|
De Brug 4 van juni 1994 Over goed en kwaad
![]() Als men iets met weinig woorden wil verduidelijken, dan komt zo'n schema goed van pas. Wil men met nóg minder woorden nog méér duidelijk maken, dan moet men de kunst ter hulp roepen. Dat is wat Rudolf Steiner deed toen hij zijn zgn. Mensheidsrepresentant sculpteerde. Dit beeld van 9,5 m hoog is te zien in het Goetheanum. In één oogopslag krijgt de toeschouwer daar een idee van de twee tegenstrevende machten en de mens die daar tussenin gesteld is.
![]() " Met betrekking tot het zieleleven is dit al datgene wat de mens inspireert tot het materialistische, het kleingeestige, het pedante, al wat hij wordt, wanneer hij -om het extreem uit te drukken- alleen maar verstand en geen hart heeft, wanneer al zijn krachten, zijn zielekrachten door het verstand gedirigeerd worden." En over Lucifer: " Dit is hetgeen de mens wordt, wanneer hij zich eenzijdig naar het dweepzuchtige, ook naar het eenzijdig theosofische toe ontwikkelt, wanneer hij boven zijn hoofd uitgroeit; men vindt het in deze vorm ook bij sommige leden van de antroposofische beweging, wier astrale hoofd voortdurend een halve meter boven hun fysieke hoofd uitsteekt, zodat ze op alle andere mensen kunnen neerkijken."
Voor de arbeiders die aan het Goetheanum meewerkten ging hij daar dieper op in (12de voordracht uit GA 349). We vertaalden deze voordracht voor U. Hou er wel rekening mee dat Rudolf Steiner zijn manier van spreken aanpaste aan zijn publiek. De voordrachten voor de arbeiders zijn extra levendig gehouden : er wordt al eens een grapje gemaakt, soms wordt er overdreven, de anekdote is zelfs ironisch.
[...]"Ziet U, mijne heren, vandaag de dag heerst er zo het idee dat de mens een constant wezen is. Dat is hij nu niet : hij bevindt zich nl. voortdurend in een toestand van sterven en heropleven. Men begint niet alleen te leven bij de geboorte en sterft niet alleen bij de dood, maar men sterft voortdurend en wordt voortdurend weer levend.
Kijkt U dan weer naar iets anders, naar de bloedvaten, dan stelt U vast dat die in het hoofd tamelijk fijn zijn, in de hartstreek daarentegen zijn ze sterk gevormd. Ook in de ledematen hebben we dikke bloedvaten. Zodat men kan zeggen : aan de ene kant hebben we het zenuwstelsel, aan de andere kant het bloedvatenstelsel. ![]() Men kan nog dieper ingaan op wat ik hier nu uitgelegd heb. U weet dat vele mensen verkalken als ze oud worden. Verkalking treedt op, sclerose. Mensen bij wie de bloedvaten verkalken kunnen dan niet goed meer bewegen. En als er bijzonder sterke verkalking optreedt, dan wordt de mens getroffen door een beroerte, een geraaktheid zoals men zegt. Een beroerte die komt nu precies als de mens z'n bloedvaten verkalken. Wat gebeurt daar eigenlijk als de mens verkalkt, sclerotisch wordt ? Ziet U, het is dan alsof zijn bloedvaten zouden zenuwen willen worden!
