|
De Brug 7 van maart 1995
Beste lezer,
Een aantal abonnees beklaagde zich erover dat onze Brug, hoewel zij zich uitdrukkelijk tot mensen richt die weinig afweten van antroposofie, toch moeilijk verstaanbaar is. Enkelen vonden dat ze teveel inspanningen moesten leveren om een artikel of uittreksel te begrijpen en haakten af. Hier willen we de lezer herinneren aan een uitspraak van Nietzsche:
We hopen dat ook onze vrouwelijke lezers daarmee kunnen instemmen. Daarom kunnen we de moedeloze lezer alleen maar aansporen om zijn denken -en zijn geduld- te blijven oefenen, de moed niet op te geven. Een zomerweekje euritmie kan daar zeker een hulp bij zijn (zie de aankondigingen op p.19).
Wat betreft het jaarfeest dat rond deze periode plaatsvindt, daar wordt enkel maar naar verwezen in het uittreksel dat gaat over het jubeljaar (op de bladzijde hiernaast).
Wie kander kooren zien Terug naar de gedichten.
* * * * * * * * * * * Het Mysterie van Golgotha in de makrokosmosHet volgende uittreksel komt uit de cyclus "De geestelijke achtergronden van de menselijke geschiedenis", die Rudolf Steiner hield in Dornach tijdens de eerste wereldoorlog. Ook voor dit fragment zal de lezer alle aandacht en concentratie nodig hebben om de rekenkundige bewerkingen te kunnen volgen. Maar toch mag hij hierdoor niet de hoofdzaak uit het oog verliezen: hoe belangrijk het is om het leven hier beneden in te richten volgens wat zich in hogere sferen openbaart.
"De mensen hebben niet altijd zo geestloos geleefd hebben als nu, geestloos in de zin dat ze er weinig bewustzijn van hebben dat er een samenhang bestaat tussen wat de mensen hier op aarde uitvoeren, wat zich afspeelt in alle voorvallen van het aardebestaan, - en de geestelijke werelden. Dat ziet men daaraan dat er weinig rekening gehouden wordt met hoe de geestelijke werelden doorwerken tot op het fysieke vlak.
Ik vermeldde reeds meermaals dat men vandaag de dag zelfs alle eerbied voor een gebeurtenis als het Paasfeest verliest. Bepaalde mensen denken erover om Paaszondag op een vaste dag te laten vallen, om deze niet meer te laten variëren met de gang van de sterren, zoals dat nu gebeurt, maar hem misschien op de eerste zondag van april vast te leggen; dat zou veel gemakkelijker voor de boekhouding zijn, de zaken laten zich zo beter afhandelen dan wanneer dat ieder jaar verandert. Dat is maar een kras staaltje van het ontelbare dat men kan aanvoeren als bewijs van hoe weinig gevoel de mensen ervoor hebben om hun maatschappelijke inrichtingen tot een beeld te maken van wat in de geestelijke werelden gebeurt en wat zich uitdrukt in de gang van de sterren. Dat is niet altijd zo geweest; er zijn tijden geweest - in het oudste verleden van de mensheid, toen er nog een atavistische helderziendheid bestond- dat men er een diep bewustzijn voor had dat de mens hier op aarde zo zou moeten leven dat zijn bestaan en zijn samenleven met andere mensen een spiegel zou moeten zijn voor wat in de geestelijke werelden gebeurt, en wat zichtbaar wordt in de sterren. Laat ons een voorbeeld nemen. De oude Hebreeërs hadden als kerkelijk jaar, dus het jaar waarop het aankwam, een maanjaar, 354 en 3/8 dagen. Nu is dat jaar een beetje korter dan een zonnejaar, er blijven dus altijd enkele dagen over. Na verloop van tijd werd dat verschil altijd maar groter, dat moest gecompenseerd werden. Dit gelijkzetten van het zonne- en het maanjaar geschiedde in de oude Hebreeuwse tijd op een heel bijzondere manier. Ik ga het niet in detail beschrijven want dat is voor ons hier nu minder van belang, ik wil U alleen maar de zin en de geest van die zaak schilderen.
Eén van de oude Hebreeuwse gebruiken was het zgn. jubeljaar. Na 49 zonnejaren nl. -dat is iets meer dan 50 maanjaren- werd een jaar ingeschakeld dat een algemeen verzoeningsjaar was. In zo'n verzoeningsjaar werden bepaalde dingen vergeven die men een ander te verwijten had. Schulden die iemand gemaakt had, die kon of moest men kwijtschelden, wie zijn eigendom verloren had die moest hem terugbekomen enz. Het was een jaar van vereffening, van verzoening, na 7 x 7 zonnejaren, na 49 zonnejaren, of 50 maanjaren -eigenlijk 50 en 1/2, maar men kan rustig 50 zeggen omdat het begin ergens in de loop van dat jaar vastgesteld werd.
Vijftigmaal 354 dagen duurde dus de jubelperiode, de periode waarbinnen zich allerlei kon opstapelen dat dan achteraf vereffend werd. Als men bedenkt dat er een vereffening tussen zonne- en maanjaar moest geschapen worden, en daardoor 7 x 7 = 49 zonnejaren in 50 maanjaren komen, dan kan men zeggen dat dit jubeljaar naar het getal 7 ingericht is. Aan de basis van dit jubeljaar lag dus een inzicht in de betekenis van het getal 7. Maar om ons de ganse draagwijdte van deze zaak in de ziel te prenten, moeten we vooral op het volgende letten. We moeten letten op het feit dat men in de oude Hebreeuwse tijd zo leefde dat men zei: de dagen gaan voorbij, de een na de ander, er gaan 354 dagen voorbij en dan begint een nieuw jaar. Als dit zich 49 resp. 50 keer voordoet dan komt er voor de mens een bijzonder feestjaar. Bedenkt U nu eens : alles wat de mens meemaakte beleefde hij met op de achtergrond een onbewust gevoel van : het is nu 7, 8, 9 jaar geleden dat we een jubeljaar gehad hebben, nu moeten we nog zo en zo lang wachten tot er nog eens een jubeljaar komt.
Men heeft dat niet zomaar willekeurig vastgesteld, dat werd zo ingericht op basis van een occulte indeling van de getallen.
Zij die in het 24ste jaar na een jubeljaar leefden, die rekenden 24 jaar terug tot het vorige jubeljaar, en 26 verder tot het volgende jubeljaar, en voelden zich zo opgenomen in de tijdsstroom tussen twee jubeljaren, daar moet U niet aan twijfelen. Op die manier in de tijdsstroom staan, dat houdt de zielen hier op aarde bezig met een bepaalde getallenorde, altijd voelden ze deze getallenorde, die gaat a.h.w. als een voortdurende stroom door de zielen. Gedurende duizenden jaren werden de zielen zo gewoon om te leven met wat ik hier zojuist gekarakteriseerd heb.
Men kan dat vergelijken met het rekenen dat men leert in zijn jeugd en dat men dan later kan toepassen: men heeft het dan. Er vormt zich een bijzondere configuratie in de ziel. Laat ons dit voorlopig onthouden en eventjes iets anders bekijken.
De planeet Mercurius heeft volgens de huidige astronomie een omloopstijd die veel sneller is dan die van de Aarde. Als we de baan van Mercurius beschouwen, dan zien we: de Aarde gaat trager rond de zon, Mercurius gaat sneller. Laat ons nu eens een Mercuriusomloop nemen, en die vermenigvuldigen met 354 of zelfs met 354 en 3/8; en dat doen we dan nog eens 49, resp. 50 maal. Stelt U zich gewoon deze getallen voor. Een Mercuriusomloop kunt U beschouwen als een soort hemelsdag; 354 van zulke omlopen zouden dan een soort hemels-maanjaar op de planeet Mercurius voorstellen. Als U dat dan nog eens 49, resp. 50 maal neemt dan hebt U een hemels-jubeljaar. Een hemels-jubeljaar is natuurlijk veel langer dan een Aarde-jubeljaar, het is dan ook gerekend volgens de planeet Mercurius.
We hebben dus voor Mercurius eens gerekend zoals de oude Hebreeërs dat deden voor de Aarde; zij rekenden: Dat levert natuurlijk een andere tijdsspanne op, maar toch liggen dezelfde getallen aan de basis, met het verschil dan dat er een andere tijdseenheid genomen is dan een Aardejaar. Nu gaan we nog een andere som maken. We nemen Jupiter. Jupiter gaat veel trager, hij gaat heel traag. Twaalf jaar heeft hij nodig om eens rond de zon te draaien. Mercurius gaat veel sneller dan de Aarde, Jupiter veel trager. We nemen nu Jupiter en bekijken eens zo'n Jupiterdag. Eigenlijk is het een Jupiterjaar, maar omdat het zich afspeelt aan de hemel kunnen we rustig een grotere maat nemen en een omloop beschouwen als een dag. Als we die periode dan 354 en 3/8 keer zouden nemen, zoals we een maanjaar berekenen, dan krijgen we een groot Jupiterjaar (deze keer vermenigvuldigen we niet met 49, resp. 50 omdat Jupiter zoveel tijd nodig heeft voor één omloop). Dat zou dus een groot Jupiterjaar zijn. Bij Mercurius hebben we een jubeljaar uitgerekend; bij Jupiter berekenen we slechts een jaar, ook volgens dezelfde methode. Tenslotte bekijken we nog een andere planeet die de oude Hebreeërs nog niet bekend was. Zij dachten dat op die plaats de sfeer was, de kristalsfeer, het hemelgewelf zelf. Het is pas veel later ontdekt, maar men kan toch al van Uranus spreken. Alleen dachten de Hebreeërs dat zich daar de sfeer bevond waar later dan Uranus gevonden werd. En van Uranus -die gaat verschrikkelijk langzaam- nemen we 49, resp. 50 omlopen. En nu vergelijken we al deze sommen met Aardejaren. Want dat levert telkens een bepaald aantal Aardejaren op:
de Mercuriusomloop x 354 x 50 is gelijk aan een aantal Aardejaren,
En het merkwaardige is dat het ieder keer hetzelfde aantal is dat tevoorschijn komt. Nu rekende de Hebreeuwse traditie met recht vanaf het ontstaan van de wereld -hoewel wij een andere gebeurtenis plaatsen waar de oude Hebreeërs het begin van de wereld situeren- , zij rekenden vanaf dat begin 4182 jaar verder en kwamen dan uit op het grote wereld-verzoeningsjaar, het jaar dat Christus in een lichaam verscheen. Dat wil zeggen dat de Hebreeuwse traditie de tijdsordening zo afstemde dat er vanaf het begin van de aarde-ontwikkeling, zoals zij dat zagen, tot het verschijnen van Christus in een lichaam een groot Mercurius-jubeljaar verliep, een Jupiterjaar, of vijftig omlopen van de buitenste sfeer -wat wij nu de Uranusbaan noemen. Hier hebt U nu dit wonderbaar voorbeeld van hoe de mensenziel voorbereid werd op het grote wereld-jubeljaar doordat de maatschappelijke inrichtingen hier op aarde afgestemd waren op de getallen 354 en 7 x 7, resp. 50, en de ziel zo de ordening daarboven in de kosmos kon meebeleven, dezelfde vormen in zich kon opnemen. Dat is iets ontzaglijks, een ontzaglijk diepe samenhang.
