De Brug 16 van juni 1997

Antroposofie en sekten

In 1994 verscheen het boek "Sekten in België" van de journalist Alain Lallemand. Het boek bevat een bloemlezing van gekende groeperingen die als sektarisch omschreven worden. Alain Lallemand heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij een fervent bestrijder is van de antroposofische beweging, en dus geeft hij in zijn boek een zeer negatief beeld van de beweging. Zijn beschrijving van de antroposofie is eigenlijk een stukje grof boosaardig cynisme, en geenszins met kennis van zaken geschreven. Dit neemt echter niet weg dat het boek een belangrijke waarde heeft: het brengt -voor de eerste keer in België- een aantal gevaarlijke groepen in kaart en het is een verzameling van belangrijk feitenmateriaal. Dat is dan ook de reden waarom het boek van Lallemand als basis gediend heeft voor de Staatsveiligheid.

Vóór de val van de Berlijnse muur had de Staatsveiligheid geen enkele informatie over sekten omdat het probleem als marginaal beschouwd werd. Tengevolge van het uiteenvallen van het Oostblok -een aantal informanten en spionnen bij de Staatsveiligheid waren ineens werkloos- en tengevolge van enkele zeer kwaadaardige ontwikkelingen waarbij sekten betrokken waren, werd in 1994 een sectie "Sekten" opgericht binnen de Staatsveiligheid. Het staat vast dat deze sectie een sektelijst opgesteld heeft aan de hand van het boek van Lallemand; die lijst werd vervolgens aangevuld met informatie uit eigen onderzoekingen. Nu kon de parlementaire onderzoekscommissie onmogelijk naast deze lijst kijken, want dat zou betekend hebben dat de commissie de officiële instantie die waakt over de veiligheid van het Belgische Rijk, zou genegeerd hebben. Dat kon dus niet, en bovendien heeft een bepaalde machtsgroep van vrijdenkers in de commissie te allen koste haar wil doorgedrukt: ofwel moesten alle geviseerde groepen op de lijst, ofwel kwam er geen lijst. Het was dus onvermijdelijk dat de antroposofische beweging op de lijst kwam te staan.

De sektelijst, die 189 groeperingen vermeldt, is vanaf het begin omstreden geweest aangezien de commissie geen valabel criterium gevonden heeft voor wat een gevaarlijke sekte is. Derhalve bevinden groepen met edele doeleinden zich in het gezelschap van gevaarlijke sekten.

Desondanks lijkt het geen slechte zaak te zijn dat de sektelijst er gekomen is, want er bestaan inderdaad uiterst gevaarlijke, demonische sekten die geen ander doel hebben dan de menselijke ontwikkeling te vernietigen. Het ultieme doel van gevaarlijke sekten is het vernietigen van het menselijk Ik, en achter dit streefdoel staat -nu nog verborgen- Sorat, de grote zonnedemon, die in het Boek der Openbaring ten tonele wordt gevoerd. Sorat is de echte tegenstander van Christus. Christus wil dat de mens wordt als een die "verwerkelijkt geloofskracht en wijsheidskennis, die een naam geschreven heeft die niemand kent dan slechts hijzelf"(Openb. 19:11-12).

Die naam is het "Ik-Ben", hetgeen betekent "Christus". Sorat wil het tegendeel: hij wil de mens in eerste instantie dierlijk houden, totdat hij later zelf een demon wordt. Sorat werkt nog niet rechtstreeks op aarde, maar vanuit het wereldruim begluurt hij de aarde om op zijn tijd, die zeker komen zal, persoonlijk toe te slaan.

Sorat stuurt een bondgenoot vooruit: Ahriman. Ahriman is de Satan die hoegenaamd niets wil weten van een geestelijke ontwikkeling, die koud, gevoelloos is, die de mens tot een automaat wil maken. Wanneer alle moraliteit vernietigd is, dan ligt de weg voor Sorat open om zijn ware intenties te verwezenlijken: het opwekken van de ware boosheid, van het sadisme.

Ahriman zou geen greep op de mens krijgen, indien de mensenziel niet voortdurend verzwakt wordt door een ander wezen, en dat is Lucifer. Hij is de duivel die zegt: "Ik ben God. Volg uw driften, uw instincten, daarvoor heb ik ze gecreëerd". Lucifer verhindert een reële zelfontplooiing door de instinctieve gevoelens aan te wakkeren, hij probeert de mens in slaap te wiegen door de lagere gevoelens op te wekken en het Ik-gevoel te camoufleren, en zo kunnen de Ahrimanische wezens ongemerkt de menselijke ziel binnensluipen.

Het Duistere Tijdperk is voorbij sedert 1899. De mens staat aan de drempel van een tijdperk waarin bovenzinnelijke beelden zich voor de ziel zullen manifesteren; velen hebben tenminste reeds een onbestemd gevoel, een vermoeden, dat het geestelijk schouwen op het punt staat de ziel binnen te dringen. Dit geestelijk schouwen wordt niet het alleenrecht van enkele uitverkorenen die zich spiritueel geschoold zullen hebben, want deze mogelijkheid zal -eerst nog vaag- iedereen ten deel vallen, ook de meest verstokte materialisten:

"Zie, Hij komt in de wolkensfeer, en elk oog zal Hem schouwen, ook zij die Hem doorstoken hebben (Openb. 1:7).

"Hij" is de Christus, die niet meer op aarde zal komen, maar in de wolkensfeer, dat betekent in de geestelijke etherische sfeer die de grens vormt tussen de fysieke aarde en de hemelsfeer. Vanaf nu kan de mens, niet als een persoonlijke verworvenheid, maar als een natuurlijke gave, de Christus nabij komen in de wolkensfeer. De mensenziel evolueert dus naar een spiritueel inzicht op een hoger niveau dan het aardse vlak, en dit zal zich op een relatief korte termijn voltrekken. Deze evolutie erkennen de traditionele geloofsbelijders niet -de materialisten uiteraard evenmin. Voor dezen is slechts een bepaalde (materiële) evolutie mogelijk op fysisch gebied; zij willen de godenwereld strikt gescheiden houden van de mensenwereld, en voor hen kan de mens slechts geloven in een godenwereld, hij kan deze wereld nooit naderen, laat staan zich ermee verbinden. Omdat de traditionele kerken blijven vasthouden aan een starre dogmatische leer (die vroeger weliswaar een bestaansrecht had), keren de mensenzielen zich af en zoeken zij alternatieven om hun geestelijke noden te lenigen. Welke zijn de alternatieven ?

- De antroposofie (in al haar vertakkingen: sociaal leven, pedagogie, religie, landbouw, kunst enz.), die een waardige Ik-ontwikkeling nastreeft, met inachtneming van het diepste respect voor de menselijke vrijheid, en met één als voorbeeld hoe het moet (en niet anders zijn kan): Christus.

- De sekten: hun streven is erop gericht het Ik-bewustzijn te manipuleren en te verzwakken om het tenslotte te vernietigen. Welke leer er ook gepropageerd wordt, hij is altijd gebaseerd op een gefantaseerde geesteswereld (visioenen, hallucinaties of gewoon bedrog) of op een of andere heidense cultus die geen bestaansrecht meer heeft. De leer is nooit op Christus gericht, tenzij wanneer Christus aangevoerd wordt als een profeet onder de andere profeten, of voorgesteld wordt als "Jezus, de eenvoudige man uit Nazareth"; in deze optiek wordt Christus' betekenis voor de mensheid geminimaliseerd, ja zelfs geridiculiseerd.