Dat is het merkwaardige. De zenuwen moeten in zeker opzicht gans het leven in een toestand zijn, waarin de bloedvaten juist niet mogen zijn. De bloedvaten moeten fris zijn en de zenuwen, die moeten voortdurend tot afsterven neigen. Want als de mens zenuwen krijgt die te week zijn, die, als ik het zo mag zeggen, niet genoeg verkalkt zijn, dan wordt hij krankzinnig. U ziet dus dat zenuwen niet als bloedvaten en bloedvaten niet als zenuwen mogen zijn. Dat is nu precies wat ons noodzaakt om te zeggen dat de mens twee principes in zich heeft. Het ene is het zenuwprincipe. Dat doet ons altijd maar ouder worden. Van 's morgens tot 's avonds wordt men altijd een beetje ouder. 's Nachts wordt dat vanuit het bloed goedgemaakt. Zo gaat het, als de pendel van een klok: oud worden, jong worden, oud worden, jong worden.[...]'s Nachts wordt het verouderen dus goedgemaakt, maar niet volledig. Iedere dag blijft er wat meer ouderdom over, en als dat overschot groot genoeg is geworden, dan sterft de mens werkelijk. Zo zit de zaak ineen. Ziet U, als het jong worden te sterk wordt in de mens dan krijgt hij een longvliesontsteking of longontsteking. Het is nl. zo dat bepaalde zaken die heel goed, die excellent zijn als ze binnen bepaalde grenzen blijven, tot ziekte worden als ze daarbuiten komen. Ziekte in de mens is niets anders dan dat iets dat hij altijd nodig heeft, te sterk wordt, de overhand neemt. Koorts wordt veroorzaakt doordat het jongworden in ons te sterk wordt. Wij kunnen dat niet verdragen, wij beginnen te "vers" te worden in gans ons lijf. Dan hebben we koorts met daarbij pleuritis of bronchitis.
Dat alles kan men nu ook in de ziel waarnemen. Ziet U, de mens kan ook in zijn ziel verdrogen of koortsig worden. Er zijn bepaalde eigenschappen bij de mens -men hoort dat niet graag omdat vooral tegenwoordig zovele mensen ze hebben- en dat is: men wordt pedant, men wordt een droogstoppel. U weet dat dat tegenwoordig bestaat, geleerde droogstoppels. Men verdroogt als schoolmeester terwijl men als schoolmeester juist een frisse knaap zou moeten zijn. Nochtans moeten we de twee mogelijkheden altijd in ons hebben. Wij kunnen niets inzien als we geen fantasie kunnen gebruiken, en we kunnen helemaal niet samenwerken als we niet een beetje pedant zijn en alles registreren enz. Doet men het teveel, dan is men een pedant, een zeventeen. Doet men het gepast, dan is men een evenwichtige ziel. Het is zo dat men altijd iets in zich moet hebben in de juiste mate, en als dat de overhand neemt dan maakt dat ons lichaam of onze ziel ziek.
En zo is het ook met het geestelijke, mijne heren. Wij kunnen niet altijd slapen, wij moeten ook dikwijls wakker worden. Bedenk eens wat voor schok dat is als men wakker wordt. Stelt U zich voor hoe U ligt te slapen: U ligt daar, weet niets van uw omgeving. Als U een diepe slaap heeft kan men U zelfs kietelen zonder dat U er wakker van wordt. We kunnen dus zeggen: we kunnen op drie manieren bepaalde toestanden bij de mens onderscheiden. Ten eerste lichamelijk: we hebben daar aan de ene kant het zenuwsysteem. Dat neigt voortdurend naar verharding, naar verkalking; we zeggen dan lichamelijk : verharding verkalking
Ziet U, U bent allemaal reeds zo oud dat uw zenuwsysteem al een beetje verkalkt moet zijn. Want hadt U nu nog dezelfde zenuwen als toen U zes maand oud was, dan zoudt U allen krankzinnig zijn. U kunt niet meer zo'n week zenuwsysteem hebben. Mensen die krankzinnig zijn, die hebben een kinderlijk zenuwstelsel. lichamelijk : verharding verweking verkalking verjonging
Bekijkt men de ziel dan kunnen we zeggen: verharding komt overeen met pedant zijn, droogstoppel zijn, materialisme, nuchter verstand. We moeten wel inzien: een beetje nuchter moet men zijn, of men zou een losbol zijn, een spring-in 't-veld. Een beetje pedant moeten we zijn of we konden onze eigen zaken niet regelen: in plaats van onze jas in de kleerkast te hangen zouden we die in de schouw of in de oven hangen. Dus een beetje pedant, een beetje "Piet-precies" zijn is zeer goed, maar het mag niet te erg worden.