Als men nu de gedachtengang nagaat van iemand die in die Joodse traditie groot geworden is, dan kan men zeggen : deze mensen namen aan dat de Christus uit de zonnehoogten naar de aarde zou afdalen volgens de gedachten die oneindig verheven wezens daarboven in de kosmos denken en die men kan aflezen aan de regelmatige gang van de sterren. Daarboven wordt gedacht volgens 354 en 3/8, volgens 7 x 7. En zo wordt het bepaald dat wie bvb. volgens het uur van Mercurius gaat, een Mercuriusomloop moet tellen als een dag, en dan een jubeljaar moet tellen van het ontstaan van de wereld tot het mysterie van Golgotha. Zoals de mens nu in Aarde-dagen denkt, zo denken wereldwezens van het ogenblik waarop de Joodse traditie de wereld laat ontstaan tot het verschijnen van het mysterie van Golgotha volgens een kosmische maatstaf. En hier op aarde werd de ziel voorbereid door de sociale ordening om deze grote gedachte die daar in de hoogten zweeft, om deze gedachte in haar ontstaan te denken, om zich daartoe te vormen. Diegenen die in de tijd van het ontstaan van het Christendom het mysterie van Golgotha moesten kunnen begrijpen wat betreft zijn plaats in de tijd, die hadden hun zielen zo gevormd. Daardoor konden ze weten : het mysterie van Golgotha komt eraan. En dan konden ze de evangelies schrijven. Want begrijpen welke achtergrond het neerdalen van de kosmische zonnegeest op aarde heeft, veronderstelt dat men de ziel ertoe voorbereid heeft. Hier hebt U een wonderbaar voorbeeld van hoe de mensenziel -door een sociaal samenleven dat geestelijk geregeld wordt door ingewijden-, voorbereid wordt om een bepaalde gebeurtenis te begrijpen en zelfs maar op te nemen. Wat steekt daarachter ? Welnu, een diep bewustzijn dat alles wat we in het menselijke samenleven willen invoeren vanuit ons dagbewustzijn, een bepaalde samenhang moet hebben met de sterrenwereld. Men kan het mysterie van Golgotha niet begrijpen, men krijgt het niet te pakken met het verstand, als men niet doorziet dat het verstand zelf een samenhang heeft met de gang van gedachten die zich in de baan van hemellichamen volgens getallenverhoudingen uitdrukken." [ ... ]
De exacte astronomische berekening ziet er als volgt uit (het zonnejaar = 365,26 dagen) :
* * * * * * * * * * * Over de occulte scholing
Rudolf Steiner geeft aan (in GA "Vor dem Tore der Theosophie") dat er drie manieren zijn :
- de oosterse weg
Voor een moderne mens die in hedendaagse omstandigheden leeft is eigenlijk alleen de laatste manier haalbaar. De twee andere manieren veronderstellen enerzijds een onderwerping aan een goeroe die een mens met zijn huidig (zelf)bewustzijn niet meer kan opbrengen, en anderzijds de mogelijkheid om zich uit het leven min of meer terug te trekken, iets dat onze complexe levensomstandigheden nauwelijks nog toelaten.
In de dertiende voordracht van GA 95 geeft Rudolf Steiner meer details over de verschillende occulte ontwikkelingswegen. Hij begint met de oosterse weg. Interessant is dat hij hier verbanden aangeeft tussen karma, sociale omstandigheden en occulte scholing, die men niet vindt in zijn standaardwerken over dit onderwerp . Daarom besloten we dit uittreksel te vertalen.
"Vooreerst zou ik toch willen opmerken dat men in geen enkele occulte scholing de zaak zo moet opvatten, alsof dat wat gezegd en geëist wordt, als een soort zedelijk gebod voor de ganse mensheid zou gelden. Dat is helemaal niet het geval. De eisen gelden alleen voor wie zich werkelijk aan zo'n occulte scholing wil wijden. Men kan bvb. een goede christen zijn en voldoen aan wat de christelijke godsdienst voor een leek aanbeveelt, zonder een christelijke occulte scholing door te maken. Als bvb. iemand zegt:" Men kan ook zonder een occulte scholing een goed mens zijn en tot een soort hoger leven komen", dan is daar niets tegen in te brengen, dat spreekt vanzelf.
Ik zei u reeds dat binnen de oosterse scholing een strenge onderwerping aan de goeroe bestaat. Ik wil u nu schetsen wat voor soort aanwijzingen een leraar binnen de oosterse scholing aangeeft. U begrijpt dat men in 't openbaar geen echte aanwijzingen kan geven, men kan alleen de weg karakteriseren. Men kan de voorschriften in acht groepen onderverdelen:
1. Yama ------------------- 5. Pratyahara
1. Yama bevat alles wat iemand die de Yogi-scholing wil doormaken niet mag doen; dit wordt gespecifieerd in de geboden:
Niet liegen, niet doden, niet stelen, niet onmatig zijn, niet begeren.
Het "niet doden" is een zeer strenge eis en heeft betrekking op alle wezens. Geen levend wezen mag gedood of zelfs maar belemmerd worden, en hoe strenger men dit opvolgt, des te meer vruchten het afwerpt. Of men dat in onze cultuur kan naleven, dat is iets anders. Als men doodt, al is het maar een mug : het beïnvloedt de occulte ontwikkeling. Of iemand het soms toch moet doen, dat is een andere vraag.
.
Stel u voor dat U een vermogen hebt en het op de bank zet. U doet er niets mee, u buit niemand uit. Maar de bankier begint te speculeren en buit daardoor andere mensen uit met uw geld. In occulte zin bent u daar verantwoordelijk voor, uw karma wordt belast. Daaraan ziet u dat dit gebod bij een occulte scholing een diepgaande studie vereist.
Even gecompliceerd zijn de verhoudingen bij het "niet onmatig zijn". Een rentenier bvb., wiens kapitaal door zijn bank buiten zijn weten belegd werd in een brouwerij, maakt zich even schuldig als de fabrikant die de drank maakt. Het niet-weten verandert niets aan het karma. Bij deze verboden is er maar één iets dat wijst in de juiste richting: het streven naar een leven zonder behoeften. Hoe meer men deze toestand benadert, hoe minder men iemand kan schade berokkenen.
Bijzonder zwaar is het om het "niet begeren" door te voeren. Het betekent dat men streeft naar een leven zonder behoeften, de wereld tegemoet te treden zonder begeerten, en alleen te doen wat de wereld van ons vraagt. Ja, ik moet zelfs mijn goed gevoel onderdrukken als ik iemand een weldaad bewijs. Niet dit goed gevoel moet er mij toe aanzetten om ergens te helpen, maar enkel het zien van de persoon die lijdt. Ook in andere gevallen, bvb. als ik zelf iets moet uitgeven, dan mag ik niet denken: ik wil, ik wens, ik begeer dat, maar ik moet zeggen: je hebt dat nodig om je lichaam in stand te houden, of om je geest te ontwikkelen, anderen hebben dat ook nodig; je begeert het niet, maar denkt erover na, hoe je het best door de wereld komt. Binnen de yoga-leer wordt het begrip yama, zoals gezegd, buitengewoon streng opgevat, het kan niet zonder meer naar Europa overgeplant worden.
2. Niyama. Dat betekent het naleven van religieuze gebruiken. In Indië, waar deze regels hoofdzakelijk aangewend werden, is daarmee een vraag opgelost die in Europa veel moeilijkheden oproept. Hier zegt men vlug: dogma's betekenen voor mij niets meer, ik hou mij alleen aan de innerlijke waarheid en geef niets om uiterlijke vormen. Hoe meer hij los kan komen van religieuze gebruiken, des te verhevener dunkt zich de Europeaan. De Hindoe denkt het tegenovergestelde en houdt vast aan de rituelen van zijn godsdienst; daar mag niemand aan raken. Welke mening men zich daarover vormt, dat ligt bij de hindoes in ieders vrijheid. Er bestaan oeroude heilige riten, met een zeer diepe betekenis. Iemand zonder ontwikkeling zal zich daar een zeer elementaire voorstelling bij maken, een mens met een grotere ontwikkeling maakt zich een andere, betere voorstelling, maar niemand zal zeggen dat de voorstelling van de andere verkeerd is. De wijze volgt hetzelfde gebruik als de eenvoudige mens. Er zijn geen dogma's, maar rituelen. Op die manier kunnen de diep-religieuze gebruiken zowel door wijzen als door onverstandigen nageleefd worden, beiden kunnen zich in de ritus verenigen. Zo vormen de riten een bindmiddel voor de bevolking. De vrijheid van mening wordt niet beperkt doordat men zich voegt naar een streng ritueel.
De christelijke kerk heeft het tegenovergestelde principe gevolgd. Niet gebruiken, maar meningen heeft men de mensen voorgeschoteld, en het gevolg is dat nu de vormloosheid in ons sociale samenleven wet is geworden. Een totaal veronachtzamen van alle gebruiken die mensen zouden kunnen verbinden is begonnen. Alle vormen, die symbolisch hogere waarheden uitdrukken, worden geleidelijk afgeschaft. Dat veroorzaakt grote schade voor de ganse ontwikkeling van de mensheid, in het bijzonder voor de occulte ontwikkeling in oosterse zin.
Onder de Europese bevolking zijn er tegenwoordig velen die geloven dat zij niet meer met dogma's leven, maar juist bij de vrijdenkers en materialisten* zitten de grootste dogma-fanatici. Het materialistische dogma is nog veel dwingender dan welk ander dan ook. De onfeilbaarheid van de paus geldt voor velen niet meer, maar wel de onfeilbaarheid van de universiteitsprofessor. Ook de meest progressieve leeft onder het dogma van het materialisme, hoewel het tegendeel beweerd wordt. Hoeveel dogma's rusten er bvb. niet op de jurist, de dokter enz. Iedere universiteitsprofessor verkondigt zijn dogma. Of ook: hoe zwaar weegt niet het dogma van de onfeilbaarheid van de publieke opinie, van de media !
De oosterse geheimleraar eist om niet uit te treden uit de vormen die een band scheppen tussen de wijze en de onwijze, want deze oeroude heilige vormen zijn beelden van de hoogste waarheid. Zonder vormen is er geen cultuur; het is een begoocheling als iemand het tegendeel gelooft. Nemen we bvb. aan dat iemand een kolonie zou stichten, volledig vormloos, zonder wetten, zonder riten en religieuze gebruiken. Voor wie inzicht heeft in zulke zaken is het klaar dat zo'n kolonie een tijdlang heel goed kan gedijen, omdat de mensen leven volgens de oude vormen die ze meegebracht hebben. Van zodra ze echter deze verliezen, gaat de kolonie ten onder, want zonder vormen kan op de duur zo'n kolonie niet bestaan. Alle cultuur moet uit de vorm geboren worden. Het innerlijke moet naar buiten toe uitgedrukt worden door vormen. De moderne cultuur heeft de vormen verloren; zij moet ze terugvinden. Ze moet terug leren om ook uiterlijk uit te drukken wat binnen in de ziel ligt. De vorm bepaalt op de duur het menselijk samenleven. Dat wisten de oude wijzen, en daarom hielden ze de beoefening van religieuze gebruiken in ere.
3. Asanam betekent het innemen van een bepaalde lichaamshouding bij de meditatie. Dat is voor de oosterling veel belangrijker dan voor de Europeaan, omdat het lichaam van de Europeaan niet meer zo gevoelig is voor bepaalde fijne stromingen. Een oosters lichaam is nog fijner, het voelt stromingen aan die van oost naar west, van noord naar zuid, van boven naar beneden gaan; want overal ter wereld vloeien er geestelijke stromen. Dat is de reden waarom bvb. kerken in een bepaalde richting werden gebouwd. Daarom ook laat de Yoga-leraar de yogi een bepaalde houding innemen; de leerling moet handen en voeten op een bepaalde manier houden, zodat die stromen op een regelmatige wijze door het lichaam kunnen gaan. Een Hindoe die zijn lichaam niet in deze harmonie inpast, zou de vruchten van de meditatie compleet op het spel zetten.
4. Pranayama is het ademen, het yoga-ademen. Dat is een zeer wezenlijk en uitvoerig bestanddeel van de oosterse yoga-scholing. Het speelt bijna geen rol in de christelijke scholing, bij de rozenkruiserscholing daarentegen terug al meer.
Wat betekent ademen voor de occulte ontwikkeling ? De betekenis van het ademen ligt reeds in het "niet doden", in het "niet het leven hinderen". De occulte leraar zegt: "Gij doodt voortdurend stilletjes uw omgeving door te ademen". Hoe kan dat nu ? Wij nemen lucht naar binnen, houden hem vast, halen er zuurstof uit voor ons bloed en laten hem dan weer los. Wat doet zich daar voor ? Met de lucht ademen wij zuurstof in, verbinden hem in ons met koolstof en ademen koolzuur uit; daarin kan echter geen mens of dier leven. Wij ademen zuurstof in, en koolzuur, een giftige stof, ademen we uit. Met iedere ademtocht doden wij onophoudelijk andere wezens. Gedeeltelijk doden we onze ganse omgeving. We ademen levenslucht in en ademen lucht uit die we zelf niet meer kunnen gebruiken. De occulte leraar is erop uit om dat te veranderen. Als het alleen van de mensen en de dieren afhing, dan zou alle zuurstof vlug verbruikt zijn en het leven uitsterven. Dat we de aarde niet ten gronde richten, dat hebben we te danken aan de planten, want die doen het tegenovergestelde. Zij nemen koolzuur op, scheiden de zuurstof van de koolstof en gebruiken deze laatste om hun lichaam op te bouwen. De zuurstof maken ze vrij en mens en dier ademen deze dan in. Zo vernieuwen de planten de levenslucht; zonder hen zou alle leven reeds lang vernietigd zijn. Aan hen danken we ons leven. Zo vullen plant, dier en mens mekaar aan.
