Over het gebed

door Jan Vermeir

In de Westerse christelijke wereldbeschouwing werd altijd veel belang gehecht aan de waarde van het gebed. Met de opkomst van de materialistische denkwijze werden de traditionele waarden van het christelijk belijden steeds nadrukkelijker in vraag gesteld; men gaat op zoek naar een nieuwe impuls, naar een nieuwe cultus, en het bidden geraakt in onbruik.

Dikwijls wordt de vraag gesteld: "Wat is bidden, hoe moet ik bidden ?" Die vraag is terecht, want men heeft verleerd te bidden, men kent de waarde en de uitwerking van het gebed niet meer. Zoekt men toch zijn heil in het gebed, dan betrekt men het bidden doorgaans op de gangbare materiële noden en wensen. Een voorbeeld kan dit verduidelijken: in vele gemeenten wordt er jaarlijks een fietsen- en/of autowijding gehouden. De fietsen, de auto's worden door de priester gewijd met de smeekbede dat de bestuurders ervan zouden gevrijwaard blijven van onheil op de weg.

Niet alleen wordt hier in de plaats van het brood en de wijn als symbool van het lichaam en het bloed van Christus het voertuig tot het voorwerp van wijding gemaakt, maar wordt er ook van God afgesmeekt dat Hij de mens zou behoeden voor enig lichamelijk of materieel onheil in het wegverkeer.

Wat nooit de bedoeling van het gebed kan of mag zijn, is dat het betrokken wordt in de egoïstische verlangens of wensen van de mens. Zeer zeker ligt er in het gebed een smeekbede vervat, maar die smeekbede moet elke egoïstische impuls uitsluiten; integendeel moet de ware gebedsstemming doordrongen zijn van een volledige overgave aan de aanvaarding van Gods wil. Christus zelf heeft, toen hij ging bidden op de Olijfberg, de ware gebedsstemming aangegeven die in elk gebed moet overheersen: "Vader, als het mogelijk is, laat dan deze kelk aan mij voorbijgaan, maar niet mijn wil doch Uw wil geschiede" (Mat. 26:39). Wanneer deze stemming de grondtoon uitmaakt van het gebed, dan reikt de ziel naar iets dat boven haar eigen grens uitstijgt, dan raakt zij de bovenzinnelijke wereld aan.

In zijn voordracht van 17 februari 1910 over het wezen van het gebed, spreekt Rudolf Steiner over twee soorten gebedsstemmingen: de ene die vanuit het verleden binnenstroomt in het heden; de andere die vanuit de toekomst afkomt op het heden.

Wanneer de ziel zich overgeeft aan de gebedsstemming die haar vanuit het verleden toestroomt, wanneer zij in berouw, spijt, schaamte of onvolkomenheid zichzelf beschouwt tegenover het goddelijke, dan ontstaat er een gevoel van devotie en eerbied ten opzichte van de grootsheid van dit goddelijke; dan wordt de ziel er zich van bewust dat zij tot nu toe te veel onbenut heeft gelaten en dat er iets bestaat dat veel volmaakter is dan het onvolkomene in haar eigen wezen. Op die manier kan de ziel, door haar eigen onvolkomenheid te vergelijken met het goddelijke boven zichzelf uitstijgen en de intentie opvatten om te streven naar het volmaakte.

De andere gebedsstemming is degene die vanuit de toekomst op ons afkomt. Nu kan men bedenken dat de toekomst haar invloed nog niet kan uitoefenen omdat zij zich nog niet voltrokken heeft. Nochtans houden angst en vrees voor de toekomst, ook ijdele dromen en verwachtingen, het zieleleven evenveel of nog meer in de ban dan de ervaringen uit het verleden: vrees en angst voor hetgeen kan gebeuren belemmeren de vrije ontplooiing van de zielekrachten. Er bestaat echter iets dat deze angst kan wegbannen en dat is het ontwikkelen van een gevoel van gelijkmoedigheid voor hetgeen de toekomst brengen kan. Hiermee wordt niet bedoeld dat soort van berusting waarbij men de toekomst in een fatalistische gelatenheid afwacht, maar de zielestemming die het gevoel oproept:"Wat er ook gebeuren zal, angst hiervoor zal mij niet overheersen, maar in volkomen vertrouwen wacht ik af wat de goddelijke voorzienigheid mij brengen zal." Dit is de zielestemming die vervat ligt in de uitspraak "Vader, niet mijn wil maar de Uwe geschiede", en bidt men op die manier dan wordt de ziel niet door beklemming bezwaard, maar door vertrouwen verlicht, en zij kan uitstijgen boven haar eigen begrensdheid.

