft ons een bepaalde hoeveelheid energie om te leven. Om deze voedingsmiddelen te produceren is eveneens een bepaalde hoeveelheid energie nodig. Brengt men deze twee samen, dan komt men tot een verhouding tussen ingevoerde energie (input) en geleverde energie (output). We kunnen aannemen dat de output-energie groter is omdat de krachten van de natuur ons helpen. Dat blijkt nu echter alleen voor de biologische landbouw het geval te zijn. In de gewone landbouw heeft men, om 1 eenheid energie te leveren, 5 eenheden input nodig; dus een input-output verhouding van 5:1. In de V.S. is de verhouding nog slechter, daar lag de input-putput verhouding reeds in 1970 rond 8,6:1.
We stellen ook grote verschillen vast volgens de sectoren. De biologische aardappel- en graanteelt kan met 1 input-eenheid 5 output eenheden bereiken. Bij extensieve melkveehouderij is de verhouding 1:1, bij intensieve melkveehouderij is de verhouding reeds 10:1, d.w.z. dat er tienmaal zoveel energie verbruikt wordt.
Bij producten of grondstoffen die uit de rest van de wereld komen (bvb. krachtvoer voor de vleesproductie) verslechtert de verhouding zeer snel. Bij intensieve mestveekweek, met krachtvoer, hebben we een input-output verhouding van 35:1. Dat betekent dat voor een steak van 200 Kilocal. niet minder dan 7000 Kilocal. energie verbruikt worden. Voor biologisch graan daarentegen zijn er minder dan 100 kilocal. nodig om 200 kilocal. output te hebben. Het blijkt dat plantaardige voeding een gering, en dierlijke voeding een groot energieverbruik veroorzaakt. Dit zijn beslissingen die we dagelijks nemen bij het consumeren van voedingsmiddelen.
Maar daarmee liggen de voedingsmiddelen nog niet op onze tafel. Tot nu toe bekeken we slechts de energiebalans van de productie. Maar er wordt ook nog verwerkt, verpakt, en naar de verbruiker gevoerd, en de energie die daarvoor nodig is, is dikwijls nog veel hoger dan voor de productie. Nemen we als voorbeeld een blik maïs:

Energiegehalte (output): 1

Energie-input bij de productie: 1,2
Verwerking en conservenproductie: 4,4
Transport: 2
Distributie en detailverkoop: 2,8

Voor de bijkomende verwerking wordt dus een veelvoud van de energie aangewend die nodig is voor de productie. Als men echt energiesparend wil zijn, dan moet men levensmiddelen kopen waar weinig verwerking voor nodig is, dus zo natuurlijk mogelijk en zoveel mogelijk uit de regionale productie.

De ecobalans is meer dan de energiebalans

Als we onze blik van de energiebalans naar de ecobalans wilen richten, dan moeten we ook de neveneffecten van productie en consumptie beschouwen.
Bij het bemesten met kunstmest bvb. wordt een deel uitgespoeld en komt dan in het grondwater terecht. Dit effect is voor de plantproductie noch noodzakelijk, noch voorzien. Maar wel onvermijdelijk. In de economie spreekt men dan van een "extern effect". In ons geval, de verontreiniging van het grondwater door stikstof, wordt dat dan een negatief extern effect. Als dat grondwater achteraf gebruikt wordt als drinkwater, dan komen daar zuiveringskosten bij, de zgn. externe kosten. Die kosten komen niet op de rekening van de producent van het stikstof, noch op die van degene die de stikstof gebruikt. Het zijn niet de eigenlijke vervuilers die de schade betalen, maar wel de waterverbruiker; die heeft de schade én de kosten. Baat hebben alleen de kunstmestfabrikant en de boer. De kosten voor de zuivering -die we sociale kosten kunnen noemen- bedragen ongeveer 1 DM per m3, dat komt op 2000 DM per hectare per jaar (zo'n 42.000 BEF).

Een ander voorbeeld uit de landbouw: pesticiden worden door de wind meegenomen en bereiken zelfs de arctische zones. Of ze zakken langzaam in de bodem en bereiken daar na 5 tot 20 jaar het grondwater. Pas dan worden ze schadelijk en veroorzaken ze zuiveringskosten. Bij pesticiden worden de negatieve externe effecten dus in de ruimte en in de tijd verschoven. De vervuilers hebben er ook nu weer geen last van.
Om geen misverstanden in 't leven te roepen: het gaat er niet om de boer te veroordelen. Hij moet zijn bedrijf in stand houden en is tegenwoordig geen vrije boer meer. Hij is gebonden door politieke richtlijnen en door de marktvraag. Hij kan zich niet permitteren on een risico te lopen of het is gedaan met zijn erf.
Slechts als de maatschappij haar uitgangspunten verandert en de consument biologische levensmiddelen koopt, kan de boer omschakelen. Het hangt dus van ons consumenten af. Daar gaat het om. Hier moet bewustzijn groeien voor de samenhang en voor onze verantwoordelijkheid.
Negatieve externe effecten ontstaan bij iedere technisch-industriële productie, alleen zijn ze daar niet zo direct zichtbaar als bij de landbouw.
Ieder van ons veroorzaakt gelijkaardige externe effecten doordat hij meedoet met een afvaleconomie. Enkel het organisch afval, dat na correcte compostering weer in de natuurlijke kringloop terecht komt, vormt hier een uitzondering. Maar reeds recyclage brengt grote investeringen en groot energieverbruik mee. Bij het storten wordt het extern effect verschoven naar een later tijdstip. Bij verbranding worden de schadelijke stoffen in een homeopathische verdunning met de rook over gans het land verdeeld. Ook wie verantwoord leeft en afval vermijdt, wordt erdoor getroffen. Het risico voor de gezondheid is voor de volgende generatie.
Wat ook gebeurt, is dat speciaal of giftig afval naar ontwikkelingslanden wordt geëxporteerd. Eens te meer worden de negatieve externe effecten verschoven in de tijd en in de ruimte, en heeft de eigenlijke vervuiler er geen last van.
Hoe zouden we met externe kosten billijker kunnen omgaan ? Hoe zouden we ze kunnen vermijden ? Laat ons het pesticide als voorbeeld nemen.
Een eenheid kost 100 DM. De opbrengst gaat naar de producent en de boer. Het pesticide vervuilt het water. De zuiveringskosten bedragen 500 DM voor een eenheid pesticide. Deze kosten betaalt de watergebruiker, niet de vervuiler. Het is nauwelijks te bewijzen van wie of van waar het pesticide in de bodem komt.
De eenvoudigste oplossing zou zijn om de externe kosten direct bij de verkoopprijs te rekenen. Het pesticide zou dan 100 + 500 = 600 DM kosten. Uit prijsoverwegingen zou de boer dan een biologisch middel gaan gebruiken dat geen neveneffecten veroorzaakt. Aldus zou de prijs regulerend werken en de ecologische schade verminderen. Dit zou overeenkomen met een vorm van ecotaks, die evenwel door politici niet overwogen wordt ter wille van de industrie.
Als alle externe kosten in de prijs zouden meegerekend worden, dan zouden vele producten uit ons dagelijks leven duur moeten betaald worden. Batterijen, drankblikken enz. zouden een veelvoud kosten. Ook voor brandstof zouden we minstens drie keer meer moeten betalen.


Bestaat er een productieproces waar de neveneffecten de welvaart van de mensen niet verminderen, maar integendeel vermeerderen ? Hierover moeten we al wat langer nadenken. Er is bvb. de kunst: daar beleven latere generaties nog genoegen aan. Ook de bosbouw. De houtvester onderhoudt het bos in eerste instantie uit economische interesse, maar tegelijk reinigt het woud lucht en water, en de mens kan er lichaam en ziel tot ontspanning laten komen. Dat zijn positieve neveneffecten, die de bosbouwer zijn medemens gratis ter beschikking stelt.
Waar bij de gewone landbouw in hoofdzaak negatieve effecten tevoorschijn komen, vertoont de biologische landbouw voornamelijk positieve neveneffecten. Er wordt gezorgd voor een gezonde bodem, die ook voor de volgende generatie nog kan dienen, en er ontstaat een rijkelijk gevarieerd cultuurlandschap. Er zijn weinig geledingen in onze economie die een gelijkaardig positief neveneffect kunnen voorleggen.
En zoals de vervuiler de negatieve effecten niet betaalt, zo wordt anderzijds de biologische landbouwer ook niet beloond voor zijn positieve inbreng.

Wat is energiesparend, ecologisch, biologisch ?

Energiesparend - ecologisch - biologisch - is dat niet hetzelfde ? Er zijn wel overeenkomsten, maar toch worden deze begrippen dikwijls zonder kennis van zaken dooreen gehaald. Het is zinvol om daar het onderscheid te leren maken.
Nemen we als voorbeeld terug huizenbouw. Daarvan hebben we tot nu toe alleen het huishoudelijk energieverbruik bekeken, maar dat is slechts een klein onderdeel van de ecobalans. Voor een ecobalans moeten we de constructie en leefwijze en afvoer van het volledige huis in rekening brengen. Voor ieder afzonderlijk bouwelement moeten we de vraag stellen: hoe sterk belast het de globale energiebalans en de natuur (externe effecten) ? Dat is wat men noemt een productlijnanalyse. Om een positieve ecobalans te verkrijgen moeten we bouwstoffen kiezen die de natuurhuishouding het minst belasten, bvb. inlands hout i.p.v. tropisch hout, natuurvloer i.p.v. kunststofvloer enz. Pas dan mag men van een ecologisch huis spreken.
Tot het begrip van biologisch komt men eigenlijk slechts als we de invloed van de bouwstoffen op de mens bekijken. Staat bvb. een ecologisch gebouwd huis op een waterader, dan kan het niet biologisch genoemd worden.
Het zgn. nul-energiehuis (totaal geïsoleerd) is noch een ecologisch (wegens de gebruikte bouwstoffen) noch een biologisch huis te noemen (voldoet niet aan de criteria van woongezondheid). Derhalve is het bij huizenbouw nauwelijks mogelijk om tegelijk energiesparend, ecologisch en biologisch te zijn. Biologische verwarmingssystemen richten zich bvb. niet in eerste plaats naar een energiebalans, maar wel naar de warmtekwaliteit. Bij het ontwerpen van een huis moeten we de drie vereisten afwegen en compromissen zoeken.
Bij de basisbehoefte voeding daarentegen is dit afwegen niet nodig. De biologische landbouw is ecologisch en energiesparend, en zijn producten zijn het gezondere alternatief voor de menselijke voeding.
Hoe zit het met de kleding ? Kunststofvezels geven negatieve externe effecten bij de fabricatie en bij afvalverwerking. De conventionele katoenteelt belast sterk het milieu. Daarbij wordt het materiaal getransporteerd naar lageloonlanden en vandaar naar ons ter verkoop: groot energieverbruik en milieuvervuiling. Verder nog de hoeveelheden: door modetrends worden grote hoeveelheden kleding onversleten afgedankt, dus veel productie en veel afval. Mogelijke alternatieven ? Het doorgeven van gebruikte baby- en kinderkleding, tweedehandswinkels. Zo worden er grondstoffen en transport gespaard en afval vermeden. Misschien zouden volwassenen hier ook bescheidener eisen kunnen stellen, producten kopen die lang meegaan, en af en toe iets (laten) verstellen ?