Dit proces zal in de toekomst anders worden, en vermits hij die een occulte scholing doormaakt nu reeds begint met wat anderen later zullen ontwikkelen, moet hij zich gewoon maken om met de adem niet meer te doden. Dat is pranayama, de wetenschap van het ademen. Onze moderne, materialistische tijd heeft altijd open vensters nodig, en stelt frisse lucht als een genezend middel op de eerste plaats. Bij de Indische yogi is het tegendeel het geval. Hij sluit zich in een grot op en ademt zoveel mogelijk zijn eigen lucht. De yogi heeft de kunst geleerd om zo weinig mogelijk de lucht te verpesten, omdat hij geleerd heeft de lucht te gebruiken. Hoe doet hij dat ? Dit geheim was in de Europese geheimscholen altijd al geweten, men noemde het "het bereiken van de steen der wijzen" of "de steen der filosofen". Als men de steen der wijzen wil vinden dan moet men het geheim van het ademen vinden.
Bij de eeuwwisseling van de 18de naar de 19de eeuw sijpelde veel daarvan door. Er werd veel over de steen der wijzen in openbare geschriften gepubliceerd, maar men merkt dat de schrijvers er zelf niet veel van verstonden, hoewel alles uit de juiste bron stamde. In een staatskrant uit Thüringen verscheen in 1796 een artikel over de steen der wijzen waarin o.a. het volgende gezegd werd : "De steen der wijzen is iets dat men slechts moet leren kennen, want iedere mens heeft hem al gezien. Het is iets dat alle mensen een bepaalde tijd bijna iedere dag ter hand nemen, iets dat men overal kan vinden, alleen weten de mensen niet dat het de steen der wijzen is". Dat is een geheimzinnige aanduiding : overal zou de steen de wijzen te vinden zijn. Maar deze zonderlinge aanduiding is letterlijk waar.
De zaak zit nl. zo : als de plant haar lichaam vormt, neemt ze koolzuur op, houdt de koolstof en bouwt er haar lichaam mee. Mens en dier eten de plant, nemen daardoor de koolstof in zich op en geven hem langs de adem als koolzuur terug af. Zo bestaat er een koolstofkringloop. In de toekomst zal dat anders zijn. Dan zal de mens leren zijn mogelijkheden uit te breiden, en dat wat hij nu overlaat aan de plant, zal hij dan zelf volbrengen. Zoals de mens opgestegen is door het minerale rijk en het plantenrijk, zo zal hij ook teruggaan: hij neemt het plantenbestaan in zich op en maakt het ganse proces in zichzelf door. Hij zal de koolstof in zich houden en bewust daarmee zijn lichaam opbouwen, zoals de plant het tegenwoordig onbewust doet. Hij zal zelf in zijn organen de zuurstof aanmaken die hij nodig heeft, zal hem verbinden met de koolstof tot koolzuur en zelf de koolstof afzetten in zijn lichaam. Daardoor kan hij dus zelf aan zijn lichaamsskelet voortbouwen. Dat is een idee met een groot toekomstperspectief. De mens doodt dan niets anders meer.
Nu is, zoals bekend, koolstof en diamant dezelfde stof. Diamant is gekristalliseerde, doorzichtige koolstof. U moet niet denken dat de mens later als een zwarte zal rondlopen, want zijn lichaam zal uit doorschijnende, en zelfs weke koolstof bestaan. Dan heeft hij de steen der wijzen gevonden. Hij verandert zijn eigen lichaam in de steen der wijzen.
Dit proces moet hij die zich occult ontwikkelt zoveel mogelijk nu al beginnen, d.i. hij moet zijn adem de mogelijkheid om te doden ontnemen. Hij moet hem zo bewerken dat de uitgeademde lucht terug bruikbaar wordt, zodat hij hem altijd maar weer kan inademen. En hoe gebeurt dat ? Door dat men een ritme in het ademhalingsproces brengt. Daartoe geeft de leraar aanwijzingen. Inademen, inhouden, uitademen, daarin moet, al is het maar voor korte tijd, ritme zijn. Met iedere ritmisch uitgeademde luchtstoot wordt de lucht verbeterd, zeer langzaam, maar zeker. Men kan vragen :"wat maakt dat nu uit ?" Hier geldt het gezegde : De druppel holt de steen uit. Iedere ademtocht is zo'n druppel. De scheikundige kan dat nog niet aantonen omdat zijn instrumenten nog niet gevoelig genoeg zijn om de fijne substantie te registreren, maar de occultist weet dat daardoor inderdaad de adem levensgunstig wordt en meer zuurstof bevat als onder gewone omstandigheden. Nu wordt de adem echter nog door iets anders rein gemaakt, nl. door te mediteren. Ook daardoor draagt men bij, al is het dan uiterst weinig, om de plantennatuur terug in de menselijke natuur op te nemen, zodat de mens tot het niet-doden komt.
5. Pratyahara. Het volgende is pratyahara; dat betekent het beteugelen van de zintuiglijke waarneming. De mens die een leven leidt zoals dat tegenwoordig gaat, ontvangt nu eens hier, dan weer daar een indruk en zo altijd maar door; hij laat alles op zich inwerken. De geheimleraar zegt nu tot de leerling: ge moet zo en zoveel minuten een indruk vasthouden, en ge moogt niet naar een volgende indruk overstappen tenzij door uw eigen vrije wil.
6. Als hij dat een tijdje volgehouden heeft, dan moet hij ertoe komen blind en doof te worden voor iedere uiterlijke zintuiglijke prikkel; hij moet ertoe komen om af te zien van iedere uiterlijke indruk en alleen vast te houden wat als voorstelling in de gedachten achterblijft nadat de indruk zelf verdwenen is. Als men zo alleen in voorstellingen leeft, zijn denken streng controleert, en slechts door een eigen vrij wilsbesluit de ene voorstelling aan de andere knoopt, dan heeft men de zesde toestand: Dharana.
7. Dhyanam. Er bestaan voorstellingen die de mens zelf moet vormen, die niet bestaan in de zintuiglijke wereld. De Europeaan wil dit wel niet toegeven maar toch stammen mathematische of geometrische voorstellingen zoals driehoek of cirkel niet uit de zintuiglijke wereld, het zijn gedachte voorstellingen. Wat ik op het bord teken zijn slechts samengevoegde krijtpuntjes. Nu zijn er een reeks voorstellingen waarin de occulte leerling zich hard moet oefenen. Het zijn symbolische tekens die bewust met bepaalde zaken samenhangen, bvb. het hexagram, een teken dat in het occultisme verklaard wordt; ook het pentagram.
De leerling houdt zijn geest scherp op zulke zaken gericht die niet bestaan in de zintuiglijke wereld. Zo is het ook met andere voorstellingen, bvb. het begrip "leeuw" is een abstracte gedachte. Ook op dat soort voorstellingen moet de leerling zijn aandacht richten. Tenslotte zijn er nog de morele voorstellingen, zoals bvb. "licht op de weg": het oog kan niet eerder zien dan dat het zonder tranen is. Zoiets kan men niet ervaren, alleen in zichzelf beleven. Dit mediteren over voorstellingen die geen fysiek equivalent hebben, noemt men dhyanam.
8. Samadhi. En nu komt het zwaarste: samadhi. Men verdiept zich lang, heel lang in een voorstelling, zoals hierboven beschreven, men laat de geest a.h.w. erin rusten en vult de ganse ziel ermee. Dan laat men deze voorstelling vallen en heeft dan niets meer in het bewustzijn, maar men mag niet inslapen, wat bij de gewone mens onmiddellijk het geval zou zijn; men moet bewust blijven. In deze toestand beginnen de geheimen van de hogere werelden zich te onthullen. Men beschrijft deze toestand als volgt: er blijft een denken dat geen gedachten heeft; men denkt, want men is bewust, maar men heeft geen gedachten. Daardoor kunnen de geestelijke machten hun inhoud in het denken laten instromen. Zolang men zelf zijn denken vult, kunnen zij er niet in. Hoe langer men in het bewustzijn de activiteit van het denken zonder gedachten kan volhouden, hoe meer de bovenzinnelijke wereld zich openbaart.
Op deze acht gebieden liggen de aanwijzingen van de leraar bij en oosterse yoga-scholing."[...]
* * * * * * * * * * * Over de relativiteitstheorie
In 1905 publiceerde Einstein zijn (speciale) relativiteitstheorie. "Dit is een natuurkundige theorie, opgebouwd uit een aantal vooronderstellingen (of hypothesen) waarvan de juistheid in principe voldoet aan de eis van toetsbaarheid. Sommige moeilijk te toetsen zaken en enkele van de conclusies die nogal in strijd schijnen met wat we dagelijks om ons heen zien, zijn voor honderden mensen op de hele wereld aanleiding geweest om te gaan bewijzen dat "Einstein ongelijk had". Tot dusverre is dat niet gelukt."( de Graaff en Heise in : Natuur&Techniek, 1973, nr. 3, p. 103)
Ook Rudolf Steiner "relativeerde" de relativiteitstheorie. Maar hij probeerde niet te bewijzen dat Einstein ongelijk had: hij geeft toe dat het onmogelijk is om die theorie te weerleggen !
[ ... ] "Er zit dus in het nieuwere denken een impuls om niet meer tot een waarheidsbegrip -in de oude kennistheoretische betekenis- te komen.
Stel U eens voor: hier is een berg; op deze berg (A) wordt een schot afgevuurd; na een tijdje, bvb. na twee minuten: twee schoten, en na nog eens twee minuten: drie schoten. ![]() Maar laat ons nu aannemen dat een mens (C) zich sneller beweegt dan het geluid. Hij komt aangevlogen in de richting van berg (A). Daar wordt een eerste schot afgevuurd, dan de twee schoten, dan de drie schoten. Als de drie schoten afgevuurd zijn komt die mens aan bij punt (A) en vliegt verder met een snelheid groter dan het geluid, het geluid van de schoten achterna. Hij haalt het geluid van de drie schoten in, en hij hoort eerst de drie schoten. Dan vliegt hij verder, voorbij het geluid van de twee schoten, hij hoort dan de twee schoten. Tenslotte passert hij het geluid van het eerste schot: hij hoort als laatste het eerste schot. Iemand die sneller vliegt als het geluid hoort dus omgekeerd: drie schoten, twee schoten, één schot. Een gewone mens, op de gewone aarde, onder gewone omstandigheden, die hoort één schot, twee schoten, drie schoten. Als men geen doodgewone mens op een doodgewone wereld is, maar een wezen dat sneller vliegt dan het geluid, dan hoort men de zaak omgekeerd: drie schoten, twee schoten, één schot. Men moet alleen maar de kleine handigheid oefenen om het geluid in te halen en sneller te vliegen dan het geluid.
Welnu, deze zaak is is ongetwijfeld zo logisch als maar mogelijk is, tegen de logica van deze zaak kan men niets inbrengen. Het één en het ander heeft er in de nieuwere wetenschap toe geleid dat wat ik U hier gedemonstreerd heb over het voorbijvliegen van het geluid en het omgekeerd-horen, de inleiding vormt van ontelbare voordrachten. Altijd maar weer begint men voordrachten met deze, laat ons zeggen voorbeelden.
Ik heb U maar het allergrofste geschilderd. U ziet echter dat alles daaraan logisch is, zeer, zeer logisch. Zo zijn er vandaag de dag ontelbare oordelen -juist in de filosofische literatuur wemelt het van oordelen die geveld worden vanuit dezelfde vooronderstellingen. Het denken is omzeggens losgescheurd van de werkelijkheid. Men denkt slechts bepaalde aspecten van de werkelijkheid en ontwikkelt daaraan zijn denken.
Zodat men kan zeggen: het begrip dat hier ontwikkeld werd aan de hand van die een, twee, drie schoten is zeer logisch, maar wie volgens de werkelijkheid denkt, vormt zich zo'n begrip niet. Men kan het niet weerleggen, men kan het alleen maar niet-doen ! Wie overeenstemming met de werkelijkheid als kriterium neemt, die ziet af van zo'n begrippen. De empirische verschijnselen die men door deze relativiteitstheorie probeert te vatten -Einstein, Lorentz enz.- die moeten op een totaal andere manier gedacht worden, als door de denkpiste die Einstein, Lorentz enz. volgen." [ ...]