Alle echte gebeden -dus niet dewelke die samengesteld zijn door zonder werkelijk inzicht de woorden aan elkaar te rijgen- zijn ontstaan uit de oerbronnen van de wereldwijsheid. Een eenvoudig maar tegelijk volkomen gebed is het kruisteken:

In de naam van de Vader - de wereldschepper of wereldwil
de Zoon - de wereldliefde
de Geest - de wereldgeest
Amen.

In het kruisteken wordt een beroep gedaan op de allerhoogste wil, liefde en geest. Zelfs hetslotwoord van alle gebeden, "amen" heeft een bijzondere betekenis. Het heeft dezelfde inhoud als het A-U-M (of A-OE-M), een heilig begrip dat de oeroude Indische yogi's gebruikten om de aarde-evolutie aan te duiden:
A: het verleden
OE: het heden
M: de toekomst.

Het A-OE-M is het overgaan van de wereld der vergankelijkheid naar de opstanding in het eeuwige.

Men behoeft echter niet noodzakelijk de betekenis te begrijpen van de gebeden die ontstaan zijn uit de oerwijsheid van de wereld. Zonder deze gebeden te begrijpen hebben zij nog altijd een heilzame uitwerking op de ziel, want, zoals Rudolf Steiner als voorbeeld geeft, kan het aanschouwen van een roos de ziel toch in vervoering brengen, zonder dat men hiervoor iets hoeft te weten van de grote universele wetten die de roos haar schoonheid gegeven hebben.

Het gebed werkt nochtans krachtiger op de ziel indien men iets kan beseffen van de wijsheid die in het gebed verscholen ligt. Christus zelf heeft de mens geleerd hoe hij moet bidden. In de zeven beden van het Onzevader (Mat. 6:9-13) had Hij de ontwikkeling van de zevenledige natuur van de mens voor ogen. Het past hier dus om eerst een poging te ondernemen om de zeven wezensdelen van de mens te beschrijven vooraleer vanuit deze optiek het Onzevader zelf te proberen te verklaren.

1) Fysiek lichaam.

2) Levenslichaam (of etherlichaam): in levende materie (plant, dier, mens) moet een kracht aanwezig zijn die deze materie in stand houdt zoniet zou die tot ontbinding overgaan. Het begrip "levenslichaam" kan men verklaren als een concentratie van levenskrachten komende uit de kosmos die op het organisme inwerken. Men mag zich hierbij niets stoffelijks voorstellen; de levenskrachten openbaren zich in de zintuiglijke wereld op een indirecte manier, in de groei en de vormgeving van een levend organisme.

3) Zielelichaam (of astraal lichaam) : het geheel van lagere gevoelens, van driften, begeerten, wilsimpulsen die mens en dier kenmerken.

4) Ik-lichaam of kortweg Ik: op aarde heeft alleen het menselijk wezen een Ik. Het is de geestelijke kern waardoor de mens tot een besef van zelfbewustzijn komt, waardoor hij zichzelf als individueel ervaart ten opzichte van de buitenwereld.

De drie hogere wezensdelen van de mens -geestzelf, levensgeest, geestmens- zijn begrippen die tot de moeilijkste in de antroposofie behoren; doorgaans moet men zich jarenlang in deze begrippen inleven om hieromtrent enig inzicht te bekomen. De eerste drie wezensdelen werden in het verleden reeds gevormd, de mens werkt nu aan de ontwikkeling van zijn Ik; in een later stadium van de aarde-evolutie zullen de drie hogere wezensdelen die nu al in aanleg aanwezig zijn, tot ontwikkeling komen.