De oude roestbakken zijn ecologischer

Bij Volkswagen werkten 130 milieudeskundigen aan een energiebalans en ze stelden vast: wie met een Golf 15.000 km per jaar rijdt, heeft daarvoor driemaal zoveel energie nodig als voor al zijn andere behoeften samen. Daarbij verbruiken de meeste auto's tegenwoordig meer brandstof dan de Golf. Bij deze balans werd het goederenverkeer (toeleveringsbedrijven), dat de laatste jaren met een veelvoud toenam, niet ingecalculeerd.
Onze regering zou graag de oude roestbakken (Duits: "alte Stinker") uit het verkeer zien verdwijnen, daarom heft ze een taks op de uitstoot van schadelijke stoffen. Op het eerste zicht zinvol, schijnt het, maar het blijft niet alleen bij dit uit-het-verkeer-nemen, er worden daarvoor namelijk nieuwe auto's gemaakt. Bekijken we de levensduur van een auto vanuit de productlijnanalyse, dan stellen we vast dat de fabricage van een auto het milieu onevenredig meer belast dan het rijden. Zelfs als de oude wagen nog een miljoen km verder rijdt, dan nog wordt het milieu minder vervuild dan met het produceren van een nieuwe auto m.a.w. globaal gezien is het blijven rijden met een oude wagen veel minder vervuilend en vermijdt men daarbij actief afvalproductie. Nieuwe auto's = milieuvervuiling, oude auto's = arbeidsplaatsen (door de regelmatige reparaties). De staat beoogt niet een vermindering van de schadelijke stoffen, maar wel het stimuleren van de auto-industrie. Economische groei en milieubescherming zijn dikwijls onverenigbare doelstellingen.
Het verkeer op de weg is momenteel de goedkoopste vorm van transport, hoewel het tegelijk het milieu-onvriendelijkste alternatief is. De reden: de externe effecten van de fabricage en afbraak worden noch door de producent noch door de gebruiker gedragen. Kosten bij ongevallen worden door de ziekenkassen gedragen, aanleg en onderhoud van het wegennet door de overheid, de kosten van de luchtvervuiling komen op rekening van gans de maatschappij en de volgende generatie. Dat wil zeggen dat de reële kosten gedeeld worden door autobestuurders en niet-autobestuurders, door kilometervreters en weinigrijders. Indien de autorijders de billijke of sociale prijs zouden betalen, dan kostte een liter benzine rond de 130 tot 170 F. Maar het wegverkeer geniet bij ons de grootste voordelen en (indirecte) subsidies. Daarom is het ook geen wonder dat altijd maar meer verkeer langs de weg gebeurt.
De mobiliteit (d.i. het transport van personen en goederen over land, over water en in de lucht) wordt in vergelijking met andere productiefactoren kunstmatig goedkoop gehouden. En dat ondanks het feit dat dit verkeer de grootste bron van milieuverontreiniging is. Het ligt terug eens aan onszelf om deze katastrofale ontwikkeling een halt toe te roepen en af te zien van een deel mobiliteit - ook bvb. door zaken te kopen waar weinig transport mee gemoeid is: appelen, boter, bloemen, schapevlees van hier i.p.v. uit Chili, Ierland, Columbia, Nieuwzeeland enz.

De ene kool is de andere niet

De levensfuncties van aarde, plant, dier en mens worden niet alleen door materiële dragers als cellen en genen in stand gehouden. De antroposofie bekijkt ook de "levenskrachten" (of "etherische" krachten). De levenskrachten zijn niet materieel en derhalve ook niet meetbaar met gewone wetenschappelijke methodes. We nemen terug een voorbeeld uit de landbouw, want op dit gebied treden deze krachten het meest op de voorgrond.
Een conventioneel gekweekte kool en een biologisch geteelde kool vertonen na de oogst dezelfde stoffelijke opbouw en dezelfde vorm. En toch verschillen ze veel. De gewone kool werd door kunstmest opgejaagd in haar groei. De biologische kool groeide op eigen kracht uit een levende bodem. De gewone kool had chemische plantenbescherming nodig om te kunnen opboksen tegen onkruid, insecten enz. De robuuste biologische kool daarentegen heeft weerstand uit zichzelf.
Worden ze geoogst, dan vertoont de biologische kool bij testen goede en lange bewaring, de conventionele kool ondervindt al vlug bederf. Bij eetproeven met dieren blijkt dat ze heel duidelijk kiezen voor de biologische kool. Proeven hebben eveneens uitgewezen dat biologisch geteeld voeder over 't algemeen de gezondheid van de dieren bevordert. Omgekeerd worden ze vaker ziek bij conventioneel gekweekt voeder. Bovendien was bij dieren die gevoederd werden met biologisch voeder een hogere vruchtbaarheid vast te stellen.
Deze voorbeelden tonen dat biologisch geteelde planten, ondanks uiterlijke gelijkheid, over meer levenskrachtten beschikken. Het begrip levenskrachten werd in het niet-antroposofisch onderzoek lange tijd genegeerd. Meer recent heeft men vooral in het kwaliteitsonderzoek deze levenskrachten herontdekt. Ze worden daar als vitale capaciteit beschreven.
Zoals we de energiebalans als een onderdeel van een lange-termijn ecobalans kunnen beschouwen, zo kan de ecobalans als een deel van de levenskrachten van aarde en mens bekeken worden.

Verantwoord consumeren - een pedagogische opgave ?

Ongeveer 20 jaar geleden werd bekend dat de zanger Bob Dylan een deel van zijn geld geïnvesteerd had in een wapenbedrijf. Een deel van zijn fans wou op slag geen platen meer kopen van hem, omdat ze niet wilden dat hun geld de bewapening zou steunen. Dat was iets eenmaligs. Meestal worden nog vele zaken gekocht en hooggeschat die als een afzonderlijk iets en niet in hun totale samenhang bezien worden - denken we maar aan een grote Duitse autofabrikant die ook in de bewapeningssector actief is. De vraag moet dus luiden: wat bewerkstelligen wij met ons geld in de wereld ? Want met het geld dat wij uitgeven of beleggen steunen wij een bedrijf, dus ook de politiek ervan en uiteindelijk ook het idee en het doel dat erachter steekt.
Daarom moet een centraal leerdoel van de moderne opvoeding zijn: verantwoord consumeren. Want iedere mens stuurt door zijn consumptiepatroon de ontwikkeling van de aarde in een positieve of negatieve richting. In de toekomst moet de verbruiker niet vragen: "Wat kan ik mij permitteren ?", maar wel: "Wat kan ik verantwoorden ?".
Van deze houding staan wij echter over 't algemeen nog ver af. In onze fun-consumptie-wegwerp-maatschappij zijn bvb. 50 % van alle autoritten korte afstanden die gemakkelijk kunnen vermeden worden, talrijke aankopen betreffen luxegoederen die men eigenlijk niet nodig heeft. De motieven om te kopen zijn vandaag dikwijls niet meer behoefte en noodzaak, maar wel: verdringing van eenzaamheidsgevoelens door consumptie, kopen uit frustratie, consumptie om zin te geven aan een leven dat als zinloos ervaren wordt enz. Onderzoekers spreken van "consumeritis" als een ziektebeeld van onze maatschappij.
De ecologische impuls leeft vandaag in iedere jonge mens. Deze impuls wacht om verzorgd te worden en wil voortdurend onderhouden worden, anders verkommert hij in doodlopende straatjes of leidt tot frustratie (no future-mentaliteit). Vooral middelbare scholieren bij wie de zin voor gerechtigheid in de regel goed ontwikkeld is, vinden het absoluut unfair dat bvb. de vervuilers niet ter verantwoording worden geroepen of niet moeten opdraaien voor de kosten. Maar het voortdurend onderhouden van deze impuls is in onze tijd niet vanzelfsprekend. Industrie en handel hebben andere interessen. Niet de bewuste verbruiker wordt gewenst, maar fun-consumptie-kids, ingedeeld naar koopkracht. De media en de reclame doen hun uiterste best om dit te bereiken. Kinderen en jongeren zijn slechts in beperkte mate in staat om zich daartegen te verzetten.
De school, vooral de middelbare school, zou hier een taak kunnen opnemen. De ervaring leert dat het wekken van interesse voor de wereld niet voldoende is. De wereld moet veeleer opgenomen worden in de concrete verantwoordelijkheid en het concrete handelen van de jongere. Voor de opvoeder betekent dat een nieuwe en moeilijke opdracht, want meestal is ook hij een product van de consumptiemaatschappij. Lukt het ons om nieuwe ideeën te aanvaarden en er consequent naar te leven ? Lukt het ons om idealen op een geloofwaardige manier uit te dragen in het schoolleven, bij projecten en in de praktijk ?
Men wordt soms teleurgesteld. Als ik bvb. denk aan de afval van de laatste klasuitstap. Had men eens uitgerekend hoeveel energie er in de productie van al dat plastic, die drankblikjes, die cellofaanverpakkingen stak: men kon er een klaslokaal een gans jaar mee verlichten.
Maar er zijn ook hoopgevende voorvallen: een 12de klas kocht voor de schoolreis alleen biologische producten. Daarvoor wilden ze liever met een goedkoop boemeltreintje reizen dan met de snelle en dure Inter-Citytrein. Deze keuze gebeurde zonder druk van de leerkracht.
De leerlingen van de hoogste schoolklassen reken ik ook bij de opvoeders. Zij zijn een voorbeeld en een oriëntering voor de kleineren. Ik heb de klassen 8 tot 12 nooit zo stil en aandachtig gezien als toen een leerling van de schoolraad sprak. Waar de leraar met zijn vermanend wijsvingertje slechts minachtend gegrijns oogst, daar krijgen medeleerlingen alle onvoorwaardelijke steun.

Besluit

Terug naar onze verlichting. Als we de mogelijkheden om energie te sparen met spaarlampen bekijken als een deel van onze totale persoonlijke of maatschappelijke energiebalans, dan zijn deze besparingen zo goed als waardeloos. Vergeleken met de mogelijkheden om te besparen bij mobiliteit, voeding, kleding, waar we bijna direct aan procentgetallen van twee cijfers zitten, blijven we bij de verlichtingskwestie bij de 0,00.... %. En juist daarrond is er al dat engagement. Is dat alles een spiegel van ons maatschappelijk bewustzijn ? Een citaat uit een recent onderzoek:" De vraag naar entertainment en media blijft groeien. De autokopers vragen wagens met prestaties en opties. Verre reizen blijven in de lift. Maar in 1996 gebruikte de Duitse burger slechts 1,7 tandenborstels."
Tandenborstels, spaarlampen ... zijn dat onze ecologische vijgeblaren ? Niet dat ik niet geloof in energiesparen, ik vind alleen maar dat er globaler en omvattender moet worden gedacht. Alleen rekening houden met ecologische aspecten is onvoldoende. Er zijn ook de biologische en "etherische" aspecten.