We kunnen zeggen dat de mens voortdurend het gevaar loopt om in de ene of andere richting af te dwalen, ofwel teveel te verweken, ofwel te sterk te verharden.
Als men de wereld verdeelt in en goede helft en een kwade helft, zoals dat traditioneel gebeurt, en men stelt vast dat er ook bij de zgz. goede helft toch nog kwaad zit, dan moet men ofwel vertwijfelen, ofwel vasthouden aan een fanatiek geloof en alle kwaad in de zgn. goede helft ontkennen of minimaliseren. Dit laatste doen overtuigde katholieken of protestanten als er weer eens een schandaal uit hun midden bekend wordt. Het eerste ligt eigenlijk aan de basis van het huidige (gebrek aan) gedachtenpatroon.
De voordracht gaat als volgt verder:
Pedagogie - achtergronden
" Het gaat er nu om dat deze twee tegengestelde krachten in evenwicht moeten zijn. Waarin ligt dan dit evenwicht ? Geen van beide krachten mag de bovenhand nemen.
Het is nu eenmaal zo dat de ontwikkeling van de mensheid de laatste 1900 jaar naar het ahrimanische overhelt. Daarvoor was dat anders.
Er waren dus geen scholen, en men deed ook geen moeite om de kinderen iets bij te brengen dat ver van hen afstond. Toen bestond het gevaar dat de mensen gingen overhellen naar het luciferische, dat ze gingen dwepen, dus in het luciferische terechtkwamen. En zo gebeurde het ook. In die oude tijden was er veel wijsheid, dat heb ik U reeds verteld. Maar natuurlijk, daarvoor diende eerst het luciferische beteugeld te worden, anders zouden de mensen de ganse dag niets dan spookverhalen willen vertellen. Dat was iets dat de mensen zeer graag deden.
Ziet U, zij die toen geleerden waren, hadden bepaalde bekommernissen. De toenmalige geleerden leefden in zulke torenvormige gebouwen. De toren van Babel, waar men in de Bijbel over vertelt was zo'n gebouw. Daar leefden die geleerden. Deze geleerden zeiden : ja, wij hebben het hier goed. En onze fantasie die heeft het ook goed; want wij willen altijd in de richting van het spookachtige, het luciferische. Maar we hebben onze instrumenten. Daarmee bekijken we de sterren en stellen we vast hoe de sterren bewegen. Dat houdt onze fantasie in toom. Want als ik een ster bekijk en wil dat ze zo of zo gaat, dan doet ze dat niet. Daardoor wordt de eigen fantasie beteugeld.
Dus de geleerden wisten dat ze door de hemelverschijnselen hun fantasie in toom lieten houden. Of ze hadden ook andere instrumenten. Ze wisten : als ik mij inbeeld, ik heb hier een klein spaandertje hout, als ik dat verhit, dan wordt dat een reusachtig vuur... Tja, dat kan ik mij zo inbeelden, maar als ik dat in 't echt doe, dan komt er van zo'n houtspaandertje natuurlijk alleen maar een klein vuurtje.
Hoe het met het ahrimanische staat, dat weet U wel. De huidige wetenschap streeft altijd meer en meer naar het ahrimanische. Eigenlijk is onze ganse wetenschap iets dat ons verdroogd maakt. Want deze ganse wetenschap kent eigenlijk alleen het lichamelijke, dat wat verkalkt is, het materiële. En dat is wat in onze ganse beschaving het ahrimanische is.
Tussen beide staat dat wat men het christelijke in de ware betekenis van het woord noemt. Ziet U, mijne heren., het ware christelijke kent men te weinig in de wereld. Als men christelijk noemt wat de wereld als christelijk kent, dan zou men natuurlijk het christelijke moeten bestrijden, dat spreekt vanzelf.
Geneeskunde
"Wat betekent bvb. christelijk zijn in lichamelijke zin ?
Ziet U, zo breng ik een evenwicht tot stand. Zoals ik bij een weegschaal iets moet bijdoen als de ene kant te sterk omhooggaat, zo heb ik ook bij het teveel aan luciferisch in de longvliesontsteking, berkehoutskool toegevoegd. De berkehoutskool heb ik door het te verkolen mineraal gemaakt, het is ahrimanisch geworden.
Een ander voorbeeld : een mens begint er moe, verlamd uit te zien, zodat ik kan zeggen: die gaat binnenkort een beroerte krijgen. Dan is er teveel ahrimanisch in hem. Nu moet ik luciferisch toevoegen om dat te compenseren. Wat ga ik doen ? Ziet U, als ik een plant heb, dan is hier de wortel. U weet dat de wortel hard is, er zitten vele zouten in, dat is niet luciferisch. De stengel en de bladeren zijn ook nog niet luciferisch. Maar ik ga verder en daar heb ik een geurende, sterk ruikende bloeiwijze. Dat is iets dat vervluchtigt, zoals de fantasie wil vervluchtigen, anders zou ik ze niet kunnen ruiken. Uit deze bloeiwijze neem ik het sap. Dat is luciferisch. Dan dien ik dat op de juiste manier toe, compenseer zo het ahrimanische en ik kan de mens genezen.
Wat doet de huidige geneeskunde ? Wel, de huidige geneeskunde, die probeert ! Anekdote
"Ziet U, dit alles wou ik aanschouwelijk maken met dat houten beeld dat in het Goetheanum staat. Boven is daar Lucifer, het luciferische, alles dat bij de mens het koortsachtige, fantasie, het inslapen is. En onderaan alles dat wil verharden, het ahrimanische. En daartussen Christus.
Zo was daar eens een pastoor, die zeer beroemd was in Bazel en omgeving, hij heette Frohnmeyer, werkelijk een zeer beroemde pastoor. Hij heeft wel nooit de moeite gedaan om naar deze figuur te komen kijken, maar hij heeft erover gelezen bij een andere -die het zelf misschien ook niet gezien heeft, maar op zijn beurt afgeschreven heeft-, dat hier een figuur gemaakt werd : van boven luciferisch, in 't midden Christus en onderaan ahrimanisch. Maar eigenlijk zijn het drie figuren die dooreen staan, en eigenlijk zijn het er zelfs meer, nietwaar: Ahriman tweemaal en Lucifer ook tweemaal. Maar goed, deze Frohnmeyer wist het allemaal zo goed dat hij schreef : Steiner maakt daarginds in Dornach iets verschrikkelijk, een Christusfiguur die boven luciferische trekken heeft en onderaan dierlijke kenmerken. Welnu, deze Christusfiguur heeft geen luciferische trekken, maar een zeer menselijke kop. Frohnmeyer heeft dat verward. Hij dacht dat het een Christusfiguur was met boven luciferische trekken en onderaan dierlijke kenmerken. En zeggen dat die Christusfiguur onderaan zelfs nog niet af is, het is nog maar een blok hout !
Het is nu eenmaal moeilijk om daar tegenin te gaan, als de mensen geen inzicht hebben, niet willen begrijpen. Ze lopen naar de pastoors omdat ze geloven wat de pastoors zeggen. Maar hier hebt U nu een voorbeeld van kwaadsprekerij, zo jammerlijk, dat men zich iets erger niet kan voorstellen.
En merkwaardige visies dat deze mensen hebben ! Die pastoor Frohnmeyer heeft dat dus geschreven. Nu was toentertijd, toen hij dit schreef Dr. Boos hier nog in het Goetheanum. U weet dat Dr. Boos zo de gewoonte had om er met de knuppel in te vliegen. Men kan daarover discuteren of men er moet tegenaan gaan met een knuppel of met een ragebol: de ragebol is zachter, meer luciferisch, een knuppel is hard, meer ahrimanisch. Het hangt er dus van af waarmee men erop los gaat. Nu goed, Dr. Boos zegt die Frohnmeyer daar eens goed de waarheid, zo een beetje met de knuppel... En wie krijgt er een brief van Frohnmeyer ? Ik ! Ik krijg een lange brief van Dr. Frohnmeyer dat ik toch Dr. Boos moet aanmanen om niet zo onaardig te zijn tegen Dr. Frohnmeyer.