Velen hebben deze evolutie zien aankomen en hebben ervoor gewaarschuwd. Eén van hen was Rudolf Grosse, een leerling van de eerste Waldorfschool in Stuttgart. Hij heeft Rudolf Steiner persoonlijk gekend. In 1926 begon hij zelf in een Steinerschool te werken. Jarenlang was hij voorzitter van de Algemene Antroposofische Vereniging en tevens actief in de Vrije Schoolbeweging. Hij stierf in oktober van vorig jaar.
"Rat und Tat für die Erziehung" is de titel van een boek van hem dat in 1980 verscheen. We vertaalden een fragment (p.119 e.v.)
* * * * * * * * * * * Pedagogie en schoollevenRudolf Grosse waarschuwt voor het intellectueel stimuleren van jonge kinderen door het invoeren van "spelletjes" en computers in de kleuterklas. De successen die men op het eerste zicht behaalt wreken zich in een latere levensfase ...
Dat is dus een kenmerk van bepaalde denkprocessen : alles te denken en te onderzoeken los van een samenhang met de menselijke ontwikkeling. In deze visie ligt een kracht die verlamt en tegelijkertijd overtuigt. Ze verlamt en men weet niet waarom, ze overtuigt en toch voelt men dat er iets niet klopt. Daaruit ontstaat angst en berusting. Het eigenaardige van deze pedagogie bestaat erin dat ze een sluitend systeem over de ontwikkeling van het intellect bezit dat o.a. gebaseerd werd op duizenden experimenten met ratten en andere intelligente dieren. Daaruit ontstond een psychologie die zich zenuwprocessen voorstelt als informatiekanalen in een computer. Deze psychologie wordt nu zeer consequent toegepast op het denken van de leerlingen. Maar hier betreden wij een totaal andere wereld. Want wat voor ratten geldig is, dat geldt niet voor kinderen. Wat men ontdekt voor de dressuur van dieren is geen basis voor een psychologie. Dat wil zeggen: de volledige psychologie die de achtergrond vormt van het programmeren en van de leerapparaten, deugt niet voor de mens. Maar hoewel ze ondeugdelijk is, kan men er wel een ééndagssucces mee bereiken als men ze toepast op kinderen. Om dit probleem te verduidelijken met een passend voorbeeld, stelt men zich eens een metser voor die een huis wil bouwen. Metsen kan hij, maar hij heeft geen levenservaring. Hij kan dan steen op steen leggen, zo hoog hij wil, dan het dak erop zetten, en bij de eerste windstoot zal alles in elkaar storten. Waarom ? Wie een huis wil bouwen moet niet alleen de vaardigheid van het metsen bezitten, maar ook weten dat men het complete, afgewerkte gebouw op voorhand in zijn hoofd moet hebben, als berekening voor de constructie, om op gepaste wijze de fundamenten te kunnen aanleggen. Zo ongeveer is het bij de mens. Wie met kinderen werkt moet niet alleen in 't oog houden wat het de volgende dag en de volgende week moet kunnen en weten- maar wat daaruit in het leven zelf, tientallen jaren later, als vaardigheid of of als gebrek ontstaat. Technische kennisoverdracht is een eendagsvlieg, maar geen psychologie. Het is abstract handwerk, zonder van het samenhangen van levensperioden iets te weten. Het is geen architectuur die van een levensoverzicht uitgaat. De psychologie die voor de pedagogie richtinggevend moet zijn, heeft een wetenschap van de menselijke levensloop nodig. Daarmee heeft ze zich tot op heden niet bezig gehouden en daarom zijn zo vele van haar beweringen van een bedenkelijk gehalte. Zo is bvb. alles wat het moderne intelligentie-onderzoek naar voor brengt (het zgn. I.Q. en de gevolgtrekkingen die men eruit opmaakt) voor de wetenschap van de levensloop slechts zeer beperkt bruikbaar. De gezichtspunten zijn te eng en vooral: ze kennen het begrip van de metamorfose van de zielekrachten niet. Bekijken we dan eens het leren in de kleuterklas vanuit een menskunde die het begin van het leven als doorslaggevend voor de totale ontwikkeling van de mens beziet. Herbert Hahn, die een boekje over de ernst van het spelen heeft geschreven, beschouwt de eerste zeven jaar van een mens als "de schatkamer" van het leven. Wat een treffend woord. In deze periode eigent een kind zich de hoogste menselijke vermogens toe: gaan, spreken, denken. Het leert deze drie dingen niet met apparaten, maar van andere mensen. Dat drukt in een oergebaar het wezen van het leren in deze leeftijd uit: leren van andere mensen. Het kind moet zijn ziel en zijn geest wekken. Dat gebeurt alleen maar via wezens die zelf een levende ziel en een levende geest hebben, mensen dus. De ene ziel voedt de andere, de ene geest wekt de andere. Wat centraal moet staan in het menselijk leren, is het aanzetten tot activiteit- dat is de wil. De wil speelt daarom een bijzondere rol in de opvoeding. Het is een kenmerk van deze levensfase dat ze a.h.w. overgoten is met WIL. Het kind wil, dat is het sleutelwoord voor deze ontwikkeling. De opvoeder van het kind zal daarom deze drift een passende vorming en bezigheid bezorgen. Daardoor past het kind zich aan het leven aan en tegelijkertijd oefent het zijn individualiteit. Want ook de individualiteit is wil. Wij doen iets goed voor het ganse latere leven van het kind als wij het dingen in de hand geven waarmee het iets kan "doen". En wel zo dat het hem past, zoals het kind zelf zijn zaken wil hebben en gebruiken. Dat staat gelijk met een ontdekkend oefenen aan de buitenwereld, dat door geen voorschrift of zingeving gestuurd wordt. Stap voor stap wordt het kind door zo'n zelfgeleerde hanteringen handiger, meer geoefend, zekerder. Het is zijn eigen oefenspel van de wil, dat altijd maar duidelijker -door imitatie- overgaat in de handelingen die het de volwassenen ziet doen. Het begrijpt niet wat die doen, het handelt en imiteert zonder inzicht. Maar zo'n "doen zonder inzicht", werkt directer en dieper op de ganse lichaamsorganisatie in, als wanneer daar reeds een zin mee verbonden zou zijn. Het is alsof de wil het lichaam klaarmaakt om het passend en doorlaatbaar te maken voor de eigen individualiteit. Wat het kind in het spel doet is een soort heilig werk, en dit werk wordt het fundament voor het latere leven. Hier worden de grondslagen gelegd zodat later op rijpere leeftijd sterke wilskrachten ter beschikking staan, niet verlamd of vernauwd, wilskrachten voor de juiste daden en handelingen, voor de beslissingen op het juiste ogenblik. Wie oog heeft voor de totale ontwikkeling van de mens herkent in het kinderspel de basis voor de daden in het latere leven. Ook hier moeten we een vergelijking zoeken. Sommige graansoorten zaait men in de herfst, ze rusten 's winters in de aarde en komen dan in de lente tevoorschijn als bijzonder krachtige plantjes. Zo is het ook met het intellect. Om later actief, krachtig en fris te kunnen werken, heeft ook dit een absolute winterrust nodig, een ontwikkelingsslaap tot ongeveer het twaalfde jaar. Pas dan, met de geslachtsrijpheid, is zijn ware tijd gekomen, het beleeft zijn echte lente, en met ongebroken vleugels neemt het een tijd lang de leiding. Nadat het wilsfundament op de juiste manier is gelegd, welteverstaan. Wat moet men dus doen om met kennis van zaken het denken, het intellect en hun leerenergieën te vormen ? Men moet een vroeggeboorte verhinderen, ze in kiemtoestand zorgzaam belasten en ze stap voor stap aan het werk zetten op een wijze die bij de ziel past. Het verstand en intellect laten werken zoals in een kleuter-computerklas is een methode om het intellect automatisch, levenloos, vermoeid en afgestompt te laten worden. Het staat buiten kijf dat de kinderen leren lezen, schrijven en rekenen als men daar in het derde levensjaar mee begint. Maar de vraag die men moet stellen is: is het nodig dat ze het zo vroeg leren ? Berooft men hen zo niet van krachten die ze later zullen nodig hebben ? Het succes van het leren in de kleuterklas is een schijnsucces: het kind is nu eenmaal nog niet rijp om met een vrije ziel te leren, er is dus geen sprake van leren, maar van een soort dressuur. Dit "leren" wordt niet harmonisch verweven met de groeiende zielekrachten, het blijft een afzijdige geheugenkunst die niet doorgroeid en doorwarmd wordt maar afgekapseld blijft van de totale ontwikkeling van de mens.
Wat de kinderen aangedaan wordt door zulke psychologen en professoren die door hun ideeën verraden hoe ver hun wetenschap van het kind, van de mens staat, dat leidt tot individualiteitsverkommeringen die nog nauwelijks kunnen gecorrigeerd worden. Daarom moeten we met de grootste ernst waarschuwen om niet met verkeerde voorstellingen over het leren en met gebrekkige kennis over het wezen van de mens de kleuter bloot te stellen aan leerprocessen die zijn bestaan als mens in gevaar brengen. Even nadrukkelijk moeten we de vraag stellen naar een geesteswetenschap van de levensloop. Daarvan spreekt sinds meer dan 70 jaar het werk van Rudolf Steiner.
Wat is toch het bijzondere geheim van de Steinerscholen, waarvan zo'n overtuigende pedagogische werking uitgaat, tot ver buiten de kring van de school en de ouders ? Dat heeft te maken met het feit dat in de wekelijkse lerarenvergadering over het wezen van de mens, de ontwikkeling van het kind en over de realiteit van de leerlingindividualiteit gesproken wordt. Een thema dat onuitputtelijk en veelzijdig is en waar de zoekende leerkracht altijd mee bezig is. Als de moderne pedagoog samen met zoekende ouders de vraag stelt hoe Rudolf Steiner het klaar gespeeld heeft om "de school" tot een bloeiende, zegenbrengende inrichting voor de jeugd te maken, dan zal de kenner antwoorden: omdat Rudolf Steiner alles uit de school geband heeft dat voor de ontplooiing van het kind wezensvreemd en schadelijk is. Wat is er de ziel van het kind innerlijk vreemd ? De intellectuele ballast, het nietszeggende puntengeven, het opsplitsen van het leren in uur-lessen en de levensvreemde toetsmethodes. Het kind daarentegen dankt zijn zekerheid, levensvreugde en zijn vertrouwen in het leven aan het diepgrijpende en belevingsrijke leren dat op zijn verhouding tot de leraar berust, die het vanuit zijn groeiende zielekrachten als autoriteit vereert en wiens levendige onderricht op de wekkende wereld van de innerlijke beelden is opgebouwd. Het is een psychologische waarheid dat het leren iets is dat zich afspeelt van ziel tot ziel. Wie dit fundament van de zielekrachten doorziet, die weet dat daar alles gezaaid wordt dat later bij de volwassene geoogst wordt aan sociale openheid, wakkerheid voor levensverhoudingen, en aan rijkdom in menselijke relaties." [ ... ]
De Steinerschool blijft een mooi ideaal maar het wordt steeds moeilijker om dit mooie ideaal te realiseren. Niet alleen door de altijd maar groter wordende druk van de overheid om alle onderricht volgens haar inzichten te laten verlopen. Een andere reden is dat de meningsverschillen, conflicten tussen ouders, schoolbesturen en leerkrachten blijven toenemen (over de werking van Ahriman zie p.22). We leven nog teveel vanuit onbewuste vooronderstellingen, vooroordelen, er is nog altijd te weinig wakkerheid en openheid. In de Vrije Schoolbeweging is men zich zeer goed bewust van deze kwalijke trend. Men probeert oplossingen te vinden. Wie een goed inzicht heeft in deze problematiek is Dr. Michaëla Glöckler, leider van de zgn. Medizinische Sektion in het Goetheanum. Ze schreef o.m. het populaire werk "Kinderspreekuur". Enkele jaren geleden gaf ze in ons land twee interessante voordrachten ter gelegenheid van de lerarendag. De redactie van het tijdschrift "Erziehungskunst" bewerkte een andere voordracht van haar, te lezen in het januarinummer (1995) . Michaëla Glöckler heeft het daar over de gemeenschappelijke scholingsweg die ouders en leerkrachten in een Steinerschool moeten doorlopen. We vertaalden het laatste deel.
Dezelfde weg willen bewandelen : een bron van kracht Waar kunnen wij de kracht halen om te bestaan in deze tijd waar de tussenmenselijke relaties altijd maar gecompliceerder, ja dikwijls zelfs troosteloos worden ?