Zoals ik in het begin vermeldde, moest de kwestie van de spaarlampen ook in onze school beslist worden. Zeker toen de nieuwbouw eenmaal af was en in al zijn glans -zonder verlichting- voor ons stond. Maar de elektriekers waren met hun werk sneller klaar dan wij met onze discussies. En zo brandden er in de lokalen spaarlampen, lang voordat er ons in het lerarencollege een licht was opgegaan.
Reeds na enkele weken kwamen er klachten over deze lampen. Sommige collega's werden alleen nog maar met donkere bril in de aldus verlichte lokalen gezien. We verwijzen hier naar de twee gelijke en toch verschillende kolen: hebben we ook de biologische en etherische aspecten van de spaarlampen overwogen ?
Waarschijnlijk zullen we een en ander (kostelijk) moeten aanpassen. Laat ons hopen dat ons in de toekomst bij dergelijke vragen iets vroeger een licht opgaat.




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

De geldsluier

Het volgend artikel sluit goed aan bij het vorige. Het is van Dieter Brüll, de auteur van "De sociale impuls van de antroposofie". Het verscheen in 1978 in "Leven met afhankelijkheden, driegeleding als levenspraktijk".


( ... ) "Eens was het geld zichtbaar en weegbaar. De gouden munten waren hun gewicht in goud 'waard'. In die tijd was nog vrij doorzichtig wat met het geld gebeurde. Maar het trok zich uit de zintuiglijke wereld terug: eerst verdween de weegbaarheid; voor de onvolwaardig geworden munten en later voor het papiergeld lag de 'dekking' ergens onder de grond. Daarna verdween ook de zichtbaarheid; tot in de consumptieve sfeer neemt hand over hand het gebruik van giraal geld (betaalkaarten) toe, dat, van alle fysieke substantie ontdaan, alleen nog een rekengrootheid is. Naarmate echter het geld zich in de onzichtbaarheid terugtrok, nam de zichtbaarheid van de eronder liggende werkelijkheid niet toe maar af. Meer en meer onttrekt zich aan ons bewustzijn dat zich onder deze onzichtbare en toch nauwelijks doordringbare sluier niet alleen een economische, doch in de eerste plaats een sociale werkelijkheid verbergt.

Wát zijn sluiers eigenlijk ? Wij maken er op vele wijzen gebruik van. Men kan ermee de waarheid versluieren zonder bepaald een leugen te zeggen - een vaardigheid waarin bvb. overheden, directies, en andere bestuurders, die met lastige vragen geconfronteerd worden, uitblinken. Men kan ook, zoals bvb. in de kunst, de sluier gebruiken om het niet-essentiële te verbergen, zodat het wezenlijke beter tot uitdrukking komt.

Tenslotte kan men een deel van de werkelijkheid aan het oog onttrekken, omdat de beschouwer er nog niet tegen opgewassen is. Wij zullen een twaalfjarige, die net de eerste beginselen van de meetkunde leert, niet in verwarring brengen door hem te vertellen, dat twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden. Dan is de bedoeling niet om van de waarheid af te leiden, maar juist om de waarheid op den duur te doen begrijpen. Het mythologische beeld daarvoor is de versluierde Isis, welker sluier eerst gelicht zal mogen worden, als wij het bewustzijn van onze onsterfelijkheid hebben verworven. Het dagelijkse beeld van een dusdanige sluier is de mens zelf; onze lichamelijke gestalte versluiert onze persoonlijkheid. Eerst daardoor is sociaal verkeer mogelijk, want een directe herkenning van de ander, een openbaring van zijn werkelijk wezen, zouden wij nog niet aankunnen. Naarmate wij echter door de sluier heendringen, de ander ontdekken, ontwikkelen wij ook de kracht om hem te verdragen.

Verhongeren
Op een soortgelijke wijze maakt de geldsluier het economische verkeer mogelijk: zouden wij bij elke transactie het door ons aangebodene willen vergelijken met de waarde van alle door ons gewenste goederen en diensten, ten einde tot een ruil te kunnen komen . . . wij zouden al calculerende verhongeren. Het geld ontheft ons van deze noodzaak, doordat het ons voorgevormde waarde-oordelen aanbiedt. Maar gemak gaat altijd ten koste van iets. In dit geval versluiert de prijs de waarde. Het geld versluiert echter nog veel meer en het is goed om zich er bij tijd en wijle rekenschap van te geven, op welke wijze wij door het geld te hanteren de sociale werkelijkheid beïnvloeden.

Geld uitgeven is geen privézaak

De eerste geldsluier ligt over de economische werkelijkheid. Hier bevinden wij ons -deels- nog op bekend terrein: wij wéten dat onze koopgewoonten de productie van diensten en goederen beïnvloeden. En toch raken wij hier reeds een vraag die tegenwoordig -gelukkig- steeds vaker wordt gesteld, zij het meestal met een verkeerd accent: is de wijze waarop wij ons geld besteden werkelijk een privé-aangelegenheid, zoals het verbond tussen Romeinse rechtsopvattingen en liberale economie ons vertelt ? Of heeft zij sociale implicaties, waarvoor wij verantwoordelijk zijn ?

Het komt mij voor dat wij hier een duidelijk onderscheid moeten aanbrengen. Wat ik met een consumptiemiddel wil doen, is mijn aangelegenheid waar niemand anders iets mee te maken heeft. Of ik een porno lees omdat ik ervan geniet, omdat ik het verschijnen van deze literatuur wenselijk vind, omdat het een onderdeel is van mijn studie of omdat ik als leraar op de hoogte wil blijven van de geestelijke kost van mijn leerlingen - het is een individueel motief, waaruit een individuele beslissing volgt, en als volwassen mens ben ik terecht verontwaardigd als iemand zijn morele wijsvinger laat zien. Als een dokter tegen de gevaren van het roken waarschuwt, is dat zijn volste recht en ik mag hem dankbaar zijn voor zijn informatie. Maar wie mij bestraffend toespreekt, omdat ik het roken toch niet gelaten heb, is niet alleen een ouderwetse zedenmeester, maar kwetst mij in de kern van mijn wezen, dáár namelijk waar ik verantwoordelijk ben voor mijzelf en mijn eigen wilsbesluiten.

Koopgeld
Maar er is nog en andere kant aan de consumptie, die waarachtig geen individuele aangelegenheid is: het uitgeven van geld heeft een directe invloed op het economisch leven. Dit immers reageert onmiddellijk door het 'naschuiven' van het verkochte goed, de verleende dienst -met productie dus- en heel vaak worden, door bepaalde wetmatigheden van het economisch leven, voor tien verkochte goederen elf of twaalf nageschoven. Soms nog veel meer, terwijl omgekeerd een kleine daling van de omzet de productie onrendabel kan maken en daardoor kan doen ophouden. Economisch gesproken verschaf ik, geld uitgevende, aan een bepaald goed een markt, maak de productie mogelijk of ik verijdel ze. En daarmee schuift zich naast de allerindividueelste consumptiebeslissing een factor met een geheel andere dimensie. Niet alleen of ik mijn inspiratie uit rook moet putten, of ik bestand ben tegen het lezen van een sensatieblad, is bij de aankoop in het geding, doch al kopende ben ik mede verantwoordelijjk voor de maatschappelijke productie van dit (soort) goed. Het gebruik, de consumptie van goederen is een individuele aangelegenheid; het gebruik van geld is dit niet. Het uitgeven van koopgeld heeft invloed op de economisch-maatschappelijke werkelijkheid, op de consumptiemogelijkheden van anderen, op de productiemogelijkheden. Zonder dat daarmee iemand het recht krijgt om de befaamde wijsvinger te heffen, mogen wij aantekenen dat ons hierdoor, of wij willen of niet, een verantwoordelijkheid opgelegd wordt, waarvan wij ons bewust horen te zijn.

Leengeld
Wat in het voorgaande over koopgeld is gezegd, is tot op zekere hoogte nog te overzien en met ons bewustzijn te volgen. Zodra wij op het gebied van het leengeld komen, onttrekt zich hetgeen wij sociaal met ons geld doen, vrijwel steeds aan ons inzicht. Meer dan door een theoretisch betoog wordt dit geïllustreerd door een voorbeeld. Een Nederlander, in het bezit gekomen van een eigen vermogen en door verblijf in het buitenland niet in staat dit zelf te beheren, wendt zich tot een in vermogensbeheer gespecialiseerde bank. De cliënt wil niet lastig zijn, vraagt de bank het geld naar eigen goeddunken te beheren, met één klein voorbehoud: het geld niet in de oorlogsindustrie te steken. Ontzet schuift de bankman achteruit: 'dan moeten wij u óf bedotten, want wij weten zelf niet wat er met uw geld gaat gebeuren als wij het eenmaal belegd hebben; óf wij kunnen het niet verantwoord beleggen, omdat wij dan uit een té beperkt aantal objecten moeten kiezen, en zelfs die garanderen niet een vreedzaam gebruik'. Hier wordt gedoeld op het financiële vlechtwerk, waardoor het zelfs voor een beroepsfinancier niet meer mogelijk is na te gaan, wat met de investeringsmiddelen geschiedt. De lening aan, de kapitaaldeelname in een hoogst onschuldige N.V. wordt wellicht gebruikt voor de oprichting van een al even onschuldig uitziende dochter, een besloten vennootschap, welker activiteit: toeleveringsbedrijf voor een fabrikant van wapentuig - schuil gaat achter de neutrale post 'deelname' op de balans van de moeder-N.V.

Deposito's, rekeningen-courant bij banken zoeken het hoogste rendement; en dat vinden zij meestal niet bij de meest onschuldige producenten. Zelfs door het geld in de kous te stoppen beïnvloedt men, zoals de economische theorie ons kan vertellen, op soortgelijke wijze als bij het beleggen, het economische leven. Wie over vermogen beschikt kan zich daaraan nooit onttrekken.

Uitgaan van product
Ook achter deze constatering zoeke men geen reden tot moraliseren. Of men 'respectabele' redenen heeft om de hoogste opbrengst te zoeken (bvb. men moet ervan leven) of minder 'respectabele', of men pro of anti kunstmest, NATO, farmaceutische industrie (en vul zelf maar verder in) is, gaat een ander niet aan. Men make zich alleen niet van zijn verantwoordelijkheid af met een 'ich habe es nicht gewußt !' Voor wie wil en het zich kan permitteren zijn er alternatieven. Men zal dan alleen niet mogen uitgaan van het 'geldautomatisme', d.w.z. het hoogste rendement van de beleggingen, doch men zal door de geldsluier heen moeten prikken en van het product moeten uitgaan, dat men wenselijk acht. Dat zal men vrijwel steeds pijnlijk voelen in het rendement en in de zekerheid. Dat is de prijs die men zal moeten betalen, wil men zich door de geldsluier niet medeplichtig laten maken aan hetgeen men 'eigenlijk' niet wil; de prijs voor een goed geweten.