De sekteleer is de leer van Ahriman, de misleider. Met alle mogelijk denkbare listen en manipulaties (want Ahriman is uiterst inventief) wordt gepoogd de ziel te misleiden. Allerhande onzinnige fantasieën, visioenachtige toestanden, hallucinaties enz. worden als de ultieme spirituele leer uitgelegd. Dat dergelijke toestanden niets te maken hebben met bovenzinnelijke waarneming, integendeel mogen beschouwd worden als onder-zinnelijke verschijnselen, blijkt uit de volgende tekst:

"Zij willen ervaringen waarvoor de mens niets hoeft te doen, waarbij hij geheel passief blijft. Zijn zulke mensen bovendien niet bekend met de eenvoudigste eisen inzake de wetenschappelijke benadering van een verschijnsel, dan zien zij in ziele-ervaringen of ziele-uitingen waarbij de ziel afdaalt onder het niveau van bewuste werkzaamheid dat het zintuiglijk waarnemen en het doelgericht handelen kenmerkt, een objectieve benadering van een niet-zintuiglijke realiteit. Tot dit soort van ziele-ervaringen behoren visionaire toestanden, mediamieke openbaringen. Wat door zulke openbaringen voor de dag treedt, is echter geen bovenzintuiglijke maar een onderzintuiglijke wereld".

Terwijl Ahriman de misleider is, is Lucifer de verleider. Ahriman is de misleidende sekteleer, Lucifer is de verleider tot die leer. Lucifer werkt overal waar wellust heerst, "waar een zodanige wellust heerst, dat men er zich de vingers van aflikt", zegt Rudolf Steiner. En inderdaad wordt er in sekten, naast de leer zelf, een essentiële waarde gehecht aan het beleven van een soort schimmige mystiek. De ziel wentelt zich daarbij in wellust. Volgens Rudolf Steiner is er in wezen geen verschil tussen dit soort wellust en lichamelijke wellust.

Overigens is het volgen van een spirituele scholing niet zonder gevaar. Velen hebben een hartstochtelijk verlangen om in contact te treden met een bovenzinnelijke wereld, terwijl zij menen hiervoor zelf niets te moeten bijdragen. Wie bij zichzelf hogere vermogens wil ontwikkelen, moet eerst en vooral een bepaalde levenshouding streng in acht nemen, zoniet komt men al gauw tot een bedenkelijk resultaat. Die levenshouding bestaat uit een streven naar waarachtigheid (een verdediging tegen Ahriman) en uit de wil tot het leiden van een zedelijk leven (een verdediging tegen de Lucifer-invloed):

"Daarom moet ieder die de geheimen van de menselijke natuur uit eigen aanschouwing wil leren kennen, de gouden regel naleven van alle ware geestswetenschap. En deze gouden regel is: als je één stap voorwaarts probeert te doen in je kennis van verborgen waarheden, doe dan tegelijk drie stappen voorwaarts in de opvoeding van je karakter tot het goede".

Rudolf Steiner waarschuwt uitdrukkelijk voor het bewandelen van andere wegen dan die van de ware geesteswetenschap:

"Omdat iets van die wegen toch steeds weer in de openbaarheid geraakt, moet er uitdrukkelijk tegen gewaarschuwd worden ze te betreden. Om redenen die alleen een ingewijde kan begrijpen, kunnen deze wegen nooit in hun ware gedaante openbaar gemaakt worden. En de brokstukken die hier en daar aan het licht komen, kunnen niet tot iets heilzaams leiden, wel echter tot ondermijning van gezondheid, geluk en innerlijke vrede. Wie zich niet aan duistere machten wil overgeven, waarvan hij de ware aard en oorsprong niet kan weten, kan beter vermijden zich met zulke dingen in te laten".

Een van de laatste voordrachtenreeksen die Rudolf Steiner gehouden heeft, was bedoeld voor priesters. Uit die voordrachten blijkt dat de Apokalyps, de Openbaring volgens Johannes, uiterst actueel is. Vele apokalyptische beelden die in dit boek verduidelijkt worden, hebben rechtstreeks betrekking op de huidige sekteproblematiek. Bijvoorbeeld het deel dat handelt over de val van Babylon, over de val van het Dier en de valse profeet.

"Gevallen, gevallen is het machtige Babylon,
en het werd tot woonplaats van demonen en wachttoren van onreine geesten,
een wachttoren van alle onreine en verfoeide vogels.
Want van de wijn van de hartstocht van haar ziele-ontucht,
hebben alle volkeren gedronken,
en de koningen der aarde bedreven ontucht met haar,
en de kooplieden der aarde hebben zich verrijkt aan de macht van haar wellust. (Openb. 18:2-3)

Ooit is de stad Babylon het centrum geweest van een mysteriecultus waar priester-ingewijden zich door middel van mediamieke helderziendheid konden verdiepen in de astrale wereld, in de sterrenwereld. Toen dat soort helderziendheid begon te verdwijnen om plaats te maken voor het Ik-bewustzijn, raakte de cultus in verval. Nu waren er altijd nog mensen die door overlevering of door een atavistische, uit de tijd geraakte helderziendheid, toegang hadden tot de mysteriën, maar dezen konden de sterrengeheimen niet juist meer interpreteren. In de plaats van in de astrale wijsheid kwam men terecht in de "astrale drek". Want in de geestelijke wereld bestaat er werkelijk -beschouwd vanuit een moreel menselijk standpunt- zoiets als "astrale drek". Onze menselijke wereld wordt gekenmerkt door moraal, maar in de astrale wereld bestaat zoiets als moraliteit niet; daar zijn wezens die goed zijn en wezens die slecht zijn, en in hun eigen aard en in hun eigen wereld hebben ook die slechte wezens hun bestaansrecht. Die wezens vormen de "astrale drek", en zelf zeggen zij niet van welke aard zij zijn, "goed" of "slecht". Daarom is het van belang dat men zich geestelijk schoolt vooraleer men wil schouwen in de geestelijke wereld; men moet daar zelf kunnen onderscheiden wat de "goede" en de "slechte" wezens zijn. Zonder een morele scholing wordt de mens, nadat hij in contact gekomen is met de spirituele wereld, onzedelijker dan hij voordien was, omdat hij het onderscheid niet meer kan maken tussen goed en kwaad. Er treedt een zeker moreel verval in, en dat is wat de schrijver van de Apokalyps bedoelt met de "hoer Babylon".

Dit is nu precies de handelwijze zoals zij in sekten toegepast wordt: men vlucht weg van de fysieke wereld, op zoek naar een (lagere) spirituele wereld die zonder twijfel dikwijls ook gevonden wordt. Vandaar het wereldvreemd gedrag, de leugenachtige spiritualiteit en het moreel verval dat kenmerkend is voor sekten.

"En gegrepen werd het dier, en met hem de valse profeet
die wondertekenen volbracht voor zijn aangezicht,
waardoor hij verwarde hen, die het merkteken van het dier ontvangen hadden
en die de aanbiddende groet brachten voor zijn beeld.
Levend werden deze beiden geworpen
in de poel van vuur,
die door zwavel opgloeit."(openb. 19:20)

Bij de val van Babylon zijn mensen betrokken die tot moreel verval geraakt zijn omdat zij zich ingelaten hebben met machten waartegen hun psychische organisatie niet bestand was, m.a.w. Babylon valt ten prooi aan een menselijke dwaling.

Bij de val van het dier en de valse profeet -deze laatste is degene die de leer van het dier verkondigt- is niet het menselijke, maar het bovenmenselijke betrokken. Het is het dier zelf (de satan) dat de mensengemeenschap wil treffen. Door het moreel verval en de daardoor verzwakte ziele-organisatie is het zeer goed mogelijk dat de mens zijn persoonlijkheid zelf, dus zijn Ik verliest en, letterlijk, bezeten wordt door een boosaardige menselijke macht:

"Er zullen op aarde wezens rondlopen die er weliswaar als mensen uitzien, maar die [ dem Lose verfallen sind ] zodanig dat eigenlijk hun mensen-Ik uit hen weg is, zodat men deze niet meer als mens kan aanspreken omdat zij bezeten zijn door het dier en de valse profeet. Na de "val van Babylon" zullen er mensen op aarde zijn die rondwandelende demonen zijn, waarin de Ahrimanische machten rechtstreeks optreden".

jv

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

De hiërarchieën in de sterrenwereld

De Nederlandse Elisabeth Vreede (1879-1943) was jarenlang leider van de "Mathematisch-astronomische Sektion" aan het Goetheanum. De omzendbrieven van deze Sektion werden gebundeld en als boek uitgegeven onder de titel "Anthroposofie und Astronomie". In deze Brug publiceren we enkele "kosmische" beschouwingen uit dit boek. Voor alle duidelijkheid geven we nog eens de negen hiërarchieën zoals die in de occulte wetenschap benoemd worden:

Onder de Drievuldigheid bevindt zich de eerste hiërarchie, met name de

1) Serafijnen (Geesten der Liefde)
2) Cherubijnen (Geesten der Harmonieën)
3) Thronen (Geesten van de Wil).