Die kracht kan alleen maar komen uit de aanwezigheid, het onderhouden van de voornoemde ontwikkelingsidealen. Ouders en leerkrachten kunnen elkaar bij hun gemeenschappelijke taak ten zeerste ondersteunen als ze van elkaar weten dat de ander het altijd maar weer gaat proberen, ook al gaat het x-maal verkeerd, ook al wordt er bijtijden scherp en hard gereageerd, ook al doen zich misverstanden voor. Men kan innerlijk een stap zetten die daarvoor een basis legt en die veel kracht om door te zetten kan vrijmaken. Deze stap wordt dikwijls verwaarloosd als er sprake is van idealen en scholingswegen, men beschouwt het als een teer punt. Waar ik op doel is de kwaliteit van een innerlijke verbintenis die men vroeger in kloosters de gelofte noemde. Zo'n gelofte legt men vandaag de dag vanzelfsprekend niet meer af voor een abt of een goeroe, maar tegenover zijn eigen hoger Ik, tegenover de wordende innerlijke mens in ons, tegenover zijn eigen ontwikkeling en toekomst. Legt men voor zichzelf de gelofte af om deze weg ernstig op te vatten, dan worden de voorstellingen van het doel, en de motieven, tot idealen die ons kracht geven en ons aanvuren -in plaats van ons te knechten en te verplichten om naar het eigen onvermogen of dat van de ander te staren. Als men tegenover een gemeenschappelijk ideaal of ontwikkelingsdoel een gelofte aflegt dan ontstaat er een soort schouderklop, een handslag, een echte relatie tot de eigen toekomst en die van andere mensen waarvan men weet dat ze dezelfde weg gaan. Velen klagen over vermoeidheid, verminderend engagement en krachteloosheid, vooral in schoolverband. Hoe anders zou er niet kunnen gewerkt worden als het zou lukken om -in 't begin in kleine gespreksgroepen- zich te verenigen, zodat er van mens tot mens -tot twee, tot drie- een uitstraling ontstaat die als een aanstekelijke gezondheid op het ganse schoolorganisme werkt. Hoe anders als de medewerkers, ouders en leraars, innerlijk beloven om de onzichtbare mens die moet ontstaan, te dienen. Die wordende mens zit niet alleen in het kind, maar ook in de ouders en de leerkrachten, en men staat voor de gemeenschappelijke opdracht de scholingsweg te bewandelen om zijn komst voor te bereiden. Dan zal ook dat geschieden wat vandaag altijd maar dringender wordt, dat ouders en leerkrachten beter leren verstaan waarom men als opvoeder alleen dikwijls niet meer in staat is zijn opvoedingsproblemen in de school of thuis op te lossen en dat daarom zowel van de school als van het ouderlijk huis veel vanuit een wederzijdse instelling van willen-helpen moet meegedragen worden. En als men het over de mate en mogelijkheid van medeverantwoordelijkheid voor het opvoedproces kan eens worden, en daar een overeenkomstig open klimaat voor geschapen wordt, dan is dat het begin van zo'n gemeenschappelijke scholingsweg. Rudolf Steiner sprak in de cursus die hij voor artsen en priesters tegelijk gaf over het wezen van de samenwerking tussen arts en priester. Wat hij daar formuleerde kunnen we op ieder soort samenwerking toepassen. Hij spreekt van "elkaar wederzijds te geven datgene waarin men bekwaam is" en dat "de ene niet in de sfeer van de ander ingrijpt".
Als we elkaar geven wat we kunnen inbrengen vanuit onze mogelijkheden, dan ontstaat een klimaat van samenwerking waar de goede krachten elkaar wederzijds versterken; daardoor groeit de motivatie om ook te werken aan hetgeen men nog niét kan. * * * * * * * * * * * Lucifer en Ahriman - geheugen en schrift
Uit GA 170 "Kosmische und menschliche Geschichte" blz. 198 e.v.
[ ... ] "Op deze plaats moet ik U terug opmerkzaam maken op iets dat ik al vaker gezegd heb, maar dat men in de grond niet dikwijls genoeg kan herhalen omdat het zeer, zeer belangrijk is. Tijdens ons aardeleven verwerven wij geheugen en gewoontes. Laten we eerst het geheugen eens bekijken. Dat schijnt een natuurlijke verworvenheid van ons aards bestaan te zijn. U weet dat de mens, hoe zwak zijn geheugen ook is, altijd de kracht, het vermogen heeft om zich iets te herinneren. Stelt U zich eens voor dat er voor de ontwikkeling van ons geheugen niets anders zou gebeuren dan hetgeen zo vanzelf gebeurt doordat wij nu eenmaal een fysiek aards lichaam hebben dat opgebouwd is uit mineralen. Het geheugen zou zich heel anders ontwikkelen dan dat het nu gebeurt. Want U weet dat wij voor de ontwikkeling van ons geheugen veel meer doen, of beter gezegd: er wordt iets met ons gedaan om ons geheugen te ontwikkelen. Wij leren van buiten. Vanaf een bepaald moment in onze jeugd doet men ons van buiten leren. En er is een verschil of wij iets vanzelf kunnen onthouden, of dat wij het actief van buiten leren. Als wij een gedicht vaak genoeg lezen, of als men het ons vaak genoeg voorleest, dan zullen we dat na verloop van tijd onthouden. Maar in de moderne opvoeding vindt men dat niet voldoende, men verplicht ons om het gedicht van buiten te leren. We worden zelfs gestraft als we het niet doen als het ons opgelegd wordt. Zo is het dus nu op de tegenwoordige ontwikkelingstrap van de mensheid.
Ik smeek U om mij nu alstublieft niet verkeerd te verstaan ! Dat er nu toch niemand gaat vertellen dat ik vandaag een donderpreek tegen het van-buiten-leren heb gehouden en gezegd heb dat dit moet afgeschaft worden. Dat zeg ik niet ! Het is in onze tijd nu eenmaal zo dat sommige dingen gememoriseerd moeten worden, omdat onze ontwikkelingscyclus een bepaalde manier van geheugenvorming vereist.
Maar wat gebeurt er dan met onze ziel wanneer we door van-buiten te leren het vanzelf-onthouden ter hulp komen ? In dat geval wordt Lucifer aangeroepen. Het is werkelijk de luciferische kracht die aangeroepen wordt als men op die manier het natuurlijke geheugen een handje toesteekt. Ik leg er nogmaals de nadruk op: zegt U alstublieft niet: "Oh, Lucifer, daar moeten we voor oppassen ! Het is maar best om al het van buiten leren voor onze kinderen af te schaffen !" Dat is nu zo de slechte gewoonte die velen zich eigen maken, door altijd maar weer te geloven dat men voor Lucifer en Ahriman moet oppassen, dat men alles moet doen opdat Lucifer en Ahriman toch maar niet in onze buurt komen. Terwijl ze juist heel dicht bij ons komen als men er zo voor op zijn hoede is ! Men moet met de luciferische en ahrimanische krachten rekenen in de wereldontwikkeling. Ze moeten ingevoegd worden in de wereldontwikkeling, en het gaat er om dat dit op de juiste manier gebeurt.
Bekijken we dit specifiek geval: waarom moet er dan een luciferische kracht op deze manier voor het geheugen aangeroepen worden ? In vroeger tijden, maar helemaal niet zo lang geleden, had het geheugen een kracht waar de mens zich nu niet meer van bewust is. Wij hebben relatief veel tijd nodig om ons een groot dichtwerk in te prenten. De oude Grieken konden dat vlugger. Een groot aantal van de oude Grieken kende de Homerische zangen van begin tot einde. Maar ze leerden dat niet van buiten zoals wij dat heden ten dage doen. De geheugenkracht was toen immers anders gevormd. Wat gebeurde er eigenlijk toentertijd in de vierde na-atlantische cultuurperiode ? Er vond in zekere zin een herhaling plaats van iets dat in nog veel sterkere mate in het atlantische tijdperk zelf gebeurd is en waarover ik het reeds gehad heb in de teksten over de atlantische ontwikkeling. Een kracht die we uit de Maan-toestand overgehouden hadden en die imaginatieve ervaringen uit het droombewustzijn kon navolgen ging over in het innerlijke. Daardoor ontwikkelde zich bij de atlantische mens het geheugen als een eerste oplichten van wat uit de wereld op hem toekwam. En gedurende de atlantische tijd moest de mens zich werkelijk niet erg inspannen om zijn geheugen te ontwikkelen, want het was alsof er een kracht in zijn innerlijk stroomde die vroeger diende voor het omgaan met de uiterlijke wereld. En dit herhaalde zich in de vierde na-atlantische cultuurperiode. In het innerlijke geschiedde een herhaling van wat zich vroeger, zonder dat de mens er iets voor deed, afspeelde in wisselverkeer met de wereld.
Met zijn intrede in de vijfde na-atlantische cultuurperiode moet de mens zich altijd meer en meer inspannen om geheugenkracht te verwerven. Opdat die zou kunnen bijdragen tot zijn individualisering en tot zijn vrijheid moet hij zich nu eigen maken wat hem vroeger vanzelf toeviel. Altijd als er later iets moet verworven worden wat eigenlijk uit een vroeger vermogen komt, als dus het geheugen ter hulp wordt gekomen met krachten die vroeger terecht waren, dan hebben we te maken met een luciferische werking. Doordat wij kunstmatig in onze tijd invoeren wat natuurlijk was tijdens de Griekentijd, -het vanzelfsprekende onthouden- daardoor wordt het tot iets luciferisch. Als U zich dit luciferische eens voor de geest brengt, dan wordt U gewaar welke rol Lucifer in de mensheidsontwikkeling heeft. U moet het gewaarworden als de zaken aldus geschilderd worden. In de Grieks-Latijnse tijd waren er hem nog enigszins grenzen gegeven. Hij had er nog zijn plaats. Nu is hij niet meer op dezelfde manier op zijn plaats. Nu moet de mens om zijn geheugen te ontwikkelen een verbond met hem aangaan. De mens moet door eigenwerkzaamheid bereiken wat zonder zijn toedoen met hem gebeurde nog tijdens de Grieks-Latijnse tijd. Maar daardoor wordt dat wat met hem geschiedde tijdens de Grieks-Latijnse tijd een luciferische daad. Op het ogenblik nu dat er een luciferische werkzaamheid optreedt, komt ook de andere zijde van de weegschaal enigszins in beweging: de ahrimanische. En terwijl wij aan de ene kant van buiten leren, dus Lucifer aanroepen voor het geheugenwerk, heeft de mensheid altijd meer en meer de andere, ahrimanische steun voor het geheugen ontwikkeld, het opschrijven.
Want ik heb het reeds meermalen aangeduid: de mens in de Middeleeuwen ervoer terecht de boekdrukkunst als een "zwarte kunst". Het van buitenaf helpen van het geheugen is inderdaad iets ahrimanisch. Eens te meer zeg ik niét dat het juist is om voor al het ahrimanische op de loop te gaan, hoewel op dit gebied bijzonder in onze kringen teveel gedaan wordt bij het aanroepen van Ahriman. Men bemint hem juist te zeer ! Maar dat is nu eenmaal de opdracht van de mensen dat hij een evenwicht zoekt, dat hij niet gelooft dat hij zo zonder meer Lucifer en Ahriman zou kunnen ontlopen ! Het is integendeel zijn opdracht om koen en moedig en krachtvol onder ogen te zien dat deze beide wezens nodig zijn voor de wereldontwikkeling en dat hij bij zijn eigen ontwikkeling de krachten die van Lucifer en Ahriman komen mag aanwenden voor eigen gebruik, maar dat hij wel op de meest verschillende gebieden het evenwicht tussen Lucifer en Ahriman moet tot stand brengen. Ze moeten in evenwicht zijn, Lucifer en Ahriman, en wij moeten onze werkzaamheid zo inrichten dat ze in evenwicht blijven. Daarom ook moesten gedurende de aarde-ontwikkeling het luciferische en het ahrimanische element ingrijpen. En uit onze laatste beschouwingen weten we dat we als betekenisvol symbool voor het ingrijpen van het luciferisch element moeten bekijken wat daar staat in het begin van het Oud-Testament, waar luciferische krachten ingrijpen in de aarde-ontwikkeling langs de vrouw om, en waar langs de vrouw om de man verleid wordt. In dit symbool wordt het ingrijpen van het luciferische element, dat we in de lemurische tijd moeten plaatsen, uitgebeeld in de Bijbel. Dan volgde daarop tijdens de atlantische tijd het ingrijpen van het ahrimanische element in de ontwikkeling van de aarde. En zoals het menselijk inzicht de vierde na-atlantische periode nodig had om tot een begrip van het bijbels Lucifer-symbool te komen, zo was de vijfde na-atlantische periode nodig om in zekere zin het tegensymbool voor de mensenziel te laten verschijnen. De Faust-figuur heeft Ahriman aan haar zijde, zoals Eva Lucifer; zoals Lucifer rechtstreeks voor de vrouw komt te staan, zo Ahriman voor de man, Faust. En zoals de man, Adam langs Eva om verleid wordt, zo wordt de vrouw, Gretchen, langs de man om, langs Faust om, belogen. Want aan de basis van de verleiding van Gretchen ligt het belogen-worden, omdat Ahriman in het spel is die we, tegenover de Geest der verleiding Lucifer, de Geest der leugen kunnen noemen. Dat is één van de benamingen die we kunnen gebruiken: Lucifer de verleider, Ahriman de leugenaar.