Schenkgeld
Veel zou ook te zeggen zijn over hetgeen wij met het schenkgeld doen, maar de actualiteit van dit probleem is helaas niet al te groot. De meeste 'schenkingen' vinden tegenwoordig gedwongen plaats. Wij spreken dan van belastingheffing en zelffinanciering. Daarom slechts een heel korte opmerking.

Schenkgeld is de basis voor alle geestelijk leven. Priester en uitvinder moeten er gelijkerwijze van leven. Of men, zeg een uitvinder, zijn werk mogelijk wil maken, hangt in onze maatschappijstructuur vrijwel uitsluitend af van de beoordeling van de kans op het rendabel maken van de uitvinding. Maar de maatschappelijke consequenties van een uitvinding kunnen enorm zijn. Daarvoor is de schenker in sterke mate verantwoordelijk. Gezichtspunten bij het schenken zouden dan ook kunnen zijn, niet alleen of de richting waarin gewerkt wordt de instemming van de schenker heeft, maar de persoonlijke integriteit van de begiftigde. Wij weten dat tal van dubieuze vondsten 'bij toeval' zijn gedaan, toen men op zoek naar iets anders was. Wat dan met de vondst gebeurt, zal geheel afhangen van de moraliteit van de uitvinder. Dit betekent, dat wie bewust en verantwoordelijk over schenkgeld wil beschikken, in laatste instantie niet af mag gaan op het product, zoals bij het leengeld, doch op de persoon. Zouden wij zo'n uitvinder in de kost nemen, dan zou dit bijna vanzelf spreken. Door de schijnbaar neutrale geldsluier dreigen de sociaal-economische consequenties van onze schenkingen aan ons bewustzijn te ontsnappen. M.b.t. leengeld kan men het offer brengen van een lager rendement of geringere zekerheid. Men ziet hier langzamerhand een bewustwording ontstaan die zich uit in acties tegen banken die in Zuid-Afrika investeren of in pogingen om zelf 'schone' banken te stichten* . T.o.v. schenkgeld verkeert men in een veel moeilijker positie, omdat de financiering van het geestesleven, vooral van de research, uit overheidsgelden pleegt te geschieden. Dat men ook hiervoor zijn verantwoordelijkheid begint te beseffen, blijkt o.a. uit de Amerikaanse actie om het 'Vietnam-deel' in het belastingbedrag niet te betalen. Ten onzent kan gewezen worden op de weigering om de Kalkar-opcenten te voldoen.

Samenvattend kunnen we zeggen dat de eerste geldsluier over de economische realiteit ligt. En dat deze sluier een oproep inhoudt om denkende door te dringen in wat er wezenlijk door ons omgaan met het geld wordt bewerkstelligd, om vervolgens, individueel-verantwoordelijk, te beslissen.

Sociale zekerheid, een illusie ?

'Ik wil onafhankelijk zijn, ik wil mijn eigen geld verdienen'. Het is een begrijpelijke wens - maar in stricte zin een illusie. In onze tijd van arbeidsverdeling werkt niemand meer voor zichzelf. Men werkt voor anderen, anderen werken voor ons. In oude dorpsgemeenschappen was men zich van de onderlinge afhankelijkheid heel wel bewust en de 'nabuurhulp' is er een laatste overblijfsel van.

Maar het geld wekt de illusie dat wij met ons bezit onafhankelijk zijn geworden, niet meer aangewezen op anderen. Wij hebben ermee, deftig uitgedrukt, aanspraak op een abstract deel van het maatschappelijk product. Daar kunnen wij dan te allen tijde beslag op leggen, van ons recht gebruik maken. Behalve als de anderen weigeren voor ons te werken, dan staan wij daar met onze zak vol centen, zoals menigeen in de oorlogsjaren is overkomen. Captain Boycott is er het historische voorbeeld van: voor al zijn geld vond hij niemand bereid om hem iets te verkopen of iets voor hem te doen. Wij hebben er de term boycotten aan overgehouden. Zolang het om koopgeld gaat, behoeven wij echter niet angstig naar onze portemonnaie te kijken. Heel buitenissige toestanden die even de geldsluier oplichten daargelaten, mogen wij echt wel vertrouwen, dat wij het vandaag verdiende geld vandaag in dagelijks brood kunnen omzetten. Maar hoe staat het met het leengeld ?

Met veel trots zegt het echtpaar op middelbare leeftijd: "Wij leggen geld opzij, want wij willen straks niet van de kinderen afhankelijk zijn". Zeker, wij willen verzorgd zijn van de wieg tot het graf, wij willen vooral zekerheid - hele verkiezingscampagnes zijn met die slogan gewonnen - en het geld geeft ons die illusie: wij hebben immers een spaarpotje, een polis, zitten in 't pensioenfonds, hebben wat stukjes in de kluis, wij zijn veilig.

De taart kan slechts eenmaal opgegeten worden
In tijden vóór de geldeconomie wist men wel beter. De oogst ging in drie delen: het zaad voor het volgende jaar, een groot deel om zelf op te eten, een klein deel voor de ruil. Was de oogst niet ruim, dan werd er honger geleden, mislukte hij, dan stierven mensen. Was de oogst na een jaar nog niet op, dan rotte hij weg, werd veevoer. Een farao die voor de magere jaren kon laten oppotten was en is een uitzondering, meer nog in onze tijd, waarin de schaarste hier gecompenseerd kan worden met overvloed elders. Maar dat betekent dat de goederen, die wij niet gebruiken, niet consumeren, omdat wij aan het sparen zijn, niet voor ons bewaard worden. Anderen nuttigen ze - kinderen, ouden van dagen - of gebruiken onze onthouding om te investeren, voor een omwegproductie. De taart kan slechts eenmaal opgegeten worden en als wij straks aan het opsouperen van onze spaarcenten toe zijn, dan is de maatschappelijke koek, die wij hebben helpen voortbrengen, al lang op. En al ons geld zal ons niet helpen, als er straks geen nieuwe generatie klaar staat, die bereid is om voor onze oude dag te zorgen. Het geld versluiert het feit dat wij een groot deel van hetgeen wij produceren afstaan aan anderen, die niet in staat zijn te produceren, en dat wij straks als oudjes aangewezen zullen zijn - zoals wij in onze kinderjaren waren- op het werk van diegenen, die dán tot produceren in staat zijn.

Inflatie-proof
Maar geeft ons geld, onze polis, de wet, ons dan geen recht op een stuk van de maatschappelijke koek ? Het lijkt zo, want ons, nog van Romeinse opvattingen afkomstige, eigendomsrecht kent als laatste rest van het instituut der slavernij het recht op andermans arbeid. De economische en politieke werkelijkheid is er al lang aan voorbij gegaan. Het kan gaan op revolutionaire wijze, door het vervallen verklaren van 'titels', zoals men dergelijke rechtsaanspraken pleegt te noemen: voorbeelden vinden wij waarachtig niet alleen in Oosteuropese staten; de zgn. geldzuiveringen en vermogensheffingen na de oorlog waren niets anders ! Het kan ook gaan langs sluipende weg, via inflatie. Dat weet langzamerhand iedereen en tracht voorzorgsmaatregelen te treffen. Maar hoe meer wij onze voorzieningen 'inflatieproof' maken (zoals onze sociale verzekeringswetten) en daarmee de werkende generatie willen dwingen, des te explosiever en gevoeliger voor revolutionaire oplossingen wordt de situatie.

Zo gezien is alle streven naar zekerheid een illusie - en daarmee komt de oude betekenis van crediet weer naar voren: afstand doen van consumptie in het vertrouwen, dat men straks ook terwille van mij afstand van consumptie zal willen doen. Als wij door de geldsluier heenprikken, dan kan een nieuw soort zekerheid ontstaan: het vertrouwen, dat bij een volgende generatie zo veel rechtsgevoel aanwezig zal zijn, dat zij ons op onze oude dag, in onze invaliditeit een bestaan zal gunnen. Want geld en op geld gebaseerde rechten substitueren slechts uit angst geboren schijnzekerheden voor wat aan rechtsgevoelens ontwikkeld zou moeten worden.

Arm en rijk

Wij zullen thans nog een derde sluier moeten lichten, waarmee het geld een zorgvuldig gekoesterde onwetendheid bedekt: de sluier over onszelf, over onze eigen moraliteit.

Het totaal van de consumptiegoederen dat de mensheid voortbrengt, wordt wel eens de maatschappelijke koek genoemd. Daar sloten wij bij aan met de opmerking dat je de maatschappelijke taart slechts één keer op kunt eten; dan zal weer een nieuwe gebakken moeten worden. Even duidelijk is echter dat de punt die ik mij uit de koek snijd, niet meer door een ander gegeten kan worden. Concreet gezegd betekent dit, dat deze Aziaat, deze Afrikaan niet zou behoeven te hongeren, indien ik hier niet een koelkast, een auto, een televisietoestel zou kopen. Het is zo'n eenvoudige waarheid, dat legioenen economen en politici werkzaam moeten zijn om ons van het tegendeel te overtuigen, om ons aan te praten dat consumeren juist een sociale daad is, om onze bezwaren weg te wuiven door ons te vertellen dat nu eenmaal in de ontwikkelingslanden de koopkrachtige vraag ontbreekt (waarmee wij weer bij het geld terug zijn), dat wij weer zouden verpauperen, als wij geen markt voor onze ondernemers zouden vormen, waarop wat te verdienen valt - waarmee wij langs een omweg terug zijn bij het uitgangspunt, dat de verdeling niet bepaald wordt op basis van behoefte, maar op basis van geld. En naarmate een opgroeiende generatie doorziet dat deze argumenten niets met economie te maken hebben, treden de politici in het krijt, die de angst iets van het verworvene te moeten missen handig exploiteren, waarbij dan de 'luie nikker' (alsof natuurvolken niet heel wat zwaarder werken dan wij) en het met zweet en inspanning verworven bezit (wiens zweet wijselijk in 't midden latend) de rechtsmantel over de naakte begeerte moet vormen.