Daaronder de tweede hiërarchie:

4) Kyriotetes (Geesten der Wijsheid)
5) Dynameis
6) Exousiai

Daaronder de derde hiërarchie:

7) Archai (Tijdgeesten)
8) Aartsengelen
9) Engelen.

De mens moeten we beschouwen als de tiende hiërarchie.

De citaten uit het werk van Rudolf Steiner staan tussen aanhalingstekens.

[ ... ] Het zijn de Geesten der Wijsheid die in de sterren leven. Tevens zijn zij de geesten die het bewustzijn der planeten regelen, het laagste gemeenschappelijke bewustzijn. Zij wonen op de zon. Aldus hebben zon en vaste sterren vanuit dit gezichtpunt een gemeenschappelijke wezensniveau.
Tussen de afzonderlijke vaste sterren heerst een wederzijds overeenkomen dat door de Serafim wordt bewerkstelligd. De Geesten van de Wil van hun kant impulseren de beweging van de planeten in de ruimte, de Cherubim regelen de gemeenschappelijke beweging van het systeem, zodat iedere planeet zich tegelijk richt naar het geheel.

"Zoals er orde ontstaat wanneer -laat ons zeggen- een groep mensen waarvan een deel naar hier, een ander deel naar daar wil gaan, zich begint naar een gemeenschappelijk doel te richten; zo worden de bewegingen der planeten geordend tot ze in samenklank zijn. Dit samengaan der bewegingen van de ene planeet met de andere, het feit dat in de beweging van een planeet rekening gehouden wordt met een andere, dat is het werk van de Serafim."

We hoeven daarbij niet alleen aan de planeten van ons zonnestelsel te denken. Ook sterren kunnen omcirkeld worden door planeten. De moderne astronomie neemt zulke planeten aan, die echter door de nabijheid van het licht en leven van hun "zon" niet zichtbaar kunnen worden. Daarbij moeten we niet uit het oog verliezen dat sterren van een planeetniveau tot een sterniveau zijn geëvolueerd, juist op dezelfde manier als onze zon, die zich ooit van de aarde moest losmaken omdat deze laatste het ontwikkelingstempo van de zon niet kon volgen.

"Een vaste ster is een meer ontwikkelde planeet, zij heeft de dingen die niet konden meekomen afgestoten. Hogere wezens hebben hun bestaan ingericht op een vaste ster. Iedere vaste ster is ontstaan uit een planeet . . . Wij veranderen ons met de aarde in wezens van een hoger niveau, die dan het bestaan op een ster kunnen verdragen" [ ... ]

Aldus worden de sterren voor ons zoals Rudolf Steiner ze altijd beschreef toen hij van de uiterlijke maja op de werkelijkheid wilde wijzen: kolonies van geestelijke wezens. Hij wees erop dat ook de aarde als een dergelijke kolonie moest beschouwd worden als men ze helderziend van buitenaf zou bekijken: groepszielen van planten en dieren, de individuele zielen der mensen, de volkszielen enz. zouden de bevolking uitmaken. Op het fysieke zou het minder aankomen. Aldus wijst ons ook iedere ster de richting, waar we een kolonie van natuurlijk veel verhevener wezens kunnen aantreffen.
Wij moeten deze uitdruking "richting" letterlijk nemen. Want het is namelijk niet zo dat we op de ster die we aan de hemel zijn schitteren, de geestelijke wezens zelf zouden aantreffen. Zij zijn niet meer met de ster zelf verbonden, eigenlijk is die ster daar, voor ons zichtbaar, alleen maar doordat ze niet meer het lichaam of de woonplaats van een godenkolonie is. We raken hiermee terug het geheim van de goddelijke evolutie aan, de ontwikkeling van geestelijke wezenheden, die in de loop der tijden trapsgewijze opstijgen. We zagen hoe een "planeet" een vaste ster kan worden en daarna zelfs tot een dierenriembestaan kan geraken. De vaste ster maakt echter ook veranderingen mee als de wezens die met haar verbonden zijn in hun ontwikkeling verder schrijden. En zo is het ooit gebeurd tijdens de ontwikkeling van de aarde dat geestelijke wezens geen sterrenlichaam meer nodig hadden en het verlieten, net zoals de mens bij de dood zijn fysiek lichaam verlaat. Sterren zijn verlaten godenlichamen, placht Rudolf Steiner te zeggen.
[ ... ]
Het zijn niet de Serafijnen, de Cherubijnen, de Thronen, die met de dierenriem verbonden zijn, noch de Geesten der Wijsheid, die het vaste ster-stadium bereikt hebben, die we in de ster ontwaren, maar de ster wijst slechts de richting aan van de plaats waar deze wezens hun werkingsimpuls en hun verblijfplaats in het wereld-al hebben.

Lucifer, de lichtdrager - letterlijk !

Indien er daar nu niets anders was, dan zouden wij met ons huidig bewustzijn en zintuigorganen, van deze sterrenwereld niets kunnen waarnemen. Hoogstens zou er zoiets als een korte, snelle lichtflits kunnen optreden. Want de Thronen maken zich in onze wereld kenbaar precies door de bliksem: het plotselinge scheuren van de ruimte is hun fysieke openbaring. De sterren echter, ondanks hun fonkelen, schijnen ons voortdurend toe met hun blijvend en rustig licht. Dat dit zo is, dat we überhaupt kunnen genieten van de sterrenhemel, dat hebben wij te danken aan de luciferische wezens !
De luciferische wezens zijn verschillend naargelang de hiërarchie waarvan ze eigenlijk deel uitmaken, maar waar ze door hun achterblijven hun rangorde niet konden blijven houden. Bij de sterren gaat het voornamelijk om luciferische wezens van de derde hiërarchie, achtergebleven engelen en aartsengelen. Het is een eigenschap van de wezens van de derde hiërarchie "dat ze eigenlijk waarnemen wat ze uit zichzelf openbaren, en dat ze, als ze zich naar hun binnenste richten, niet zoiets zelfstandigs, iets afgeslotens hebben als de mens, maar dat ze dan in hun binnenste voelen opbloeien de krachten en wezenheden van hogere hiërarchieën die boven hen staan . . . Deze wezens kunnen dus niets in hun binnenste verbergen wat een product van hun eigen denken of voelen is; want alles wat zij in hun innerlijk bewerkstelligen, is direct naar buiten toe zichtbaar."
Zo is het voor de engelen, aartsengelen en tijdgeesten die normaal ontwikkeld zijn ! Als ze echter hun natuur verloochenen, en de begeerte voelen om "in hun innerlijk iets te beleven dat niet direct naar buiten zou stromen, dan zouden ze moeten een andere natuur aannemen. En dat is werkelijk gebeurd in de loop der tijden . . . Ze wilden dat vervuld zijn met de substantie der hogere hiërarchieën niet meer; ze wilden ook met hun eigen wezen vervuld zijn. Dat was niet anders te verwezenlijken dan door zich af te scheiden, zich af te splitsen van de wezens der hogere hiërarchieën, om zich op die manier eigen substantie te vormen uit de substantie der hogere hiërarchieën."
We kunnen dit weergeven door onderstaande illustratie:



Links hebben we de normale wezens van de derde hiërarchie, die het wezen van hogere hiërarchieën gans in zich opnemen en door zich tot openbaring brengen. Rechts de andere, die voor zichzelf geestelijk leven willen hebben. Daardoor scheiden ze zich af als zelfstandige wezens, die

"in hun innerlijk het eigen licht vasthouden, doordat ze als het ware roven wat hen slechts moest vervullen en wat ze aan de hogere hiërarchieën moesten opofferen . . . dit is enkel maar een voorstelling die ons een beter begrip kan verschaffen over gebeurtenissen in de kosmos; zonder deze voorstelling zouden we een sterrensysteem, of zelfs maar de sterren niet kunnen begrijpen."