Er is veel in de wereld dat louter en alleen bestaat om de mens te beschermen tegen de luciferische verleiding. Regels, aanwijzingen, morele impulsen die beschreven werden, zijn er om de mens te behoeden voor de luciferische verleiding, voorzieningen binnen de mensheidsontwikkeling enzovoort. Minder uitgewerkt kan men zeggen, is vandaag nog al waarmee de mens zich op de juiste manier kan wapenen tegen de ahrimanische val, tegen de val in de onwaarachtigheid. Al wat luciferisch in de mens is heeft te maken met het passionele, het emotionele. Daarentegen heeft alles wat zich als ahrimanisch laat gelden te maken met het onware, met het leugenachtige. En in onze tijd is het nodig dat de mens niet alleen gewapend is tegen luciferische aanvechtingen, maar ook dat hij begint zich te wapenen tegen de ahrimanische aanvechtingen. [ ...] Waarom is Ahriman eigenlijk toegelaten geworden tot de fysieke wereld ? Ik heb U in een van onze laatste beschouwingen aan de hand van een voorbeeld aangetoond: hij is sterk toegelaten geworden. U herinnert zich wel, er werd een voorval geënsceneerd* , dat zich vervolgens precies afspeelde zoals het afgesproken was: getuigen ervan waren niet gewone waarnemers, maar dertig studenten in de rechten en jonge juristen -dus mensen die zich voorbereiden om later menselijke handelingen te beoordelen. Zij waren dus toeschouwers van een voorval dat precies verliep zoals men dat op 't voorhand gepland had. Na het voorval werd aan deze dertig mensen gevraagd om weer te geven wat er eigenlijk gebeurd was: zesentwintig beschreven de gebeurtenis totaal verkeerd, slechts vier konden de waarheid weergeven, en dan nog maar gedeeltelijk. U ziet daaruit hoe het gesteld is met het tot stand brengen van de juiste relatie tussen de menselijke voorstelling en een uiterlijk fysiek feit. Dertig mensen kunnen daar zitten kijken naar een voorval dat zich afspeelt zoals het voorafgaandelijk werd afgesproken, en zesentwintig daarvan beschrijven het verkeerd ! Daar ziet U Ahriman in volle werkzaamheid !
Daar ziet U hoe hij aanwezig is ! Maar indien hij er niet ware, wat dan ? In een bepaald opzicht zouden we dan zeker lammetjes zijn, want we zouden de impuls voelen om nooit een andere voorstelling te vormen dan alleen van wat we als feit voor ons zien, en we zouden in ons spreken alleen maar laten passeren wat we als feit waargenomen hebben. Maar we zouden niet anders kunnen ! Van vrijheid zou geen sprake zijn ! We zouden het moeten doen, het zou niet anders kunnen zijn, en wij zouden nooit vrije wezens kunnen worden. Om als vrije wezens te waarheid te zeggen, moeten wij de mogelijkheid bezitten om te liegen, we moeten de kracht verwerven om eigenlijk ieder keer de Ahriman in ons te overwinnen. Hij moet er zijn, om te "prikkelen en te handelen" en om"als duivel te scheppen". Daar voelt U hoe hij er zijn moet, Ahriman, en hoe het verkeerde er slechts in bestaat dat men hem zonder meer volgt en hem niet beschouwt als diegene die "prikkelt en handelt en als duivel schept" en overwonnen moet worden. Het ontvluchten waar velen van spreken, die met zo'n lang gezicht zeggen: "Is dat daar niet iets ahrimanisch ? Daar mag ik niet mee omgaan !" -zoals in vele gevallen gemeend is, betekent niets anders als dat men zich op een gemakkelijke manier tot Lucifer wendt in onvrijheid. * * * * * * * * * * * Het hart en het etherlichaam
In de volgende fragmenten vertelt Rudolf Steiner meer over het etherlichaam en de schadelijke invloed die de moderne cultuur erop uitoefent. Het eerste fragment komt uit een voordracht voor de arbeiders aan het Goetheanum, het tweede uit een voordracht voor artsen. We maken terug eens kennis met Steiners manier om mistoestanden te verhelpen : hij praat nooit over afschaffen of verbieden, nee, hij heeft het over inzicht brengen en een tegengewicht scheppen ...
[ ... ] "Het hangt altijd af van de sterkte of de zwakte van het etherlichaam of er een litteken achterblijft, of dat alles spoorloos verdwijnt. Verwondingen die men als kind oploopt zullen altijd kleinere littekens achterlaten dan verwondingen op volwassen leeftijd. De mensen verschillen natuurlijk ook; velen behouden hun ganse leven een uitzonderlijk sterk etherlichaam, en bij hen zullen littekens vlugger verdwijnen dan bij mensen die een verzwakt etherlichaam hebben. Ziet U, dat kan men natuurlijk allemaal weten; maar in onze sociale omstandigheden is daar voorlopig niet veel aan te veranderen. Eerst moet de kennis omtrent deze zaken zich verspreiden. Het is toch voor iedereen begrijpelijk dat het van het sterkere of zwakkere werken van het etherlichaam afhangt hoe de littekenvorming verloopt, en hoe het binnendringen van vreemde stoffen - een mes of iets vuil- genezen wordt. En als men dat dan eenmaal weet dan verwondert men er zich eigenlijk niet meer over dat vele wonden helemaal niet meer genezen, als de mensen een uitgemergeld, opgevreten etherlichaam hebben. Dat komt nl. dikwijls doordat er geen samenhang meer is tussen arbeid en natuur. Het heeft dus niet zozeer iets te maken met de koolzuurrijke lucht, dan wel met het feit dat men niet meer zo met de natuur verbonden is. Als iemand een ganse dag in een bureel of een atelier zit, dan heeft dat waarmee hij zich bezig houdt maar weinig meer te maken met de natuur. Stelt U zich maar eens onze ongelofelijke cultuur voor, die zich zo langzaamaan ontwikkeld heeft : die maakt de mens volledig los van de natuur; er worden altijd meer en meer schadelijke stoffen gemaakt, die de natuur totaal vreemd zijn. Dat heeft een grote sprong gemaakt in de moderne tijd. Men beschouwt dat nu eenmaal niet vanuit een geestelijk standpunt, maar men zou het eigenlijk wel moeten doen. U moet slechts bedenken : vroeger schreef men, vandaag werkt men met een schrijfmachine. Welk verband bestaat er nu tussen schrijven en gezondheid, behalve de beweging dan ? Wel, één van de meer verborgen samenhangen die tussen schrijven en gezondheid bestaat, is de reuk van de inkt. En de inktreuk van vroeger, die was niet schadelijk, hij werkte integendeel op een bepaalde manier corrigerend. Al wat men aan levenskrachten verbruikte, door de onnatuurlijke houding, door de inspanning van de hand, dat werd door de oude manier van inkt te maken uit galappels eigenlijk geneutraliseerd. Wat men uit de galappels won, dat rook zo dat het voortdurend het etherlichaam -wel niet veel, maar toch een beetje- versterkte. Toen is men begonnnen met aniline-inkt te maken, zoals U weet, zuiver chemische inkt, men liet de natuur links liggen om, zoals men in de scheikunde zegt, synthetische inkt te maken; de mens verloor de samenhang. En de aniline-inkt, die verspreidt een reuk die precies het tegendeel is van de vroegere inkt. Tegenwoordig schakelt men over op de schrijfmachine. Het ergste daarbij zijn niet de bewegingen die men moet uitvoeren, het ratelen -want er zijn nu ook al schrijfmachines die geluidloos werken- maar wel de vuiligheid die gebruikt wordt om de inkt voor de letters te maken. Die ruïneert totaal het menselijke etherlichaam, in die mate dat de mensen er een hartziekte van krijgen, want het hart wordt vooral door het etherlichaam aangedreven. Anderzijds brengt de cultuur ook vooruitgang, maar de nevenwerkingen kunnen alleen maar onschadelijk gemaakt worden als men weet wat er in feite werkzaam is. Tegenwoordig bemerkt men dikwijls verzet tegen de vooruitgang. Dat mag natuurlijk niet zijn; maar aan de basis van dat verzet ligt toch een bepaald instinct: de mens merkt, ook als hij het niet precies kan verklaren, dat samen met de vooruitgang van de toekomst altijd meer en meer schadelijke dingen verschijnen. Dat hangt samen, zo is het nu eenmaal ..." [ ... ] [ ... ] " Alles wat U tegenkomt aan hartafwijkingen zoudt U eens grondig moeten onderzoeken en proberen in verband te brengen met een gestoorde menselijke activiteit. U zou eens moeten onderzoeken hoe verschillend het hart werkt bij iemand die, laat ons zeggen als landbouwer zijn akker bewerkt, en buiten dit werk niet veel anders doet, en hoe het hart werkt bij iemand die bvb. voor zijn beroep veel moet autorijden of zelfs maar moet treinrijden. Het zou buitengewoon interessant zijn om daarover diepergaande studies te maken. Want U zult vinden dat de neiging tot hartziekten in wezen afhangt van het feit of een mens zelf beweegt als hij door een voertuig voortbewogen wordt, dus in de trein of in de auto zit en voortbewogen wordt. Zich passief overgeven aan een uiterlijke beweging is iets dat alle processen die in het hart samenkomen op een bepaalde manier deformeert. Nu hangt alles wat op deze wijze de menselijke leefwereld beïnvloedt samen met de manier waarop de mens zich verwarmt. En daar ziet U een verwantschap tussen de hartactiviteit en de warmte-impuls in de wereld waarmee de mens samenhangt. U ziet dus dat als de mens genoeg warmte ontwikkelt door zijn eigen activiteit, dat deze hoeveelheid warmte die hij zelf ontwikkelt in zijn levensproces tegelijkertijd de maat is voor de gezondheid van zijn hart. Daarom zou men er bij hartpatiënten altijd moeten op letten om een zeer doorleefde eigenbeweging te stimuleren. Ik ben ervan overtuigd dat misschien binnen een jaar of vijftien, als men over deze zaken nuchterder zal denken als vandaag, dat de mensen zullen zeggen : het is toch merkwaardig hoe door euritmie de mensen terug een gezonde hartactiviteit gekregen hebben, omdat de euritmie nu eenmaal de bezielde eigenbeweging wezenlijk reguleert en ze zelfs wetmatig reguleert. Daarom is het misschien ook niet slecht dat ook eenmaal vanuit dit standpunt eens gewezen wordt op de gezondmakende oefeningen die uit de euritmie kunnen gehaald worden als het gaat om een onregelmatige hartfunctie." [ ... ] (Uit GA 312 3Geisteswissenschaft und Medizin" blz. 177 en GA 353 "Die Geschichte der Menschheit" blz. 158)
* * * * * * * * * * * Voor beginners: antroposofie en kruidenWilhelm Pelikan schreef een zeer interessant werk over planten, "Heilpflanzenkunde". Het bestaat uit drie delen. De planten worden er in hun uitzicht en werking beschreven vanuit geesteswetenschappelijk oogpunt. Het volgende uittreksel komt uit het derde deel, kapitel XVI, het gaat over : "Specerijplanten en de menselijke wezensdelen".