Samenhang
Laten wij nuchter blijven. Er is niets in het economische leven dat het enorme productievermogen zou kunnen beletten die goederen en diensten te leveren, die de achtergebleven volkeren nodig hebbebn. Het beletsel is uitsluitend in het geestesleven te zoeken, in de begeerte, het egoïsme van de mens. De wet kan hem daarbij de middelen leveren om dit egoïsme te legaliseren: wij hebben eerst vrijwel alles tot (vererfbaar) voorwerp van eigendom gemaakt en het geld een dusdanige wettelijke status gegeven, dat wij vrijwel elke eigendom ermee kunnen verwerven. Op basis daarvan kunnen wij dan zeggen: is niet mijn geld net zo goed als dat van een ander (geld stinkt niet !) ? En: heb ik het soms niet regelmatig verworven ? Beschikking over geld wordt gelijkgesteld met beschikken over goederen en daarmee in de individualistische, liberalistische sfeer getrokken: 'ik verdien nu genoeg om mij een auto aan te schaffen' of 'ik heb net een koelkast gekocht, de afwasmachine moet dus nog even wachten'. De geldsluier onttrekt aan ons oog de samenhang tussen de rijkdom van ons en de armoede van de ander en bewaart ons voor het stellen van de pijnlijke vraag bij het samenstellen van ons consumptiepatroon: 'wat betekent het voor anderen, dat ik beslag leg op dat deel van de koek ?'

Hebben wij één keer door de geldsluier heengekeken, dan is ons voorgoed duidelijk geworden, dat wat men ons als een economische kwestie pleegt te presenteren -de noden van de onderontwikkelde gebieden en de achtergebleven groepen- in werkelijkheid helemaal geen economisch vraagstuk is. Het is niet eens in de eerste plaats een rechtsvraagstuk, al kan het als zodanig gesteld worden. Het is primair een wereldbeschouwelijke kwestie. Gaan wij ervan uit dat de mens de laatste loot aan de dierenstamboom is, dan is alles in orde. Want waarom zou de naakte aap niet gelijk andere diersoorten de zwakkere exemplaren laten omkomen of afmaken, de wet van de jungle toepassen, teneinde survival of the fittest te bereiken ? Gaat men daarentegen ervan uit dat de mens zijns broeders hoeder is, dat hij medeverantwoordelijk is voor de gehele mensheid, dan leidt het wegtrekken van de geldsluier tot een schrikbarende confrontatie.

Ordenen van begeerte
In de verhalen over onze geldloze tijd, de hongerwinter 1944/'45, nemen de opofferingsgezinde moeders, die voor hun kinderen doodgehongerd zijn, een voorname plaats in. Veel algemener echter was het verschijnsel, dat men elkaar met argusogen bewaakte teneinde zelf niet te kort te komen, en menigeen heeft zijn dierbaarste familieleden om een stukje brood bedrogen. Dát is wat achter de derde geldsluier ligt, wat toen een ogenblik zichtbaar werd en wat vandaag eo ipso geldt in onze verhouding tot de medemens ergens overzee of naast de deur. Willen wij ook tegenover dit verschijnsel nuchter blijven, dan moeten wij de conclusie aanvaarden dat een humane filosofie, inclusief het mea culpa, als een stuk bewustzijnsvorming onontbeerlijk is, doch in de feitelijke situatie geen verandering brengt. Hier gaat het namelijk niet om de aalmoes, de afstand van een stukje overvloed als gewetenssussertje, maar om de concrete vraag, in hoeverre onze morele wil in staat is in ons begeerteleven ordenend door te dringen. Dit is een kwestie van wilsscholing, d.w.z. van vallen en opstaan - en helaas is de organisatie van onze maatschappij nauwelijks erop gericht om ons gelegenheid tot een dergelijke scholing te verschaffen. Ook dit echter kan een uitdaging zijn, die meer en meer blijkt te worden aanvaard: om zelf welbewust de situaties te scheppen, waarin men deze wilskrachten kan ontwikkelen.

Welvarende gemeenschap
Wie om zich heen kijkt, kan tot zijn verbazing ontdekken dat inderdaad op allerlei plaatsen mensen bij elkaar komen, die hun samenzijn of hun samenleving zo organiseren, dat zij met het probleem van wat de mens in zijn verhouding tot de medemens toekomt, moeten experimenteren. [...]

Een zeer consequente oefening om door de geldsluier heen te zien vindt men in de Camphillbeweging: intern is er een (vrijwel) geldloze samenleving, waardoor elke behoefte opnieuw de, slechts door het individu zelf te beantwoorden, vraag oproept: zal ik in mijn verhouding tot mijn medewerkers en tot de kinderen die ons zijn toevertrouwd, deze behoefte of begeerte bevredigen ? Op deze wijze openbaart zich eenvoudig als fenomeen hetgeen Rudolf Steiner (GA 34) als de Sociale Hoofdwet omschreef: een gemeenschap zal des te welvarender zijn, hoe minder de enkeling het resultaat van zijn werk voor zich opeist en hoe meer zijn behoeften uit de prestaties van anderen worden bevredigd.

Wij hebben thans drie geldsluiers leren kennen:
de sluier over het economisch leven
de sluier over de onderlinge afhankelijkheid
de sluier over ons eigen begeerteleven;
dus over alle drie geledingen van de samenleving. Wat daarbij over de geldsluier is gezegd, vraagt niet in de eerste plaats om nieuw geld. Primair gaat het erom te beseffen wat wij dagelijks doen en laten, doordat wij door de sluier heen de werkelijkheid niet zien. Als wij ons van daaruit geroepen voelen om op een meer bewuste wijze in de maatschappij te staan, wellicht zelfs naar veranderingen te streven, dan kan daarbij behoren dat men ook aan het geld een ander rechtskarakter wil geven. Maar dat is dan slechts één van de vele perspectieven die zich openen, zodra de werkelijke samenhangen duidelijk worden. Eerst dan kan waarheid worden, hetgeen thans als een leugen op onze geldstukken staat.




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Paradigma's achter een verziekt arbeidsbestel

In het vorige artikel zagen we hoe het geld een aantal maatschappelijke realiteiten versluiert. Achter het geld schuilt een wezenheid die het best werkzaam kan zijn als de mensen van zijn bestaan niets afweten. Wie dit tijdschrift al langer leest en dus wat meer thuis is in de antroposofie weet dat we het hier hebben over Ahriman, de leugengeest. In de toekomst gaan we steeds meer met hem te maken krijgen. Zijn uiteindelijk doel is om de mensen aan de aarde te ketenen. Daarom probeert hij ieder begrip voor het bovenzinnelijke uit te roeien, hij staat dus ook achter het materialistisch wereldbeeld. Vrije individuen zijn hem een gruwel, het liefst ziet hij de mensheid opgaan in een soort termietenstaat, waar alles perfect functioneert, maar waar voor echte menselijkheid geen plaats is.

Net zoals Ahriman zorgt voor gelijkheid tussen de mensen, ook waar die niet gewenst is (bvb. in het geestesleven), zo zorgde vroeger Lucifer voor vrijheid en verschil tussen de mensen, ook waar die misplaatst is, bvb. in het economisch leven. In onze huidige maatschappij zien we een voortdurende strijd tussen deze twee uitersten.

Het volgend artikel, van A.H. Bos, beschrijft dit. Een uittreksel:


[ ... ] Sinds het beroemde boek van Kuhn (The Structure of Scienticic Revolutions, 1962) is het woord paradigma in zwang. Kuhn was op zoek naar de onuitgesproken, onbewezen axioma's die een wetenschapsgebied begrenzen. Hij laat zien hoe de wetenschap dóórbreekt naar nieuw gebieden, nieuwe probleemstellingen, nieuwe methoden telkens als een paradigma onderkend, niet-erkend, ontkend wordt. Meestal geschiedt dit door vrijdenkers, piraten van de geest, ongebondenen. Zij worden met kracht genegeerd, bespot, geëxcommuniceerd door de 'officiële wetenschap'. Tot de dijk doorbreekt en het nieuwe gebied erkenning vindt. [ ... ]

Dit opstel komt tot de conclusie dat ons arbeidsbestel het karakter heeft van een heilige driepoot, dat het krachtig verankerd is in een drietal onderling verweven paradigma's:

- de vanzelfsprekende verknoping van opleidingsniveau en werkniveau,
- de even vanzelfsprekende vervlechting van functieniveau en betalingsniveau
- de vanzelfsprekende samenhang tussen het inkomensniveau en de duur van de vooropeiding die men heeft gehad.
We zullen beschrijven hoe deze paradigma's er in de praktijk uitzien, welke negatieve werking ze hebben en wat de praktische mogelijkheden en consequenties zijn van hun overwinning.

De vervlechting van opleidingsniveau en werkniveau
In de sociale verzekeringswereld wordt het begrip 'passend werk' gebruikt. De inhoud van dit begrip wordt steeds onduidelijker en in de toepassing wordt het steeds onhanteerbaarder. Welk paradigma schuilt erachter ? Dat paradigma zegt: wie 10 jaar in de administratie heeft gezeten moet bij werkloosheid vooral niet in een baan komen waarin hij de kans krijgt hele nieuwe ervaringen op te doen, daardoor nieuwe vermogens te ontwikkelen en misschien voor de samenleving ook nog bruikbaar te worden. Nee, wie door zijn opleiding en zijn werk eenmaal groen is geworden heeft het recht al het werkaanbod te weigeren dat van een andere kleur is.

Het paradigma zegt ook: wie eenmaal het niveau A1 heeft gehaald moet zorgvuldig vermijden om werk beneden zijn niveau te doen en daarmee in aanraking te komen met mensen en werksituaties die eigenlijk beneden zijn stand zijn. Wie academicus is, heeft recht op een bepaald soort werk, resp. het recht minderwaardig werk af te wijzen.

De hier beschreven verknoping van niveau van opleiding en soort opleiding enerzijds en niveau van werk en soort werk anderzijds is de achtergrond van de hiërarchische standenstaat waarin wij nog steeds overwegend leven.

Standenstaat en opleidingshiërarchie
De ene kant van deze hiërarchische standenstaat komt tot uitdrukking in de opleidingshiërarchie. Een uiterst doorwrocht stelsel van opleidingstrappen vormt het skelet van een soort capaciteiten-pyramide. We spreken over ASO, TSO, BSO, er zijn tussen-niveau's, schakel- en brugklassen, sluizen en wissels, zodat ieder op het niveau van zijn capaciteit kan landen ! Dat hele stelsel wordt, naar oer-oude Chinese traditie met examens doortimmerd. Examens geven de mogelijkheid van ingangs- en uitgangscontrole en niveau-bewaking.

We moeten daarbij wel bedenken dat reproduceerbare intellectuele kennis het gemakkelijkst examineerbaar is. Alles wat te maken heeft met praktische, kunstzinnige, morele, sociale, en andere vaardigheden valt door de gebruikelijke examenzeef (des te meer wanneer de massificatie van het onderwijs naar de meerkeuze-testmethode doet grijpen). En wanneer iets niet achter blijft op de examenzeef valt het weldra ook buiten de opleiding, zeker wanneer de onderwijsduur onder economische druk komt te staan en er direct toetsbare resultaten geleverd moeten worden. De hele capaciteiten-hiërarchie verschraalt daarmee tot een bouwwerk waarvan de structuur door één principe bepaald wordt: reproduceerbare intellectuele kennis, een zowel voor de ontwikkeling van de individuele mens als voor de samenleving uiterst onwezenlijke kwaliteit. Ambachtelijke en industriële vaardigheden zijn natuurlijk op een bepaalde manier wel degelijk te examineren. En dat gebeurt ook allerwege in zogenaamde lagere beroepsopleidingen. Ze vormen de basis van de opleidingspyramide, het fundament van de standenstaat. Zodra er echter sprake is van zogenaamde hogere en voortgezette opleidingen, ten behoeve van het beklimmen van de pyramide, gaat het vrijwel steeds om opleidingen waarin de examineerbare intellectuele leerstof allesoverheersend is.