We zien in deze tekening hoe een ster zich vormt, stralend met het licht dat de luciferische geesten geroofd hebben van de geesteskolonie der wezens die boven hen staan. Doordat ze het als eigen licht laten stralen wordt het een fysiek zichtbare ster. Zonder luciferische engelen en aartsengelen geen zichtbare sterrenhemel !
Het lichaam dat door de goden verlaten werd, valt niet uiteen als een mensenlichaam na de dood, maar straalt in een uiterlijk zintuiglijk waarneembaar licht.

"Waar ook we de blik richten op een vaste ster, overal ontmoeten we vooreerst normale geesten der wijsheid. De ganse hemel zou onzichtbaar blijven voor fysieke ogen en slechts zichtbaar voor een helderziend bewustzijn, als alleen maar deze normale geesten der wijsheid actief waren. Maar overal hebben zich tussen de normale geesten der wijsheid luciferische geesten gemengd, die fysiek eigen licht in de wereld der vaste sterren brengen. Als het licht van de nachtelijke hemel ons tegemoet straalt, dan werkt eigenlijk Fosforos (Grieks voor lichtdrager, in 't Latijn: Lucifer - fdw) vanuit ontelbare punten ... [ ... ] "

Zo moeten we in de sterrenwereld tweeërlei onderscheiden: het verheven goddelijk-geestelijke, dat er is - maar onzichtbaar blijft; niet alleen omdat het zich uit de sterren teruggetroken heeft, maar omdat het waarachtige geestelijke niet voor fysieke ogen zichtbaar kán zijn - en het rebelse geestelijke, het luciferische, dat de sterrenwereld voor onze ogen toegankelijk maakt, precies omdat Lucifer onze "ogen geopend" heeft.

Over de sterrenbeelden

Het zou echter verkeerd zijn om teleurgesteld te zijn omdat het goddelijke niet onmiddelbaar uit de sterren spreekt. Want dat doet het goddelijke wel; niet door het licht, maar door iets anders, dat evenwel terug pas met de hulp van Lucifer zichtbaar is, namelijk door de groepering van de sterren in sterrenbeelden.
Nemen we een karakteristiek voorbeeld zoals de Grote Beer of Orion of de Leeuw. Dat deze vormen juist zó zijn en niet anders, dat deze sterren zich aldus tot elkaar verhouden, dat is het resultaat, de verstarde rest van het samenwerken van goddelijk-geestelijke wezens der hoogste hiërarchieën. De sterrenbeelden hebben een intensieve geestelijke betekenis, hun vormen zijn de ware oerbeelden van alle vormen en figuren op aarde.
Vanuit geestelijk standpunt kan natuurlijk het argument niet gelden dat deze sterren toch maar "toevallig" samenstaan, dat ze in werkelijkheid niets met elkaar te maken hebben - zoals vanuit de huidige wetenschappelijke inzichten zou kunnen tegengeworpen worden. Als men aanneemt dat de sterren zich op onmetelijke afstanden van elkaar bevinden, dan kan de samenstand van de 7 sterren van de Grote Beer inderdaad slechts op een schijnwerking berusten aan het eveneens schijnbare gewelf van de nachthemel. En toch heeft de astronomie sedert de vorige eeuw tot haar eigen verwondering bemerkt dat, wat betreft bepaalde eigenschappen en bewegingsrichting, de hoofdmoot van de sterren van de meest markante sterrenbeelden op een speciale manier samenhorig zijn; zodat men zich kan afvragen of er toch niet iets gegrond is in de traditionele groeperingen van sterrengroepen . . .
Vanuit spiritueel oogpunt zijn de 7 sterren van de Grote Beer de sporen die zeven verheven geesten achtergelaten hebben (de Indiërs noemden ze de zeven rishi's). Hun samenwerking voltrok zich in de vorm die we nu nog aan de hemel zien. Natuurlijk heefdt die vorm zich enigszins veranderd wegens de "eigenbeweging" van de sterren die meer recent ontdekt werd.
De vroegere mensheid beschouwde deze sterrenbeelden als imaginatieve vormen, en zou ze nooit voor toevallige groeperingen gehouden hebben. Als we onze blik scherpen door geesteswetenschap, dan krijgen wij ook nog de indruk van een samenpassend geheel, bvb. als we Orion schuin zien opgaan, hoe hij zich opricht in het Zuiden, en weer schuin ondergaat. En deze indruk -hoewel hij ons ook door de bemiddeling van Lucifer bereikt, want anders zouden we helemaal niets zien- heeft voor de geïncarneerde mens een bepaalde betekenis.

Sterrenhemel en karma

Rudolf Steiner heeft dit in de zgn. karma-voordrachten aangeduid, waar hij spreekt over de invloed die opmerkzaamheid, de interesse die men opbrengt voor bepaalde zaken in het leven -of ook niet opbrengt- wat dat voor gevolgen heeft in het volgende leven. Hij zegt:

"Er zijn mensen die van gans hun leven -en dat was ook zo reeds in vroegere tijdvakken- nooit opkijken naar de sterren, die niet weten waar de Leeuw of de Ram of de Stier is, die zich voor niets in deze richting interesseren. Deze mensen worden in een volgend aardeleven geboren met ergens toch een slap lichaam, zelfs als ze door sterke ouders een goed model krijgen, worden ze toch slap en krachtloos in het lichaam dat ze zelf opbouwen."

Daar geeft hij dus aan wat de mens door de aanblik van de sterrenhemel in een leven kan hebben, ja zelfs moet hebben: datgene wat hem in het volgende leven een solied skelet, een krachtige lichaamsbouw moet geven, en wat hij moet bereiken door het beschouwen van de sterrenbeelden met hun karakteristieke vormen. Wat niet bedoeld is, is het bewonderen van de sterrenhemel zonder onderscheid. Zo'n bewondering integendeel, die geen oog heeft voor de streng afgebakende sterrenbeelden, die ze misschien zelfs niet kent, die slechts wil genieten van de duizenden fonkelende, schitterende sterren, zo'n bewondering staat in sterke mate onder de inwerking van Lucifer. Deze zielehouding heeft ook bepaalde gevolgen, brengt bepaalde gevaren mee:

"We kunnen de Melkweg zien, we kunnen de rest van de sterrenhemel zien omdat ze openbaringen zijn van luciferische wezens in de wereld. Wat ons lichtend, stralend omgeeft is de openbaring van het luciferische wezen van de wereld, dat nu zo is omdat het op een vroegere ontwikkelingstrap is achtergebleven . . .
Daardoor bestaat de mogelijkheid dat wij ons altijd maar meer en meer luciferisch maken, precies door ons over te geven aan de zintuigwereld, aan het hemelsaspect. Dus, als we in het leven tussen geboorte en dood de neiging vertonen om vol overgave het hemelsaspect op te nemen, dan betekent dat niet direct iets speciaals, het betekent dat dit ons als instinct gebleven is uit de tijd vóór de geboorte of conceptie, toen we in de geestelijke wereld waren, toen we tussen de sterren leefden. Daar hebben we een te sterke verwantschap opgebouwd met de kosmische werelden. We zijn er te veel gaan op gelijken, en vandaar is ons deze neiging gebleven om ons in 't bijzonder over te geven aan het zintuiglijk bekijken van de sterrenwerelden. Nu, deze neiging is wel niet al te verspreid in de mensheid. We ontwikkelen deze neiging, als we door ons karma -dat we natuurlijk altijd opbouwen tussen geboorte en dood- de tijd tussen dood en nieuwe geboorte te sterk verslapen, als we te weinig neiging ontwikkelen om daar een vol bewustzijn te hebben." [ ... ]

Klassieke astronomie en antroposofie

De sterrenwereld is de uitdrukking van het astrale -zoals het woord het reeds zegt- en de astrale wereld is zowel enerzijds de openbaring van de Heilige Geest, als ook anderzijds de woonplaats van luciferische geesten. Zoals het etherische zichtbaar wordt in het blauw van de hemel, zo wordt het astraal lichaam van de kosmos zichtbaar in de sterren.