Bedenkt U toch eens wat voor ideeën zo'n mensen hebben. Men kan het nauwelijks vatten. Ze belasteren iemand, en daarna vragen ze aan diezelfde persoon die ze belasterd hebben om op te treden tegen de man die de leugens aan de kaak stelt !
[...]" Als men echter de dingen juist verstaat dan begrijpt men dat al het christelijke hier op neerkomt : gij moet leren om altijd het ahrimanische met het luciferische in het juiste evenwicht te brengen, niet het ene minder, of het andere meer laten doorwegen.
Men verwijt de antroposofie dat ze zo weinig van Christus spreekt. Wel, ik zeg altijd : antroposofie spreekt niet veel van Christus omdat ze de tien geboden kent. Jullie praten veel over Christus omdat jullie niet eens het gebod kennen dat zegt :" Gij zult de naam van de Heer, uw God niet nodeloos uitspreken."
Als vandaag de dag een christelijke pastoor predikt, wordt de Christusnaam voortdurend uitgesproken. Men moet hem alleen uitspreken als men werkelijk verstaat waar het op aankomt. Dat is het, nietwaar, waardoor antroposofie zich onderscheidt; zij wil werkelijk christelijk zijn, maar zonder bijgelovig, zonder prevelend-vroom te zijn. Echt wetenschappelijk, werkelijk in deze zin wetenschappelijk wil ze zijn. En op deze manier bekijkt ze ook datgene dat zich gesteld heeft tussen de oude tijd, die luciferisch was, en de nieuwe tijd, die ahrimanisch is, bekijkt ze deze gebeurtenis in Palestina als doorslaggevend voor de wereldgeschiedenis."
* * * * * * * * * * *
De mensheidsrepresentant
Zo wordt het beeldhouwwerk genoemd dat Rudolf Steiner sculpteerde uit olmenhout. Dit kunstwerk is 9,5 m hoog en is te zien in het Goetheanum in Dornach. Er zijn zes figuren in terug te vinden :
Nu komt het erop aan dat dit niet gemaakt wordt vanuit de wetten van de beeldhouwkunst. Het komt niet aan op het symboliseren, maar wel daarop dat iedere afzonderlijke trek in de drie wezens in de aller-, allernauwkeurigste details vanuit het geesteswetenschappelijk aanschouwen wordt geschapen."
"In het midden de mensheidsrepresentant, de Christus, zijn rechterarm omlaag gericht, zijn linkerarm omhooggeheven, en wel zodanig, dat zijn gestalte als uitdrukking van de belichaamde liefde midden tussen Ahriman en Lucifer is geplaatst. De Christus staat niet vijandig tegenover deze beide figuren; hij staat daar als de in zichzelf belichaamde liefde. Lucifer valt niet omdat Christus hem doet vallen, maar omdat hij de nabijheid van de Christus, de nabijheid van het wezen dat de belichaming van de liefde is, niet kan verdragen."
"Men kan niet zo voor deze beeldengroep komen staan met het idee: nu ga ik de Christus daar eens bekijken. Als iemand op dit idee komt, vanuit zijn eigen aanvoelen, vanuit een kunstzinige intuïtie, dan is het goed. Maar het is niet juist om direct met de gedachte dat dat daar de Christus is, voor de beeldengroep te gaan staan."
"Links de omhoogstrevende Lucifer, en daarboven een rotswezen dat vanuit de rots tevoorschijn komt, a.h.w. de tot orgaan geworden rots. [...] Het is een waagstuk om het volledig asymmetrisch uit te beelden -de asymmetrie speelt immers juist bij deze figuren een bepaalde rol- omdat de gehele compositie hier niet op zo'n wijze tot stand is gekomen, dat er bvb. de gedachte aan ten grondslag lag : men neemt bepaalde figuren, zet ze bij elkaar en maakt een geheel; nee, eerst is het geheel ontworpen en vervolgens is het afzonderlijke hieruit afgeleid. Daarom moet een gezicht linksboven een andere symmetrie hebben dan bvb. linksonder, rechtsonder of rechtsboven. Het is zeker een waagstuk om een dergelijke asymmetrie te hanteren, maar ik hoop dat men het als kunstzinnig verantwoord zal ervaren, wanneer het eenmaal zo ver komt dat men het hele vormgevingsprincipe van ons gebouw als zodanig zal doorvoelen."
Detailopname: het hoofd van de Christus :
*
Karma en reïncarnatie
Als men de wet van karma oppervlakkig beschouwt, zou men kunnen besluiten dat er alleen maar een neerwaartse ontwikkeling mogelijk is : iemand begaat een misstap, daardoor wordt hij in zijn volgende leven in slechtere omstandigheden geboren, daardoor maakt hij nog meer kans om weer een misstap te begaan, waardoor enz., enz.
Over dit onderwerp sprak Rudolf Steiner meer dan eens. Een aantal van die voordrachten zijn gebundeld in deel 140 van de Gesamtausgabe (GA 140). We vertaalden enkele fragmenten, de indeling maakten we zelf.
In de macht van Lucifer ... de botteriken.
[...]
Met de blik van de ziener kunnen we de ziel van zo'n mens ontdekken als ze door de poort van de dood gegaan is: zo'n ziel blijft in 't duister en kan daardoor de gaven van de wezens der hogere hiërarchieën niet in ontvangst nemen. En dan komt zo'n ziel door de geboorte in een nieuw aardeleven, en dan ontbreekt het haar aan krachten om haar lichamelijkheid plastisch zo te vormen dat deze geschikt wordt om volgens haar karma te leven. Heeft een mens zich in een vroeger leven niet opengesteld voor de geestelijke wereld dan moet hij, als hij met dit bot-zijn (Duits: Stumpfheit) door de duisternis gegaan is een nieuw, ontoereikend en onvolkomen leven beginnen.
In zijn lichamelijkheid heeft hij de krachten niet kunnen ontplooien die hij had moeten ontplooien in dit volgend aardeleven; bepaalde innerlijke samenstellingen werden niet gevormd; de mens wordt in een bepaald opzicht niet wat hij had kunnen worden, wat hij had moeten worden. Hij was kortzichtig door zijn eigen willekeur in een voorgaand leven en wordt noodzakelijkerwijze nog kortzichtiger dan het kon of moest in een volgend leven. Hij kan niet zoveel begrijpen als hij had kunnen begrijpen, hij kan niet op dezelfde manier deelhebben aan de wereld zoals hij dat anders had gekund, hij blijft zonder interesse voor wat hem anders wel had geïnteresseerd.
Dat alles kan zich voordoen als het karmisch gevolg van en willekeurig "stumpf" zijn in een voorgaand leven.
Maar zo ver gaat het niet: in dit verblijf tussen dood en nieuwe geboorte doet zich iets voor. Na de dood die volgt op een leven waarin een mens zich door eigen willekeur afsloot van de geestelijke wereld, krijgt Lucifer met al zijn krachten een bijzondere macht over de mens, en belicht in diens plaats nu het veld tussen dood en nieuwe geboorte. De mens neemt nu de gaven van de wezens der hogere hiërarchieën in ontvangst, maar wel belicht door luciferische krachten. Daardoor krijgen al deze gaven een bijzondere tint. Het is dan wel zo dat de mens, nu hij niet door de duisternis gegaan is, zelf plastisch kan vormen wat hem via de erfelijkheid gegeven wordt als lichaam, maar, omdat hij niet zelfstandig zijn eigen weg belicht heeft, is alles wat hij vormt luciferisch getint. En als men dan zo'n mens in zijn volgend leven bekijkt, dan is hij dikwijls iemand zoals we er tegenwoordig veel tegenkomen: mensen met een nuchtere, niet alleen droge maar egoïstische oordeelskracht, met een egoïstisch verstandig-zijn, dat overal waar het in het leven optreedt alleen zijn eigen voordeel in 't oog heeft. Dat is wat uit het voorgaande als ziele-eigenschap ontstaat.
De zelfzuchtigen, die slim zijn, maar hun slim-zijn alleen kunnen gebruiken voor hun zelfzucht, die alles zo regelen dat hun zelfzucht gediend wordt, die snugger zijn, maar alleen snugger voor hun eigen voordeel, dat zijn meestal zielen die voorheen de weg doorlopen hebben die zojuist beschreven werd. En dan hangt het ervan af, -want nu zijn deze zielen niet "stumpf",- of ze door de krachten die ze nog bezitten uit vroegere incarnaties, of ze zich in dit aards leven nu wat gaan inlaten met het bovenzinnelijk bestaan. Daardoor bestaat de mogelijkheid om in een nieuw aardeleven te ontvlammen voor de kennis van de hogere werelden. Zo'n ziel hoeft niet afgesnoerd te worden van iedere vooruitgang in de geestelijke wereld, ze zal zich terug verheffen, maar wat beschreven werd, dat zal gebeuren.
En we hebben daar een merkwaardige, betekenisvolle samenhang tussen 3 aardelevens en de periodes die daartussen liggen. De blik van de ziener ontdekt zeer dikwijls als hij zich richt naar mensen die tegenwoordig slim genoemd worden, die zgz. van aanpakken weten, maar bij wie alle acties gericht zijn op het eigen voordeel, dat deze zielen doorgemaakt hebben wat beschreven werd.
Bij de geweldige uitbreiding van het zelfzuchtig slim-zijn in de tegenwoordige tijd is het mogelijk de weg van deze mensenzielen terug te volgen: we komen dan in tijden waar we vele, vele mensen vinden in vorige incarnaties, die door onontwikkelde organen een zeer flauwe interesse betoonden, zelfs voor de gewoonlijke zintuiglijke wereld. En dan komen we op een derde laatste incarnatie terug die voor deze zielen dikwijls in de 4de na-Atlantische cultuurperiode ligt (de Grieks-Romeinse tijd), waar meer dan men vandaag gelooft een willekeurig atheïsme, een willekeurig gebrek aan interesse voor de bovenzinnelijke wereld heerste in de meest verscheiden streken van de wereld."
Moeten we nu Lucifer een goede of een kwade macht noemen ? In de macht van Ahriman ... de trouwe gelovigen !
[...]
Wij vinden vandaag zulke zielen. Ze zijn er altijd geweest in de ontwikkeling van de mensheid op aarde, zielen die om zo te zeggen gelovig zijn, intuïtief gelovig, omdat ze vanuit een zeker ziele-egoïsme een soort beloning verwachten, of een vereffening in het hiernamaals voor het aardse leven. Deze verwachting kan zeer egoïstisch zijn en kan verbonden zijn met een fanatieke bekrompenheid tegenover wat de mensen over de hogere werelden te horen krijgen via de geesteswetenschap of de mysteriën.
Hoeveel mensen zien we vandaag niet die wel geloven in een hiernamaals maar fanatiek bekrompen alles afwijzen wat afwijkt van de richting van dat geloof waarmee zij opgegroeid zijn. Deze zielen zijn dikwijls te gemakzuchtig om ook maar iets te leren kennen van de hogere werelden. Een diep egoïsme kan in deze zielen woekeren, hoewel het gelovige zielen zijn. Alles wat met dat soort geloof aan het hiernamaals samenhangt, wijst er op een bepaalde manier op dat de mens niet op de juiste wijze de weg zal vinden tussen dood en nieuwe geboorte, dat hij de gaven van de wezens der hogere hiërarchieën niet op de juiste manier zal kunnen in ontvangst nemen, dat deze gaven zo tot hem komen dat hij bij zijn volgend aardeleven wel aan zijn lichamelijkheid kan werken, dat hij zelfs aan het uitbouwen van zijn karma kan werken, maar alles op een verkeerde manier zal bewerken en samentimmeren. Hij zal zijn lichamelijkheid zo bewerken dat hij bvb. een hypochonder, een overgevoelig mens wordt, die alleen al door zijn lichamelijke eigenschappen ertoe bestemd is met de buitenwereld zo in contact te komen dat hij morrend, ontevreden en onbevredigd door het leven schrijdt, en dat hij door het leven zo aangepakt wordt dat hij zich altijd gekwetst voelt. Een bepaalde hypochondrische, ziekelijk-melancholische stemming, voorbereid, voorbestemd door de lichamelijkheid, die kan volgen uit de oorzaken die zojuist beschreven werden.
Dus een in egoïstische zin fanatiek vasthouden aan bepaalde vormen van geloof aan een leven na de dood kan de mens ertoe leiden op een verkeerde manier het gebied tussen dood en nieuwe geboorte te doorlopen en hem in zijn volgend leven op een verkeerde manier gevoelig maken. Gaat de mens na een dergelijk leven terug door de poort van de dood dan heeft op zo'n ziel bijzonder al het Ahrimanische een grote invloed -dit is duidelijk voor de helderziende blik. En dit ahrimanische geeft aan al de krachten die de mens dan verzamelt tussen dood en nieuwe geboorte zo'n kleur, zo'n vorm dat de mens deze krachten in zijn volgend leven zo ontplooit dat hij -alleen al door zijn aanleg- op een bepaalde manier in zijn voorstellen en voelen bekrompen wordt, dat hij de wereld niet onbevangen kan aanschouwen. Talrijke geesten die we onder ons vinden, die een zekere bekrompenheid vertonen, die met hun gedachten niet buiten bepaalde grenzen komen, die eigenlijk met oogkleppen rondlopen, die zelfs als ze zich inspannen, toch nog altijd beperkt blijven in hun visie, die hebben dit karma te danken aan wat beschreven werd.
Om nog duidelijker te maken wat er bedoeld wordt kijken we eens naar het volgende voorbeeld.
Men ziet dus dat een mens niet uit zichzelf leert spreken als dat hem van buitenaf niet tegemoetkomt. De goede vrijdenkende prediker zou dan ook zijn aanhangers moeten verbieden om hun kinderen te leren spreken aangezien ze de taal niet vanzelf ontwikkelen. Zo zien we dat iets dat zeer logisch klinkt en soms door een ganse groep zeer diepzinnig gevonden wordt, niets anders is dan logische onzin ; want op het ogenblik dat men daarover wat dieper nadenkt blijkt de logica mank te lopen. Daar hebben we zo een mens die met oogkleppen loopt. Zulke voorbeelden komen we om de haverklap tegen. Vooral in onze tijd vindt men ongelooflijk veel mensen die zulke oogkleppen dragen, die ogenschijnlijk al hun ziele-activiteiten buitengewoon ontwikkelen, maar op het ogenblik dat ze uit de kring moeten treden die ze zelf getrokken hebben, houdt alles op: ze zien gewoon niet wat buiten deze kring ligt.
Als we van dergelijke mensen de vorige levens beschouwen, dan vinden we dat de twee voorgaande incarnaties verlopen zijn zoals werd beschreven. Daaruit kunnen we leren wat een mensenziel te wachten staat die zich vandaag -wat bij talrijke zielen het geval is-, uit gemakzucht, uit egoïsme, opsluit in een geloofsbelijdenis en niet verder zoekt.
Is het niet zo dat vandaag vele mensen onder ons leven die een geloof aankleven omdat ze er toevallig mee opgegroeid zijn ? En die er dan later met een egoïstisch fanatisme aan vast houden, eenvoudig omdat ze te gemakzuchtig zijn om daarbuiten te gaan. Ze zijn even goede protestanten of katholieken, zoals ze even goede moslims zouden zijn indien ze door hun karma midden in de Islam geboren waren.
Maar nu is het moment in de mensheidsontwikkeling gekomen waarop zielen achterblijven en onvolkomen worden in een volgende incarnatie als ze de ogen niet willen openen voor wat op veelvoudige wijze vanuit de geestelijke wereld naar de menselijke zielen toekomt."
* * * * * * * * * * *
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||