Standenstaat en werkhiërarchie
De andere kant van de hiërarchische standenstaat komt tot uitdrukking in de werkhiërarchie. In grote organisaties is het werk volgens het cascadesysteem geordend (getrapte zeef). De directeur doet uitsluitend werk dat bij zijn niveau past. Alleen als hij overspannen en overwerkt raakt zal de arts hem misschien voorschrijven een paar weken bladeren te harken omdat deze ritmische bezigheid in de buitenlucht zeer harmoniserend en gezondmakend is. Maar normaliter laat hij dit werk over aan bruingeüniformde gemeentearbeiders. Hij doet alleen wat des directeurs is en al het andere delegeert hij aan de bedrijfsleider. Ook deze zal het werk waarvoor hij te duur is en dat beneden zijn stand is, afschuiven naar beneden. En zo ontstaat de functie van afdelingschef. Ook deze zorgt dat alleen die zaken op zijn zeef blijven liggen, die bij zijn opleidingsniveau behoren. De rest valt er doorheen en vormt de taak van de baas.

En zo gaat het verder: de onderbaas, de 1ste voorwerker, de 2de voorwerker, en dan steeds fijnere trapjes, hoe lager we in de standen-hiërarchie komen: 1ste hoofdmonteur, 2de hoofdmonteur, assistent-hoofdmonteur, monteur, hulpmonteur, 1ste operator, 2de operator, hulp-operator, aankomend hulp-operator, enz. enz. En op de onderste zeef blijft tenslotte drab liggen dat niemand meer wil doen omdat het te min is en wij allen het daarbij behorende opleidingsniveau reeds gepasseerd zijn. Voor dát werk halen we dan een wagonlading Turken, Marokkanen of Spanjaarden en schuiven die als een vierde stand onder onze standenhiërarchie.

Verknoping van de beide hiërarchieën
Deze twee hiërarchische systemen nu, zijn zorgvuldig en hecht verknoopt. Functie-niveau's verwijzen naar opleidingsniveau's (zie de advertenties: gevraagd chef-administratie met A1-diploma). Bepaalde functies zijn alleen toegankelijk voor mensen met bepaalde beroepsopleidingen en deze opleidingen zijn alleen toegankelijk voor mensen met een bepaald vooropleidingsniveau (in Nederland is de opleiding tot kleuterleidster bvb. alleen toegankelijk voor wie MAVO (middelbaar algemeen vormend onderwijs) gedaan heeft).

Bepaalde opleidingen geven rechtstreeks toegang tot een bepaald niveau in de organisatie. Wie bvb. een universitaire opleiding heeft gevolgd weet zich verzekerd van een rang op het niveau van het MHP, d.i, de verzamelnaam in sommige organisaties voor Middelbaar en Hoger Personeel ! Dit heeft bvb. tot gevolg dat deze mensen leiding moeten geven aan een wereld die ze niet uit ervaring kennen. Dat leidt vaak tot beslissingen die verraden hoe ver deze leiders van de realiteit verwijderd staan.

Psychologische en maatschappelijke consequenties
De verknoping van capaciteit en werk heeft een psychologische en maatschappelijke consequentie.

Psychologisch leidt deze verknoping tot hoogmoed, eerzucht en superioriteitsgevoelens. Het denken in termen van meer- en minderwaardig werk, van werk dat boven- en beneden mijn stand ligt, van werk dat vervulling geeft en werk dat dit niet doet, het denken in zulke termen werkt als een splijtzwam tussen mensen (en als onechte verbroedering tussen 'standgenoten'). Het is maar een kleine stap van het spreken over minderwaardig werk, via het spreken over mensen die minderwaardig werk doen naar het spreken over minderwaardige mensen., Natuurlijk probeert men zelf tot de meerwaardigen te behoren. Daarvoor moet men zich veel inspanning getroosten, want de trapjes van de pyramide zijn niet gemakkelijk te nemen.

De maatschappelijke consequentie van de hier beschreven verknoping is functionele verstarring. Functies worden zorgvuldig naar beneden en opzij afgeschermd. Naar beneden opdat niet mensen met minder opleiding in de functie penetreren en daarmee de functie van een stuk status beroven. Afscherming opzij opdat niet uit andere vakgebieden grensoverschrijdingen plaatsvinden, en de functie daarmee iets van zijn specialisme verliest (psychologen die het medisch-pediatrisch gebied betreden). Exclusiviteit betekent immers status (en een gunstige loon-onderhandelingspositie !). Het extreme voorbeeld hiervan zijn de Engelse vakbonden die via hun 'shopstewards' er streng op toezien of een timmerman geen lamp inschroeft (dat is werk voor de electriciën), of een electriciën geen gaatje boort in een metalen plaat (dat is werk voor de plaatwerker), en of de bankwerker geen klampje vastzet (dat moet de timmerman doen.

Het spreekt vanzelf dat de gevallen waarin een professie terecht tegen beunhazerij beschermd wordt hier niet bedoeld zijn, maar wordt dit argument niet al te vaak gebruikt om de eigenlijke motieven - angst voor status en positieverlies- toe te dekken ?
Wat is het gevolg van functie-verstarring ?
De technologie en daarmee het economische -ja het hele beroepsleven is van een grote dynamiek. Functies moeten kunnen ontstaan en vergaan, moeten kunnen worden gesplitst en samengevoegd, moeten zich tijdelijk kunnen afkapselen ten einde in professionaliteit toe te nemen en zich kunnen 'oplossen' ten einde de kwaliteit ervan te socialiseren, d.w.z. hun omgeving ermee te doordringen.

Wie ziet hoe een dergelijke dynamiek inherent zou moeten zijn aan een economisch leven dat zich helemaal richt naar de behoeften van de consumenten, kan ook zien hoe verstarrend, ontwikkelingsremmend en daardoor sociale-schokken-veroorzakend de hier beschreven functie-verstarring is. Hiermee is geduid op de maatschappelijke gevolgen van de verknoping van opleidingsniveau en functie-niveau.

De vervlechting van werkniveau en beloningsniveau
In het voorgaande is geprobeerd de beloningscomponent buiten beschouwing te laten. Hier en daar verscheen hij reeds. En wie het voorafgaande er nog eens op naleest, voelt in vrijwel iedere zin hoe de 'Dritte im Bunde' mee-aanwezig is. Door deze component wordt de veknoping nog veel hechter.

Prof. Kuiper van de Vrije Universiteit heeft enige tijd geleden de suggestie losgelaten om iedereen, bvb. vanaf 18 jaar recht op een minimum inkomen te geven of hij werkt of niet. Zijn argument was dat nu reeds ca. 1/5 van de beroepsbevolking om een of andere reden niet werkt en toch een inkomen (uitkering) heeft, terwijl ons rechtsgevoel zich daar niet tegen verzet. Welnu, suggereerde Kuiper, waarom die zaak niet veralgemenen ? De storm van verontwaardiging die hij hiermee heeft opgeroepen bewees hoe diep in ons gevoel arbeid en loon verknoopt zijn. 'Alleen wie door de poort van de arbeid schrijdt heeft recht op de inkomens-wei daarachter te grazen', zegt de een, en: 'wie in staat is tot werken en het niet doet is een parasiet, een klaploper', vindt de ander. Een diep verworteld paradigma is de opvatting dat arbeid koopwaar is. Loon is de prijs van de koopwaar arbeid. Hoe schaarser het goed hoe hoger de prijs. Op de arbeidsmarkt wordt de prijs van de arbeid volgens de wetten van vraag en aanbod bepaald. En ook als politieke factoren het economische prijsmechanisme doorbreken is het paradigma niet minder van kracht. Dan staan vakbonden tegenover georganiseerde werkgevers. Proberen de laatsten het rendement van het geïnvesteerde kapitaal op een redelijk peil te houden, zo streven de eersten naar zo voordelig mogelijke condities waaronderarbeid wordt aangeboden.

Door de koppeling met het loon wordt de hiërarchie van capaciteit en werk nog aanzienlijk versterkt. Een loonbedrag is exact en kwantitatief. het werk wordt geklassificeerd en de punten van de schaal corresponderen met salarisbedragen. Zo ontstaat een heel systeem van op elkaar aansluitende salarisschalen. Dat geeft de hiërarchische standenstaat een veilige verankering in de emotioneel geladen inkomenssfeer.

Ook bedrijfseconomisch is het paradigma achterhaalbaar: loonkosten verschijnen als onkosten in de bedrijscalculatie. Wanneer bepaalde producten gemaakt of bepaalde diensten geleverd moeten worden, wordt geschat of berekend hoeveel materiaal daarvoor nodig is, hoeveel machine-uren, hoeveel energie enz. en tenslotte ook hoeveel boekhouders-uren, bankwerkers-uren, toezichthouders-uren.

De prijs van de uren is bekend, soms kan er nog over onderhandeld worden. Zo komt de onkostenpost 'loon' tot stand. Daar worden de sociale 'lasten' (sic!) nog bijgeteld. De ondernemer kan nu gaan rekenen of het goedkoper is het werk uit te besteden of te mechaniseren i.p.v. er dure arbeidskrachten voor aan te nemen. Doordat arbeidsonkosten en machineonkosten als vergelijkbaar in de boekhouding verschijnen, doordat machinekracht (evt. machine-intelligentie) en arbeidskracht (resp. mensen-inelligentie) als uitwisselbaar beschouwd worden, heeft de mechanisatie gemakkelijk spel. Bedrijfseconomisch is er geen speld tussen te krijgen, dat het voordelig, ja noodzakelijk is, bepaalde arbeid door machines te vervangen.

Maatschappelijke, organisatorische en psychologische consequenties
Makro-economisch leidt dit tot de merkwaardige paradox dat steeds meer mensen uit het arbeidsproces worden uitgeschakeld, omdat machines het goedkoper lijken te kunnen doen, terwijl steeds meer werk van bvb. verzorgende, verplegende, dienstverlenende, educatieve en helpende aard ongedaan blijft omdat het, bij het huidige loonniveau, onbetaalbaar wordt. Aan de ene kant een groeiend leger werklozen, aan de andere kant een groeiend reservoir van onverrichte arbeid. En ondertussen kreunen de werkgevers onder de enorme sociale lasten die de loonkosten opdrijven. Ze moeten verder mechaniseren en mensen ontslaan. De lonen zijn te hoog. En die loonkosten zijn o.a. zo hoog omdat de toenemende bedragen voor werkloosheidsuitkeringen de sociale lasten zo opdrijven. Eén van die benauwende duivelskringen waar onze tijd zo rijk aan is.