"Ziet u, in werkelijkheid is iedere ster die we aan de hemel zien schitteren, een poort naar het astrale. Zodat overal waar sterren schitteren, het astrale glanst. Ziet u de hemel vol sterren in al zijn verscheidenheid, hier in groepen, daar meer verspreid, dan moet u zeggen: in deze wonderbaarlijke lichtconfiguratie maakt het onzichtbare, het bovenzinnelijke astraal lichaam van de kosmos zich zichtbaar.

Daarom mag men ook niet denken dat de sterrenwereld niet geestelijk is. 's Nachts naar omhoog kijken en van brandende gasbollen spreken, dat is precies hetzelfde als wanneer iemand u liefdevol over de wang streelt en daarbij de vingers een beetje spreidt, en u zoudt zeggen dat men u daar kleine stroken op de wang legt. Vergeef mij de paradoxale vergelijking, maar ze klopt tot in de details. Net zoals er bij het strelen absoluut geen stroken op uw wang gelegd worden, evenmin zijn daar boven de zaken waarvan de fysica spreekt. Daar is wel het astraal lichaam van het wereld-al, dat voortdurend een invloed uitoefent, zoals het strelen op uw wang een invloed op de etherische organisatie heeft. Het is natuurlijk wel op een lange duur voorzien. Vandaar dat het schitteren van een ster -wat altijd een beïnvloeden is van de wereld-ether door de astrale wereld- langer duurt als het strelen. Dat strelen zou een mens niet zo lang uithouden. Maar het is nu eenmaal zo dat alles in het wereld-al langer duurt, omdat daar sprake is van reuzendimensies. We kunnen dus in de sterenhemel een ziele-uiting van het wereld-astrale zien.

Daarmee hebben we tegelijk iets ontzaglijks in de kosmos ingevoerd, en daarbij zelfs ziele-leven, werkelijk zielsleven. Denkt u toch maar eens hoe dood de kosmos is als men omhoogkijkt en brandende gaslichamen ziet. En denkt u eens hoe levendig alles wordt als men weet dat deze sterren de uitdrukking zijn van de liefde, waarmee de astrale kosmos op de etherische kosmos werkt. Dat is een heel precieze uitdrukking."

Men ziet dat we altijd maar weer naar uitdrukkingen van het morele leven moeten grijpen om de natuur der sterren te karakteriseren. Altijd weer moeten we de overtuiging afweren dat men de sterrenwereld zou kunnen verstaan vanuit fysieke vooronderstellingen of pure berekeningen.

"Men rekent, rekent, rekent. Het is net alsof de spin haar net spint en zich zou inbeelden dat met dit net de ganse wereld doorsponnen is. De wetten volgens dewelke men zo rekent, die gelden daarbuiten helemaal niet meer; we kunnen hoogstens het morele dat in ons schuilt, gebruiken om tot een begrip te komen van wat daar buiten is. Daar buiten gaat het er namelijk moreel aan toe, bijtijden ook immoreel, ahrimanisch, luciferisch enz. Maar als ik het morele als een soortbegrip opvat, dan gaat het er moreel aan toe, niet fysisch."

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Eduard Schuré over Rudolf Steiner

Vele mensen vinden het vervelend, storend, als ze de "vervoering" zien waarmee antroposofen over het werk en de persoon van Rudolf Steiner kunnen praten. De moderne mens moet nu eenmaal niets meer weten van heiligenverering. De democratische gedachte, die in ons politieke leven zou moeten heersen, heeft zich ook genesteld in het geestesleven. Maar op geestelijk gebied kan er geen sprake zijn van gelijkheid, daar bestaan de grootste verschillen. Het is niet zo dat we allemaal maar simpele mensen zijn, met dezelfde zwakheden en gebreken: er zijn effectief mensen die met kop en schouders boven de grijze massa uitsteken. En het getuigt van een zekere grootheid van geest als men de echte geestesgroten onder ons kan en wil (h)erkennen.

Edouard Schuré (1841-1929) was een begaafd Frans schrijver die met een groot enthousiasme en een diep gevoel over esoterische onderwerpen schreef. Zijn boek "De grote ingewijden" maakte hem op slag wereldberoemd; het kende verschillende herdrukken en werd in vele talen gepubliceerd. Via Marie von Sivers, de latere Marie Steiner, leerde Schuré Rudolf Steiner kennen. Het kwam tot een vruchtbare samenwerking. Op het congres van de Theosofische Vereniging in München in 1907 werd Schuré's "Het heilige drama van Eleusis" opgevoerd.

Na zijn kennismaking met Rudolf Steiner schreef Schuré ook nog "De goddelijke evolutie". Veel van wat men in "De wetenschap van de geheimen der ziel" kan lezen, vinden we daarin terug, maar alles is concreter gemaakt door middel van precieze beelden en scènes. De voorrede van dit boek is gewijd aan Rudolf Steiner. Een uittreksel:


[ ... ] "Ik zal nooit het ogenblik vergeten, waarop een wederzijdse vriendin, uw bekwame medewerkster, Marie von Sivers, u ten mijnent bracht. Op gevaar af, dat ik mensen, die dergelijke indrukken nooit gekend hebben, doe glimlachen, moet ik bekennen dat, toen ik u in mijn studeervertrek zag binnentreden, ik een van de diepste aandoeningen van mijn leven ondervond.

Ik heb slechts twee andere van gelijke aard gehad, bij mijn eerste ontmoeting met Richard Wagner en toen ik de vrouw zag, wie ik mijn "Grote ingewijden" heb opgedragen.

Het schijnt dan, alsof men in de tijd van één seconde en met een enkele blik een gehele wereld ontdekt. Ten einde de lezer het bewijs te leveren, dat ik niet de enige ben, op wie uw persoonlijkheid een zo buitengewone werking heedft uitgeoefend, zal ik hier het getuigenis aanhalen van iemand, die geen theosoof of antroposoof is en die men de scherpzinnigste en geleerdste onder de intellectuelen zou kunnen noemen. Ik bedoel Graaf M. Prozor, de vermaarde vertaler en beschrijver van Ibsen in het Frans. Twee maanden geleden zeide hij van u: "Zelden heeft men in een mens door de krachtige blik van het oog, de bewegelijke, veelzeggende gelaatstrekken, de lenigheid van lichaam en bewegingen, in die mate het voorbeeld van een sensitief wezen gezien, dat in staat is ogenblikkelijk van ingekeerdheid over te gaan tot handelen, van gemoedsaandoening tot krachtontwikkeling, en daarbij in het bezit, zoals men zien kan aan zijn machtig hoofd en de ontwikkeling van de schedel, van het vermogen om de aandrift en de verbeelding in zich te onderwerpen aan die krachtige tucht, die uit de zielsaandoeningen het kunstwerk doet geboren worden".

Wat mij allereerst in dit gelaat, vermagerd en doorgroefd van het denken, trof, was de volmaakte kalmte, die de geweldige worstelingen opgevolgd had, waarvan de gelaatsuitdrukking nog de sporen droeg. Daarin lag een niet-te-beschrijven vermenging van buitengewone vatbaarheid voor gevoelsindrukken en een verwonderlijke geestkracht, die het volkomen meesterschap over zichzelf bewijzen. Heerlijke zegepraal van de wil op een natuur, in staat alles te begrijpen en alles te voelen. De ongeveinsdheid van het kind, gepaard aan de macht van de wijze, dat zeide mij de glimlach van die mond met die fijne en gesloten lippen. En daarbij straalde uit dat donker oog een lichtglans, die waarlijk de dikste sluiers leek te doorboren en te lezen in het onzichtbare. Een zedelijk en verstandelijk volkomen gekristalliseerd wezen met een geestelijk hart van stralende klaarheid - dat was het verrassende schouwspel dat gij mij boodt.

