De Brug 4 van juni 1994

Over goed en kwaad


Nog niet zo lang geleden, vóór de moderne wetenschap God afschafte, werden goed en kwaad in onze Westerse cultuur beschouwd als twee absolute tegenstellingen. De macht die het goede bewerkstelligt noemde men God, de macht van het kwade: de duivel.
Het is eigenlijk een beetje door deze tegenstelling dat men aan het bestaan van een God begon te twijfelen : op de vraag waarom de goede God ook het kwaad in de wereld toegelaten had, kon men geen antwoord geven dat het hedendaagse, logische verstand kon bevredigen.
Antroposofie kan dat wel: één van de vele inzichten die een nieuw licht werpen op een groot aantal fenomenen is dat er twee principes in de wereld werkzaam zijn, die zowel goed als kwaad zijn, het is slechts een kwestie van gradatie. Het goede staat tussen die twee principes.

Als men iets met weinig woorden wil verduidelijken, dan komt zo'n schema goed van pas. Wil men met nóg minder woorden nog méér duidelijk maken, dan moet men de kunst ter hulp roepen.

Dat is wat Rudolf Steiner deed toen hij zijn zgn. Mensheidsrepresentant sculpteerde. Dit beeld van 9,5 m hoog is te zien in het Goetheanum. In één oogopslag krijgt de toeschouwer daar een idee van de twee tegenstrevende machten en de mens die daar tussenin gesteld is.

In een voordracht over het Goetheanum (met dia's) zei Rudolf Steiner over de figuur van Ahriman:

" Met betrekking tot het zieleleven is dit al datgene wat de mens inspireert tot het materialistische, het kleingeestige, het pedante, al wat hij wordt, wanneer hij -om het extreem uit te drukken- alleen maar verstand en geen hart heeft, wanneer al zijn krachten, zijn zielekrachten door het verstand gedirigeerd worden."

En over Lucifer:

" Dit is hetgeen de mens wordt, wanneer hij zich eenzijdig naar het dweepzuchtige, ook naar het eenzijdig theosofische toe ontwikkelt, wanneer hij boven zijn hoofd uitgroeit; men vindt het in deze vorm ook bij sommige leden van de antroposofische beweging, wier astrale hoofd voortdurend een halve meter boven hun fysieke hoofd uitsteekt, zodat ze op alle andere mensen kunnen neerkijken."

Voor de arbeiders die aan het Goetheanum meewerkten ging hij daar dieper op in (12de voordracht uit GA 349). We vertaalden deze voordracht voor U. Hou er wel rekening mee dat Rudolf Steiner zijn manier van spreken aanpaste aan zijn publiek. De voordrachten voor de arbeiders zijn extra levendig gehouden : er wordt al eens een grapje gemaakt, soms wordt er overdreven, de anekdote is zelfs ironisch.
De indeling en de tussentitels maakten we zelf.

[...]"Ziet U, mijne heren, vandaag de dag heerst er zo het idee dat de mens een constant wezen is. Dat is hij nu niet : hij bevindt zich nl. voortdurend in een toestand van sterven en heropleven. Men begint niet alleen te leven bij de geboorte en sterft niet alleen bij de dood, maar men sterft voortdurend en wordt voortdurend weer levend.
Als we bvb. ons hoofd bekijken, dan zit daar vanbinnen wat men zenuwsubstantie noemt. U weet dat zenuwen als draden door het organisme lopen, maar het hoofd, dat is vanbinnen één en al zenuw [...]. In de menselijke buik hebt U ook nog vele zenuwen, de zgn. zonnevlecht, maar in de armen en in de benen, daar lopen de zenuwen draadvormig uit.

Kijkt U dan weer naar iets anders, naar de bloedvaten, dan stelt U vast dat die in het hoofd tamelijk fijn zijn, in de hartstreek daarentegen zijn ze sterk gevormd. Ook in de ledematen hebben we dikke bloedvaten. Zodat men kan zeggen : aan de ene kant hebben we het zenuwstelsel, aan de andere kant het bloedvatenstelsel.
Nu zit de zaak zo ineen dat wij uit het bloed altijd weer, iedere dag, ieder uur, opnieuw geboren worden. Het bloed betekent altijd vernieuwing. Zouden wij enkel bloed in ons hebben, dan zouden wij wezens zijn die voortdurend groeien, groter worden, fris zijn enz. Maar, ziet U mijne heren, zouden wij louter uit zenuwen bestaan, dan zouden we voortdurend uitgeput, moe zijn, we zouden eigenlijk vootdurend afsterven. Zodat wij twee tegengestelde principes in ons hebben: het zenuwstelsel dat ons voortdurend oud laat worden, ons zelfs ter dood brengt, en het bloedsysteem, dat met het stofwisselingssysteem samenhangt, en dat ons voortdurend laat jong worden.

Men kan nog dieper ingaan op wat ik hier nu uitgelegd heb. U weet dat vele mensen verkalken als ze oud worden. Verkalking treedt op, sclerose. Mensen bij wie de bloedvaten verkalken kunnen dan niet goed meer bewegen. En als er bijzonder sterke verkalking optreedt, dan wordt de mens getroffen door een beroerte, een geraaktheid zoals men zegt. Een beroerte die komt nu precies als de mens z'n bloedvaten verkalken. Wat gebeurt daar eigenlijk als de mens verkalkt, sclerotisch wordt ? Ziet U, het is dan alsof zijn bloedvaten zouden zenuwen willen worden!

Dat is het merkwaardige. De zenuwen moeten in zeker opzicht gans het leven in een toestand zijn, waarin de bloedvaten juist niet mogen zijn. De bloedvaten moeten fris zijn en de zenuwen, die moeten voortdurend tot afsterven neigen. Want als de mens zenuwen krijgt die te week zijn, die, als ik het zo mag zeggen, niet genoeg verkalkt zijn, dan wordt hij krankzinnig. U ziet dus dat zenuwen niet als bloedvaten en bloedvaten niet als zenuwen mogen zijn. Dat is nu precies wat ons noodzaakt om te zeggen dat de mens twee principes in zich heeft. Het ene is het zenuwprincipe. Dat doet ons altijd maar ouder worden. Van 's morgens tot 's avonds wordt men altijd een beetje ouder. 's Nachts wordt dat vanuit het bloed goedgemaakt. Zo gaat het, als de pendel van een klok: oud worden, jong worden, oud worden, jong worden.[...]'s Nachts wordt het verouderen dus goedgemaakt, maar niet volledig. Iedere dag blijft er wat meer ouderdom over, en als dat overschot groot genoeg is geworden, dan sterft de mens werkelijk. Zo zit de zaak ineen.
Er zijn dus twee dingen in de mens die mekaar tegenwerken: oud worden en jong worden. Zo zit dat lichamelijk ineen.
Nu kan men dat ook bekijken op het niveau van de ziel, want tot nu bekeken we het lichamelijk.