Het zijn warmte-werkingen die van een plant een specerijplant maken. De koude gebieden brengen er weinig voort. In de gematigde zone komen er al meer voor; maar de meeste groeien in de warme landen. Samen met de temperatuur stijgt ook de smaakgevende kracht van de planten. In de gematigde zone hebben we milde kruiden, in de tropen de vurige. Vergelijkt men jeneverbes, venkel, anijs, komijn, salie, rozemarijn, marjolein, paprika, peper, muskaat, kaneel, dan heeft men een weg van Noord naar Zuid afgelegd. De menselijke voeding weerspiegelt de mens zelf, de ganse mens met al zijn wezensdelen, niet alleen zijn lichamelijke natuur maar ook ziel en geest. De mens heeft niet alleen een gestalte, leven, gewaarwording in zich, zoals dat ook het mineraal (gestalte), de plant (gestalte, leven) en het dier (gestalte, leven, gewaarwording) hebben. Maar daarbij heeft de mens ook een zelfbewuste geest, die zich als een Ik beleeft, die in zijn innerlijk de wereld begrijpt en vanuit zijn innerlijk met zijn wil scheppend in de wereld ingrijpt. De mens wil met bewustzijn doordringen wat hij wil genieten - niet alleen maar verteren. Een vogel is tevreden als hij kan graantjes oppikken om verzadigd te geraken. De mens bereidt uit dezelfde zaden op kunstige manier brood, dat hij met zout, komijn, venkel, anijs, maan- en sesamzaad, gedroogde vruchten op velerlei wijze kruidt. Waarbij hij dan nog dikwijls 's morgens een andere soort brood eet als 's middags of 's avonds - om a.h.w. zijn ganse organisme voor de spijs wakker te maken. Zo worden de sympathiekrachten der ziel evenveel aangesproken als de verteringskrachten van de organen, zodat de smaak werkzaam wordt -afhankelijk van het gebruikte toevoegsel- al over tong, verhemelte, tot in de maag, de darmen en hun klieren, tot in de onbewuste diepten van de lichaamsorganisatie, tot gal en lever. De kruiden helpen het Ik bij het smaken en laten het toe om de waarde van het voedsel in te schatten. Dit Ik, het menselijke geestwezen, heeft in het lichaam als fysiek instrument vooral de warmte-organisatie; het woont a.h.w. in de bloedwarmte, daarom ook worden temperatuur en temperatuurverschillen zo hardnekkig vastgehouden. Het modern geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner heeft dat dikwijls beschreven. Op dit Ik werkt een eerste klasse van kruiden, die men de verwarmende zou kunnen noemen. Zij kunnen dat omdat ze zelf "in de warmte geboren zijn", nl. in de verschillende rijkgevarieerde warmtezones van de aarde. Hun vuur glanst het zwakst in de koude streken, het sterkst in de tropen. In de gematigde zone schenkt ons de familie van de lipbloemigen (labiatae) een waar arsenaal aan kruiden, het is niet voor niets dat de nektar ervan het lievelingsvoedsel van de honingbij -een warmtedier- is :
Salie - pepermunt - melisse Hiermee maken wij pas soepen, sauzen, groenten, salades, aardappelen, vleesgerechten echt smakelijk. Peper, muskaat, kruidnagel, curcuma (in kerrie), paprika, maar ook kaneel en piment zijn gaven van de tropen die de stofwisseling machtig aanwakkeren en die rijsttafel, mais, sago, tapioca, en de in deze streken bijzonder moeilijk te verteren vleesgerechten toegankelijk maken voor de stofwisseling die in deze hitte gemakkelijk verslapt; ook versterken ze de werking van lever en gal. De warmte-organisatie, en het Ik dat erin leeft maar dat door de tropenhitte, een lichaamsvreemde warmte, voortdurend met overweldiging wordt bedreigd, heeft de sterke impulsen in de voeding die van deze kruiden uitgaat nodig om zijn innerlijke wilswarmte te kunnen handhaven en naar buiten te kunnen werken. Maar de mens is niet alleen een geest-, maar ook een zielewezen. Ook de ziel heeft in het lichaam een bijzondere organisatie nodig waar ze kan in leven : een luchtsysteem. Daardoor, door alle ademhalingsprocessen kan ze zich als gevoelig en voelend zielewezen in een lichaam thuisvoelen. Ook de dieren hebben een lucht-organisatie als basis voor de ontplooiing van een zieleleven -natuurlijk op een lager niveau als de mens. Hiermee moet men eveneens rekening houden bij de voeding en bij het koken. Hier helpt een klasse van kruiden, nl. diegene die het "luchtig maken" van het organisme stimuleren, en daardoor het ganse menselijke zielewezen, het astraal lichaam, aanspreken. Zulke kruiden worden geleverd door planten die een relatie hebben met het luchtelement, zoals de lipbloemigen die hebben met het warmte-element. Dat zijn de schermbloemigen (umbelliferae). Deze "grijpen naar het luchtige", breiden er hun fijn-geleed blad in uit, versproeien er a.h.w. in ,uitstralend met schermen en schermpjes, vullen zich ermee in hun holle stengels, opgeblazen bladscheden en luchtgevulde vruchten. Zij streven naar een "astralisering", beluchting van hun vloeiend-levendige plantennatuur, en overschrijden daardoor een klein beetje de grens die hier voor planten bestaat (normaal is er in een plant met zijn water-organisatie alleen plaats voor een etherlichaam). Door dit overschrijden kan de schermbloemenfamilie ons kruiden schenken waarmee men vloeibare spijzen, soepen en sauzen, aromatiseert: men denke slechts aan peen, selder, pastinaak, kervel, peterselie, dille. Door deze kruiden wordt onze vloeistof-organisatie krachtig door astrale activiteit aangegrepen, alle spijsverteringsklieren opgewekt tot verhoogde uitscheiding. Maar ook verhinderen ze een ontsporing van de luchtwerking, opgeblazenheid enz. Daarop berust de gunstige werking van venkel, anijs en komijnzaad op het zwaar verteerbaar graneneiwit in sommige broodsoorten. Andere kruiden helpen dan weer een derde menselijk wezensdeel, de drager van de levenskrachten, het etherlichaam, dat zijn stoffelijke drager in het stromend sappenwezen, in de vloeistof-organisatie vindt. Het bewerkstelligt opbouw, voeding, vermeerdering en genezing, hierin geleid weliswaar door de hogere wezensdelen, Ik en astraal lichaam (ziel en geest). Deze kruiden helpen dit derde wezensdeel om de eiwitten uit de voeding te halen, af te bouwen, lichaamseigen te maken en terug op te bouwen in de eigen lichaamsorganisatie, aan te passen aan de werking van de hogere wezensdelen. Dat doen planten die zwavelhoudende aromastoffen vormen. Want zwavel bevordert het verlevendigen van het eiwit waarvan hij een belangrijk bestanddeel is; hij versnelt de levensprocessen, geeft ze energie. Dit soort planten heeft een woekerende, borrelende groei, een onkruidachtige levenstaaiheid die hen onder omstandigheden laat groeien waar andere planten verkommeren, bvb. herik, looksoorten, lepelblad. Twee plantenfamilies leveren vooral zwavelhoudende aromastoffen, nl. de bolgewassen (leliaceae) en de kruisbloemigen (cruciferae). We denken maar aan ajuin, knoflook, bieslook, waarmee we vlees- en visgerechten, eieren, kwark, kaas, erwten, bonen, linzen lichter verteerbaar en smakelijk kunnen maken. Ook nog mosterdzaad, mierikswortel, waterkers worden daarvoor gebruikt, evenals de verwante kappertjes. Deze zwavelkruiden bevorderen niet alleen de opname van eiwitsoorten in het lichaam, ze brengen ze ook in het bereik van de ademhaling, komen daarmee de luchtorganisatie en het astraal lichaam tegemoet. Wie zulke kruiden ietsje teveel gebruikt heeft verraadt door zijn adem dat de zwavelwerking tot in de ademhalingsorganisatie is opgestegen ! Ook van deze kruiden heeft een bewoner van zuidelijke streken meer nodig dan iemand uit noordelijker breedten. Kruidenplanten staan dicht bij geneeskrachtige planten, ze zijn dikwijls tegelijkertijd zowel het een als het andere. Dat werpt een licht op het wezen van de menselijke voeding. Wij nemen ons voedsel uit de buitenwereld die ons eigenlijk vreemd is en door de spijsvertering volledig moet worden omgevormd; anders zou het voor ons vergif zijn. Daarom wordt iedere spijs als een belasting beleefd -de ene al meer dan de andere-, tot ze door de verteringskracht overmeesterd is. Eigenlijk "eten wij ons ziek en verteren wij ons gezond"(Rudolf Steiner). Deze dagelijkse kleine genezing wordt door kruidenplanten , of door de specerijen die ze voortbrengen, ondersteund; dat ligt aan hun geneeskrachtige werking. Zo is bvb. de curcumawortel enerzijds het hoofdbestanddeel van currypoeder, maar kan men er anderzijds ook een goed medicijn voor de gal uit winnen. Venkel, anijs, komijn stimuleren de spijsverteringsklieren, maar kunnen als geneesmiddel dienen bij gestoorde melkproductie. Op dezelfde manier kunnen schermbloemigen voor maagklachten gebruikt worden. Kruiden, verteren, genezen lopen zo in elkaar over.
Het zijn dus heel bepaalde natuurprocessen die een plant tot specerijplant maken, vooral warmte- en luchtprocessen. Men kan bij de natuur in de leer gaan, zoals de alchemisten (Paracelsus), en proberen deze natuurlijke processen na te bootsen. Een kok moet werken met dezelfde elementen die in een plant werken :
De kook- en kruidkunst moet de brug vormen tussen de voeding, die uit de natuur buiten ons komt, en onze menselijke natuur met zijn hogere wezensdelen. Dan is de mens niet meer wat hij eet, maar dan eet hij wat hij is. We moeten onze spijzen zodanig bereiden dat ze aan ons eigen wezen aangepast worden. Dat lukt door de bewust gekozen en juist gedoseerde kruiden toe te voegen."
* * * * * * * * * * * Karma: enkele verduidelijkingenRudolf Steiner in de voordracht van 27 augustus 1906 te Stuttgart: [...] "In de eerste plaats antwoordt de leer van karma op een grote levensvraag: hoe komt ons lot eigenlijk tot stand ? Waarom worden kinderen onder zo'n verschillende omstandigheden geboren ? Men ziet bvb. hoe een kind in rijkdom geboren wordt, misschien zelfs met grote talenten, omgeven door de zorgzaamste liefde. En men ziet een ander kind, geboren in ellende en armoede, misschien met weinig talenten of capaciteiten, zodat het voorbestemd lijkt om het tot niets te brengen; of ook met veel aanleg, maar die misschien niet kan ontwikkeld worden. Dat zijn raadselvragen van het practische leven, daarop kan alleen de antroposofie een antwoord geven. De mens moet deze vragen voor zichzelf beantwoord hebben als hij met kracht en hoop in het leven wil staan. En hoe antwoordt de leer van karma op deze vragen ?
We hebben gezien dat de mens herhaalde levens op de aarde meemaakt. Het kind wordt niet voor de eerste maal geboren, het was hier reeds dikwijls. Alles in de wereld hangt samen met oorzaak en gevolg, dat geeft iedereen toe. Deze wet van oorzaak-gevolg heerst dus in de natuur, en deze zelfde wet, toegepast op het geestelijke, op de geestelijke wereld, dat is de wet van karma.
Hoe werkt deze wet nu in de buitenwereld ? Als we een metalen knikker nemen, hem verhitten en dan op een houten plaat leggen, dan brandt hij daar een gat in. Verhitten we een andere knikker, gooien hem vervolgens in 't water, en leggen we hem dan op de plank, dan brandt hij er geen gat in. Het feit dat ik de knikker in het water gelegd heb, heeft een betekenis voor hetgeen de knikker achteraf bewerkstelligt.
Zo hangt de werking af van de oorzaak. Dat is een voorbeeld uit de levenloze natuur, en zo is het in de ganse wereld. Dieren met ogen, die ooit in grotten terechtkwamen en daar begonnen te leven, verliezen hun gezichtsvermogen. Als een exemplaar van een latere generatie erover zou kunnen nadenken: "Hoe komt het dat ik geen ogen heb ?", dan zou hij moeten zeggen: de oorzaak van mijn lotsbeschikking is het feit dat mijn voorouders ooit in deze grot zijn komen leven. Zo is een gebeurtenis van vroeger het lot voor later. Aldus hangt alles samen volgens oorzaak en gevolg. Bij de mens wordt deze zaak individueel: het dier heeft een groepsziel, en wat met een groep dieren gebeurt hangt samen met hun groepsziel. De mens daarentegen heeft een Ik voor zich alleen. Dit persoonlijk Ik ondergaat hetzelfde lot als de groepsziel van een diersoort. Zoals een diersoort evolueert, zo verandert het afzonderlijke Ik van leven tot leven. Oorzaak en gevolg planten zich voort van het ene leven naar het andere. Wat ik vandaag beleef, heeft zijn oorzaak in een vroeger leven, en wat ik vandaag doe, vormt mijn lot van mijn volgend leven.
De oorzaak voor al die verschillende geboorte-omstandigheden ligt niet in dit leven: de oorzaak ligt in een vroeger leven. De mens heeft zijn lot zelf voorbereid in een vorig leven.
Nu kan men zeggen: "Dat is toch iets dat de mens bedrukt en hem iedere hoop ontneemt". Maar neen, de wet van karma is de troostrijkste wet voor het leven. Want zo waar er niets zonder oorzaak is, even zo waar is er niets zonder gevolg. Ook al word ik in nood en ellende geboren, ook al heb ik weinig talenten: wat ik ook doe zal zijn werking hebben, en wat ik mijzelf bijbreng door vlijt en moraliteit, zal zeker een werking uitoefenen op volgende levens. Het kan mij bedrukken dat ik mijn lotsbestemming zelf verdiend heb, maar evenzeer kan het mij verheffen dat ik zelf kan timmeren aan mijn toekomstig leven. Wie deze wet in zijn denken en voelen opneemt, zal zien wat voor een kracht en zekerheid in het leven hij wint. Het is niet zo belangrijk dat men deze wet tot in de details doorgrondt, dat komt pas op de hogere trappen van het helderziende inzicht. Veel belangrijker is het dat men in de zin van deze wet de wereld bekijkt en ernaar leeft. Doet men dat in alle ernst jaar na jaar, dan zal deze wet zich vanzelf in het gevoel nestelen. Haar waarheidsgehalte wordt duidelijk door ze toe te passen.
Nu kan iemand opwerpen: "Zo worden we toch zuivere fatalisten ! Al wat ons treft hebben we onszelf aangedaan, en daar kunnen we niets meer aan veranderen; dus is het beste om maar niets te doen. Als ik lui ben; dat is nu eenmaal mijn karma."
Of men zegt misschien:"Er is een karmawet die zegt dat we gunstige werkingen voor ons volgend leven kunnen bereiken. Dan zal ik in een volgend leven eens beginnen met heel braaf te zijn, maar voorlopig wil ik eerst nog wat genieten. Ik heb immers tijd, ik kom later toch terug op aarde, en dan zal ik beginnen."
Een andere zegt:"Nu help ik geen mens meer, want als hij arm en behoeftig is en ik help hem, dan grijp ik in in zijn karma. Wat hij afziet heeft hij zelf verdiend, hij moet zelf maar zorgen dat zijn karma anders wordt."
Al deze argumenten berusten op de grofste misverstanden. De wet van karma zegt: alle goede daden die ik in het leven verricht heb zullen hun uitwerking hebben, alle slechte daden eveneens; er bestaat een soort levensboekhouding, met een schuld- en een tegoedzijde. Op ieder moment kan men de balans maken. Als ik nu afsluit en de balans opmaak, dan is het resultaat mijn lotsbestemming. Op 't eerste zicht lijkt dat nogal star en onbeweeglijk, maar dat is het niet. We kunnen de vergelijking met de boekhouding doortrekken: iedere zakelijke transactie verandert de balans en zo verandert ook iedere nieuwe daad het lot. De handelaar kan toch niet zeggen: "Iedere nieuwe transactie verstoort mijn balans, dus kan ik niets doen". Evenmin als een handelaar door zijn boekhouding gehinderd wordt om een nieuwe zaak te ondernemen, netzomin wordt de mens gehinderd om een nieuw feit in zijn levensboek te schrijven. En als de handelaar in nood is en tegen zijn vriend zegt:"Geef mij eens duizend mark opdat ik uit deze moeilijke positie geraak", en die vriend zou antwoorden:"Maar daarmee verander ik iets in je boekhouding", dan zou zo'n antwoord onzinnig zijn. Op dezelfde manier zou het onzin zijn ergens niet te helpen om niet in conflict te geraken met de wet van karma. Er is niets dat de mens, die vast aan het karma gelooft, belet om alle nood en ellende te verhelpen. Integendeel, juist als men er niet in gelooft zou men moeten vertwijfelen of hulp überhaupt werkzaam is; door mijn geloof in de wet van karma weet ik zeker dat helpen iets uithaalt op de juiste manier. Dat is de troostrijke, daadkrachtige zijde van de wet van karma. Men moet niet zozeer naar het voorbije karma kijken, dan wel naar het toekomstige. Men kijkt wel terug naar wat gebeurd is en draagt zijn karma, maar men steekt vooral de handen uit de mouwen omdat men een basis moet leggen voor de toekomst.
Van de kant van de christelijke geestelijken moeten we dikwijls horen: "Jullie antroposofie is geen christendom want ze schrijft alles toe aan de zelfverlossing. Jullie zeggen dat de mens helemaal alleen zijn karma moet vereffenen. Maar als de mens zelf zijn karma kan vereffenen, dan blijft er geen plaats voor Jezus Christus, die toch voor de ganse mensheid geleden heeft. De antroposoof zegt dat hij niemand nodig heeft."
Dat is dus een misverstand aan beide zijden. Men verliest uit het oog dat de vrije wil niet beperkt wordt door de wet van karma. De antroposoof moet inzien dat hij niet alleen op zelfhulp en zelfontwikkeling steunt als hij in karma gelooft. Hij moet weten dat een ander hem kan helpen; en dan zullen we gemakkelijk de echte vereniging vinden van de karmawet met het gebeuren dat centraal staat in het christendom. Deze overeenstemming is er altijd al geweest, de christelijke geheime leer kent de wet van karma. Stellen we ons eens twee mensen voor, de ene zit door zijn karma in de ellende, de andere helpt hem, omdat hij de macht heeft om hem te helpen. De eerste heeft dan zijn karma verbeterd. Verliest daardoor nu de wet van karma haar geldigheid ? Integendeel, ze wordt erdoor bevestigd; juist dankzij de wet van karma kan de hulp werkzaam zijn.
Als iemand nog machtiger is, dan kan hij er twee helpen, of drie of vier als het nodig is; en is iemand nog machtiger, dan kan hij er honderd of duizend helpen en hun karma in gunstige zin beïnvloeden. En is tenslotte iemand zo machtig, zoals het christendom zich de Christus Jezus voorstelt, dan helpt die de ganse mensheid op het moment dat de ganse mensheid hulp nodig heeft. De wet van karma wordt daardoor niet opgeheven, integendeel: de daad van de Christus Jezus op aarde wordt werkzaam doordat men op het karma kan steunen.
De Verlosser weet dat door karma het verlossingswerk ook werkelijk voor allen toegankelijk wordt. Ja, dit werk gebeurde precies door te steunen op de wet van karma, als een oorzaak voor een toekomstige heerlijke werking, als zaad voor een latere oogst, als een hulp voor hem die de zegeningen van de verlossing op zich laat werken. De daad van de Christus Jezus is überhaupt slechts denkbaar door het bestaan van de wet van karma. Het testament van de Christus Jezus, dát is de leer van karma en reïncarnatie. Dat luidt niet : ieder moet de gevolgen van zijn daden dragen, maar : de gevolgen van een daad moeten gedragen worden, om 't even door wie.
Als een antroposoof beweert dat hij de eenmalige daad van de Christus Jezus voor de ganse mensheid niet begrijpt, dan begrijpt hij eenvoudigweg karma niet. Evenzo de priester die beweert dat karma in de weg staat van de verlossing. Waarom het christendom juist deze wet en ook de gedachte van de wedergeboorte tot nu toe minder benadrukt heeft, vindt zijn oorzaak in de ontwikkeling van de mensheid en zal later nog van dichterbij behandeld worden.
De wereld bestaat niet uit afzonderlijke Ik-ken, die ieder voor zich afgesloten bestaan, maar in de wereld heerst een grote eenheid, een grote verbroedering. En zoals hier in het fysieke leven een broeder, een vriend, voor de andere kan inspringen, zo kan dat ook in diepere zin in de geestelijke wereld."[...] . * * * * * * * * * * *
[ ... ] "Enkele theologiestudenten begaven zich naar Rudolf Steiner om de vraag te stellen: Deze vraag was ondertekend door vier theologiestudenten, die tegelijk lieten verstaan dat deze vraag bij nog een aantal jonge mensen leefde. Het zou van het antwoord op deze vraag afhangen of de ondergetekenden een levensopdracht op dit gebied zouden aannemen. Dr. Steiners antwoord was een volkomen en onvoorwaardelijk ja. Onze afgevaardigden waren Johannes Werner Klein en Gertrud Spörri; de beide anderen stonden gespannen te wachten voor de deur van het huis in de Landhausstrasse waar Dr. Steiner woonde. De eerste twee hoorden in vier punten het antwoord van Dr. Steiner. Het ging erom, zei hij toen reeds, om vrije parochies te vormen (bij de Duitse protestanten heet dat: Gemeinden-vert.). Er moest een nieuwe cultus gegeven worden, en die kón ook gegeven worden. In die beweging zou er een volledig nieuwe manier van preken moeten gevonden worden. Dan hield hij een lange en adembenemende pauze. Hij scheen zijn blik op de verre toekomst te richten. Hij wendde zich tot Gertrud Spörri: "Bent U de enige vrouw die zo'n nieuwe beweging nastreeft ?" Er was ook nog een tweede. En dan, alsof hij een oeroud verleden met een heel verre toekomst wou verbinden: " In de mensheidsontwikkeling is het nu zover gekomen dat vrouwen terug als priester moeten kunnen werken. In die nieuwe beweging van jullie moet het van in 't begin duidelijk zijn dat vrouwen volledig gelijkberechtigd naast mannelijke collega's hun werk doen." Dan kwamen de twee naar buiten. Onze vreugde kende geen grenzen, vooral omdat Dr. Steiner ook beloofd had om over enkele weken voor de grondleggers van de nieuwe beweging een cursus te houden ...
Deze cursus werd dan in Dornach gehouden voor ongeveer 130 tot 140 deelnemers. Husemann gaat verder:
[ ... ] "Oneindig vele vragen werden gesteld en altijd beantwoord, de ene keer lang en uitvoerig, de andere keer in enkele zinnen. Bijzonder interessant was Steiners antwoord op de vraag naar het vrouwelijk priesterschap. Hij zei dat de vrouw zelfs bijzonder geschikt was om in die nieuwe beweging mee te werken. "De vrouw heeft een speciaal vermogen zowel om fijnere theologische begrippen te vormen als om bepaalde cultus-handelingen beter uit te voeren." Dikwijls kwam het tot nogal drastische antwoorden. Zo verklaarde bvb. eens een jongeling die zichzelf al een hele man vond, dat hij de behoefte voelde om meer de Vader te vereren dan de Christus. "Ja" zei Dr. Steiner heel rustig en vriendelijk," als U die behoefte voelt ... maar christelijk is het niet."
Een andere keer werd de vraag gesteld naar de toekomst van de bestaande kerken. Rudolf Steiner verstond het niet. Het was voor hem dikwijls lastig om de onlogische gedachtensprongen van zijn medemensen direct te moeten begrijpen. In zulke gevallen legde hij zijn hand aan zijn oor en vroeg om de vraag te herhalen; hij verstond het terug niet, ging tenslotte naar de vraagsteller en vroeg het nog eens. Dan klonk het, met grote verbazing: "Ach zoo -die oo liet hij lang aanhouden- U bedoelt de toekomst van de gevestigde kerk. Nu dan moet ik U zeggen dat ik overtuigd ben dat, als U hier nu niet met iets nieuw begint, dat er dan over honderd jaar van een christelijke kerk hoegenaamd geen sprake meer zal zijn." Op zulke ogenblikken kon de verantwoordelijkheid voor hetgeen ons te doen stond tot in het onmetelijke groeien. [ ... ] Terug naar de anecdotes.
* * * * * * * * * * * Deze anekdote komt van Margarita Volosjin. Deze Russische kunstenares heeft o.m. als euritmiste meegewerkt aan een opvoering van het Faust-drama onder leiding van Rudolf Steiner.
[ ... ] "De leden spraken onder elkaar af om Rudolf Steiner niet met persoonlijke vragen lastig te vallen zolang hij de last van de bouw [van het Goetheanum] moest dragen. Deze afspraak werd nageleefd. Maar dikwijls vroeg hij zelf iemand naar zijn persoonlijke aangelegenheden ! Men voelde dat hij werkelijk iedereen in 't oog hield.
* * * * * * * * * * *
|