Onze vertrouwelijke gesprekken, het volgen van een reeks uwer voordrachten, zo verbazend rijk aan denkbeelden, en het lezen van uw voornaamste werk"De wetenschap van de geheimen der ziel", bevestigden krachtig deze eerste indruk.

Aan een verheven intuïtie en buitengewone helderziendheid paart gij een grote wetenschappelijke en wijsgerige ontwikkeling, die u in staat stelt uw uiteenlopende waarnemingen nauwkeurig na te gaan en met elkaar in evenwicht te brengen en daaruit en homogeen geheel te vormen. De volmaakte samenhang van uw gedachten, die elkaar wederkerig aanvullen en waarvan het geheel verband houdt met een gemeenschappelijk kernpunt, is het bewijs voor hun juistheid. Wanneer een verheven helderziendheid u uw hoogste kennis verschaft, dan erkent ge die niet, aleer gij die nauwkeurig gezift hebt en naar hun graad ingedeeld in de rangorde der verschijnselen, onder de grote wet van de oorzakelijkheid en der universele overeenkomsten. Niet door blinde onderwerping en het opzeggen van een uit-het-hoofd-geleerde catechismus wekt gij uw leerlingen op, maar door het initiatief en de onbeperktste vrijheid, wanneer gij hun opnieuw zegt :" Als uw ervaring en verstand niet bevestigen, wat ik u vertel, gelooft mij dan niet !"
Zo bracht gij mij het gewenste licht. In uw onderricht ontplooide zich voor mij de christelijk-esoterische leer in al haar omvang en veel groter nog dan ik ooit gedacht had. Want, zoals gij haar hebt uiteengezet, zag ik, dat die leer in staat was alle andere overleveringen te omvatten, te verlichten en uit te breiden."
[ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Nogmaals de hiërarchieën




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Het leven van Christus astrologisch bekeken



De Nederlandse Elisabeth Vreede (1879-1943) was jarenlang leider van de "Mathematisch-astronomische Sektion" aan het Goetheanum. De omzendbrieven van deze Sektion werden gebundeld en als boek uitgegeven onder de titel "Anthroposofie und Astronomie". We vertaalden een deel van de omzendbrief van mei 1929.



[ ... [ "Rudolf Steiner gaf in de eerste editie van de "Weekspreuken" in 1912 aan (bij de historische bemerkingen) :" De derde april 33 is volgens geesteswetenschappelijke resultaten de sterfdag van Jezus Christus." Het spreekt vanzelf dat hij dat niet uitgerekend had, hij had dat geschouwd in de zin van een werkelijk levende astrologie. Nochtans schijnt het hem zeer verheugd te hebben toen de gewoonlijke berekening achteraf tot hetzelfde resultaat kwam.

In de voordrachten die bekend staan als het "Vijfde Evangelie" vergeleek hij het leven van Christus met een gewoon mensenleven, en daaruit blijkt dat het leven en sterven van Christus tegelijkertijd de conceptie en geboorte van de Christusimpuls was. Als we onze blik niet richten op hetgeen aan het kruis op Golgotha gestorven is, maar wel op hetgeen op Paaszondag uit het graf opgestaan is, dan hebben we de beschrijving van een geboorte, die voorafgegaan werd door een soort embryonaal leven, gevolgd door een aardeleven dat duurt "tot aan het einde der tijden". En we kunnen het Christusleven vanuit dit gezichtspunt dusdanig bekijken dat we overal de overeenkomst met het menselijk leven vinden.

De mens daalt vóór zijn geboorte van de zonnesfeer doorheen de planetensferen af naar de aarde, hij doorkruist de maansfeer, treedt in in de aardesfeer. Ook Christus kwam van de zon, om zich te verbinden met een lichaam dat op aarde was voorbereid. Dit lichaam bevond zich evenwel niet in een kiemtoestand, zoals een mensenziel bij de incarnatie een mensenkiem van 3 weken oud aantreft; nee, gedurende 30 jaar had dit lichaam een lange, zorgvuldige en gecompliceerde voorbereiding doorgemaakt. Wij weten uit de voordrachtenreeksen die Rudolf Steiner over de evangelies gehouden heeft, hoe het lichaam van Jezus van Nazareth tot stand kwam: de "Nathanische Jezusknaap" die voor vele jaren drager werd van het Ik van Zarathoestra, dat dan even vóór de doop in de Jordaan dit lichaam verliet. Voor het neerdalen van Christus op aarde komt dit ogenblik van de doop overeen met het moment van de conceptie bij de mens.

Deze vergelijking en alle volgende gaan we hoegenaamd niet forceren om de zaken te doen klopppen. Maar ze wijzen uit zichzelf op de diepste samenhangen, als we de overeenstemming zoeken op een geestelijke manier.

De Johannes-doop wordt voltrokken in het element water. Het was niet een gewoon dopen zoals tegenwoordig bij ons, maar een volledige onderdompeling in het Jordaan-water. De mens in zijn embryonale toestand leeft eveneens ondergedompeld in water. Door het water komen de kosmische krachten tot hem. Daarom heeft het embryo geen "horoscoop", het beweegt mee met alle planetenconstellaties, het staat ermee in voortdurende samenhang. Van de Christus Jezus weten wij dat hij voortdurend de planeten- en sterrenconstellaties die op ieder moment voorhanden waren, in zich verwezenlijkte en ze aan zijn omgeving kon overdragen. Dat vinden we ook terug in het boekje "De geestelijke leiding van mens en mensheid" dat bestaat uit Pinkstervoordrachten, en waarvan Rudolf Steiner later zelf zei dat ze een deel van het vijfde evangelie waren.

"Bij een ander mens werken de kosmisch-geestelijke wetten slechts zodanig dat ze hem in het aardeleven plaatsen. Dan worden ze tegengewerkt door de wetten die uit de omstandigheden van de aarde-ontwikkeling stammen. Bij de Christus Jezus bleven na de Johannes-doop de kosmisch-geestelijke krachten alleen werkzaam, zonder enige beïnvloeding door de wetten van de aarde-ontwikkeling."

De Christus had daadwerkelijk een verhouding tot de kosmische sfeer, zoals de ongeboren mens die heeft, die beschermd is tegen aarde-invloeden terwijl hij groeit in de kleine ruimte waar de kosmische krachten werkzaam kunnen zijn. Deze overeenkomst is waarlijk meer dan alleen maar oppervlakkig. Inderdaad, zo diep moet het Christuswoord opgevat worden: als ge niet wordt als de kindertjes -zelfs zoals het kindje in de moederschoot- dan kunt ge niet in het hemelrijk geraken. De mens die tot geestelijke vrijheid opstijgt, de mens die door Christus verbonden is met de geestelijke wereld, leeft in het rijk der hemelen als het kind in het lichaam van zijn moeder.

Het kind is daar omgeven door zijn omhullingen. Deze omhullingen -het zijn er drie- werkt het om gedurende de embryonale tijd, tot datgene wat dan later, na de geboorte, uitdrukking is van etherlichaam, astraal lichaam en Ik. Ook bij Christus kan gesproken worden van drie omhullingen, waarin hij neerdaalt en die hij bewerkt; het zijn het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astrale lichaam van de Jezus van Nazareth. Dit bewerken, dit omwerken, is een oplossen, een geleidelijke vernietiging van het fysieke lichaam (zoals eigenlijk ook bij het embryo sprake is van vernietigingsprocessen in de omhullingen van de eerste weken). De Christuskracht verteerde dit toch zo zuivere, unieke mensenlichaam, zoals een vlam zuivere was verteert. Vandaar dat aan het einde van die drie jaar uiterlijk gezien een dood plaatsvond. De dood van dit fysieke lichaam, dat daarvoor dan nog gewelddadig "voor het heil van de aarde en de vooruitgang van de mensheid" het vreselijk gebeuren van de kruisiging moest meemaken. Pas toen aan het kruis weerklonk "Het is volbracht" was er voor de aarde de geboorte, de geboorte van de Christusimpuls. En men kan zeggen dat pas op dat ogenblik ook de horoscoop er is, sterf- en geboortehoroscoop tegelijk, de sterrenconstellatie van het Mysterie van Golgotha, de hemelsstand op die bewuste namiddag van de derde april van het jaar 33.