In het bovenstaande is gewezen op de maatschappelijke consequentie van de verknoping 'werk-loon'. We willen nu nog wijzen op meer intern-organisatorische en psychologische consequenties. Wanneer mensen arbeid verrichten in het kader van functies die in geld worden uitgedrukt ("This is a S 20.000 job') is te verwachten dat zij zich steeds meer loongericht in plaats van werk-gericht zullen opstellen. Dit is inderdaad een algemeen verbreid verschijnsel. Er is bij veel werknemers een opvallende onverschilligheid t.a.v. de consument waarvoor men werkt en het product dat men maakt.

Dit leidt tot voor een levende beweeglijke organisatie uiterst verstorende verschijnselen. O.a. is er het 'opblazen' (belangrijk maken) van functies door het inlijven (feitelijk of alleen maar op papier) van allerlei activiteiten die de functie in waarde (en dus in prijs) doen toenemen. In taakomschrijvingen verschijnen dan kreten als 'coördinatie van werkzaamheden met afdeling x en y, overleg over prioriteiten met stafgroep z' enz. Dat verhoogt de 'communicatieve zwaarte' van de functie en dat kan via de puntenclassificatie en de loonschalen net enkele duizenden franken per maand schelen.

Natuurlijk zijn er door het bedrijf aangestelde professionele functieclassificeerders die zulke zeepbellen weer doorprikken (en door de vakbond aangestelde controle-classificeerders die ze weer volblazen!)

Maar het 'spel' is vaak onaangenaam en leidt tot harde uiteenzettingen in bedrijfscommissies en ondernemingsraden.

Het complement van dit verschijnsel is de chef die aan een medewerker vraagt of hij een leerling wil coachen, of hij bepaalde controlewerkzaamheden zelf wil verrichten, of hij een dag in de week in de buitendienst wil meelopen enz. enz. en die van deze medewerker te horen krijgt dat hij daarvoor niet aangenomen is. In zijn arbeidscontract is van dergelijke werkzaamheden geen sprake. Of hij zegt dat deze functieverandering in feite een functieverzwaring betekent en dat derhalve eerst herclassificatie nodig is.

Een extreme vorm van dit verschijnsel, waarbij het geld tussen de baas en zijn mensen staat en een soepele samenwerking onmogelijk maakt, is het stukwerk-systeem. De prestatie wordt gemeten en er wordt een norm gesteld. Zoveel stuks per uur levert het basisloon op. Elke tien stuks extra betekent zoveel frank premie. In feite heeft de arbeider hiermee een vrijheidsruimte gekregen waarmee hij zich volledig kan afschermen tegen de leiding.

Ik heb regelmatig meegemaakt hoe extra werkzaamheden, methodeveranderingen, wijzigingen in de productie-volgorde e.d. op de grootste weerstanden stuitten, omdat ze voor de arbeider een inkomensderving betekenden. Ook maakte ik mee hoe een groep abeiders om 3 uur het werk beëindigde. De baas sprak zijn verontwaardiging uit, want er was nog een grote achterstand in de productie. De arbeiders zeiden: 'wij hebben voor vandaag genoeg verdiend. Dat wij nu niet werken betekent voor ons een zelf gekozen inkomensderving. Dat is ons probleem en niet het jouwe'.

Zo wordt de werkmotivatie steeds meer loongericht en schuift de geldcomponent steeds meer tussen de mensen die het werk verrichten. De 'Equal-pay'-filosofie versterkt deze tendens nog. Deze filosofie betoogt dat het volstrekt onbelangrijk is, wie met welke opleiding onder welke omstandigheden het werk verricht. De functie wordt betaald. Of een man of een vrouw, een jeugdige of een oudere, een leerling of een geroutineerde er instapt is niet relevant ...

Ten slotte nog een laatste consequentie van de 'werk-loon-knoop' die we hier bespreken. Door de directe koppeling van een functie aan een loonbrdrag is het vanzelfsprekend dat iemand die een functie van 1 miljoen bemant meer waard is, dus hoger staat in de hiërarchie dan iemand die maar een half miljoen verdient. De bedrijfshiërarchie is in feite een salarishiërarchie. Hoe hoger, hoe machtiger, hoe meer inkomen. Deze hiërarchie wordt nog extra doortimmerd met rangen en titels. Hoewel in alle bedrijven een dagelijkse strijd wordt gevoerd tegen titel-inflatie en rang-erosie, wordt het middel nog steeds gebruikt om het oeroude beeld van de pyramide overeind te houden. Wat betekent dit voor de arbeidende mens ?

Achtergrond van het 'harlekijn-model'
Het beeld van de pyramide roept de voorstelling op dat het hoofd (de top, de machtigen, de 'hoge salarissen') dirigeert en dat de handen en voeten (de werkers, de uurloners) alleen uitvoeren. In veel organisaties gaan de mensen zich ook steeds meer gedragen naar deze voorstelling. Handen en voeten doen niets meer uit eigen initiatief. Zij wachten op directieven van het hoofd. Het hoofd groeit daardoor uit tot een waterhoofd, (groeiende stafafdelingen op het hoofdkantoor, de 'over-head-kosten groeien de directies boven het hoofd enz.) en is steeds onmachtiger het geheel te leiden.

Rudolf Steiner heeft erover gesproken dat een dergelijk verziekt arbeidsbestel zo lang zal blijven bestaan als men het onderscheid maakt tussen sensibele en motorische zenuwen. In de klassieke neurologie wordt onderscheid gemaakt tussen zgn. sensibele zenuwen die de zintuig-indrukken naar de hersenen leiden en zgn. motorische zenuwen die de opdrachten van de hersenen naar de spieren zouden sturen. Een soort harlekijn-model waarbij de ledematen-spieren via zenuw-touwtjes door het hoofd gedirigeerd worden. Steiner heeft beschreven (en de 'officiële neurologie begint na meer dan een halve eeuw schoorvoetend te volgen) dat de zgn. motorische zenuwen in feite ook sensibel zijn. Het enige verschil met de sensibele zenuwen is, dat zij niet de buitenwereld via oog, oor, neus, smaak enz. waarnemen, maar de eigen binnenwereld, met name de beweging van de ledematen, de spanning van de spieren, de stofwisselingsprocessen die daarmee samenhangen, het lichaamsevenwicht e.d.

In feite komt het bewegingsorganisme van de mens tot activiteit als resultaat van een directe wisselwerking tussen het menselijk Ik en de omgeving. Via de motorische zenuwen wordt deze beweging waargenomen en tot bewustzijn gebracht.

Het harlekijnmodel leeft nog zo sterk in de voorstellingswereld van de mensen (als gepopulariseerde medische natuurwetenschap) dat het onbewust ook aan onze organisaties ten grondslag wordt gelegd. En de verknoping van loon en werk kan deze onrealistische voorstelling m.b.t. het functioneren van sociale organismen alleen maar continueren, ja tot een soort schijn-realiteit maken ...

Het gaat er dan inderdaad naar uitzien dat de hoger betaalden aan de ledematentouwtjes van de lager-betaalden trekken. En wie hanteert de touwtjes van de hoogst betaalden ?

De vervlechting van loonniveau en opleidingsniveau
Wanneer we de derde zijde van de driehoek in ogenschouw nemen moeten we ons ook hierbij weer realiseren dat we een kunstgreep voltrekken. In de werkelijkheid zijn de die componenten steeds tezamen aanwezig. Ten einde dieper in de heilige driepoot van ons arbeidsbestel binnen te dringen bekijken we steeds een relatie tussen twee factoren. Bij de hier aan de orde zijnde relatie is de mens zelf weer in het geding. We praten over zijn capaciteit die hij door opleiding en ervaring verworven heeft c.q. denkt te hebben. De verknoping met het loon betekent nu dat iemand op grond van zijn opleiding en verworven kennis aanspraak maakt op een bepaald inkomen, ongeacht de functie en de prestaties in die functies.

Een academicus verwacht, ook al komt hij meestal met twee linkerhanden zijn eerste baan binnen, op een bepaald niveau 'ingeschaald' te worden. 'Je verkoopt je opleidingsniveau'. Wie met veel moeite zich van het A2-niveau naar het A1-niveau heft opgewerkt, komt met een hoogwaardiger product op de arbeidsmarkt en verwacht een hogere prijs. Dit is de achtergrond van het feit dat veel opleidingen vercommercialiseren, doordat het studie-motief minder te maken heeft met interesse voor het vak maar met met de rendabiliteit van de investering: wat kost zo'n opleiding, welke offers moet ik brengen en welke inkomens-eisen staan er later tegenover, welke opbrengsten kan ik straks verwachten ?

[ ... ] Op en wat andere wijze komt deze verknoping tot uitdrukking in de automatische inkomensverhoging met het toenemen van de anciënniteit. Daarachter ligt de filosofie dat iemands capaciteiten toenemen -dat hij meer waard wordt voor de organisatie- naarmate hij langer in het bedrijf is. De schalen geven precies aan hoeveel die waarde-toename is voor elk jaar dat men ouder wordt. Pikante bijzonderheid is dat de hiërarchische standenstaat ook hier om de hoek kijkt. Hoe hoger het inkomen, hoe langer de schaal doorloopt. Een bankwerker is met 23 jaar al aan z'n plafond, een research-ingenieur kan tot zijn vijfstige nog 'periodieken' claimen. En zo worden jaarlijks honderdduizenden beloond, omdat zij ook dit jaar niet het initiatief hebben genomen van baan te wisselen, en ondanks het feit dat zij ook dit jaar nauwelijks van hun ervaringen geleerd hebben ...

Wegens plaatsgebrek moeten we het tweede deel van dit artikel (ong. 14 blz.) weglaten. We gaan direct naar het laatste deel,

Samenvatting en slot
We zijn dit artikel begonnen met de stelling dat het arbeidsbestel ziek is. We hebben gewezen op problemen van gastarbeiderdom, werkloosheid, vlucht in ziekte en arbeidsongeschiktheid, afnemende werkmotivatie e.d. Werk wordt gezien als straf. Het neemt een groot deel van het leven in beslag en toch nemen de meeste mensen er innerlijk geen deel aan. Om iets te kunnen presteren moet je iets geleerd hebben. Een groot deel van het onderwijsbestel is gericht op het werkleven. De school wordt toeleverancier van capaciteiten.

Daarmee wordt leren voor veel mensen tot iets dat net zo vervelend is als werken. Is er een uitweg ? Ja, zeggen de meesten: door het loon dat je krijgt kun je in je vrije tijd aan je eigenlijke leven beginnen. Hoe korter werken en hoe meer loon, hoe meer in de vrije tijd het ware leven kan geleefd worden. Maar in hun vrije tijd en in hun wooncultuur worden diezelfde mensen object van vrijetijdsindustrie, van geïndustialiseerde tour-operators en van technocratische nieuwbouw-projectontwikkelaars. Wat zij aan de ene kant proberen te ontvluchten, komt hen van de andere kant tegemoet.