Ziet U, als het jong worden te sterk wordt in de mens dan krijgt hij een longvliesontsteking of longontsteking. Het is nl. zo dat bepaalde zaken die heel goed, die excellent zijn als ze binnen bepaalde grenzen blijven, tot ziekte worden als ze daarbuiten komen. Ziekte in de mens is niets anders dan dat iets dat hij altijd nodig heeft, te sterk wordt, de overhand neemt. Koorts wordt veroorzaakt doordat het jongworden in ons te sterk wordt. Wij kunnen dat niet verdragen, wij beginnen te "vers" te worden in gans ons lijf. Dan hebben we koorts met daarbij pleuritis of bronchitis.

Dat alles kan men nu ook in de ziel waarnemen. Ziet U, de mens kan ook in zijn ziel verdrogen of koortsig worden. Er zijn bepaalde eigenschappen bij de mens -men hoort dat niet graag omdat vooral tegenwoordig zovele mensen ze hebben- en dat is: men wordt pedant, men wordt een droogstoppel. U weet dat dat tegenwoordig bestaat, geleerde droogstoppels. Men verdroogt als schoolmeester terwijl men als schoolmeester juist een frisse knaap zou moeten zijn.
We kunnen dus verdrogen in de ziel. Maar we kunnen ook week worden in de ziel. Dat gebeurt als men een dweper, een mysticus, een theosoof wordt. Want wat wil men dan? Men wil niet ordelijk denken. Men wil met de fantasie alle werelden te pakken krijgen, zonder ordentelijk te denken. Dat is hetzelfde alsof men lichamelijk koorts zou krijgen.

Nochtans moeten we de twee mogelijkheden altijd in ons hebben. Wij kunnen niets inzien als we geen fantasie kunnen gebruiken, en we kunnen helemaal niet samenwerken als we niet een beetje pedant zijn en alles registreren enz. Doet men het teveel, dan is men een pedant, een zeventeen. Doet men het gepast, dan is men een evenwichtige ziel. Het is zo dat men altijd iets in zich moet hebben in de juiste mate, en als dat de overhand neemt dan maakt dat ons lichaam of onze ziel ziek.

En zo is het ook met het geestelijke, mijne heren. Wij kunnen niet altijd slapen, wij moeten ook dikwijls wakker worden. Bedenk eens wat voor schok dat is als men wakker wordt. Stelt U zich voor hoe U ligt te slapen: U ligt daar, weet niets van uw omgeving. Als U een diepe slaap heeft kan men U zelfs kietelen zonder dat U er wakker van wordt.
En dan het wakker worden, wat een verschil. U ziet alles rond U, U hoort alles rond U. Dat is een groot verschil !
De kracht om wakker te worden, die moeten we natuurlijk hebben. Als ze echter te sterk is, dan wordt men altijd wakker, als men niet kan slapen bvb., dan is de ontwaakkracht te groot. Aan de andere kant zijn er dan ook mensen die niet volledig kunnen wakker worden. Er zijn nu eenmaal mensen die hun ganse leven rondsluimeren en ronddromen, die altijd maar zouden willen slapen. Zo'n mensen kunnen niet ontwaken. Wij moeten het vermogen hebben om goed te kunnen inslapen, maar wij mogen dit niet te sterk hebben, anders slapen we eeuwig, worden we helemaal niet meer wakker.

We kunnen dus zeggen: we kunnen op drie manieren bepaalde toestanden bij de mens onderscheiden. Ten eerste lichamelijk: we hebben daar aan de ene kant het zenuwsysteem. Dat neigt voortdurend naar verharding, naar verkalking; we zeggen dan

lichamelijk :

		verharding			verkalking

Ziet U, U bent allemaal reeds zo oud dat uw zenuwsysteem al een beetje verkalkt moet zijn. Want hadt U nu nog dezelfde zenuwen als toen U zes maand oud was, dan zoudt U allen krankzinnig zijn. U kunt niet meer zo'n week zenuwsysteem hebben. Mensen die krankzinnig zijn, die hebben een kinderlijk zenuwstelsel.
We moeten dus de kracht van het verharden, het verkalken, in ons hebben. Aan de andere kant moeten we de kracht van de verjonging hebben. Deze twee krachten moeten mekaar in evenwicht houden.

lichamelijk	:	verharding				verweking

				verkalking				verjonging

Bekijkt men de ziel dan kunnen we zeggen: verharding komt overeen met pedant zijn, droogstoppel zijn, materialisme, nuchter verstand. We moeten wel inzien: een beetje nuchter moet men zijn, of men zou een losbol zijn, een spring-in 't-veld. Een beetje pedant moeten we zijn of we konden onze eigen zaken niet regelen: in plaats van onze jas in de kleerkast te hangen zouden we die in de schouw of in de oven hangen. Dus een beetje pedant, een beetje "Piet-precies" zijn is zeer goed, maar het mag niet te erg worden.
Anderzijds hebben we in ons ook de kracht tot fantasme, tot dweepzucht, mystiek, theosofie. Worden deze krachten te sterk dan worden we een fantast, een dweper. Dat mogen we niet worden. Maar alle fantasie afschaffen mogen we ook niet.
Ik kende eens een man, die haatte alle fantasie, hij ging bvb. nooit naar de schouwburg, naar een opera zeker niet, want hij zei: dat is allemaal niet waar. Hij had absoluut geen fantasie. Tja, als men geen fantasie heeft, dan is men natuurlijk een droge piet, dan sluipt men a.h.w. door het leven, niet als een echte, werkelijke mens. Dat mag dus ook niet ontaarden.

ziel : pedanterie fantasme
.droogstoppel dweper
.materialisme mystiek
.nuchter verstandtheosofie
Als we het nu geestelijk bekijken, dan moeten we de kracht van het verharden zien in het ontwaken. Bij het ontwaken nemen we ons lichaam onder controle, we gebruiken onze ledematen. En de kracht die in het lichaam verweking, verjonging is, dat staat gelijk met het inslapen. Dan zinken we weg in dromen: we hebben ons lichaam niet meer onder controle.
geestelijk : ontwakeninslapen