Deze horoscoop, die hierboven weergegeven is vertoont inderdaad een belangrijk doods aspect. Hij werd vergezeld van een elementen-gebeuren, dat met zo'n kracht optrad dat het op een kosmisch gebeuren leek. Er kwam een duisternis over die streek, die zich ook voor de helderziende -zoals Rudolf Steiner zei- voordeed als een zonsverduistering. Dat kan het echter in geen geval geweest zijn omdat het joodse Passahfeest samenvalt met volle maan.

Er was wel een zonsverduistering 14 dagen daarvoor -zo heeft men berekend- bij nieuwe maan, zoals dat moet zijn. Op de dag van de kruisiging was er een gedeeltelijke maansverduistering, zodat de maan gedeeltelijk verduisterd opkwam toen de zon onderging. De sterke, urenlange duisternis over Palestina was een verduistering van de zon vanop de aarde, als een geweldige herinnering aan de tijd van de kosmische "werkzaamheid" midden in de "werkwereld". Aldus bracht de aarde meteorologisch tot uitdrukking wat een geestelijk realiteit was.

De eigenlijke "geboorte" voltrok zich dan pas op de derde dag, 's morgens vroeg op Paaszondag, toen de verrezene voor het eerst verscheen aan Maria Magdalena. Een zachte morgenstemming ligt over deze verschijning. We treffen weliswaar in wezen terug de constellatie van Goede Vrijdag aan -alleen de maan is merkbaar opgeschoven- maar hoe anders ziet het beeld er toch uit !

Volgens de evangelieberichten werd de zon kort vóór of bij het opkomen, voorafgegaan door Venus en Mercurius, die op Goede Vrijdag, precies omdat ze toen morgensterren waren, niet schenen, maar die nu hel schitterend waren. Mercurius stond zelfs in "grootste elongatie", en daardoor in die streken even duidelijk zichtbaar als Venus. De maan, even over zijn volle fase, staat juist voor zijn ondergang. Saturnus staat op het diepste punt als het ware wijzend naar de onderwereld, net zoals hij, als hij in het zenit staat, voor de aardemens de weg naar de geestelijke wereld opent. Hij verzinnebeeldt als het ware de gang van Christus naar de doden in de onderwereld, die plaatsgrijpt in de tijd tussen dood en verrijzenis, de "hellevaart van Christus". Opnieuw moet erop gewezen worden dat het hier niet gaat om uitzonderlijke posities der planeten enz. doch wel om het lezen van deze constellatie volgens haar eigen aard, zoals de letters van een tekst, die oorspronkelijk ook niets meer waren dan het getal van de planeten (5) plus de tekens van de dierenriem (12) plus zon en maan (samen dus 19).

Eens de geboorte van Christus voor de aardewereld achter de rug is, volgt dan nu wat overeenkomt met het aardeleven van de mens. Het zijn de 40 dagen van de verrijzenis tot de hemelvaart, de tijd toen Christus met Zijn apostelen omging in zijn verrezen lichaam en hen leerde over het Rijk Gods. Veel van wat later overgegaan is in de christelijke gnosis, stamt uit de bovenzinnelijke leringen die Christus meedeelde aan de apostelen gedurende dit 40 dagen durend "aardeleven". Dan verdween Hij bij de hemelvaart uit hun gezichtsveld, zoals de mens die sterft onzichtbaar wordt voor zijn naasten. De hemelvaart komt dus overeen met de dood van een gewone sterveling; de 10 dagen van hemelvaart tot Pinksteren met het leven in de zielewereld, het kamaloka. Daarna betreedt de mens de geestelijke wereld, de zonnesfeer. Christus echter heeft voor gans de duur van het aardezijn afstand gedaan van deze zonnesfeer, van de hemel überhaupt. Hij blijft bij de aarde, Hij trekt met Pinksteren, als de Heilige Geest over de apostelen uitstroomt, definitief in de aardesfeer binnen. "Hij sloeg Zijn hemel op aarde op" zoals het klinkt in het vijfde evangelie. En terwijl de mensenziel in de zonnesfeer -en wat er dan verder op volgt- het middernachtelijk uur van het geestelijk bestaan doormaakt, wat dan weer het allereerste begin van een nieuw aardeleven betekent, blijft de Christus altijd bij de mens op aarde. Zijn weg, die we konden vergelijken met de mensenweg doorheen conceptie, geboorte en dood, splitst zich hier scherp af. Het wordt een aardeweg, daar waar de mens binnentreedt in de zaligheid van het geestelijk schepperbestaan. Sindsdien is de Christus met het lot van mens en aarde verbonden. En als Hij zich in de nabije toekomst nog intiemer, nog sterker gaat tonen aan de mens, dan zal Hij zelf optreden als trooster en raadgever, als bijstand, als Parakleet. Hij zal, zoals Hij na zijn verrijzenis Zijn apostelen de Heilige Geest inblies, ook ons de Heilige Geest doorgeven. Die gaat niet alleen uit van de Vader alleen, maar wel van de Vader en van de Zoon.

***

**

*

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Het kind bedreigd

Door de gebeurtenissen en onthullingen van de laatste tijd krijgt men de indruk alsof onze kinderen bedreigd worden door louche kerels en netwerken van perverse individuen. Doordat alle aandacht naar deze bedreiging gaat -die natuurlijk ook reëel is- worden de gevaren die het kind op veel grotere schaal bedreigen naar de achtergrond geduwd. In het maart-nummer van de Lehrerrundbrief staat een oproep van de Internationale Vereniging van Waldorf-kleuterscholen om alle krachten te bundelen om het hoofd te bieden aan het groeiend aantal factoren dat een gezonde ontwikkeling van het kleine kind bedreigt. Een uittreksel:

[...] "Als we de moderne kinderen bekijken, dan zien we het beeld van een toenemend aantal ziektes met zwaarwegende gevolgen voor de ganse mensheid. Enerzijds zijn de kinderziektes door inentingen zo goed als verdwenen. Anderzijds lijden zeer vele kinderen aan allergieën die een invloed zowel op hun gezondheid als op hun gedrag hebben; velen lijden aan asthma, huidziektes, slaap- en eetstoringen. Meer en meer vertonen ze tekenen van stress en nervositeit. Deze problemen werden door het Centrum voor Kind- en Jeugdonderzoek van de universiteit van Bielefeld (Duitsland) gedocumenteerd als alarmsignalen voor de nood van kinderen in onze technologisch zo hoog ontwikkelde wereld.

De situatie in de Verenigde Staten is nog extremer. Daar zijn zo vele kinderen hyperactief, dat naar schatting een derde van alle schoolkinderen het medicament Ritalin nemen om dit probleem onder controle te houden. In Houston, Texas, bericht een krant dat 60 % van de schoolkinderen regelmatig Ritalin nemen. Ouders en leerkrachten zeggen dat de kinderen zich anders noch thuis, noch in de school, normaal kunnen gedragen. Een groeiend aantal kinderen lijdt bovendien aan depressies en neemt Prozac, een zeer omstreden middel.

Overal in de wereld vindt men dezelfde problemen terug, in mindere of in meerdere mate, afhankelijk van hoe modern of materialistisch het betreffende land reeds is. Wat staat achter dit fenomeen ? De mensheid bevindt zich aan een drempel, waar het individu belangrijke stappen op de weg van een geestelijke ontwikkeling kan zetten. Vandaar dat wij kunnen aannemen dat er aanvallen op het Ik plaatsvinden om dit te verhinderen. Het meest succesvol is om deze aanvallen te concentreren op het kleine kind in de eerste zeven jaar, want wat in deze jaren gebeurt, werkt direct op het fysieke lichaam en daardoor op het verdere latere leven. Door de verharding die aldus ontstaat, kan het Ik veel moeilijker in zijn incarnatie ingroeien; daardoor wordt de geestelijke ontwikkeling van de individualiteit sterk belemmerd.