5) Geestzelf: door de kracht van het Ik kan de mens de driften, de hartstochten, de begeerten die in zijn ziel leven, omvormen tot hoge idealen. Men bedenke hoe een mens die zich op jonge leeftijd misschien volledig heeft overgegeven aan de lagere neigingen van zijn ziel, op latere leedftijd toch veredeld en gelouterd kan geworden zijn. Het lagere Ik heeft zich dan tot geest omgevormd en is geworden tot geestzelf.

6) Levensgeest: de kracht van het Ik kan nog dieper werken, tot in het levenslichaam. De omzetting van het levenslichaam in een hogere vorm is echter veel moeilijker te verwezenlijken omdat moet worden ingegrepen in zeer diepliggende krachten zoals overgeërfde eigenschappen, karakter, temperament. Naarmate het levenslichaam omgewerkt wordt, verandert de levenskracht in geestkracht, of wordt zij tot levensgeest. Vooral gevoelens van religieuze aard oefenen een diepe inwerking uit op het levenslichaam: "Religieuze gevoelens drukken op al het denken, voelen en willen een zekere stempel van eenheid. Zij verbreiden a.h.w. een gemeenschappelijk onverdeeld licht over het gehele zielsleven". Uit deze zinsnede moge blijken dat zelfs de diepste grondstemmingen van de ziel kunnem afgezwakt worden om in harmonie te komen met de wereld.

7) Geestmens: de werkzaamheid van het Ik kan zelfs zijn invloed uitoefenen op het fysieke lichaam. In het verbleken van het gelaat bij angst en in het rood worden bij schaamte merken wij al dat het Ik een rol kan spelen in de fysieke organisatie. De hoogste vorm van geestelijke ontwikkeling wordt bereikt wanneer het Ik de kracht verkrijgt om bewust in de fysieke processen in te grijpen. In dit stadium dat slechts in een verre toekomst zal te verwezenlijken zijn, doordringt het Ik ieder deel van de menselijke organisatie met de geest: de mens wordt geestmens.

Zoals hierboven reeds vermeld liggen deze zeven wezensdelen besloten in de zeven beden van het Onzevader. De drie eerste beden hebben betrekking op de drie hogere wezensdelen van de mens die tevens de drie laagste principes zijn van het goddelijke.

Uitgaande van het goddelijke onderscheidt men de begrippen wil, rijk en naam. Een universum wordt geschapen door de wil van een god: door zijn wil spreekt een godheid zijn eigen wezen uit en zo ontstaat een universum. Men kan deze goddelijke daad niet treffender verwoorden dan door hetgeen in de eerste zinnen -die letterlijk moeten worden opgevat- van het evangelie volgens Johannes beschreven staat:

"In het oerbegin was het scheppende Woord en het Woord was bij God en het Woord was God; dit was in het oerbegin bij God. Alles is door het Woord geworden en niets van het gewordene is anders dan door het Woord ontstaan."

Het tweede begrip, het Rijk, is het ganse universum dat door de scheppingskracht van God is geworden; en het derde begrip, de Naam, wordt gegeven aan ieder schepsel dat tot dat rijk behoort: ieder schepsel krijgt zijn eigen naam.

Betrekt men het Onzevader op de zeven wezensdelen van de mens, dan verwijzen de drie eerste beden naar de drie hogere nog te vormen wezensdelen; vanuit de toekomst komen zij ons in het heden tegemoet.

"Uw naam worde geheiligd" heeft betrekking op het geestzelf, het gelouterde zielelichaam dat alle lagere gevoelens, alle sympathie en antipathie overwonnen heeft en dat ieder schepsel van het rijk Gods, iedere naam als heilig tegemoet komt.

"Uw rijk kome" duidt op de levensgeest, het vergeestelijkte levenslichaam waarin alle onderscheid in karakter, volk, cultuur enz. is opgelost en waarin harmonie en de allesomvattende en gevende liefde voor het ganse rijk heerst. Bij de Christus was deze kracht in de hoogste mate aanwezig, en blijvend aanwezig, en daarom kon hij met recht verkondigen:"Zie, ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de aardetijd" (Mat. 28:20).

"Uw wil geschiede" houdt verband met de geestmens, de hoogste geestelijke ontwikkeling die de mens hier op aarde kan bereiken. Dit begrip is nauwelijks te vatten: op dat niveau zal de mens zodanig vergeestelijkt zijn dat hij door zijn wil die nu nog zwak is maar in de toekomst zijn grootste eigenschap zal worden, in staat zal zijn om te volbrengen wat men in de geesteswetenschap "het grote offer" noemt. Een wezen dat "het grote offer " brengt, offert door de kracht van zijn wil zijn ganse wezen, het spreekt zichzelf uit in het universum.

Men merkt dat de eerste drie beden een wens inhouden om in vervulling te laten gaan wat nog niet verwezenlijkt is; de vier laatste beden echter zijn een directe vraag om ons te behoeden voor iets dat zijn oorsprong vindt in datgene wat in het verleden werd ontwikkeld; men kan stellen dat het laatste deel van het Onzevader vanuit het verleden zijn invloed doet gelden op het heden.

"Geef ons heden ons dagelijks brood": het fysieke lichaam zou niet kunnen bestaan als het niet voortdurend nieuwe stoffen uit de fysieke wereld zou kunnen opnemen.

"Vergeef ons onze schulden": hier moet schuld beschouwd worden als een sociale of morele fout die voortvloeit uit het levenslichaam. Iedereen heeft een eigen karakter, behoort tot een bepaalde familie, tot een bepaald volk. Door de eigen karaktertrekken, door de gewoontes en levenswijze die de eigen gemeenschap kenmerken, is men geneigd om andersgezinde personen, volkeren, culturen, te negeren of af te wijzen; zo laadt men een sociale schuld op zich die het gevolg is van de onzuiverheden die ingebed liggen in het levenslichaam. Ter verduidelijking mag hier een tekst aangehaald worden uit "De weg tot inzicht in hogere werelden" van Rudolf Steiner. De hier aangehaalde tekst beschrijft welke houding wij kunnen aannemen t.o.v. bvb. een misdadiger :

"Ik houd mijn oordeel terug en zeg tot mijzelf : ook ik ben maar een mens als hij. Wellicht heeft alleen de opvoeding die mij door omstandigheden te beurt is gevallen mij voor een dergelijk lot bewaard.- Ik kom dan mogelijk tot de overtuiging dat deze medebroeder een ander mens zou zijn geworden als de leermeesters die aan mij hun moeite en zorgen besteeddden, die aan hem hadden gewijd. Ik zal bedenken dat mij iets ten deel is gevallen wat hem werd onthouden en dat ik dit voorrecht juist te danken heb aan het feit dat hij het moest missen. En dan zal het denkbeeld mij niet vreemd meer zijn dat ik slechts een schakel in de gehele mensheid ben en mede-aansprakelijk voor al wat geschiedt."

"Leidt ons niet in verzoeking": verzoeking, bekoring is een zonde die in de persoonlijke sfeer ligt. De onvolkomenheid van het zielelichaam, waarin driften, hartstochten, begeerten leven is de bron van de verzoeking.

"Verlos ons van het boze" : schuld en verzoeking kunnen de mens niet ten volle als zonde worden aangerekend aangezien de fouten die vanuit het levens- en zielelichaam gemaakt worden, niet volledig doordrongen zijn van het Ik-bewustzijn; men kan deze twee soorten zonden eerder zwakheden noemen. Anders is het wanneer er fouten gemaakt worden door het Ik, dat volkomen bewust kan denken en handelen. Een zonde, begaan door het Ik gebeurt doelbewust en deze zonde kan dan ook in de echte zin van het woord het kwade genoemd worden.

Het Onzevader is dus een gebed -als men het op de beschreven wijze beschouwt- waardoor de mens zijn zevenledige natuur zodanig kan ontwikkelen dat hij zijn leven kan volbrengen op de manier zoals het door de goddelijke voorzienigheid werd bedoeld.

Terug naar de inhoudstafel E - H.

Terug naar de inhoudstafel M - Q.