Om de drie sferen van leren, leven en werken weer gezond te maken moeten we dieper graven naar de oorzaak. Daarvoor hebben we in dit artikel onderzocht hoe de componenten van ons arbeidsbestel zich tot elkaar verhouden: capaciteit (leren), functie (werk), en loon (leven). We hebben gezien dat deze alle drie hiërarchisch geordend en heilloos verknoopt zijn. De vervlechting leidt tenslotte tot een ontkenning van de mens als geestelijk zich ontwikkelend wezen, en bereidt de weg voor naar een centralistische eenheidsstaat. Een gezondmaken van ons arbeidsbestel vraagt om een radicae ontvlechting van capaciteit, loon en werk. Deze ontvlechting is één van de wegen waarlangs het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven de relatieve autonomie kunnen verkrijgen die nodig zijn voor een gezond maken van het maatschappelijk bestel in zijn geheel.

In het laatste deel van deze bijdrage werd getracht om een veelheid van wegen te tonen waarlangs met deze ontvlechting kon begonnen worden. Het is een taaie materie omdat ze zowel wettelijk als psychologisch sterk verankerd is. Toch krijgt men de indruk dat het arbeidsbestel zodanig aan het vastlopen is, dat er openingen komen voor wezenlijke vernieuwingen. Het is van belang dat we dan weten in welke richting deze vernieuwing kan gaan.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Rudolf Steiner in Nederland


Onder deze titel verscheen in 1994 een boek bij de uitgeverij Pentagon, waarin bijdragen opgenomen zijn van verschillende personen die Rudolf Steiner ontmoet hebben toen hij in Nederland voordrachten gaf, toen hij de eerste Vrije School bezocht enz.

De oprichting van de Nederlandse antroposofische vereniging was gepland voor november 1923, Dr. Zeylmans van Emmichoven zou er de voorzitter van worden. Ook in die periode kwam Rudolf Steiner naar Nederland; hij was toen 62 jaar. Willem Zeylmans vertelt:


[ ... ] " Ik haalde met een paar vrienden Steiner van het station af. Toen de trein langzaam binnenreed en ik Steiner aan het raam zag zitten, schrok ik erg omdat hij er zo moe en bleek uitzag, en tegelijkertijd herkende ik datgene van zijn gezichtsuitdrukking wat boven de tijd uitsteeg. Het leek alsof zijn gezicht uit een rots was gehouwen en het ging me door merg en been. Toen volgden de gebruikelijke dingen: ik hielp hem met uitstappen en we begroetten de vrienden die met hem meegekomen waren: Marie Steiner, Myta Waller, Ita wegman en Günther Wachsmuth. En toen we dan eindelijk de trappen afliepen, vroeg ik of hij een goede reis had gehad. Midden in de stroom reizigers bleef hij staan, draaide zich naar mij om en vroeg verbaasd: "Wat noemt u een goede reis ?"

Plotseling begreep ik wat hij bedoelde. Ik had hem zien binnenkomen, onze blikken hadden elkaar ontmoet, ik had gezien hoe hij was en hij zag dat ik dat gezien had; en nu vroeg ik of hij een goede reis had gehad. Net alsof hij wilde zeggen: wordt wakker, wees toch niet burgerlijk ! - Nog steeds stonden we onbeweeglijk stil in de stroom voetgangers.

"Ik bedoel alleen maar of er geen uiterlijke ongeregeldheden zijn geweest", zei ik tot slot. " O, dat bedoelt u ! Ja, dán heb ik een goede reis gehad".

Hij bracht een bezoek aan het schooltje; het waren slechts een paar kamers in een privé-woning met heel weinig kinderen in drie klassen. Maar hij behandelde de oprichting met de ernst en zorgvuldigheid als betrof het een grote school. Hij bekeek de kinderen, gaf overal afzonderlijk advies voor, vaak ook op medisch gebied. Mij, als schoolarts, verrasten deze medische opmerkingen vaak. Er was een klein mager jongetje met een bleek gezichtje, een echt volkskind. "Hij is tot in zijn organen bang", zei Steiner," hij moet met heileuritmie een "I" maken, terwijl hij over een staaf springt ... en dan natuurlijk prunus spinoza ... "

Ik had nog nooit van prunus spinoza gehoord, want bij ons op de universiteit werd nauwelijks nog iets aan plantkunde gedaan, en nu voelde ik mij een domoor; alles was nieuw en verrassend.
"Hypericum perforatum, dat kent u toch ? Zijn bladeren hebben allemaal gaatjes, daar kun je de oliedruppeltjes in zien zitten", vertelde hij mij, die met een schrijfblok verder naar achteren zat.

Zo ging dat drie ochtenden door met de twee leraren: Mr. Van Bemmelen, Mw. Mulder en de euritmie-lerares Jw. Hoorweg.

De kliniek was eveneens slechts een privé-woning; daarin werkte ik met een verpleegster. Eerst hadden we maar één enkele patiënte, die zich echter beschouwde als een pensiongast. En weer deed Rudolf Steiner alsof er een groot ziekenhuis was geopend. Voor twee medische voordrachten die hij zou houden, had ik zo'n 35 artsen en medicijnen-studenten bijeengebracht; de voordrachten werden verbazend goed opgepakt, hoewel de meesten voor het eerst iets over antroposofie hoorden. Na de tweede voordracht nam een wat ouder arts het woord. Hij vertelde dat het geheel een grote indruk op hem had gemaakt, het kwam op hem over als een samenhangend systeem, waarin weliswaar nog gaten zaten, maar hij begreep dat door verdere voordrachten deze gaten zouden worden gedicht. "Ook mijn natuurwetenschappelijke visie is een gesloten systeem", zei hij, "ook met gaten, en ook die kunnen verdwijnen. Waar moet ik voor kiezen ?"

De arts die dit vroeg zat helemaal achteraan. Steiner liep langzaam naar hem toe, ging bij hem staan en zei: "U heeft helemaal gelijk. Feitelijk kun je niet verder komen. Maar het hart moet beslissen". Deze arts belde me de volgende dag op en vertelde dat, hoewel hij niet helemaal overtuigd was, hij toch de antroposofische geneeskunde een eerlijke kans wilde geven en hij vroeg mij hem vanwege zijn angina pectoris te behandelen." [ ... ]


De arts over wie het hierboven ging was de tweede man van Jan van Wettums moeder. Hij vertelt zijn versie:

[ ... ] "Mijn moeder had in Nederlands-Indië les gekregen van een leraar in esoterische kennis. Toen ze hem had verteld dat ze in Nederland ging wonen, had hij haar gezegd dat ze niet mocht verzuimen in Europa een zekere Rudolf Steiner te ontmoeten; en dat dát de grote leraar van het Westen was ! Ook had hij gezegd dat ze elkaar goed kenden, maar elkaar nog nooit persoonlijk hadden ontmoet !

Toen Steiner kort na W.O. I weer in Nederland kwam, is mijn moeder naar hem toe gegaan met de vraag of ze zijn leerling kon worden en lid kon worden van de vereniging. Na zijn bevestigend antwoord vertelde ze het aan haar tweede man, de arts dus, en ze vroeg hem zijn oordeel. Deze man, die ik steeds meer ben gaan waarderen om zijn absolute eerlijkheid en hoogstaande moraal, was een mens die geen drie woorden gebruikte als twee voldoende waren, Zijn 'ja' was ja, zijn 'nee' was nee, was tastbaar, was werkelijk, de rest fantasie. Zijn antwoord was dus typerend: "Waarom niet ? Een dame voelt zich altijd aangetrokken tot iets nieuws, vooral als er dan nog geestelijke aspecten aan te pas komen. Voor mij als man van de wetenschap is het natuurlijk onzin." Daar moest zij het mee doen. Ze is lid geworden, maar heeft er nooit met haar zoons over gesproken.

Dr. Zeylmans van Emmichoven, die voor de opening van zijn kliniek dat groepje van 12 of 14 bekende artsen had uitgenodigd, had nu ook mijn tweede vader een uitnodiging gestuurd en ... tot onze grote verbazing had hij -om gezondheidsredenen had hij geen praktijk meer- de uitnodiging aanvaard. Begrijpelijk is dus de spanning waarmee mijn moeder en ik de afloop van die drie zittingen tegemoet zagen.

De eerste zitting was voorbij. We zagen hem aankomen. Zijn gezicht stond op 'onweer'. Zelf zei hij niets. En dan was het verstandiger om maar niet al te veel te vragen, want dan konden er heel onplezierige uitbarstingen volgen. Na de tweede zitting hetzelfde. De volgende morgen na de lange, laatste zitting kwam er alleen maar als een soort uitbarsting over zijn lippen: "Die man is een medische encyclopedie". Meer niet.

Gelukkig heb ik niet zo lang na deze bijeenkomsten een kort verslag uit de mond van Zeylmans zelf gehoord. Volgens hem had mijn tweede vader juist wel de belangrijkste vraag van de hele bijeenkomst gesteld. [ ... ]
Zijn vraag luidde ongeveer zo: "Ik sta in een medische stroom. Natuurlijk zijn we ons ervan bewust dat we lang niet alles weten. Maar we zijn bereid steeds meer te leren. Toch mag ik zeggen dat wij in een 'totaliteit' staan. Nu merk ik dat u, Steiner, ook in een totaliteit staat. Maar die is anders dan die waar ik in sta. Hoe kom ik te weten welke van de twee de juiste is ?"

En Steiners antwoord was voor mij al even verrassend als de vraag: "Ja, u heeft gelijk. U staat in een zekere totaliteit. Ik moet in een andere staan", en dan de simpele woorden: "Das Herz entscheidet" (het hart beslist). Niets meer. Mijn conclusies daarover zijn:

1. Steiner had zoveel respect voor andermans mening dat hij nooit probeerde iemand over te halen.

2. Al heel jong had hij de filosofie van Kant grondig bestudeerd. In de zgn. 'Antinomieën-Tafeln' schrijft Kant een these op en bewijst logisch dat die these waar is.
Dan zet hij op de volgende pagina de antithese en bewijst dan logisch dat ook die antithese waar is.
Kant wist dat het menselijk intellect in zijn tijd al zo ver was dat men verstandelijk alles kon bewijzen.
Wat er dus op neer kwam dat men niet tot de waarheid kan doordringen door alleen verstandelijk redeneren, dat daar nog iets anders voor nodig is.
Zelf had ik dat zo duidelijk beleefd in mijn tweede ontmoeting met Steiner.
En nu karakteriseerde Steiner dat zelf, dat er iets in de menselijke ziel verborgen is wat zelf moet zeggen:
"Ja, dat is het !"


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .