Over het Markus-Evangelie

In zijn autobiografie "Mein Lebensgang" beschrijft Rudolf Steiner hoe het hem in de jaren 1890 veel moeite kostte om een innerlijke aansluiting bij het Christendom te vinden. De verschillende christelijke religies gingen ervan uit dat de mens geen directe toegang tot de goddelijk-geestelijke wereld kon hebben, dat hij aangewezen was op openbaringen van buitenaf. Maar Rudolf Steiner had al op jonge leeftijd het geestelijke ervaren als een wereld die even reŽel is als de wereld van het zintuiglijke. Hij had ook vastgesteld dat de mens deze geestelijke wereld door geestelijk onderzoek altijd verder kon ontsluiten.
Toen hij zich verdiepte in de boeken van het Nieuwe Testament zag hij dat deze boeken diepe waarheden bevatten, die overeen kwamen met wat hij zelf doorgrond had. Maar om andere mensen dat duidelijk te kunnen maken, moest er een en ander opnieuw geÔnterpreteerd worden. Een dergelijke nieuwe interpretatie gaf hij dan in het boek "Das Christentum als mystische Tatsache" in 1902.
Van 1908 tot 1910 hield hij op verschillende plaatsen voordrachtenreeksen over het Johannes-evangelie, het Lukas- en het Mattheus-evangelie, alsook over de Openbaring van Johannes. Het Markus-evangelie behandelde hij eerst in losse voordrachten die hij in de winter van 1910-11 in Berlijn hield. Over dit thema sprak hij ook een enkele keer in MŁnchen, Hannover en Koblenz. Een volledige reeks voordrachten over het Markus-Evangelie hield hij dan een jaar later in Basel, in september 1912.

Bovenstaande uitleg vind je als voorwoord in GA 124 "Exkurse in das Gebiet des Markus-Evangeliums". Net zoals Rudolf Steiner hebben wij voor De Brug ook moeten wachten tot een juiste verhouding tot het christelijke tot stand kwam vooraleer wij een fragment uit die voordrachten konden aanbieden. Om te beginnen drukken we af wat Rudolf Steiner zegt over een merkwaardig zinnetje in het begin van het Markus-evangelie. Het gaat over

"Zie, ik zend mijn engel voor u uit, die uw weg bereiden zal;
de stem van een die roept in de woestijn."

"Oorspronkelijk staat er: de stem van een die roept in de eenzaamheid. Wanneer een mens die niet vooringenomen is, deze woorden leest, dan kan hij er niet direct iets mee beginnen. Hij beschouwt ze min of meer als een frase of hoogstens als een allegorie. Want wat zou een prediker in de woestijn moeten verkondigen ? Die gaat gewoonlijk niet in de woestijn, maar naar een plaats waar vele mensen zijn.
Als we deze zin belichten met wat de geesteswetenschap ons biedt, dan wordt de diepe wijsheid geopenbaard die in ieder woord van de Heilige Schrift verborgen zit. We zullen zien dat ieder woord in de oertekst op de juiste plaats staat en ook slechts dan kan begrepen worden.
Wat wordt er nu bedoeld met de woorden:
"Ik zend mijn engel voor u uit die uw weg bereiden zal" ?
We weten dat de Bijbel hier verwijst naar Johannes de Doper. Om te verklaren waarom daar de term 'engel' staat, moeten we teruggaan naar de vroegere ontwikkelingstoestanden van onze aarde en zien welke wezens daar gewerkt hebben.
We weten dat op onze fysieke aarde ook een hiŽrarchische orde bestaat van verschillende ontwikkelingstoestanden. Het onderste niveau wordt ingenomen door het minerale rijk, dan komt de plantenwereld, dan het dierenrijk, dan de mens. Boven de mens vinden we de Engelen, Aartsengelen en Archai of Geesten der Persoonlijkheid. Verder nog Exoesiai, Dynameis en Heerschappijen of Kyriotetes. En ten slotte de Thronen, Cherubim en Seraphim.
Al deze hiŽrarchieŽn zijn eveneens voortdurend in ontwikkeling. Zoals wij nu op aarde onze mensheidstoestand meemaken, zo heeft de hiŽrarchie der Engelen haar mensheidsfase op de oude Maan doorgemaakt, de vroegere ontwikkelingstoestand van onze huidige Aarde. Natuurlijk niet in dezelfde vorm als wij. Zij staan dus een trap verder. En zoals wij op aarde de leiders en begeleiders van onze kinderen zijn, zo hebben de Engelen als taak om de mensheid te leiden en te begeleiden.
Aangezien de aardse toestand hun geen gelegenheid biedt om te incarneren, moet zij, om zich te behelpen, hun wijsheid laten instromen in de lichamen van de hoogst ontwikkelde, zuiverste mensen, opdat door dier mond aan de mensheid goddelijke waarheden verkondigd worden. In zo'n geval kunnen we zeggen: ze hullen zich in maya.
Wij kunnen ons dat nog verduidelijken, wanneer we ons verplaatsen in een grijs verleden en ons de zeven Indische Rishi's voorstellen. Uiterlijk gezien zouden we daar zeer simpele eenvoudige mensen voor ons gehad hebben, boeren misschien, maar in hun binnenste droegen ze hun innerlijke wezenskern. Helderziend zouden we ze zien in een grote stralende aura; uit hun innerlijk zouden warmtevlammen zich uitstorten in hun omgeving. Maar opdat de grootste kosmische wijsheid in hun wezenskern kon dringen moesten ze alle zeven tesamen zijn. Zoals de toonschaal van zeven tonen van een instrument werden ze door de goddelijkheid aangeraakt. En de taal die ze spraken: voor ons zouden het onbegrijpelijke woorden zijn. Hoe was de taal in die oeroude tijden ? We kunnen er ons nauwelijks een begrip van vormen, want onze huidige taal is een beeldloze, met begrippen en logica samengestelde. In de tijd van de Rishi's was de klank datgene dat beelden liet verschijnen voor het innerlijk oog als hij klonk. Vanwaar stamt eigenlijk de taal ? Uit welke oergrond kwam zij ?
De oude wijzen hebben ze uit de sterren naar beneden gehaald. De dierenriem was voor hen het tekenschrift aan de hemel, het schrift der godheid. De dierenriem stond voor de medeklinkers, de planeten voor de klinkers, en door de veranderende stand van de planeten te volgen lazen de wijzen de verschillende boodschappen van de hemels wijsheid.
Zo waren de lichamen van de Rishi's ook maya, ze verhulden de innerlijke goddelijke wezenskern.

Als wij nu deze kennis uit de geesteswetenschap gebruiken om het bijbelwoord te belichten, dan verdwijnt iedere banaliteit die de materialist zo graag in deze woorden wil leggen. Wij verstaan nu wat het echt betekent, de woorden:
"En God zond zijn engel vooruit om degene die moest komen de weg te bereiden."

Met de engel wordt werkelijk een hoger wezen bedoeld uit de hiŽrarchie die net boven ons staat, de Engelen. Een wezen dat zijn geest in de maya van een menselijk lichaam had laten indalen, in dit geval het lichaam van Johannes de Doper, die de incarnatie van Elias was.

En verder lezen we:
"Het is de stem van een prediker in de woestijn." - Hij is een roeper in de eenzaamheid. Hiermee kunnen de theologen evenmin iets aanvangen. Ja, wat betekent het dan om een roeper in de woestijn of in de eenzaamheid te zijn ?
We weten dat Johannes met water doopte. En wel zo dat bij de inwijding de mens volledig ondergedompeld werd in de Jordaan.
Waarom gebeurde dat ? Dat gebeurde om het etherlichaam van een geestelijk ontwikkelde mens voor een ogenblik los te koppelen van zijn fysiek lichaam. Dan beleefde die hetzelfde als wat een stervende beleeft wanneer zijn etherlichaam zich losmaakt. Hij ziet dan namelijk in alle details zijn huidige incarnatie tot aan zijn geboorte, als een panorama, voor zijn geestelijk oog passeren, en hij voelt en weet dat hij buiten zijn vleselijk lichaam een geestelijk wezen is. Kwam hij nu, na deze doop-ervaring, terug in zijn fysiek lichaam, dan had hij iets beleefd dat hem innerlijk onderscheidde van alle andere mensen: hij voelde dat hij met deze meer-kennis alleen stond, afgescheiden van de rest van de mensheid die hem niet meer begreep. Hij voelde zich vereenzaamd, als het ware in een woestijn, alleen in de eenzaamheid. En in zijn diepste innerlijke afgeslotenheid hoorde hij de stem van een roeper: zijn engel."
[ ... ]

Terug naar de inhoudstafel.