De vrijheid van de mens

In GA 222 legt Rudolf Steiner uit hoe de mens vroeger automatisch gedachten meekreeg terwijl hij de wereld aanschouwde. Sinds de 4de eeuw n.C. is dat veranderd. Toen is het "bestuur" van de wereldgedachten overgegaan van de hiërarchie van de Exousiai (Geesten van de Vorm) naar de hiërarchie van de Archai (Geesten van de Persoonlijkheid). Daardoor heeft de mens de mogelijkheid gekregen om in de 5de na-Atlantische cultuurperiode -de periode van de bewustzijnsziel- tot innerlijke menselijke vrijheid te komen. Want waar hij vroeger de gedachten vanzelf meekreeg, moet hij nu door eigen innerlijke ziele-arbeid tot gedachten komen. Er is wel een verwikkeling opgetreden. Een deel van de wezens van de hiërarchie van de Exousiai was niet bereid om dat "bestuur" van de kosmische wereldgedachten over te dragen aan de Archai. Tot op de dag van vandaag blijven deze 'achtergebleven' Exousiai dan ook een gedeelte van de gedachten beheren, namelijk de gedachten die de mens automatisch meekrijgt doordat hij in een bepaald volk of natie geboren wordt. Het is aan de mens om een keuze te maken: ofwel blijft hij zich richten naar de achtergebleven Exousiai en blijft hij steken in een misplaatst nationalisme, ofwel kiest hij voor de juiste Archai en tegelijk voor de vrijheid.

[ ... ] " De mensheid in vroegere tijden voelde dat ze haar zedelijke ideeën van de goden kreeg. Dat was in de tijd toen precies de Exousiai, de Geesten van de Vorm, de mensen gedachten influisterden, dus ook de zedelijke ideeën. De mens wist dat waarlijk, zelfs als de aarde zou ten onder gaan in een warmte-dood, dat er in de toekomst toch goddelijk-geestelijke wezens zouden zijn die de wereldgedachten uit de ganse kosmos bezitten. De mens wist: niet ik maak gedachten, maar de gedachten die zijn er, net zoals de natuur er is. Net zoals alles wat zich in de natuur afspeelt, hebben ook gedachten een eeuwig bestaan.

Men moet goed beseffen dat vandaag de dag vele mensen het alsmaar moeilijker hebben om een juiste verhouding tot het leven te vinden. Sommigen willen dat toegeven -dat zijn misschien nog de besten-, anderen willen dat niet toegeven, maar door hun handelen ontstaat die algemene wereldchaos waarin wij nu terecht zijn gekomen. Maar alles wat er vandaag is als wereldchaos, als wereldwanorde, dat is het daadwerkelijk gevolg van deze innerlijke verscheurdheid, dit niet-weten dat de morele wereldorde een realiteit is. De mensen zouden zich het liefst van al onverschillig willen opstellen t.o.v. de grote wereldvragen omdat ze zich er niet kunnen toe brengen om toe te geven waar de verscheurdheid eigenlijk ligt. Het liefst zouden ze dat vergeten. Met dat wat men vandaag onze uiterlijke civilisatie noemt, daarmee kan er aan die verscheurdheid niets verholpen worden. Die is alleen op te lossen op basis van een geestelijke wereldbeschouwing zoals die door de antroposofie gezocht wordt. En dan kan men pas inzien hoe het de Archai zijn die nu in de kosmos, in de kosmische leiding, de opdracht gekregen hebben om de gedachten der mensen, die nu geïsoleerd, door innerlijke arbeid in de ziel ontstaan, werkelijk overal te verbinden met de wereldgebeurtenissen, om die overal in een orde te plaatsen. En op een grootse, geweldige manier vindt de mens terug de basis voor de morele wereldorde, juist op deze manier. Hoe vindt hij die ? Welnu, de mens kon niet vrij worden zolang hij het gevoel niet kon ontwikkelen: gij ontplooit uw gedachten vanuit uw eigen individualiteit; gij zijt de maker van uw gedachten. Maar daarmee scheuren wij tegelijkertijd de gedachten los van de kosmos. In oude tijden was het min of meer zo: als ik hier de zee der kosmische gedachten teken (geel), en daar de mensen (rood), dan moet ik datgene wat in iedere mens als een deel der kosmische gedachten instroomt zó tekenen (geel). De mens hing vast aan de kosmische gedachtenwereld, die daalde tot in hem neer. Dat dit zo kon zijn, was te danken aan de werkzaamheid van de Geesten van de Vorm. In de loop van de mensheidsontwikkeling is dat anders geworden. We hebben hier de zee der kosmische gedachten (geel), het "bestuur" is overgegaan op de Archai. Als ik nu daar beneden de afzonderlijke mensen teken, dan is dat wat hun gedachten zijn, afgesnoerd; het hangt niet meer samen met de kosmische gedachten. Dat moet zo zijn. want de mens kon nooit een vrij wezen worden als hij niet zijn gedachtenwereld losgemaakt had van de kosmos. Hij moet hem losmaken, afscheuren om een vrij wezen te worden; maar dan moet die weer aangeknoopt worden. Wat dus noodzakelijk is, dat is het beheer van die gedachten -die in eerste instantie niet voor het menselijk leven, maar wel voor de kosmos belangrijk zijn (groen)- door de Archai, de Geesten van de Persoonlijkheid. Maar laat ons nu die gedachten eens met een morele gezinning beschouwen, en laten wij voelen hoe deze gedachte vanuit een morele gezinning wordt, dat wij kunnen zeggen: wij zullen, als we de geestelijke wereld betreden -hetzij wanneer we door de poort van de dood zijn gegaan, hetzij ergens anders of in de aardetoekomst- wij zullen de Geesten van de Persoonlijkheid tegenkomen, de Archai. Dan zullen we waarnemen wat zij hebben kunnen doen met onze gedachten, die ter wille van onze vrijheid in ons geïsoleerd waren. En we zullen onze waarde als mens en onze menselijke waardigheid leren kennen aan hetgeen de Archai uit onze gedachten hebben kunnen maken. En de kosmische gedachte richt zich direct naar de morele gezinning, naar de morele impulskracht. Als antroposofie op de juiste manier wordt opgevat dan kan daar vandaag zeer zeker overal morele impulskracht uit ontspringen. Antroposofie moet dan wel met de ganse mens gevat worden. Als we die gedachte vasthouden, de gedachte van verantwoordelijkheid t.o.v. de normaal ontwikkelde Archai, als we onze geestelijke verhouding in de kosmos juist inschatten, dan worden wij pas echte mensen van onze tijd. En dan zullen we op de juiste manier kijken naar wat ons altijd omringt: niet alleen een zintuiglijke wereld maar ook een geestelijke wereld. Wij zullen opkijken naar die geestelijke wezens, de Archai, ten opzichte van dewelke de mens verantwoordelijk moet worden als hij op de juiste manier waardig zijn mensheidsontwikkeling wil doormaken in de loop van de aardetijden. We zullen zien hoe de huidige tijd nog steeds geconfronteerd wordt met wat overgebleven is aan Geesten van de Vorm die nog altijd de gedachten willen besturen op de oude manier. En dat is de belangrijkste beschavingsopdracht ! Dat zijn de eigenlijke diepere opgaven voor de mens: door zijn juiste verhouding tot de Archai, tot de Geesten der Persoonlijkheid, vrij te worden, opdat hij daardoor ook de juiste verhouding vindt tot de Geesten van de Vorm die vandaag met de gedachten nog altijd hetzelfde willen doen als wat ze vroeger deden, vroeger terecht, maar nu totaal ten onrechte. En van de ene kant zullen we datgene vinden wat het leven in de wereld vandaag moeilijk maakt, maar we zullen ook overal wegen vinden om uit die moeilijkheden te geraken. Alleen moeten we die wegen als vrije mensen zoeken. Want als we niet de wil tot vrije gedachtenontplooiing hebben, wat moeten de Archai dan met ons aanvangen ? Waar het op aankomt in onze tijd, dat is dat de mens werkelijk een vrij wezen wil zijn. In de meeste gevallen wil hij dat nog niet. Hij moet nog leren om dat te willen. Het valt hem vandaag nog moeilijk zichzelf te willen als een vrij wezen. Het liefst zou hij eigenlijk hebben dat hij zou kunnen wensen wat hij graag heeft en dat er dan de juiste geesten zouden zijn die zijn wensen op een onzichtbare bovennatuurlijke manier zouden vervullen. Dan zou hij zich misschien vrij voelen, menswaardig voelen ! We moeten slechts een paar reïncarnaties laten passeren, niet eens zo'n lange tijd, zo rond het jaar 2800 of 3000, en dan zullen we het onszelf niet meer kunnen vergeven in een daaropvolgende incarnatie -waar we vanzelf op vroegere incarnaties zullen kunnen terugkijken- dat we ooit menselijke vrijheid verwisseld hebben met een tegemoetkomen van de menselijke gemakzucht door inschikkelijke goden ! Deze twee zaken verwisselt de mens immers tegenwoordig: vrijheid en inschikkelijkheid van goedhartige goden t.o.v. de menselijke gemakzucht, t.o.v. gemakkelijke menselijke wensen. Dat willen vandaag toch vele mensen, dat er goede goden zijn die hun wensen vervullen zonder zelf iets te moeten doen. Zoals gezegd, we moeten maar wachten tot het jaar 2800 of 3000 en in een daaropvolgende incarnatie zullen we dat ten zeerste verachten. Maar juist wanneer we vandaag een goede morele gezinning ontwikkelen, dan moet die ook verbonden zijn met een zekere morele sterkte die de vrijheid echt wíl - de innerlijke vrijheid om te beginnen; de uiterlijke zal zich dan wel op de juiste manier ontwikkelen als de wil tot innerlijke vrijheid er eenmaal is. Daartoe is wel noodzakelijk dat men op de juiste manier kan waarnemen waar overal die achtergebleven Geesten van de Vorm actief zijn. Nu, ze zijn overal actief. Ik kan mij voorstellen -het menselijk intellect heeft nu eenmaal zo'n luciferische neiging- dat er mensen zijn die nu zeggen: ja, het zou toch veel verstandiger geweest zijn vanwege de goddelijke wereldorde indien die achtergebleven Geesten van de Vorm niet bedrijvig zouden zijn, indien ze zelfs helemaal niet bestonden ! - Mensen die zo denken raad ik aan om, als verstandig mens zich eens voor te stellen dat ze zich zouden voeden zonder dat tegelijkertijd de darmen gevuld worden met onaangename stoffen. Het ene is nu eenmaal niet mogelijk zonder het andere. En zo is het in de wereld ook niet mogelijk dat de dingen die op grootse en geweldige wijze de menselijke waardigheid toelaten, er zijn zonder hun overeenkomstig correlaat. Waar kunnen we die achtergebleven Geesten van de Vorm bedrijvig zien ? In de eerste plaats zien we ze vandaag in de nationale chauvinismen die zich over de ganse wereld verspreiden, daar waar de gedachten van de mensen niet vanuit hun innerste centrale kern ontwikkeld worden, maar vanuit het bloed, vanuit hetgeen uit de instincten stroomt." [ ... ]

Terug naar de inhoudstafel.