We kunnen zeggen dat de mens voortdurend het gevaar loopt om in de ene of andere richting af te dwalen, ofwel teveel te verweken, ofwel te sterk te verharden.
Als U een magneet heeft, dan weet U dat een magneet ijzer aantrekt. We zeggen dat er twee soorten magnetisme in de magneet zitten: een positief en een negatief magnetisme. Het ene trekt de kompasnaald aan, het ander stoot de kompasnaald af, ze zijn tegengesteld.
In het fysieke, in het materiële aarzelt men niet om een ding een naam te geven, nietwaar. Men heeft namen nodig. Nu heb ik U hier iets beschreven in het lichaam, de ziel en de geest, dat ieder van U kan waarnemen, dat hij altijd kan zien, dat ieder zich duidelijk kan maken. Maar wij hebben namen nodig. Het moet ons duidelijk zijn dat een positief magnetisme niet het ijzer zelf is: het is iets dat in het ijzer zit. Er is iets onzichtbaar in het ijzer.[...]
Nu, op dezelfde manier is er iets onzichtbaar, bovenzintuiglijk in het verharden. En dat onzichtbare, bovenzintuiglijke, wezenlijke, dat men kan waarnemen als men die gave heeft, dat noemt men ahrimanisch.
Ahrimanisch zijn dus de krachten die van de mens voortdurend een soort lijk willen maken. Als er alleen ahrimanische krachten zouden zijn, dan zouden wij voortdurend lijk worden; en wij zouden pedanten zijn, volledig versteende mensen; we zouden altijd wakker zijn en niet kunnen slapen.
De krachten nu, die ons verweken, verjongen, die onze fantasie mogelijk maken, dat zijn luciferische krachten, dat zijn de krachten die we nodig hebben om juist géén levend lijk te worden. Maar als er enkel luciferische krachten zouden bestaan, dan zouden we gans ons leven kinderen blijven.
Er zijn dus in de wereld luciferische krachten nodig opdat we niet reeds in ons derde levensjaar grijsaards zouden zijn . En de wereld heeft ahrimanische krachten nodig opdat we niet altijd kinderen zouden blijven. Deze twee tegengestelde krachten moeten in de mens aanwezig zijn."

. AhrimanischLuciferisch
lichaam : verharding verweking
.verkalkingverjonging
ziel : pedant fantast
.droogstoppel dweper
.materialismemystiek
.nuchter verstandtheosofie
geest : wakker worden inslapen

Als men de wereld verdeelt in en goede helft en een kwade helft, zoals dat traditioneel gebeurt, en men stelt vast dat er ook bij de zgz. goede helft toch nog kwaad zit, dan moet men ofwel vertwijfelen, ofwel vasthouden aan een fanatiek geloof en alle kwaad in de zgn. goede helft ontkennen of minimaliseren. Dit laatste doen overtuigde katholieken of protestanten als er weer eens een schandaal uit hun midden bekend wordt. Het eerste ligt eigenlijk aan de basis van het huidige (gebrek aan) gedachtenpatroon.
De antroposofische manier om het kwade te bekijken als een overdrijving van een principe dat op zichzelf goed is, blijkt veel vruchtbaarder te zijn dan de visie die goed en kwaad als absolute tegenstellingen ziet.
Goed zijn wordt in antroposofische visie: een dynamisch evenwicht vinden tussen twee uitersten. En dat evenwicht zoeken gebeurt niet door te preken, maar door zakelijk, wetenschappelijk te zijn. Dat klinkt paradoxaal, maar zo is het: christelijk zijn betekent wetenschappelijk zijn, met kennis van zaken te werk gaan.
Rudolf Steiner geeft twee voorbeelden van christelijk zijn:
- in de pedagogie
- in de geneeskunde


.

De voordracht gaat als volgt verder:

Pedagogie - achtergronden

" Het gaat er nu om dat deze twee tegengestelde krachten in evenwicht moeten zijn. Waarin ligt dan dit evenwicht ? Geen van beide krachten mag de bovenhand nemen.
Ziet U, we zijn nu in 1923 nietwaar ? De ganse tijd van het begin van onze tijdrekening tot nu is eigenlijk zo dat de mens gevaar loopt in de macht van ahrimanische krachten te geraken. U moet bedenken dat men eigenlijk daar waar geen geesteswetenschap is, ahrimanisch opgevoed wordt. Bedenkt U eens: onze kinderen komen in de lagere school, moeten daar dingen leren die ze eigenlijk absurd vinden, waarin ze absoluut niet geïnteresseerd zijn. Ik heb het U reeds uitgelegd : tot dan toe hebben ze altijd hun vader gezien, nietwaar, die ziet er zo en zo uit, heeft haar, heeft ogen, oren enz. en nu moeten ze plots leren dat deze vader van vlees en bloed gelijk is aan een reeks tekens : "V A D E R", dat is nu ineens vader. Daar hebben ze geen band mee, dat interesseert hen niet. En zo is het met alles wat de kinderen in de lagere school moeten leren, ze hebben er geen interesse voor. En dat is de reden waarom men terug vernuftige scholen moet inrichten, waar kinderen in de eerste plaats leren wat hen interesseert* . Als het onderwijs voortgaat zoals het nu bezig is, dan gaan de mensen zeer vroeg vergrijzen, grijsaards worden, oud worden, omdat het ahrimanisch is. Dat maakt de mens oud. Zoals tegenwoordig de kinderen in de school opgevoed worden, dat is totaal ahrimanisch.

Het is nu eenmaal zo dat de ontwikkeling van de mensheid de laatste 1900 jaar naar het ahrimanische overhelt. Daarvoor was dat anders.
Als U teruggaat, laat ons zeggen van 8000 v.C. tot het begin van onze tijdrekening : toen was het anders. De mensen liepen toen het gevaar dat ze niet konden oud worden. Scholen zoals we ze nu kennen waren er in die oude tijden niet. Scholen waren er alleen voor mensen die reeds een respectabele leeftijd bereikt hadden, en die dan echte geleerden werden. Voor hen waren er scholen. Voor kinderen waren er in die tijden geen scholen, die leerden alles in 't leven. Wat ze zagen, dat leerden ze.

Er waren dus geen scholen, en men deed ook geen moeite om de kinderen iets bij te brengen dat ver van hen afstond. Toen bestond het gevaar dat de mensen gingen overhellen naar het luciferische, dat ze gingen dwepen, dus in het luciferische terechtkwamen. En zo gebeurde het ook. In die oude tijden was er veel wijsheid, dat heb ik U reeds verteld. Maar natuurlijk, daarvoor diende eerst het luciferische beteugeld te worden, anders zouden de mensen de ganse dag niets dan spookverhalen willen vertellen. Dat was iets dat de mensen zeer graag deden.
Zo kan men zeggen: lang geleden, ongeveer van 8000 v.C. tot het begin van onze tijdrekening was een luciferisch tijdvak, en toen begon een ahrimanisch tijdvak. Laat ons even terugblikken naar het luciferisch tijdvak.

Ziet U, zij die toen geleerden waren, hadden bepaalde bekommernissen. De toenmalige geleerden leefden in zulke torenvormige gebouwen. De toren van Babel, waar men in de Bijbel over vertelt was zo'n gebouw. Daar leefden die geleerden. Deze geleerden zeiden : ja, wij hebben het hier goed. En onze fantasie die heeft het ook goed; want wij willen altijd in de richting van het spookachtige, het luciferische. Maar we hebben onze instrumenten. Daarmee bekijken we de sterren en stellen we vast hoe de sterren bewegen. Dat houdt onze fantasie in toom. Want als ik een ster bekijk en wil dat ze zo of zo gaat, dan doet ze dat niet. Daardoor wordt de eigen fantasie beteugeld.

Dus de geleerden wisten dat ze door de hemelverschijnselen hun fantasie in toom lieten houden. Of ze hadden ook andere instrumenten. Ze wisten : als ik mij inbeeld, ik heb hier een klein spaandertje hout, als ik dat verhit, dan wordt dat een reusachtig vuur... Tja, dat kan ik mij zo inbeelden, maar als ik dat in 't echt doe, dan komt er van zo'n houtspaandertje natuurlijk alleen maar een klein vuurtje.
Dat was eigenlijk dus de zin van die oude leerscholen: de woekerende fantasie van de mensen beteugelen. En de bekommernis van de geleerden, dat was voornamelijk: kijk, daar lopen nu alle anderen, ze kunnen niet allemaal geleerden worden ! En toen gaven ze de mensen leerstellingen, soms eerlijke, soms oneerlijke. Dat zijn de oude godsdienstleerstellingen, die vanuit de wetenschap ontstaan zijn. Mettertijd ontaardden de priesters, en zo zijn de oneerlijke leerstellingen overgeleverd geworden -de eerlijke zijn voor het merendeel verloren gegaan.
Dat was de beteugeling van het luciferische.

Hoe het met het ahrimanische staat, dat weet U wel. De huidige wetenschap streeft altijd meer en meer naar het ahrimanische. Eigenlijk is onze ganse wetenschap iets dat ons verdroogd maakt. Want deze ganse wetenschap kent eigenlijk alleen het lichamelijke, dat wat verkalkt is, het materiële. En dat is wat in onze ganse beschaving het ahrimanische is.

Tussen beide staat dat wat men het christelijke in de ware betekenis van het woord noemt. Ziet U, mijne heren., het ware christelijke kent men te weinig in de wereld. Als men christelijk noemt wat de wereld als christelijk kent, dan zou men natuurlijk het christelijke moeten bestrijden, dat spreekt vanzelf.
Maar het wezen over wie ik U de laatste keer gesproken heb, dat geboren is in het jaar één en 33 jaar geleefd heeft, deze persoon was niet zoals de mensen hem beschrijven, maar die had eigenlijk het voornemen om voor alle mensen leerstellingen te geven die een compromis, een evenwicht tussen het ahrimanische en het luciferische mogelijk maken. En christelijk zijn dat betekent nu juist : het evenwicht zoeken tussen het ahrimanische en het luciferische. Zoals de mensen dat tegenwoordig noemen, zo kan men werkelijk niet christelijk zijn."


.

Geneeskunde

"Wat betekent bvb. christelijk zijn in lichamelijke zin ?
Christelijk zijn in lichamelijke zin betekent dat men kennis verwerft over de mens. De mens kan ziek worden. Hij kan bvb. longvliesontsteking krijgen. Wat betekent dat: hij krijgt pleuritis (longvliesontsteking) ? Dat betekent: er is teveel luciferisch in hem. Eens ik dat weet, dat er teveel luciferisch in hem is -en als hij pleuritis heeft, dan is er teveel luciferisch in hem- dan moet ik zeggen : als ik hier een weegschaal heb en de ene kant gaat teveel naar omhoog, dan moet ik aan de andere kant gewichten wegnemen. Gaat de schaal dan weer teveel naar onder, dan moet ik er aan de andere kant gewichten bijdoen. Nu overleg ik : heeft een mens longvliesontsteking, dan is het luciferische te sterk, het ahrimanische te zwak. Ik moet er wat ahrimanisch bijdoen, dan komt het evenwicht terug. Wat doe ik nu concreet ? Wel, ik neem, laat ons zeggen, een stuk berkehout. Berkehout groeit sterk in de lente. Vooral berkehout is zeer goed, zeker het hout dat tegen de schors ligt. Onder de schors zitten zeer goede groeikrachten. Die doe ik sterven, t.t.z. ik verkool het berkehout. Dan heb ik berkehoutskool. Wat heb ik gedaan met dat verse berkehout dat zich altijd verjongt ? Ik heb er berkehoutskool van gemaakt, ik heb er iets ahrimanisch van gemaakt. En nu maak ik daarvan een poeder en geef het aan de persoon die met zijn longvliesontsteking teveel luciferisch in zich heeft. Dan heb ik ahrimanisch bijgevoegd bij wat hij teveel aan luciferisch heeft.

Ziet U, zo breng ik een evenwicht tot stand. Zoals ik bij een weegschaal iets moet bijdoen als de ene kant te sterk omhooggaat, zo heb ik ook bij het teveel aan luciferisch in de longvliesontsteking, berkehoutskool toegevoegd. De berkehoutskool heb ik door het te verkolen mineraal gemaakt, het is ahrimanisch geworden.

Een ander voorbeeld : een mens begint er moe, verlamd uit te zien, zodat ik kan zeggen: die gaat binnenkort een beroerte krijgen. Dan is er teveel ahrimanisch in hem. Nu moet ik luciferisch toevoegen om dat te compenseren. Wat ga ik doen ? Ziet U, als ik een plant heb, dan is hier de wortel. U weet dat de wortel hard is, er zitten vele zouten in, dat is niet luciferisch. De stengel en de bladeren zijn ook nog niet luciferisch. Maar ik ga verder en daar heb ik een geurende, sterk ruikende bloeiwijze. Dat is iets dat vervluchtigt, zoals de fantasie wil vervluchtigen, anders zou ik ze niet kunnen ruiken. Uit deze bloeiwijze neem ik het sap. Dat is luciferisch. Dan dien ik dat op de juiste manier toe, compenseer zo het ahrimanische en ik kan de mens genezen.

Wat doet de huidige geneeskunde ? Wel, de huidige geneeskunde, die probeert !
Eén of ander chemicus ontdekt het acetylphenetidine. Ik moet U niet uitleggen wat dat is, het is een ingewikkelde substantie. Daarmee gaat hij naar een ziekenhuis. Er zijn daar voor mijn part dertig patiënten. Men geeft die alle dertig acetylphenetidine, neemt de thermometer, meet, noteert, en als er een positieve werking waar te nemen is, dan beschouwt men die stof als een geneesmiddel.
Maar hoe dat in het menselijk lichaam eigenlijk werkt, daar heeft men geen idee van. Men kijkt niet tot in het menselijk lichaam. Slechts als men weet: bij longvliesontsteking is er teveel luciferisch, daar moet ahrimanisch bij, bij een beroerte is er teveel ahrimanisch, daar moet luciferisch bij, dan treft men het juiste** . Dat is wat de mensheid tegenwoordig nodig heeft. In deze zin is de mensheid te weinig christelijk, omdat het christelijke het evenwicht is.
Ziet U, ik heb U nu getoond waar het christelijke in het zuiver lichamelijk genezen schuilt : Het christelijke bestaat erin dat men het evenwicht zoekt."

.

Anekdote

"Ziet U, dit alles wou ik aanschouwelijk maken met dat houten beeld dat in het Goetheanum staat. Boven is daar Lucifer, het luciferische, alles dat bij de mens het koortsachtige, fantasie, het inslapen is. En onderaan alles dat wil verharden, het ahrimanische. En daartussen Christus.
Dat is het wat een mens helpt te beseffen wat hij in de geneeskunde, in de wetenschappen, in de sociologie, wat hij overal moet doen. En tegenwoordig is het voor de mensen noodzakelijk dat ze verstaan hoe het luciferische en het ahrimanische in de mensennatuur werkt.
Maar wat verstaan de mensen van deze zaken ?

Zo was daar eens een pastoor, die zeer beroemd was in Bazel en omgeving, hij heette Frohnmeyer, werkelijk een zeer beroemde pastoor. Hij heeft wel nooit de moeite gedaan om naar deze figuur te komen kijken, maar hij heeft erover gelezen bij een andere -die het zelf misschien ook niet gezien heeft, maar op zijn beurt afgeschreven heeft-, dat hier een figuur gemaakt werd : van boven luciferisch, in 't midden Christus en onderaan ahrimanisch. Maar eigenlijk zijn het drie figuren die dooreen staan, en eigenlijk zijn het er zelfs meer, nietwaar: Ahriman tweemaal en Lucifer ook tweemaal. Maar goed, deze Frohnmeyer wist het allemaal zo goed dat hij schreef : Steiner maakt daarginds in Dornach iets verschrikkelijk, een Christusfiguur die boven luciferische trekken heeft en onderaan dierlijke kenmerken. Welnu, deze Christusfiguur heeft geen luciferische trekken, maar een zeer menselijke kop. Frohnmeyer heeft dat verward. Hij dacht dat het een Christusfiguur was met boven luciferische trekken en onderaan dierlijke kenmerken. En zeggen dat die Christusfiguur onderaan zelfs nog niet af is, het is nog maar een blok hout !
Zo heeft deze christelijke pastoor, die zo naar de waarheid tracht, de zaak beschreven, en de ganse wereld zegt nu : dat moet toch waar zijn, want het is toch een pastoor die dat schrijft.

Het is nu eenmaal moeilijk om daar tegenin te gaan, als de mensen geen inzicht hebben, niet willen begrijpen. Ze lopen naar de pastoors omdat ze geloven wat de pastoors zeggen. Maar hier hebt U nu een voorbeeld van kwaadsprekerij, zo jammerlijk, dat men zich iets erger niet kan voorstellen.

En merkwaardige visies dat deze mensen hebben ! Die pastoor Frohnmeyer heeft dat dus geschreven. Nu was toentertijd, toen hij dit schreef Dr. Boos hier nog in het Goetheanum. U weet dat Dr. Boos zo de gewoonte had om er met de knuppel in te vliegen. Men kan daarover discuteren of men er moet tegenaan gaan met een knuppel of met een ragebol: de ragebol is zachter, meer luciferisch, een knuppel is hard, meer ahrimanisch. Het hangt er dus van af waarmee men erop los gaat. Nu goed, Dr. Boos zegt die Frohnmeyer daar eens goed de waarheid, zo een beetje met de knuppel... En wie krijgt er een brief van Frohnmeyer ? Ik ! Ik krijg een lange brief van Dr. Frohnmeyer dat ik toch Dr. Boos moet aanmanen om niet zo onaardig te zijn tegen Dr. Frohnmeyer.

Bedenkt U toch eens wat voor ideeën zo'n mensen hebben. Men kan het nauwelijks vatten. Ze belasteren iemand, en daarna vragen ze aan diezelfde persoon die ze belasterd hebben om op te treden tegen de man die de leugens aan de kaak stelt !
Dat is nu het moeilijke dat het publiek, nl. het burgerlijke publiek, helemaal niet de moeite doet om over zulke zaken zelf te denken, men neemt het zoals het komt : als de betreffende ambtenaar zegt dat het zo is, dan is het zo. Vandaar dat onze beschaving zo ontzaglijk lichtzinnig, zo gemeen is in vele opzichten."
[...]


Na deze korte uitweiding komt Rudolf Steiner terug tot de kern van zijn betoog. Hij gaat nog even in op de oppervlakkigheid van de huidige mensheid : de mensen willen over alles oordelen, zonder zich eerst lang te verdiepen in een zaak. Hij besluit :

[...]" Als men echter de dingen juist verstaat dan begrijpt men dat al het christelijke hier op neerkomt : gij moet leren om altijd het ahrimanische met het luciferische in het juiste evenwicht te brengen, niet het ene minder, of het andere meer laten doorwegen.
En daarom geneert antroposofie zich niet om van het christelijke in deze zin te praten. Zij benadrukt dat het christelijke er niet in bestaat om voortdurend de mond vol te hebben over Jezus Christus enz.

Men verwijt de antroposofie dat ze zo weinig van Christus spreekt. Wel, ik zeg altijd : antroposofie spreekt niet veel van Christus omdat ze de tien geboden kent. Jullie praten veel over Christus omdat jullie niet eens het gebod kennen dat zegt :" Gij zult de naam van de Heer, uw God niet nodeloos uitspreken."

Als vandaag de dag een christelijke pastoor predikt, wordt de Christusnaam voortdurend uitgesproken. Men moet hem alleen uitspreken als men werkelijk verstaat waar het op aankomt. Dat is het, nietwaar, waardoor antroposofie zich onderscheidt; zij wil werkelijk christelijk zijn, maar zonder bijgelovig, zonder prevelend-vroom te zijn. Echt wetenschappelijk, werkelijk in deze zin wetenschappelijk wil ze zijn. En op deze manier bekijkt ze ook datgene dat zich gesteld heeft tussen de oude tijd, die luciferisch was, en de nieuwe tijd, die ahrimanisch is, bekijkt ze deze gebeurtenis in Palestina als doorslaggevend voor de wereldgeschiedenis."
[...]


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*


.

De mensheidsrepresentant

Zo wordt het beeldhouwwerk genoemd dat Rudolf Steiner sculpteerde uit olmenhout. Dit kunstwerk is 9,5 m hoog en is te zien in het Goetheanum in Dornach. Er zijn zes figuren in terug te vinden :
Centraal staat de mensheidsrepresentant.
Onder en naast hem, in een spelonk, Ahriman, die naar omhoog kijkt.
Daarboven, naar beneden kijkend, Lucifer.
Linksboven een "rotswezen".
Aan de rechterkant een vallende Lucifer.
Rudolf Steiner over deze beeldengroep:


"Zo hebben we drie figuren: de mens staat daar in zijn wezenheid; onder hem, U hebt het al door, Ahriman, die in de afgronden der aarde gekluisterd wordt door de werking die uitgaat van de gestrekte hand van de hoofdfiguur op het goud dat zich in de aarde bevindt; Ahriman kluister er zichzelf aan vast. De andere hand gaat in de hoogte en breekt de vleugels van Lucifer die daardoor in de diepte stort.

Nu komt het erop aan dat dit niet gemaakt wordt vanuit de wetten van de beeldhouwkunst. Het komt niet aan op het symboliseren, maar wel daarop dat iedere afzonderlijke trek in de drie wezens in de aller-, allernauwkeurigste details vanuit het geesteswetenschappelijk aanschouwen wordt geschapen."

"In het midden de mensheidsrepresentant, de Christus, zijn rechterarm omlaag gericht, zijn linkerarm omhooggeheven, en wel zodanig, dat zijn gestalte als uitdrukking van de belichaamde liefde midden tussen Ahriman en Lucifer is geplaatst. De Christus staat niet vijandig tegenover deze beide figuren; hij staat daar als de in zichzelf belichaamde liefde. Lucifer valt niet omdat Christus hem doet vallen, maar omdat hij de nabijheid van de Christus, de nabijheid van het wezen dat de belichaming van de liefde is, niet kan verdragen."

"Men kan niet zo voor deze beeldengroep komen staan met het idee: nu ga ik de Christus daar eens bekijken. Als iemand op dit idee komt, vanuit zijn eigen aanvoelen, vanuit een kunstzinige intuïtie, dan is het goed. Maar het is niet juist om direct met de gedachte dat dat daar de Christus is, voor de beeldengroep te gaan staan."

"Links de omhoogstrevende Lucifer, en daarboven een rotswezen dat vanuit de rots tevoorschijn komt, a.h.w. de tot orgaan geworden rots. [...] Het is een waagstuk om het volledig asymmetrisch uit te beelden -de asymmetrie speelt immers juist bij deze figuren een bepaalde rol- omdat de gehele compositie hier niet op zo'n wijze tot stand is gekomen, dat er bvb. de gedachte aan ten grondslag lag : men neemt bepaalde figuren, zet ze bij elkaar en maakt een geheel; nee, eerst is het geheel ontworpen en vervolgens is het afzonderlijke hieruit afgeleid. Daarom moet een gezicht linksboven een andere symmetrie hebben dan bvb. linksonder, rechtsonder of rechtsboven. Het is zeker een waagstuk om een dergelijke asymmetrie te hanteren, maar ik hoop dat men het als kunstzinnig verantwoord zal ervaren, wanneer het eenmaal zo ver komt dat men het hele vormgevingsprincipe van ons gebouw als zodanig zal doorvoelen."

Foto van de mensheidsrepresentant :

Detailopname: het hoofd van de Christus :

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Karma en reïncarnatie

Als men de wet van karma oppervlakkig beschouwt, zou men kunnen besluiten dat er alleen maar een neerwaartse ontwikkeling mogelijk is : iemand begaat een misstap, daardoor wordt hij in zijn volgende leven in slechtere omstandigheden geboren, daardoor maakt hij nog meer kans om weer een misstap te begaan, waardoor enz., enz.
Gelukkig verloopt het allemaal niet zo mechanisch. Wezens van een hogere orde, zoals diegenen die men engelen en aartsengelen noemt helpen ons voorlopig. Het verhelpen van de gevolgen van bepaalde levenskeuzes moeten ze echter overlaten aan wezens die de ontwikkeling van mens en aarde tegenwerken.

Over dit onderwerp sprak Rudolf Steiner meer dan eens. Een aantal van die voordrachten zijn gebundeld in deel 140 van de Gesamtausgabe (GA 140). We vertaalden enkele fragmenten, de indeling maakten we zelf.

In de macht van Lucifer ... de botteriken.

[...]
"Een mens bekommert zich niet om de bovenzinnelijke wereld, hij wil er niets van weten, hij leeft met het idee dat al het denken, oordelen, voelen, gewaarworden hier in de fysieke wereld er slechts voor deze wereld is, hij denkt bij zichzelf: als er al iets meer is dan zal ik dat ten gepaste tijde wel te weten komen.

Met de blik van de ziener kunnen we de ziel van zo'n mens ontdekken als ze door de poort van de dood gegaan is: zo'n ziel blijft in 't duister en kan daardoor de gaven van de wezens der hogere hiërarchieën niet in ontvangst nemen. En dan komt zo'n ziel door de geboorte in een nieuw aardeleven, en dan ontbreekt het haar aan krachten om haar lichamelijkheid plastisch zo te vormen dat deze geschikt wordt om volgens haar karma te leven. Heeft een mens zich in een vroeger leven niet opengesteld voor de geestelijke wereld dan moet hij, als hij met dit bot-zijn (Duits: Stumpfheit) door de duisternis gegaan is een nieuw, ontoereikend en onvolkomen leven beginnen.

In zijn lichamelijkheid heeft hij de krachten niet kunnen ontplooien die hij had moeten ontplooien in dit volgend aardeleven; bepaalde innerlijke samenstellingen werden niet gevormd; de mens wordt in een bepaald opzicht niet wat hij had kunnen worden, wat hij had moeten worden. Hij was kortzichtig door zijn eigen willekeur in een voorgaand leven en wordt noodzakelijkerwijze nog kortzichtiger dan het kon of moest in een volgend leven. Hij kan niet zoveel begrijpen als hij had kunnen begrijpen, hij kan niet op dezelfde manier deelhebben aan de wereld zoals hij dat anders had gekund, hij blijft zonder interesse voor wat hem anders wel had geïnteresseerd.

Dat alles kan zich voordoen als het karmisch gevolg van en willekeurig "stumpf" zijn in een voorgaand leven.
En zo kan de mens als hij dan terug eens door de poort van de dood gaat, door deze poort gaan met een bagage die veel lichter is dan wat eigenlijk gekund had. Als dan de mens terug in de geestelijke wereld is en terug het gebied doorloopt tussen dood en nieuwe geboorte, dan zou men kunnen denken dat, nu zijn innerlijke krachten wezenlijk verminderd en ontoereikend zijn geworden, dat hij nu in een nog diepere duisternis zou terechtkomen en men zou enigszins kunnen vertwijfeld geraken of een mens zich ooit nog tot zijn oude niveau zou kunnen oprichten.

Maar zo ver gaat het niet: in dit verblijf tussen dood en nieuwe geboorte doet zich iets voor. Na de dood die volgt op een leven waarin een mens zich door eigen willekeur afsloot van de geestelijke wereld, krijgt Lucifer met al zijn krachten een bijzondere macht over de mens, en belicht in diens plaats nu het veld tussen dood en nieuwe geboorte. De mens neemt nu de gaven van de wezens der hogere hiërarchieën in ontvangst, maar wel belicht door luciferische krachten. Daardoor krijgen al deze gaven een bijzondere tint. Het is dan wel zo dat de mens, nu hij niet door de duisternis gegaan is, zelf plastisch kan vormen wat hem via de erfelijkheid gegeven wordt als lichaam, maar, omdat hij niet zelfstandig zijn eigen weg belicht heeft, is alles wat hij vormt luciferisch getint. En als men dan zo'n mens in zijn volgend leven bekijkt, dan is hij dikwijls iemand zoals we er tegenwoordig veel tegenkomen: mensen met een nuchtere, niet alleen droge maar egoïstische oordeelskracht, met een egoïstisch verstandig-zijn, dat overal waar het in het leven optreedt alleen zijn eigen voordeel in 't oog heeft. Dat is wat uit het voorgaande als ziele-eigenschap ontstaat.

De zelfzuchtigen, die slim zijn, maar hun slim-zijn alleen kunnen gebruiken voor hun zelfzucht, die alles zo regelen dat hun zelfzucht gediend wordt, die snugger zijn, maar alleen snugger voor hun eigen voordeel, dat zijn meestal zielen die voorheen de weg doorlopen hebben die zojuist beschreven werd. En dan hangt het ervan af, -want nu zijn deze zielen niet "stumpf",- of ze door de krachten die ze nog bezitten uit vroegere incarnaties, of ze zich in dit aards leven nu wat gaan inlaten met het bovenzinnelijk bestaan. Daardoor bestaat de mogelijkheid om in een nieuw aardeleven te ontvlammen voor de kennis van de hogere werelden. Zo'n ziel hoeft niet afgesnoerd te worden van iedere vooruitgang in de geestelijke wereld, ze zal zich terug verheffen, maar wat beschreven werd, dat zal gebeuren.

En we hebben daar een merkwaardige, betekenisvolle samenhang tussen 3 aardelevens en de periodes die daartussen liggen. De blik van de ziener ontdekt zeer dikwijls als hij zich richt naar mensen die tegenwoordig slim genoemd worden, die zgz. van aanpakken weten, maar bij wie alle acties gericht zijn op het eigen voordeel, dat deze zielen doorgemaakt hebben wat beschreven werd.
Eerst: een leven dat zich willekeurig afgewend heeft van iedere interesse aan de bovenzinnelijke wereld; dan een leven dat niet in staat was -omdat het de innerlijke organen er niet voor had- zich voor iets te interesseren dat hem anders nauw aan 't hart had gelegen; dan een derde leven dat alleen het zelfzuchtig verstand dient.

Bij de geweldige uitbreiding van het zelfzuchtig slim-zijn in de tegenwoordige tijd is het mogelijk de weg van deze mensenzielen terug te volgen: we komen dan in tijden waar we vele, vele mensen vinden in vorige incarnaties, die door onontwikkelde organen een zeer flauwe interesse betoonden, zelfs voor de gewoonlijke zintuiglijke wereld. En dan komen we op een derde laatste incarnatie terug die voor deze zielen dikwijls in de 4de na-Atlantische cultuurperiode ligt (de Grieks-Romeinse tijd), waar meer dan men vandaag gelooft een willekeurig atheïsme, een willekeurig gebrek aan interesse voor de bovenzinnelijke wereld heerste in de meest verscheiden streken van de wereld."
[...]

Moeten we nu Lucifer een goede of een kwade macht noemen ?
Hij maakt ons zelfzuchtig, maar zonder hem waren we onder bepaalde omstandigheden compleet verloren. Dat is nu eenmaal het risico van vrijheid: de mens kan verkeerde keuzes maken en zo in de macht van Lucifer geraken.
Is het dan beter om geen keuzes te maken ?
Neen, want dat is gemakzucht, en dat brengt ons in de macht van Ahriman, de andere tegenwerkende macht. De gemakzucht waar het hier over gaat is vooral een geestelijke luiheid.

In de macht van Ahriman ... de trouwe gelovigen !

[...]
"Op nog een andere wijze kan het leven in 3 opeenvolgende incarnaties verlopen. Zo kan zich bvb. het volgende voordoen : wij bekijken een ziel die in wezen, laat ons zeggen, zo is dat ze met een zeker fanatisme, met een zekere bekrompenheid, haar zielebehoeften bevredigt met wat toevallig voorhanden is. Men bekijkt dan een religieus-egoïstische ziel, kan men zeggen.

Wij vinden vandaag zulke zielen. Ze zijn er altijd geweest in de ontwikkeling van de mensheid op aarde, zielen die om zo te zeggen gelovig zijn, intuïtief gelovig, omdat ze vanuit een zeker ziele-egoïsme een soort beloning verwachten, of een vereffening in het hiernamaals voor het aardse leven. Deze verwachting kan zeer egoïstisch zijn en kan verbonden zijn met een fanatieke bekrompenheid tegenover wat de mensen over de hogere werelden te horen krijgen via de geesteswetenschap of de mysteriën.

Hoeveel mensen zien we vandaag niet die wel geloven in een hiernamaals maar fanatiek bekrompen alles afwijzen wat afwijkt van de richting van dat geloof waarmee zij opgegroeid zijn. Deze zielen zijn dikwijls te gemakzuchtig om ook maar iets te leren kennen van de hogere werelden. Een diep egoïsme kan in deze zielen woekeren, hoewel het gelovige zielen zijn. Alles wat met dat soort geloof aan het hiernamaals samenhangt, wijst er op een bepaalde manier op dat de mens niet op de juiste wijze de weg zal vinden tussen dood en nieuwe geboorte, dat hij de gaven van de wezens der hogere hiërarchieën niet op de juiste manier zal kunnen in ontvangst nemen, dat deze gaven zo tot hem komen dat hij bij zijn volgend aardeleven wel aan zijn lichamelijkheid kan werken, dat hij zelfs aan het uitbouwen van zijn karma kan werken, maar alles op een verkeerde manier zal bewerken en samentimmeren. Hij zal zijn lichamelijkheid zo bewerken dat hij bvb. een hypochonder, een overgevoelig mens wordt, die alleen al door zijn lichamelijke eigenschappen ertoe bestemd is met de buitenwereld zo in contact te komen dat hij morrend, ontevreden en onbevredigd door het leven schrijdt, en dat hij door het leven zo aangepakt wordt dat hij zich altijd gekwetst voelt. Een bepaalde hypochondrische, ziekelijk-melancholische stemming, voorbereid, voorbestemd door de lichamelijkheid, die kan volgen uit de oorzaken die zojuist beschreven werden.

Dus een in egoïstische zin fanatiek vasthouden aan bepaalde vormen van geloof aan een leven na de dood kan de mens ertoe leiden op een verkeerde manier het gebied tussen dood en nieuwe geboorte te doorlopen en hem in zijn volgend leven op een verkeerde manier gevoelig maken. Gaat de mens na een dergelijk leven terug door de poort van de dood dan heeft op zo'n ziel bijzonder al het Ahrimanische een grote invloed -dit is duidelijk voor de helderziende blik. En dit ahrimanische geeft aan al de krachten die de mens dan verzamelt tussen dood en nieuwe geboorte zo'n kleur, zo'n vorm dat de mens deze krachten in zijn volgend leven zo ontplooit dat hij -alleen al door zijn aanleg- op een bepaalde manier in zijn voorstellen en voelen bekrompen wordt, dat hij de wereld niet onbevangen kan aanschouwen. Talrijke geesten die we onder ons vinden, die een zekere bekrompenheid vertonen, die met hun gedachten niet buiten bepaalde grenzen komen, die eigenlijk met oogkleppen rondlopen, die zelfs als ze zich inspannen, toch nog altijd beperkt blijven in hun visie, die hebben dit karma te danken aan wat beschreven werd.

Om nog duidelijker te maken wat er bedoeld wordt kijken we eens naar het volgende voorbeeld.
Onlangs schreef een zeer, zeer goedgelovig man -die waarschijnlijk ook overtuigd is dat het waar is wat hij beweert- over de religieuze opvoeding van kinderen in de eerste vrijdenkerskalender die in het voorjaar (van 1913) verschenen is. Hij zegt: men moet de kinderen niet godsdienstig opvoeden want dat is onnatuurlijk. Als men nl. kinderen laat opgroeien zonder religieuze ideeën en begrippen, zonder dat men hen religieuze gevoelens bijbrengt, dan ziet men dat ze uit zichzelf daar niet toe komen. Daaruit volgt dat het onnatuurlijk is om de mensenziel zulke begrippen en ideeën op te dringen, aangezien dit van buitenaf er ingepompt wordt. Diegenen die zich vandaag vrijdenkers noemen zullen zo'n gedachten enthousiast opnemen en zelfs diepzinnig vinden, maar men hoeft alleen maar het volgende te bedenken: het is bekend dat een mensenkind dat men op een onbewoond eiland zet vooraleer het kan spreken, en het daar laat opgroeien zonder dat het een menselijk geluid hoort, nooit zou leren spreken !

Men ziet dus dat een mens niet uit zichzelf leert spreken als dat hem van buitenaf niet tegemoetkomt. De goede vrijdenkende prediker zou dan ook zijn aanhangers moeten verbieden om hun kinderen te leren spreken aangezien ze de taal niet vanzelf ontwikkelen. Zo zien we dat iets dat zeer logisch klinkt en soms door een ganse groep zeer diepzinnig gevonden wordt, niets anders is dan logische onzin ; want op het ogenblik dat men daarover wat dieper nadenkt blijkt de logica mank te lopen. Daar hebben we zo een mens die met oogkleppen loopt. Zulke voorbeelden komen we om de haverklap tegen. Vooral in onze tijd vindt men ongelooflijk veel mensen die zulke oogkleppen dragen, die ogenschijnlijk al hun ziele-activiteiten buitengewoon ontwikkelen, maar op het ogenblik dat ze uit de kring moeten treden die ze zelf getrokken hebben, houdt alles op: ze zien gewoon niet wat buiten deze kring ligt.

Als we van dergelijke mensen de vorige levens beschouwen, dan vinden we dat de twee voorgaande incarnaties verlopen zijn zoals werd beschreven. Daaruit kunnen we leren wat een mensenziel te wachten staat die zich vandaag -wat bij talrijke zielen het geval is-, uit gemakzucht, uit egoïsme, opsluit in een geloofsbelijdenis en niet verder zoekt.

Is het niet zo dat vandaag vele mensen onder ons leven die een geloof aankleven omdat ze er toevallig mee opgegroeid zijn ? En die er dan later met een egoïstisch fanatisme aan vast houden, eenvoudig omdat ze te gemakzuchtig zijn om daarbuiten te gaan. Ze zijn even goede protestanten of katholieken, zoals ze even goede moslims zouden zijn indien ze door hun karma midden in de Islam geboren waren.

Maar nu is het moment in de mensheidsontwikkeling gekomen waarop zielen achterblijven en onvolkomen worden in een volgende incarnatie als ze de ogen niet willen openen voor wat op veelvoudige wijze vanuit de geestelijke wereld naar de menselijke zielen toekomt."
[...]




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar Inhoudstafel.