Specifieke oorzaken voor deze problemen vinden we in enkele toestanden die typisch zijn voor onze tijd:

1) Veranderingen in het familieleven: kinderen worden in de kou gelaten bij scheidingsproblemen; thuis geen ritme; zelfs zuigelingen worden overgelaten aan instellingen; de voeding is onvoldoende, het "fast food" verdringt gezond eten; de geneeskunde die nadruk legt op inenting en antibiotica enz.

2) De werking van media en computer, thuis, in de kleuterklas, in de school, betekent een aanval op het zenuwstelsel en verzwakt daardoor zowel beweging en wil, fantasie en ideeënrijkdom, als sociale relaties; vooral het geweld in de media blijkt een bijzonder vernietigende invloed tec hebben.

3) Vervroegde opvoeding, met het accent op onderwijs en gebruik van computers om reeds vóór de eerste klas te leren lezen, schrijven en rekenen. Daarmee verbonden het probleem van de schoolrijpheid, schoolvaardigheid, en kinderen die te vroeg naar de eerste klas gaan.

4) Modern schoolonderwijs met zijn nadruk op vroege, zuiver cognitieve stimulering, standaard-testen, gebruik van computers en ongezonde concurrentie, te weinig oog voor creativiteit, ideeënrijkdom, kunst en sociale ontwikkeling.

5) Problemen van armoede en sociale onrechtvaardigheid dragen veel bij tot de moeilijkheden die kinderen ondervinden. Samen met een of enkele van bovenstaande factoren kunnen ze een dodelijke combinatie vormen.

Wat kan er gedaan worden ? Enkele voorbeelden.

1) Meer informatie verzamelen, om heen vollediger beeld te krijgen van wat er gebeurt en waarom het gebeurt.

2) Dit beeld zichtbaar maken in artikelen, boeken, voordrachten enz.

3) Met politici en wetgevers samenwerken voor wetten die de kinderen beschermen.

4) Met pedagogen werken om schoolmethodes te veranderen en de leerkrachten-opleiding aan te passen.

5) Ouders bewust maken van een gezond familieleven, hen helpen.

6) Verbinding met andere organisaties zoeken, eerst binnen de antroposofie, later ook daarbuiten.

We hebben de indruk dat wij met deze impuls tamelijk laat komen, in een bijna vertwijfelde situatie, waar een tot nu toe ongekende destructiviteit de kindheid bedreigt. Wij menen dat antroposofen verantwoordelijk zijn om alles te doen wat nog mogelijk is om het verder groeien van deze tendens te verhinderen. Spreek aub met andere mensen over deze oproep . . . " [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Liefde en karma



Rudolf Steiner legde er dikwijls de nadruk op dat de Antroposofische Vereniging niet een vereniging als een andere kon en mocht zijn. Hij had een afkeer van programma's en statuten en van het klein-menselijke dat zo vlug in het verenigingsleven binnensluipt. Ontelbare keren werd hij geconfronteerd met mensen, leden van de vereniging, die zich allerlei inbeeldden over hun eigen vorige incarnaties, die voor iedere triviale handeling een "occulte" verklaring hadden. Telkens weer moest hij wijzen op mistoestanden : een gebrek aan eerlijkheid en/of een teveel aan eigenwaan. Over het laatste kon hij nog met een zeker gevoel voor humor spreken, het eerste echter veroordeelde hij categoriek.



[ ... ] "Niet waar, in het gewone, banale, burgerlijke leven worden de mensen op elkaar verliefd, een man wordt soms verliefd op een meisje. Men noemt dat "verliefd worden" en daarmee spreekt men de waarheid. In een occulte vereniging schijnt dat ook voor te vallen, dat een man op een meisje verliefd wordt. Naar men zo kan vaststellen, is dat werkelijk helemaal niet uitgesloten. Sommigen onder u zullen het toch al eens gehoord hebben dat dat gebeurd is. Maar in zo'n vereniging hoort men dan niet altijd: X is verliefd op Y.

Bij de boeren zegt men eenvoudig: die gaat met die. En dat is voor wat uiterlijk zichtbaar is, meestal een zeer precieze weergave van de feiten. Maar binnen occulte verenigingen kan men dikwijls horen: ik heb mijn karma bestudeerd, en door deze studie van mijn karma ben ik op het spoor gekomen van een andere persoonlijkheid; wij hebben daar ingezien dat wij door ons karma voor elkaar bestemd zijn, dat het karma ons voorbestemd heeft om op een of andere manier in het verloop van het wereldgebeuren in te grijpen.

Men merkt hier niet, beste vrienden, hoeveel leugenachtigheid in zo'n zaak ingeslopen is, te beginnen met het eenvoudig feit van het verliefdworden tot aan deze laatste bewering. Die leugenachtigheid vloeit voort uit het volgende. In een materialistische, banale vereniging vindt men het normaal dat twee mensen verliefd worden. In een occulte vereniging vindt men dat dikwijls niet normaal, integendeel, dikwijls schaamt men er zich een beetje voor. Maar zie, dat laatste doet men niet graag. We moeten hier niet uitmaken welke reden er zijn om zich niet te willen schamen, want dat kunnen honderd-en-een reden zijn. Maar zich schamen, dat doet men niet graag. In de plaats daarvan zegt men: het karma heeft gesproken, en het karma moet men gehoorzamen. Het spreekt vanzelf dat die mensen nooit iets doen uit puur egoïsme of vanuit emoties, maar: het karma, ja dat moet men gehoorzamen !

Beste vrienden, waarheidsgetrouw zou men zijn, als men zou toegeven dat men verliefd is geworden. En als men die waarheid onder ogen zou willen zien, dan zou men een veel zekerder weg door het leven kunnen volgen, als wanneer men de waarheid vermengt met allerlei karmisch gezwets. Want de basisondeugd om de dingen van het persoonlijke leven te doorspekken met occulte waarheden leidt tot ontelbare andere ondeugden; namelijk doordat men dan geen innerlijke gevoelsmaatstaf meer heeft om acht te slaan op de grenzen die ons gesteld worden doordat wij ons richten naar een geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing.

Wij mogen toch niet de slechtste regels van het gewone verenigingsleven in onze beweging invoeren. In bepaalde sociale milieu's meent men dat iemand minstens baron moet zijn vooraleer men van een mens kan spreken. Dat kunnen wij toch niet doen, dat we zeggen: iemand is pas mens als hij geesteswetenschapper of antroposoof is -of "antiloop", zoals we nu ook al genoemd worden. Dat mogen wij niet doen, nee, wij moeten durven toegeven dat we ook al mensen waren vóór we met geesteswetenschap begonnen; mensen met bepaalde inzichten, die toen bepaalde dingen deden en bepaalde dingen niet deden.

Gans in het begin van onze beweging heb ik er de aandacht op gevestigd dat het noodzakelijk is door onze geesteswetenschappelijke inzichten niet onder het niveau te zakken dat we bereikt hadden vóór we met antroposofie bezig waren. We moeten in alle opzichten boven dat niveau uitstijgen. Vandaar dat ik ook reeds vele jaren geleden zei: vóór we in de Vereniging kwamen bezaten we een bepaald fonds aan morele inzichten, levensgewoontes. Welnu, deze levensgewoontes moeten we onaangeroerd laten tot op het ogenblik dat een duidelijke, controleerbare, innerlijke noodwendigheid ons werkelijk dwingt om ze te veranderen; en dat zal in de regel zeer laat zijn.

Het is geweldig schadelijk als we, nadat we enkele kleinigheden uit de geesteswetenschap hebben leren kennen, deze kleinigheden ergens te sterk gebruiken om het leven "interessanter" te maken. Eén ding moet ons daarbij voor ogen staan, beste vrienden: hoe ons uiterlijk leven ingericht is, dat is werkelijk door een soort karma ontstaan. En hoe de mensen in de wereld denken, hoe ze zich voordoen, dat hangt samen met een karma."
[ ... ]



Uit : GA 253 "Probleme des Zusammenlebens in der Anthroposophischen Gesellschaft"

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .